Vragen van de leden Visser (VVD), Dijkgraaf (SGP) en Geurts (CDA) aan de Staatssecretaris
van Economische Zaken over het bericht «Nog veel onwetendheid over aanlandplicht»
(ingezonden 22 januari 2016).
Antwoord van Staatssecretaris Van Dam (Economische Zaken) (ontvangen 19 februari 2016).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Nog veel onwetendheid over aanlandplicht»?1
Vraag 2, 3
Wat is uw reactie op confrontatie tussen de Nederlandse Noordzeevissers en de Duitse
inspectiedienst?
Wat is uw reactie op het feit dat de Duitse controleurs niet op de hoogte bleken te
zijn van de regelgeving en er kennelijk nog veel onwetendheid is bij de inspectiediensten
over de aanlandplicht?
Antwoord 2, 3
De regelgeving van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) geldt voor alle lidstaten
van de Europese Unie. De controleverordening voor het Gemeenschappelijk Visserijbeleid
is bedoeld om te garanderen dat de regels op de juiste manier worden nageleefd. Het
toezicht op de regels is echter een nationale verantwoordelijkheid.
Met betrekking tot de aanlandplicht is in de plannen voor 2016 helder afgesproken
wat wel en niet moet worden aangeland. Bij controle hierop mag tussen de controlediensten
van verschillende landen geen verschil bestaan. Toen door Nederlandse vissers melding
werd gemaakt van discussie met Duitse inspecteurs over de soorten die moeten worden
aangeland, is daarom vanuit het ministerie direct contact gezocht, zowel met het Duitse
ministerie als met de Duitse controledienst. Op verzoek van Nederland heeft het Duitse
ministerie ons de inspectieprotocollen rond de aanlandplicht toegestuurd. De Duitse
inspectiedienst heeft bovendien onmiddellijk contact gezocht met de schipper van het
betrokken inspectievaartuig om uit te zoeken wat er speelde.
Na inzage in de protocollen en instructies is gebleken dat de Duitse inspectiedienst
de regels niet anders hanteert dan op Europees niveau is afgesproken. De instructies
zijn vergelijkbaar met de instructies die de NVWA volgt.
Sindsdien zijn geen nieuwe meldingen binnen gekomen.
Vraag 4
Welke afspraken zijn er nu gemaakt naar aanleiding van het contact op het hoogste
ambtelijke niveau? Zijn deze afspraken voldoende voor de Nederlandse Noordzeevissers,
die zich al aan aanlandplicht hielden, om te kunnen blijven vissen in de Duitse wateren?
Antwoord 4
Zoals aangegeven heeft Duitsland per ommegaande zijn protocollen ter beschikking gesteld.
Daarnaast heeft Duitsland zich bereid getoond direct actie te ondernemen toen er discussie
ontstond en er door Nederlandse vissers, via de overheid, aan de bel werd getrokken.
Hiermee is het risico op misverstanden zo veel mogelijk beperkt. Er is in mijn ogen
dus niets wat Nederlandse vissers er van zou moeten weerhouden om in Duitse wateren
te vissen.
Daar wil ik nog bij opmerken dat in geen van de gevallen waarbij specifiek is gecontroleerd
op de naleving van de aanlandplicht is overgegaan tot het opmaken van procesverbaal.
Vraag 5, 6
Hoe past dit bericht in het in het licht van uw opmerkingen in het verslag van de
Landbouw- en Visserijraad van 14 en 15 december 2015 dat andere Noordzee-lidstaten
ook de noodzaak onderschrijven om tot harmonisatie in de handhaving te komen?2
In het hetzelfde verslag geeft u aan in januari 2016 tot nadere afspraken te willen
komen in de Scheveningen groep; heeft dit overleg al plaatsgevonden? Zo ja, wat zijn
de uitkomsten van dit overleg en wanneer kan de Kamer de uitkomsten van dit overleg
verwachten? Zo nee, bent u bereid in het licht van de recente berichtgeving spoedig
samen te komen om tot harmonisatie te komen met de Noordzee-lidstaten?
Antwoord 5, 6
De wens voor harmonisatie wordt inderdaad breed gedeeld. Tegelijkertijd ligt dit ook
gevoelig; hoewel de controleverordening ervoor zorgt dat de basis voor visserijcontrole
door de lidstaten gelijk is, blijven lidstaten verantwoordelijk voor de precieze uitwerking
van controle in de eigen wateren.
Een duidelijk voorbeeld waarbij deze gevoeligheid naar voren komt is de inzet van
camera’s voor controle: lidstaten verschillen van mening over hoe hiermee moet worden
omgegaan, of de vlagstaat of de kuststaat hierin het voortouw heeft en onder welke
voorwaarden beelden mogen worden gedeeld.
Onlangs heeft overleg in de Noordwestelijke Waterengroep en de Scheveningengroep plaatsgevonden.
In deze overleggen heeft Nederland opnieuw aangedrongen op snelle harmonisatie van
de controle op de aanlandplicht. De voorzitters van beide regionale groepen, respectievelijk
Frankrijk en Zweden, hebben aangegeven dit te agenderen voor het overleg van de regionale
controle expertgroepen. Het proces naar een geharmoniseerd controle regime is dus
gaande maar vergt tijd.
Ik ben daarom in de tussentijd ook extra alert op signalen uit de praktijk die wijzen
op verschillen in interpretatie tussen lidstaten. Door deze direct met de betrokken
lidstaat te bespreken kan snel in kaart worden gebracht of er inderdaad sprake is
van een verschil in uitvoering en kan eventuele verwarring of miscommunicatie zo snel
mogelijk verholpen worden. Ik heb de andere lidstaten rondom de Noordzee verzocht
om de controle-instructies breder met elkaar te delen. Ik ben er van overtuigd dat
het delen en vergelijken van instructies zal leiden tot een belangrijke stap in de
harmonisatie.
X Noot
1«Nog veel onwetendheid over aanlandplicht», Reformatorisch Dagblad,19 januari 2016.