Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-20153236

Vragen van het lid Lucas (VVD) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het artikel «ROC Leiden gered van faillissement» (ingezonden 24 juni 2015).

Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 1 september 2015)

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het bericht «ROC Leiden gered van faillissement»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u het er mee eens dat de recente gebeurtenissen rondom het ROC Leiden reden geven voor het voeren van een fundamenteel debat over de inrichting van governance en toezicht binnen het mbo en rol van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij mismanagement en faillissementen? Bent u bereid dit debat na de zomer met de Kamer in de volle breedte te voeren en daarbij fundamenteler te kijken dan alleen een commissie hier of wat extra medezeggenschap daar?

Antwoord 2

De besluiten die geleid hebben tot de problemen van ROC Leiden dateren van vóór de casus Amarantis zoals ik in mijn brief van 13 februari jl. (Kamerstuk 33 495, nr. 65) heb aangegeven. Naar aanleiding van de casus Amarantis zijn de nodige maatregelen getroffen op het gebied van onderwijsbestuur. In mijn brief van 1 mei jl. (Kamerstuk 33 495, nr. 62) heb ik aangegeven dat ik maximale lering wil trekken uit deze casus. Inmiddels is er een commissie in het leven geroepen die onderzoek doet naar ROC Leiden (zie Instellingsbesluit Commissie onderzoek huisvesting ROC Leiden). De voorzitter van deze commissie is prof. dr. P.L. Meurs. Het doel van de commissie is om een oordeel te vormen over de besluitvorming rond de huisvesting, aanbevelingen te doen op welke wijze een expertisecentrum kan worden ingericht om te ondersteunen bij het realiseren van nieuwe huisvesting en te bezien of het handhavingskader en in het bijzonder de interventieladder van de Inspectie van het Onderwijs (hierna inspectie) aangescherpt kan worden.

Ik heb de commissie n.a.v. de motie van het lid Jasper van Dijk (Kamerstuk 33 495, nr. 75) gevraagd om verschillende opties in kaart te brengen om vastgoed en onderwijs beter van elkaar te scheiden. Daarnaast heeft de Tweede Kamer mij verzocht om ook expliciet aandacht te geven aan de versterking van de rol van medezeggenschap bij besluiten t.a.v. de huisvesting. Ik heb de commissie verzocht ook dit punt mee te nemen in het onderzoek. De Commissie onderzoek huisvesting ROC Leiden brengt haar eindrapport uiterlijk 15 oktober 2015 uit. Ik ga daarna graag met uw Kamer in gesprek. Ook het wetsvoorstel versterking bestuurskracht van onderwijsinstellingen dat ik recent bij uw Kamer heb ingediend, biedt hiervoor mogelijkheid. (Kamerstuk 34 251).

Vraag 3

In het debat over het ROC Leiden heeft u aangegeven dat faillissement tot chaos en te hoge kosten zou leiden voor de sector; welke maatregelen gaat u concreet nemen om in de toekomst chaos en te grote financiële consequenties te voorkomen, die het faillissement van het ROC Leiden in de weg stonden, maar feitelijk bij alle ROC's aan de orde zijn en daarmee faillissement vooral tot een theoretische werkelijkheid reduceren?

Antwoord 3

Gelet op de vaak ver reikende economische, sociale en/of maatschappelijke consequenties van een faillissement is het zaak om faillissementen waar mogelijk te voorkomen. Naar mijn oordeel zullen alle inspanningen dus primair gericht moeten zijn op het vermijden van de oorzaken van een faillissement. De problemen rond ROC Leiden zijn ontstaan in een periode waarin ook bij Amarantis besluiten werden genomen die tot financiële problemen hebben geleid. Sindsdien zijn er verschillende maatregelen getroffen om financiële problemen te voorkomen of om bij te sturen. Daarnaast laat ik de Commissie onderzoek huisvesting ROC Leiden onderzoeken of er nog aanvullende lessen zijn te trekken uit de casus ROC Leiden (zie ook het antwoord op vraag2.

Vraag 4

Bent u bereid het beeld dat u heeft geschetst dat een faillissement leidt tot chaos te onderbouwen met concrete voorbeelden uit het verleden? Graag een toelichting.

Antwoord 4

Vanwege de acute financiële problemen van ROC Leiden dreigde een faillissement. Er was grote onzekerheid of de 9.000 studenten na een faillissement hun opleiding konden voortzetten. Er was onvoldoende tijd voor omliggende instellingen om voorbereidingen te treffen om dit aantal studenten over te nemen. In het onderwijs is niet eerder een instelling van deze omvang failliet gegaan.

Bij eerdere faillissementen in de semipublieke sector (Meavita, Ruwaard van Putten ziekenhuis, Ibn Ghaldoun) was sprake van een andere omvang en is het mogelijk gebleken de dienstverlening voor een groot deel van de belanghebbenden zonder te grote stagnaties voort te zetten.

Vraag 5 en 6

Welke mogelijkheden zijn er om de kosten van wachtgelden te beperken die een faillissement van het ROC Leiden moeilijker maakte?

Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de mbo-sector over de wachtgeld regelingen die een faillissement in de weg zitten? Graag een toelichting.

Antwoord 5 en 6

Ik heb geen rol in het overleg over de arbeidsvoorwaarden zoals de uitkeringsregeling bij werkloosheid. Dit is in de mbo-sector al sinds 2003 gedecentraliseerd en de vakbonden en de MBO-Raad, namens de instellingen, gaan over de inhoud van de regelingen. In deze specifieke situatie zie ik geen aanleiding om hierover het gesprek met de sector aan te gaan. Dat geldt wat mij betreft tevens ten aanzien van het solidariteitsprincipe dat de werknemer bij een faillissement en betalingsonmacht van zijn werkgever aanspraak kan blijven maken op zijn loon tot ontslag en vervolgens de (boven)wettelijke werkloosheidsuitkering. Dit principe kennen we in alle onderwijssectoren. Het is bedoeld als waarborg voor het personeel zodat men niet het risico loopt dat men afhankelijk wordt van eventueel mismanagement bij een onderwijswerkgever. Als zodanig vormt dit vereveningsprincipe een onderdeel van de continuïteit van het onderwijs, en geldt in de mbo-sector al sinds de afspraken over het wachtgeldarrangement in 1998.

Vraag 7

In het algemeen overleg over het ROC Leiden3 heeft u gesteld dat het absorptievermogen van de omringende ROC's onvoldoende zou zijn; welke maatregelen gaat u nemen om dit in het vervolg te voorkomen?

Antwoord 7

Ik wil dat onderwijsinstellingen de beschikbare middelen doelmatig inzetten. Dat betekent dat de omvang van de huisvesting en het personeelsbestand moeten passen bij hun (verwachte) studentenaantal. Het lijkt mij geen doelmatige inzet van middelen als instellingen overcapaciteit gaan creëren. Als een mbo-instelling failliet dreigt te gaan, dan zal per situatie bekeken moeten worden of en zo ja hoe omliggende instellingen in staat zijn om de studenten op te vangen.

Ik ben op dit moment bezig met de uitvoering van de motie Van Meenen (D66). De motie Van Meenen vraagt de regering om het opleidingsaanbod en daarmee de omvang van ROC Leiden gecontroleerd te reduceren door waar mogelijk opleidingen, en daarmee studenten en medewerkers over te dragen aan andere instellingen in de regio (Kamerstuk 33 495, nr. 71). In overleg met betrokken bestuurders van ROC ’s in de regio wordt op dit moment invulling gegeven aan deze motie. Uw Kamer zal voor 1 oktober 2015 geïnformeerd worden hierover.

Vraag 8

Op welke wijze gaat u voorkomen dat het reddingsplan voor het ROC Leiden een vrijbrief betekent voor bestuurders in het mbo om amateuristische en naïeve besluiten te nemen?

Antwoord 8

Het reddingsplan betekent geen vrijbrief voor bestuurders. Integendeel, de afgelopen tijd zijn diverse maatregelen genomen of nog in voorbereiding die elk bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het bestuur van instellingen, zoals het recent ingediende wetsvoorstel versterking bestuurskracht (Kamerstuk 34 251), en wordt gestreefd naar het scheppen van grotere transparantie door de besturen vooraf. Zo moeten besturen in het jaarverslag een meerjarenperspectief opnemen waarin onder meer wordt ingegaan op huisvesting en financiële risico’s. Voorts heb ik de Commissie onderzoek huisvesting ROC Leiden gevraagd mij aanbevelingen te doen op welke wijze een expertisecentrum ingericht kan worden om onderwijsinstellingen te ondersteunen bij het realiseren van nieuwe huisvesting. Dit zou bestuurders kunnen helpen bij het nemen van besluiten over complexe financiële vraagstukken die in het algemeen samenhangen met huisvesting.

Vraag 9

Welke mogelijkheden en bevoegdheden heeft u om bij een faillissement leerlingen bij andere ROC’s in de regio te plaatsen? Welke mogelijkheden heeft u om ROC’s te verplichten de nieuwe studenten op te nemen?

Antwoord 9

Ik heb geen bijzondere bevoegdheden om bij een faillissement studenten bij een ander ROC te plaatsen. Voor het opnemen van studenten in het mbo gelden een aantal uitgangspunten. ROC’s hebben een algemene plicht om voor toegankelijk onderwijs te zorgen. Zou een ROC wegvallen, dan zullen de omringende ROC’s op basis van die algemene plicht moeten zorgen voor de opvang van de studenten. Ik kan een ROC niet verplichten om een bepaalde student op te nemen. Daarnaast geldt specifiek dat ROC’s degenen die zich melden voor een entreeopleiding en die behoren tot de doelgroep, niet mogen weigeren tenzij zij al twee jaar in een entreeopleiding ingeschreven zijn geweest.

Vraag 10

Deelt u de mening dat, gezien het belang dat we in Nederland hechten aan de autonomie en de bestuurlijke vrijheid van een onderwijsinstelling, dit ook een grote mate van verantwoordelijkheid vergt van de onderwijsinstelling voor de genomen beslissingen en dat dit ook betekent dat een instelling failliet moet kunnen gaan?

Antwoord 10

Ik deel de mening dat besturen van instellingen een grote mate van verantwoordelijkheid dragen voor hun genomen beslissingen. En ik vind ook dat in beginsel een instelling failliet zou moeten kunnen gaan onder de condities zoals die eerder geschetst zijn (zie ook mijn brief van 1 mei jl.: Kamerstuk 33 495, nr. 65).

Vraag 11

Zo ja, bent u dan ook van mening dat bij een beperking van de verantwoordelijkheid voor bestuurders, de autonomie ook ingeperkt moet worden? Vindt u dat een wenselijke ontwikkelingsrichting?

Antwoord 11

Bestuurders van onderwijsinstellingen zijn volledig verantwoordelijk voor de besluiten die zij nemen in het kader van hun opdracht: het goed laten functioneren van een onderwijsinstelling en het verzorgen van goed onderwijs. Bij beperktere autonomie hoort een kleinere verantwoordelijkheid, niet omgekeerd.

Vraag 12

Deelt u de mening dat mbo-bestuurders in staat moeten zijn om zelfstandig en weloverwogen besluiten te nemen ten aanzien van complexe financiële vraagstukken en dat dit alleen kan als een faillissement niet alleen een theoretische werkelijkheid is? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 12

Ja, ik deel de mening dat mbo-bestuurders in staat moeten zijn om zelfstandig en weloverwogen besluiten te nemen ten aanzien van complexe financiële vraagstukken. Een faillissement van een onderwijsinstelling betekent dat de rechtspersoon failliet gaat, niet dat de bestuurder failliet gaat of dat deze per definitie aansprakelijk is voor alle schulden van de rechtspersoon. Wel kan er sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders jegens de rechtspersoon. Artikel 2:9 van het BW regelt thans de mogelijkheid van aansprakelijkstelling van bestuurders van rechtspersonen door «hun» rechtspersoon wegens onbehoorlijke taakvervulling. Het is ook de bedoeling dat het BW zal gaan voorzien in de uitbreiding van het aansprakelijkheidsregime en dat die aansprakelijkheid ook zal gelden voor alle interne toezichthoudende organen bij privaatrechtelijke rechtspersonen die onderwijsinstellingen in stand houden (Kamerstuk 33 750 VI, nr. 31).

Vraag 13

Welke verantwoordelijkheden en bevoegdheden ziet u precies voor uzelf bij een dreigend faillissement van een onderwijsinstelling? Kunt u deze precies beschrijven?

Antwoord 13

Uitgangspunt is dat instellingen zelf verantwoordelijk zijn voor het verzorgen van onderwijs en het nemen van (financiële) beslissingen ten behoeve daarvan. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat een instelling failliet kan gaan. Als Minister van Onderwijs heb ik een stelselverantwoordelijkheid voor de verzorging van onderwijs in Nederland. Vanuit die verantwoordelijkheid kijk ik naar de borging van het onderwijs voor huidige en toekomstige studenten en niet naar de continuering van een instelling.

Vraag 14

Welke verantwoordelijkheden en bevoegdheden heeft u bij het sluiten van een pre-pack bij een onderwijsinstelling dat op de rand van een faillissement staat? Kunt u deze precies beschrijven?

Antwoord 14

Mijn verantwoordelijkheden en bevoegdheden verschillen niet in het geval van een pre-pack en een faillissement. Als via een pre-pack het onderwijs op een goede manier gecontinueerd kan worden na een faillissement dan vind ik dit positief. Ik merk in dit verband op dat de Minister van Veiligheid en Justitie in juni jl. een wetsvoorstel bij uw Kamer heeft ingediend om de pre-pack van een wettelijk kader te voorzien (Kamerstuk 34 218; de zgn. Wet continuïteit ondernemingen I). Uw Kamer moet hierover nog verslag uitbrengen. In aanvulling hierop zij opgemerkt dat een beoogd curator, die de mogelijkheden van een doorstart na faillissement nagaat, zich in geval van een onderwijsinstelling desgewenst tot mij kan wenden in verband met mijn stelselverantwoordelijkheid voor het onderwijs. De regie ligt echter bij de curator.

Vraag 15

Welke verantwoordelijkheden en bevoegdheden heeft u precies bij een faillissement van een onderwijsinstelling? Kunt u deze precies beschrijven?

Antwoord 15

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft verantwoordelijkheden en bevoegdheden ten aanzien van het onderwijsstelsel in Nederland en instellingen die onderwijs verzorgen. Het is aan mij om in brede zin het onderwijs te borgen, maar ik heb geen nadere bevoegdheden bij een faillissement van een onderwijsinstelling.

Vraag 16

Hoe verhoudt uw rol als stelselverantwoordelijke zich precies tot de rol van de curator bij een faillissement? Zijn er aanvullende maatregelen nodig om te zorgen dat u uw stelselverantwoordelijkheid kunt vervullen? Zo ja, welke?

Antwoord 16

De curator is er primair om de belangen van de gezamenlijke schuldeisers te behartigen. Doel van het faillissement is om ten behoeve van de schuldeisers de boedel te beheren en te vereffenen. De curator kan hierbij ook andere belangen in ogenschouw nemen, zoals dat van de gefailleerde, de werkgelegenheid en andere maatschappelijke belangen. In dat kader kan een curator ook zoeken naar een partij die activiteiten wil overnemen. Mijn stelselverantwoordelijkheid ziet op de continuïteit van het onderwijs. Het is echter aan de curator om het faillissement af te wikkelen.

Vraag 17

In welke mate weegt de curator de publieke opinie of het maatschappelijke belang mee in de afwikkeling van een faillissement? Kunt u in uw antwoord voorbeelden van faillissementen van andere publiek bekostigde instellingen betrekken?

Antwoord 17

Zie het antwoord op vraag 16. Van belang hierbij is dat de curator onder toezicht van de rechter-commissaris staat. In algemene zin is bijvoorbeeld werkgelegenheid een algemeen belang dat een curator in faillissementen meeweegt bij het kijken naar doorstartmogelijkheden.

Vraag 18

In welke mate weegt de rechtercommissaris de publieke opinie of het maatschappelijke belang mee in de afwikkeling van een faillissement? Kunt u in uw antwoord voorbeelden van faillissementen van andere publiek bekostigde instellingen betrekken?

Antwoord 18

Voor handelingen van de curator als het voortzetten van de activiteiten of het vervreemden van (onderdelen van) de rechtspersoon is goedkeuring van de rechter-commissaris vereist. Deze zal hierbij toetsen of de handelingen ten gunste zijn van de boedel of in ieder geval niet ten koste gaan van de boedel. In het kader van het door de Minister van Veiligheid en Justitie in gang gezette wetgevingsprogramma herijking faillissementsrecht, waarover uw Kamer laatstelijk bij brief van 7 juli 2015 is geïnformeerd (Kamerstuk 33 695, nr. 8), wordt onder meer gewerkt aan een wetsvoorstel modernisering faillissementsprocedures. In dat kader zal worden voorzien in de mogelijkheid om in complexe faillissementen, zoals in de onderwijssector, meerdere rechters-commissarissen te benoemen, opdat ook specifieke (onderwijs)expertise in het toezicht op de curator kan worden betrokken. Voorts zal expliciet worden bepaald, dat een rechter-commissaris zich zal kunnen laten bijstaan door een extern deskundige. Een curator kan dat momenteel al, voor zover althans de boedel dat toelaat.

Vraag 19

Op welke wijze kan wettelijk vastgelegd worden dat bij faillissement van een bekostigde onderwijsinstelling de curator het maatschappelijke belang van de continuïteit van het onderwijs voorrang geeft op de belangen van schuldeisers? Zou u een dergelijke bepaling wenselijk achten? Graag een toelichting.

Antwoord 19

Het in het algemeen voorrang geven aan het belang van continuïteit van het onderwijs op het belang van de schuldeisers verhoudt zich niet tot het doel van faillissement. Faillissement wordt uitgesproken als de schuldenaar niet meer in staat is zijn schulden te voldoen. Het is de laatste verhaalsmogelijkheid voor schuldeisers. Een wijziging van dit uitgangspunt is van fundamentele aard en raakt de kern van de Faillissementswet. Dat acht ik uit dat oogpunt onwenselijk. Uiteraard vind ik het wel van groot belang dat curatoren bij faillissementen van instellingen in de semipublieke sector maatschappelijke belangen meewegen bij hun beslissingen en actief onderzoeken of er aanleiding en draagvlak is om de betrokken activiteiten voort te kunnen zetten.

Vraag 20

Op welke wijze kan vastgelegd worden dat bij faillissement van een bekostigde onderwijsinstelling de Minister van onderwijs naast de curator wordt geplaatst om zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de continuïteit van het onderwijs te kunnen vervullen? Bent u bereid die maatregelen te nemen of voor te stellen?

Antwoord 20

Het is aan een curator om een faillissement af te wikkelen. De curator is benoemd door de rechtbank en staat onder controle van de rechter-commissaris. Een formele rol van de Minister van Onderwijs zit niet in dit stelsel. Bij faillissementen in het onderwijs zijn mijn ministerie en de inspectie doorgaans betrokken. Daarbij wordt de curator van informatie voorzien over het onderwijsstelsel en wordt het belang van de continuïteit van het onderwijs voor de studenten benadrukt

Vraag 21

Tijdens het algemeen overleg koppelde u het ROC Leiden aan de discussie over regionale «macrodoelmatigheid», maar biedt de net aangenomen wet macrodoelmatigheid al niet voldoende houvast om ons van een macrodoelmatig aanbod van mbo-instellingen te verzekeren? Graag een toelichting.

Antwoord 21

Het doel van de Wet macrodoelmatigheid is het realiseren van een betere aansluiting van het opleidingenaanbod op de arbeidsmarkt en een doelmatigere spreiding van het opleidingenaanbod.

Uitgangspunt van de wet is dat de onderwijsinstellingen zelf verantwoordelijk zijn om te komen tot een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en een doelmatiger spreiding van het opleidingenaanbod. Voor die gevallen waarin betrokkenen er niet in slagen ondoelmatigheden in het aanbod weg te nemen, krijgt de Minister de mogelijkheid om sturend op te treden. De Minister zal zich bij signalen van een gebrekkige aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt of een ondoelmatig aanbod laten adviseren door een onafhankelijke adviescommissie.

De wet is per augustus 2015 in werking getreden en spoedig zal ook de onafhankelijke commissie Macrodoelmatigheid mbo geïnstalleerd worden. Deze zal mij adviseren op basis van een beleidsregel. De concept-beleidsregel is uw Kamer voor het zomerreces toegestuurd (Kamerstuk 33 948, nr. 15). Het is mijn overtuiging dat met de aangescherpte wet en de mogelijkheid om in te grijpen waar nodig, een situatie met een ondoelmatig opleidingenaanbod, zoals in Leiden, voorkomen kan worden. Bij het opstellen van een plan voor ROC Leiden zal rekening gehouden worden met de macrodoelmatigheid zodat de situatie op orde is. In de toekomst zal de commissie Macrodoelmatigheid mbo eventuele signalen die het tegendeel doen geloven onderzoeken zodat ik eerder kan ingrijpen.

Vraag 22

Bent u het er mee eens dat de huidige wijze van bekostiging op basis van het aantal leerlingen een perverse prikkel bevat die ertoe leidt dat onderwijsinstellingen zich vooral focussen op het aantrekken van leerlingen in plaats van de kwaliteit van het onderwijs, en dat daar het werkelijke probleem zit achter de megalomane beslissingen van sommige onderwijsbestuurders?

Antwoord 22

De kosten die een onderwijsinstelling moet maken, zijn grotendeels afhankelijk van het aantal mbo-studenten. Daarom vind ik het vanzelfsprekend dat de bekostiging grotendeels afhankelijk is van het aantal studenten dat een instelling heeft én van het aantal studenten dat de instelling tot het diploma weet te brengen. Omdat ik de kwaliteit van het onderwijs evenzeer belangrijk vind, heb ik kwaliteitsafspraken met de instellingen gemaakt. Ongeveer de helft van het hiervoor beschikbare budget (in totaal € 400 mln.) is resultaatafhankelijk.

Vraag 23

Bent u bereid te verkennen op welke wijze er meer gestuurd kan worden op kwaliteit in plaats van kwantiteit in het mbo?

Antwoord 23

Bewuste en systematische sturing op kwaliteit (kwaliteitsborging) heeft een positieve correlatie met kwaliteit. Ik faciliteer sinds enkele jaren versterking van kwaliteitsborging via het Kwaliteitsnetwerk MBO, het procesmanagement 2010 en 2015 en het Nationaal Coördinatiepunt European Quality in VET. Uit het onderwijsverslag 2013–2014 blijkt dat de kwaliteitsborging in het mbo flink is verbeterd, waardoor studenten beter onderwijs krijgen. Dit blijkt ook uit de toenemende studierendementen. Daarnaast investeer ik met de kwaliteitsafspraken in verdere kwaliteitsverbetering in het mbo.

Vraag 24

Bent u het er mee eens dat studenten nu onvoldoende zicht hebben op de onderwijskwaliteit van mbo-opleidingen en zij derhalve lastig een keuze kunnen maken op basis van kwaliteit?

Antwoord 24

Ik vind het belangrijk, dat (aanstaande) studenten een goed geïnformeerde en bewuste keuze kunnen maken voor een mbo-opleiding. Daarom is afgelopen jaren in het kader van het stimuleringsproject Loopbaan oriëntatie en -begeleiding in het mbo gewerkt aan het verbeteren van informatie die relevant is voor de studie- en beroepskeuze van de student. De websites MBO Stad, Beroepen in Beeld en Studie in Cijfers zijn (samen met studenten) ontwikkeld om studenten beter te informeren over het mbo. Hier is ook informatie te vinden over aspecten die studenten zelf van belang vinden, bijv. de studenttevredenheid, het jaarresultaat, doorstroom naar hoger onderwijs, de kans op stage en werk en het startsalaris. De websites worden aan elkaar gekoppeld, zodat alle informatie vanuit één plek toegankelijk is. Een verdere ontwikkeling naar een brede loopbaanportal mbo met vergelijkende kwaliteitsinformatie wordt nu verkend.

Vraag 25

Bent u het er mee eens dat onderwijsbestuurders meer geneigd zouden zijn om zich om de onderwijskwaliteit te bekommeren als deze inzichtelijk zijn voor leerlingen en er financiële consequenties aan de geboden kwaliteit verbonden zouden worden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 25

Ik ben ervan overtuigd dat de meerderheid van de bestuurders kwalitatief goed onderwijs voor de student voorop stelt. Ik ben het eens met het belang van transparante onderwijskwaliteit. Daar wordt aan gewerkt. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 24 al heb aangegeven, is er een aantal websites ontwikkeld om studenten beter te informeren. Daarnaast is over de instelling en een beperkt aantal opleidingen informatie over de kwaliteit te vinden via de site van de inspectie en bevat de site van JOB uitgebreide informatie over de JOB monitor (tevredenheid van studenten over diverse aspecten van de mbo-opleiding). Daarnaast investeer ik met kwaliteitsafspraken ca. € 400 mln. in verhoging van de onderwijskwaliteit. Ongeveer de helft van dit budget is resultaatafhankelijk: Alleen mbo-instellingen die aantoonbaar een verbetering van de resultaten laten zien of zeer goede resultaten behouden komen hiervoor in aanmerking.

Vraag 26

Deelt u de mening dat een systeem van accreditatie een goede manier kan zijn om kwaliteit te meten en centraal te stellen? Bent u voorts bereid om de echte onderwijskwaliteit, dus niet slechts kwaliteitsborging, van mbo instellingen inzichtelijk te maken door middel van accreditatiecommissies of een forse wijziging in de werkwijze van de inspectie? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 26

Op deze vraag zal ik ingaan in mijn brief naar aanleiding van de motie Lucas/Jadnanansing over de flexibilisering binnen het mbo die ik na de zomer naar uw Kamer zal sturen.

Vraag 27

Bent u bereid deze vragen voor het einde van het zomerreces inhoudelijk en diepgaand te beantwoorden, zodat deze betrokken kunnen worden bij het debat over de governance in het mbo?

Antwoord 27

Hierbij hebt u mijn antwoorden ontvangen.


X Noot
2

d.d. 17 juni 2015

X Noot
3

d.d. 17 juni 2015