Vragen van de leden Potters en Duisenberg (beiden VVD) aan de Ministers van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de aanpak van radicalisering
en de rol van het onderwijs, en de gezamenlijke verklaring van de EU-onderwijsministers
in Parijs van 17 maart 2015 (ingezonden 20 maart 2015).
Antwoord van Minister Bussemaker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) mede namens de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (ontvangen 21 april 2015).
Vraag 1
Waarom licht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in zijn brief van 16 maart
2015 toe dat het thema radicalisering en de aanpak daarvan past binnen het bredere
kader van sociale veiligheid op scholen, waaronder loverboys, pesten, crimineel gedrag,
discriminatie en huiselijk geweld?1 Zijn radicaliserende jongeren, die zich volledig afkeren van onze maatschappij en
dit in zo'n extreme mate doen dat ze mensen in onze samenleving daarvoor geweld willen
aandoen, niet een probleem van een buitencategorie die een andere bestrijding vereist?
Antwoord 1
Alle uiteenlopende (sociale) veiligheidsproblemen van onze samenleving raken ook onze
onderwijsinstellingen. Juist een tijdige en integrale aanpak van deze problemen daar
verkleint de kans op grotere dreigingen en/of incidenten in een later stadium. Voor
de beperkte groep van radicaliserende jongeren is een maatwerkaanpak vereist. Inzet
van politie, gemeente al dan niet met de vertrouwensinspecteur van de Onderwijsinspectie
helpt dan in deze specifieke gevallen om het veiligheidsbelang van de jongere zelf
maar ook van zijn omgeving te versterken.
Vraag 2
Deelt u de mening dat we moeten kiezen voor een gerichte en professionele aanpak voor
radicalisering als thema binnen alle lagen van het onderwijs? Zo ja, op welke wijze
gaat u hieraan invulling geven? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Ik deel uw mening dat er een gerichte en professionele aanpak voor radicalisering
binnen alle lagen van het onderwijs moet zijn. Per sector zijn de problemen en vraagstukken
anders. De instellingen in het primair- en voortgezet onderwijs worden al door de
portal van School en Veiligheid ondersteund. Er komt een specifieke portal voor het
mbo en de hoger onderwijsinstellingen krijgen ondersteuning en informatie via de portal
van Integraal Veilig HO.
Vraag 3
Waarom heeft u ervoor gekozen een gezamenlijke «Declaration on promoting citizenship
and the common values of freedom, tolerance and non-discrimination through education» van EU-onderwijsministers in Parijs op 17 maart 2015 over radicalisering in het onderwijs
te ondertekenen zonder de Kamer daarover te consulteren?
Antwoord 3
Uw Kamer is vooraf geïnformeerd over mijn voornemen om bij de conferentie in Parijs
aanwezig te zijn om daar de verklaring te tekenen.2 Ik ga graag met uw Kamer in debat over de verklaring.
Vraag 4
Waarom is er in de preambule van de gezamenlijke verklaring van de EU-onderwijsministers
niet opgenomen dat de lidstaten nadrukkelijk afstand nemen van het radicale gedachtegoed
dat ten grondslag ligt aan de aanslagen in Frankrijk en Denemarken? Waarom is niet
sterker uitgesproken door de EU-onderwijsministers dat alle vormen van radicalisme
niet te tolereren zijn?
Antwoord 4
Met de verklaring van Parijs hebben de EU-ministers van onderwijs gezamenlijk een
krachtig politiek signaal afgegeven dat onderwijs een belangrijke rol speelt bij het
tegengaan van radicalisering en bij het bevorderen van burgerschap. De kracht van
de preambule is dat deze de gemeenschappelijke waarden van de Europese Unie benadrukt,
waaronder de vrijheid van meningsuiting, het respecteren van mensenrechten en de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen. Deze waarden weerklinken ook in de voorgenomen
acties.
Vraag 5
Waarom is het actief bijbrengen van de gezamenlijke democratische waarden van de EU
– zoals onder andere vastgelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waaronder vrijheid van meningsuiting,
gelijke behandeling van man en vrouw – niet opgenomen in de gezamenlijke verklaring
van de EU-onderwijsministers?
Antwoord 5
Zie het antwoord op vraag 4.
Vraag 6
Hoe worden de beoogde doelen, die wel genoemd worden in de gezamenlijke verklaring
van de EU-onderwijsministers, daadwerkelijk gerealiseerd? Wie of wat draagt hiervoor
de eindverantwoordelijkheid?
Antwoord 6
De follow-up van de verklaring die in Parijs is ondertekend zal aan de orde komen
bij «Any other business» tijdens de OJCS-Raad van 18 en 19 mei aanstaande. Uw Kamer
is op de gebruikelijke wijze over de Nederlandse inzet tijdens die Raad geïnformeerd,
via de geannoteerde agenda. Meer in het algemeen is het uitgangspunt bij de sturing
op de inhoud van het onderwijs het subsidiariteitsbeginsel. Kort gezegd: Europees
wat moet, nationaal wat kan. Dit neemt niet weg dat we – zoals in de verklaring staat
– in EU-verband kunnen samenwerken en van elkaar kunnen leren.