Vragen van het lid Klever (PVV) aan de Minister van Economische Zaken over het interview
met de heer Nijpels, voorzitter van de Borgingscommissie Energieakkoord, «Windmolens
moeten er tóch komen»? (ingezonden 16 februari 2015).
Antwoord van Minister Kamp (Economische Zaken) (ontvangen 4 maart 2015)
Vraag 1
Kent u het interview «Windmolens moeten er tóch komen» met de heer Nijpels, voorzitter
van de Borgingscommissie Energieakkoord?1
Vraag 2
Is de bewering van de heer Nijpels waar dat windmolens geen miljarden subsidies zouden
verslinden? Zo ja, waarom schaft u de SDE+ heffing voor burgers en bedrijven niet
af?
Antwoord 2
Voor de stimulering van hernieuwbare energieproductie zoals met windenergie geef ik
onder andere subsidies uit de SDE+-regeling. Deze inzet is nodig voor het realiseren
van de doelen uit het Energieakkoord en voor de transitie naar een volledig duurzame
energiehuishouding in 2050 waar het kabinet naar streeft.
Vraag 3
Hoeveel kost «het dichten van het gat tussen marktprijs en werkelijke kosten van windmolens»
in totaal indien alle windmolenplannen uit het energieakkoord gerealiseerd zijn?
Antwoord 3
In het Energieakkoord is afgesproken om in 2020 6000MW windenergie op land te realiseren.
Bij het afsluiten van het akkoord stond er al een substantieel opgesteld vermogen
aan windenergie op land. De subsidiekosten voor windmolens op land die vóór het afsluiten
van het Energieakkoord al waren beschikt, bedragen tot 2032 maximaal € 3,5 miljard.
Bij het afsluiten van het Energieakkoord is ook een uitbreiding van 3450 MW windenergie
op zee afgesproken. De kosten voor de bestaande windparken op zee en de parken die
al in voorbereiding zijn, bedragen de komende jaren in totaal maximaal € 5,5 miljard.
De genoemde bedragen zijn maximale uitgaven. De daadwerkelijke uitgaven zullen naar
verwachting lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijs.
Er is geen precieze inschatting te geven van het benodigde budget voor het realiseren
van de nieuwe windmolenplannen uit het Energieakkoord. Dat komt doordat er in de SDE+
geen specifiek budget gereserveerd is voor windenergie op land en doordat de precieze
subsidiebedragen die de komende jaren aan windmolens op land worden gegeven niet bekend
zijn. Er is geen specifiek budget voor windenergie op land gereserveerd, omdat de
SDE+ gebaseerd is concurrentie en technologieneutraliteit. De subsidiebedragen die
windmolens krijgen zijn afhankelijk van de ontwikkeling van de kostprijs van windmolens,
de ontwikkeling van de energieprijzen en het kostenverlagende effect van concurrentie
tussen aanvragers van SDE+-middelen.
Op basis van een voorlopige inschatting ga ik er echter vanuit dat voor alle nieuwe
projecten die bijdragen aan het doel van 16% hernieuwbare energie in 2023, tot 2032
gemiddeld ongeveer € 1 miljard per jaar aan uitgaven nodig zijn, bovenop de al beschikte
projecten. Deze nieuwe projecten zijn niet alleen windenergie op land, maar ook bijvoorbeeld
aardwarmte, zonne-energie en biogas. In deze voorlopige inschatting zijn de uitgaven
voor windenergie op zee niet meegenomen. De inschatting is gebaseerd op SDE+-beschikkingen
die na het afsluiten van het Energieakkoord zijn en worden afgegeven. De uitgaven
zijn nog aan verandering onderhevig op basis van ontwikkelingen in de markt, zoals
de kostprijs van hernieuwbare energietechnologieën, de energieprijzen en concurrentie
tussen aanvragers. Het betreft hier een gemiddelde per jaar, dus uitgaven zullen over
de jaren fluctueren.
Vraag 4
Hoe verhouden de uitspraken van de heer Nijpels zich tot de officiële informatie van
uw ministerie dat er 18 miljard subsidie euro beschikbaar is voor windmolens op zee
en de berekening van het Centraal Plan Bureau dat windmolens op zee de maatschappij
5 miljard euro schade opleveren?
Antwoord 4
Ik heb uw Kamer meermaals geïnformeerd over de maximale kosten voor windenergie op
zee.2 De daadwerkelijke subsidiekosten zijn afhankelijk van onder andere de ontwikkeling
van de energieprijzen.
Vraag 5
Is de bewering van de heer Nijpels waar dat het Energieakkoord eenvoudig 15.0000 banen
op zal leveren? Zo ja, over welke informatie beschikt de heer Nijpels waar het Centraal
Plan Bureau niet over beschikt en kunt u deze informatie naar de Kamer sturen?
Antwoord 5
In het Energieakkoord is de doelstelling opgenomen om ten minste 15.000 voltijdsbanen
te creëren. De doorrekening van het Energieakkoord geeft aan dat dit haalbaar is.3 Ik heb er dan ook vertrouwen in dat we deze doelstelling met de afgesproken maatregelen
kunnen bereiken. De Nationale Energieverkenning 2015 zal gedetailleerder ingaan op
de werkgelegenheidseffecten van het Energieakkoord.
Vraag 6
Hoeveel banen levert het Energieakkoord in Nederland op en hoeveel in het buitenland?
Antwoord 6
Zie antwoord op vraag 5. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de werkgelegenheidseffecten
van het Energieakkoord in het buitenland.
Vraag 7
Bent u bereid om de voorzitter van de Borgingscommissie Energieakkoord te verzoeken
als eerste zijn eigen uitspraken over het energieakkoord te laten «fact-checken»?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
De uitspraken van de heer Nijpels zijn voor zijn eigen rekening.
X Noot
1Algemeen Dagblad 13 februari 2015
X Noot
2Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 528
X Noot
3ECN en PBL, 2013, Het Energieakkoord: wat gaat het betekenen?, pag. 33–34. Bijlage
bij Kamerstuk 30 196, nr. 202