Vragen van de leden Oosenbrug en Marcouch (beiden PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over de privacy van getuigen van misdrijven (ingezonden 16 november 2012).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 27 december 2012) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 764

Vraag 1

Kent u het bericht «Zware mishandeling van twee homoseksuele mannen in Ferdinand Bolstraat»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Is het gebruikelijk dat dergelijke opsporingsberichten worden gebruikt voor het opsporen van specifieke getuigen? Zo ja, hoe vaak gebeurt dit ongeveer? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 2

Opsporingsberichtgeving richt zich in de eerste plaats op verdachten van strafbare feiten en veroordeelden. Slechts bij hoge uitzondering wordt opsporingsberichtgeving ook ingezet om getuigen van strafbare feiten te achterhalen.

Vraag 3 en 4

Op grond van welke criteria wordt de afweging gemaakt tussen de privacy van mogelijke getuigen enerzijds en de het doel van opsporing van daders van een zwaar misdrijf anderzijds?

Antwoord 3 en 4

De criteria voor het inzetten van opsporingsberichtgeving zijn opgenomen in de Aanwijzing opsporingsberichtgeving van het openbaar ministerie. Deze criteria hebben vooral betrekking op de aard van gepleegde misdrijven (misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten), de noodzaak het middel in de desbetreffende fase van het onderzoek in te zetten afgezet tegen andere opsporingsmogelijkheden, en de effectiviteit van de inzet van het middel. Deze criteria gelden voor de opsporing van zowel verdachten als getuigen.

Ten behoeve van de opheldering van ernstige misdrijven mag van burgers gevraagd worden om, onder veilige omstandigheden, informatie te verstrekken aan de opsporingsdiensten. In dit kader worden soms oproepen gedaan om getuigen die zich in de buurt van de plaats van het delict hebben bevonden te achterhalen via de (lokale, regionale of landelijke) media. Wordt inbreuk gemaakt op de privacy van een getuige door beeldmateriaal uit te zenden, dan is daarvoor toestemming van de officier van justitie nodig. Naarmate het gepleegde misdrijf zwaarder is en de maatschappelijke impact ervan groter, rechtvaardigt het belang van opheldering van het misdrijf een zwaardere inbreuk op de privacy van derden.

De officier van justitie beslist na weging van alle hiervoor genoemde criteria. De privacy-inbreuk wordt zo beperkt mogelijk gehouden door beelden te kiezen of zo te bewerken dat herkenning in beginsel alleen door de getuige zelf of naasten van de getuige mogelijk is. Zijn er feiten en omstandigheden aanwezig in de aard van de op te sporen delicten of de persoon van de verdachte waardoor de veiligheid van de getuige, door deze in beeld te brengen, in gevaar komt, dan wordt afgezien van het tonen van de beelden van getuigen.

Momenteel wordt gewerkt aan actualisering van de Aanwijzing opsporingsberichtgeving. Hierin zal explicieter worden aangegeven onder welke omstandigheden en met welke waarborgen gebruik kan worden gemaakt van opsporingsberichtgeving om getuigen te achterhalen. Het uitgangspunt zal blijven dat het middel met betrekking tot het achterhalen van mogelijke getuigen slechts in uitzonderlijke gevallen zal worden toegepast en aan bovengenoemde voorwaarden zal moeten voldoen.

Vraag 5

Deelt u de mening dat voor de bescherming van de privacy van getuigen strengere regels dienen te gelden dan voor de privacy van verdachten? Zo ja, hoe komt dit tot uiting in het beleid ten aanzien van opsporingsberichten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is de bescherming van de privacy van getuigen een belangrijk element bij de afweging om het middel in te zetten. Vanwege het feit dat getuigen zelf, anders dan verdachten, geen actieve rol hebben gespeeld in het plegen van de strafbare feiten, wordt aan de bescherming van de privacy van getuigen extra gewicht toegekend.

Naar boven