Vragen van het lid Gesthuizen (SP) aan de minister van Veiligheid en Justitie over het waarborgen van een effectieve bestrijding van faillissementsfraude (ingezonden 14 november 2012).

Mededeling van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 5 december 2012)

Vraag 1

Kent u het artikel «De Nationale Politie. De kans op een daadkrachtige bestrijding van faillissementsfraude»?1

Vraag 2

Wat is uw reactie op de harde conclusies dat de capaciteit bij de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) ontoereikend is voor het aanpakken van de zware en complexe faillissementsfraudezaken, de bovenregionale recherche-eenheden jaarlijks minder dan tien zaken oppakken vanwege een gebrek aan capaciteit (en dus prioriteit) en dat de lichtere gevallen van faillissementsfraude door de politiekorpsen en parketten verwaarloosd worden?

Vraag 3

Erkent u dat er van een effectieve aanpak van faillissementsfraude nog geen sprake is en dat, alle beloften ten spijt, faillissementsfraudeurs zelden gepakt worden? Hoe is dit mogelijk?

Vraag 4

Deelt u de mening dat het voor een structurele daadkrachtige bestrijding van faillissementsfraude (en fraude in het algemeen) noodzakelijk is dat vaste afdelingen binnen de politie op districts-, regionaal en landelijk niveau zich specifiek gaan richten op financieel-economische criminaliteit, waaronder fraude, en waarbinnen de aanpak van faillissementsfraude gewaarborgd is door een vast aantal personen die daartoe specifiek opgeleid zijn? Op welke wijze is een dergelijke aanpak verzekerd in de inrichting van de nationale politie? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten? Hoeveel capaciteit wordt er in totaal vrijgemaakt voor de bestrijding van financieel-economische criminaliteit in het algemeen en de bestrijding van faillissementsfraude in het bijzonder?

Vraag 5

Bent u bereid de beloftes van de laatste jaren, dat de bestrijding van faillissementsfraude prioriteit heeft en dat gewaarborgd wordt dat de politie over de juiste kennis en deskundigheid blijft beschikken, nu waar te maken? Kunt u uw antwoord toelichten?

Vraag 6

Wat is uw puntsgewijze reactie op de voorstellen voor een effectieve bestrijding van faillissementsfraude in het artikel  «De Nationale Politie» in het Nederlands Juristenblad, onder het kopje «De vereiste koers»?2

Vraag 7

Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over het strafbaar stellen van het ontbreken van een administratie in een faillissement, waarin u verwees naar de reeds bestaande civiele aansprakelijkheid voor het tekort in een faillissement?3 Deelt u de mening dat een concrete strafbaarstelling niet alleen afschrikwekkender is, maar ook eenvoudiger is aan te tonen omdat het tekort (de «schade») niet aangetoond hoeft te worden en bovendien de politie en het Openbaar Ministerie kunnen worden ingeschakeld waardoor het niet allemaal op de schouders van de curator terecht komt?

Vraag 8

Bent u, gelet op deze genoemde voordelen, nogmaals bereid te overwegen het ontbreken van een fatsoenlijke administratie in faillissement op een meer eenvoudige en effectieve manier strafbaar te stellen? Kent u de voorstellen die hoogleraar Hilverda daartoe heeft gedaan in haar oratie van 25 mei 2012, waarvan zij uw ministerie in kennis heeft gesteld?4 Zo nee, waarom niet?

Vraag 9

Deelt u voorts de mening dat aan fraudeurs een beroepsverbod opgelegd moet worden, dat aan dergelijke veroordelingen publiciteit moet worden gegeven en dat crimineel verworven vermogen geheel moet worden afgepakt en moet terug vloeien naar benadeelde partijen?

Mededeling

Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid Gesthuizen (SP) van uw Kamer aan de Minister van Veiligheid en Justitie over het waarborgen van een effectieve bestrijding van faillissementsfraude (ingezonden 14 november 2012) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen.

Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.


X Noot
1

Tineke Hilverda, Nederlands Juristenblad, 9-11-2012, afl.39, p. 2755 e.v.

X Noot
2

p. 2760

X Noot
3

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 3041

X Noot
4

Tineke Hilverda, Nederlands Juristenblad, 9-11-2012, p. 2760 met noot 27 en 18.

Naar boven