Vragen van de leden Hamer, Kerstens en Monasch (allen PvdA) aan de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid over het bericht «Bouwbedrijven rommelen met faillissementen»
(ingezonden 16 oktober 2012).
Antwoord van minister Kamp (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 5 november
2012)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Bouwbedrijven rommelen met faillissementen»?1
Vraag 2
Bent u, nu dergelijke geluiden steeds meer (bijvoorbeeld ook in de transportbranche)
toenemen, voornemens in deze actie te ondernemen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Zoals bij de beantwoording van eerdere Kamervragen over het onderwerp faillissementsfraude
al is aangegeven heeft de overheid geen rol bij het voorkomen en bestrijden van faillissementsfraude2. Het voorkomen van dergelijke frauduleuze praktijken is een aangelegenheid van de
werkgever en werknemer.
Voor de overheid is echter wel een rol weggelegd bij de strafrechtelijke aanpak van
faillissementsfraude. Slachtoffers kunnen aangifte doen, waarna het Openbaar Ministerie
een strafrechtelijk onderzoek kan instellen en tot vervolging kan overgaan. Afhankelijk
van de aard, omvang, ernst en complexiteit van de fraude kan dit onderzoek worden
opgedragen aan de politie of een bijzondere opsporingsdienst zoals de Inspectie SZW
of de Fiscale Inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD). Ook staan voor slachtoffers
van ontslagfraude civielrechtelijke mogelijkheden open als er sprake is van faillissement
met het oogmerk om afbreuk te doen aan de arbeidsrechtelijke bescherming.
Vraag 3
Bent u bereid om samen met sociale partners in bijvoorbeeld bouw en transport om tafel
te gaan om een beeld te vormen van inhoud en omvang van de problematiek rondom «faillissementen
met een luchtje» als ook om mogelijke maatregelen te bezien? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Zoals in het antwoord op vraag twee is verwoord, heeft de overheid geen actieve rol
bij de aanpak van faillissementsfraude. Er staat sociale partners echter niets in
de weg om in gezamenlijkheid de problematiek in kaart te brengen en mogelijke maatregelen
te bezien.
Vraag 4
Bent u bekend met het fenomeen dat bouwvakkers worden ontslagen om vervolgens (veelal
door hun voormalige werkgever) te worden ingehuurd als «zelfstandige»? Zo ja, vindt
u dat een gewenste ontwikkeling? Zo nee, wat wilt u daar tegen ondernemen?
Antwoord 4
In de afgelopen jaren is in diverse onderzoeken in opdracht van SZW aandacht besteed
aan dergelijke vormen van gedwongen zelfstandigheid, zoals het onderzoek «Zelfstandigen
zonder personeel» (EIM, 2008) en het onderzoek naar het gebruik van de overeenkomst
van opdracht op de arbeidsmarkt (Research voor Beleid, 2011). In deze onderzoeken
zijn constructies van ontslag gevolgd door gedwongen zelfstandigheid slechts sporadisch
aangetroffen.
Als een werkgever bij het UWV ontslagaanvragen indient omdat hij om redenen van een
doelmatige bedrijfsvoering werkzaamheden wil uitbesteden, dan worden die ontslagvergunningen
in de regel verleend. Een dergelijke beslissing behoort immers tot de beleidsvrijheid
van een ondernemer. Als het werk wordt uitbesteed aan zelfstandigen zonder personeel
is het echter van belang of het hier een echte zelfstandige of een schijnzelfstandige
betreft. Alleen als het werk wordt uitbesteed aan echte zelfstandigen kan een vergunning
worden verleend. Onder een echte zelfstandige wordt in dit geval verstaan iemand die
in het bezit is van een relevante Verklaring arbeidsrelatie Winst uit onderneming
(VAR-Wuo), van wie aannemelijk is dat hij in fiscale zin als ondernemer kan worden
aangemerkt en die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
In de enkele gevallen dat een werkgever de arbeidsovereenkomsten van werknemers wil
beëindigen en daarvoor in de plaats contracten wil aangaan met diezelfde werknemers,
of met anderen, met als uitsluitend doel om werknemerschap te vermijden, dan weigert
UWV een ontslagvergunning. Het wel kunnen verlenen van een vergunning zou immers betekenen
dat de werknemers in feite vogelvrij zijn.
Vraag 5
Bent u van mening dat door het gigantische banenverlies in de bouw het voortbestaan
van in de sector overeengekomen collectieve arrangementen omtrent bijvoorbeeld scholing
en veilige arbeidsomstandigheden in gevaar komt?
Antwoord 5
De werking van afspraken uit een cao is gebaseerd op de omvang van het collectief.
Bij een groot collectief is er meer financiële ruimte om collectieve arrangementen
te kunnen realiseren. Verkleining van het collectief kan gevolgen hebben voor de financiële
haalbaarheid van afspraken uit de cao. Op dit moment heb ik geen signalen dat sectorarrangementen
in de bouw in gevaar komen. Als het gaat om het draagvlak voor cao’s in sectoren,
wil ik wijzen op de recente adviesaanvraag aan de SER over dit onderwerp3. De SER is gevraagd om na te gaan of de draagvlakvergrotende initiatieven van cao-partijen
die we nu zien voldoende zijn, of dat er nagedacht moet worden over een herstructurering
van het cao- en avv- stelsel. Naar verwachting brengt de SER hierover in februari
2013 een advies uit, waarna het kabinet een standpunt zal innemen.
X Noot
1Algemeen Dagblad, 16 oktober 2012
X Noot
2 Kamerstukken II, 2009/10, Aanhangselnrs. 1865 en 2323 en Kamerstukken II, 2010/11, Aanhangsel nr. 392.
X Noot
3 Brief aan Tweede Kamer van 9 juli 2012 (Kamerstukken II, 2011/12, 29 544 nr. 407).