Vragen van de leden Kerstens en Hamer (beiden PvdA) aan de minister en staatssecretaris
van sociale zaken en werkgelegenheid over het stimuleren van «reshoring» en de mogelijkheden
daarbij in het kader van de Participatiewet (ingezonden 6 augustus 2013).
Antwoord van minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma (Sociale Zaken en Werkgelegenheid)
mede namens minister van Economische Zaken (ontvangen 11 september 2013).
Vraag 1
Heeft u kennis genomen van het artikel «Steeds meer bedrijven halen hun productie
terug uit lagelonenlanden»?1
Antwoord 1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Vraag 2
Deelt u de mening met de in bedoeld artikel, in navolging van wat ook de Pvda-fractie
eerder heeft gesteld, gedane bewering dat «reshoring» (het terughalen van werkzaamheden
naar Nederland) kansen biedt in het kader van de door het kabinet aangekondigde Participatiewet
in die zin dat het (vaak) om werkzaamheden gaat die geschikt zijn voor mensen met
een afstand tot de arbeidsmarkt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Bij «offshoring» besteden bedrijven vaak eenvoudige activiteiten uit aan het buitenland,
vanwege de lagere loonkosten daar. Omgekeerd betekent dat, dat door «reshoring» er
in Nederland meer banen komen voor laaggeschoold werk. Ik ben het er dus zeker mee
eens dat «reshoring» kansen biedt in het kader van de door het kabinet aangekondigde
Participatiewet.
Het kabinet beoogt met de Participatiewet zoveel mogelijk burgers te laten participeren,
bij voorkeur via een reguliere baan. In het bijzonder is het beleid erop gericht om
mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt en een arbeidsbeperking volwaardig
mee te laten doen in de maatschappij. Deze mensen zijn vaker aangewezen op laaggeschoolde
arbeid.
Er is recent een aantal aansprekende voorbeelden in de media verschenen, waarbij mensen
uit de Sociale Werkvoorziening worden ingezet voor productiewerk dat voorheen nog
in het buitenland werd gedaan. Zoals het Rotterdams metaalbedrijf Ferro-Fix dat de
productie van ondergrondse afvalcontainers uit Polen terughaalde naar Nederland. Dit
werk wordt nu gedaan door ruim honderd mensen uit de Sociale Werkvoorziening. Het
Tilburgse bedrijf Capi wil de productie van tuinsierpotten binnenkort terughalen uit
China. Het afvalbedrijf Sort, ook uit Tilburg, heeft zijn Poolse werknemers vervangen
door mensen uit de Sociale Werkvoorziening.
Vraag 3
Indien u de hierboven onder 2. gestelde vraag positief beantwoordt, bent u dan bereid
in het kader van dan wel tegen de achtergrond van de Participatiewet aandacht te besteden
aan «reshoring» c.q. maatregelen te overwegen die het terughalen van werkzaamheden
(met name ook ten gunste van mensen op wie de Participatiewet van toepassing is) stimuleren?
Zo ja, aan welke maatregelen denkt u dan?
Antwoord 3
De Participatiewet en «reshoring» versterken elkaar. De Participatiewet maakt het
aantrekkelijk om productie in Nederland te laten plaatsvinden, door de loonkosten
voor laaggeschoolde arbeid te verlagen. Hiertoe krijgen gemeenten met de Participatiewet
instrumenten in handen om de arbeidsparticipatie van deze groep te bevorderen. De
werkgever ontvangt een loonkostensubsidie om het verschil tussen de loonwaarde van
de werknemer en het WML te compenseren. De werkgever betaalt het gewone loon (WML
of het loon dat overeenkomstig de cao geldt). Andersom leidt «reshoring» tot betere
kansen voor mensen die onder de Participatiewet vallen.
In het Sociaal Akkoord hebben werkgevers in de marktsector zich garant gesteld voor
op termijn 100.000 extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking. De overheid zal
garant staan voor 25.000 extra banen voor deze doelgroep. «Reshoring» kan eraan bijdragen
om deze extra banen te genereren.
De genoemde voorbeelden van «reshoring» tonen aan dat juist gemeentes dit soort initiatieven
goed kunnen ondersteunen. Het is bemoedigend dat dergelijke bedrijven ervoor kiezen
om hun productie in Nederland te laten uitvoeren door mensen met een arbeidsbeperking.
Bij de implementatie van de participatiewet gaat de Staatssecretaris van Sociale Zaken
expliciet uitdragen welke kansen «reshoring» biedt voor het creëren van werkgelegenheid,
met name voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Ook voordat de Participatiewet in werking is getreden zijn er voor bedrijven al mogelijkheden
om loonkosten te reduceren voor laaggeschoolde arbeid. Naast het maatwerk in de Wsw
uit de voorbeelden, biedt de Regeling Cofinanciering Sectorplannen mogelijkheden tot
loonkostensubsidie van het in dienst nemen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Voor meer informatie hierover verwijs ik naar de antwoorden op Kamervragen van het
CDA verderop in deze brief.
Natuurlijk is het zo dat de afweging van ondernemers om hun productie al dan niet
in Nederland plaats te laten vinden, niet alleen afhankelijk is van de hoogte van
loonkosten, maar van het vestigingsklimaat in het algemeen. Het kabinet wil zorg dragen
voor een vestigingsklimaat dat kwalitatief tot de beste ter wereld behoort. Er wordt
hard gewerkt aan het verbeteren van verschillende aspecten van het vestigingsklimaat,
zoals de kwaliteit van de infrastructuur, de duurzame inzetbaarheid van de beroepsbevolking,
het onderwijsniveau, het functioneren van de arbeidsmarkt en de kwaliteit van leven.
De totale afweging van kosten en baten van de vestigingslocatie kan worden berekend
aan de hand van een «total cost of ownership» model. Voor meer informatie hierover
verwijs ik naar de antwoorden op de Kamervragen van het CDA verderop in deze brief(Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 3202).
X Noot
1Financieel Dagblad, 5 augustus 2013