Vragen van het lid Kooiman (SP) aan de minister van Veiligheid en Justitie over de inrichting van de politie dienstencentra (ingezonden 1 mei 2013).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 26 juni 2013) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 2365

Vraag 1, 3 en 6

Herinnert u zich uw argumentatie om niet te kiezen voor één landelijk politiedienstencentrum maar dit te spreiden over drie dienstencentra, omdat daarmee optimaal tegemoet gekomen kan worden aan het behoud van bestaande en toekomstige werkgelegenheid en een maximale reisafstand van 1,5 uur bij deze keuze leidend is, omdat – gelet op de politie-cao – die maximale reisafstand nog passend is?1

Hoe verhoudt zich dit tot uw eerdere voornemen om rekening te houden met het huidige personeel en de afspraken in de politie-cao? Deelt u de mening dat door het onderbrengen van diensten in één van de drie dienstencentra (en dus niet te kiezen voor een gelijkmatige spreiding van diensten over deze drie dienstencentra) u deze afspraken niet na kunt komen? Zo nee, waarom niet?

Hoe gaat u uw afspraak met de bonden nakomen om deze reorganisatie zo sociaal mogelijk te laten verlopen? Kunt u aangeven wat u voor deze mensen gaat doen? Kunnen zij binnen de politieorganisatie aan het werk blijven? Zo nee, hoe gaat u dan zorgen dat zij elders aan een baan komen?

Antwoord 1, 3 en 6

Rekening houdend met een efficiëntere bedrijfsvoering en het behoud van bestaande en toekomstige werkgelegenheid is het besluit genomen tot het oprichten van één politiedienstencentrum met drie locaties. Dit maakt onderdeel uit van de totale vorming van de Nationale Politie zoals in het inrichtingsplan nationale politie en realisatieplan nationale politie is beschreven (29 628 nr. 346). De vorming van de nationale politie leidt tot een personele reorganisatie. Hiertoe zijn afspraken gemaakt met de vakorganisaties, onder andere in een aangepast Landelijk Sociaal Statuut (LSS).

De vorming van de nationale politie betekent onder meer dat in totaal bijna 3.100 fte van de circa 8.500 fte niet-operationele sterkte bij de NP ondergebracht worden bij de drie locaties van het politiedienstencentrum. De overige niet-operationele sterkte werkt gedeconcentreerd in de eenheden.

In mijn brief van 14 december 2012 heb ik inderdaad aangegeven dat een reisduur van 1,5 uur nog passend is. Met de vakorganisaties zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop in de reorganisatie zo veel mogelijk kan worden voorkomen dat medewerkers worden aangewezen als herplaatsingskandidaat. Het is echter niet geheel uitgesloten dat medewerkers – mede door de gemaakte keuzes bij de inrichting van de PDC-locaties – toch herplaatsingskandidaat worden. In de politie-cao (Arbeidsvoorwaardenakkoord 2012–2014) is echter een werkzekerheidsgarantie overeengekomen, waarbij met toepassing van het LSS de werkgever ervoor zal zorgdragen dat medewerkers «die bedreigd worden door de reorganisatie» een passende functie zullen krijgen binnen of buiten de politie.

De rechtspositie van de politie voorziet in een sociaal vangnet, dat in goed overleg met de vakorganisaties tot stand is gekomen. Naast de algemene toepassing van bijvoorbeeld het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie (Brvvp) dat voorziet in kilometervergoedingen en een verhuiskostenvergoeding, voorziet het sociaal flankerend beleid uit het LSS bij reorganisaties in onder meer salarisgarantietermijnen, een loonsuppletieregeling, een vertrekstimuleringspremie en een aanvullende kilometervergoeding (met afbouw). Ook zullen werknemers die in verband met de reorganisatie door de vorming van de Nationale Politie op een lagere functie worden geplaatst op termijn weer terug gebracht worden naar hun oude niveau.

Momenteel is de Korpschef in overleg met de medezeggenschap om te bezien hoe de inrichting van de drie locaties van het PDC de desbetreffende medewerkers raakt en wordt er afgesproken hoe uitvoering wordt gegeven aan de afspraken in de politie-CAO en het LSS.

Vraag 2

Klopt het dat in het huisvestingsplan voor de ondersteunende diensten gehele diensten alsnog ondergebracht worden bij één van de dienstencentra? Waarom heeft u voor een dergelijke spreiding gekozen?2

Antwoord 2

Ja. De geconcentreerde taken van het PDC worden op basis van inhoud en noodzakelijke samenhang gehuisvest op één of meerdere van de drie PDC-locaties. Dit heeft ertoe geleid dat bepaalde ondersteunende diensten geheel ondergebracht worden bij één PDC-locatie. Op die manier wordt het best gehoor gegeven aan de afspraken uit het Inrichtingsplan dat het korps zo snel mogelijk in werking komt en dat de benodigde verbetering van effectiviteit en efficiency in de bedrijfsvoering wordt gerealiseerd.

Vraag 4

Wat betekent deze keuze voor het huidige ondersteunende personeel dat nu niet gespreid gaan worden over de drie dienstencentra?

Antwoord 4

Slechts een deel van de ondersteunende taken wordt ondergebracht bij één van de drie PDC-locaties. Het overige deel van de ondersteunende taken van elke eenheid wordt dicht bij de eenheden, in circa 50 gemeenten, gehuisvest.

De gevolgen voor medewerkers zijn sterk afhankelijk van de functie die men nu uitvoert. De basisregel is: mens volgt functie. Afhankelijk van de matching met het Landelijk Functiehuis Nationale Politie (LFNP) en het plaatsingsproces worden de gevolgen voor het personeel inzichtelijk.

Vraag 5

Klopt het dat met dit plan de helft van alle arbeidsplaatsen op ondersteunend gebied komt te vervallen, waardoor dus ongeveer 5.200 banen verloren gaan? Zo ja, waarom is het nodig zoveel arbeidsplaatsen te schrappen? Wat is het gevolg voor de kwaliteit van het politiewerk?

Antwoord 5

Nee. In het Inrichtingsplan is aangegeven dat in het korps bijna 8.500 fte werkzaam zal zijn in de niet-operationele sterkte. Ten tijde van het opstellen van het Inrichtingsplan was bijna 11.000 fte werkzaam in de niet-operationele sterkte. Door het concentreren, professionaliseren en uniformeren van de bedrijfsvoering is het mogelijk om deze reductie van circa 2.500 fte waar te maken. Hierbij blijft de kwaliteit van de uitvoering minimaal behouden. Inmiddels is de volledige niet-operationele sterkte door tijdelijke extra fte’s voor het Aanvalsprogramma IV vastgesteld op circa 9.000 fte. Door de vacaturestop volgend op het vrijwillige vertrek en de natuurlijke uitstroom van medewerkers is de hoeveelheid medewerkers in de niet-operationele sterkte momenteel gedaald naar circa 10.500 fte. De komende jaren is dus sprake van een verdere daling van het aantal arbeidsplaatsen met circa 1.500 fte. Ook dit zal worden opgevangen met natuurlijk verloop. Met het oog op de werkzekerheidsgarantie, kan ik u verzekeren dat er voor deze daling geen gedwongen ontslagen zullen vallen.

Vraag 7

Hoe definitief is dit huisvestingsplan? Gaat u hierover nog in overleg met de bonden en de ondernemingsraden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7

De formatieverdeling PDC is een aangelegenheid die formeel de medezeggenschap toekomt en niet de vakorganisaties. De verdeling is dan ook als voorgenomen besluit ter advies voorgelegd aan de medezeggenschap, de centrale ondernemingsraad van het korps. De korpschef voert met hen als bestuurder in de zin van de WOR het overleg. De vakorganisaties hebben tegelijkertijd vragen gesteld over het voorstel. De korpsleiding zal deze vragen uiteraard beantwoorden. De Korpsleiding is zich zeer bewust van de impact die deze reorganisatie op de medewerkers heeft en spant zich ten volste in om de reorganisatie voor allen zo goed mogelijk te laten verlopen.

Naar boven