Vragen van het lid Heerma (CDA) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de mogelijke toekenning van zendtijd aan de Stichting Zendtijd Moslims (ingezonden
25 september 2012).
Antwoord van minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)
(ontvangen 10 oktober 2012).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Twijfels over rol Turkije bij moslim-tv»?1 Kunt u bevestigen dat er een aanvraag voor zendtijd van de Stichting Zendtijd Moslims
(SZM) loopt? Zo ja, kunt u aangeven wanneer het Commissariaat voor de Media besluit
over de aanvraag?
Antwoord 1
Ja. Op 19 juni 2012 is door de Stichting Zendtijd Moslims (SZM) een nieuwe zendtijdaanvraag
ingediend. Deze is op dit moment bij het Commissariaat voor de Media in behandeling.
Het Commissariaat heeft nog geen besluit kunnen nemen omdat de aanvraag daarvoor onvoldoende
informatie bevatte en de SZM nog onvoldoende tegemoet is gekomen aan informatieverzoeken
van het Commissariaat. Het Commissariaat heeft van de SZM recent aanvullende informatie
ontvangen. Deze vereist nog nadere bestudering en zal mogelijkerwijs tot nieuwe vragen
van het Commissariaat aan de SZM leiden. Het Commissariaat wil optimale zorgvuldigheid
betrachten en bovendien ook de recente berichtgeving betrekken bij de besluitvorming.
Vraag 2
Deelt u de mening dat de publieke omroep onafhankelijk en pluriform dient te zijn
en dat er binnen het bestel in principe ruimte zou kunnen zijn voor een Moslimomroep,
mits voldaan aan alle voorwaarden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Ja, die mening deel ik volledig. De onafhankelijkheid en pluriformiteit zijn grondslagen
van ons publieke omroepbestel. Deze grondslagen zijn ook in de wet vastgelegd. Ik
vind het waardevol dat binnen het publieke bestel ruimte is voor specifieke programmering
die verzorgd wordt door genootschappen die representatief geacht worden voor kerkelijke
en geestelijke hoofdstromingen in Nederland. De islam is een van die hoofdstromingen
en er is dus in principe zeker ruimte voor een moslimomroep. De toewijzing van zendtijd
dient inderdaad plaats te vinden op basis van het voldoen aan alle wettelijke voorwaarden,
zoals representativiteit, deugdelijke organisatie en de verwachting dat men zich aan
de wet zal houden. Dat wordt beoordeeld en beslist door het Commissariaat.
Vraag 3
Kunt u aangeven of er banden zijn tussen de SZM en het Turkse Diyanet? Zo ja, hoe
oordeelt u over deze banden? Zo nee, wordt er bij de procedure van een aanvraag voor
toekenning van zendtijd überhaupt naar het bestaan van dergelijke banden gekeken?
Antwoord 3
Of en zo ja welke banden er zijn en welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden
voor de zendtijdtoewijzing moet het Commissariaat beoordelen. Het Commissariaat kan
de aanwijzing van de moslimomroep weigeren als aannemelijk is dat men zich niet aan
de wet zal houden. De wet regelt dat publiek aanbod vrij hoort te zijn overheidsinvloeden.
Wanneer banden met de Turkse overheid leiden tot overheidsbeïnvloeding, moet het Commissariaat
beoordelen of daarmee aannemelijk is dat de moslimomroep zich niet aan de wet zal
houden.
Vraag 4
Deelt u de mening dat de staat geen directe invloed op de programmering van publieke
omroepen behoort te hebben en dat het daarom ook ongewenst is dat een buitenlandse
mogendheid rechtstreekse invloed heeft op een Nederlandse publieke omroep? Zo nee,
waarom niet? Zo ja, hoe beïnvloedt dat de afweging om de SZM eventueel zendtijd te
vergunnen?
Antwoord 4
Ik deel de mening dat overheidsbeïnvloeding onwenselijk is. Het principiële uitgangspunt
is dat de programma’s van publieke media-instellingen, waaronder de kerkgenootschappen
en genootschappen op geestelijke grondslag die publieke zendtijd hebben gekregen,
vrij zijn van overheidsinvloeden en dat publieke media-instellingen zelf vorm en inhoud
van hun programma’s bepalen en daar verantwoordelijk voor zijn. Dat is vastgelegd
in de Mediawet 2008 (artikel 2.1, tweede lid, onderdeel d, en artikel 2.88). Verder
verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3.
Vraag 5
Deelt u de mening dat de SZM geen representatieve stichting voor de Islam is, nu de
islamitische organisaties Milli Görüs, de alevitische federatie Hak Der en de Raad
voor Marokkaanse Moskeeën Nederland uit de organisatie zijn gestapt?
Antwoord 5
Ik heb kennis genomen van de berichten in de media dat deze organisaties uit de SZM
zouden zijn gestapt. Het is echter niet aan mij om dat te beoordelen, maar aan het
Commissariaat.
Vraag 6
Kunt u aangeven wat de mogelijkheden en de voor- en nadelen zijn om in de Mediawet
een verbod op banden met overheden op te nemen?
Antwoord 6
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven staat al in de wet dat het programma-aanbod
onafhankelijk van overheidsinvloeden moet zijn. Ik zie op dit moment geen aanleiding
om specifiekere verbodsregels daarvoor in de wet op te nemen. Het bestaan van banden
hoeft niet per definitie altijd te leiden tot beïnvloeden. Wanneer die banden zodanig
zijn en er zodanig invulling aan gegeven wordt dat een publieke omroepinstelling niet
meer onafhankelijk en zelfstandig de vorm en inhoud van de programma’s bepaalt, kan
dat reden zijn om de aanvraag van zendtijd te weigeren.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Segers (Christen
Unie), ingezonden 25 september 2012 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013,
nr. 252)
X Noot
1Trouw, maandag 24 september 2012