Vragen van de leden Verheijen en Lodders (beiden VVD) aan de minister van Buitenlandse Zaken over het bericht dat Brussel af wil van hervulbare olijfolieflesjes in restaurants (ingezonden 24 mei 2013).

Antwoord van staatssecretaris Dijksma (Economische Zaken), mede namens de minister van Buitenlandse Zaken (ontvangen 3 juni 2013)

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Brussel wil af van hervulbare olijfolieflesjes in restaurants»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Op basis van welke bevoegdheden is dit besluit in het comité genomen?

Antwoord 2

Het besluit betreft een wijziging van een bestaande uitvoeringsverordening van de Europese Commissie met betrekking tot de handelsnormen voor olijfolie. In het kader van de Verordening inzake de Integrale Gemeenschappelijke Marktordening (verordening 1234/2007) is de Europese Commissie de bevoegdheid toegekend om handelsnormen vast te stellen voor olijfolie (artikel 113 en artikel 121).

Besluiten met betrekking tot uitvoeringsverordeningen van de Commissie worden genomen in het Beheerscomité voor de Integrale Gemeenschappelijk Marktordening. Hierin zijn de lidstaten vertegenwoordigd.

Vraag 3 en 4

Deelt u de mening dat dit besluit van de Europese Commissie niets zal bijdragen aan de versterking van de interne markt en het draagvlak voor Europa?

In hoeverre strookt dit besluit met het subsidiariteitsbeginsel, in overweging nemende dat de effecten van dit besluit beperkt blijven tot de lidstaten zelf?

Antwoord 3 en 4

Wij delen de mening dat voorschriften als deze het draagvlak voor Europa geen goed doen. Dat heeft Nederland ook steeds tijdens de discussies in het beheerscomité uitgedragen. Nederland heeft aangegeven het onbegrijpelijk te vinden dat de Commissie juist in deze tijden van economische tegenwind en krimpende budgetten met voorstellen voor lastenverzwaring voor de horeca en de controlediensten komt zonder daarvoor afdoende rechtvaardigingsgrond te bieden. Er is eveneens op gewezen dat het reguleren van de wijze waarop in horeca gelegenheden olijfolie aan tafel geserveerd wordt, aan het subsidiariteitsbeginsel raakt. Nederland heeft om deze redenen tegen de maatregel gestemd.

Vraag 5

Welke precedentwerking zal uitgaan van dit besluit richting andere sectoren en is hier geen sprake van willekeur?

Antwoord 5

De maatregel is gepresenteerd als een specifiek onderdeel van het actieplan van de Europese Commissie voor herstel van de Europese olijfoliesector door de kwaliteit van olijfolie te bevorderen en fraude in de sector te bestrijden. De maatregel kan daarmee worden opgevat als een bijzondere maatregel bedoeld om een specifieke situatie te adresseren – zij het dat naar de mening van Nederland de problemen van de Europese olijfoliesector van een structurele aard zijn die om andere oplossingen vragen dan maatregelen als deze. Vooralsnog is ons niet bekend dat de Europese Commissie overweegt op het terrein van andere sectoren gelijksoortige voorschriften met betrekking tot de horeca sector voor te stellen.

Vraag 6

Is bekend welke uitvoeringslasten hiermee zijn gemoeid voor de horeca en worden dergelijke aspecten net als in Nederland betrokken bij de uiteindelijke afweging?

Antwoord 6

Bij de lastenverzwaring voor de horeca moet o.a. worden gedacht aan uitbreiding van de huidige controles in het kader van de hygiënewetgeving e.d. met controles op de aan tafel geserveerde olijfolie – daarbij zou dan ook analytisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. De horeca zou tevens te maken krijgen met een beperking in het aanbod van producten – er zouden immers enkel flessen met een speciale sluiting die navulling onmogelijk maakt mogen worden gebruikt – en daarmee mogelijk met hogere kosten. Ook zou de mogelijke toename in afval tot een lastenverzwaring kunnen leiden.

Nederland heeft de Commissie voortdurend gewezen op de lastenverzwaring voor ondernemers in de horeca. De Commissie heeft ook een beleid om administratieve lasten tegen te gaan, maar liet in dit geval andere belangen prevaleren (consumentenbescherming, belangen olijfsector).

Vraag 7

Welke mogelijkheden zijn er nog om dit besluit aan te vechten?

Antwoord 7

Het verheugt ons dat Commissaris Çiolos, na de nodige politieke druk en de ophef in de media in de Europese Unie, heeft besloten om het besluit in te trekken.

Vraag 8

Wat zegt dit volgens u over de wijze waarop dit soort besluiten in de Europese Unie genomen worden? Wat valt hieraan volgens u te verbeteren?

Antwoord 8

De Commissie dient, zeker als het gaat om de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden, rekening te houden met administratieve lasten, subsidiariteit en proportionaliteit. De Commissie dient tevens de gevolgen en het draagvlak van haar voorstellen in kaart te brengen. Commissaris Çiolos heeft in zijn persconferentie van 23 mei jl. gezegd geen Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voor te willen staan dat slechts de belangen van enkele lidstaten behartigt en toegegeven dat er bij de maatregel onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van horecaondernemers. Nederland zal er bij de Commissie op blijven aandringen dat haar voorstellen in het belang van burgers en bedrijven zijn, voorzien zijn van een goede rechtvaardigingsgrond, en scherp blijven toetsen op de subsidiariteit en proportionaliteit van haar voorstellen.

Het kabinet zal de Europese Commissie voor de zomer van 2013 een lijst sturen met EU wet- en regelgeving die leidt tot onnodige regeldruk voor ondernemers met het verzoek deze te vereenvoudigen of te schrappen. Conform de toezegging in het AO van 13 februari jl. over de Raad voor Concurrentievermogen zal deze lijst ook aan de Kamer worden gestuurd. Het traject van regeldrukvermindering wordt in samenhang bezien met de subsidiariteitsexercitie uit het regeerakkoord, zoals eerder aangekondigd (Kamerstuk 29 362 nr. 212). Ook daarover zal uw Kamer voor het zomerreces een brief toegaan.

Naar boven