Vragen van het lid PaulusJansen (SP) aan de ministers van Economische Zaken en van
Infrastructuur en Milieu over het realiteitsgehalte van het bestuursakkoord IPO/Rijk
over 6000MW wind op land (ingezonden 21 maart 2013).
Antwoord van minister Kamp (Economische Zaken), mede namens de minister van Infrastructuur
en Milieu (ontvangen 10 april 2013)
Vraag 1
Is de realiteitstoets op de zoeklocaties die de provincies hebben aangeleverd in het
kader van de realisatie van 6000MW wind op land inmiddels afgerond?1 Zo nee, wanneer verwacht u de afronding? Zo ja, kan de Kamer, zoals toegezegd, het
rapport ontvangen? Welke conclusies verbindt u aan het rapport?
Antwoord 1
Ik heb het bureau Bosch en Van Rijn eind vorig jaar opdracht gegeven het bod van het
IPO voor windenergie op land te toetsen om inzichtelijk te maken of het bod voldoende
zou zijn om 6.000 megawatt windenergie op land te behalen in 2020. Het rapport is
op 22 maart 2013 afgerond. U treft het rapport als bijlage bij de beantwoording aan.2
De conclusie die Bosch en Van Rijn trekt is dat het bod van het IPO nog niet optelt
tot 6000 megawatt en dat een gedeelte van de gebieden uit het bod mogelijk nog afvalt.
Deze conclusie hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en ik gebruikt om extra
afspraken te maken met het IPO.
Eén van de extra afspraken is dat de provincies 6000 megawatt aan ruimte voor wind
op land garanderen. De eerste 5715 megawatt wordt voor 31 december 2013 door de provincies
vastgelegd. De resterende 285 megawatt wordt in het bestuurlijke overleg met het IPO
na 1 mei over de provincies verdeeld. Als er gebieden afvallen, vult de betreffende
provincie het afgevallen gedeelte zo spoedig mogelijk aan met alternatieve gebieden.
De extra en aanvullende gebieden worden uiterlijk in het voorjaar van 2014 door de
provincies planologisch vastgelegd.
Ook is met het IPO afgesproken de voortgang van de provincies bij het planologisch
vastleggen van de gebieden uit het IPO-bod en de daadwerkelijke realisatie van windenergie
op land nauwgezet te monitoren.
Vraag 2
Acht u het logisch dat provincies locaties die in 2009 als geschikte locaties zijn
aangewezen en uitgewerkt in het kader van de studie «Een choreografie voor 1000 molens»
van de rijksadviseur voor het landschap door provincies worden uitgesloten als zoeklocatie?
Zo nee, verbindt u een conclusie aan deze notie, bijvoorbeeld door deze locaties wél
op te nemen in de rijksstructuurvisie Wind op Land?
Antwoord 2
Het advies van de Rijksadviseur voor het landschap was geen beleidsadvies, maar een
advies over een te hanteren visie bij het kiezen van een plaatsingsstrategie. Er is
dus ook geen spanning tussen de gebieden in het provinciale bod en het advies. In
de ontwerp-Structuurvisie Windenergie op land die het kabinet 28 maart 2013 naar de
Kamer heeft gestuurd, staat toegelicht hoe met dit advies is omgegaan.
Vraag 3
Wat houdt de «garantie» die de provincies afgeven in het Bestuursakkoord van 22 januari
2013 precies in?3
Antwoord 3
De provincies garanderen 6.000 megawatt aan ruimte voor windturbines op land. Dat
betekent dat als gebieden afvallen, de provincies de afgevallen gebieden zo spoedig
mogelijk aanvullen met alternatieve gebieden. De voortgang wordt nauwkeurig gemonitord.
Vraag 4
Wat betekent de afspraak «de provincies leggen deze planologische alternatieven uiterlijk
medio 2014 vast» voor het moment waarop genoemde locaties onherroepelijk beschikbaar
komen?
Antwoord 4
Indien provincies er dit jaar niet in slagen hun taakstelling in een structuurvisie
of vergelijkbaar beleid uit te werken, of wanneer er gebieden die nu zijn aangewezen
afvallen, dan vullen zij het tekort aan. Zodra een gebied is aangewezen, is het ook
beschikbaar voor windenergie. Er kunnen dan projecten ontwikkeld worden. In veel aangewezen
gebieden is dit al het geval of wordt de ontwikkeling van projecten al concreet voorbereid.
De datum van 2014 is gekozen om voor nieuw aan te wijzen gebieden voldoende tijd te
hebben om vóór 2020 de vergunningprocedures en de bouw van de parken te kunnen doorlopen.
Vraag 5
Wat is de procedure, en de eventuele sanctie, indien te zijner tijd blijkt dat door
provincies vastgelegde locaties voor wind op land door de bestuursrechter vernietigd
worden? Indien hierover geen afspraken gemaakt zijn, kan dit geen aanleiding worden
voor strategisch gedrag van provincies?
Antwoord 5
De bestuurlijke afspraken bieden geen basis voor (juridische) sancties. Wel is het
IPO eindverantwoordelijk voor het voldoende door provincies nakomen van de afspraken.
In eerste instantie wordt aan de provincies de gelegenheid geboden met alternatieve
gebieden te komen. Mocht deze aanpak in IPO-verband niet werken, dan geeft lid 4 van
de afspraken aan dat het kabinet zelf zal zorgdragen voor een adequate ruimtelijke
inpassing.
X Noot
1Schriftelijke beantwoording vragen uit eerste termijn plenaire behandeling begroting
EZ, 16 januari 2013 (2013Z00561)
X Noot
2Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.