Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012528

Vragen van de leden Spekman (PvdA), Schouw (D66), Gesthuizen (SP), Dibi (GroenLinks) en Voordewind (ChristenUnie) aan de minister voor Immigratie en Asiel over het onderzoek op basis waarvan een project voor ex-ama’s is beëindigd (ingezonden 16 september 2011).

Antwoord van minister Leers (Immigratie en Asiel) (ontvangen 2 november 2011). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 266.

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het bericht «Leers legt onderzoek verkeerd uit»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2 en 3

Wat is uw reactie op de opmerkingen van de projectleider van CVO2, dat u op onjuiste wijze en onterecht de resultaten van het project voor perspectief voor ex-ama’s3 heeft vergeleken met de resultaten van de Dienst Terugkeer & Vertrek?

Deelt u de mening dat de vergelijking mank gaat, aangezien er verschillende groepen ex-ama’s met elkaar worden vergeleken?

Antwoord 2 en 3

De vraag naar een vergelijking tussen de resultaten van het experiment Perspectief en de resultaten van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) is bij het bepalen van de onderzoeksopzet voorgelegd aan het Wetenschappelijk Documentatie en Onderzoekscentrum (WODC). Omdat er volgens het WODC verschillende factoren zijn die een goede vergelijking verstoren, is in het onderzoek van een vergelijking afgezien. Dit is ook besproken in de stuurgroep van het experiment Perspectief.

Gelet hierop heb ik ook eerder aan uw Kamer gemeld dat een wetenschappelijk verantwoorde vergelijking nagenoeg onmogelijk is4. De factoren die een wetenschappelijk verantwoorde vergelijking verstoren heb ik beschreven in mijn brief aan uw Kamer van 14 september jl.5 Ondanks deze onderzoekstechnische bezwaren hebben uw Kamer en de deelnemende gemeenten aangedrongen op een vergelijking. Daarop heb ik, in overleg met de bij het project betrokken gemeentelijke vertegenwoordiging en het WODC, gezocht naar een manier om toch een vorm van vergelijking mogelijk te maken. Het resultaat daarvan heb ik beschreven in mijn brief van 14 september jl., waarbij ik heb opgemerkt dat voorzichtigheid moet worden betracht bij het vergelijken van de resultaten van de DT&V met de resultaten van het experiment Perspectief.

Vraag 4 en 5

Klopt het dat het project van de steunpunten, wanneer een precieze vergelijking wordt gemaakt tussen de juiste groepen, zelfs beter scoort, vergeleken met de resultaten van de DT&V, op het gebied van terugkeer en voorkomen van illegaliteit?

Bent u bereid alsnog een wetenschappelijk verantwoorde vergelijking te maken?

Antwoord 4 en 5

Nee. Zoals ik heb geschreven in mijn antwoord op vraag 2 en 3 is een wetenschappelijk verantwoorde vergelijking van de verschillende resultaten niet goed mogelijk en kan er bijgevolg ook geen uitspraak worden gedaan over de uitkomst daarvan.

Vraag 6

Deelt u de mening dat, nu u op onjuiste wijze het onderzoek van CVO heeft geïnterpreteerd, uw conclusie dat het project van de gemeenten niet functioneert en slechte resultaten behaalt, niet langer gedragen wordt?

Antwoord 6

Nee, van een onjuiste interpretatie van het onderzoek van CVO is geen sprake. Mijn conclusie in de brief van 14 september jl. aan uw Kamer is gebaseerd op de resultaten die zijn beschreven in het onderzoeksrapport van het CVO. In dit rapport is vastgesteld dat het aantal deelnemers dat nog steeds in begeleiding is, en waarvoor geen resultaat is geboekt in termen van terugkeer of vergunningverlening, hoog is. Tegelijk is het aantal ex-amv’s dat met onbekende bestemming is vertrokken, beperkt gebleven, maar dit kan pas als een succes worden gekwalificeerd indien dit gepaard gaat met een vorm van resultaat of – in de termen van het experiment – een vorm van perspectief.


X Noot
1

Nu.nl, 15 september 2011.

X Noot
2

Centrum voor Verslavingsonderzoek.

X Noot
3

Alleenstaande Minderjarigen asielzoekers.

X Noot
4

Kamerstukken II 2010/11, 29 344, nr. 78

X Noot
5

Kamerstukken II, 2010/11, 19 637, nr. 1461.