Vragen van het lid Groot en Vermeij (beiden PvdA) aan de minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid over de onregelmatigheden binnen het pensioenfonds van het Centraal
Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) (ingezonden 7 augustus 2012).
Antwoord van minister Kamp (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 7 september
2012).
Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Rommeltje maar geen fraude bij pensioen CBR»?1
Vraag 2
Deelt u de mening dat het toezicht op het pensioenfonds van het CBR gefaald heeft,
nu blijkt dat de administratie tientallen jaren onzorgvuldig was en het overzicht
ontbrak en er bovendien tegen de regels in met miljoenen zou zijn geschoven? Hoe beoordeelt
u deze situatie?
Antwoord 2
Het artikel verwijst naar een onderzoek van Integis naar de handelswijze van de werkgever
met betrekking tot de gelden in de Stichting Toeslagfonds CBR over de periode 1980
tot en met 2010. Het onderzoek heeft dus betrekking op het toeslagfonds van het CBR.
Dit is een fonds van de werkgever waarin reserveringen werden gedaan voor toeslagen.
Het prudentieel toezicht in de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW), die tot 1 januari
2007 van kracht was, was niet van toepassing op toeslagfondsen. Een toeslagfonds was
en is in de zin van de pensioenwetgeving geen pensioenfonds. Er kunnen aan dit onderzoek
dan ook geen conclusies worden verbonden over het toezicht op het pensioenfonds van
het CBR.
Bij de oprichting in 1980 had de Stichting Toeslagfonds CBR tot doel de financiering
van de indexatie van ingegane pensioenen van oud-medewerkers van CBR2. Vanaf 1994 is deze (indexatie)toeslagregeling onderdeel van de pensioenregeling
van CBR geworden die werd ondergebracht bij verzekeraar Nationale Nederlanden; Stichting
Toeslagfonds CBR had vanaf toen tot doel het houden van toezicht op de uitvoering
en instandhouding van de bij CBR bestaande (indexatie)toeslagregeling3. Sinds maart 1999 heeft Stichting Toeslagfonds CBR een ander doel gekregen, namelijk
het doen van aanvullende (salarisvervangende) uitkeringen aan gewezen werknemers
van CBR en had zodoende niets meer van doen met de indexatie van pensioenen4.
Het onderzoek van Integis laat zien dat de meeste onregelmatigheden bij Stichting
Toeslagfonds CBR na 1994 hebben plaatsgevonden.
Vraag 3
Welke maatregelen gaat u nemen om een dergelijke situatie in de toekomst onmogelijk
te maken?
Antwoord 3
De pensioenwetgeving voorziet er sinds 1 januari 2007 (invoering van de Pensioenwet)
in dat er toezicht is op gelden die bedoeld zijn voor toeslagen op pensioen door de
toeslagverlening een zaak te maken van pensioenuitvoerders (pensioenfonds, verzekeraar
of premie pensioeninstelling – ppi). Een pensioenuitvoerder valt onder het toezicht
van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Toeslagen vallen sinds de invoering van de Pensioenwet onder het begrip pensioen,
en de Pensioenwet bepaalt dat de uitvoering en financiering van een toeslagbeleid
altijd de verantwoordelijkheid is van een pensioenuitvoerder. Een apart toeslagfonds,
niet zijnde een pensioenfonds of een verzekeraar, dat los staat van een pensioenfonds
of verzekeraar, is vanaf de inwerkingtreding van de Pensioenwet niet meer toegestaan
(zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30 655, nr. 3, p.24).
Vraag 4 en 5
Wat zijn de gevolgen voor de deelnemers van het voortdurend heen en weer schuiven
van miljoenen, waarbij het ene jaar het pensioenfonds gezond leek en het andere jaar
het saldo op nul stond?
Op welke manier kunnen deelnemers inzicht krijgen in de cijfers uit het verleden?
Op welke manier kunnen zij, indien blijkt dat zij zijn benadeeld door de gang van
zaken, hun recht halen?
Antwoord 4 en 5
De conclusie van de begeleidingscommissie in de begeleidende brief bij het onderzoek
van Integis luidt: «Het onderzoek van Integis heeft geleid tot de vaststelling van
meerdere onregelmatigheden van uiteenlopende aard en ernst. De onregelmatigheden zien
overigens niet op onrechtmatige bevoordeling van personen en/of partijen». Hieruit
concludeert de begeleidingscommissie dat: «Voor zover de onregelmatigheden, al dan
niet van formele aard, hebben geleid tot materiële gevolgen, heeft grotendeels correctie
in latere jaren plaatsgevonden».
Het is aan de belanghebbenden (de werkgever en de Ondernemingsraad) – die tevens opdrachtgever
waren van het onderzoek – om hier conclusies aan te verbinden. Zij zullen eerst afwegingen
moeten maken over de in het onderzoek aangereikte onregelmatigheden. Dit kan ook de
deelnemers betreffen. De begeleidingscommissie raadt werkgever en Ondernemingsraad
aan «in redelijkheid tot een oplossing te komen teneinde een streep onder het verleden
te zetten».
X Noot
2 Paragraaf 7.2 van het rapport van Integis.
X Noot
3 Paragraaf 7.4 van het rapport van Integis.
X Noot
4 Paragraaf 7.5 en 7.6 van het rapport van Integis.