Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-20122794

Vragen van het lid Brinkman (Brinkman) aan de minister van Veiligheid en Justitie over het onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra (ingezonden 24 mei 2012).

Mededeling van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 13 juni 2012).

Vraag 1

Is het waar dat de politie reeds in het weekeinde van de moord informatie heeft ontvangen van de toen 13-jarige I.W. over mogelijke betrokkenheid van F. M. en A.H.1?

Vraag 2

Is het waar dat I.W. heeft gezegd vervolgens telefonisch met de dood te zijn bedreigd door F.M. door het volgende te zeggen: «(a)ls jij niet stopt met praten, vermoorden we jou ook?» Is het waar dat zij van deze doodbedreiging samen met haar vader aangifte heeft gedaan op of omstreeks 4 mei 1999, welke aangifte is bevestigd door het rechercheteam?

Vraag 3

Welke onderzoeksinspanningen zijn naar aanleiding van deze aangifte verricht? Meer in het bijzonder: is F.M. hierover gehoord of als verdachte aangemerkt? Wat is de reden dat deze aangifte niet tot verdere vervolging of hechtenis van F.M heeft geleid? Hoe is het mogelijk dat een dergelijke aanwijzing van betrokkenheid en daderkennis van F.M. niet tot vervolging kwam en er geen publicatie over is geweest, terwijl andere verdenkingen wel met de pers zijn gedeeld?

Vraag 4

Is het waar dat het onderzoekrapport van het Openbaar Ministerie (OM) over A.H. concludeert dat de juiste verdachte in Turkije is aangehouden en dat deze niet klein en dik is maar lang en slank, zoals de aangehouden A.H.? Klopt het dat vier personeelsleden van het toenmalige asielzoekerscentrum (AZC), die zowel A.H. als F.M. jarenlang hebben meegemaakt, hebben verklaard dat A.H. een hechte vriend was van F.M. en dat hij een klein gezet postuur had met een lengte van hooguit 1.65 meter? Klopt het bericht dat deze vier personeelsleden hebben verklaard dat zij de aangehouden A.H. niet kennen, dat zij door het rechercheteam minimaal twee keer zijn gehoord en dat dit ook bij proces-verbaal is bevestigd?

Vraag 5

Deelt u de mening dat, indien deze verklaringen juist zijn, de aangehouden A.H. in Turkije niet dezelfde A.H. is waarmee F.M. altijd werd gezien? Waarom zijn deze feiten niet genoemd in het onderzoeksrapport over A.H.?

Vraag 6

Klopt het dat in het onderzoeksrapport van het het OM het volgende wordt gesteld: «(t)erwijl het rechercheteam bezig is de verblijfplaats van (A.H.) te achterhalen komt ook het verhaal van (G.V.) uit IJmuiden bij de politie binnen?» Hoe en via welke bron is het verhaal van G.V. bij de politie binnengekomen, daar G.V. beweert dat hij in 1990 nooit contact heeft gezocht met justitie, maar enkel heeft gesproken met een verslaggever van de Telegraaf over deze zaak?

Vraag 7

Kent u de antwoorden van uw voorganger in 2010 op eerdere vragen, waarin het volgende staat: «(g)elet op de gespannen situatie rondom het azc in Kollum werd besloten om F.M. over te plaatsen naar het azc te Drachten. Van daaruit is F.M. op 2 juni 1999 overgeplaatst naar het azc Alphen aan den Rijn. Als verblijfsvergunninghouder is hij, in mei 2000, vervolgens regulier gehuisvest»? Waarom werd F.M., en alleen hij, overgeplaatst naar een ander AZC?2

Vraag 8

Is het waar dat verklaringen van twee medewerkers van het AZC Kollum (twee van de vier eerdergenoemde personeelsleden) en van de plaatsvervangende directeur die van deze overplaatsing getuige waren, bij u bekend zijn? Is het waar dat uit deze verklaringen blijkt dat de overplaatsing van F.M. op maandag 3 mei 1999 heeft plaatsgevonden, de eerste werkdag, twee dagen na de moord op Marianne Vaatstra? Is het waar dat de twee medewerkers hebben verklaard dat zij van de plaatsvervangend directeur te horen kregen dat F.M. naar het AZC Musselkanaal zou worden overgeplaatst? Weet u de plaatsvervangend directeur bovendien heeft  verklaard dat F.M. voor deze overplaatsing op het politiebureau Buitenpost is gehoord? Weet u dat de plaatsvervangend directeur heeft bevestigd dat tot deze overplaatsing van F.M. door de driehoek (burgemeester, OM en politie) is besloten en dat hij met betrekking tot deze feiten door het rechercheteam is gehoord?

Vraag 9

Waarom wordt deze informatie niet behandeld in het onderzoekrapport over A.H.?

Vraag 10

Wie was in de genoemde driehoek de verantwoordelijke hoofdofficier van Justitie tijdens de overplaatsing van F.M., naar verluidt op 3 mei 1999? Wie was in 2007 de initiatiefnemer tot het oprichten van het nieuwe 3D rechercheteam?

Vraag 11

Is het waar dat het OM stelt dat F.M. niet betrokken was bij de moord op Marianne Vaatstra, omdat zijn dna niet overeenkomt met het gevonden daderspoor?

Vraag 12

Deelt u de mening dat, indien er twee of meerdere daders betrokken zijn, dat enkel betekent dat hij niet de donor is van het gevonden spermaspoor, maar dat hij evengoed wel betrokken kan zijn bij de moord?

Vraag 13

Klopt het dat het OM in het rapport het volgende stelt: «Uit de Noorse dna-databank blijkt in 2010 bovendien dat het dna-profiel van de man niet overeenkomt met dat van de moordenaar van Marianne?» Weet u dat uit navraag bij de Noorse nationale politie3, die de Noorse databank beheert, is gebleken dat een dergelijk onderzoek op verzoek uit Nederland niet bekend is? Hoe verklaart u de discrepantie tussen deze bevinding en de bewering in het rapport? Als de conclusie is dat het dna-profiel van de mede gedetineerde van G.V. niet is vergeleken met de moordenaar van de Marianne Vaatstra, deelt u dan de mening dat dit moet gebeuren?

Vraag 14

Weet u dat, zoals gesteld in de tv-uitzending, het Y-Chromosomaal dna in mannelijke lijn wordt doorgegeven? Is het waar dat uit dna-onderzoek van de spermasporen blijkt dat de Haplogroep van de dader behoort tot R1b? Heeft u ook kennisgenomen van de mededeling van de programmamaker dat deze Haplogroep in meerderheid voorkomt in West-Europa en dat direct hierop wordt concludeert dat de dader dus niet van het AZC kan komen?

Vraag 15

Bent u op de hoogte van het feit dat de Haplogroep R1b ook in delen van centraal Azie en West-Azie voorkomt? Bent u ervan op de hoogte dat voornoemde G.V. heeft gezegd dat zijn medegedetineerde, die hij heeft geïdentificeerd als A.H.,  tegen hem heeft verklaard dat zijn vader uit de Verenigde Staten zou komen? Deelt u de mening dat, indien deze informatie klopt, zeer wel mogelijk deze A.H. ook de Haplogroep R1b zou kunnen hebben?

Vraag 16

Is het waar dat uit een verklaring van een medewerker van het toenmalige Grenshospitium Tafelberg te Amsterdam naar voren komt dat in het weekeinde van de moord door twee politieagenten een asielzoeker uit Kollum werd aangeleverd voor uitzetting naar het buitenland? Weet u dat uit deze verklaring blijkt het ’s avonds laat was, nadat de administratie om hem dezelfde dag te registreren naar huis was? Weet u dat uit deze verklaring blijkt dat de asielzoeker A. werd genoemd en voldeed aan het latere signalement van de hoofdverdachte A.H. (klein en gedrongen)? Weet u de verklaring blijkt dat bij navraag bij de directie bleek dat hij de volgende dag reeds was uitgezet? Weet u dat de medewerker stelt hem van de latere opsporingsfoto te herkennen als de hoofdverdachte? Is het waar dat de huidige hoofdofficier van justitie van het parket Leeuwarden een aantal maanden geleden ook in kennis is gesteld van deze verklaring?

Vraag 17

Wat zijn de opsporingshandelingen die het rechercheteam met betrekking tot deze verklaring heeft verricht en wat was daarvan het resultaat? In het geval niets is ondernomen, kunt u de reden daarvoor geven?

Vraag 18

Deelt u de mening dat het bij een rechercheonderzoek niet alleen gaat om het bewijs dat iemand de dader is, maar ook om uit te sluiten dat een ander de dader zou kunnen zijn? Zo ja, deelt u de mening dat de juiste A.H. (klein en gezet postuur) moet worden opgespoord en dat zijn dna moet worden vergeleken met het dna van het gevonden spermaspoor? Zo ja, hoe gaat u dit initiëren?

Mededeling

Hierbij deel ik u mede dat de schriftelijke vragen van het lid Brinkman (Brinkman) van uw Kamer aan de Minister van Veiligheid en Justitie over het onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra (ingezonden 24 mei 2012) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie is ontvangen.

Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.


X Noot
1

Uitzending van Peter R. de Vries van zondag 20 mei 2012.

X Noot
2

Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 2952.