Vragen van de leden Bosman (VVD), Jasper van Dijk (SP) en Eijsink (PvdA) aan de minister
van Defensie over zelfdoding onder veteranen (ingezonden 6 maart 2012).
Antwoord van minister Hillen (Defensie) (ontvangen 12 april 2012).
Vraag 1
Ken u het artikel «Zelfmoord? Bij militairen Sst!»?1
Vraag 2
Is het waar dat uw ministerie noch een andere organisatie cijfers bijhoudt van zelfmoord
onder veteranen?
Antwoord 2
Ja. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt, als enige organisatie in Nederland,
gegevens bij over de doodsoorzaken van in Nederland woonachtige personen. Het CBS
maakt hierbij gebruik van de «melding doodsoorzaak» die is voorgeschreven in de Wet
op de Lijkbezorging. Of hierbij sprake is van een veteraan wordt door het CBS niet
geregistreerd. Defensie bestudeert of het mogelijk is om aan de hand van de informatie
van het CBS periodiek onderzoek uit te voeren naar zelfdoding bij veteranen.
Vraag 3 en 4
Is het waar dat u geen verhoogd percentage zelfmoorden onder veteranen vermoedt op
basis van onderzoek onder oud-Balkangangers? Zo ja, kunt u aangeven waarom u deze
missie dermate vergelijkbaar acht met andere Nederlandse missies dat een dergelijke
conclusie valt te trekken?
Kunt u uiteenzetten waarop uw ministerie de opvatting baseert dat een hoger dan gemiddeld
zelfmoordpercentage in de VS niet van toepassing is op Nederland «omdat de Nederlandse
militaire uitzendingen korter zijn, de begeleiding voor, tijdens en na de missie intensiever
is, en de medische zorg anders is ingericht»?
Antwoord 3 en 4
Met mijn brief van 11 mei 2011 (Kamerstuk 27 580, nr. 17) heb ik de Kamer het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
(RIVM) over Balkan-veteranen aangeboden, getiteld «Cancer incidence and cause-specific mortality following Balkan deployment». Voor dit onderzoek zijn 18 000 (oud) militairen – die op de Balkan zijn ingezet
– meer dan tien jaar gevolgd. In deze groep bevonden zich ook militairen die na de
missie op de Balkan elders voor missies zijn ingezet. Bij dit onderzoek is geen statistisch
significant hoger percentage zelfdoding geconstateerd dan bij een vergelijkbare deel
van de Nederlandse bevolking. Het RIVM wijst erop dat de onderzoeksperiode langer
is dan die van andere internationale onderzoeken en dat dit onderzoek daardoor meer
zeggingskracht heeft gekregen.
Voor de missies naar de Balkan geldt, net als voor andere missies, dat zich bij militairen
psychische klachten kunnen ontwikkelen ten gevolge van de uitzending. Dat de situatie
in de Verenigde Staten verschilt met die in Nederland kan zijn terug te voeren op
verschillen in uitzendduur, verschillen in begeleiding voor, tijdens en na een missie
en een andere wijze waarop de zorg voor militairen en veteranen is ingericht.
Vraag 5, 6 en 7
Deelt u de mening dat Defensie een proactieve houding zou moeten hebben bij onderzoek
naar gevallen van zelfdoding door veteranen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het registeren van zelfdodingen van veteranen inzicht kan geven
in de mogelijke problematiek van zelfdoding onder veteranen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat met het registeren van zelfdodingen, eventuele oorzaken hiervan
kunnen worden achterhaald en op deze manier de voor- en nazorg voor uitgezonden militairen
kan worden verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5, 6 en 7
Een medewerker van Defensie die kampt met problemen kan zich wenden tot uiteenlopende
zorgverleners. Deze zullen hem of haar proberen te helpen de problemen de baas te
worden en escalatie van het probleem te voorkomen. Elke defensie-eenheid kent bovendien
een Sociaal Medisch Team (SMT) dat de problematiek van de werknemer kan bespreken.
Van het SMT maken onder meer de commandant, de bedrijfsarts, de maatschappelijk werker
en de geestelijk verzorger deel uit. Preventie, het aanbieden van toereikende zorg
en mogelijkheden voor snelle interventie door hulpverleners zijn belangrijke factoren
bij het voorkomen van zelfdoding. Wanneer bekend is dat een militair door zelfdoding
om het leven is gekomen, zullen hulpverleners en commandanten in overleg met het SMT
nagaan of betere hulp mogelijk was geweest. Dit geldt ook voor het LZV indien het
een veteraan betreft die via het LZV zorg heeft ontvangen.
In het antwoord op vraag 2 heb ik uiteengezet dat alleen het CBS informatie ontvangt
over de doodsoorzaken van in Nederland woonachtige personen. Soms krijgt Defensie
informatie over zelfdoding van oud-militairen en veteranen. Deze informatie is echter
niet toereikend voor een betrouwbare registratie van zelfdoding. Defensie bestudeert
of het mogelijk is om aan de hand van de informatie van het CBS periodiek onderzoek
uit te voeren naar zelfdoding bij veteranen.
Vraag 8
Kunt u vanaf heden in de jaarlijkse Veteranennota informatie over zelfdoding onder
veteranen opnemen?
Antwoord 8
Indien de studie zoals bedoeld in het antwoord op de vragen 5, 6 en 7 leidt tot inzicht
in de mate waarin zelfdoding voorkomt onder veteranen, kan deze informatie vanaf 2013
in de Veteranennota worden opgenomen.
X Noot
1De Pers, 1 maart 2012.