Vragen van de leden Heijnen en Hamer (beiden PvdA) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de inspanningen van de rijksoverheid om rechtstreeks de positie van Wajongers en WSW-ers op de arbeidsmarkt te versterken (ingezonden 16 februari 2012).

Antwoord van minister Spies van (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ontvangen 5 april 2012).

Vraag 1

Herinnert u zich eerdere debatten en moties met betrekking tot aantallen WSW-ers en Wajongers in dienst van het Rijk? Kunt u een overzicht geven van de maatregelen en doelstellingen van het kabinet om de Rijksoverheid als werkgever en opdrachtgever bij te laten dragen aan de arbeidsmarktpositie van WSW-ers en Wajongers?1

Antwoord 1

A). Ja, die debatten en moties zijn mij bekend.

B). De maatregelen zijn:

  • 1. Alle ministers onderstrepen het belang van het in dienst nemen van medewerkers uit de doelgroep.

  • 2. In februari 2012 is het belang van het behalen van de doelstelling onderstreept; de Secretarissen-Generaal zijn zich die zeer bewust.

  • 3. Ter ondersteuning van de ministeries zijn in 2011 meerdere aanvullende initiatieven genomen om de aantallen geïndiceerde werknemers bij de sector Rijk te verhogen. Zo zijn er zeven hulpmiddelen ontwikkeld die de uitvoering voor de ministeries vereenvoudigen. Het gaat hierbij om:

    • training(en) voor begeleiders/mentoren sociale zekerheid binnen de ministeries (wordt in 2012 voortgezet);

    • uitbreiding van de website www.werkenvoornederland.nl, met vraag en aanbod voor doelgroepen;

    • registratietool voor doelgroepen (in- en uitstroom);

    • helpdesk (digitaal) voor vragen van ministeries en doelgroepen over sociale zekerheid;

    • bevordering van het gebruik van subsidies bij plaatsing vanuit de geïndiceerde doelgroepen;

    • ontwikkeling communicatie-uitingen voor de ministeries om de sociale re-integratie te stimuleren.

    • Op 22 november 2011 heeft mijn ambtsvoorganger een convenant met het UWV ondertekend, waarin is afgesproken dat het UWV ten minste 100 Wajong plaatsingen bij het Rijk realiseert. Het UWV stelt daarvoor de gehele landelijke infrastructuur (werkpleinen) en dienstenpakket ter beschikking, zodat ook Rijks» werkgevers in de regio optimaal kunnen worden bediend.

Ministeries zijn geadviseerd medewerkers met WSW, Wajong en WIA-indicatie voor langere tijd aan te stellen (voorkomen cyclisch probleem).

  • 4. Er is en wordt gesproken met de ministeries over de jaarplannen en welke ondersteuning van mij verder nodig is om de doelstelling te behalen. Bovendien rapporteren de ministeries met ingang van 2012 tweemaal per jaar aan mij in plaats van één maal per jaar, achteraf, ten behoeve van de jaarrapportage bedrijfsvoering Rijk, zodat adequaat kan worden (bij)gestuurd.

  • 5. Er wordt in 2012 onderzocht of instrumenten als Jobcarving (taakscheiding) en Jobcreation (functies creëren) kunnen worden ingezet voor het duurzaam plaatsen van mensen uit de doelgroep. Tevens worden dan mogelijkheden voor ontwikkeling en scholing aangeboden.

  • 6. Door mij werd en wordt binnen de sector Rijk actief de bestaande infrastructuur aangeboden van (regionale)contactpersonen van WSW-bedrijven.

  • 7. Maatregelen worden genomen om de registratie te vereenvoudigen en ministeries te ontlasten; er wordt gewerkt aan een centrale registratiesystematiek.

  • 8. Er wordt een onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van een Kamervraag van het lid Heijnen, inhoudende of een bonus – malus systeem voor organisatieonderdelen van de rijksdienst leidt tot meer plaatsingen van personeel met een WSW- of Wajong-indicatie. Beoogde opleverdatum van het onderzoek is juni 2012.

C) De doelstelling is:

Op eerdere schriftelijke antwoorden – onder andere in vergaderjaar 2008–2009, kamerstuk 31 444 VII (2 maart 2009), kamerstuk 31 701 (8 juli 2009) en vergaderjaar 2010–2011, kamerstuk 31 490 (10 juni 2011) – op vragen van het Kamerlid Heijnen, én in de brieven van vergaderjaar 2010–2011, kamerstuk 32 501 (8 april 2011), en vergaderjaar 2011-2012, kamerstuk 32 501 (15 november 2011), heb ik de doelstelling uiteengezet, namelijk dat in het kader van maatschappelijk verantwoord werkgeverschap het Rijk vanaf 1 januari 2011 een structurele algemene quotumregeling invoert. Deze regeling houdt in dat het Rijk structureel het aantal (werkervarings)plaatsen ter grootte van 1% van de bezetting in FTE’s reserveert voor WSW, Wajong en WIA geïndiceerden.

Vraag 2

Is het waar dat het kabinet een taakstelling heeft vastgesteld om eind 2012 1000 WSW-ers en Wajongers in dienst te hebben?2 Zo nee, wat is dan wel de taakstelling?

Antwoord 2

Zie antwoord op vraag 1 onder C).

Vraag 3

Heeft het kabinet specifieke doelstellingen voor respectievelijk WSW-ers en Wajongers binnen de genoemde duizend? Zo nee, waarom niet? Betreft de nieuwe doelstelling werkervaringsplaatsen of duurzame banen?

Antwoord 3

A). Er is geen specifieke doelstelling voor WSW-ers en Wajongers binnen de doelstelling. Het Rijk kent geen specifiek doelgroepenbeleid; het gaat om alle mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (zie ook de eerder aangehaalde brieven).

Een dergelijke doelstelling zou de individuele kans juist verkleinen en werkgevers binnen de sector Rijk beperken in de plaatsingsmogelijkheden (functies). Bovendien is binnen de sector Rijk de ene organisatie de andere niet. Sommige organisaties kunnen misschien gemakkelijker WSW-ers plaatsen (die bijvoorbeeld al zijn geschoold voor een bepaald type uitvoerend werk) en andere organisaties juist Wajongers. Nu kan per persoon een match tussen taak, competenties en mogelijkheden (arbeidsduur) worden verricht, onafhankelijk van de doelgroep waartoe deze behoort. Daarnaast varieert de beschikbaarheid van WSW-ers en Wajongers per regio.

Daarenboven kunnen keuzes aangaande het personeelsbestand maar ook het aanbod vanuit WSW bedrijven en het UWV invloed hebben op de verdeling.

B). Er wordt getracht mensen uit de doelgroep duurzaam te plaatsen. Daarop zijn ook de acties in 2012 gericht (zie 1B onder3.

Deze acties zijn wél nieuw, de doelstelling – u meermalen vanaf 2009 bekend gemaakt en geldend vanaf 1 januari 2011 – niet.

Vraag 4

Is het waar dat de nieuwe doelstelling een instroom van 300 medewerkers met een Wajong of WSW-indicatie in 2012 zou moeten betekenen? Wat gaat het kabinet doen om deze taakstelling te realiseren?

Antwoord 4

Er is geen nieuwe doelstelling. Zie antwoord vraag 1 onder C).

Voor wat het kabinet ter realisering gaat doen: zie antwoord vraag 1 onder B).

Vraag 5

Wat zijn de ervaringen en resultaten van de verplichte 5%-regeling voor mensen met afstand tot de arbeidsmarkt bij aanbesteding van diensten en werken? Hoe worden de effecten gemeten? Hoe houdt u de Kamer hiervan op de hoogte?

Antwoord 5

Vanaf 1 juli 2011 is social return onderdeel van het Rijksinkoopbeleid. Zoals aan uw Kamer toegezegd rapporteer ik jaarlijks over de rijksbrede voortgang van social return via de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. Deze rapportage ontvangt u jaarlijks in mei. Het beleid wordt in 2013 geëvalueerd. Medio 2013 rapporteren de staatssecretaris van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik over de resultaten van dit evaluatieonderzoek. In dit evaluatieonderzoek wordt gekeken naar de effectiviteit, alsmede naar de ontwikkeling van de uitvoeringslasten voor zowel de opdrachtgever als de opdrachtnemer. Tevens betrek ik daarbij de evaluatie van de grote werken projecten van Rijkswaterstaat en de Rijksgebouwendienst.

Vraag 6

Deelt u de mening dat ook bij de aanbesteding van leveringen, zoals bijvoorbeeld de recente contracten met Gispen en de SDU, een 5%-verplichting voor inschakeling van mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een meerwaarde kan hebben? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit effectueren?

Antwoord 6

In het kabinetstandpunt social return zijn aanbestedingen in de categorie leveringen geen onderdeel van het rijksbeleid social return. De opdrachtwaarde bij leveringen bestaat namelijk uit een relatief hoge materiële kostencomponent en een lage arbeidskostencomponent. Gezien deze lage arbeidscomponent, als onderdeel van de uitvoering van de opdracht, is het niet proportioneel om social return op te nemen in de marktvraag. Met het oog op proportionele toepassing van social return houd ik me daar aan. Overheidsopdrachten voor werken en diensten bieden, ook met het oog op de gewenste arbeidsmarkteffecten, hierin meer mogelijkheden.

Vraag 7

Op welke manier betrekt het kabinet bij de aanbesteding van leveringen sociale parameters, zoals de inschakeling van medewerkers met een grote afstand tot de arbeidsmarkt? Ziet u mogelijkheden om deze sociale component van aanbesteden nader uit te werken?

Antwoord 7

In aanbestedingen van leveringen houdt het kabinet nu reeds rekening met het toepassen van milieucriteria alsmede sociale voorwaarden (gericht op de omstandigheden waarom producten in het buitenland worden geproduceerd). Het betrekken van eisen over de inschakeling van mensen met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt is aanbestedingsrechterlijk alleen toegestaan indien deze eisen direct verband houden met het voorwerp van de opdracht, dan wel met de uitvoering van de overeenkomst. Gezien de lage arbeidskostencomponent in aanbestedingen van leveringen en het feit dat er geen duidelijke eisen aan de manier van vervaardigen kunnen worden gesteld is het meenemen van social return niet wenselijk.

Ook is het juridisch moeilijk in te passen in de manier waarop leveringscontracten worden uitgevoerd. Aanbestedingen voor werken en diensten bieden hierin meer mogelijkheden. Ik zie op dit moment geen taak voor het Rijk weggelegd om inschakeling van mensen met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt bij aanbestedingen van leveringen uit te werken. Ik zie dit als een verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers in bijvoorbeeld CAO/branche overleggen.


X Noot
1

WSW: Wet sociale werkvoorziening; Wajong: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.

X Noot
3

Wajong : Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.

Naar boven