Vragen van het lid Van Bommel (SP) aan de ministers van Buitenlandse Zaken en van
Defensie over bekentenis over 120 executies in december 1947, West Java (ingezonden
27 oktober 2011).
Antwoord van minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken), mede namens de minister van
Defensie en de minister van Veiligheid en Justitie (ontvangen 28 december 2011).
Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van de getuigenis van een vertrouwensarts uit de landmacht over
een bekentenis van een veteraan die in november of december 1947 120 mannen in Rawagedeh
of omgeving heeft geëxecuteerd?1 Bent u bereid het Openbaar Ministerie (OM) te verzoeken een officiële getuigenis
van deze verklaring door de zelfverklaarde dader te laten opnemen? Indien neen, waarom
niet?
Antwoord 1
Ik heb kennis genomen van hetgeen in de uitzending naar voren is gebracht.
De uitspraken over de gebeurtenissen in Rawagede wijken niet wezenlijk af van wat
eerder over deze aangelegenheid bekend is geworden. Over de (on)mogelijkheden van
strafrechtelijk vervolging naar aanleiding van de gebeurtenissen in Rawagede in 1947
is Uw Kamer in antwoorden op Kamervragen op 6 september 1995 geïnformeerd (Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 1994–1995, nr. 1190). Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden bekend geworden die aanleiding geven
tot bijstelling van de in die antwoorden opgenomen vaststelling dat vervolging van
de standrechtelijke executies in 1947 in Rawagede niet meer mogelijk is.
Vraag 2
Kunt u verklaren over welke gebeurtenis deze getuigenis gaat? Kunt u dat toelichten?
Wat was de functie van het KNIL bij dit kennelijke onderdeel van 3-9 R.I. in deze
zaak? Kunt u bevestigen dat het om 3-9 R.I gaat? Indien nee, welk onderdeel zou dan
betrokken zijn geweest bij de executie van 120 personen?
Antwoord 2
Mij is geen actie van Nederlandse militairen in Rawagede bekend anders dan die welke
op 9 december 1947 heeft plaatsgevonden. In verschillende documenten wordt het derde
bataljon van het negende regiment infanterie (3–9 R.I) genoemd als de eenheid die
deze actie heeft uitgevoerd. Het betreft onder andere het oorlogsdagboek van deze
eenheid zelf, alsmede het rapport van het VN onderzoeksteam dat onderzoek heeft gedaan
naar de actie.
Vraag 4
Hebt u kennisgenomen van het feit dat volgens een bericht in de pers twee jaar geleden
nog negen personen in leven zouden zijn die bij het onderdeel 3-9 R.I. betrokken waren?2 Kunt u bevestigen dat dat cijfer juist is? Indien nee, hoeveel deelnemers van de
operatie zijn er naar uw informatie nog in leven?
Antwoord 4
Mij is niet bekend welke personen precies aan de actie op 9 december 1947 hebben deelgenomen,
en derhalve is niet na te gaan welke daarvan nog in leven zijn.
Vraag 5
Bent u bereid deze mensen door het OM op te laten roepen om te getuigen over de gebeurtenissen
van november en december 1947 in West-Java? Indien nee, waarom niet? Zo ja, kunt u
dat toelichten?
Antwoord 5
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Vraag 6
Hebt u kennisgenomen van de opvatting van de secretaris van de interdepartementale
commissie die in 1969 de Excessennota voorbereidde, Cees Fasseur, dat de Excessennota
geen aanspraak op volledigheid kan maken omdat deze in enkele maanden uit de toen
nog verspreide en niet-geïnventariseerde Indische archieven moest worden opgediept?2 Deelt u de opvatting dat een aanvulling op die nota noodzakelijk is? Indien nee,
waarom niet?
Antwoord 6
Ik heb kennisgenomen van de opvatting van de heer Fasseur. Ik wijs erop dat de regering
al in 1969 opdracht heeft gegeven tot een bronnenuitgave betreffende de Nederlands
– Indonesische betrekkingen in de jaren 1945–1950. Deze opdracht heeft geleid tot
een zeer uitgebreide, twintig-delige uitgave. Deze en andere bronnen staan ter beschikking
ten behoeve van onderzoek naar deze periode in de Nederlandse geschiedenis. Zoals
de minister-president tijdens de parlementaire behandeling van de Excessennota stelde,
is het zeer de vraag of geschiedschrijving hierover in opdracht van de regering moet
geschieden. Mede in dit licht ben ik niet van mening dat een aanvulling op de Excessennota
dan wel een nieuw historisch onderzoek in opdracht van de regering noodzakelijk is.
Vraag 7
Deelt u in het licht van de getuigenissen in het tv-programma Altijd Wat de opvatting
dat het noodzakelijk is een juridisch onderzoek uit te voeren naar oorlogsmisdaden
in de periode 1945–1949? Indien nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze zult u dat
uitvoeren?
Antwoord 7
Nu strafrechtelijke vervolging niet meer mogelijk is (zie ook mijn antwoord op vraag
1), zie ik daartoe geen aanleiding.
Vraag 8
Deelt u in het licht van de getuigenissen in het tv-programma Altijd Wat de opvatting
dat het noodzakelijk is een nieuw historisch onderzoek uit te voeren naar oorlogsmisdaden
in de periode 1945–1949? Indien neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze zult u dat
uitvoeren?
Antwoord 8
Zie mijn antwoord op vraag 6.
X Noot
1 Altijd Wat, 25 oktober 2011, Nederland 2, 21.05 uur.
X Noot
2 Trouw, 10 december 2009, «Rawagedeh was geen bloedbad».
X Noot
2 Trouw, 26 november 2009. «Rawagede is Nederlandse ereschuld, en er zijn er meer».
Cees Fasseur. Zie voor Excessennota, Handelingen d.d. 25 maart 1969, blz. 2441 t/m
2449 en stuknr. 10008, zitting 1968–1969.