Vragen van het lid Driessen (PVV) aan de ministers van Buitenlandse Zaken en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over ontwikkelingshulp door decentrale overheden (ingezonden 5 juli 2010).

Antwoord van minister Verhagen (Buitenlandse Zaken), mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 13 september 2010).

Vraag 1

Hebt u kennisgenomen van het bericht «Amsterdam verhoogt ontwikkelingshulp, burger betaalt»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Hoeveel geld geven de Nederlandse decentrale overheden dit jaar uit aan ontwikkelingshulp? Wilt u dit per gemeente, provincie en waterschap uitsplitsen?

Antwoord 2

Door de rijksoverheid noch door landelijke- of koepelorganisaties wordt op systematische wijze informatie bijgehouden over uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking door gemeenten, provincies en waterschappen.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft in 2009 wel een enquête gehouden onder de gemeenten over gemeentelijk internationaal beleid. In de publicatie «Mondiaal op eigen schaal. Gemeentelijk internationaal beleid anno 2009» van de VNG, vindt u o.a. gegevens over gemeentelijke uitgaven op dat gebied. De bedragen voor ontwikkelingssamenwerking zijn daarbij inbegrepen, maar niet nader uitgesplitst of gespecificeerd. De publicatie is te uwer informatie bij deze antwoorden gevoegd.2

Vraag 3

Deelt u de mening dat decentrale overheden zich niet met ontwikkelingshulp moeten bezighouden? Zo ja, bent u voornemens  gemeenten, provincies en waterschappen hier op aan te spreken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

De decentrale overheden zijn autonoom in hun besluiten over ontwikkelingssamenwerking. B&W en de Gedeputeerde Staten leggen daarover verantwoording af aan respectievelijk de Gemeenteraad en Provinciale Staten. De dagelijkse besturen van de waterschappen leggen hierover verantwoording af aan hun algemene besturen. Indien de bevolking van een gemeente (provincie) het niet eens is met de besluiten van B&W (GS), dan kunnen zij daar via gemeenteraad (PS) verandering in aanbrengen.

Overigens wijs ik u er gaarne op dat de Tweede Kamer door ondersteuning van de motie Wiegman-van Meppelen Scheppink er in december 2009 op heeft aangedrongen dat de regering in overleg met gemeenten en waterschappen naast drinkwaterbedrijven ook waterschappen en rioleringsbedrijven ruimte zou bieden om hun deskundigheid, kennis en ervaring in te zetten voor ontwikkelingssamenwerking. In reactie op deze motie heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mede namens de minister van Verkeer en Waterstaat, de minister van Economische Zaken en mijzelf, de Kamer op 29 april 2010 laten weten dat het kabinet en de verschillende geledingen van de watersector zich reeds in 2007 in het Water, Sanitatie en Hygiëne (WASH) akkoord van Schokland hebben uitgesproken voor samenwerking ten behoeve van de ontwikkelingsdoelstellingen.3 In deze reactie werd er ook op gewezen dat internationale ervaring kan bijdragen aan het ontwikkelen en versterken van kennis en innovatie en dat dit Nederland economische kansen biedt. De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer schreef in voornoemde reactie: «Door effectieve benutting van netwerken van waterschappen, het rioleringsbeheer, drinkwaterbedrijven, consultants en kennisinstellingen kan de capaciteit van lokale partners worden versterkt. Doel hierbij is dat deze partners zo efficiënter gaan opereren, betere diensten verlenen en toegang tot de kapitaalmarkt verkrijgen via de lokale banken, overheidsfinancieringen en de internationale financiële instellingen. Op deze wijze ontstaan ook markten waarbinnen in de toekomst de Nederlandse watersector een rol kan blijven spelen.» Uiteraard moet er in de betrokken ontwikkelingslanden wel behoefte bestaan aan de specifieke expertise die de Nederlandse decentrale overheden op hun terrein te bieden hebben. Alleen dan kan de samenwerking effectief zijn.


XNoot
1

Elsevier.nl, 1 juli 2010: «Amsterdam verhoogt ontwikkelingshulp, burger betaalt».

XNoot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
3

Kamerstuk 28 966, nr. 23.

Naar boven