Vragen van de leden Heijnen en Depla (beiden PvdA) aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister voor Wonen, Wijken en Integratie over fraude op de huizenmarkt (ingezonden 28 april 2010).

Antwoord van minister Van Middelkoop (Wonen, Wijken en Integratie) mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 13 juli 2010) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 2473.

Vraag 1

Kent u het bericht «Fraude bederft de huizenmarkt»1 en herinnert u zich de antwoorden op de vragen van het lid Heijnen over het direct verstrekken van gegevens uit de GBA aan woningcorporaties2?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Waarom is er nog een steekproef nodig om fraude op de huizenmarkt aan te tonen terwijl uit de antwoorden op genoemde vragen2 blijkt dat gemeenten nu al GBA-gegevens kunnen verstrekken aan woningbouwcorporaties en «uit eerder onderzoek is gebleken dat woonfraude in hoge mate bijdraagt aan verloedering en vervuiling»?

Antwoord 2

De aanpak waarmee in Eindhoven wordt geëxperimenteerd gaat verder dan het koppelen van gegevens van de corporatie aan GBA-gegevens. Zij omvat ook de koppeling aan andere gegevens zoals van het Kadaster, telefoonrekeningen en verhuiskaarten. Deze aanpak, die is geïnitieerd vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en waaraan meer corporaties en gemeenten deelnemen, heeft tot doel om te bezien of een dergelijke werkwijze effectief is. De positieve resultaten kunnen andere corporaties en gemeenten ertoe aanzetten meer werk te maken van het opsporen en tegengaan van woonfraude.

Vraag 3

Wordt er door gemeenten en woningbouwcorporaties voldoende gebruik gemaakt van de mogelijkheid, die de Wet GBA nu al biedt, om daarvoor toegesneden persoonsgegevens uit te wisselen met maatschappelijke partners zoals woningbouwcorporaties? Zo ja, waaruit blijkt dat en hoeveel gemeenten hebben in hun verordening met betrekking tot de GBA de mogelijkheid tot deze gegevensuitwisseling vastgelegd? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u bewerkstelligen dat dit op korte termijn wel het geval wordt?

Antwoord 3

Zoals in het eerdere antwoord (TK 2009-2010, aanhangsel 888) op de vragen van de heer Heijnen is aangegeven, is het mogelijk dat – onder bepaalde voorwaarden – gegevens beschikbaar worden gesteld vanuit de GBA en dat gemeenten en woningcorporaties, afhankelijk van de concrete noodzaak om woonfraude aan te pakken, hierover afspraken kunnen maken. In hoeverre dat nodig is, is een afweging die iedere gemeente voor zichzelf moet maken (zie ook het antwoord op vraag 5).

Gezien het feit dat het hier om een lokale invulling van beleid gaat en ook de verstrekking van gegevens uit de GBA in dat verband lokaal is geregeld, is het niet mogelijk een overzicht te verstrekken van gemeenten die gebruik maken van de in de Wet GBA geboden mogelijkheden om persoonsgegevens uit te wisselen met maatschappelijke partners, zoals woningbouwcorporaties.

Vraag 4

Waarom worden gegevens van woningbouwcorporaties niet stelselmatig gekoppeld aan gegevens uit de GBA, het kadaster, telefoonmaatschappijen en TNT Post? Bestaan er wettelijke belemmeringen, en zo ja, deelt u dan de mening dat die weggenomen dienen te worden en hoe gaat u dit bewerkstelligen? Komt het, in de antwoorden op genoemde vragen, aangekondigde wetsvoorstel inderdaad nog in de eerste helft van 2010 naar de Kamer?

Antwoord 4

Het stelselmatig koppelen van gegevens kan inderdaad een goede methode zijn om woonfraude aan te pakken. In hoeverre van dit middel gebruik wordt gemaakt is enerzijds afhankelijk van de beoordeling door gemeenten en woningcorporaties of de daarmee gemoeide handhavingsinspanningen en kosten opwegen tegen de opbrengsten (doelmatigheidsvraag). Anderzijds zal een stelselmatige koppeling van gegevens uit zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke bronnen het recht van burgers op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer niet onevenredig mogen aantasten (rechtmatigheidsvraag).

Op zich zijn er binnen de bestaande wetgeving (de Wet GBA en de Wet bescherming persoonsgegevens) al mogelijkheden voor gegevensuitwisseling, mits daarbij wordt voldaan aan de basisvoorwaarden voor rechtmatige gegevensverwerking. Dit houdt in dat de gegevensuitwisseling plaatsvindt voor een duidelijk en wel omschreven doel, wordt gerechtvaardigd door een dringende maatschappelijke behoefte, in een juiste verhouding staat tot het doel waarvoor de gegevens worden gevraagd en dat dit doel niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt.

Ter voorbereiding van het wetsvoorstel Basisregistratie personen (dat de wet GBA zal gaan vervangen) wordt onderzocht of er ruimere mogelijkheden moeten komen voor rechtstreekse verstrekking van gegevens uit de basisregistratie persoonsgegevens aan derden (niet-overheidsorganen) en hoe dat vorm moet worden gegeven. Wat de planning van het wetsvoorstel betreft, heeft de Staatssecretaris van BZK eerder aangegeven er naar te streven het wetsvoorstel rond de zomer aan Uw Kamer aan te bieden.

Die planning zal echter niet kunnen worden gerealiseerd in verband met het grote aantal reacties van (maatschappelijke) organisaties in de consultatieronde van het wetsvoorstel. De Staatssecretaris van BZK zal u na het zomerreces informeren over de bijgestelde planning.

Vraag 5

Deelt u de mening van de programmaleider van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) dat buurtonderzoeken nodig zijn voor het opsporen van woonfraude? Zo ja, acht u hierin ook een taak weggelegd voor de overheid? Hoe gaat u die taak invullen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Buurtonderzoeken kunnen een goede methode zijn om woonfraude op te sporen en aan te pakken. De gemeenten die aan de pilot van het CCV hebben meegewerkt, te weten Eindhoven, Maastricht, Leiden, Alkmaar en Haarlem, hebben overigens niet allemaal dezelfde aanpak gevolgd. Zo heeft gegevenskoppeling met GBA alleen in Eindhoven, Maastricht en Leiden plaatsgevonden. In Alkmaar is uitsluitend actie ondernomen op basis van signalen die bewoners en professionele partijen in de wijk hebben afgegeven naar aanleiding van publiciteit in de media. Deze verschillende manieren van werken kunnen tot goede resultaten leiden. In Eindhoven is ongeveer 1% woonfraude ontdekt wat neerkomt op 60 situaties uit een bestand van 6.000 woningen. Omgekeerd zijn de woningcorporaties in Maastricht tot het oordeel gekomen, na steekproefsgewijs vervolgonderzoek, dat bij het overgrote deel van de via gegevenskoppeling opgespoorde adressen geen sprake is van woonfraude.

De gemeente zal, samen met de betrokken sociale verhuurders, de afweging moeten maken of een buurtonderzoek zinvol is en daar dan capaciteit en middelen voor beschikbaar moeten stellen.

De taak van de rijksoverheid is, gegeven de primaire verantwoordelijkheid van de gemeenten, vooral om een vinger aan de pols te houden en om gemeenten te informeren en stimuleren ten aanzien van de aanpak van woonfraude.


XNoot
1

de Volkskrant, 27 april 2010.

XNoot
2

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 888.

Naar boven