Vragen van het lid Thieme (PvdD) aan de ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over onderzoeken in het kader van de voortgaande bijenvolksterfte (ingezonden 1 april 2010).

Antwoord van minister Verburg (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (ontvangen 12 mei 2010).

Vraag 1

Kent u de berichten «Bijenrapport voor Verburg staat vol fouten1» en «Alterra- rapport «De betekenis van openbaar groen voor bijen» moet van tafel2»?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Hoe beoordeelt u het rapport «De betekenis van openbaar groen voor bijen» dat Alterra in opdracht van u heeft geschreven?

Antwoord 2

Goed. Het rapport geeft antwoord op de vraag of gemeenten bij hun groenbeheer en -beleid rekening houden met de betekenis van openbaar groen voor de dracht van bijen.

Vraag 3, 4, 6, 7, 9, 12, 13

Hoe beoordeelt u de kritiek van Dr. Koster dat de drachtplantenlijsten veel onjuiste informatie bevatten, zoals fouten over het stuifmeel- en nectargehalte van de bloemen en fouten in de classificering van planten, en dat de lijst in het rapport geen afspiegeling is van de toepassing van vaste planten in de openbare ruimte in Nederland en in de ons omringende landen?

Deelt u de mening dat het een ernstige omissie is dat in het rapport alleen over grazige vegetaties (bermen) wordt gesproken, en niet over houtige beplantingen (bosplantsoen), ruigte, zomen en oevers, die een belangrijke rol (kunnen) spelen in de dracht van bijen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?

Deelt u de mening dat het ontbreken van criteria voor het opnemen van drachtplanten op de lijsten een ernstige omissie is waardoor niet voldaan wordt aan de vraagstelling, namelijk hoe groenbeheer een rol kan spelen in het terugdringen van bijenvolksterfte? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?

Deelt u de mening dat door deze onjuiste drachtplantenlijsten ook onjuiste voorlichting wordt gegeven aan gemeenten voor groenbeheer gericht op bijen? Zo ja, hoe wilt u dit gaan ondervangen? Zo nee, waarom niet?

Deelt u de zorg, dat wanneer deskundigen de drachtplantenlijsten uit dit rapport onder ogen krijgen, zij de bijenhouderij steeds minder serieus zullen gaan nemen en minder bereid zijn om voor de bijen en de imkerij in actie te komen, en dat dit rapport op deze manier zelfs schade zou kunnen aanbrengen aan de bij? Zo ja, hoe wilt u dit ondervangen? Zo nee, waarom niet?

Deelt u de conclusie dat het rapport «De betekenis van openbaar groen voor bijen» niet serieus is te nemen, en dat maatregelen die op grond van dit rapport genomen zouden worden een slag in de lucht zouden vormen en de bij niet zouden helpen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot uw uitspraken tijdens het Algemeen Overleg van 1 juli 2009 over dit onderwerp?3

Bent u bereid dit onderzoek te diskwalificeren voor verder gebruik door groenbeheerders en om gemeenten hierop attent te maken? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3, 4, 6, 7, 9, 12, 13

De centrale vraag van het rapport was of door gemeenten in het openbaar groen rekening gehouden wordt met de dracht van honingbijen en wilde bestuivers. Aanvullend is gevraagd om middels een quick scan lijsten op te stellen. Deze lijsten zijn slechts een eerste aanzet en pretenderen niet volledig en definitief te zijn. De onderzoekers doen in hun rapport zelf de aanbeveling om tot een nadere lijst te komen die voor groenbeheerders praktisch toepasbaar is en die rekening houdt met grondsoort en beplantingstype.

Vraag 5

Deelt u de mening dat het er niet alleen om gaat of een plant al dan niet een goede drachtplant is, maar dat het ook om de vragen hoort te gaan of zo'n plant zodanig kan worden toegepast dat dit leidt tot een substantiële verbetering van de dracht en of de plant voor grootschalige of frequente toepassing geschikt is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?

Antwoord 5

Ja. Ik ben mogelijkheden aan het verkennen hoe kan worden bevorderd dat beheerders van openbaar groen het belang inzien van goede drachtmogelijkheden voor bijen en andere bestuivers en hoe zij beschikking kunnen krijgen over informatie om deze drachtmogelijkheden te verbeteren. De aanbeveling van de onderzoekers om tot een praktisch toepasbare lijst te komen neem ik hierin mee.

Vraag 8

Deelt u de mening dat de centrale vraag, namelijk wat groen- en terreinbeheerders kunnen doen om de bijenstand te verbeteren, in het rapport nauwelijks beantwoord wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?

Antwoord 8

Het rapport had niet tot doel aan te geven wat groen- en terreinbeheerders kunnen doen om de bijenstand te verbeteren, maar om te onderzoeken in hoeverre gemeenten bij hun groenbeheer en -beleid rekening houden met de betekenis van openbaar groen voor de dracht van bijen.

Vraag 10

Deelt u de mening dat gelet op de ernst van de problematiek van de bijensterfte en de oplossingsrichtingen waar we naar zoeken, we moeten constateren dat dit rapport geen enkele wezenlijk bijdrage levert aan oplossingen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 10

Nee, het rapport is een eerste stap. We weten nu dat gemeenten, en mogelijk ook andere groen- en terreinbeheerders, nauwelijks rekening houden met de dracht van bijen en dat kennis hiervoor in principe wel beschikbaar is, maar dat deze de groenbeheerders niet goed bereikt.

Vraag 11

Deelt u de mening dat de website «www.bijenhelpdesk.nl» een vollediger en juister overzicht geeft van de drachtplanten die belangrijk zijn voor bijen dan dit rapport van Alterra? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?

Antwoord 11

Ja. De website «www.bijenhelpdesk.nl» heeft een goed overzicht van drachtplanten voor bijen. Het is de vraag of groenbeheerders die website voldoende weten te vinden. Daarvoor zullen ze eerst ook overtuigd moeten zijn van de noodzaak van openbaar groen voor de dracht van bijen.

Vraag 14

Kent u het bericht «Groot onderzoek naar omvang en oorzaken van de achteruitgang van honingbijen4»?

Antwoord 14

Ja.

Vraag 15

Is het waar dat de verwachting is dat nadat het onderzoek afgerond is, antwoord kan worden gegeven op het hoe en waarom van de huidige problemen in de bijenhouderij en de mogelijke oplossingen daarvoor? Zo ja, waarop is deze verwachting gebaseerd?

Antwoord 15

Ja. We verwachten met het driejarige onderzoek oorzaken te identificeren, waardoor we de juiste maatregelen kunnen nemen tegen de verhoogde bijensterfte. Dit onderzoek, dat door een consortium van kennisinstellingen en met gebruik van verschillende expertises wordt gedaan, richt zich op het identificeren van de oorzaken van de verhoogde bijensterfte en het relatieve aandeel van deze oorzaken.

Daarbij wordt ook mondiaal beschikbare kennis meegenomen. Het onderzoek is daarmee een aanvulling op bestaande activiteiten en beoogt om zo efficiënt en effectief mogelijk tot relevante resultaten te komen. Bovendien neemt het onderzoek ook eventuele dwarsverbanden mee tussen de problematiek bij honingbijen en bij wilde bestuivers, zoals wilde bijen.

Vraag 16

Is dit onderzoek een onderdeel van het onderzoek dat u tijdens het Algemeen Overleg van 1 juli 2009 over dit onderwerp heeft toegezegd?

Vraag 17

Wordt er in het onderzoek ook gekeken naar de mogelijk schadelijke effecten van bestrijdingsmiddelen, en meer specifiek naar de mogelijke rol die neonicotinoiden in de voortgaande bijenvolksterfte spelen? Zo nee, waarom niet, hoe verhoudt zich dat tot uw toezegging van 1 juli 2009 hierover5 en bent u bereid het onderzoek alsnog uit te breiden om de rol van bestrijdingsmiddelen mee te nemen in dit onderzoek? Zo ja, in welk onderdeel van het onderzoek wordt dit meegenomen en door welke onderzoeker wordt dit onderwerp bestudeerd?

Antwoord 17

Ja. In het werkpakket «Diagnostiek bijenziekten» worden verschillende mogelijke oorzaken van achteruitgang meegenomen. Daarbij kunnen bepaalde aspecten iets zeggen over de rol van gewasbeschermingsmiddelen bij de bijenvolksterfte, zoals de aanwezigheid in de omgeving van maïsvelden die behandeld zijn met neonicotinoïden, het vitellogeninegehalte van de bijen bij bijenvolksterfte, dat iets zegt over de vitaliteit van de bijen, de aanwezigheid van broed in de kast en de (mate van) besmetting met de varroaparasiet en met Nosema ceranae.

Vraag 18

Worden in dit onderzoek ook de conclusies van het wereldbijencongres Apimondia 2009 betrokken? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 18

Ja. De conclusie was dat bijensterfte mutifactorieel is, waarbij de factoren varroaparasiet, de rol van gewasbeschermingsmiddelen, verslechterde dracht, imkerpraktijk, versmalling van de genen, watergebrek, virussen en schimmels worden genoemd. Deze factoren heb ik ook genoemd in mijn brief van mei 2009.

Vraag 19

Kunt u inzicht geven in de overige vorderingen die zijn gemaakt in het kader van onderzoek naar en oplossingen voor bijenvolksterfte? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 19

Zie mijn antwoord bij vraag 8 van de Kamervragen over bijenvolksterfte door onduurzame maïsteelt (nr. 2010Z04210).


XNoot
1

http://www.imkerplatform.nl/component/content/article/10-politiek/209-bijenrapport-voor-verburg-staat-vol-fouten

XNoot
2

http://www.bijensterfte.nl/nl/node/248

XNoot
3

Kamerstuk 31 700 XIV, nr. 190 «Bij het onderzoek dat ik de komende tijd laat uitvoeren, wil ik dat de monitoringscijfers goed onderbouwd zijn, anders vormen de maatregelen een slag in de lucht. Dat is zonde van het geld en helpt de bijen ook niet».

XNoot
4

http://www.agriholland.nl/nieuws/artikel.html?id=113164

XNoot
5

Kamerstuk 31 700 XIV, nr. 190 «Mevrouw Thieme, de heer Mastwijk en de heer Polderman hebben gevraagd naar de gevaren van neonicotinoiden voor bijen. Deze worden als een mogelijke oorzaak meegenomen in het onderzoek».

Naar boven