Aanhangsel van de Handelingen
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 4 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 4 |
Bent u bekend met het artikel «Flevoland verre van klaar voor de Omgevingswet» in Binnenlands BestuurFlevoland verre van klaar voor de Omgevingswet (binnenlandsbestuur.nl) en met het in het artikel genoemde onderzoek?
Ja, ik ben bekend met het artikel en het onderzoek waar het artikel naar refereert. Daarbij wil ik graag twee kanttekeningen plaatsen, die in mijn optiek relevant zijn voor de verdere beantwoording van de door u gestelde vragen. Allereerst merk ik op dat inmiddels door Binnenlands Bestuur een tweede artikel is gepubliceerd welke mijns inziens een genuanceerder en realistischer beeld schetst.1 Daarnaast viel een groot deel van de onderzoeksperiode waarop het betreffende onderzoek en het waar het door u aangehaald artikel op is gebaseerd in 2022 en daarvoor. Inmiddels zijn we – in het algemeen en de in dit specifieke geval zes betrokken bevoegd gezagen – een stuk verder met elkaar.
In hoeverre komt de hier geschetste praktijk van een Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) dat «verre van vlekkeloos werkt» overeen met de meermaals eerder geuite zorgen van het Adviescollege ICT-toetsing over de werking en stabiliteit van het DSO?
De zorgen ten aanzien van het functioneren van het DSO die in het artikel worden aangehaald zijn, zoals hiervoor al opgemerkt, grotendeels geuit in de periode mei – oktober 2022. Dat er in die periode zorgen waren bij gezagen was mij bekend. De destijds aanwezige zorgen, maar vooral ook de wens van bevoegd gezagen om de volledige werking van het DSO (meer) te kunnen testen in de keten, alsmede de bevindingen van AcICT, lagen dan ook mede ten grondslag aan het besluit om de toen voorziene inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2023 uiteindelijk uit te stellen.2 Inmiddels zijn we nagenoeg een jaar verder en is het DSO voldoende stabiel in combinatie met de beheersmaatregelen zoals de TAM’s, om op 1 januari 2024 verantwoord in werking te treden. Hierover heb ik uw Kamer het afgelopen jaar meermaals geïnformeerd.3
Het artikel spreekt over problemen met het aansluiten van lokale systemen van gemeenten op het DSO. Welke systemen betreft dat en welke problemen ontstaan bij deze gemeenten wanneer deze systemen niet op 1 januari 2024 aangesloten zijn?
Ik kan deze conclusie in het artikel niet plaatsen. Op basis van de nota van bevindingen behorend bij het onderzoek van de Randstedelijke Rekenkamer voor de provincie Flevoland, de Rekenkamers van de gemeenten Almere, Dronten en Lelystad en de Rekenkamercommissies van het Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder, dat aanleiding was voor het artikel in BinnenlandsBestuur, trek ik de conclusie dat alle bij het onderzoek betrokken bevoegd gezagen destijds al in het bezit waren van de benodigde software om met én in het DSO te kunnen oefenen en te werken. De zes gezagen waren gedurende de onderzoeksperiode allemaal al aangesloten op de pré-productieomgeving en daarom in staat om te oefenen.4 Dit beeld wordt ook bevestigd in de landelijke aansluitmonitor.5 In meer algemene zin liggen de bevoegde gezagen ook op schema om tijdig te zijn aangesloten op de productie-omgeving van het DSO-LV. Voor de STAM en STTR is dit al gedaan, voor de STOP is de lokale softwareleverancier gemachtigd om de aansluiting richting de productie-omgeving te realiseren. Ik herken me dan ook niet in het beeld met betrekking tot aansluitproblemen. In het recente contact – inclusief naar aanleiding van uw vragen – met de bij het onderzoek betrokken bevoegde gezagen zijn er geen «aansluitproblemen» gemeld.
De betreffende vier gemeenten lopen op dit punt geen risico’s, omdat de in het artikel benoemde «problemen met aansluiten» niet worden herkend bij en door de vier gemeenten.
Aangezien alle benodigde systemen bij de vier betreffende gemeenten zijn aangesloten en werken is van extra inzet bij de vier gemeenten geen sprake.
In meer algemene zin laat de landelijke aansluitmonitor6 zien dat inmiddels veel bevoegde gezagen met hun lokale systemen zijn aangesloten op de productie-omgeving van het DSO-LV, of hiervoor op schema liggen. Dit geldt met name voor de aansluitingen met betrekking tot STAM en STTR. Voor STOP geldt dat de aansluiting gebeurt door de lokale softwareleverancier. Op dit moment worden bij een groot aantal gemeenten de noodzakelijke voorbereidingen getroffen om ook deze aansluiting tijdig geregeld te hebben.
Als een bevoegd gezag onverhoopt niet tijdig is aangesloten op het DSO-LV kan dit bevoegd gezag terugvallen op de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (hierna: TAM). Het gebruik van TAM zal een gemeente in eerste instantie niet heel veel extra tijd kosten, omdat de TAM gebaseerd is op dezelfde techniek als waar gemeenten nu gewend zijn om mee te werken (IMRO). Op de langere termijn zal het wel een bepaalde extra inzet vragen, omdat TAM-plannen uiteindelijk omgezet dienen te worden naar STOP/TPOD. De exacte tijdsinvestering die het vraagt hangt af van een groot aantal factoren en zal dus per gezag verschillen.
Zoals hierboven aangegeven, speelt de door u geschetste problematiek niet bij de vier betrokken gemeenten.
In algemene zin geldt, zoals in het «Hoofdlijnenakkoord financiële afspraken stelselherziening omgevingsrecht» interbestuurlijk is vastgelegd,7 dat bevoegd gezagen zelf de invoeringskosten van de implementatie Omgevingswet dragen. Hoe eerder bevoegde gezagen gebruik maken van het instrumentarium van de Omgevingswet, hoe sneller voor hun baten zullen ontstaan.
Bent u van mening dat het parlement in de aanloop naar de vaststelling van het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de Omgevingswet voldoende zorgvuldig geïnformeerd is over de werking en stabiliteit van het DSO?
Ja, ik ben van mening dat het parlement in de aanloop naar de vaststelling van het koninklijk besluit tot inwerkingtreding op een zorgvuldige manier is geïnformeerd over de werking en stabiliteit van het DSO. Ik heb u in mijn voortgangsbrieven in aanloop naar de vaststelling van het koninklijk besluit telkens geïnformeerd over de werking, stabiliteit en performance van het DSO.8 Ook in mijn recente voortgangsbrief van 9 oktober jl. heb ik u geïnformeerd over de stabiliteit en performance van het DSO en aangeven dat dit in lijn is met de gemaakte afspraken hierover.9 Informatie over de stabiliteit en performance van het DSO wordt actief openbaar gemaakt en is voor eenieder raadpleegbaar.10
In het artikel wordt tevens aangegeven dat er nog onvoldoende sprake is van de één-overheid-gedachte omdat de overheden individueel alles op alles moeten zetten om de geplande invoeringsdatum te halen. In plaats van het beoogde «loslaten» en «dereguleren» ligt de nadruk op «monitoren» en «controleren» waarbij nu al wordt gevreesd voor langere in plaats van kortere procedures. Herkent u het in het artikel geschetste beeld?
Het is herkenbaar dat de overheden hard aan de slag zijn om de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor te bereiden. Het goed en succesvol implementeren en uitvoeren van de Omgevingswet is daarbij een gedeelde verantwoordelijkheid van Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en (keten)partners. Dat daarbij de eerste aandacht uitgaat naar het op orde brengen van de eigen systemen en interne werkprocessen is begrijpelijk, zeker in de fase waarin het betreffende Rekenkameronderzoek in Flevoland heeft plaatsgevonden.
Daarbij merk ik ook op dat niet alles op 1 januari 2024 gereed hoeft te zijn. Zo hebben bijvoorbeeld de gemeenten een ruime overgangstermijn gekregen om onder meer hun lokale regelgeving uit bestemmingsplannen en andere verordeningen te bundelen in een omgevingsplan en daarbij af te stemmen met de andere overheden.11
Dat de aandacht hier dus nog niet direct op is gericht, is om die reden niet onbegrijpelijk. Ik heb er vertrouwen in dat zodra bijvoorbeeld de eerste aanpassingen van het omgevingsplan in procedure worden gebracht, afstemming en samenwerking vanzelf op gang zullen komen. Dit krijg ik ook terug in de gesprekken met de betrokken gezagen. Zij geven aan dat het werken als één overheid een belangrijk doel van de wet is en dat er de afgelopen jaren veel is gedaan om zich zowel afzonderlijk als gezamenlijk voor te bereiden op de inwerkingtreding van de wet. Ook geven ze aan dat ze er nog niet zijn, maar wel elke dag met elkaar leren. Het Platform Omgevingswet Flevoland is daar een mooi voorbeeld van, waarin onder andere de op samenwerking gerichte cultuur in Flevoland goed terug te zien is. Daarbij zal het werken met de nieuwe wet voor iedereen wennen zijn en er zal ook in Flevoland tijd overheen gaan voordat ze het werken met én onder de Omgevingswet goed in de vingers hebben. Dit alles laat overigens onverlet dat burgers en bedrijven straks via één loket de overheid (digitaal) kunnen bereiken voor het doen van aanvragen en meldingen.
Overigens zal het kiezen voor «loslaten en dereguleren» of «monitoren en controleren» ook telkens afhankelijk zijn van lokaal (politieke) afwegingen en omstandigheden. De Omgevingswet dicteert hierin niet en laat overheden op veel onderwerpen vrij om hierin zelf, zo nodig locatieafhankelijk, keuzen te maken.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 stopt het denken en werken aan het Omgevingswet-stelsel niet. Dit uitgangspunt wordt ook door de zes betrokken gezagen in Flevoland onderschreven. De Omgevingswet introduceert – zoals u in vraag 8 al opmerkte – een andere manier van werken. Het als één overheid samenwerken rondom het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving vraagt uiteraard om een langere adem; het is iets waar we steeds meer en ook na inwerkingtreding met elkaar aan blijven (door)werken. Daar is ook de ruimte voor in de vorm van overgangstermijnen, zoals ik u in antwoord op vraag 8 voor wat betreft gemeenten ook al heb toegelicht.
In alle regio’s zie ik dat er hard gewerkt wordt aan de voorbereidingen op de komst van de Omgevingswet. Bij de implementatie van een nieuwe wet, zeker één die zo omvangrijk is als de Omgevingswet, is het gebruikelijk dat (overheids)organisaties structurerende keuzes maken, oftewel de benodigde werkzaamheden prioriteren, voorzien van de benodigde inzet van per definitie schaarse tijd en middelen en met een bijbehorende planning vastleggen in een zogenaamd projectplan. Oftewel, ik herken en begrijp dat de focus van de medeoverheden in eerste instantie ligt op de (minimaal) noodzakelijke acties en dat deze met de naderende inwerkingtreding en de fase hierna steeds meer verschuift naar andere aspecten zoals het anders werken en de interbestuurlijke samenwerking.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het oorspronkelijk beoogde doel van de Omgevingswet weer in zicht komt?
Zoals u (deels) kunt afleiden uit mijn antwoord op de vorige twee vragen (vraag 8 en 9), herken ik niet dat het oorspronkelijk beoogde doel van de Omgevingswet uit beeld zou zijn geraakt. Dat gezegd hebbende, blijf ik samen met de bestuurlijke partners en bevoegd gezagen onverminderd hard werken aan het realiseren van de beoogde doelen van de Omgevingswet. De implementatieondersteuning vanuit het interbestuurlijke programma Aan de Slag wordt ook komende periode gecontinueerd en op punten zelfs geïntensiveerd. Tot slot worden de doelen van de Omgevingswet – straks – gemonitord, waarbij ook de evaluatiecommissie een belangrijke rol speelt. Meer informatie hierover kunt u terugvinden in mijn voortgangsbrief aan uw Kamer van 9 oktober jl.
Hoe worden betrokken gemeenten en andere overheden gecompenseerd voor het extra werk dat hieruit voortvloeit?
Zoals hierboven aangegeven, zie ik naar aanleiding van het door u genoemde artikel niet direct extra werk dat gemeenten en andere overheden niet al op het netvlies hebben en waarvoor zij aan de lat zouden staan.
Ook hier geldt in algemene zin, zoals in het «Hoofdlijnenakkoord financiële afspraken stelselherziening omgevingsrecht» interbestuurlijk is vastgelegd,12 dat bevoegd gezagen zelf de invoeringskosten voor de implementatie van de Omgevingswet dragen. Hoe eerder bevoegde gezagen gebruik maken van het instrumentarium van de Omgevingswet, hoe sneller voor hun baten zullen ontstaan. Daarbij geldt dat verder dat In het jaar na inwerkingtreding onderzoek wordt gedaan naar de transitiekosten bij medeoverheden (2024). Daarnaast volgt na het eerste en vijfde volle jaar na inwerkingtreding een financiële evaluatie (2025 en 2029).
Het artikel constateert verder dat er maar één gemeente in Flevoland beschikt over een actueel op de Omgevingswet toegesneden participatiebeleid. Hoe verhoudt dit gegeven zich tot het vereiste participatiebeleid bij gemeenten, zoals bedoeld onder de motiveringsplicht onder de Omgevingswet?
Deze constatering in het artikel kan ik, kijkend naar het onderzoek en de achterliggende nota van bevindingen, niet plaatsen. Het onderzoek constateert inderdaad dat destijds slechts één van de vier deelnemende gemeenten op alle aspecten van participatie13 al een besluit had genomen14 en dat de andere drie gemeenten aangaven dat ze nog stappen te zetten hadden. Kijkend naar de nota van bevindingen blijkt echter dat de andere drie betrokken gemeenten destijds al beschikten over participatiebeleid. Twee van deze drie gemeenten beschikten ook al over beleidsregels op het gebied van participatie en de andere gemeente gaf aan daar nog mee bezig te zijn.15 Daarmee liggen de vier gemeenten allemaal uitstekend op koers om op 1 januari 2024 op dit onderdeel de noodzakelijke voorbereidingen getroffen te hebben. Daarnaast geven de vier gemeenten via deze weg ook invulling aan de in uw Kamer aangenomen motie Nooren c.s.16 en de toezegging aan uw Kamer.17
Hoe verhoudt dit gegeven zich tot de breed aangenomen motie-Nooren c.s.18 en tot toezegging T02860 aan de Eerste Kamer?
Kunt u bij benadering aangeven hoeveel gemeenten hun participatiebeleid op orde hebben voor de invoering van de Omgevingswet in 2024?
Participatie(beleid) is een onderwerp dat erg leeft bij gemeenten, ook zeer belangrijk wordt gevonden en waar door veel gemeenten ook hard aan wordt gewerkt. Daarbij is het wel van belang om stil te staan bij de vraag wanneer een gemeente haar participatiebeleid precies «op orde» heeft. Er zijn op het gebied van participatie immers een aantal wettelijke verplichtingen, maar er zijn ook aspecten waarin een gemeente vrij is om een eigen (lokale) keuzes te maken.
Vanuit het «leernetwerk participatie» van de VNG is bekend dat veel gemeenten bezig zijn met het aanpassen en verbeteren van het participatiebeleid en verwachten zij dit, voor zover nog niet vastgesteld, vóór 1 januari 2024 of niet lang daarna vastgesteld te hebben, op een manier die bij de gemeente past. Dit is in lijn met de motie Nooren c.s.19 en de Omgevingswet, waarin opgeroepen wordt tot het (uiteindelijk) vaststellen van decentraal participatiebeleid, maar – hoewel wel wenselijk – niet de verplichting geldt om dit ook daadwerkelijk voor inwerkingtreding op 1 januari 2024 gereed te hebben. Het is ook een onderwerp waar ik geregeld met de VNG overleg over voer, in lijn met mijn toezegging aan uw Kamer.20 Hierbij kijken we gezamenlijk hoe we vanuit het interbestuurlijke programma Aan de Slag en de VNG de gemeenten kunnen ondersteunen.
In de officiële overheidsbekendmakingen zijn nu 38 besluiten «participatiebeleid» van gemeenten terug te vinden, bij eerdere beantwoording op vragen vanuit uw Kamer waren dat er 13.21 Overigens zijn de provincies en waterschappen ook verplicht om participatiebeleid vast te stellen en hebben zij dit bijna allemaal gedaan. Daarnaast wordt het vaststellen van participatiebeleid de komende jaren gemonitord, als onderdeel uit van de monitoring ten aanzien van de doelen van de Omgevingswet.
In tenminste één provincie blijken de gemeenten verre van klaar voor de invoering van de Omgevingswet. Wat kunt u nu nog doen om stagnatie en langere procedures te voorkomen? Het gaat immers om een zware en ingrijpende stelselherziening, waarbij klaarblijkelijk nog de nodige vraagstukken in de uitvoering liggen.
Zoals ik in een aantal antwoorden op eerdere vragen ook al heb aangegeven is het onderzoek gebaseerd op mijns inziens – inmiddels – (deels) verouderde informatie die niet de huidige praktijk in Flevoland en die bij de betrokken bevoegd gezagen goed verwoord. De bevoegd gezagen in Flevoland zijn goed op weg om – ook (op termijn) gezamenlijk – klaar te zijn voor een goede invoering van de Omgevingswet. Daarbij ging het in het artikel22 over de interbestuurlijke samenwerking, welke pas daadwerkelijk toegepast kan worden na inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de praktijk zal uiteindelijk blijken hoe de interbestuurlijke samenwerking daadwerkelijk uitpakt en zal deze – waar nodig – verder vorm krijgen. Dit beeld wordt ook bevestigd in de gesprekken met deze gezagen en komt ook beter naar voren in het recente artikel op de website van Binnenlands Bestuur, ook mede naar aanleiding van hetzelfde onderzoek.23
Kunt u de antwoorden op bovenstaande vragen gelijktijdig aan de Eerste en Tweede Kamer doen toekomen, gezien de relevantie van de geuite kritiek en de invoeringsdatum van de Omgevingswet per 1 januari 2024?
Kunt u, gezien de start van het verkiezingsreces van de Tweede Kamer en het belang van de aangekaarte problematiek, deze vragen uiterlijk 2 oktober 2023 beantwoorden?
Zoals in mijn uitstelbrief aan u aangegeven was beantwoording vóór 2 oktober 2023 helaas niet haalbaar. Dit had mede te maken met de waarde die ik hechtte aan een zorgvuldige afstemming met de zes betrokken bevoegd gezagen.
Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, EU, Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, FK. en de voortgangsbrief implementatie Omgevingswet oktober 2023, van 9 oktober 2023.
Kamerstukken I 2021/22, 33 118/34 986, EG, Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, EK, Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, ET en Kamerstukken I 2022/23, 33 118/34 986, EU.
Participatiebeleid, beleidsregels participatie en (optioneel) verplichten van participatie bij Buitenplanse Omgevingsplanactiviteiten.
Nota van Bevindingen – Onderzoek Interbestuurlijke samenwerking Omgevingswet, pg. 29–31 en bijlage 5.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-ek-20232024-4.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.