Aanhangsel van de Handelingen
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 2985 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Nummer | Datum ontvangst |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 2985 |
Kunt u uiteenzetten hoe de huidige instroom van meldingen, aangiften en signalen van seksuele misdrijven verloopt en welke rol het Centrum Seksueel Geweld (CSG) daarin momenteel vervult?
Slachtoffers van seksuele misdrijven kunnen zich bij verschillende organisaties melden. Een groot deel van de slachtoffers die zich melden, meldt zich bij de politie. Daarnaast melden slachtoffers zich bij het Centrum Seksueel geweld (hierna: CSG) of Slachtofferhulp Nederland (SHN). Ook bij Veilig Thuis komen signalen van seksueel geweld binnen. Als een melding binnenkomt bij de politie dan verwijst de politie – indien daartoe aanleiding bestaat en het slachtoffer dit wenst – door naar CSG, SHN en Veilig Thuis. Een groot deel van de CSG aanmeldingen komt vanuit de politie. Het CSG biedt 24/7 professionele hulp aan slachtoffers van seksueel geweld en werkt daarin samen met artsen, verpleegkundigen, de politie en hulpverleners. Het CSG is operationeel op 16 locaties in Nederland en heeft daarmee een landelijke dekking, waarbij elke regionale CSG een samenwerkingsverband behelst van meerdere en variërende lokale instanties. Met deze lokale inbedding, de landelijke dekking en de specialistische kennis op het terrein van seksueel geweld, is het CSG een belangrijke netwerkpartner. Slachtoffers krijgen na aanmelding één vaste casemanager. Deze casemanager beoordeelt de situatie van het slachtoffer altijd op de noodzaak tot forensisch onderzoek (ten behoeve van een eventuele strafzaak), medische zorg, juridische ondersteuning en psychologische zorg en leidt toe naar deze zorg. Vervolgens biedt de casemanager de eerste periode na de melding traumagerichte begeleiding om het herstel te bevorderen, en coördineert de casemanager de ingezette multidisciplinaire zorg.
Indien het slachtoffer dit wenst kan het CSG doorverwijzen naar de politie voor het doen van aangifte of eerst doorverwijzen naar een slachtofferadvocaat of juridisch medewerker van SHN voor juridische ondersteuning bij het doen van aangifte. Dit geldt ook andersom: partners verwijzen het slachtoffer indien gewenst door naar het CSG. De behoefte van het slachtoffer is hierin leidend.
Hoe verloopt de samenwerking tussen het CSG, de politie, de zedenrecherche, het Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp Nederland in de praktijk?
Het CSG is een samenwerkingsverband dat expertise bundelt uit zorg, strafrecht en veiligheid, waaronder de politie. De samenwerking tussen de in de vraag genoemde partijen is de afgelopen jaren geïntensiveerd. Uit het onderzoeksrapport «laagdrempelige hulp voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties» uit 2024 van het Verwey-Jonker instituut bleek dat – met het brede aanbod als het gaat om hulp en ondersteuning van onder meer slachtoffers van seksueel geweld – slachtoffers niet altijd goed weten waar zij terecht kunnen omdat het aanbod versnipperd is, de hulp niet altijd aansluit bij de behoeften van slachtoffers en slachtoffers vaak meerdere keren hun verhaal moeten doen voordat zij op de juiste plek terecht komen.1 Daarnaast bestaan er regionale verschillen als het gaat om de samenwerking, waardoor de geboden zorg en ondersteuning aan slachtoffers niet overal hetzelfde is.
Om de genoemde knelpunten weg te nemen, hebben de bij slachtoffers van seksueel geweld betrokken organisaties2 een position paper opgesteld met daarin de ambitie om te komen tot betere samenwerking. Om hieraan uitwerking te geven hebben de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in samenwerking met de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG), de organisaties gefaciliteerd bij het ontwikkelen van een «nieuwe» werkwijze onder de noemer «goed georganiseerd hulplandschap voor slachtoffers van seksueel geweld», kortgezegd «Gezamenlijke Aanpak triage en regie». De werkwijze – die is uitgewerkt door professionals van de betrokken organisaties – stelt de behoeften van slachtoffers en hun (in)directe omgeving centraal en ziet erop toe dat partijen samenwerken om te komen tot de meest passende inzet op het gebied van veiligheid, zorg (medisch, forensisch en/of psychologisch), herstel en ondersteuning in het strafproces. De werkwijze bestaat kort gezegd uit drie kernelementen:
– Slachtoffers hebben een goed en uniform afgestemd en georganiseerd eerste contact met één van de organisaties. Het maakt niet uit waar zij zich melden (één gezamenlijke aanpak). Tijdens het eerste contact wordt informatie voor triage opgehaald en vastgelegd;
– Slachtoffers komen snel op de juiste plek door doorlopende multidisciplinaire weging en triage (MDT) van casuïstiek door alle betrokken organisaties. Hierdoor worden medische, veiligheids-, herstel-, ondersteunings- en strafrechtelijke aspecten niet los van elkaar beoordeeld, maar in samenhang gewogen;
– Slachtoffers en hun omgeving worden gekoppeld aan een vast aanspreekpunt die zorgt voor warme overdracht richting betrokken organisaties en andere instanties.
De werkwijze is eind 2025 en begin 2026 in twee regio’s getest en ook geëvalueerd, zowel op uitvoerbaarheid als op proces. Het procesevaluatierapport is op 9 juli jl. aan uw Kamer aangeboden3. Uit de evaluatie blijkt dat de ontwikkelde werkwijze op basis van (internationaal) wetenschappelijk onderzoek positief kan bijdragen aan de mate waarin slachtoffers zich geholpen voelen. Uit het rapport blijkt ook dat de rollen en taken van het CSG, SHN en ook Veilig Thuis niet op alle punten helder zijn afgebakend en dat een overlap daarin een goede samenwerking tussen deze partijen in de weg kan staan bij de hulp aan slachtoffers. Dit najaar stuurt de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid u, mede namens de Minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de beleidsreactie op dit rapport, tezamen met de door PricewaterhouseCoopers (hierna: PWC) opgestelde uitvoerbaarheidstoets. In deze brief zal uw Kamer ook worden geïnformeerd over de besluitvorming met betrekking tot een mogelijk landelijke uitrol van de werkwijze en de wijze waarop voornoemde knelpunten in de samenwerking zullen worden geadresseerd en opgelost.
Welke gegevens worden tussen deze organisaties gedeeld, welke ICT-koppelingen ondersteunen deze gegevensuitwisseling en welke juridische of praktische belemmeringen bestaan daarbij?
Doorgeleiding van slachtoffergegevens van de politie naar SHN gaat automatisch via het politiesysteem, mits het slachtoffer hier geen bezwaar tegen heeft. Slachtofferhulp kan een slachtoffer dan actief benaderen voor ondersteuning. De doorverwijzing vanuit politie naar CSG vindt plaats via fysiek en telefonisch contact, of door het slachtoffer te informeren over de mogelijkheid om zelf contact op te nemen met het CSG. Een praktische uitdaging is dat het CSG regionaal is georganiseerd en bestaat uit samenwerkingsverbanden van verschillende moederorganisaties, zoals ziekenhuis, GGD, Veilig Thuis of GGZ. Daardoor verschillen systemen en informatievoorziening tussen regio's. In het kader van de Gezamenlijke Aanpak wordt onderzocht hoe noodzakelijke gegevensuitwisseling toekomstbestendig en uniform kan worden ingericht binnen de geldende privacywetgeving.
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit binnen de zedenketen, mede in het licht van vacatures, ziekteverzuim, doorlooptijden, werkvoorraden en een mogelijk verdere stijging van de instroom?
Een efficiënte en effectieve aanpak van zedenzaken heeft prioriteit omdat elk slachtoffer van seksueel geweld de bescherming, begeleiding en ondersteuning verdient die hij of zij nodig heeft. De zaakstroom zeden is bovendien één van de geprioriteerde zaakstromen van het Bestuurlijke Ketenberaad Strafrechtketen (BKB).
Binnen de politie zijn de teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen «zedenrecherche») belast met de aanpak van seksuele misdrijven. De huidige bezetting van deze teams (672 FTE) blijft achter bij de formatie (708 FTE).4 Afgelopen jaren zijn verschillende investeringen gedaan ten behoeve van het uitbreiden van de formatie om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte stijging van het aantal meldingen en aangiften mede als gevolg van de invoering van de Wet seksuele misdrijven te kunnen opvangen. Door de pensioenuitstroom en de krappe arbeidsmarkt blijft het evenwel een uitdaging om de personele bezetting op peil te houden.
Om de doorlooptijden in zedenzaken te verkorten hebben de ketenpartners samen gewerkt in het Actieplan Versterken Ketenaanpak Zedenzaken. Ten behoeve van dit plan zijn maatregelen voorgesteld en doorgevoerd die structureel moeten bijdragen aan het verkorten van doorlooptijden en aan verdere professionalisering van de aanpak van zedenzaken. Het gaat onder meer om het optimaliseren van werkprocessen binnen en tussen organisaties, het prioriteren van zedenzaken bij de zittingsplanning, betere sturing op capaciteit en prioritering en meer maatwerk door een passende en betekenisvolle afdoening voor slachtoffers – of dat nu een strafrechtelijke afdoening is, begeleiding naar hulpverlening of toepassing van herstelrecht.
Ondanks al deze inspanningen blijven de teams opsporing seksuele misdrijven onder druk staan. Niet alleen door de personele bezetting die achterblijft bij de formatie, maar ook de hogere instroom (+ 9%) en de meer complexere (online) onderzoeken zorgen ervoor dat de streefnormen/ doorlooptijden (nog) niet worden behaald.
Zoals in eerdere brieven gemeld5 bestaat voor het verkorten van de doorlooptijden – zeker in zedenzaken – geen eenvoudige oplossing, maar de resultaten over 2024 laten zien dat de gezamenlijke inspanning die de strafrechtketen de afgelopen jaren heeft verricht resultaat begint op te leveren. Zoals gemeld in de voortgangsbrief over de strafrechtketen van 16 december 2025 bevestigen de cijfers tot en met juni 2025 deze voorzichtige tendens.6 Dit ondanks de hogere instroom, die mede het gevolg lijkt van de (publiciteit rondom de) Wet Seksuele Misdrijven. De organisaties in de strafrechtketen blijven ook in 2026 via de structuur van het actieplan nauw samenwerken en zich inspannen om de gezamenlijke aanpak van zedenzaken verder te versterken.
Bent u het ermee eens dat een vorm van triage aan de voorkant noodzakelijk kan zijn om schaarse opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat een vorm van triage noodzakelijk is, niet alleen om opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten, maar bovenal om goed aan te kunnen sluiten bij de behoeften en verwachtingen van slachtoffers en hen het beste aanbod te bieden met het oog op wat zij nodig hebben.
Er vindt op dit moment al triage plaats bij de teams opsporing seksuele misdrijven van de politie. Deze teams beoordelen of een strafrechtelijke interventie, een alternatieve interventie of een combinatie hiervan – gehoord ook de wensen van het slachtoffer – het meest passend is in de concrete zaak. Daarbij wordt ook beoordeeld om welk strafbaar feit het gaat en of sprake is van spoed en/of acute onveiligheid. Ook factoren als «kansrijkheid», impact en capaciteit worden hierin meegewogen. Op deze manier wordt de schaarse opsporingscapaciteit daar ingezet, waar een strafrechtelijk proces ook echt passend, haalbaar en helpend lijkt te zijn.
Met het inrichten van de Gezamenlijke Aanpak Triage en Regie wordt deze strafrechtelijke triage niet vervangen, maar aangevuld met multidisciplinaire triage. Hierdoor kan naast strafrechtelijke interventies ook vroegtijdig worden gekeken naar passende zorg, herstel, bescherming en ondersteuning.
Is in het verleden onderzocht of het CSG een formele intake-, poortwachters- of triagefunctie kan vervullen voor meldingen van seksuele misdrijven? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
Welke wettelijke, organisatorische, financiële, privacyrechtelijke of andere belemmeringen staan een dergelijke rol van het CSG eventueel in de weg?
In de afgelopen periode is naar aanleiding van geconstateerde knelpunten een nieuwe werkwijze ontwikkeld om de zorg en ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld beter te organiseren. Zie ook het antwoord op vraag 2.
De werkwijze gaat ervan uit dat de verschillende voornoemde organisaties goed samenwerken en triëren, zodat het niet uitmaakt waar een slachtoffer zich meldt en het in alle gevallen goed geholpen wordt. Organisaties brengen elk hun eigen verantwoordelijkheid en kennis in op het gebied van strafrecht, veiligheid, ondersteuning, herstel en zorg. Zo wordt ook voorkomen dat medische, veiligheids- en strafrechtelijke aspecten los van elkaar worden beoordeeld. Eén partij hiervoor verantwoordelijk maken komt niet tegemoet aan de noodzaak om deze verschillende perspectieven/expertises bij elkaar te brengen. Daarnaast hebben politie en OM hun eigenstandige rol als het gaat om opsporing en vervolging.7
Welke voordelen en risico’s ziet u in een grotere rol van het CSG bij de beoordeling, doorgeleiding en prioritering van meldingen van seksuele misdrijven?
Het CSG is een samenwerkingsverband dat expertise bundelt uit zorg, strafrecht en veiligheid, waaronder de politie. Het CSG heeft geen rol in een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich lenen voor strafrechtelijke afdoening. Dit is in ons rechtsbestel voorbehouden aan de politie, in nauwe samenwerking met het openbaar ministerie (OM). Het slachtoffer kan hier desgewenst juridisch in worden ondersteund door een slachtofferadvocaat of een juridisch medewerker van SHN. Het is onwenselijk dat hulpverlenende organisaties deze rol zouden overnemen van de opsporingsinstanties en ik zie daar geen voordelen van. Wel heeft het CSG een belangrijke rol in het organiseren van de eventuele noodzakelijke medische zorg in de eerste 7 dagen na een incident en het veilig stellen van forensisch bewijs, alsook het herkennen en doorverwijzen in het geval van trauma en de behoefte aan (specialistische) psychologische zorg bij misbruik langer geleden.
Deelt u de opvatting dat niet iedere melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag automatisch hoeft te leiden tot een strafrechtelijk traject, mits slachtoffers wel snel toegang houden tot passende zorg, ondersteuning en bescherming?
Ja. De huidige praktijk weerspiegelt deze opvatting ook. Er wordt ingezet op verdere versterking van dit uitgangspunt via de verbeterde samenwerking tussen voornoemde samenwerkingspartners.
Welke alternatieve routes naast strafvervolging bestaan er momenteel voor slachtoffers en hoe worden zij hierover geïnformeerd?
Na elke melding van een seksueel misdrijf wordt door de teams opsporing seksuele misdrijven aan de melder informatie verstrekt over het aangifteproces, de rechten van het slachtoffer en over de mogelijkheid van herstel(recht). Er zijn mogelijkheden voor slachtoffers bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven om een financiële tegemoetkoming aan te vragen, om ondersteuning te ontvangen van Perspectief Herstelbemiddeling, Slachtofferhulp Nederland, een slachtofferadvocaat of reguliere zorg (bijvoorbeeld doorgeleiding naar de GGZ). Binnen de werkwijze van de gezamenlijke aanpak informeert een casemanager of regiehouder slachtoffers over de mogelijkheden en zorgt voor afstemming tussen betrokken partijen.
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt welke behoeften slachtoffers hebben ten aanzien van zorg, herstel, bescherming en strafvervolging? Zo ja, hoe zien deze gegevens eruit?
In hoeveel gevallen kiezen slachtoffers uiteindelijk niet voor aangifte nadat zij informatie of begeleiding hebben ontvangen, zowel absoluut als procentueel?
Behoeften van slachtoffers kunnen verschillen en in elke zaak anders zijn. Uit het onlangs verschenen onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) «De behoeften van slachtoffers van misdrijven – een systematised review (2008–2025) van geuite slachtofferbehoeften» blijkt dat slachtoffers onder andere behoefte hebben aan erkenning, duidelijke informatie, passende ondersteuning en een eenvoudige toegang tot hulp8. Juist daarom is het van belang dat slachtoffers toegang hebben tot meerdere vormen van ondersteuning en dat niet uitsluitend vanuit een strafrechtelijk perspectief wordt gekeken. Het voornoemde onderzoeksrapport van het Verwey-Jonker instituut geeft inzicht in de belemmeringen die slachtoffers ervaren bij het vinden van de juiste hulp (en impliciet het doen van een melding). Wat blijkt is dat het voor slachtoffers vooral belangrijk is dat de professionals die zij tegenkomen begrijpen binnen welke context het misbruik of geweld heeft plaatsgevonden en dat zij niet telkens opnieuw hun verhaal hoeven doen.
De meeste slachtoffers doorlopen een aantal fasen in hun zoekgedrag. Zij proberen eerst door middel van gesprekken met hun omgeving en online informatie te vinden om te kunnen duiden wat hen is overkomen. Daarna gaan ze op zoek naar de juiste hulp waarna zij zich mogelijk ergens melden. Niet elk slachtoffer doorloopt deze drie fasen. Er is een groep slachtoffers die vrijwel meteen nadat zij te maken hebben gehad met misbruik of geweld hulp zoeken of aangifte doen. Dit zijn voornamelijk slachtoffers van geweld bij wie de pleger een onbekende is en waarbij er dus geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Er is echter een veel grotere groep slachtoffers die niet meteen hulp zoekt of aangifte doet. Voor hen is dit veelal een complex en langdurig proces dat weken, maanden of jaren in beslag kan nemen. Omdat slachtoffers zich op verschillende plekken kunnen melden zijn er geen cijfers te geven over het aantal slachtoffers dat wel informatie ontvangt of wordt begeleid, maar niet kiest voor het doen van aangifte.
Deelt u de opvatting dat voor sommige slachtoffers erkenning, hulpverlening of herstel belangrijker kan zijn dan een strafproces en hoe wordt hiermee binnen de zedenketen rekening gehouden?
Ja, die opvatting deel ik. Voor sommige slachtoffers is erkenning, traumagerichte begeleiding (waaronder psycho-educatie), behandeling, schadevergoeding, inzet van ervaringsdeskundigen en/-of lotgenoten of het herstelrecht belangrijker dan een strafproces. Herstelrecht kan worden ingezet in of naast het strafrecht. Als de toepassing van herstelrecht wenselijk wordt geacht in het kader van het strafproces is op grond van het Beleidskader Herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces (hierna: Beleidskader) mediation in strafzaken de voorliggende voorziening. Herstelbemiddeling is daarnaast altijd mogelijk naast het strafproces bijvoorbeeld met inzet door Perspectief Herstelbemiddeling (PH). Herstelbemiddeling wordt door PH in toenemende mate ingezet.
Welke eerdere onderzoeken, pilots, evaluaties of beleidsinitiatieven zijn uitgevoerd naar centrale intake, triage of ketensamenwerking binnen de aanpak van seksuele misdrijven en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Zijn er internationale voorbeelden bekend waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?
Ik heb navraag gedaan binnen het European Network on Victims’ Rights (ENVR). Daaruit blijkt dat er geen internationale voorbeelden zijn waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen. In het evaluatierapport van Regioplan/NSCR worden wel verschillende (internationale) onderzoeken aangehaald die ingaan op en een onderbouwing bieden voor verschillende onderdelen van de ontwikkelde werkwijze, waaronder een uniforme intake, triage en regie. De beleidsreactie op dit rapport wordt, tezamen met de door PWC opgestelde uitvoerbaarheidstoets, zoals ik in antwoord twee heb aangegeven, dit najaar aan uw Kamer aangeboden.
Deelt u de opvatting dat het CSG kan bijdragen aan een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich daadwerkelijk lenen voor strafrechtelijke afdoening? Zo ja, welke stappen zijn nodig om dit mogelijk te maken
Bent u bereid samen met politie, Openbaar Ministerie, het CSG, Slachtofferhulp Nederland en zorgpartners een verkenning uit te voeren naar een toekomstbestendige inrichting van de zedenketen, waarbij specifiek wordt gekeken naar centrale intake, triage, digitalisering, gegevensuitwisseling en capaciteitsverdeling? Zo ja, binnen welk tijdspad kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals hierboven geschetst is reeds een nieuwe werkwijze ontwikkeld waar het CSG – naast andere partners – nauw bij betrokken is en een van de kernelementen multidisciplinaire triage betreft. Over de uitvoerbaarheid van een mogelijk landelijke uitrol van deze werkwijze, ook met het oog op gegevensdeling en privacy, zal de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid u, mede namens de Minister voor Langdurige zorg, Jeugd en Sport uw Kamer in het najaar informeren.
Kamerstukken II, 2022–2023, 28 345, nr. 261 (rapportage Verwey-Jonker Instituut, «Laagdrempelige hulp voor slachtoffers en plegers van geweld in afhankelijkheidsrelaties»)
Het gaat om Politie, Veilig Thuis (VT), Slachtofferhulp Nederland (SHN), Perspectief Herstelbemiddeling (PH), het Openbaar Ministerie (OM) en het Landelijk Centrum Seksueel Geweld (LCSG).
Onderzoeksrapport aan uw Kamer aangeboden voorzien van een reactie in de eerste voortgangsbrief Slachtofferbeleid 2025–2028, Kamerstukken II, 2025–2026, 33 552, nr. 155.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2985.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.