Algemene subsidieverordening Delfland 2026

De verenigde vergadering van Delfland,

 

op voordracht van dijkgraaf en hoogheemraden van 9 december 2025, dossiernummer 3508;

 

gelezen het positieve advies van de commissie Bestuur, Financiën en Organisatie;

 

gelet op artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

Besluit:

 

Vast te stellen de volgende verordening:

 

Algemene subsidieverordening Delfland 2026

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • college: college van dijkgraaf en hoogheemraden van Delfland;

  • Delfland: Hoogheemraadschap van Delfland;

  • Europees steunkader: mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;

  • onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47).

Artikel 1.2. Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op het verstrekken van alle subsidies, met uitzondering van subsidies waarvoor in een afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen.

  • 2.

    Titel 4.2 van de Awb en deze verordening zijn ook van toepassing op financiële middelen die alleen worden verstrekt aan publiekrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 1.3. Bevoegdheid subsidieverstrekking

Het college is bevoegd tot het verstrekken van subsidie. Hieronder wordt in ieder geval begrepen:

  • a.

    het nemen van beschikkingen tot verlenen, vaststellen, weigeren, intrekken of wijzigen van subsidies;

  • b.

    het niet in behandeling nemen van aanvragen om subsidie;

  • c.

    het verlenen, intrekken of wijzigen van voorschotten;

  • d.

    het geheel of in termijnen betalen van voorschotten of subsidiebedragen;

  • e.

    het opschorten van de verplichting tot betaling van voorschotten of subsidiebedragen; en

  • f.

    het terugvorderen van onverschuldigd betaalde voorschotten of subsidiebedragen.

Artikel 1.4. Subsidieregelingen

Het college kan in een nadere regeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie en onder welke voorwaarden. Voor zover van toepassing wordt hierin ook bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

Artikel 1.5. Subsidieplafond

Het college kan een subsidieplafond vaststellen. In dat geval bepaalt het college in de subsidieregeling hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

Artikel 1.6. Begrotingsvoorbehoud

Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

Artikel 1.7. Staatssteun

  • 1.

    Voor zover dat voor het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college in een subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2.

    In een subsidieregeling waarop een Europees steunkader van toepassing is, wordt verwezen naar dit steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is:

    • a.

      verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader;

    • b.

      komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van dit steunkader;

    • c.

      komen ondernemingen alleen in aanmerking voor subsidie voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van dit steunkader.

Hoofdstuk 2. Aanvraag en verlening van de subsidie

Artikel 2.1. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt daarvan gebruik gemaakt.

  • 2.

    Bij de aanvraag verstrekt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen die worden nagestreefd en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen voor dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

  • 3.

    Een privaatrechtelijke rechtspersoon verstrekt op verzoek ook een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, en van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar.

  • 4.

    In een subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.

Artikel 2.2. Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag om een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 juni voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Een aanvraag om een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk dertien weken voorafgaand aan dat boekjaar.

  • 3.

    Andere aanvragen om subsidie worden ingediend uiterlijk vier weken voordat een begin wordt gemaakt met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 4.

    In een subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

Artikel 2.3. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    In een subsidieregeling kan een andere termijn worden gesteld.

  • 3.

    Bij aanvragen om een subsidie die op grond van artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen en die beslissing onherroepelijk is geworden.

Artikel 2.4. Weigeringsgronden

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval als:

    • a.

      de te subsidiëren activiteiten niet of niet in voldoende mate bijdragen aan de taken die op grond van artikel 2 van de Waterschapswet bij provinciale verordening aan Delfland zijn opgedragen;

    • b.

      de activiteiten worden uitgevoerd om te voldoen aan een wettelijke verplichting;

    • c.

      op de begroting van Delfland voor het doel waarvoor de subsidie wordt aangevraagd geen of onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn;

    • d.

      de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    • e.

      de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt;

    • f.

      tegen de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat op grond van een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 2.

    Het college kan de subsidie verder in ieder geval weigeren:

    • a.

      als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • b.

      als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • c.

      in de in de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

Artikel 2.5. Verantwoording

In de verleningsbeschikking wordt vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie moet verantwoorden.

Hoofdstuk 3. Verplichtingen

Artikel 3.1. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

  • 1.

    Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat direct schriftelijk aan het college.

  • 2.

    De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      faillissement, surseance van betaling of toepassing schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, of een aanvraag daartoe;

    • d.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;

    • e.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, en het doel van de rechtspersoon.

  • 3.

    Als door of namens de subsidieontvanger een publicatie wordt gedaan over de gesubsidieerde activiteiten wordt in die publicatie vermeld dat de activiteiten geheel of gedeeltelijk mogelijk zijn gemaakt door een subsidie van Delfland.

  • 4.

    In de verleningsbeschikking wordt de subsidieontvanger op de verplichtingen in de vorige leden gewezen.

Artikel 3.2. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1.

    Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.

  • 2.

    In een subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 3.

    In een subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

Artikel 3.3. Vermogensvorming

In een subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan Delfland een vergoeding is verschuldigd als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb. Daarbij wordt ook aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

Artikel 3.4. Egalisatiereserve

  • 1.

    In een verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie die meer dan € 50.000 bedraagt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de Awb vormt.

  • 2.

    De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de Awb van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4. Vaststelling van de subsidie

Artikel 4.1. Verantwoording en vaststelling subsidies tot en met € 5.000

  • 1.

    Subsidies tot en met € 5.000 worden door het college direct vastgesteld, tenzij toepassing wordt gegeven aan het tweede lid.

  • 2.

    Als het college de subsidieontvanger in de verleningsbeschikking heeft verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld binnen acht weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.

  • 3.

    In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 5.000 wordt een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende subsidie.

  • 4.

    In een subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken en bepaald dat de subsidie pas wordt vastgesteld en uitbetaald nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Artikel 4.2. Verantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 50.000

  • 1.

    Bij subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 50.000 dient de subsidieontvanger uiterlijk dertien weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.

  • 3.

    In een subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.

Artikel 4.3. Verantwoording subsidies van meer dan € 50.000

  • 1.

    Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk dertien weken na afloop van het betrokken boekjaar;

    • c.

      in andere gevallen uiterlijk dertien weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.

  • 2.

    De aanvraag bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en

    • d.

      een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant.

  • 3.

    In een subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd.

Artikel 4.4. Vaststelling subsidies van meer dan € 5.000

  • 1.

    Het college stelt een subsidie van meer dan € 5.000 vast binnen acht weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij in een subsidieregeling anders is bepaald.

  • 2.

    Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

  • 3.

    In een subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.

  • 4.

    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 4.2, eerste lid en 4.3, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is ingediend, kan het college schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Hoofdstuk 5. Toezicht en naleving

Artikel 5.1. Misbruik en oneigenlijk gebruik

Ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies:

  • a.

    voert het college bij de totstandkoming van een subsidieregeling of het verlenen van een subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb een risicoanalyse uit die schriftelijk wordt vastgelegd;

  • b.

    voert het college een actief en consistent handhavingsbeleid.

Artikel 5.2. Toezicht

  • 1.

    Het college kan personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

  • 2.

    De toezichthouders beschikken niet over de bevoegdheden die zijn vermeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Awb.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1. Hardheidsclausule

  • 1.

    Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in deze verordening of een daarop gebaseerde subsidieregeling, als toepassing daarvan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

  • 2.

    De bevoegdheid tot het toepassen van de hardheidsclausule wordt niet gemandateerd.

Artikel 6.2. Evaluatieverslag

Het college doet jaarlijks verslag aan de verenigde vergadering over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies die zijn verstrekt.

Artikel 6.3. Intrekking oude verordening

De Algemene subsidieverordening Delfland, vastgesteld op 24 april 2008, wordt ingetrokken.

Artikel 6.4. Overgangsrecht

Op subsidies die zijn aangevraagd of verleend voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening is de in artikel 6.3 genoemde verordening van toepassing.

Artikel 6.5. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening Delfland 2026.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 12 februari 2026.

De verenigde vergadering voornoemd,

de secretaris,

ir. P.C. Janssen

de voorzitter,

dr. P.H.W.M. Daverveldt

Toelichting

Algemeen

De Algemene subsidieverordening Delfland 2026 betreft een volledige herziening van de Algemene subsidieverordening Delfland uit 2008. Die verordening is verouderd en op onderdelen aan vernieuwing toe. Met deze herziening is beoogd een helder en efficiënt subsidieproces in te richten dat goed aansluit op de regels in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) over subsidies. Er wordt een gedifferentieerde regeling voorgesteld voor de verantwoording van subsidies. De mate van verantwoording is daarbij afhankelijk van de hoogte van de verstrekte subsidie. Ook zijn regels toegevoegd over staatssteun om de verordening in lijn te brengen met Europese regelgeving.

 

Bij het opstellen van de verordening is het model van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) als basis gebruikt. Verder is voor de verordening zoveel mogelijk eenvoudiger taal gebruikt en is deze voorzien van een duidelijke toelichting.

 

Deze verordening geeft algemene regels die gelden bij subsidieverstrekking door het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland). De regels zijn vooral procedureel van aard, zoals de manier waarop een aanvraag wordt ingediend. De verordening geeft verder aan welke bevoegdheden het college van dijkgraaf en hoogheemraden (hierna: het college) heeft bij de uitvoering van de verordening.

 

De Awb geeft het wettelijk kader voor het verstrekken van subsidies door bestuursorganen (hoofdstuk 4, titel 4.2). Hoofdregel is dat subsidieverstrekking is gebaseerd op een wettelijk voorschrift, waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. De concrete activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen staan niet in deze verordening. Die activiteiten moeten worden uitgewerkt in een of meer subsidieregelingen. De bevoegdheid tot het vaststellen hiervan wordt in deze verordening gedelegeerd aan het college. De subsidieregeling vormt dan in combinatie met de verordening het wettelijk voorschrift op basis waarvan subsidies kunnen worden verstrekt.

 

Regels die al in de Awb staan, worden niet herhaald in deze verordening. Deze verordening moet daarom in samenhang met de Awb worden gehanteerd. In de artikelsgewijze toelichting wordt op verschillende plaatsen verwezen naar relevante bepalingen in de Awb.

 

Artikelsgewijs

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren subsidieregelingen. Deze definities hoeven dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen te worden opgenomen.

 

Er is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Awb. Kenmerken van een subsidie zijn:

  • de aanspraak op financiële middelen;

  • door een bestuursorgaan verstrekt;

  • met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;

  • anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

Overigens: ook garanties en leningen kunnen onder het subsidiebegrip vallen (CBb 6 oktober 2016, ECLI:NL:CBB:2016:317 en CBb 1 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:237).

 

Artikel 1.2. Toepassingsbereik

Het eerst lid regelt dat deze verordening van toepassing is op alle door Delfland te verstrekken subsidies, met uitzondering van subsidies op een specifiek beleidsterrein waarvoor de verenigde vergadering een afzonderlijke verordening heeft vastgesteld.

 

In artikel 4:23, derde lid, van de Awb is een aantal uitzonderingen opgenomen op de hoofdregel dat een wettelijke grondslag is vereist om subsidie te kunnen verstrekken. De twee belangrijkste uitzonderingen zijn begrotingssubsidies (de begroting vermeldt de subsidieontvanger en het maximumbedrag dat kan worden verstrekt) en incidentele subsidies (voor uitzonderlijke gevallen, en als er in beginsel alleen eenmalig subsidie zal worden toegekend). Deze verordening is ook van toepassing op die subsidies. Hoewel het niet verplicht is voor de behandeling hiervan regels op te stellen, schept dit wel duidelijkheid over de te volgen procedure.

 

In het tweede lid wordt vastgelegd dat de subsidietitel van de Awb en deze verordening ook van toepassing zijn op financiële bijdragen die alleen aan overheden worden verstrekt. Het is nodig om dit expliciet te regelen, omdat in artikel 4:21, derde lid, van de Awb is bepaald dat de subsidietitel niet van toepassing is op de aanspraak op financiële middelen die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld. Omdat er geen aanleiding is voor het vaststellen van een aparte verordening voor die bijdragen, die afwijkt van de Awb, is er uit een oogpunt van harmonisatie voor gekozen titel 4.2 van de Awb van toepassing te verklaren. Publiekrechtelijke rechtspersonen zijn bijvoorbeeld gemeenten en openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

 

Voor alle subsidies geldt dat deze bij beschikking worden verstrekt. De Awb maakt daarbij onderscheid tussen drie soorten subsidiebeschikkingen: de subsidieverlening (voorlopige toekenning subsidie voor bepaalde activiteiten), de subsidievaststelling (definitieve toekenning als activiteiten hebben plaatsgevonden) en de voorschotverlening. Daarmee wordt duidelijkheid geboden over de wederzijdse rechten en plichten van de subsidiegever en subsidieontvanger.

 

Artikel 1.3. Bevoegdheid subsidieverstrekking

Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid toegekend om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop deze verordening van toepassing is. Het begrip subsidieverstrekking omvat alle besluiten en handelingen in de subsidieketen. Onder deze bevoegdheid valt ook de bevoegdheid van het college tot het verstrekken van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is, zoals begrotingssubsidies en incidentele subsidies (artikel 4:23, derde lid, van de Awb). Dat het college bij de uitoefening van de bevoegdheid de begroting en de door de verenigde vergadering vastgestelde beleidskaders in acht neemt, spreekt vanzelf.

 

Artikel 1.4. Subsidieregelingen

Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om in nadere regels (hierna subsidieregeling genoemd) de te subsidiëren activiteiten te bepalen. Voor zover het college iets wenst te regelen over de doelgroepen die voor de subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie en de wijze van uitbetalen, moet dit ook in de subsidieregeling gebeuren.

 

In andere artikelen van deze verordening worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie en de wijze van verdelen van het subsidieplafond.

 

Als het college geen gebruik maakt van de bevoegdheid om een subsidieregeling vast te stellen is het alleen in beperkte mate mogelijk om subsidies te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is dat subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift (zoals een subsidieregeling), waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. Dit geldt alleen niet voor de uitzonderingen genoemd in artikel 4:23, derde lid, van de Awb.

 

Artikel 1.5. Subsidieplafond

Artikel 4:25 van de Awb geeft de mogelijkheid om een subsidieplafond vast te stellen. Een subsidieplafond is een bedrag dat gedurende een bepaalde periode ten hoogste beschikbaar is voor bepaalde subsidies (artikel 4:22 van de Awb). Een aanvraag om subsidie moet worden afgewezen als het subsidieplafond is bereikt.

 

De verenigde vergadering delegeert in artikel 1.5 de bevoegdheid om subsidieplafonds vast te stellen aan het college. Het ligt voor de hand voor iedere subsidieregeling een apart subsidieplafond vast te stellen. Hiermee worden openeinderegelingen voorkomen. De wijze van verdeling wordt in de subsidieregeling vastgelegd. Het college kan bijvoorbeeld kiezen voor een verdeling op volgorde van binnenkomst (‘wie het eerst komt, het eerst maalt’), loting of een tendersysteem. De verenigde vergadering stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de subsidieplafonds kan vaststellen.

 

Artikel 1.6. Begrotingsvoorbehoud

Het college heeft via artikel 1.3 de bevoegdheid toegekend gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies. Artikel 1.6 verplicht het college – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – om bij het gebruik maken van deze bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken als de begroting nog niet is vastgesteld.

 

Artikel 1.7. Staatssteun

Op Europees niveau zijn regels over staatssteun vastgelegd in de artikelen 107 tot en met 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Staatssteun is in principe verboden, omdat hiermee de mededinging op de Europese markt kan worden verstoord.

 

Er is sprake van staatssteun als aan de volgende cumulatieve criteria is voldaan:

  • de maatregel wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht;

  • de maatregel wordt met overheidsmiddelen bekostigd;

  • deze overheidsmiddelen verschaffen een voordeel dat niet via normale commerciële weg zou zijn verkregen;

  • de maatregel geldt voor één of enkele ondernemingen of een specifieke sector; en

  • de maatregel vervalst de mededinging (in potentie) en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de Europese Unie.

Als sprake is van staatssteun moet de subsidie worden geweigerd. Als Delfland de desbetreffende subsidie desondanks wenst te verstrekken, geldt als hoofdregel dat de subsidie moet worden aangemeld bij de Europese Commissie. De Europese Commissie onderzoekt vervolgens of de subsidie verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Op de aanmeldplicht bestaan een aantal uitzonderingen, zoals steun die onder bepaalde vrijstellingsverordeningen valt (bijvoorbeeld de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, de AGVV) en de zogenoemde de-minimissteun. Voor meer informatie over staatssteun wordt verwezen naar de website europadecentraal.nl.

 

Bij het opstellen van een subsidieregeling zal moeten worden beoordeeld of de op basis daarvan te verstrekken subsidies (mogelijk) kwalificeren als staatssteun. Zo ja, dan zal de subsidieregeling zodanig moeten worden opgesteld dat bij subsidieverstrekking voldaan wordt aan het staatssteunrecht.

 

Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er in de subsidieregeling wordt afgeweken van deze verordening of dat deze wordt aangevuld. Het eerste lid van dit artikel maakt het college daarvoor bevoegd.

 

Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld. Verder moet de subsidie zodanig worden vormgegeven dat deze voldoet aan de eisen uit het van toepassing zijnde steunkader.

 

Voor subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is) geldt dat deze niet worden verstrekt op basis van een subsidieregeling, waarin waarborgen kunnen worden opgenomen voor het voorkomen van onrechtmatige staatssteun. Bij die subsidies zal het college dus per concreet geval moeten waarborgen dat de subsidieverstrekking voldoet aan het staatssteunrecht.

 

Hoofdstuk 2. Aanvraag en verlening van de subsidie

 

Artikel 2.1. Aanvraag

In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag om subsidie schriftelijk moet worden gedaan. En dat als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, de aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier moet worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Een aanvraag kan ook digitaal worden gedaan. In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens in ieder geval bij de aanvraag moeten worden verstrekt.

 

Als meer informatie nodig is, kan hier specifiek om worden gevraagd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de aanvrager ondernemer is. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om stukken om te bepalen of mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun, zoals een de-minimisverklaring. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens worden verlangd die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag.

 

In het vierde lid is bepaald dat het college in een subsidieregeling kan afwijken van de in dit artikel gestelde aanvraagvereisten, bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies meer of andere gegevens en bescheiden te verlangen.

 

Artikel 2.2. Aanvraagtermijn

De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar of per boekjaar worden verstrekt, en andersoortige subsidies. Bij subsidies per kalenderjaar of per boekjaar gaat het om subsidies voor langlopende activiteiten (voor een heel kalenderjaar of boekjaar). Subsidies per boekjaar komen bijvoorbeeld voor bij activiteiten die met onderwijs te maken hebben. Het schooljaar loopt niet gelijk op met het kalenderjaar. Bij andersoortige subsidies gaat het om subsidies die worden verstrekt voor bepaalde concreet omschreven en vaak in de tijd nauwkeurig afgebakende activiteiten.

 

Het college kan besluiten in een subsidieregeling af te wijken van de aanvraagtermijnen die zijn vastgesteld in het eerste tot en met derde lid (vierde lid).

 

Artikel 2.3. Beslistermijn

In het eerste lid wordt de termijn gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. De beslistermijn bedraagt dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn is exclusief de wettelijke mogelijkheid om de beslistermijn op te schorten in verband met het ontbreken van verplicht aan te leveren gegevens (artikel 4:15 van de Awb).

 

In het tweede lid is bepaald dat het college in een subsidieregeling kan afwijken van deze beslistermijn. Daarbij kan het college zowel kortere als langere beslistermijnen bepalen.

 

In het derde lid is geregeld dat de beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie worden aangemeld, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen en die beslissing onherroepelijk is geworden. Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en vervolgens moet worden teruggevorderd.

 

Artikel 2.4. Weigeringsgronden

Artikel 4:35 van de Awb vermeldt een aantal omstandigheden waaronder de subsidie kan of moet worden geweigerd. Zo kan een subsidie bijvoorbeeld worden geweigerd als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de aanvrager de activiteiten niet zal uitvoeren of zich niet aan de geldende verplichtingen zal houden. Ook kan de subsidie worden geweigerd als de aanvrager failliet is verklaard, aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard. Daarnaast levert overschrijding van het subsidieplafond een directe weigeringsgrond voor de subsidie op (artikel 4:25, tweede lid, van de Awb). Deze weigeringsgronden zijn rechtstreeks van toepassing.

 

In het eerste lid van dit artikel zijn een aantal aanvullende verplichte weigeringsgronden opgenomen. Op grond van onderdeel a wordt de subsidie geweigerd als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in voldoende mate bijdragen aan de taken die Provinciale Staten van Zuid-Holland aan Delfland hebben toegedeeld. Deze taken staan in het op grond van artikel 2 van de Waterschapswet vastgestelde Reglement van Bestuur voor het Hoogheemraadschap van Delfland. Kort samengevat betreft dit de zorg voor het watersysteem, de zorg voor de zuivering van afvalwater en als neventaak de zorg voor de toepassing van de Scheepvaartverkeerswet voor zover het wateren betreft waarvoor Delfland is aangewezen als bevoegd gezag.

 

Op grond van het eerste lid, onder b, wordt de subsidie geweigerd als de te subsidiëren activiteiten voortvloeien uit een wettelijke verplichting voor de aanvrager. Met het verstrekken van subsidie wil Delfland bepaalde activiteiten stimuleren die anders niet worden gedaan, omdat de te verwachten kosten te hoog zijn. Als de activiteit wettelijk verplicht is, bestaat die stimulans al. De aanvrager moet zich immers aan de geldende wet- en regelgeving houden en kan daarop worden aangesproken.

 

De weigeringsgrond onder c ziet op de situatie dat op de begroting geen of onvoldoende financiële middelen zijn gereserveerd. Zoals eerder opgemerkt vormt op grond van de Awb ook het bereiken van het subsidieplafond een weigeringsgrond. Als het plafond is bereikt, wordt de aanvraag dus ook afgewezen.

 

Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering. Vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder e.

 

Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder die verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder f, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in deze verordening evenwel neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat).

 

In het tweede lid zijn enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar dat is niet verplicht. Onderdeel a geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt. Onderdeel b spreekt voor zichzelf. Onderdeel c ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.

 

Voor incidentele subsidies en begrotingssubsidies vormt artikel 2.4 het enige afwegingskader, omdat er geen subsidieregeling aan ten grondslag ligt.

 

Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU, dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Dit op grond van artikel 3 van de Wet terugvordering staatssteun. Een bepaling daarover in deze verordening is daarvoor niet nodig, omdat deze verplichting rechtstreeks uit de Wet terugvordering staatssteun voortvloeit.

 

Een subsidie kan ook geweigerd en ingetrokken worden in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 van die wet.

 

Hoofdstuk 3. Verplichtingen

 

Artikel 3.1. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt. Met ‘schriftelijk’ in het eerste lid is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. De melding kan ook digitaal worden gedaan.

 

Artikel 3.2. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere’ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat al mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb).

 

Wat betreft het tweede en derde lid wordt het creëren van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) van de Awb. In beginsel moet de algemene subsidieverordening hiervoor een uitdrukkelijke grondslag bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking.

 

Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen over de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren.

 

Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Maar het betreft geen vrijbrief; deze verplichtingen moeten wel verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat terughoudend moet worden omgegaan met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk worden gemotiveerd.

 

Artikel 3.3. Vermogensvorming

In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding is verschuldigd aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:

  • als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;

  • als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;

  • als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;

  • als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of

  • als de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.

Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als gebouwen of kostbare apparatuur zijn aangekocht met subsidiegeld en die gebouwen of apparatuur na enige tijd weer worden verkocht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 67, PG Awb III, p. 231-234).

 

De vergoedingsplicht geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met artikel 3.3 krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven. In de praktijk zal dit alleen aan de orde zijn bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het is ook mogelijk in andere gevallen.

 

Artikel 3.4. Egalisatiereserve

De figuur van de egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb. Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidieontvanger waaraan als bestemming het dekken van exploitatierisico’s is verbonden. De reserve wordt gevormd om tot een gelijkmatige verdeling van lasten te komen. Op grond van artikel 4:58 van de Awb is artikel 4:72 van de Awb alleen van toepassing op per kalender- of boekjaar verstrekte subsidies aan een rechtspersoon en bovendien alleen als dat in de algemene subsidieverordening, een subsidieregeling of bij de subsidieverlening is bepaald. De verplichting een egalisatiereserve te vormen als bedoeld in het eerste lid kan dus alleen aan rechtspersonen worden opgelegd, voor per kalender- of boekjaar verstrekte subsidies.

 

Het college kan bij een verleningsbeschikking voor een subsidie die per kalender- of boekjaar wordt verstrekt en die meer dan € 50.000 bedraagt bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve moet vormen (eerste lid). In dat geval komt het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve. De reserve wordt dus gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen.

 

Naast een door het college opgelegde verplichting kan op grond van het tweede lid elke subsidieontvanger het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen.

 

Omdat de egalisatiereserve dient om tekorten in het ene jaar te compenseren met overschotten in het andere jaar, heeft de toepassing van het eerste of tweede lid alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt.

 

Hoofdstuk 4. Vaststelling van de subsidie

 

Artikel 4.1. Verantwoording en vaststelling subsidies tot en met € 5.000

Bij subsidies tot en met € 5.000 wordt niet standaard om een verantwoording gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 3.1).

 

In dit artikel is geregeld dat het college de subsidie bij een dergelijk klein bedrag direct kan vaststellen en uitbetalen. Het is ook mogelijk eerst subsidie te verlenen, gevolgd door een ambtshalve vaststelling. In zo’n geval wordt een eventueel voorschot in één termijn verstrekt en hoeft de subsidieontvanger geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de administratieve lasten voor zowel de subsidieontvanger als Delfland worden beperkt.

 

De subsidieontvanger van een subsidie tot en met € 5.000 kan in de verleningsbeschikking worden verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. In dat geval vindt de vaststelling plaats binnen acht weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.

 

Artikel 4.2. Verantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 50.000

In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen € 5.000 en € 50.000 aan het college moeten verantwoorden. Er moet een aanvraag tot vaststelling worden ingediend (eerste lid). Deze aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan (tweede lid). Op grond van artikel 2.5 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.

 

Over het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie). Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat erom dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is gebruikt voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Verder kan het college, op grond van het derde lid, in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens worden verlangd die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording.

 

Artikel 4.3. Verantwoording subsidies van meer dan € 50.000

Bij subsidies vanaf € 50.000 wordt uitgegaan van een uitgebreidere verantwoording. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Het derde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder meer of minder, gegevens gevraagd worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens worden verlangd die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording.

 

Artikel 4.4. Vaststelling subsidies van meer dan € 5.000

Het eerste lid bevat – in overeenstemming met artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking gegeven moet worden. Wel bestaat de mogelijkheid tot verdagen (tweede lid). Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vragen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn – biedt dan uitkomst.

 

Hoofdstuk 5. Toezicht en naleving

 

Artikel 5.1. Misbruik en oneigenlijk gebruik

In dit artikel wordt aan het college de opdracht gegeven misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan. Bij misbruik kan worden gedacht aan het bewust niet, niet tijdig, onjuist of niet volledig verstrekken van gegevens en inlichtingen aan het college, met als doel onterecht (te hoge) subsidie te verkrijgen. Onder oneigenlijk gebruik kan worden verstaan: het volgens de regels, maar in strijd met de bedoelingen daarvan verkrijgen van een (te hoge) subsidie.

 

Het college kan de in dit artikel genoemde verplichtingen uitwerken in een beleidsregel. De subsidieontvangers worden niet in alle gevallen geconfronteerd met verantwoordingsverplichtingen, rapportages en controles. Belangrijk uitgangspunt is vertrouwen. Daarbij accepteert Delfland een bepaald risico, immers niet altijd zal aan alle verplichtingen worden voldaan. Maar misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie moet wel worden tegengegaan, via een sluitend systeem van risicoanalyses, (steeksproefsgewijze) verantwoording, risicogerichte controle en een actieve en consistente handhaving. De volgende sanctiemogelijkheden zijn hiervoor beschikbaar: weigeren van de subsidie, de subsidie lager of op nihil vaststellen, intrekken van de subsidie, terugvorderen van de subsidie inclusief wettelijke rente en, in geval van valsheid in geschrifte, aangifte bij het openbaar ministerie.

 

Artikel 5.2 Toezicht

Het college heeft de mogelijkheid om toezichthouders aan te wijzen die toezicht houden op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. Deze toezichthouders kunnen dus ook toezien op de naleving van de bepalingen uit de subsidieregelingen die het college op grond van artikel 1.4 heeft vastgesteld.

 

In de Awb is bepaald welke rechten en plichten een aangewezen toezichthouder heeft. Zo moet de toezichthouder zich altijd legitimeren, mag hij zijn bevoegdheden alleen gebruiken voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor het vervullen van de toezichtstaak. De toezichthouder is bevoegd om elke plaats te betreden, alleen niet de woning zonder toestemming van de bewoner, hij mag inlichtingen vorderen en hij mag inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.

 

Artikel 5:14 van de Awb geeft de mogelijkheid om de bevoegdheden van een aangewezen toezichthouder te beperken. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt. Een op grond van artikel 5.2 aangewezen toezichthouder heeft niet de bevoegdheid om zaken te onderzoeken, monsters te nemen of vervoermiddelen te doorzoeken. Deze bevoegdheden zijn niet passend bij de aard van de toezichthoudende taak.

 

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 6.1. Hardheidsclausule

Dit artikel is opgenomen, omdat in uitzonderlijke gevallen toepassing van deze verordening of de toepasselijke subsidieregeling wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen. De hardheidsclausule geeft het college in zo'n geval de bevoegdheid om van de regels af te wijken. Uiteraard zijn de regels niet voor niets gesteld en moet het college daarom terughoudend met deze bevoegdheid omgaan en het gebruik daarvan uitdrukkelijk motiveren.

 

De hardheidsclausule ziet op deze verordening en de daarop gebaseerde subsidieregelingen. Er hoeft dus niet aan iedere subsidieregeling een afzonderlijke hardheidsclausule te worden toegevoegd.

 

Artikel 6.2. Evaluatieverslag

Artikel 4:24 van de Awb bevat een evaluatieplicht voor subsidies die zijn gebaseerd op een wettelijk voorschrift. Eens in de vijf jaar moet een verslag worden gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. Bij wettelijk voorschrift kan van deze regel worden afgeweken en dat gebeurt in dit artikel door een jaarlijks evaluatieverslag verplicht te stellen. De vorm en inhoud van het evaluatieverslag zijn vormvrij. Er kan bijvoorbeeld een apart verslag worden gemaakt per subsidieregeling of een toelichting worden gegeven in de begroting of de jaarrekening.

 

Voor subsidies zonder wettelijke grondslag bevat artikel 4:23, vierde lid, van de Awb een verslagleggingsplicht.

Naar boven