Subsidieregeling Klimaatadaptatie

Het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe;

op voordracht van het college van dijkgraaf en heemraden van 7 oktober 2025;

gelet op het bepaalde in artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet en titel 4.2 van de Algemene

wet bestuursrecht;

 

 

B E S L U I T:

vast te stellen de: Subsidieregeling Klimaatadaptatie.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren;

  • b.

    verordening: Algemene subsidieverordening Waterschap Vallei en Veluwe 2020;

  • c.

    wet: Algemene wet bestuursrecht;

  • d.

    college: het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Vallei en Veluwe;

  • e.

    fysieke maatregelen: maatregelen met een fysieke verschijningsvorm, met een blijvende bijdrage aan de doelstellingen van de regeling na realisatie van de maatregel;

  • f.

    Landbouwvrijstellingsverordening (LVV): Verordening (EU) Nr. 2022/2472 van de Europese Commissie van 14 december 2022;

  • g.

    landelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom;

  • h.

    Niet-productieve maatregel: een maatregel die geen aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van de onderneming van de agrariër tot gevolg heeft;

  • i.

    productieve maatregel: een maatregel die een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van de onderneming van de agrariër tot gevolg heeft;

  • j.

    sluitende begroting: een begroting waaruit blijkt dat de totale inkomsten en uitgaven voor de activiteiten met elkaar in evenwicht zijn;

  • k.

    stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom.

Artikel 1:2 Toepassingsbereik

Deze subsidieregeling is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in deze regeling genoemde activiteiten en maatregelen. Deze zijn gericht op de programmadoelen gericht op het realiseren van een robuust en klimaatbestendig watersysteem, het verbeteren van de waterkwaliteit, voldoende & schoon grondwater en het verbeteren van de biodiversiteit en natuurwaarden.

Artikel 1:3 Subsidieplafond

Voor subsidieverlening van maatregelen op grond van artikel 2:3 geldt een subsidieplafond per kalenderjaar dat jaarlijks wordt vastgesteld door het algemeen bestuur.

Hoofdstuk 2 Subsidiabele maatregelen en beoordeling

Artikel 2:1 Doel

Het doel van deze regeling is het stimuleren van maatregelen binnen het beheergebied van Waterschap Vallei en Veluwe om beter met het veranderende klimaat om te kunnen gaan. Daarvoor zijn maatregelen nodig die water- en /of droogteschade verminderen, de waterkwaliteit verbeteren, de drinkwatervraag beperken en/of de biodiversiteit bevorderen. Daarbij streven wij naar een verhoging van het waterbewustzijn over de noodzaak, meerwaarde en mogelijkheden van dergelijke watergerelateerde maatregelen.

Artikel 2:2 Aanvrager

  • 1.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan:

    • a.

      natuurlijke personen;

    • b.

      rechtspersonen niet zijnde overheden.

  • 2.

    Indien de aanvrager een agrarisch bedrijf is, wordt uitsluitend subsidie verstrekt mits zij actief is in de primaire landbouwproductie en tevens is aan te merken als kleine, middelgrote of micro-onderneming, zoals omschreven in artikel 2 van bijlage 1 bij de Landbouwvrijstellingsverordening.

Artikel 2:3 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor de volgende activiteiten:

    • a.

      Fysieke watergerelateerde maatregelen gericht op het verminderen van water- en/of droogteschade.

    • b.

      Fysieke maatregelen gericht op het beperken van de drinkwateraanvraag door opvang en (her)gebruik van hemelwater en/of grijswater;

    • c.

      Toevoeging en/of verbetering van (water gerelateerde) elementen die bijdragen aan het verbeteren van de biodiversiteit.

    • d.

      Fysieke maatregelen in het landelijk gebied, die waterkwaliteit in B- en C- watergangen verbeteren;

    • e.

      (voorlichtings)activiteiten die bij een breder publiek kennis en bewustzijn over de betekenis van bovenstaande maatregelen versterken.

  • 2.

    Het college kan de subsidiabele activiteiten uit het eerste lid van dit artikel nader beperken tot specifieke subsidiabele maatregelen of activiteiten.

  • 3.

    Het college kan de subsidiabele activiteiten uit het eerste lid bij wettelijk voorschrift nader beperken tot specifieke gebieden binnen het werkgebied van het waterschap.

Artikel 2:4 Aanvraag

  • 1.

    Aanvragen dienen ingediend te worden met gebruikmaking van het door het college vastgestelde aanvraagformulier.

  • 2.

    Bij de aanvraag worden in aanvulling op artikel 5, zesde lid van de verordening in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een kaart of afbeelding van de locatie van de te nemen maatregelen;

    • b.

      een totale begroting van de projectkosten;

    • c.

      een offerte voor de kosten van de uit te voeren maatregelen en activiteiten;

    • d.

      indien het een fysieke maatregel betreft, een beschrijving van de wijze waarop de fysieke maatregel na realisatie in stand gehouden zal worden;

    • e.

      een toestemmingsverklaring van de eigenaar van de grond, indien de aanvrager de grond waarop de fysieke maatregel plaatsvindt dan wel effect heeft, niet in eigendom heeft.

    • f.

      voor stichtingen en verenigingen, haar statuten.

  • 3.

    Indien voor dezelfde activiteiten of maatregelen subsidie is verstrekt of aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag.

  • 4.

    Subsidieaanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst van volledige aanvragen. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld zoals beschreven onder het tweede lid.

Artikel 2:5 Beoordeling van de aanvraag

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen, waarbij de datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van binnenkomst.

  • 2.

    Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    • a.

      mate waarin de aanvraag een bijdrage levert aan het doel en de maatregelen, zoals omschreven in artikel 2:1 en 2:3 (15 punten);

    • b.

      mate waarin de stimuleringsbijdrage bijdraagt in de versnelling of uitbreiding van de realisatie van de maatregel (10 punten);

    • c.

      kwaliteit van het voorstel (5 punten)

  • 3.

    Aanvragen die minimaal 18 punten scoren komen in aanmerking voor een subsidie.

  • 4.

    Indien het college op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt, meer dan één aanvraag ontvangt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van loting.

Hoofdstuk 3 Hoogte subsidie en wijze van verantwoorden

Artikel 3:1 Subsidiecriteria

  • 1.

    De hoogte van de subsidie is maximaal 25% van de subsidiabele kosten voor de uitvoering van de maatregelen waarvoor subsidie wordt verleend op grond van artikel 2:3 en 3:2.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de maatregel of activiteiten worden uitgevoerd in het beheergebied van Waterschap Vallei en Veluwe;

    • b.

      de fysieke maatregelen bovenwettelijk (cq. verplicht op basis van beleid en regelgeving vanuit de overheid) zijn.

    • c.

      de totale begroting van de subsidiabele maatregel of activiteit (exclusief de kosten van onderhoud en instandhouding na realisatie) minimaal € 2.000,-- en maximaal € 140.000,-- bedraagt.

    • d.

      het subsidieplafond in het lopende jaar (1/1 t/m 31/12) niet is overschreden;

    • e.

      geen sprake is van bedrijfsaanpassingen (bijvoorbeeld bedrijfstransformatie) waarin fysieke maatregelen zoals genoemd onder artikel 2:3 worden gerealiseerd.

Artikel 3:2 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1.

    De subsidie heeft uitsluitend betrekking op de naar het oordeel van het college redelijkerwijs gemaakte kosten die resteren na aftrek van bijdragen van derden en die naar het oordeel van het college direct zijn verbonden met en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten bedoeld in de artikelen 2:1 en 2:3.

  • 2.

    Uitsluitend aan derden betaalde kosten voor de realisatie van de gesubsidieerde activiteiten komen voor subsidie in aanmerking.

  • 3.

    De BTW over aan derden verschuldigde kosten, voor zover deze niet verrekenbaar of compensabel zijn, komen voor subsidie in aanmerking.

  • 4.

    Niet voor subsidie in aanmerking komen:

    • a.

      de kosten die naar het oordeel van het college niet in verhouding staan tot de maatregelen;

    • b.

      de kosten die eerder door het college op basis van deze subsidieregeling zijn gesubsidieerd, waarvoor een andere subsidieregeling van kracht is of die op een andere wijze door het college of vanuit het Waterschap worden gefinancierd;

    • c.

      de restwaarde van specifiek voor de subsidiabele maatregelen aangeschafte apparatuur (zoals een pomp);

    • d.

      kosten en materialen die al zijn gemaakt of aangeschaft voordat de subsidie is aangevraagd;

    • e.

      kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag;

    • f.

      kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties;

    • g.

      kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager;

    • h.

      kosten gemaakt na afloop van de in de verleningsbeschikking opgenomen projectperiode met uitzondering van accountantskosten, indien de beschikking tot subsidieverlening hiertoe een verplichting heeft opgenomen;

    • i.

      fooien, geschenken, gratificaties en bonussen;

    • j.

      kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten.

Artikel 3:3 Vaststelling van subsidie

  • 1.

    Tenzij in de beschikking subsidieverlening anders is bepaald, wordt bij een maximale subsidie die niet hoger is dan EUR 5.000,=, de subsidie zonder voorafgaande verlening vastgesteld;

  • 2.

    Bij een vaststelling zonder voorafgaande verlening als bedoeld in het eerste lid, is de aanvrager verplicht om op de in de beschikking aangegeven wijze aan te tonen dat de maatregel of activiteit waarvoor de subsidie wordt verstrekt, is verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen en prestaties.

  • 3.

    Indien de subsidieontvanger de verplichting tot het indienen van een aanvraag om subsidievaststelling is opgelegd, bevat dit verzoek minimaal:

    • a)

      een foto van de uitgevoerde fysieke maatregel;

    • b)

      een globale beschrijving van uitgevoerde werkzaamheden en bereikte resultaten;

    • c)

      kopieën van de betaalde kosten aan derden en een betalingsbewijs van deze kosten, op naam van de aanvrager;

    • d)

      het totaal van de subsidiabele kosten;

    • e)

      het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen en subsidies van derden, en

    • f)

      wat het totaal van de eigen bijdragen is.

  • 4.

    Bij subsidieverlening op grond van artikel 2:3, eerste lid, onderdeel e, een overzicht van de resultaten en conclusies vanuit de gesubsidieerde activiteiten, evenals een afschrift van de opgeleverde communicatie uitingen en publicaties.

  • 5.

    Het waterschap kan voor de vaststelling van de subsidie aanvullende eisen stellen aan de aanvrager ten aanzien van rapportage over en verspreiding van de resultaten, indien dit bijdraagt aan de realisatie van de doelen van het waterschap.

  • 6.

    De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend uiterlijk 13 weken na de datum waarop de activiteiten zoals vastgelegd in de beschikking subsidieverlening zijn uitgevoerd.

  • 7.

    Het college kan vastgestelde subsidies steekproefsgewijs controleren.

Artikel 3:4 Uitbetaling subsidie

  • 1.

    Het college kan voorschotten verlenen op de subsidie.

  • 2.

    De voorschotten bedragen in totaal ten hoogste 50% van de maximaal verleende subsidie.

  • 3.

    Uitbetaling van voorschotten op de subsidie vindt plaats binnen 10 weken na het verzoek daartoe.

  • 4.

    Uitbetaling van subsidie vindt plaats binnen 6 weken na vaststelling van de subsidie, onder verrekening van eventueel reeds verleende voorschotten.

  • 5.

    In bijzondere gevallen kan het college afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid.

Artikel 3:5 Verplichtingen

  • 1.

    Subsidieontvanger dient de opgedane ervaringen en kennis te delen met het college.

  • 2.

    Subsidieontvanger is verplicht binnen 6 maanden na subsidieverlening met de uitvoering van de gesubsidieerde maatregelen te starten.

  • 3.

    Gesubsidieerde maatregelen worden door de subsidieontvanger vijf jaar in stand gehouden, gerekend vanaf de vaststellingsdatum van de subsidie, tenzij hier andere afspraken met het college over worden gemaakt.

  • 4.

    Subsidieontvanger verleent het college toegang en medewerking voor controle op de aanleg, werking en instandhouding van de gesubsidieerde fysieke maatregelen.

  • 5.

    Subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten.

  • 6.

    Indien de subsidie is verleend onder gebruikmaking van Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352) is de bewaartermijn uit het tweede lid 10 jaar.

  • 7.

    Subsidieontvanger heeft een meldingsplicht indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 8.

    De beschikking tot subsidieverlening kan naar aanleiding van een melding als bedoeld in het zevende lid worden gewijzigd indien deze past binnen de daarop van toepassing zijnde wettelijke voorschriften en niet onredelijk laat is gedaan.

  • 9.

    Indien een subsidie niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kan het college de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, eenmaal per jaar verplichten om een voortgangsrapportage te overleggen.

Artikel 3:6 Weigeringsgronden

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de wet en artikel 6 van de verordening weigert het college een subsidie als hij van oordeel is dat:

  • a.

    uit de aanvraag blijkt dat de organisatie van de aanvrager naar gangbare bedrijfseconomische principes financieel ongezond is of de financiële continuïteit dan wel de continuïteit van de bedrijfsvoering van de aanvrager onzeker is;

  • b.

    de kwaliteit van de beoogde activiteiten of maatregelen, of de kwaliteit van de organisatie van de aanvrager niet of onvoldoende geschikt is om voldoende bij te dragen aan de beleidsdoelstellingen;

  • c.

    de aanvrager niet of onvoldoende in staat is om de activiteiten of maatregelen naar behoren uit te voeren of de rechtsvorm van de organisatie van de aanvrager niet geschikt is om de activiteiten of maatregelen te verwezenlijken waarvoor subsidie is aangevraagd;

  • d.

    de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten of maatregelen die reeds in voldoende mate door anderen worden uitgevoerd of op grond van enige regeling reeds subsidie of een andere vorm van staatssteun is verstrekt;

  • e.

    op grond van de in de Landbouwvrijstellingsverordening toegestane maximale steunintensiteit overschrijdt;

  • f.

    tegen de onderneming van de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard;

  • g.

    de subsidieverstrekking anderszins in strijd zou zijn met de Landbouwvrijstellingsverordening;

  • h.

    voor de maatregelen of activiteit, indien noodzakelijk, geen vergunning verleend wordt;

  • i.

    met het uitvoeren van de maatregel is gestart voordat de subsidie is aangevraagd;

  • j.

    de maatregel in aanmerking komt voor een bijdrage vanuit de vanuit het programma Zoetwatervoorziening Oost Nederland of vanuit het GLB.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4:1 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 4:2 Intrekking

De Regeling stimuleringsbijdrage landelijk gebied 2020 en de Regeling stimuleringsregeling stedelijk gebied 2023 worden ingetrokken.

Artikel 4:3 Overgangsrecht

De bepalingen van de Regeling stimuleringsbijdrage landelijk gebied 2020 en de Regeling stimuleringsregeling stedelijk gebied 2023 blijven van toepassing op subsidies die zijn aangevraagd op basis van deze Regelingen en waarop nog niet onherroepelijk is beslist.

Artikel 4:4 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als ‘Subsidieregeling Klimaatadaptatie’.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 24 november 2025.

drs. ing. K.A. Blokland, secretaris

mr. S.H.M. Ornstein MCPm, dijkgraaf

Naar boven