Waterschapsblad van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden | Waterschapsblad 2026, 26933 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden | Waterschapsblad 2026, 26933 | beleidsregel |
Wijzigingsbesluit beleidsregels bij de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van dijkgraaf en hoogheemraden op 22 september 2026.
J.C.H. Haan
voorzitter
F.H.M. Apeldoorn
secretaris-directeur
Paragraaf 4.12.1 van de beleidsregels wordt vervangen en komt te luiden als volgt:
Als voor de activiteit beplanting aanbrengen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.
Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.
Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.
Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.
Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanbrengen van beplanting bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten:
Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel:
ad a: het garanderen van de aan- en afvoer van water
Bij het aanbrengen van beplanting in het bestaande natte profiel van een watergang wordt het doorstroomprofiel en daarmee de doorvoercapaciteit van de watergang verkleind. Aanvragen worden getoetst op het handhaven van het minimale aan- en/of afvoerprofiel, gebaseerd op de aan- en/of afvoernorm voor het achterliggende gebied. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het doorstroomprofiel blijft voldoen aan de aan- en/of afvoernorm.
ad b: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd
Door het aanbrengen van beplanting in het doorstroomprofiel van een primaire watergang kan het – al dan niet varend - onderhoud worden belemmerd. Indien uit toetsing van de vergunningaanvraag blijkt dat dit het geval is, wordt nagegaan of de beplanting zo aangebracht kan worden, of de watergang zo aangepast kan worden, dat onderhoud mogelijk blijft. Bij zwaarwegende belangen kan bijvoorbeeld in de vergunning een voorschrift worden opgenomen dat een extra inlaatplaats voor de maaiboot aangelegd moet worden.
Beplanting in het droog talud van een secundaire watergang kan worden vergund, aangezien het maaionderhoud van de watergang niet door het waterschap wordt gedaan.
Beplanting in het droog talud van een primaire watergang kan worden vergund als er aan de zijde waar de beplanting wordt aangebracht geen beschermingszone A ligt.
Ligt er aan de zijde waar de beplanting wordt aangebracht wel een beschermingszone A, dan kunnen bomen in principe worden vergund als ze met een onderlinge afstand van minimaal 7 meter worden aangebracht, zodat de maaikorf van een onderhoudsvoertuig tussen de bomen door kan bewegen. Ook moeten ze zodanig onderhouden worden dat ze een kruinhoogte krijgen en behouden van minimaal 4 meter, tenzij het gaat om knotbomen dan is een kruinhoogte van minimaal 2 meter voldoende.
Beplanting, anders dan bomen, aanbrengen in het droog talud van een primaire watergang aan de zijde waar een beschermingszone A ligt zal per geval getoetst moeten worden. Dit geldt ook voor gevallen die niet aan bovenstaande voldoen, bijvoorbeeld bomen die op 6 meter uit elkaar worden aangebracht (waar minimaal 7 meter nodig is).
Er wordt getoetst of normaal machinaal onderhoud van de watergang mogelijk blijft, bijvoorbeeld vanaf de andere oever of varend. Het belang van de initiatiefnemer wordt afgewogen tegen het algemeen belang dat het onderhoud goed kan worden uitgevoerd tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud vanaf de oever of eventueel vanaf het water mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Als er bomen worden aangebracht in de beschermingszone A van een watergang dan moeten ze aangebracht worden in de zone van 1,25 meter breed uit de insteek van de watergang, zie figuur 5.3 hieronder, of op een afstand van minimaal 3,75 meter uit de insteek van de watergang, zie figuur 5.4 hieronder, zodat het onderhoud niet wordt gehinderd. Voor de zone van 1,25 meter breed uit de insteek van de watergang gelden voor de bomen ook voorwaarden voor de onderlinge afstand van die bomen. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 7 meter, zodat de maaikorf van een onderhoudsvoertuig tussen de bomen door kan bewegen. Voor bomen in de zone van 1,25 meter breed uit de insteek van de watergang geldt bovendien een minimale kruinhoogte van minimaal 4 meter, tenzij het gaat om knotbomen dan is een kruinhoogte van minimaal 2 meter voldoende. Voor bomen in de zone van minimaal 3,75 meter uit de insteek van de watergang geldt een kruinhoogte van minimaal 4 meter.
In de zone van minimaal 3,75 meter uit de insteek van de watergang zijn windsingels ook vergunbaar, mits ze zodanig worden onderhouden dat ze niet te breed worden en alsnog binnen de zone van 3,75 meter uit de insteek van de watergang komen.
Andere situaties dan hierboven genoemd worden per geval getoetst of normaal machinaal onderhoud van de watergang mogelijk blijft, bijvoorbeeld vanaf de andere oever of varend. Het belang van de initiatiefnemer wordt afgewogen tegen het algemeen belang dat het onderhoud goed kan worden uitgevoerd tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud vanaf de oever of eventueel vanaf het water mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Figuur 5.3 Bovenaanzicht beplanting in de beschermingszone A van een watergang, situatie met obstakelvrij onderhoudspad op 1,25 meter uit de insteek van de watergang
Figuur 5.4 Bovenaanzicht beplanting in de beschermingszone A van een watergang, situatie met obstakelvrij onderhoudspad direct naast de insteek van de watergang
Bomen, struiken of heggen, die in een beschermingszone B worden aangebracht, kunnen het vervangen van de beschoeiing bemoeilijken. Eveneens kan een beschoeiing beschadigd raken door wortelgroei.
Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat:
Bomen, struiken of heggen die in een beschermingszone K worden aangebracht, kunnen de bediening en het onderhoud van het kunstwerk belemmeren. In deze zone kunnen bomen, struiken of heggen alleen worden toegestaan indien de toegang tot het kunstwerk voor bediening en onderhoud niet wordt belemmerd. In het algemeen zullen daarom alleen klein blijvende bomen, struiken of heggen worden vergund. Hiermee blijft ook het risico op beschadiging van het kunstwerk beperkt.
Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.
Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.
Het aanbrengen van beplanting in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt voor de werkzaamheden om de beplanting aan te brengen, maar ook voor de aanwezigheid van de beplanting (bijvoorbeeld ontgrondingskuil, schaduwwerking).
Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanbrengen van beplanting bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten:
4.12.1.4 Natuurvriendelijke oever en vaarweg
Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever of een vaarweg en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever of de vaarweg, dan zijn respectievelijk de beleidsregels uit de paragrafen 4.1.4 of 4.1.5 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.
Paragraaf 4.14 van de beleidsregels wordt vervangen en komt te luiden als volgt:
Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten van een overig bouwwerk en het verwijderen van een overig bouwwerk.
4.14.1 Overig bouwwerk oprichten
Als voor de activiteit overigbouwwerk oprichten een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.
Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.
Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.
Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een watergang een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.
Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor het oprichten van een overig bouwwerk bij een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten:
Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel:
ad a: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste
Tijdelijke afdammingen om bijvoorbeeld werkzaamheden uit te voeren kunnen worden vergund zonder dat dit gecompenseerd hoeft te worden.
ad b: het garanderen van de aan- en afvoer van water
Een bouwwerk in het water kan effect hebben op het doorstroomprofiel van een primaire of secundaire watergang. Er wordt daarom getoetst of door de verkleining van het profiel de watergang nog voldoet aan de aan- en afvoernorm.
Voor tijdelijke bouwwerken die de watergang dermate versmallen dat de afvoer en aanvoernorm niet meer gehandhaafd blijft, worden voorschriften opgenomen om de doorvoer van water te garanderen. Bijvoorbeeld door de inzet van pompen of een bypass.
Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het doorstroomprofiel aan de gestelde norm moet blijven voldoen.
Een kortdurende versmalling (maximaal enkele dagen) kan worden vergund op voorwaarde dat er in deze periode geen neerslag wordt voorspeld, waardoor tijdelijk een kleiner profiel acceptabel is.
Een kortdurende afdamming (maximaal enkele dagen) kan worden vergund op voorwaarde dat er in deze periode geen neerslag wordt voorspeld. Eventueel kunnen mitigerende maatregelen in de vergunning worden opgenomen (bijvoorbeeld het plaatsen van een pomp).
ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd
Door het permanent of langdurig plaatsen van een bouwwerk in het doorstroomprofiel van een primaire watergang kan het – al dan niet varend - onderhoud worden belemmerd. Indien uit toetsing van de vergunningaanvraag blijkt dat dit het geval is, wordt nagegaan of het bouwwerk zo geplaatst kan worden, of de watergang zo aangepast kan worden, dat onderhoud mogelijk blijft. Bij zwaarwegende belangen kan bijvoorbeeld in de vergunning een voorschrift worden opgenomen dat een extra inlaatplaats voor de maaiboot aangelegd moet worden.
Voor tijdelijke bouwwerken die de watergang versmallen zal, indien de watergang varend wordt onderhouden, eerst beoordeeld worden of in de periode van de versmalling ook onderhoud zal plaatsvinden. Indien dit het geval is zullen in de vergunning voorschriften worden opgenomen voor het in stand houden van de minimale doorvaartbreedte. Indien hiervoor vergunning wordt verleend, wordt tenminste een voorschrift opgenomen dat onderhoud mogelijk moet blijven.
Bij de aanleg van zonnepanelen in, op of boven oppervlaktewater is dat lastiger. Zeker als het gaat om grootschalige toepassingen. Als jaarlijks maaionderhoud ernstig wordt belemmerd dan kan dat een reden zijn om geen vergunning te verlenen, tenzij de betreffende watergang dusdanig breed is dat er ter plaatse van de aan te leggen zonnepanelen niet gemaaid hoeft te worden.
Een bouwwerk in het droog talud van een secundaire watergang kan worden vergund, aangezien het maaionderhoud van de watergang niet door het waterschap wordt gedaan.
Een bouwwerk in het droog talud van een primaire watergang kan worden vergund als er aan de zijde waar het bouwwerk wordt opgericht geen beschermingszone A ligt en het bouwwerk niet over het water hangt.
Ligt er aan de zijde waar het bouwwerk wordt opgericht wel een beschermingszone A, dan kunnen vrijstaande bouwwerken in principe worden vergund als ze met een onderlinge afstand van minimaal 7 meter worden opgericht, zodat de maaikorf van een onderhoudsvoertuig tussen de bouwwerken door kan bewegen, en niet over het water hangen. Bovendien geldt dat de afmetingen van het bouwwerk zelf ook beperkt moeten zijn, zoals bijvoorbeeld straatlantaarns.
Het oprichten van andere bouwwerken in het droog talud van een primaire watergang aan de zijde waar een beschermingszone A ligt zal per geval getoetst moeten worden. Dit geldt ook voor gevallen die niet aan bovenstaande voldoen, bijvoorbeeld bouwwerken die op 6 meter uit elkaar worden opgericht (waar minimaal 7 meter nodig is) of wel boven het water hangen.
Er wordt getoetst of normaal machinaal onderhoud van de watergang mogelijk blijft, bijvoorbeeld vanaf de andere oever of varend. Het belang van de initiatiefnemer wordt afgewogen tegen het algemeen belang dat het onderhoud goed kan worden uitgevoerd tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud vanaf de oever of eventueel vanaf het water mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Als vrijstaande bouwwerken worden opgericht in de beschermingszone A van een watergang dan moeten ze aangebracht worden in de zone van 1,25 meter breed uit de insteek van de watergang, zie figuur 12.1 hieronder, of op een afstand van minimaal 3,75 meter uit de insteek van de watergang, zie figuur 12.2 hieronder, zodat het onderhoud niet wordt gehinderd. Voor de zone van 1,25 meter breed uit de insteek van de watergang gelden voor de vrijstaande bouwwerken ook voorwaarden voor de onderlinge afstand van die bouwwerken. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 7 meter, zodat de maaikorf van een onderhoudsvoertuig tussen de bouwwerken door kan bewegen, waarbij eventuele (grote) horizontale delen van/aan het bouwwerk op een hoogte van minimaal 4 meter boven maaiveld zitten.
Een doorgaand bouwwerk, bijvoorbeeld een vangrail, mag alleen op 1,25 meter uit de insteek van de watergang worden opgericht en mag dan maximaal 1,10 meter hoog zijn (zie figuur 12.1 hieronder). Doorgaande bouwwerken op een afstand van minimaal 3,75 meter uit de insteek van de watergang zijn in principe ook vergunbaar.
Andere situaties dan hierboven genoemd worden per geval getoetst of normaal machinaal onderhoud van de watergang mogelijk blijft, bijvoorbeeld vanaf de andere oever of varend. Het belang van de initiatiefnemer wordt afgewogen tegen het algemeen belang dat het onderhoud goed kan worden uitgevoerd tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud vanaf de oever of eventueel vanaf het water mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Figuur 12.1 Bovenaanzicht objecten in de beschermingszone A van een watergang, situatie met obstakelvrij onderhoudspad op 1,25 meter uit de insteek van de watergang
Figuur 12.2 Bovenaanzicht objecten in de beschermingszone A van een watergang, situatie met obstakelvrij onderhoudspad direct naast de insteek van de watergang
Bouwwerken die worden geplaatst in een beschermingszone B kunnen het vervangen van de beschoeiing belemmeren. Indien vergunning wordt verleend, wordt hierin tenminste een voorschrift opgenomen dat het bouwwerk het vervangen van de beschoeiing niet mag belemmeren of dat het bouwwerk (tijdelijk) moet worden verwijderd bij vervanging van de beschoeiing.
Bouwwerken die in een beschermingszone K worden opgericht, kunnen de bediening en het onderhoud van het kunstwerk belemmeren. In deze zone kunnen bouwwerken alleen worden toegestaan indien de toegang tot het kunstwerk voor bediening en onderhoud niet wordt belemmerd. In het algemeen zullen daarom alleen kleine bouwwerken worden vergund.
ad d. het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers
Het waterschap heeft op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de verplichting om te streven naar ecologisch gezond water. Grote bouwwerken (bijvoorbeeld zonnepanelen) in, op of boven oppervlaktewater hebben effect op veel ecologische stuurvariabelen in en om het water, zoals schaduw, windrichting, zuurstofcondities en habitat. Het totaaleffect op de waterkwaliteit is daardoor lastig te voorspellen. Het is echter o.a. afhankelijk van de grootte en mate van bedekking van het oppervlaktewater.
Voor onder andere nieuw te plaatsen zonnepanelen op, in en over het water geldt een vergunningplicht. Vergunningaanvragen worden getoetst op effecten op de waterkwaliteit en ecologie. Randvoorwaarde is dat er geen ecologische achteruitgang optreedt. Er wordt samen met de initiatiefnemer gekeken of het mogelijk is het ontwerp zo aan te passen dat aan deze ecologische randvoorwaarden kan worden gedaan.
Voor zonnepanelen op water, zie voor meer informatie Handreiking voor vergunningverlening drijvende zonnepanelen op water (STOWA 2018-73).
De aanvraag zal per geval worden bekeken en worden getoetst aan de volgende parameters:
Mate van bedekking van het waterlichaam: Uit onderzoek komt naar voren dat 10% bedekking met bijvoorbeeld zonnepanelen waarschijnlijk weinig effect heeft op de waterkwaliteit en 90% waarschijnlijk veel. Hoe dit precies uitwerkt is afhankelijk van (onder meer) het percentage bedekking van het oppervlaktewater met de panelen, de ruimte tussen de panelen, de ligging van de panelen in de watergang en de kenmerken van de watergang (waaronder waterdiepte). Aanvragen met lage bedekkingen (<50%) zijn kansrijker.
Het totaal te plaatsen oppervlakte: Wanneer bijvoorbeeld zonnepanelen worden geplaats op het wateroppervlak neem dit ook ruimte weg voor de groei van bijvoorbeeld drijfbladplanten. Zij kunnen zich niet vestigen op de locaties van het paneel. In hoeverre meer zonnepanelen de kans op verslechtering van de waterkwaliteit vergoot is ook afhankelijk van de andere parameters.
Mate van lichtdoorlatendheid: Door de aanleg van bijvoorbeeld zonnepanelen in het water wordt de lichtinstraling tegengehouden. Hierdoor komt er minder licht op de bodem waardoor wortelende planten zich mogelijk minder goed vestigen en de fysisch-chemische waterkwaliteit veranderd. Gedeeltelijke lichtdoorlatendheid van de zonnepanelen zwakt de effecten van de bedekking op de waterkwaliteit af.
Wijze van plaatsing: Het plaatsen van bijvoorbeeld schuine zonnepanelen, of op een verhoging, om de uitwisseling met lucht te verhogen en dus meer zuurstofaanvoer te krijgen, zijn kansrijker.
Locatie en natuurwaarde: Worden er bijvoorbeeld zonnepanelen aangelegd in of nabij een natuurgebied? Of in of nabij een KRW-waterlichaam? Is er beschermde flora en fauna aanwezig? Dat maakt de kans op het verlenen van een vergunning kleiner.
Voor projecten waarbij zonnepanelen op het wateroppervlak worden gelegd, worden afhankelijk van de situatie alleen maar tijdelijke vergunningen afgegeven voor een periode van 5 tot 16 jaar. Dit omdat de voorspelbaarheid van het uiteindelijke ecologisch effect lastig is gezien de complexiteit van factoren en omdat landelijk nog onvoldoende kennis aanwezig is. Bij het bepalen van de toegestane duur van de vergunning wordt onder andere rekening gehouden met: het type watergang/waterplas, de diepte van de watergang/waterplas, de reeds aanwezige ecologische kwaliteit, de gevoeligheid/kwetsbaarheid van het gebied, de functie van de watergang/waterplas en het percentage bedekt oppervlak. Indien vergunning wordt verleend, is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het voorkomen van verslechtering van de waterkwaliteit. Om dit te monitoren wordt er in samenspraak met het waterschap een monitoringsplan opgesteld om hieraan te kunnen toetsen. Indien een verslechtering lijkt op te treden kan een tijdelijke vergunning niet of na aanpassing (bijvoorbeeld door verwijdering van enkele panelen) weer worden verleend. Ook kunnen bijvoorbeeld mitigerende maatregelen worden voorgeschreven. Als er geen verslechtering is opgetreden kan de vergunning zonder aanpassing worden verlengd.
Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.
Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.
Het oprichten van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Dit geldt voor de werkzaamheden om het overig bouwwerk op te richten, maar ook voor de aanwezigheid van het overig bouwwerk.
Als er een nieuwe kabel of een nieuwe aftakking van een bestaande kabel naar het bouwwerk moet worden aangelegd dan geldt ook de beleidsregel voor Kabel of leiding aanleggen.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor het oprichten van een overig bouwwerk bij een waterkering wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen waterkeringen. Daarnaast worden voor het plaatsen van zonnepanelen bij een primaire waterkering aanvullende voorwaarden gesteld.
1. Oprichten van een overig bouwwerk bij een primaire waterkering
Bij de beoordeling van een aanvraag voor het oprichten van een overig bouwwerk bij een primaire waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten:
2. Plaatsen van zonnepanelen bij een primaire waterkering
Bij de beoordeling van een aanvraag voor het plaatsen van zonnepanelen bij een primaire waterkering kijken wij, naast de aspecten onder lid 1 (Oprichten van een overig bouwwerk bij een primaire waterkering), aanvullend naar onderstaande overwegingen en voorwaarden.
Zonnepanelen op de kruin, taluds of de beheerstrook van 5 meter van een primaire waterkering zijn in het kader van de waterveiligheid in beginsel niet toegestaan. Onder strikte voorwaarden kunnen zonnepanelen wel worden toegestaan op de binnenzijde van de primaire waterkering, op en vanaf de binnenberm. Hieraan worden de volgende voorwaarden verbonden:
3. Oprichten van een overig bouwwerk bij een regionale of overige waterkering
Bij de beoordeling van een aanvraag voor het oprichten van een overig bouwwerk bij een regionale of overige waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten:
4. Oprichten van een overig bouwwerk bij een zomerkade
Bij de beoordeling van een aanvraag voor het oprichten van een overig bouwwerk bij een zomerkade houden wij rekening met de volgende aspecten:
4.14.1.4 Natuurvriendelijke oever en vaarweg
Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever of een vaarweg en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever of de vaarweg, dan zijn respectievelijk de beleidsregels uit de paragrafen 4.1.4 of 4.1.5 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.
4.14.2 Overig bouwwerk verwijderen
Als voor de activiteit overig bouwwerk verwijderen een vergunningplicht geldt, dan mag de activiteit niet worden uitgevoerd zonder vergunning. In aanvulling op de algemene beoordelingsregel uit artikel 1.16 van de waterschapsverordening, zijn op deze activiteit de beleidsregel uit paragraaf 4.1 en de beleidsregel uit deze paragraaf van toepassing. In deze paragraaf staat ons beleid en wordt kenbaar gemaakt waaraan een vergunningaanvraag wordt getoetst. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend.
Voordat een vergunning wordt aangevraagd bestaat de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Via zo’n overleg kan in samenspraak met het waterschap tot een goede aanvraag worden gekomen.
Het aanvragen van een vergunning bij het waterschap kan via de website van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen.
Voor het verwijderen van een overig bouwwerk bij een watergang geldt in de waterschapsverordening geen vergunningplicht. Daarom is er geen beleidsregel voor het verwijderen van een overig bouwwerk bij een watergang.
Als er in de waterschapsverordening voor deze activiteit bij een waterkering een vergunningplicht geldt, dan zijn het afwegingskader en de regels in deze paragraaf van toepassing.
Daarnaast moet ook altijd aan de specifieke zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 1.9 van de waterschapsverordening.
Het verwijderen van een overig bouwwerk in de zone waterstaatswerk van een waterkering kan een negatief effect hebben op de waterkerende functie van de waterkering.
Als er een kabel of een aftakking van een kabel naar het te verwijderen bouwwerk ligt moet deze ook worden verwijderd. Hiervoor geldt de beleidsregel voor Kabel of leiding verwijderen.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van een overig bouwwerk bij een waterkering houden wij rekening met de volgende aspecten:
4.14.2.4 Natuurvriendelijke oever
Als het uitvoeren van de activiteiten gevolgen heeft voor een natuurvriendelijke oever en er geldt vanuit de regelgeving in de waterschapsverordening een vergunningplicht vanwege de gevolgen hiervan voor de natuurvriendelijke oever, dan is de beleidsregel uit paragraaf 4.1.4 van toepassing op de uit te voeren activiteiten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2026-26933.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.