Waterschapsblad van Waterschap Drents Overijsselse Delta
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Drents Overijsselse Delta | Waterschapsblad 2026, 25460 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Drents Overijsselse Delta | Waterschapsblad 2026, 25460 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het dagelijks bestuur van Waterschap Drents Overijsselse Delta;
gezien het advies d.d. …………… 2026;
gelet op de artikelen 56 en 77 van de Waterschapswet, de artikelen 2.5 en 2.8 van de Omgevingswet en artikel 1 van het Delegatiebesluit Waterschap Drents Overijsselse Delta 2024-II (Waterschapsblad 2024, nr. 23490);
Besluit:
De Waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta te wijzigen zoals is aangegeven in 'bijlage A'.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Tweede wijziging Waterschapsverordening Drents Overijsselse Delta.
Aldus vastgesteld door het dagelijks bestuur op .. ………… 2026
…………………., de secretaris
…………………., de dijkgraaf
A
Artikel 1.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied van A-oppervlaktewaterlichaam en B-oppervlaktewaterlichaam gezamenlijk is opgenomen in het informatieobject oppervlaktewaterlichaam_beperkingengebied_AB en afgebeeld in Bijlage II bij deze verordening.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied van oppervlaktewaterlichaam is opgenomen in het informatieobject oppervlaktewaterlichaam_beperkingengebied en afgebeeld in Bijlage II bij deze verordening.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebiedwaterstaatswerk van A-oppervlaktewaterlichaam en B-oppervlaktewaterlichaam gezamenlijk is opgenomen in het informatieobject oppervlaktewaterlichaam_waterstaatswerk_AB en afgebeeld in Bijlage II bij deze verordening.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebiedbeschermingszone van A-oppervlaktewaterlichaam en B-oppervlaktewaterlichaam gezamenlijk is opgenomen in het informatieobject oppervlaktewaterlichaam_categorie_A afgebeeld in Bijlage II bij deze verordening.
gezamenlijk is opgenomen in het informatieobject oppervlaktelichaam_beschermingszone_AB afgebeeld in Bijlage II bij deze verordening.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied van A-oppervlaktewaterlichaam is opgenomen in het informatieobject oppervlaktewaterlichaam_categorie_A en afgebeeld in Bijlage II bij deze verordening.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied van B-oppervlaktewaterlichaam is opgenomen in het informatieobject oppervlaktewaterlichaam_categorie_B en afgebeeld in bijlage II bij deze verordening.
De geometrische begrenzing van het beperkingengebied peilgebiedgrens van oppervlaktewaterlichaam is opgenomen in het informatieobject oppervlaktewaterlichaam_peilgebiedgrens en afgebeeld in Bijlage II bij deze verordening.
B
Artikel 1.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Artikel 1.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Naast de gegevens en bescheiden genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, bedoeld in Hoofdstuk 3 , de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de naam, het adres en het e-mailadres van degene die de activiteit verricht;
een omschrijving van het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;
het aantal in te richten putten;
de coördinaten van iedere put;
de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van elke put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
de lengte in meters van het effectieve filter of de effectieve filters in iedere put;
de capaciteit van de put in kubieke meter per uur;
het aantal pompen en de onttrekkingscapaciteit per pomp in kubieke meter per uur;
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;
de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
de wijze van lozen; en
als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:
1°. de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;
2°. de diepte in metermeters waarop het water in de bodem wordt gebracht;
3°. een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;
4°. de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en
5°. een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
D
Artikel 1.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De vergunningplicht en meldplicht in Afdeling 2.1 tot en met Afdeling 2.13 , Afdeling 2.14 , voor zover die betrekking heeft op beschoeiing, Afdeling 2.15 , Afdeling 2.20, paragraaf 2.21.2, paragraaf 2.21.3 en Afdeling 2.232.22 tot en met Afdeling 2.34 zijn niet van toepassing op activiteiten die worden verricht door of in opdracht van het waterschap, ten behoeve van de opgedragen taken op grond van artikel 2 van de Waterschapswet.
Het eerste lid is niet van toepassing op peilwijziging ten opzichte van een peilbesluit.
E
Na afdeling 1.10 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Het dagelijks bestuur kan een omgevingsvergunning en de daaraan verbonden voorschriften wijzigen of intrekken.
Wijzigen of intrekken kan plaatsvinden met het oog op de doelen van deze verordening.
Intrekken kan plaatsvinden als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
Wijzigen of intrekken vindt plaats als een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een wettelijk voorschrift ter uitvoering daarvan, daartoe verplicht.
Een omgevingsvergunning wordt niet ingetrokken als kan worden volstaan met het wijzigen of aanvullen van die omgevingsvergunning.
Het dagelijks bestuur kan een maatwerkvoorschrift wijzigen of intrekken.
Wijzigen of intrekken kan plaatsvinden met het oog op de doelen van deze verordening.
Wijzigen of intrekken vindt plaats als een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een wettelijk voorschrift ter uitvoering daarvan, daartoe verplicht.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet ingetrokken als kan worden volstaan met het wijzigen of aanvullen van dat maatwerkvoorschrift.
F
Artikel 2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, in stand houden of veranderen en behouden van een afrastering in het beperkingengebied van een waterkering .
G
Artikel 2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, in stand houden of veranderen van een afrastering in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
H
Artikel 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op het plaatsen, in stand houden of veranderen van een afrastering in de beschermingszone van een A-oppervlaktewaterlichaam, met dien verstande dat het tweede lid niet van toepassing is als het oppervlaktewaterlichaam wordt onderhouden met een smalspoormachine.
Degene die de activiteit verricht niet evenwijdig aan een oppervlaktewaterlichaam dat volgens de legger in onderhoud is bij het waterschap, zorgt ervoor dat:
de afrastering is voorzien van een goed onderhouden draaihek dat een doorrijbreedte heeft van minimaal 5,0 m, of is voorzien van een andere doelmatige voorziening;
de draden van een afrastering over een onderhoudspad, zonder hulpmiddelen met de hand kunnen worden verwijderd en dat een schrikdraadafrastering over dit pad is voorzien van geïsoleerde handgrepen;
de sluitzijde van een draaihek aan de kant van het oppervlaktewaterlichaam is; en
de stabiliteit van de oever niet vermindert door het plaatsen van een draaihek of een andere doelmatige voorziening als bedoeld in onderdeel a.
Degene die de activiteit verricht evenwijdig aan een oppervlaktewaterlichaam dat volgens de legger in onderhoud is bij het waterschap, zorgt ervoor dat de afrastering:
niet hoger is dan 1,0 m;
op 0,30 m uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam staat, tenzij sprake is van een situatie als genoemd onder c of d;
op minimaal 2,0 m uit de insteek staat als het oppervlaktewaterlichaam wordt onderhouden met een smalspoormachine;
op minimaal 5,0 m uit de insteek staat als er langs het oppervlaktewaterlichaam een onderhoudspad voor breedspoormachines is.
In afwijking van het tweede en derde lid mag er in periode van 1 november tot en met 31 maart geen afrastering in de beschermingszone van de Overijsselse Vecht staan.
I
Artikel 2.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het bewerken van de bodem in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
J
Paragraaf 2.5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het telen van gewassen in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
K
Artikel 2.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het plaatenplaatsen, in stand houden of veranderen van anti-worteldoek in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
L
Artikel 2.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op plaatsen of in stand houden van beplanting in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
M
Artikel 2.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Artikel 2.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Artikel 2.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, in stand houden of veranderen van een klein object in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
P
Artikel 2.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Paragraaf 2.11.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, in stand houden of veranderen van een schutting in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een schutting te plaatsen en behouden:
in een oppervlaktewaterlichaam, als:
1˚. het een A- of B-oppervlaktewaterlichaam is; of
2˚. het oppervlaktewaterlichaam is aangelegd op basis van een projectplan, projectbesluit, watervergunning, omgevingsvergunning of melding;
in een A- of B-oppervlaktewaterlichaam;
in de beschermingszone van een A-oppervlaktewaterlichaam, als:
1˚. dat oppervlaktewaterlichaam is gelegen buiten de bebouwde kom;
2˚. de beschermingszone met machines wordt bereden voor onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam; of
3˚. de schutting de instandhouding van het oppervlaktewaterlichaam in gevaar brengt.
R
Artikel 2.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, in stand houden of veranderen van straatlantaarn of verkeersbord in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
S
Het opschrift van afdeling 2.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Paragraaf 2.13.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of in stand houden of veranderen van een vlonder in het beperkingengebied van een waterkering .
U
Paragraaf 2.13.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of, in stand houden of veranderen van een vlonder in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
De zorgplicht, bedoeld in Artikel 1.16 , houdt in ieder geval in dat het bouwen of , in stand houden of veranderen van een vlonder geen nadelige gevolgen voor de waterdoorvoer van een oppervlaktewaterlichaam heeft.
Dit artikel is van toepassing op het bouwen of, in stand houden of veranderen van een vlonder op het talud van een A- of B-oppervlaktewaterlichaam of in de beschermingszone van een A-oppervlaktewaterlichaam, mits in die zone geen onderhoudspad of onderhoudsroute ligt.
Degene die de activiteit verricht bouwt de vlonder , doet dat buiten het leggerprofiel en, in horizontale richting, tot uiterlijk op de waterlijn van het oppervlaktewaterlichaam.
Het is verboden een activiteit als bedoeld in Artikel 2.62, eerste lid , te verrichten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden.
Het bouwen of veranderen van een vlonder wordt binnen één jaar na het melden uitgevoerd.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een vlonder te bouwen en , in stand te houden of te veranderen in een A- of B-oppervlaktewaterlichaam of in de beschermingszone van een A-oppervlaktewaterlichaam, tenzij voldaan wordt aan het bepaalde in Artikel 2.62, eerste lid.
V
Artikel 2.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van beschoeiing of damwand in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
W
Artikel 2.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van bodemonderzoek in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
X
Artikel 2.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van een gebouw in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten van een gebouw.
Y
Artikel 2.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een activiteit als bedoeld in Artikel 2.85, eerste lid , onderdeel a, te verrichten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden.
Het bouwen van een gebouw wordt binnen één jaar na het melden gestart.
Een melding bevat naast de gegevens en bescheiden genoemd in Artikel 1.22 :
Z
Artikel 2.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
Artikel 2.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het verbouwen van een gebouw in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
BB
Artikel 2.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CC
Artikel 2.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het dempen van een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
DD
Artikel 2.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het graven van een oppervlaktewaterlichaam in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
EE
Artikel 2.129 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Paragraaf 2.21.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, in stand houden of veranderen van een bron en bijbehorende voorzieningen voor het onttrekken van grondwater in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
GG
Na paragraaf 2.21.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen of veranderen van een bron en bijbehorende voorzieningen in het werkingsgebied van een grondwaterlichaam.
Dit artikel is van toepassing op het plaatsen of veranderen van een permanente bron en bijbehorende voorzieningen voor beregening of bevloeiing.
Degene die de activiteit verricht, brengt de bron en bijbehorende voorzieningen aan met inachtneming van de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2100 Mechanisch boren en Protocol 2101 Mechanisch boren.
Het is verboden om de activiteit als bedoeld in artikel 2.131b, eerste lid, te verrichten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat naast de gegevens en bescheiden genoemd in Artikel 1.22, de filterstelling ten opzichte van NAP of maaiveld.
HH
Het opschrift van afdeling 2.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
II
Paragraaf 2.22.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, plaatsen of, in stand houden of lokaliseren van een kabel of een mantelbuis in het beperkingengebied van een waterkering .
Dit artikel is van toepassing op het aanleggen, plaatsen of, in stand houden of lokaliseren van een kabel of een mantelbuis in de beschermingszone A van een primaire of regionale waterkering of vanaf minimaal 1,0 m uit de teen van een overige waterkering, als de kabel of mantelbuis:
a. de kabel of mantelbuis:
1˚. door middel van een sleuf wordt aangelegd of geplaatst;
2˚. een diameter heeft van maximaal 125 millimeter; en
3˚. niet is bestemd voor het hoogspanningsnet van de elektriciteitsvoorziening; of
b. voor het lokaliseren van een kabel of mantelbuis een proefsleuf wordt gegraven.
Degene die de activiteit verricht:
voldoet aan de NEN-normen 3650 en 3651;
doet dit wat betreft de kabel zoveel mogelijk in een bestaande mantelbuis;
legt of plaatst de kabel of mantelbuis op een diepte van minimaal 60 cm en maximaal 100 cm beneden het maaiveld;
voert de activiteit uit tussen 15 april en 15 oktober;
zorgt ervoor dat het ingraven van de kabel of mantelbuis niet langer duurt dan noodzakelijk en in ieder geval niet langer dan vijf aaneengesloten werkdagen;
zorgt ervoor dat de sleuf onmiddellijk na de activiteit op een deugdelijke wijze wordt verdicht;
zorgt ervoor dat de openingen aan het begin en het einde van de mantelbuis waterdicht afgedicht worden en blijven; en
herstelt schade als gevolg van het aanleggen, plaatsen en in stand houden van kabels of mantelbuizen.; en
graaft proefsleuven tot een diepte van maximaal 1,0 m beneden het maaiveld.
Het is verboden een activiteit als bedoeld in Artikel 2.133, eerste lid , te verrichten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat naast de gegevens en bescheiden genoemd in Artikel 1.22 :
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of mantelbuis aan te leggen, te plaatsen of, in stand te houden of te lokaliseren:
in een primaire of regionale waterkering;
in een overige waterkering tussen 1,0 m uit de buitenteen en 1,0 m uit de binnenteen;
in beschermingszone A als de kabel of mantelbuis:
1˚. op een andere manier dan met een sleuf wordt aangelegd of geplaatst;
2˚. een grotere diameter heeft dan 125 millimeter; of
3˚. bestemd is voor het hoogspanningsnet van de elektriciteitsvoorziening.
JJ
Paragraaf 2.22.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, plaatsen of , in stand houden of lokaliseren van een kabel of een mantelbuis in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
Dit artikel is van toepassing op het aanleggen, plaatsen of, in stand houden of lokaliseren van een kabel of een mantelbuis in, onder of boven een A- of B-oppervlaktewaterlichaam of in een beschermingszone van een A-oppervlaktewaterlichaam.
Degene die de activiteit verricht:
doet dit wat betreft de kabel zoveel mogelijk in bestaande mantelbuizen;
hanteert evenwijdig aan een oppervlaktewaterlichaam een afstand van minimaal 1,0 m tussen de ontgraving en de insteek van het oppervlaktewaterlichaam;
legt of plaatst bij kruising met een oppervlaktewaterlichaam de kabel of mantelbuis tenminste 1,0 m uit de insteek en:
1˚. tenminste 1,0 m onder de bodemhoogte zoals aangegeven op de legger; of
2˚. tenminste 1,0 m onder de vaste bodem, als de bodemhoogte niet op de legger staat;
belemmert niet de aan- en afvoer van water;
damt het oppervlaktewaterlichaam uitsluitend in overeenstemming met het waterschap tijdelijk af;
zorgt ervoor dat bij een kruising boven een duiker de afstand tussen de onderkant van de kabel of mantelbuis en de bovenkant van de duiker tenminste 15 cm is;
zorgt ervoor dat bij een kruising onder een duiker de afstand tussen de bovenkant van de kabel of mantelbuis en de onderkant van de duiker tenminste 1,0 m is; en
herstelt schade als gevolg van het aanleggen, plaatsen en in stand houden van de kabel.; en
graaft proefsleuven tot een diepte van maximaal 1,0 m beneden het maaiveld.
Het is verboden een activiteit als bedoeld in Artikel 2.137, eerste lid , te verrichten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat naast de gegevens en bescheiden genoemd in artikel 1.25 artikel 1.22:
KK
Paragraaf 2.22.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, plaatsen of, in stand houden of lokaliseren van een kabel of mantelbuis in het beperkingengebied van het profiel van vrije ruimte van een waterkering.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kabel of mantelbuis aan te leggen, te plaatsen of, in stand te houden of lokaliseren in het profiel van vrije ruimte van een waterkering.
Dit verbod is niet van toepassing voor zover het profiel van vrije ruimte samenvalt met het beperkingengebied van die waterkering en daar een vrijstelling geldt van het verbod om zonder omgevingsvergunning een kabel of mantelbuis aan te leggen, te plaatsen of, in stand te houden of te lokaliseren.
LL
Het opschrift van afdeling 2.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MM
Artikel 2.142 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NN
Artikel 2.143 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OO
Het opschrift van paragraaf 2.23.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Artikel 2.144 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, plaatsen of, in stand houden of lokaliseren van een leiding in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 2.145 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op het aanleggen, plaatsen of, in stand houden of lokaliseren van een leiding in, onder of boven een A- of B-oppervlaktewaterlichaam of in een beschermingszone van een A-oppervlaktewaterlichaam, als de leiding:
Degene die de activiteit verricht:
voldoet aan de NEN-normen 3650 en 3651;
hanteert evenwijdig aan een oppervlaktewaterlichaam een afstand van minimaal 1,0 m tussen de ontgraving en de insteek van het oppervlaktewaterlichaam;
legt of plaatst bij kruising met een oppervlaktewaterlichaam de leiding tenminste 1,0 m uit de insteek en:
1˚. tenminste 1,0 m onder de bodemhoogte zoals aangegeven op de legger; of
2˚. tenminste 1,0 m onder de vaste bodem, als de bodemhoogte niet op de legger staat;
belemmert niet de aan- en afvoer van water;
damt het oppervlaktewaterlichaam uitsluitend in overeenstemming met het waterschap tijdelijk af;
zorgt ervoor dat bij een kruising boven een duiker de afstand tussen de onderkant van de leiding en de bovenkant van de duiker tenminste 15 cm is;
zorgt ervoor dat bij een kruising onder een duiker de afstand tussen de bovenkant van de leiding en de onderkant van de duiker tenminste 1,0 m is; en
herstelt schade als gevolg van het aanleggen, plaatsen en in stand houden van een leiding.; en
graaft proefsleuven tot een diepte van maximaal 1,0 m beneden het maaiveld.
RR
Paragraaf 2.23.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, plaatsen of, in stand houden of lokaliseren van een leiding in het beperkingengebied van het profiel van vrije ruimte van een waterkering .
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een leiding aan te leggen, te plaatsen of, in stand te houden of te lokaliseren in het profiel van vrije ruimte van een waterkering.
Dit verbod is niet van toepassing voor zover het profiel van vrije ruimte samenvalt met het beperkingengebied van die waterkering en daar een vrijstelling geldt van het verbod om zonder omgevingsvergunning die leiding aan te leggen, te plaatsen of in stand te houden.
SS
Paragraaf 2.24.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het plaatsen, in stand houden of veranderen van een lozingsvoorziening in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
TT
Artikel 2.154 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het recreatief gebruiken van het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
UU
Artikel 2.160 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van verharding in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
VV
Artikel 2.170 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een werk of ander object te verwijderen:
op
uit een waterkering;
in de beschermingszone A van een waterkering, als het gaat om een grondkerende constructie, fundering, funderingspaal of kelder;
in de beschermingszone B van een waterkering, binnen 20 m uit de teen, als het gaat om een grondkerende constructie, fundering, funderingspaal of kelder.
WW
Artikel 2.171 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van werken , waaronder bouwwerken , of andere objecten in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
XX
Artikel 2.175 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van een dam met duiker in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
YY
Artikel 2.177 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, in stand houden of veranderen van een brug in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
ZZ
Artikel 2.179 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen of in stand houden van een steiger in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
AAA
Artikel 2.187 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het anders gebruiken van het waterstaatswerk in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
BBB
Artikel 2.193 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het anders gebruiken van de beschermingszone in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
CCC
Artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op het onttrekken van grondwater uit een permanente bron:
voor beregening of bevloeiing als:
1˚. de onttrekkingscapaciteit tussen 10 m3 per uur en 60 m3 per uur ligt;
2˚. de onttrekking plaatsvindt buiten het gebied voor bescherming van grondwaterafhankelijke natuur dat is aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart; en
3˚. de onttrekking niet dieper dan 50 m beneden maaiveld plaatsvindt in de boringsvrije zone Salland Diep die is aangegeven op de bij de Omgevingsverordening Overijssel behorende kaart boringsvrije zone Salland Diep;
voor andere doeleinden als:
1˚. de onttrekkingshoeveelheid maximaal 70.000 m3 per jaar is;
2˚. de onttrekking niet voor het drooghouden van ondergrondse bouwwerken is; en
3˚. de onttrekking niet dieper dan 50 m beneden maaiveld plaatsvindt in de boringsvrije zone Salland Diep die is aangegeven op de bij de Omgevingsverordening Overijssel behorende kaart.
Degene die grondwater onttrekt, informeert het dagelijks bestuur van het waterschap zo spoedig mogelijk over ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen.
DDD
Artikel 3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden de activiteit bedoeld in Artikel 3.3, eerste lid , te verrichten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, als de onttrekking:bruto onttrekkingscapaciteit 50.000 m3 per jaar of meer bedraagt, maar minder dan 70.000 m3 per jaar.
Een melding bevat naast de gegevens en bescheiden genoemd in Artikel 1.22 :
de omschrijving van het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;
een locatietekening van de onttrekking, inclusief aanduiding van filters, drains en bronnen;
het aantal in te richten putten;
de coördinaten van iedere put;
de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
de lengte in meters van het effectieve filter of de effectieve filters in iedere put;
de capaciteit van de put in kubieke meter per uur;
het aantal pompen en de onttrekkingscapaciteit per pomp in kubieke meter per uur;
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en
de wijze van lozen.
EEE
Artikel 3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning:
grondwater uit een permanente bron te onttrekken als niet voldaan wordt aan Artikel 3.3, eerste lid , onverminderd Artikel 3.7 ;
water in de bodem te brengen, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening.
a. grondwater uit een permanente bron te onttrekken als niet voldaan wordt aan Artikel 3.3, eerste lid , onverminderd Artikel 3.7, tenzij voor beregening en bevloeiing:
1˚. de onttrekkingscapaciteit minder dan 10 m3 per uur is; en
2˚. de onttrekking niet dieper dan 50 m beneden maaiveld plaatsvindt in de boringsvrije zone Salland Diep;
b. water in de bodem te brengen, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening.
Een vergunning voor grondwateronttrekking op een diepte van meer dan 50 m beneden het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep, maar buiten de boringsvrije zone Salland Diep Noord, is enkel mogelijk als het te onttrekken grondwater bestemd is voor hoogwaardig industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen alternatief voorhanden is.
Een vergunning voor grondwateronttrekking op een diepte van meer dan 50 m beneden het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep Noord, is enkel mogelijk als het te onttrekken grondwater bestemd is voor de ontwikkeling van een openbare drinkwatervoorziening.
FFF
Artikel 3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of in de bodem gebracht water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 3.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie bij het infiltreren van water .
Tabel 3.1 Parameters en meetfrequentie bij het infiltreren van water
|
Parameter |
Afkorting |
Frequentie |
|
bacteriën van de coligroep |
|
vierwekelijks |
|
kleur |
|
vierwekelijks |
|
zwevende stof |
SS |
vierwekelijks |
|
geleidingsvermogen voor elektriciteit |
|
vierwekelijks |
|
temperatuur |
T |
vierwekelijks |
|
zuurgraad PH |
|
vierwekelijks |
|
opgelost zuurstof |
O2 |
vierwekelijks |
|
totaal organisch koolstof |
TOC |
vierwekelijks |
|
bicarbonaat |
HCO3 |
vierwekelijks |
|
nitriet |
NO2 |
vierwekelijks |
|
nitraat |
NO3 |
vierwekelijks |
|
ammonium |
NH4 |
vierwekelijks |
|
totaal fosfaat |
Totaal P |
vierwekelijks |
|
fluoride |
F |
driemaandelijks |
|
chloride |
CI |
vierwekelijks |
|
sulfaat |
SO4 |
driemaandelijks |
|
natrium |
Na |
driemaandelijks |
|
ijzer |
Fe |
driemaandelijks |
|
mangaan |
Mn |
driemaandelijks |
|
chroom |
Cr |
driemaandelijks |
|
lood |
Pb |
driemaandelijks |
|
koper |
Cu |
driemaandelijks |
|
zink |
Zn |
driemaandelijks |
|
cadmium |
Ca |
driemaandelijks |
|
arseen |
As |
driemaandelijks |
|
cyanide |
CN |
driemaandelijks |
|
minerale olie |
|
vierwekelijks |
|
adsorbeerbaar organisch halogeen |
AOX |
vierwekelijks |
|
vluchtig organisch gebonden chloor |
VOC |
vierwekelijks |
|
vluchtige aromaten |
|
vierwekelijks |
|
polycyclische aromaten |
PAK |
driemaandelijks |
|
fenolen |
|
driemaandelijks |
De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.
Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt:
Dit artikel is niet van toepassing als de onttrekking:
binnen de provincie Overijssel plaatsvindt, de onttrekkingshoeveelheid kleiner is dan 50.000 m3 per jaar is en niet plaatsvindt op een diepte van meer dan 50 m beneden het maaiveld binnen de boringsvrije zone Salland Diep;
binnen de provincie Drenthe plaatsvindt en de onttrekkingshoeveelheid maximaal 10 m3 per uur en maximaal 5.000 m3 per kwartaal is.
Dit artikel is niet van toepassing voor onttrekkingen of infiltraties met een bruto onttrekkingscapaciteit kleiner dan 10 m³ per uur of met een hoeveelheid minder dan 12.000 m3 per jaar en 5.000 m3 per kwartaal, tenzij het gaat om onttrekkingen of infiltraties op meer dan 50 meter beneden het maaiveld binnen de boringsvrije zone Salland Diep.
GGG
Artikel 3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op het onttrekken van grondwater uit een tijdelijke bron, als de onttrekking:
maximaal 90 aaneengesloten dagen duurt;
een hoeveelheid van maximaal 70.000 m3 grondwater in een aaneengesloten periode van 30 dagen bedraagt;
niet voor beregening of bevloeiing plaatsvindt in het gebied voor bescherming van grondwaterafhankelijke natuur, zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende kaart; en
niet dieper plaatsvindt dan 50 m beneden maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep, zoals aangegeven op de bij de Omgevingsverordening Overijssel behorende kaart.
Degene die grondwater onttrekt, informeert het dagelijks bestuur van het waterschap zo spoedig mogelijk over ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen.
HHH
Artikel 3.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden de activiteit bedoeld in Artikel 3.10, eerste lid , te verrichten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden als de onttrekking:bruto onttrekkingscapaciteit meer dan 50.000 m3 per 30 dagen bedraagt, maar minder dan 70.000 m3 per 30 dagen.
Een melding bevat naast de gegevens en bescheiden genoemd in Artikel 1.22 :
de omschrijving van het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;
een locatietekening van de onttrekking, inclusief aanduiding van filters, drains en bronnen;
het aantal in te richten putten;
de coördinaten van iedere put;
de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
de lengte in meters van het effectieve filter of de effectieve filters in iedere put;
de capaciteit van de put in kubieke meter per uur;
het aantal pompen en de onttrekkingscapaciteit per pomp in kubieke meter per uur;
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken; en
de wijze van lozen.
III
Artikel 3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning:
grondwater uit een tijdelijke bron te onttrekken als niet voldaan wordt aan Artikel 3.10, eerste lid , onverminderd Artikel 3.14 ;
water in de bodem te brengen, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening.
Een vergunning voor grondwateronttrekking op een diepte van meer dan 50 m beneden het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep, maar buiten de boringsvrije zone Salland Diep Noord, is enkel mogelijk als het te onttrekken grondwater bestemd is voor hoogwaardig industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen alternatief voorhanden is.
Een vergunning voor grondwateronttrekking op een diepte van meer dan 50 m beneden het maaiveld in de boringsvrije zone Salland Diep Noord, is enkel mogelijk als het te onttrekken grondwater bestemd is voor de ontwikkeling van een openbare drinkwatervoorziening.
JJJ
Het opschrift van artikel 3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Artikel 3.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het ontwateren van de bodem in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam.
LLL
Artikel 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam oppervlaktewaterlichaam in het werkingsgebied voor waterkwaliteit of op een zuiveringtechnisch werk , dat in beheer is bij het waterschap.
MMM
Artikel 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 4.10574.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.5, gemeten in een steekmonster.
Tabel 4.5 Emissiegrenswaarden
|
Stof
|
Emissiegrenswaarde in µg/l of mg/l
|
|
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink |
1 mg/l |
|
Minerale olie |
20 mg/l |
|
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen |
50 µg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
100 mg/l |
|
Som van stikstofverbindingen |
10 mg/l |
|
Som van fosforverbindingen |
2 mg/l |
|
Chemisch zuurstofverbruik |
200 mg/l |
NNN
Artikel 4.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als:
het lozen is gestart voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; enof
dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1 tot en met 3, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
OOO
Na afdeling 4.19 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning koude te lozen op een oppervlaktewaterlichaam in het kader van aquathermie.
PPP
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
oppervlaktewaterlichaam dat als zodanig is aangegeven op de bij verordening behorende kaart
waterkering waarbij de hoogte van de achterliggende gronden tot op minimaal 10 meter landinwaarts op kunstmatige wijze op gelijke hoogte of hoger dan de kruin van de waterkering is gelegen en waarbij de aanheling tenminste 10 meter lang is
oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in Bijlage III van deze verordening
afscheiding met vrij doorzicht, uitgevoerd als een paal-draad constructie
het onttrekken van warmte uit oppervlaktewater
oppervlaktewaterlichaam dat als zodanig is aangegeven op de bij verordening behorende kaart
de door de gemeente bepaalde bebouwde kom en voor zover die niet is bepaald de structurele samenhang van bebouwing, zoals aaneengesloten woonbebouwing
bij of krachtens de verordening aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object
bomen, struiken en overige planten, uitgezonderd gras
gebied waaraan op grond van de Omgevingswet een functie voor waterstaatkundige doeleinden is toegedeeld, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en dat ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen
aan een waterstaatswerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden
grondkerende constructie in de oeverlijn om de oever dan wel het talud tegen afkalving te beschermen
het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen
als zodanig aangegeven informatieobject bij de omgevingsverordening van provincie Overijssel
als zodanig aangegeven informatieobject bij de omgevingsverordening van provincie Overijssel
constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart
een plaats waar water uit de grond komt
plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten, met dien verstande dat ten aanzien van gebouwen onder bouwen wordt verstaan plaatsen, geheel oprichten of geheel vernieuwen na sloop van het oorspronkelijke gebouw waarbij alleen de fundering resteert
de als zodanig in de legger aangegeven lijn, of voor zover daarin niet aangegeven de lijn, die overeenkomt met de snijlijn van het buitentalud van de waterkering met de kruin van de waterkering
grondkerende constructieve, niet zijnde beschoeiing, die langs een oppervlaktewaterlichaam wordt geplaatst, om afkalving en instorten van de oever/talud te voorkomen
geheel of gedeeltelijk verkleinen van het profiel van een oppervlaktewaterlichaam
kortdurende activiteit
bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt
planten die geteeld worden in de tuinbouw, akkerbouw of sierteelt
het wijzigen of vergroten van het profiel van een bestaand oppervlaktewaterlichaam of het nieuw graven van een oppervlaktewaterlichaam
water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat
afzonderlijke grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen
ander vee dan kleinvee
afscheiding met vrij doorzicht, niet zijnde afrastering
in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, door een daarvoor bedoelde voorziening
snijlijn van het bovenwatertalud van het oppervlaktewaterlichaam met het aangrenzende maaiveld
geleider, veelal voor elektriciteit of of communicatie, zonder holle ruimte
objecten als een tuinhuisje, een hok voor het houden van kleine dieren (zoals kippen, konijnen en duiven), tuinhaard en recreatieve voorzieningen zoals bankje, prullenbak, fietsenrek en informatiebord
vervangen van verharding van een weg waarbij de fundering niet wordt aangepast
schapen en geiten
legger als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet als het gaat om ligging, vorm, afmeting en constructie, of als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet als het gaat om onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen
buis waardoor een gas, vloeistof, of vaste stof in suspensie wordt getransporteerd
een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen
drukloze buis ter bescherming van kabels of leidingen
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019
NEN 6646/C1:2015: Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015
NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006
NEN-EN 872:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen - Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties kleiner of gelijk aan 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016
NEN-EN 13284-1:20012017: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen - Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties - Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 20012017
NEN-EN-ISO 5667-3:20122024: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 20122024
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003
NEN-EN-ISO 6878:2004: Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode, versie 2004
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gaschromatografie, versie 2000
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997
NEN-EN-ISO 11732:2005: Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012
NEN-EN-ISO 13395:1997: Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003
NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005
NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001
NEN-EN-ISO 17294-2:20162024: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 20162024
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004
NEN-ISO 5663:1993: Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003
NEN-ISO 15923-1:20132024: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, orthofosfaat, silicaat en sulfaat, versie 20132024
ander oppervlaktewaterlichaam dan een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in Bijlage III van deze verordening
pad dat op of langs een waterstaatswerk is gelegen en waarvan het waterschap gebruik maakt voor onderhoud of inspectie van waterstaatswerken
afvoer van water uit percelen over en door de grond en eventueel door drainagebuizen en greppels naar een stelsel van grotere waterlopen
afvoer van water uit percelen over of door de grond, al dan niet door middel van bronnering, drainagebuizen of greppels, naar een oppervlaktewaterlichaam
beplanting of vaste substanties die geen werk zijn en die niet zijn voortgekomen uit menselijke creatie
omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de wet
een ander oppervlaktewaterlichaam dan een A- of B-oppervlaktewaterlichaam
waterkering in beheer bij het waterschap, die geen primaire of regionale waterkering is
de ruimte, als vastgelegd in de legger, ter weerszijden van en boven een waterstaatwerk of een toekomstig waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen
afscheiding zonder vrij doorzicht
samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna
de als zodanig in de legger aangegeven lijn, of voor zover daarin niet aangegeven de lijn, die overeenkomt met de snijlijn van het talud van de waterkering met het horizontaal gelegen maaiveld, dan wel met de bodem van het aangrenzende water, of bij natuurlijke hoogten of hooggelegen gronden de grenzen van een doorlopende strook van deze hoogten of gronden ter breedte van 10 meter
gedeeltelijk vernieuwen, gedeeltelijk oprichten, veranderen of vergroten van een gebouw, anders dan vernieuwen na sloop van het oorspronkelijk gebouw waarbij alleen de fundering resteert
waterkering waarbij de hoogte van de achterliggende gronden tot op minimaal 10 m landinwaarts op natuurlijke wijze op gelijke hoogte of hoger dan de kruin van de waterkering is gelegen en waarbij de verheling tenminste 10 meter lang is
kunstmatige hoogte en de bijbehorende gronden, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan, of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben
oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk
een ruimtelijk gebied waarop een juridische regel betrekking heeft
door de mens gedomesticeerde dieren die in de landbouw om economische redenen gehouden worden, doorgaans als voedselbron
bodemoppervlak dat kunstmatig is gewijzigd door het aanbrengen (bijna) ondoorlaatbare materialen, waardoor regenwater snel afstroomt en geen tijd krijgt om in de grond te trekken
vloerconstructie grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam
samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken
constructies, die geen bouwwerk zijn, die bedoeld zijn om korte tijd ter plaatse te functioneren, zoals een tijdelijke bouwsteiger
QQQ
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/ws0664/2026/gebiedsaanwijzing_616c37b7c39d420cafab814727b5703e/nld@2026‑09‑28;1
RRR
Artikelsgewijze toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Sectie 1.1 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.1. ]
Vanwege leesbaarheid/toegankelijkheid is in de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regels ervoor gekozen de begrippen in bijlagen op te nemen en niet in het besluit zelf. Deze verordening sluit daarbij aan.
De begrippen uit de Omgevingswet zijn rechtstreeks van toepassing op de waterschapsverordening en hoeven niet herhaald te worden. De begrippen uit de algemene maatregelen van bestuur zijn niet rechtstreeks van toepassing. Voor begrippen in de verordening die ook in de bijlagen I van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn opgenomen, wordt daarnaar verwezen.
Als begrippen niet zijn opgenomen in de Omgevingswet of de algemene maatregelen van bestuur, dan is bestuurlijk afgesproken om gebruik te maken van de begrippen en definities uit de Aquo- standaard. Dit uit oogpunt van duidelijkheid door uniform gebruik van begrippen. Daarnaast zijn de begrippen van de Aquo-standaard gebruikt bij vormgeven van het Digitaal stelsel Omgevingswet (DSO).
[Red: Sectie 1.2 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.2. ]
Deze bepaling geeft duidelijk aan dat de verordening bedoeld is voor het beheergebied van het waterschap en voor beperkingengebieden die zich uitstrekken tot buiten de grenzen van het beheergebied.
[Red: Sectie 1.3 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.2. ]
De verwijzing naar de maatschappelijke doelen van 1.3 Omgevingswet maakt duidelijk dat het waterschap vanuit de eigen (beheer)taken een bijdrage levert aan de maatschappelijke doelen die worden beoogd met de Omgevingswet en de na te streven waterdoelen niet op zichzelf staan. Artikel 2.1, eerste lid, van de Omgevingswet, schrijft voor dat bestuursorganen de taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefenen met het oog op deze maatschappelijke doelen.
Dat geldt dus ook voor de bevoegdheid van het waterschap om, op basis van artikel 2.5 van de Omgevingswet, één waterschapsverordening vast te stellen waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.
Op grond van artikel 10.29a van de Wet milieubeheer moet het waterschap bij het stellen van regels in de waterschapsverordening ook rekening houden met de in dat artikel opgenomen voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater. Deze voorkeursvolgorde gold ook voor de voormalige rijksregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Bij het opstellen van de regels over lozingen in een oppervlaktewaterlichaam in hoofdstuk 4 is daarom niet alleen rekening gehouden met de bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken, maar ook met bijvoorbeeld de voorkeur om afvalwater, dat qua biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron te hergebruiken of lokaal terug te brengen in het milieu. Daarom is in verschillende artikelen in dit hoofdstuk bepaald dat afvalwaterstromen onder voorwaarden op een oppervlaktewaterlichaam kunnen worden geloosd. Hierbij is een afweging gemaakt tussen enerzijds de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam (dat leidt tot beperking van lozingen op een oppervlaktewaterlichaam) en anderzijds de bescherming van de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken en de voorkeur voor lokale verwerking van afvalwater (dat leidt tot beperking van lozingen op de vuilwaterriolering). Waar het oogmerk ‘doelmatig beheer van afvalwater’ staat, duidt dit erop dat deze afweging heeft gespeeld.
[Red: Sectie 1.3 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.3. ]
De beperkingengebieden zijn opgenomen ten behoeve van het digitale stelsel. Zij bieden de juridische grondslag voor de digitale kaart met de ligging van bijv. waterstaatswerken en bijbehorende zones.
[Red: Sectie 1.4 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.3. ]
In de onderstaande illustratie is het beperkingengebied van een waterkering weergegeven.
Beschermingszone C maakt deel uit van het ‘uitgebreid beperkingengebied van een waterkering’. Dat is een apart beperkingengebied, waarbinnen de impact van het plaatsen van een windturbine wordt bepaald.
[Red: Sectie 1.6 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.3. ]
In de onderstaande illustratie is het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam weergegeven.
[Red: Sectie 1.10 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.3. ]
Dit artikel regelt de omvang van een beperkingengebied zolang het beperkingengebied nog niet geometrisch is begrensd. De waterschapsverordening is ook van toepassing op voorlopig aangewezen beperkingengebieden.
[Red: Sectie 1.11 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.3. ]
Dit artikel werkt het beperkingengebied voor waterstaatswerken nader uit.
[Red: Sectie 1.12 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.3. ]
Dit artikel geeft een nadere uitwerking in geval van een voorlopige aanwijzing en begrenzing van een beperkingengebied.
[Red: Sectie 1.13 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.4. ]
Dit artikel bepaalt tot wie de deze verordening zich richt en dat degene die de activiteit verricht, moet voldoen aan de regels over activiteiten van deze verordening. Binnen het stelsel van de Omgevingswet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van die activiteit. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de Omgevingswet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en ervoor zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd.
Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van deze verordening, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteiten houden.
[Red: Sectie 1.15 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.5. ]
In geval van calamiteiten kan het nodig zijn de waterafvoer en -aanvoer of lozingen en onttrekkingen te verbieden. Of te verbieden grondwater te onttrekken, water te infiltreren of activiteiten uit te voeren in een beperkingengebied. Bij calamiteiten gaat het om bijvoorbeeld om droogte of een overvloed aan water, maar ook (een dreiging van) een aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of het in ongerede raken van een waterstaatswerk. Concreet kan op basis van dit artikel het dagelijks bestuur bijvoorbeeld bij droogte een onttrekkingsverbod instellen.
[Red: Sectie 1.16 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.6. ]
Dit artikel bevat zorgplichten ten aanzien van het watersysteem en zuiveringtechnische werken. Deze zorgplicht geldt voor een ieder en een ieder kan op een schending van deze zorgplicht worden aangesproken. Als het handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht, kan het dagelijks bestuur bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen inzetten. Een eventueel opgelegde last moet wel voldoende duidelijk worden omschreven, anders ontstaat er strijd met de rechtszekerheid.
In de hoofdstukken 2, 3 en 4 wordt voor sommige activiteiten de zorgplicht nader invulling gegeven.
In het derde lid specifieke zorgplicht nader uitgewerkt voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk. De formulering van deze specifieke zorgplicht is gelijk aan die van artikel 2.11 van het Bal. Het eerste lid van artikel 1.17 bevat de omschrijving van de zorg die iedereen die een lozingsactiviteit verricht moet betrachten. Het derde lid bevat een nadere uitwerking van de elementen die in ieder geval tot die zorg behoren. De specifieke zorgplicht van dit artikel geldt naast de meer uitgewerkte artikelen over lozingsactiviteiten in de afdelingen 4.2 tot en met 4.18. De specifieke zorgplicht treedt dus (anders dan de algemene zorgplicht van de Omgevingswet) niet terug als er meer uitgewerkte regels zijn gesteld. De specifieke zorgplicht geldt ook voor lozingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van afdeling 4.19 is vereist. Dit sluit aan op de keuze die het Rijk heeft gemaakt over de werking van de specifieke zorgplichten van het Bal. De specifieke zorgplicht fungeert zoals een basisnorm voor alle lozingsactiviteiten die onder de reikwijdte van dit hoofdstuk vallen. De algemene regels van de afdelingen 4.2 en verder en de voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit worden verbonden, zijn een nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht voor een concrete lozingsactiviteit. Die algemene regels en vergunningvoorschriften moeten steeds passen binnen de oogmerken van artikel 1.4 (waarnaar in het eerste lid van dit artikel wordt verwezen) en de strekking die in het derde lid van dit artikel is opgenomen. Deze brede werking van de specifieke zorgplicht maakt het mogelijk om maatregelen, die voor zich spreken en die ieder redelijk denkend mens zal nemen, niet uit te schrijven in de algemene regels van dit hoofdstuk en in vergunningvoorschriften. De specifieke zorgplicht waarborgt dat zulke vanzelfsprekende maatregelen worden genomen. Deze specifieke zorgplicht is de opvolger van de zorgplichten die in artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens waren opgenomen. Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal.
[Red: Sectie 1.17 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.6. ]
Ingevolge artikel 4.5 Omgevingswet moeten de onderwerpen worden aangewezen waarvoor maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. In artikel 4.8 en artikel 4.10 Omgevingswet is geregeld dat het dagelijks bestuur bevoegd is voor het stellen van de maatwerk- c.q. vergunningvoorschriften.
De bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 1.17, over de algemene regels over ongewone voorvallen en over de algemene regels in deze verordening. De keuze om maatwerkvoorschriften generiek mogelijk te maken sluit aan bij de keuze die het Rijk heeft gemaakt in het Besluit activiteiten leefomgeving. De bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften is tevens de opvolger van onder meer de maatwerkbevoegdheden ter uitwerking van de zorgplichten van artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens, en de specifieke maatwerkbevoegdheden die in diverse artikelen van die besluiten waren opgenomen.
Met het verruimen van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen, wordt overigens niet beoogd dat het bevoegd gezag vaker dan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet gebruik zal maken van die bevoegdheid. Maatwerk blijft een uitzondering; de algemene regels in dit hoofdstuk voldoen in de meeste gevallen. Maar als lokale omstandigheden of een bijzondere bedrijfsvoering maatwerk nodig maken, dan kan daarin wel worden voorzien.
[Red: Sectie 1.7 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.7. ]
In deze afdeling staan de indieningsvereisten die gelden voor de verstrekking van gegevens en bescheiden in kader van een melding of informatieverplichting. Per specifieke activiteit kunnen aanvullende gegevens en bescheiden nodig zijn. Die worden dan bij die specifieke regels vermeld.
Daarnaast staan in deze afdeling de indieningsvereisten die gelden voor een vergunningaanvraag. Per specifieke activiteit kunnen aanvullende gegevens en bescheiden nodig zijn. Die worden dan bij die specifieke regels vermeld.
[Red: Sectie 1.23 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.7. ]
Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden alle gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beslissing over dat maatwerkvoorschrift, en waarover degene die de aanvraag doet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen; dit volgt uit artikel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Die regeling ziet alleen op aanvragen. Artikel 1.24 regelt daarom dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft in beginsel niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden te verstrekken. Ook kan in het kader van toezicht op de naleving om gegevens worden gevraagd. Zulke bevoegdheden van toezichthouders zijn geregeld in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht; dit artikel staat daar niet aan in de weg. Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden, bijvoorbeeld tot het beschermen van de waterkwaliteit en de ontwikkelingen van die waterkwaliteit.
Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de waterkwaliteit kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen die zien op de waterkwaliteit kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de waterkwaliteit optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in samenhang met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Gegevens waarover degene die de activiteit niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.
[Red: Sectie 1.24 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.7. ]
Dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag onverwijld over een ongewoon voorval moet worden geïnformeerd. Om de gepaste mate van spoed uit te drukken, is gekozen voor het begrip onverwijld. Dit houdt in dat zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval het bevoegd gezag direct moet worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor van een ongewoon voorval, voor bijvoorbeeld de veiligheid of waterkwaliteit, niet wenselijk.
Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij lozingsactiviteiten afkomstig van
milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en afkomstig van wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook op grond van het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.
[Red: Sectie 1.25 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.7. ]
In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf. Uit onderdeel d volgt dat ook informatie moet worden verstrekt over de maatregelen die worden genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewone voorval te voorkomen of te beperken. Voor het ‘voorkomen van de nadelige gevolgen van ongewone voorvallen’ is aangesloten bij de uitleg die daarover wordt gegeven in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
[Red: Sectie 1.26 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.7. ]
Dit artikel bevat een plicht om gegevens te verstrekken in twee situaties. Het eerste lid regelt dat een naams- of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene is er immers bij gebaat dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij het verrichten van de activiteit door iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld in de situatie dat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.
[Red: Sectie 1.8 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.8. ]
In deze afdeling staan beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen op het gebied van wateractiviteiten, lozingsactiviteiten en wateronttrekkingsactiviteiten. Het dagelijks bestuur kan, aanvullend op deze beoordelingsregels, beleidsregels vaststellen ten aanzien van zijn bevoegdheid omgevingsvergunningen te verlenen.
[Red: Sectie 1.32 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.8. ]
Het eerste lid van dit artikel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt verleend. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als, kort gezegd, de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met de doelen van het waterbeheer. Als de aangevraagde activiteit niet met deze doelen verenigbaar is, dan wordt de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning geweigerd. Deze beoordelingsregel sluit aan op de beoordelingsregel die het Rijk hanteert voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet (zie artikel 8.84, eerste lid, van het Bkl). Het tweede en derde lid van dit artikel bevatten de beoordelingsregels die volgens de instructieregel van artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen. Inhoudelijk zijn deze leden een voortzetting van de regel die voorheen in artikel 6.1a van het Waterbesluit was opgenomen, maar dan beter toegesneden op de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.
In aanvulling op deze algemene beoordelingsregels, zijn specifieke beoordelingsregels voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten opgenomen in de artikelen 1.341.33 en 1.351.34.
[Red: Sectie 1.33 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.8. ]
Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
[Red: Sectie 1.34 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.8. ]
De beoordelingsregel van het Bkl voor omgevingsvergunningen voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem is van overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten. Dit sluit aan bij de wijze waarop dit in de Waterwet was geregeld.
[Red: Sectie 1.39 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.9. ]
Het waterschap voert veel activiteiten uit ten behoeve van beheer en onderhoud aan waterstaatswerken. De activiteiten uit de met name genoemde artikelen die het waterschap uitvoert ten behoeve van de wettelijke taken, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Dit zijn activiteiten waarvoor ook geen projectbesluit is vereist. Deze activiteiten zijn vaak overeenkomstig de functie van het betreffende waterstaatswerk. Dit soort beheeractiviteiten kunnen dus zonder voorafgaand besluit worden verricht.
Het waterschap heeft wel een vergunning nodig voor activiteiten die het waterschap buiten zijn rol als beheerder verricht, bijvoorbeeld als eigenaar van grond of gebouwen. Verder heeft het waterschap ook een vergunning nodig voor het realiseren van werken of het verrichten van activiteiten, waarbij het afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het water brengt (hoofdstuk 4 van deze verordening).
In de gevallen waarin het waterschap voor zijn activiteiten wel een vergunning nodig heeft, is er tegelijk bestuursrechtelijke rechtsbescherming te voorzien (zo’n vergunning wordt ook wel “vergunning eigen dienst” genoemd).
[Red: Sectie 1.40 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 1.10. ]
Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 6.15 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In § 18.1.3 Intrekking begunstigende beschikking van de Omgevingswet is geregeld wanneer een Omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als het gaat om handhaving.
Artikel 5.39 Omgevingswet bepaalt dat wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of intrekking van een omgevingsvergunning plaatsvindt in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.
In artikel 5.40 van de Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning kan wijzigen in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening zijn bepaald. Ook is daarin bepaald dat in andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.10 van de Omgevingswet een omgevingsvergunning ingetrokken kan worden in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening zijn bepaald.
Deze gronden stonden niet in de Bruidsschat waterschapsverordening. Het is van belang zelf wijzigings- en intrekkingsgronden in de waterschapsverordening op te nemen.
In artikel 1.41 van de waterschapsverordening worden wijzigings- en intrekkingsgronden voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten geregeld. In het eerste, tweede en derde gaat het om een ‘kan-bepaling’. Dit betekent dat er sprake is van een bevoegdheid en geen verplichting. Het vierde lid is ‘dwingend’. Daarbij is sprake van een verplichting en geen bevoegdheid.
Afdeling 8.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft ook gevallen en gronden voor het wijzigen of intrekken van omgevingsvergunningen weer. De wijzigings- en intrekkingsgronden genoemd in het Bkl hebben (vooral) betrekking op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen of lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken.
In dit artikel worden de wijzigings- en intrekkingsgronden voor maatwerkvoorschriften geregeld. Maatwerkvoorschriften maken geen onderdeel uit van een omgevingsvergunning. Er is aangesloten bij de leden van artikel 1.41.
[Red: Sectie 2.1 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.1. ]
Deze afdeling regelt afrasteringen langs erf- en perceelgrenzen die in het beperkingengebied van een waterstaatwerk liggen. Het gaat hierbij om andere afrasteringen dan afrasteringen voor het houden van dieren. Eerder werd deze regel aangeduidtaangeduid als onverplichte afrastering. Afrasteringen voor het houden van dieren, eerder verplichte afrasteringen genoemd, is opgenomen bij de activiteit weiden van vee en is niet meer als een aparte activiteit geregeld.
Afrasteringen zijn paal-draad constructies met eventueel een draaihek voor toegang tot het perceel. Andere constructies vallen onder de activiteit plaatsen en behouden van een hek, dan wel van een schutting.
[Red: Sectie 2.2 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.2. ]
Het aanbrengen van mest in het beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam valt onder de zorgplicht. Hierbij gaat het om aanbrengen van mest op de landbodem en niet in het oppervlaktewater. Het brengen van mest in het oppervlaktewaterlichaam is een lozingsactiviteit en valt niet onder een beperkingengebiedsactiviteit.
Voor het aanbrengen van mest in het beperkingengebied van een waterkering wordt het volgende opgemerkt: Op de bij deze verordening behorende kaart is aangegeven op welke waterkeringen het aanbrengen van kunstmest of vaste mest niet is toegestaan. Onderstaande illustratie geeft weer wat ten aanzien van bemesten mogelijk is voor waterkeringen die opgenomen zijn op bovengenoemde kaart.
Bemesten op aangewezen waterkeringen
Verklaring kleuraanduiding:
Groen:toegestaan
Oranje: zonder vergunning verboden
Onderstaande illustratie geeft weer wat ten aanzien van bemesten mogelijk is voor waterkeringen die niet opgenomen zijn op bovengenoemde kaart.
Bemesten op niet-aangewezen waterkeringen
Verklaring kleuraanduiding:
Groen:toegestaan
Oranje: zonder vergunning verboden
[Red: Sectie 2.3 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.3. ]
Langs veel oppervlaktewaterlichamen zijn weidegronden gelegen. Uit waterhuishoudkundig oogpunt is het geen bezwaar om in de beschermingszone dieren te weiden.Wanneer geweid wordt langs oppervlaktewaterlichamen die volgens de legger in onderhoud zijn bij het waterschap, geldt een afrasteringsverplichting. Deze afrasteringsplicht is als een uitvoeringsvoorschrift in deze afdeling opgenomen.
Bij het weiden van dieren op een waterkering moet de sterkte van de grasmat op de waterkering gegarandeerd blijven. Trapschade moet beperkt en voorkomen worden. In deze verordening wordt een onderscheid gemaakt tussen kleinvee en grootvee. Een belangrijk detail is dat paarden niet onder de definities van kleinvee en grootvee vallen. Afgelopen jaren vindt meer beweiding met paarden plaats met aanzienlijk meer trapschade aan het grasmat van de waterkering. In deze verordening is er voor gekozen om het weiden van paarden op een waterkering met een vergunning toe te staan, waarbij alleen beweiding met paarden op een niet aangewezen overige waterkering hiervan is uitgezonderd. Aangezien de doelstellingen in het algemeen niet in gevaar komen bij beweiding binnen de gestelde criteria, wordt hiervoor met inachtneming van de voorschriften vrijstelling van de vergunningplicht gegeven.
Als er kleinvee door of in opdracht van het waterschap wordt geweid (anders dan bij pachtcontract), gebeurt dat ter bevordering van de dichtheid van de grasmat. Dat is een vorm van onderhoud die op grond van deze verordening niet vergunningplichtig is. De volgende illustraties geven weer wat mogelijk is wat betreft beweiden van waterkeringen.
Het houden van klein- en grootvee op een verheelde of aangeheelde waterkering.
Het houden van klein- en grootvee op een niet-verheelde of niet-aangeheelde waterkering.
Verklaring kleuraanduiding:
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
Oranje: zonder vergunning verboden
[Red: Sectie 2.4 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.4. ]
Grond bewerken, zoals spitten, ploegen, steken van zoden of ander grondbewerkingen, is in deze verordening als een aparte activiteit opgenomen in plaats van de meeromvattende agrarische activiteiten. Bewust is gekozen om ook particulieren onder deze regel te laten vallen, omdat grond bewerken in de beschermingszone deel A een waterkering nadelig effect heeft op het functioneren van het waterstaatswerk. Daar tegenover staat dat grond bewerken in beschermingszone deel B nu onder zorgplicht valt en niet meer vergunningplichtig is.
Grondbewerkingen die voorkomen bij andere beperkingengebiedsactiviteiten in deze verordening, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van beplanting of een klein object, vallen onder die betreffende activiteit en niet onder de activiteit grond bewerken.
Onderstaande illustratie geeft weer wat ten aanzien van grond bewerken mogelijk is nabij waterkeringen.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen:toegestaan
Oranje: zonder vergunning verboden
Onderstaande illustratie geeft weer wat ten aanzien van grond bewerken mogelijk is bij een oppervlaktewaterlichaam zonder onderhoudspad.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen:toegestaan
Oranje: zonder vergunning verboden
[Red: Sectie 2.5 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.5. ]
In de beschermingszones van waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen vinden veel agrarische activiteiten plaats, waaronder het telen van gewassen. Vanuit het oogpunt van beheer is er geen bezwaar om gewassen te telen binnen de criteria gesteld in deze verordening. Over de teelt van eenjarige gewassen langs B-oppervlaktewaterlichamen wordt het volgende opgemerkt: voor de rechthebbenden van de betreffende percelen blijven de gedoogplichten onverminderd van toepassing, namelijk om onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan waterstaatswerken te gedogen en om specie en maaisel te ontvangen die tot regulier onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd. Landelijke regelgeving op het gebied van bijvoorbeeld teeltvrije zones, blijft vanzelfsprekend van toepassing.
Onderstaande illustratie geeft weer wat ten aanzien van gewassen telen mogelijk is bij niet-verheelde of niet-aangeheelde waterkeringen.
Onderstaande illustratie geeft weer wat ten aanzien van gewassen telen mogelijk is bij verheelde of aangeheelde waterkeringen.
Onderstaande illustratie geeft weer wat ten aanzien van gewassen telen mogelijk is bij oppervlaktewaterlichamen.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen:toegestaan
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
Oranje: zonder vergunning verboden
[Red: Sectie 2.6 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.6. ]
Aanwijzing van waterkeringen voor het verbod om zonder een vergunning chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken vindt plaats met het oog op natuurtechnisch beheer. Dat beheer is gunstig voor een erosiebestendige grasmat. Sommige plantensoorten op aangewezen waterkeringen mogen wel pleksgewijs met de genoemde middelen bestreden worden, omdat die soorten nadelig zijn voor de grasmat dan wel moeilijk op een andere wijze bestreden kunnen worden.
[Red: Sectie 2.7 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.7. ]
Bij veel tuinen van particulieren en bedrijven wordt anti-worteldoek op het talud van oppervlaktewaterlichamen toegepast. Op plaatsen waar anti-worteldoek wordt toegepast kan het bij onderhoud door het waterschap aan het betreffende oppervlaktewaterlichaam echter lastig zijn om maaisel ‘op de kant te zetten’. Daarnaast zijn grote stroken met anti-worteldoek bedekte taluds niet bevorderlijk voor de ecologie rondom en in oppervlaktewaterlichamen. Het aanbrengen en behouden van anti-worteldoek in oppervlaktewaterlichamen betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval in de bebouwde kom en in bepaalde situaties ook buiten de bebouwde kom voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.
[Red: Sectie 2.8 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.8. ]
Beplanting op of nabij een waterkering kan effect hebben op het waterkerende vermogen van de waterkering, het onderhoud belemmeren, leiden tot aantasting van het talud of negatieve invloed hebben op de ecologie. De gestelde criteria houden hier rekening mee. De voorschriften dekken risico’s voor het waterkerende vermogen af.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer beplanting bij verheelde of aangeheelde waterkeringen mogelijk is.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer beplanting bij een niet-verheelde en niet-aangeheelde waterkering mogelijk is.
Verklaring kleuraanduiding:
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
Oranje: zonder vergunning verboden
Bij beplanting in of nabij een oppervlaktewaterlichaam wordt het volgende opgemerkt: een natuurvriendelijke oever valt niet onder het aanbrengen of behouden van beplanting. De aanleg daarvan, het wijzigen van het profiel, valt onder de vangnetbepaling en is daarmee vergunningplichtig. Voor vergunningverlening voor natuurvriendelijke oevers zijn beleidsregels vastgesteld.
[Red: Sectie 2.9 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.9. ]
Het plaatsen van kleine objecten betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Het gaat om kleine objecten die verplaatsbaar of eenvoudig demontabel zijn. Deze kleine objecten kunnen worden verwijderd of verplaatst wanneer dit noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van groot onderhoud of dijkverbetering.
Aan het realiseren van kleine objecten op de waterkering of in beschermingszone deel A kleven verschillende waterstaatkundige risico's, in het bijzonder met betrekking tot (noodzakelijke) ontgravingen en eventuele verzakking van de waterkering en/of beschermingszone na plaatsen van een klein object. Met de criteria en voorschriften worden de risico's afgedekt. Daarbij is ook rekening gehouden met het voorkomen van kwel en piping en met de stabiliteit van de waterkering. Het is van belang dat er slechts beperkte ontgravingen plaatsvinden.
Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk en de beschermingszone goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk en in de beschermingszone. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer plaatsen van kleine objecten bij verheelde of aangeheelde waterkeringen mogelijk is.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer plaatsen van kleine objecten bij een niet-verheelde en niet-aangeheelde waterkering mogelijk is.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen:toegestaan
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
Oranje: zonder vergunning verboden
[Red: Sectie 2.10 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.10. ]
Bij het plaatsen of in stand houden van hekken gaat het hier niet om voldoende kerende afrasteringen die gebruikt worden voor het houden van dieren of erfafscheidingen die zijn gelegen op of nabij waterstaatswerken. Deze (on)verplichte afrasteringen zijn opgenomen in de regels voor plaatsen en behouden afrastering en het weiden van vee.
De hoogte van het hek wordt begrensd vanwege het beperken van de windvang en de daarmee samenhangende diepte van de palen en het visueel unnen inspecteren van de kering. Daarnaast is het van belang is dat onderhoudspaden langs waterkeringen toegankelijk zijn voor inspectie en onderhoud.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer plaatsen van hekken bij verheelde of aangeheelde waterkeringen mogelijk is
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer plaatsen van hekken bij een niet-verheelde en niet-aangeheelde waterkering mogelijk is.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen: toegestaan
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
Oranje: zonder vergunning verboden
[Red: Sectie 2.11 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.11. ]
Schuttingen zijn werken die geen vrij doorzicht hebben en bestaan veelal uit in de grond geplaatste palen met daartussen een gesloten scherm van opgroeiende beplanting, hout, beton of andersoortige materialen. Door de gesloten constructie kunnen schuttingen veel wind vangen en is het noodzakelijk om een schutting dieper aan te leggen.
De hoogte van de schutting wordt begrensd vanwege het beperken van de windvang en de daarmee samenhangende diepte van de palen en het visueel kunnen inspecteren van de kering. Van belang is dat onderhoudspaden langs waterstaatwerken toegankelijk zijn voor inspectie en onderhoud.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer plaatsen van schuttingen bij verheelde of aangeheelde waterkeringen mogelijk is.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer plaatsen van schuttingen bij een niet-verheelde en niet-aangeheelde waterkering mogelijk is.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen: toegestaan
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
Oranje: zonder vergunning verboden
[Red: Sectie 2.12 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.12. ]
Bewust is gekozen om hier niet te spreken van wegmeubilair, omdat het begrip wegmeubilair breder is dan alleen straatlantaarns en verkeersborden. Bijvoorbeeld prullenbakken, fietsenrekken en bankjes vallen ook onder wegmeubilair. In deze verordening worden deze objecten als kleine objecten beschouwd en vallen daarmee onder een andere activiteit.
Op veel waterkeringen zijn wegen aanwezig. Voor de verkeersveiligheid is het in sommige gevallen noodzakelijk dat er straatlantaarns en verkeersborden worden geplaatst. Aan het plaatsen van straatlantaarns en verkeersborden op een waterkering zijn risico’s verbonden. In het bijzonder valt te denken aan hinder voor doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering en toegankelijkheid van het buitentalud bij hoogwater. Door de voorwaarden in deze regel worden deze risico’s afgedekt.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer plaatsen van straatlantaarns en verkeersborden bij een waterkering mogelijk is.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen:toegestaan
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
Straatlantaarns en verkeersborden in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam zijn vrijgesteld van een vergunningplicht. Om doelmatig beheer en onderhoud aan het waterstaatswerk uit te kunnen voeren is het van belang dat de objecten niet te dicht op elkaar geplaatst worden. In deze regel zijn hieraan voorwaarden gesteld.
[Red: Sectie 2.13 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.13. ]
Het bouwen en, in stand houden of veranderen van een vlonder is een veel voorkomend en vanuit waterhuishoudkundig oogpunt relatief eenvoudig werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam. Het te gebruiken materiaal voor de vlonders mag niet uitlogen (lozing) en valt onder de zorgplicht.
[Red: Sectie 2.14 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.14. ]
Het plaatsen van beschoeiing en damwand is vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam.
Het begrip bebouwde kom is in de begripsomschrijvingen omschreven.
Om te voorkomen dat grond vanachter de beschoeiing of de damwand in het oppervlaktewaterlichaam komt, wordt zonodig een gronddicht doek geplaatst. Wanneer de beschoeiing of de damwand aansluit op een bestaande beschoeiing of de damwand langs een naburig perceel, wordt de beschoeiing of de damwand aansluitend op deze beschoeiing of de damwand geplaatst en qua vorm en afmeting gelijk gehouden. Het zich verplaatsen of overhellen van een niet-verankerde beschoeiing of damwand kan worden voorkomen door twee-derde van de totale lengte van de gebruikte palen of delen in de vaste bodem te slaan.
Het te gebruiken materiaal voor de beschoeiing mag niet uitlogen (lozing) en valt onder de zorgplicht.
Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitvoering. Om deze reden is een meldplicht in deze regel opgenomen.
[Red: Sectie 2.15 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.15. ]
Onder bodemonderzoek wordt in deze regel verstaan het uitvoeren van grond-mechanisch, geohydrologisch en milieu-hygiënisch onderzoek. Deze regel is niet van toepassing op archeologisch onderzoek en seismisch onderzoek, omdat graafactiviteiten en de trillingen die hierbij worden veroorzaakt een gevolg kunnen hebben voor de instandhouding van het waterstaatswerk.
Voor bodemonderzoek worden vaak grondboringen en sonderingen uitgevoerd en peilbuizen en waterspanningsmeters aangebracht en verwijderd binnen waterstaatswerken en bijbehorende beschermingszones. In de meeste gevallen hebben dergelijke werkzaamheden een zeer gering effect op de staat van een waterstaatswerk.
Voor instandhouding van het waterstaatswerk is het van belang dat bodemonderzoek in het waterstaatswerk, in deel A van de beschermingszone bij waterkringen en in de beschermingszones bij oppervlaktewaterlichamen goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen. Om deze reden is de meldplicht in deze regel opgenomen.
Onderstaande illustraties geven aan wat wel en niet mogelijk is bij een waterkering en oppervlaktewaterlichaam.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen: toegestaan
Geel: toegestaan binnen de criteria en voorschriften van deze regel met meldingsplicht
Orange: verboden zonder vergunning
[Red: Sectie 2.16 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.16. ]
Het begrip “gebouw” is omschreven bij de begripsomschrijvingen. Aan het realiseren van een gebouw in beschermingszone deel B zijn minder risico’s voor de waterkering verbonden. Desondanks is het in verband met het voorkomen van kwel en piping en voor de stabiliteit van de waterkering van belang dat er slechts beperkte ontgravingen plaatsvinden. De toegestane diepte voor ontgraven t.b.v. de fundering en dat de algemene regel niet van toepassing is op een kelder, beperken de reikwijdte van de algemene regel.
Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk en de beschermingszone goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk en in de beschermingszone. Om deze reden is de meldplicht in deze regel opgenomen.
Kassen in de polder de Koekoek
In de Koekoek is veel glastuinbouw. Het gebruik van een deel van de beschermingszone van A-oppervlaktewaterlichamen voor kassen heeft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt geen bezwaar.
[Red: Sectie 2.17 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.17. ]
Vanwege het beperkte belang dat het waterschap heeft bij het uitvoeren van kleine verbouwingen die voldoen aan de criteria, geldt daarvoor geen vergunningplicht. Het vergroten van het oppervlak van gebouwen op of nabij een waterkering kan grote invloed hebben op toekomstige dijkverbetering en op het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering. Daarom is deze algemene regel daarop niet op van toepassing. Dat geldt ook voor uitbreidingen of verbouwingen waarbij een aanpassing aan de fundering of verlaging van het vloerpeil noodzakelijk is.
[Red: Sectie 2.18 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.18. ]
Het dempen van een oppervlaktewaterlichaam heeft een aantal hydrologische gevolgen:
op aan- en afvoer van water;
de freatische grondwaterstand stijgt;
de oppervlaktewaterberging neemt af;
de sponswerking van de bodem neemt toe.
Het dempen van een oppervlaktewaterlichaam heeft veelal een positief effect op de hogere, droge gronden, omdat daarmee meer water wordt vastgehouden en de afvoerpiek wordt verlaagd en vertraagd.
Op de lagere gronden (blauw gebied op de kaart) is het dempen van een oppervlaktewaterlichaam niet wenselijk, omdat hiermee vaak vernatting optreedt en de waterberging afneemt. In de delen van veenweidegebieden, waar oppervlaktewaterlichamen in de zomer een sterk infiltrerende werking hebben, kan het dempen van sloten leiden tot lagere grondwaterstanden en daarmee een versnelde maaivelddaling.
N.B. verschillende paragrafen uit deze afdeling kunnen regels bevatten voor een demping.
[Red: Sectie 2.19 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.19. ]
Het graven van een oppervlaktewaterlichaam heeft een aantal hydrologische gevolgen:
de freatische grondwaterstand daalt;
de oppervlaktewaterberging neemt toe;
versnelde afvoer van water.
Het graven van (diepe) waterlichamen heeft een negatief effect op de hogere, droge gronden (groene gebied op de kaart), omdat daarmee de grondwaterstanden worden verlaagd en de afvoerpiek wordt verhoogd en versneld. Op de lagere gronden is het graven van een oppervlaktewaterlichaam niet altijd nadelig, omdat hiermee vernatting kan worden voorkomen en de oppervlaktewaterberging toeneemt.Bij oppervlaktewaterlichamen met een bodemdiepte van 0,40 m of minder onder het maaiveld gaat het vaak om een functie voor de detailwaterhuishouding. Er is (vrijwel) geen invloed op het waterhuishoudkundig hoofdsysteem.
[Red: Sectie 2.20 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.20. ]
Een evenement is bijvoorbeeld een kortdurende wandelevenement, survivals of een dorpsevenement.
Onderstaande afbeelding geeft weer wat bij evenementen op of nabij een waterkering mogelijk is.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen: toegestaan
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
[Red: Sectie 2.22 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.22. ]
Het leggen aanleggen, plaatsen, in stand houden en lokaliseren van kabels en mantelbuizen in en onder waterstaatswerken en in beschermingszones komt veel voor. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Het leggenaanleggen enz. van kabels en mantelbuizen, volgens de gestelde criteria in deze algemene regel, levert weinig risico op voor het waterkerend vermogen van de waterkering. In deze situaties kan de vergunningplicht voor het aanleggen en behouden enz. van deze kabels en mantelbuizen vervangen worden door algemene regels. Als bij aanleg van kabels en mantelbuizen de grasmat wordt verwijderd, is het van belang die weer goed te herstellen.
Onderstaande illustratie geeft aan wat wel en niet mogelijk is bij een waterkering.
Onderstaande illustratie geeft aan wat wel en niet mogelijk is bij een oppervlaktewaterlichaam
Verklaring kleuraanduiding:
Groen: toegestaan
Geel: toegestaan binnen de criteria en voorschriften van de algemene regel
Oranje: alleen toegestaan met vergunning
Het toepassen van een sleufloze techniek (zoals boringen of persingen) in de waterkering valt niet onder de werking van de algemene regel. Deze werkzaamheden zijn vergunningplichtig.
Het is van belang dat de ingrepen in/bij het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitvoering van werkzaamheden aan/bij het waterstaatswerk. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen.
Bij de melding worden in ieder geval gegevens vermeld over het aan te leggen werk. In dat kader moet o.a. bij het aanleggen van kabels en mantelbuizen, volgens de gestelde criteria in deze algemene regel, worden gedacht aan de volgende gegevens: het materiaal van de leiding, de wanddikte, de plaats van de afsluiters in de mantelbuis, de diepteligging, de wijze van uitvoering.
[Red: Sectie 2.23 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.23. ]
Het leggen aanleggen, plaatsen, in stand houden of lokaliseren van leidingen in en onder waterstaatswerken en in beschermingszones komt veel voor. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven.
Het toepassen van een sleufloze techniek (zoals boringen of persingen) in de waterkering valt niet onder de algemene regel. Deze werkzaamheden zijn vergunningplichtig. Eventueel aan te brengen afsluiters maken deel uit van de leiding en vallen ook onder de algemene regel wanneer het aanbrengen van de leiding aan de criteria van de regel voldoet.
Het is van belang dat de ingrepen in/bij het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitvoering van werkzaamheden aan/bij het waterstaatswerk. Om deze reden is een meldplicht bij de algemene regel opgenomen. Bij de melding worden in ieder geval gegevens vermeld over het aan te leggen werk, zoals: het materiaal van de leiding, de wanddikte, de plaats van de afsluiters in de mantelbuis, de diepteligging, de wijze van uitvoering.
Onderstaande illustratie geeft aan wat wel en niet mogelijk is bij een waterkering.
Onderstaande illustratie geeft aan wat wel en niet mogelijk is bij een oppervlaktewaterlichaam.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen: toegestaan
Geel: toegestaan binnen de criteria en voorschriften van de algemene regel
Oranje: alleen toegestaan met vergunning
Het opgraven en openen van handholes vallen onder de zorgplicht en zijn om deze reden niet benoemd in de algemene regel.
[Red: Sectie 2.24 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.24. ]
Het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam is een relatief eenvoudige en veel voorkomende handeling. Daarvoor wordt doorgaans een lozingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam aangelegd. Het is daarbij van belang dat het doelmatig onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd door de aanwezigheid van de lozingsvoorziening en dat het waterpeil niet nadelig wordt beïnvloed.
[Red: Sectie 2.25 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.25. ]
Voor gebruik van eigendommen is ook toestemming nodig van de rechthebbenden, zoals eigenaren en pachters.
Varen met niet-gemotoriseerde vaartuigen en (in niet georganiseerd verband) wandelen is aanvaardbaar. Er kunnen zich situaties voordoen dat varen toch ongewenst is. Daarom kunnen oppervlaktewaterlichamen worden aangewezen waar varen met niet-gemotoriseerde vaartuigen niet toegestaan is. Op het moment van vaststelling van deze algemene regel zijn geen oppervlaktewaterlichamen aangewezen op een kaart. Wel staat vast dat varen op de Burgel te Kampen ongewenst is. Bij de sanering van de waterbodemverontreiniging van dit oppervlaktewaterlichaam moest door omstandigheden een restverontreiniging achterblijven. Die is afgedekt met een zandlaag die in stand moet blijven. Vandaar dat varen daar ongewenst is, afgezien van ‘aangepast varen’ bij de uitvoering van onderhoud. Om deze reden is de Burgel in de algemene regel uitgezonderd van de vrijstelling voor varen met niet-gemotoriseerde vaartuigen.
Deze algemene regel is niet van toepassing op door de provincie aangewezen vaarwegen. Varen in die oppervlaktewaterwaterlichamen is immers in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie en vallen daarmee niet onder de vergunningplicht.
Op wandelen in georganiseerd verband kan de algemene regel voor evenementen van toepassing zijn, als wordt voldaan aan de daarin opgenomen criteria.
[Red: Sectie 2.26 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.26. ]
Onder 'verharding' worden ook wegen en parkeerplaatsen begrepen.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer verharding op of bij een waterkering is toegestaan.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen:toegestaan
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
Oranje: zonder vergunning verboden
[Red: Sectie 2.27 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.27. ]
Op een aantal waterkeringen en langs een aantal oppervlaktewaterlichamen zijn wegen aanwezig. Soms is er onderhoud aan de weg nodig. Bij klein onderhoud aan wegen wordt de verharding van een weg wel vervangen, maar wordt de fundering niet aangepast.
Bij het verrichten van klein onderhoud aan wegen op waterkeringen zijn waterstaatkundige risico's aanwezig. Door de voorwaarden in deze algemene regel worden deze risico's afgedekt.
Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk en deel A van de beschermingszone goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. Om deze reden is bij deze algemene regel een meldplicht opgenomen.
Onderstaande afbeelding geeft weer wanneer klein onderhoud aan wegen op of bij waterkering is toegestaan.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen:toegestaan
Geel: toegestaan binnen criteria en voorschriften van de algemene regel
[Red: Sectie 2.28 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.28. ]
Aan het verwijderen van werken en beplanting zijn verschillende waterhuishoudkundige risico’s aanwezig. Door de voorschriften die in deze algemene regel zijn opgenomen worden de risico’s afgedekt.
Onderstaande illustratie geeft aan wat wel en niet mogelijk is bij een waterkering.
Onderstaande illustratie geeft aan wat wel en niet mogelijk is bij een oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van peilregulerende werken, bruggen en duikers.
Verklaring kleuraanduiding:
Groen: toegestaan binnen de criteria en voorschriften van de algemene regel (zonder meldingsplicht)
Geel: toegestaan binnen de criteria en voorschriften van de algemene regel (met meldingsplicht)
Oranje: alleen toegestaan met een vergunning
[Red: Sectie 2.29 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 2.29. ]
Een dam met duiker wordt meestal geplaatst om een perceel te ontsluiten of om openbare wegen over oppervlaktewater te verbinden. Het aanbrengen van een dam met duiker is alleen toegestaan met een vergunning, waarop alleen een dam met duiker tot en met 12 meter in een C watergang is uitgezonderd. Deze laatste categorie valt namelijk onder de zorgplicht.
Bij dam met duikers die langer zijn dan 12 meter in een C watergang is er sprake van lange duikers en/of overkluizingen en heeft andere beoordelingsaspecten in de beleidsregels. Daarbij gaat het mogelijk niet meer om het ontsluiten van een perceel en is daarmee alleen toegestaan met een vergunning.
[Red: Sectie 3.1 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 3.1. ]
Het onttrekken van grondwater is opgedeeld in regels voor het onttrekken uit een permanente bron en in regels voor het onttrekken uit een tijdelijke bron. Voor bepaalde gebieden wordt een absoluut verbod ingesteld voor grondwateronttrekkingen voor beregening en/of bevloeiing. Voor een groot aantal onttrekkingen is op grond van deze verordening geen vergunning nodig.
Absoluut verbod bij beregeningen of bevloeiingen
De risico’ s van een grondwateronttrekking zijn sterk aan de locatie gebonden. Sommige gebieden zijn dusdanig afhankelijk van een goede vochtvoorziening, dat een grondwateronttrekking of het cumulatieve effect van meerdere grondwateronttrekkingen direct negatieve invloed heeft op de kwaliteit van (ecologische) functies. Behoud en ontwikkeling van deze gebieden vergt een specifieke bescherming, in de vorm van een jaarrond verbod op grondwateronttrekking binnen deze gebieden en een zone hierom heen. De aanwijzing van de gebieden die zo’n aanvullende bescherming nodig hebben, is gebaseerd op de provinciale natuurdoeltypenkaarten. Ze zijn aangeven op de kaart die bij deze algemene regels behoort.
Uit onderzoek volgt dat het effect van grondwateronttrekking voor beregening uit grondwater in ons beheersgebied tot een afstand van 200 meter merkbaar is. Deze afstand van maximaal 200 meter is de uitkomst van berekeningen waarbij rekening gehouden is met cumulatieve effecten van meerdere grondwateronttrekkingen op korte afstand, de diversiteit in bodemopbouw in de beheersgebieden van de Rijn-Oost waterschappen en met een periode van extremere droogte. Uit het onderzoek is gebleken dat vooral ook de cumulatie van effecten van grondwateronttrekkingen op korte afstand van elkaar zorgt voor significante effecten op grondwaterafhankelijke natuurgebieden. Een vergunningstelsel waarin een individuele grondwateronttrekking op zijn effecten beoordeeld wordt, volstaat daarmee niet om deze gebieden afdoende te beschermen.
De overgangsbepaling houdt grondwateronttrekkingen voor beregening of bevloeiing die vóór de inwerkingtreding van deze algemene regel bij de rechtsvoorgangers van Waterschap Drents Overijsselse Delta tot stand gekomen zijn buiten de werkingssfeer van de algemene regel.
Verbod bij waterschaarste
Afdeling 1.5 Calamiteiten van deze verordening bepaalt dat het waterschap tijdelijk een onttrekkingsverbod kan instellen, als er een tekort aan oppervlakte- en grondwater ontstaat of dreigt te ontstaan.
Algemene regel en vergunningplicht
Het uitgangspunt is dat de minder risicovolle grondwateronttrekkingen met een melding worden toegestaan en daarmee vrijgesteld zijn van de vergunningplicht. De meldplicht is eenduidig gemaakt voor het gehele beheergebied, binnen de kaders van provinciale omgevingsverordeningen van Drenthe en Overijssel.
Als niet voldaan kan worden aan de criteria uit de algemene regel, blijft het verbod om zonder vergunning grondwater te onttrekken van toepassing (artikel 3.5 en artikel 3.12). Artikel 3.5 en artikel 3.12 regelt ook het verbod om zonder vergunning water in de bodem te brengen, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening. Het gaat hierbij om infiltratie/kunstmatig aanvullen van water in de bodem met als oogmerk dit water later weer als grondwater te onttrekken. Denk hierbij aan duinwaterinfiltratie voor drinkwaterbedrijven. Het retourneren van onttrokken grondwater (retourbemaling) valt niet onder het begrip infiltreren, omdat er geen sprake is van het aanvullen van het grondwater met als doel het weer te onttrekken. Het retour brengen van grondwater is een bodemlozing. Ook hemelwaterinfiltratie is niet te zien als een infiltratie, omdat het onttrekkingsoogmerk ontbreekt.
permanente en tijdelijke grondwateronttrekkingen
Er wordt onderscheid gemaakt tussen grondwateronttrekkingen uit permanente en tijdelijke bronnen. Een onttrekking uit een permanente bron kan continu plaatsvinden of periodiek. Grondwateronttrekkingen (continue of periodiek) uit een permanente bron zijn o.a.:
Industriële onttrekkingen van minder dan 150.000 m3 per jaar;
Beheersmaatregelen in het kader van bodemsaneringen;
Onttrekkingen voor drinkwater vee;
Beregening en bevloeiing;
Noodvoorzieningen.
Grondwateronttrekkingen uit een tijdelijke bron zijn o.a.:
Salland diep
Voor het derde watervoerende pakket onder Salland, het Salland diepDiep, geldt al sinds 1991 een strategische reservering voor de openbare drinkwatervoorziening en hoogwaardige industriële toepassing waarop de Warenwet van toepassing is. Dit watervoerende pakket bevat grondwater van een zeer hoge kwaliteit en leeftijd en is kwetsbaar voor uitputting (verzilting door te veel onttrekkingen) en verontreinigingen (doorboren van bovenliggende kleilagen). Zorgvuldig beheer is noodzakelijk mede gelet op de reeds aanwezige onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening en hoogwaardige industriële toepassingen. Voor het betreffende gebied - op een diepte van meer dan 50 meter beneden het maaiveld - mag slechts vergunning worden verleend voor het onttrekken van grondwater als dit grondwater bedoeld is voor hoogwaardige industrieel gebruik waarop de Warenwet van toepassing is en waarvoor geen alternatief voorhanden is.
In de Omgevingsverordening Overijssel 2024 wordt inmiddels binnen boringsvrije zone Salland Diep een deelgebied Salland Diep Noord onderscheiden met een daarop afgestemde instructieregel voor de waterschapsverordening. Die moet voor de boringsvrije zone Salland Diep Noord een verbod bevatten op grondwateronttrekkingen op een diepte van meer dan 50 m beneden het maaiveld voor andere doeleinden dan voor de ontwikkeling van een openbare drinkwaterwinning.
Specifieke zorgplicht artikel
De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen) en archeologie. Degene die de grondwateronttrekking uitvoert, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken.
Als de grondwateronttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het dagelijks bestuur van het waterschap zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen.
Meet en -opgaveverplichting
Er zijn uitvoeringsvoorschriften opgenomen met een meting- en opgaveverplichting van de gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater. De verplichting geldt vanaf een bepaalde hoeveelheid onttrokken grondwater en verschilt per provincie. In de waterschapsverordening is genoemde verplichting eenduidig gemaakt, binnen de kaders van de provinciale omgevingsverordeningen van Drenthe en Overijssel.
Voor de registratie in het Landelijk Grondwater Register (LGR) is het noodzakelijk dat de in dit artikel gevraagde gegevens worden overlegd.
[Red: Sectie 3.2 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 3.2. ]
Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling waarvoor een tijdelijk onttrekkingspunt in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. Het is daarbij van belang dat het onderhoud van het oppervlaktewater niet wordt belemmerd door een onttrekkingsvoorziening.
Beregening uit een oppervlaktewaterlichaam is in beginsel toegestaan, behalve in gebieden die een aanvullende bescherming vergen.
In bepaalde gebieden is het ongewenst dat water onttrokken wordt uit oppervlaktewater. Denk aan oppervlaktewaterlichamen met een hoge ecologische doelstelling of oppervlaktewaterlichamen die zeer kwetsbaar worden door onttrekkingen. Daarom is het nodig in deze gebieden het onttrekken van oppervlaktewater te verbieden. Op de kaart bij deze algemene regel worden de betreffende oppervlaktewaterlichamen weergegeven.
Het uitvoeringsvoorschrift dat het eerste benedenstrooms gelegen peilregulerend kunstwerk water afvoert is opgenomen ter bescherming van het pand waaruit wordt onttrokken. Met een pand wordt bedoeld het gedeelte oppervlaktewaterlichaam tussen twee opeenvolgende peilregulerende kunstwerken. Een vistrap wordt ook als peilregulerend kunstwerk gezien. Als de afvoer over het eerste benedenstrooms gelegen peilregulerende kunstwerk of onderleider stagneert, ontstaat het risico dat het betreffende pand droog komt te staan door onttrekking uit het oppervlaktewaterlichaam. Dit is niet wenselijk voor het watersysteem en voor de ecologische toestand van het systeem.
De overgangsbepaling in de criteria houdt onttrekkingen voor beregening of bevloeiing die vóór de inwerkingtreding van deze algemene regel rechtmatig tot stand gekomen zijn buiten de werkingssfeer van de algemene regel.
De verplichte informatieplicht aan het waterschap (de peilbeheerder) is bedoeld om de beschikbare hoeveelheid water optimaal te gebruiken. De peilbeheerder kent de waterhuishoudkundige toestand van het systeem en kan de impact van een voorgenomen onttrekking inschatten. Door een tijdige melding kan de peilbeheerder anticiperen op een onttrekking (met name in een wateraanvoergebied) en/of kan hij de situatie extra bewaken (met name in een vrij afstromend gebied zonder aanvoer). Eventueel kan hij bemiddelen in de afstemming tussen verschillende onttrekkers uit één pand.
Het onttrekken van drinkwater voor vee met behulp van z.g. zelfdrinkers is altijd toegestaan.
[Red: Sectie 3.3 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 3.3. ]
Sommige gebieden zijn dusdanig afhankelijk van een goede vochtvoorziening, dat de aanleg van drainagemiddelen een negatieve invloed heeft/kan hebben op de kwaliteit van de (ecologische) functies. Behoud en ontwikkeling van deze gebieden vergen een specifieke bescherming. In deze gebieden is de vergunningplicht onverkort van toepassing. Er zal per aanvraag een toetsing van het drainageplan op de verwachte grondwaterstandseffecten plaatsvinden. Dit geldt met name voor de zonering van 200 meter rondom kwetsbare grondwaterafhankelijke natuur.
Buiten de aangewezen gebieden gelden voor de aanleg/vervanging van drainage algemene regels. Drainage mag daar aangelegd worden, mits niet dieper dan 1,00 meter beneden het maaiveld, met dien verstande dat in veenweidegebieden en beekdalen geldt dat drainage niet dieper dan 0,80 meter beneden het maaiveld aangelegd mag worden. Wie drainagebuizen dieper wil aanleggen dan 1,00 meter respectievelijk 0,80 meter, heeft een vergunning nodig.
Voor het uitmonden van drainage in een oppervlaktewaterlichaam waarvoor in de legger het onderhoud is geregeld, gelden voorschriften met het oog op de bescherming van het talud.
N.B. Er bestaat ook regelgeving over drainage in de beheerplannen van N2000-gebieden. Provincie Drenthe heeft een tijdelijke onderzoekszone ingesteld waarbinnen een voortoets geldt. Provincie Overijssel heeft een te hanteren invloedsafstand per N2000-gebied bepaald waarbinnen drainage op voorhand niet zonder vergunning mogelijk is. Deze zones gaan plaatselijk verder dan de door het waterschap aangegeven zone van 200 meter. Dit betekent dat er gebieden zijn waarin geen vergunning van het waterschap nodig is om tot een diepte van 1,00 meter dan wel 0,80 meter drainage aan te leggen, maar wel een vergunning is vereist in het kader van de natuurwetgeving.
[Red: Sectie 4.1 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.1. ]
Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het waterschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het waterschap. De artikelen in dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo'n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.
[Red: Sectie 4.2 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.2. ]
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel. 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Deze afdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze afdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in het oppervlaktewater geloosd.Voor lozingen in het oppervlaktewater zijn emissiegrenswaarden geformuleerd voor oppervlaktewateren die voor lozingen geen bijzondere bescherming nodig hebben, en wateren waarbij een bijzondere bescherming wel aan de orde kan zijn. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen lozingen op aangewezen oppervlaktewaterlichamen en niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen, die een grotere omvang hebben en daardoor minder kwetsbaar zijn voor lozingen, zijn opgenomen in bijlage III bij deze verordening.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht van deze verordening.
[Red: Sectie 4.3 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.2. ]
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die bijvoorbeeld na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren kunnen duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om het waterschap te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn is het raadzaam om contact op te nemen met het waterschap om na te gaan of er in een bepaald gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.In dit artikel is een emissiegrenswaarde voor onopgeloste bestanddelen opgenomen. Het beperken van visuele verontreiniging valt onder de specifieke zorgplicht en is daarom niet uitgeschreven in dit artikel.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen specifieke eisen bevatte voor deze lozingen. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze verordening.
[Red: Sectie 4.4 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.2. ]
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
[Red: Sectie 4.5 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.2. ]
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de hoeveelheid te lozen water wordt aangepast.
De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) die minder dan 48 uur duren, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: ten minste 5 werkdagen voor de start van de lozingsactiviteit wordt het bevoegd gezag geïnformeerd in plaats van 4 weken.
[Red: Sectie 4.6 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.3. ]
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld inparagraaf 4.77 van dat besluit.
De regeling voor het lozen van afvloeiend hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In deze verordening is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.
In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels of rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater, zijn aangelegd. Dit afvloeiend hemelwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. De regels hierover staan in het omgevingsplan. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Als laatste mogelijkheid is het lozen in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam aangegeven. Dit is alleen toegestaan wanneer het lozen via een andere route niet mogelijk is.
[Red: Sectie 4.7 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.3. ]
Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de oppervlaktewaterkwaliteit. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken worden aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig, ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg of wijziging, op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.
[Red: Sectie 4.8 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.4. ]
In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2.000 inwonerequivalenten. Deze afdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze afdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct in het oppervlaktewater te lozen. Aansluiting op de riolering ligt dan voor de hand. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden in het oppervlaktewater.
De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.
De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA's redelijkerwijs niet mogelijk.
[Red: Sectie 4.9 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.4. ]
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd in het oppervlaktewater worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Hierbij wordt voor lozingen in het oppervlaktewater een onderscheid gemaakt tussen lozingen in aangewezen wateren (wateren die geen bijzondere bescherming behoeven) en niet-aangewezen wateren (wateren die wel bijzondere bescherming behoeven). De lijst van aangewezen wateren is opgenomen in bijlage III bij deze verordening. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.
De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in het oppervlaktewater van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden op grond van tabel 4.3, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via zo’n voorziening geloosd mogen worden.
Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.
[Red: Sectie 4.10 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.4. ]
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
[Red: Sectie 4.11 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.4. ]
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals het aantal inwonerequivalenten en de wijze van behandelen van het afvalwater. Eveneens moeten gegevens aan het bevoegd gezag verstrekt worden als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
[Red: Sectie 4.12 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.5. ]
Deze afdeling is niet van toepassing op lozingen van koelwater afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Bij het opstellen van dat besluit is al beoordeeld bij welke milieubelastende activiteiten koelwater kan vrijkomen. Als dat het geval is, zijn er in dat besluit regels over het lozen van koelwater opgenomen.
Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder dat besluit vallen. Voor die bedrijven is daarom in dit artikel het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een hemelwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan.
Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd. De maximaal te lozen warmtevracht hangt af van het type oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage III bij deze verordening; andere oppervlaktewaterlichamen zijn niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen.De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 kJ per m3 per graad temperatuursverhoging.
Anders geformuleerd:
De warmtevracht = L x ΔT x W, waarbij
L = lozingsdebiet (m3/s)
ΔT = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.
W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.
[Red: Sectie 4.13 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.5. ]
Dit artikel verplicht om ten minste vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag gegevens en bescheiden te verstrekken. Daarbij wordt informatie verschaft over de maximale warmtevracht. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
[Red: Sectie 4.14 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.6. ]
Deze afdeling heeft betrekking op het lozen bij werkzaamheden aan bouwwerken in de buurt van oppervlaktewater. Hierbij kan gedacht worden aan (spoor)bruggen, sluizen, steigers, kadewanden of panden die grenzen aan het oppervlaktewater.De regels in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (paragraaf 3.1.6) en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen (paragraaf 3.5) schreven voor dat bij het reinigen en conserveren maatregelen getroffen dienden te worden om het op het oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen te voorkomen. Deze regels betroffen gedetailleerde instructies waaraan de lozer moest voldoen. Hierdoor mocht slechts afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd bij het afwassen met water en het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Voor andere reinigingsen conserveringswerkzaamheden zijn regels gesteld in artikel 4.15.
[Red: Sectie 4.15 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.6. ]
Het onderhouden van bouwwerken houdt veelal in dat de bouwwerken van verontreinigingen worden ontdaan, dat roest en oude verflagen worden verwijderd en dat een nieuwe verflaag wordt aangebracht. Bij de werkzaamheden worden reinigings- en/of conserveringstechnieken toegepast en komen stoffen vrij of worden stoffen gebruikt die emissies veroorzaken naar oppervlaktewaterlichaam. Om deze emissies te voorkomen of te beperken zijn milieubeschermende maatregelen nodig. In het algemeen gebeurt dit door het afschermen van de ruimte waarin wordt gewerkt en opvangen en verwerken van vrijkomende stofdeeltjes. Afhankelijk van de omvang en bezwaarlijkheid van de vrijkomende stoffen kunnen met een optimale combinatie van de toegepaste techniek, de te verwijderen of toe te passen materialen en stoffen en de te nemen milieubeschermende maatregelen de nadelige gevolgen voor het milieu beperkt worden. Voor de reinigings- en conserveringswerkzaamheden moet een werkinstructie opgesteld worden waarin in ieder geval de maatregelen staan die getroffen worden om het lozen te voorkomen of, voor zover dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. De werkinstructie kan de maatregelen bevatten die onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen worden beschreven, maar het is ook mogelijk om andere maatregelen of technieken te treffen. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6.23 van het Bal.
[Red: Sectie 4.16 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.6. ]
Als bouwwerken worden gesloopt, gerenoveerd of gebouwd is het bijna onvermijdelijk dat vaste delen in het oppervlaktewaterlichaam geraken. Het is daarom van belang dat bij deze werkzaamheden aan bouwwerken, die in de buurt van of boven het oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden, verontreiniging van het oppervlaktewaterlichaam zo veel mogelijk wordt voorkomen. De werkwijze en een zorgvuldige bedrijfsvoering zijn daarbij van doorslaggevend belang. Daarom moet een werkinstructie worden opgesteld waarin naast de werkwijze in ieder geval is aangegeven welke preventieve maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen in een oppervlaktewaterlichaam terechtkomen. Er moet worden gehandeld conform deze werkinstructie en de daarin genoemde maatregelen moeten worden getroffen.
[Red: Sectie 4.17 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.6. ]
Als het bij het reinigen of conserveren nodig is om te werken met een gesloten hulpconstructie en afzuiging, geldt een emissiegrenswaarde voor de hoeveelheid stof die naar de buitenlucht wordt afgevoerd. Deze eis is bedoeld om te voorkomen dat het stof alsnog in het oppervlaktewater terecht kan komen. Als de afstand tot een oppervlaktewaterlichaam zodanig groot is dat een lozing redelijkerwijs niet te verwachten is, geldt dit artikel niet.
[Red: Sectie 4.18 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.6. ]
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van stof.
[Red: Sectie 4.19 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.6. ]
Op grond van dit artikel moeten aan het bevoegd gezag ten minste vier weken voor aanvang van de reinigings- of conserveringswerkzaamheden of de bouw- of sloopwerkzaamheden de in het eerste lid van dit artikel genoemde gegevens en bescheiden verstrekt worden. Daarbij moet de werkinstructie worden toegestuurd. Het derde lid bevat een uitzondering op deze plicht voor periodieke reinigingswerkzaamheden waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld gevelreiniging.
[Red: Sectie 4.20 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.7. ]
Deze afdeling heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het overslaan van inerte goederen. Inerte goederen zijn goederen die niet bodembedreigend zijn. Inerte goederen geven bij overslag geen significante milieubelasting. Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
Overslaan is te beschouwen als een handeling binnen het transportproces tussen een onderneming en een andere partij (onderneming of particulier). Bij overslaan gaat het om «het van en naar een transportmiddel verplaatsen van goederen of materialen». Onder overslaan vallen bijvoorbeeld het lossen, (be)laden, overladen of (over)hevelen van goederen of materialen. De afdeling heeft geen betrekking op «opslaan». Het opslaan van goederen is al uitputtend geregeld in het Bal.
[Red: Sectie 4.21 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.7. ]
Afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen kan worden geloosd in oppervlaktewater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt voordat het wordt geloosd. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. In het voormalige Activiteitenbesluitmilieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was bepaald dat de lozing geen visuele verontreiniging mag veroorzaken. Die bepaling keert niet terug, want het voorkomen van visuele verontreiniging is onderdeel van de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk.
[Red: Sectie 4.22 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.7. ]
Het tweede lid bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (bijvoorbeeld zand of grind op een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen.
In het derde lid is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift in het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het derde lid is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 meter. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het tweede lid is gebruik maken van een ponton of een morsklep.
De maatregelen in het derde lid laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van het eerste lid.
[Red: Sectie 4.23 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.8. ]
Dit artikel heeft betrekking op goederen die bij contact met water kunnen uitlogen. Dit artikel geldt voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat besluit is geregeld dat het te lozen afvalwater in een vuilwaterriool moet worden geloosd. Voor het doelmatig beheer van afvalwater kan het water ook op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit artikel is dus een maatwerkregel op het Bal. De verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool kan in deze waterschapsverordening niet worden «uitgezet». Daarom is in het omgevingsplan een regel opgenomen die bepaalt dat de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt, als in de waterschapsverordening lozen in het oppervlaktewater is toegestaan.
Lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en ook niet binnen een afstand van 40 meter aangesloten kan worden op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk. Als er binnen die afstand wel een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk aanwezig is, is het niet toegestaan om te lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Het ligt dan voor de hand om aan te sluiten op die riolering of zuiveringtechnisch werk. De afstand is de afstand van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage III bij deze verordening.
Bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam moet voldaan worden aan de emissiegrenswaarden in de tabel. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Niet voor alle goederen zijn alle stoffen in de tabel relevant. Zo zijn bijvoorbeeld voor agribulk alleen het chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste stoffen, som van stikstofverbindingen en som van fosforverbindingen van belang.
[Red: Sectie 4.24 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.8. ]
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Dit artikel met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijft niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in artikel 4.23 emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I bij deze verordening.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse.
Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
[Red: Sectie 4.25 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.8. ]
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het:
–bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen;
–overslaan van zout voor het strooien op wegen;
–overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en
–overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
Met «bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen» wordt het overslaan bedoeld wat in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld voor inrichtingen.
De andere overslaghandelingen (strooizout, niet-inerte goederen die vrijkomen bij of nodig zijn in een werk) hebben betrekking op wat in het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was geregeld voor het overslaan buiten een inrichting. Bij «niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk» kan gedacht worden aan het vervangen of aanleggen van een walbeschoeiing in het oppervlaktewater, het aanbrengen of vervangen van kabels in de bodem of oppervlaktewater en andere werkzaamheden in de openbare ruimte. Dit materiaal kan van allerlei aard zijn, zoals beschadigde walbeschoeiing en oude kabels. Ook het nieuwe materiaal kan worden overgeslagen voordat het in het werk wordt aangebracht. In dit geval betreft het dus de nieuwe walbeschoeiing, nieuwe kabels en soortgelijk materiaal die nodig zijn in een werk.
Het tweede lid bepaalt dat bij het overslaan van goederen in de buitenlucht zo veel mogelijk wordt voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken. Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen (op bijvoorbeeld een oever) afvloeien in het oppervlaktewater of met stuiven, morsen, of andere ongewenste routes in het oppervlaktewater terechtkomen.
In het derde lid is een maatregel opgenomen hoe aan het voorschrift in het tweede lid in ieder geval kan worden voldaan bij het laden en lossen van schepen. Bij overslag van schip naar wal (of andersom) betekent dit dat het schip zo dicht mogelijk tegen de wal gelegd moet worden. Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als het schip zo afgemeerd kan worden dat er geen ruimte tussen schip en wal zit. In de praktijk is dat niet altijd haalbaar, en zal er bij overslag een spleet tussen schip en wal ontstaan. In het derde lid is aangeven dat deze spleet in ieder geval niet groter mag zijn dan 5 meter. Deze maatregel laat overigens onverlet dat degene die de activiteit verricht de spleet zo klein mogelijk moet houden. Een andere maatregel die toegepast kan worden om te voldoen aan het tweede lid is gebruik maken van een ponton of een morsklep.
De maatregelen in het derde lid laten verder onverlet dat degene die de activiteit verricht er alles aan doet om te voorkomen dat goederen in het oppervlaktewater raken. Mocht er onverhoopt toch een lozing plaatsvinden ondanks dat er alles aan gedaan is om dat te voorkomen, dan is die lozing toegestaan op grond van het eerste lid.
[Red: Sectie 4.26 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.8. ]
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag bepaalde gegevens en bescheiden te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
[Red: Sectie 4.27 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.9. ]
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels, openbare hemelwaterstelsels en openbare vuilwaterriolen in oppervlaktewater toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP's van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. Bij het vaststellen van het GRP is betrokkenheid van het waterschap voorgeschreven. Gemeente en waterschap bepalen gezamenlijk welke maatregelen aan de riolering het meest doelmatig zijn. Daarbij wordt onder meer gelet op de effecten van lozingen uit de riolering op het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast verplichtte het voormalige artikel 3.8 van de Waterwet tot afstemming van taken en bevoegdheden over de afvalwaterketen. Een omgevingsvergunning voor lozen vanuit de riolering is in dat licht overbodig. Ook het nieuwe stelsel gaat uit van samenwerking tussen overheden bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden (zie artikel 2.2 Omgevingswet). De Omgevingswet voorziet in artikel 3.14 in een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vast te stellen. Ongetwijfeld zal het college het waterschap daarbij betrekken. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen daarom eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
[Red: Sectie 4.28 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.9. ]
Voor lozingen vanuit «overheids-IBA’s» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4.27.
[Red: Sectie 4.29 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.10. ]
Dit artikel heeft betrekking op baggerwerkzaamheden en ontgravingen en geldt alleen voor de lozingen bij het baggeren en ontgraven zelf. Dit artikel heeft dus geen betrekking op een eventuele toepassing van de bagger of de opgegraven materie.
Het artikel is niet alleen van toepassing op waterbeheerders die baggerwerkzaamheden en ontgravingen verrichten. Ook als die werkzaamheden door derden worden verricht (zoals de onderhoudsplichtigen), is het artikel van toepassing.
Het artikel bepaalt dat de lozing is toegestaan als die plaatsvindt in hetzelfde oppervlaktewater waar ook het baggeren of ontgraven plaatsvindt.
[Red: Sectie 4.30 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.10. ]
Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden, waarbij de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem in de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit valt, is het gewenst dat het ontgraven of baggeren met een grotere zorgvuldigheid gebeurt dan wanneer de kwaliteit in een andere (minder schadelijke) kwaliteitsklasse valt. De kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd» komt overeen met een waterbodem die volgens het oude recht de interventiewaarden overschreed. In dat geval is het opstellen van een werkinstructie verplicht.
[Red: Sectie 4.31 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.10. ]
Dit artikel heeft betrekking op lozingen afkomstig van andere werkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam (anders dan ontgravingen of baggerwerkzaamheden) die door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvinden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Bijvoorbeeld het aanleggen van een natuurvriendelijke oever.
Het artikel bepaalt dat de lozing is toegestaan zonder verdere voorwaarden. Vanzelfsprekend geldt wel de specifieke zorgplicht.
[Red: Sectie 4.32 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.10. ]
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van algen en bacteriën op een oppervlaktewaterlichaam wat door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvindt in het kader van oppervlaktewaterbeheer.
Het artikel bepaalt dat algen en bacteriën afkomstig van een oppervlaktewaterlichaam op een ander oppervlaktewaterlichaam geloosd mogen worden in het kader van oppervlaktewaterbeheer. Daarbij geldt de voorwaarde dat beide oppervlaktewaterlichamen in beheer zijn bij dezelfde waterbeheerder. Het artikel maakt mogelijk dat de waterbeheerder, in het kader van het oppervlaktewaterbeheer, algen en bacteriën naar eigen inzicht in het eigen beheersgebied kan verplaatsten.
[Red: Sectie 4.33 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.10. ]
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing de in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag te verstrekken. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden overlegd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
[Red: Sectie 4.34 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.11. ]
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van leidingen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater.
Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.
Tegen lozingen van dit afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bestaat geen bezwaar, voor zover het afvalwater geen chemicaliën zoals desinfecteermiddelen bevat. Een lozing die wel zulke middelen bevat, is alleen mogelijk als het bevoegd gezag daarvoor een maatwerkvoorschrift heeft gesteld.
[Red: Sectie 4.12 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.12. ]
Het regenereren van drinkwaterputten is een activiteit die regelmatig voorkomt. De tijdelijke lozing bij deze activiteit leidt in de praktijk tot nagenoeg geen nadelige gevolgen in het oppervlaktewaterlichaam, waardoor een vergunning als een te zwaar instrument wordt beschouwd. Het regenereren is een standaard methode, waarbij meestal waterstofperoxide wordt gebruikt. Waterstofperoxide reageert in de winput en valt daarna snel uiteen in water.
Waterstofperoxide wordt in veel gevallen licht aangezuurd tot maximaal 1 % zoutzuur. Dit om de oplossing stabiel te houden. Het licht aanzuren van waterstofperoxide met zoutzuur wordt niet beschouwd als gebruik van andere chemicaliën om de winput te regenereren. Als een groter gehaltepercentage aan zoutzuur of als een ander zuur wordt gebruikt, wordt per situatie bekeken wat de gevolgen voor het oppervlaktewaterlichaam zijn, evenals wanneer het gaat om het gebruik van andere chemicaliën. Voor die situaties is een vergunning vereist.
[Red: Sectie 4.38 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.13. ]
Calamiteitenoefeningen worden uitgevoerd om bij brand of een andere calamiteit de schade tot een minimum te beperken. Het testen van een brandbestrijdingsinstallatie valt binnen het begrip «calamiteitenoefening». Bij calamiteitenoefeningen kan afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden, gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in het oppervlaktewater stroomt. Om de gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken, wordt daarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt van oefenblusschuimen die geen slecht-afbreekbare organische fluorverbindingen of andere halogeenverbindingen bevatten. Deze oefenblusschuimen hebben vergelijkbare uitvloei-eigenschappen als echt blusschuim, maar bevatten niet de schadelijke werkzame stof van blusschuimen.
Om overlap met regels uit het Bal te voorkomen, is een afstemmingsbepaling opgenomen in dit artikel. Het artikel heeft geen betrekking op afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.
[Red: Sectie 4.39 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.13. ]
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt en welke stoffen dat blusschuim bevat.
[Red: Sectie 4.40 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.14. ]
Het afvalwater dat vrijkomt bij het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, moet op grond van artikel 4.795 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden of worden geloosd in een vuilwaterriool. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt. Deze uitzondering is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.
[Red: Sectie 4.41 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.14. ]
Het afvalwater dat vrijkomt bij het sorteren van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.761 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.
[Red: Sectie 4.42 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.14. ]
Het afvalwater dat vrijkomt bij het wassen van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.773 van het Bal gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.
[Red: Sectie 4.43 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.14. ]
Op grond van de artikelen 4.801 en 4.804 van het Bal mag brijn, afkomstig van de bereiding van gietwater of drinkwater voor landbouwhuisdieren, niet worden geloosd. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater wel toegestaan. In dit artikel wordt deze lozingsroute weer mogelijk gemaakt. Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden voor dit afvalwater.
[Red: Sectie 4.44 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.14. ]
Het lozen van afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten is niet geregeld in het Bal. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.
[Red: Sectie 4.45 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.14. ]
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater, zoals dit artikel, schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Met het toevoegen van «NEN-ISO 15705» wordt deze regel gelijkgetrokken met andere regels in deze verordening, die voor het analyseren van het chemisch zuurstofverbruik niet alleen NEN 6633 van toepassing verklaren maar ook NEN-ISO 15705.
[Red: Sectie 4.46 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.14. ]
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
[Red: Sectie 4.47 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.15. ]
Volgens de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. Maar in sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in het omgevingsplan opgenomen dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. Maar de gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in de genoemde artikelen van het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom bepaalt dit artikel dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
[Red: Sectie 4.48 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.16. ]
Deze afdeling is van toepassing op lozingen afkomstig van (kleinschalige) voedselbereiding, ongeacht of die lozing afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal of niet. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca. Deze afdeling is niet van toepassing op grootschalige voedselbereiding als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.
[Red: Sectie 4.49 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.16. ]
Het afvalwater dat vrijkomt bij voedselbereiding wordt in het algemeen geloosd op een vuilwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan. Als er geen vuilwaterriool aanwezig is, kan het afvalwater ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het afvalwater samen met huishoudelijk afvalwater wordt behandeld in een zuiveringsvoorziening zoals een IBA. Die zuiveringsvoorziening moet wel berekend zijn op de verwerking van het afvalwater afkomstig van de voedselbereiding.
[Red: Sectie 4.50 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.16. ]
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, aan het bevoegd gezag te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
[Red: Sectie 4.51 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.17. ]
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers.
Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.
Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze – afhankelijk van de vraag – uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.
De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.
Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater op een oppervlaktewaterlichaam of elders geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen is zonder nadere voorschriften toegestaan.
[Red: Sectie 4.52 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.17. ]
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing aan het bevoegd gezag de gegevens en bescheiden, bedoeld in dit artikel, te verstrekken. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozingen. Aan het bevoegd gezag moeten eveneens gegevens en bescheiden worden verstrekt als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
[Red: Sectie 4.53 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.18. ]
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van een tweetal afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig.
Onderdeel a regelt dat het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport ervan, is toegestaan. Het zoute zeezand wordt meestal tijdens het varen naar de plaats waar het zand wordt toegepast, met steeds zoeter wordend oppervlaktewater gespoeld, om de zoutvracht naar beneden te brengen. Als voorwaarde is opgenomen dat het lozen tijdens het varen plaatsvindt.
Onderdeel b regelt dat het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het scheiden van zand en grind, is toegestaan.
De regels over het lozen van spoelwater van zeezand in brak oppervlaktewater en het lozen van organismen en slib veroorzaakt door het kweken en verwerken van mosselen en oesters zijn niet overgenomen uit het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Deze lozingen komen in de praktijk alleen voor in de rijkswateren.
[Red: Sectie 4.54 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.19. ]
De toegestane lozing betreft het incidenteel verstrooien op een voor de overledene of de nabestaanden bijzondere plek. Het artikel heeft geen betrekking op bedrijfsmatig georganiseerd verstrooien.
Om zicht te krijgen op de ontwikkelingen in het beheergebied, zijn alle initiatieven vergunningplichtig. Het is denkbaar dat in de toekomst, op grond van ervaringen, voor kleinere koudelozingen onder een bepaalde grens wordt volstaan met een meldingsplicht.
Op grond van artikel 3.18 is vergunning nodig voor onttrekken van water uit oppervlaktewater, ten behoeve van aquathermie. Voor een onttrekkingsvoorziening, lozingsvoorziening, leidingen en andere objecten kan op grond van deze verordening ook een vergunning of melding vereist zijn.
[Red: Sectie 4.55 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.20. ]
Voor het verrichten van een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap is een omgevingsvergunning vereist, als die lozing niet is geregeld in de afdelingen 4.2 tot en met 4.19 van deze waterschapsverordening. De vangnetvergunningplicht is opgenomen voor lozingen die mogelijk zouden kunnen plaatsvinden bij onbekende activiteiten en die dus niet bij het opstellen van de regels in de waterschapsverordening meegenomen konden worden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een vergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt. De vergunningplicht is beperkt tot het lozen van stoffen of warmte (oftewel de gevolgen voor de waterkwaliteit). De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
[Red: Sectie 4.56 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 4.20. ]
Voor het lozen van water, warmte of stoffen op een zuiveringtechnisch werk, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, is een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit vereist. Voor lozingen die wel afkomstig zijn van zo'n milieubelastende activiteit is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist.
[Red: Sectie 5 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 5. ]
Dit hoofdstuk regelt de toedeling van bevoegdheden aan het dagelijks bestuur en de verantwoording van het gebruik van die bevoegdheden.
[Red: Sectie 6 verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 6. ]
Nieuwe vergunningplicht
Als een activiteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zonder vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van die wet voor die activiteit een verbod op grond van de waterschapsverordening van toepassing is, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die wet een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die wet. Dit is bepaald in artikel 4.14 (nieuwe vergunningplicht) van de Invoeringswet Omgevingswet.
[Red: Sectie 6.1 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 6. ]
Dit artikel regelt het overgangsrecht voor vergunningen en aanvragen om een omgevingsvergunning.
[Red: Sectie 6.2 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 6. ]
Dit artikel bevat het overgangsrecht voor meldingen en maatwerkvoorschriften. Het eerste lid bevat de gelijkschakeling van meldingen die onder het oude recht zijn gedaan met meldingen op grond van de nieuwe waterschapsverordening.
Het tweede lid zorgt ervoor dat de aanvraag om een omgevingsvergunning, die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend voor een activiteit die op grond van deze verordening niet meer vergunningplichtig is maar wel meldingsplichtig, wordt gelijkgesteld met een melding op grond van deze verordening.
In het derde lid is de gelijkschakeling van maatwerkvoorschriften op grond van de oude waterschapsverordening met maatwerkvoorschriften op grond van de nieuwe waterschapsverordening geregeld.
Het overgangsrecht voor meldingen en maatwerkvoorschriften sluit aan op de regeling in de artikelen 8.1.1 en 8.1.5 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Anders dan in dat besluit, is er echter geen overgangsrecht opgenomen voor aanvragen om een maatwerkvoorschrift die voor inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend. De reden daarvan is dat aanvragen om maatwerkvoorschriften weinig voorkomen. Een eventuele aanvraag om een maatwerkvoorschrift die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, zal daarom opnieuw moeten worden ingediend (voor zover er nog steeds maatwerk nodig is natuurlijk).
[Red: Sectie 6.3 ongewijzigd verplaatst van artikelgewijzetoelichting 'Artikelsgewijze toelichting' naar sectie 6. ]
Dit artikel bevat het overgangsrecht voor lopende handhavingsprocedures. Dit overgangsrecht sluit aan bij het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet. De hoofdlijn is dat overtredingen van de oude regels worden afgehandeld op basis van die oude regels. Mocht zich een situatie voordoen waarbij een overtreding is begaan van de oude regels, terwijl die handeling onder de nieuwe regels geen overtreding meer oplevert, dan zal het waterschap het handhavingsbesluit intrekken.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2026-25460.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.