TOELICHTING
Deze regeling is gebaseerd op het model van A&O Fonds Waterschappen d.d. 13 maart 2023. De modelregeling is geschreven voor het melden van vermoedens van misstanden conform de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk). In de regeling van Schieland en de Krimpenerwaard is ook de mogelijkheid van het melden van vermoedens van integriteitsschendingen/onregelmatigheden opgenomen. Het onderscheid tussen misstanden en integriteitsschendingen/onregelmatigheden is van belang voor de vraag of melders op grond van de Wbk worden beschermd tegen benadeling.
De Wbk geeft de kaders voor het melden van misstanden en ziet niet op integriteitsschending/onregelmatigheden. In de wet worden misstanden in twee categorieën opgedeeld:
- –
een inbreuk op het Unierecht (op met name genoemde beleidsterreinen);
- –
een maatschappelijke misstand.
Een integriteitsschending is een incident waarbij (ongeschreven) regels, normen en waarden van de organisatie wordt geschonden. Een belangrijke vindplaats voor deze regels is de (ambtelijke) Gedragscode integriteit. Voorbeelden van integriteitsschendingen als bedoelt in deze regeling zijn:
- –
misbruik van positie en/of bevoegdheden;
- –
- –
lekken, misbruik en/of ongeoorloofd omgaan met informatie;
- –
- –
misbruik van bedrijfsmiddelen;
- –
ongepaste gedragingen in de privésfeer;
Een onregelmatigheid is een onvolkomenheid of ongerechtigheid van algemene, operationele of financiële aard die plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de organisatie en zodanig ernstig is dat deze buiten de reguliere werkprocessen valt en de verantwoordelijkheid van de direct leidinggevende overstijgt.
HHSK stelt de meldregeling, die verplicht is volgens de Wbk, dus ook open voor meldingen over andere integriteitsschending/onregelmatigheden. Een bredere toepassing van de meldregeling is wenselijk en handig, omdat:
- –
het interne meldbeleid zo niet versnippert;
- –
de organisatie dan niet meerdere regelingen in stand hoeft te houden en op elkaar af hoeft te stemmen;
- –
de meldprocedure op deze manier het eenvoudigst is. Medewerkers doen doorgaans sneller een melding via een eenvoudige meldprocedure dan via een ingewikkelde;
- –
de organisatie eerder kan ingrijpen en zo mogelijk schade kan voorkomen.
Niet alle meldingen kunnen of mogen op dezelfde manier opgepakt worden. Voor de behandeling van misstanden gelden andere (wettelijke) eisen dan voor de behandeling van andere integriteitsschending/onregelmatigheden. Zo is er bij integriteitsschending/onregelmatigheden bijvoorbeeld geen mogelijkheid om direct extern te melden. Ook kan het Huis voor Klokkenluiders deze schendingen niet onderzoeken.
Het wettelijke benadelingsverbod geldt alleen voor meldingen van misstanden als bedoeld in de Wbk. In de toelichting op paragraaf 4 is opgenomen welke rechtsbescherming HHSK wil bieden aan melders van integriteitsschendingen of onregelmatigheden.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders
De afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders is ingesteld bij de Wet huis voor klokkenluiders (nu: Wet bescherming klokkenluiders). De dienstverlening van de afdeling advies van het Huis is vertrouwelijk, onafhankelijk en gratis. Een melder van een misstand kan de afdeling advies verzoeken om informatie, advies en ondersteuning inzake het vermoeden van een misstand.
Afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders
De melder van een misstand kan de externe melding doen bij een externe instantie, waaronder de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders. De melder van een misstand kan ook de afdeling onderzoek verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de organisatie zich jegens hem heeft gedragen naar aanleiding van de melding (een zogeheten “bejegeningsonderzoek”).
Betrokken derde
Een betrokken derde kan bijvoorbeeld een collega of familielid van de melder zijn of een rechtspersoon die eigendom is van de melder, waarvoor de melder werkt of waarmee de melder anderszins werkgerelateerd verbonden is. Steeds geldt (ook) het vereiste van de werkgerelateerde context.
Contactpersoon
De Wet bescherming klokkenluiders schrijft het aanstellen van een contactpersoon niet voor. HHSK heeft in artikel 4 lid 2 opgenomen dat de Functionaris vermoeden misstand zo spoedig mogelijk na ontvangst van de melding, in overleg met de melder, een contactpersoon aanwijst met het oog op het tegengaan van benadeling van de melder. Dit kan een vertrouwenspersoon zijn of een werknemer die binnen de organisatie hiërarchisch een gelijke of hogere positie bekleedt dan de melder. Het is van belang dat de contactpersoon iemand is in wie de melder vertrouwen heeft. Daarom wordt de contactpersoon aangewezen in overleg met de melder.
Omdat benadeling al in een vroeg stadium kan optreden, is het raadzaam dat de contactpersoon zo spoedig mogelijk na ontvangst van de melding aan het werk kan gaan. Daarom schrijft artikel 4 lid 2 voor dat deze contactpersoon zo spoedig mogelijk wordt aangewezen, dat wil zeggen diezelfde dag of binnen één of enkele dagen.
Degene die een melder bijstaat
Met degene die de melder bijstaat zijn onder meer bedoeld de vertrouwenspersoon of een vakbondsvertegenwoordiger die een melder vertrouwelijk kunnen adviseren bij een melding.
Functionaris vermoeden misstand
De functionaris bij wie een misstand kan worden gemeld of die opvolging geeft aan die melding, moet onafhankelijk zijn en geen belangenconflicten hebben. HHSK neemt deze eis mee in de benoemingsprocedure.
Hoogste leidinggevende
De hoogste leidinggevende is het orgaan of de persoon die de (dagelijkse) leiding heeft over de organisatie van de werkgever. Bij HHSK is dat de secretaris-directeur.
Melder
Deze regeling verstaat, in overeenstemming met de Wet bescherming klokkenluiders, onder melder: een natuurlijke persoon die in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten een vermoeden van een misstand meldt of openbaar maakt. Onder een melder worden niet alleen werknemers verstaan, maar ook sollicitanten, bestuurders, aannemers, onderaannemers en leveranciers en eenieder die onder hun toezicht werkt. Ook kan het gaan om mensen die in het verleden bij of voor de organisatie hebben gewerkt. Van belang is of er een werkgerelateerde context is, was of zou zijn.
Redelijke gronden | Vermoeden
Het vermoeden van een misstand, integriteitsschending/onregelmatigheid moet gebaseerd zijn op redelijke gronden. Dat betekent dat de melder niet hoeft te bewijzen dat sprake is van een misstand of integriteitsschending/onregelmatigheid, maar hij moet zijn vermoeden wel enigszins kunnen onderbouwen. Het vermoeden moet voldoende concreet zijn en zijn gebaseerd op eigen waarneming of documenten (bijvoorbeeld e-mails, verslagen, brieven, foto’s etc.). Ongefundeerde vermoedens en geruchten zijn niet voldoende.
Misstand | Schending van het Unierecht
Onder een ‘misstand’ wordt verstaan:
- 1.
een schending of een gevaar voor schending van het Unierecht of
- 2.
een handeling of nalatigheid waarbij het maatschappelijk belang in het geding is in het geval van een aantal nader genoemde situaties.
Ad 1. Van een schending van het Unierecht is sprake bij een handeling of nalatigheid die:
- •
onrechtmatig is en betrekking heeft op een zogeheten Uniehandeling (deze zijn te vinden in de Bijlage bij de Europese richtlijn waarop de Wet bescherming klokkenluiders is gebaseerd) en een beleidsterrein die valt binnen een van de hierna bedoelde toepassingsgebieden (zie hierna); of
- •
het doel of de toepassing ondermijnt van de regels in de Uniehandelingen en beleidsterreinen die vallen binnen een van de hierna genoemde toepassingsgebieden. Het gaat hierbij om de volgende toepassingsgebieden:
- •
- •
financiële diensten, producten en markten, voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering;
- •
productveiligheid en productconformiteit;
- •
veiligheid van het vervoer;
- •
bescherming van het milieu;
- •
stralingsbescherming en nucleaire veiligheid;
- •
veiligheid van levensmiddelen en diervoerders, diergezondheid en dierenwelzijn;
- •
- •
- •
bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens en beveiliging van netwerk- en informatiesystemen;
- •
schendingen waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad;
- •
schendingen in verband met de interne markt met inbegrip van inbreuken in verband met mededinging, staatssteun, vennootschapsbelasting of constructies die erop gericht zijn een belastingvoordeel te krijgen dat afbreuk doet aan de strekking of het doel van het toepasselijke vennootschapsbelastingrecht.
Ad 2. Ten opzichte van de definitie van een misstand in de Wet bescherming klokkenluiders zijn in deze modelregeling de navolgende toevoegingen gedaan:
- •
onder 2°. sub ii t/m vii is telkens (een variant van) het woord “(dreigend)” toegevoegd; en
- •
als vormen van misstanden zijn de beschrijvingen onder sub v t/m vii toegevoegd.
Vanuit het oogpunt van het voorkomen van het optreden van misstanden is het wenselijk dat ook al bij een dreigende misstand een melding kan worden gedaan. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de beslissing die tot het optreden van de vermoede misstand zal leiden al wel is genomen maar deze beslissing nog niet tot uitvoering is gekomen.
De wettelijke criteria bij het beoordelen of sprake is van een maatschappelijk belang zijn dat de handeling of nalatigheid niet alleen persoonlijke belangen raakt en er sprake is van ofwel een patroon of structureel karakter dan wel de handeling of nalatigheid ernstig of omvangrijk is. Er is echter ook ruimte om andere criteria mee te wegen bij de beoordeling of een maatschappelijk belang in het geding is. Zoals de hoeveelheid mensen wier belangen de melding dient, de aard van de belangen die in het geding zijn, de aard van de gemelde misstand en de functie van degene die vermoed wordt de misstand te hebben gepleegd. Verschil met de wettelijke criteria is dat dit criteria zijn die bij de overweging betrokken kunnen worden en waaraan niet altijd hoeft te worden voldaan. Ter illustratie een voorbeeld. Een diefstal van enkele zaken door één individu is nog geen misstand waarbij het maatschappelijk belang in het geding is. Het maatschappelijk belang kan echter wel in het geding komen als het gaat om meerdere diefstallen of dure zaken, zeker als de diefstallen worden gepleegd door werknemers die juist tot taak hebben die goederen te bewaken of als de diefstallen door de leiding van het bedrijf worden gedoogd of de leiding zelf deelt in de buit.
Bij “interne regels” (sub f, onder 2°) moet het gaan om concrete en duidelijke regels die binnen de organisatie gelden. Niet concreet en niet duidelijk zijn open normen die alleen een aanbeveling inhouden zoals uitgangspunten die benoemd worden over hoe zich te gedragen bij onlinecommunicatie en op sociale media. Ook moeten de interne regels een wettelijke basis hebben. Hieronder worden onder meer begrepen gedragscodes en bedrijfsvoorschriften die op grond van artikel 660 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 4 lid 3 van de Ambtenarenwet 2017 door werkgevers zijn voorgeschreven. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan voorschriften ten behoeve van de veiligheid op de werkvloer. Interne regels van een werkgever kunnen ook voortvloeien uit afspraken in een CAO waaraan de werkgever is geboden op grond van de Wet op de CAO. Ook kan het gaan om regelingen als bedoeld in artikel 27 lid 1 van de Wet op de ondernemingsraden, die na instemming van de ondernemingsraad zijn vastgesteld.
Werkgerelateerde context
Bij werkgerelateerde activiteiten gaat het niet alleen om het verrichten van arbeid, maar kan het ook gaan om dienstverlening, een sollicitatie of aandeelhouderschap.
Werkgever
De definitie van werkgever sluit aan bij de definitie van werkgever in de Wet bescherming klokkenluiders.
Werknemer
Deze regeling verstaat, in overeenstemming met de Wet bescherming klokkenluiders, onder werknemer: i. degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht; en ii. degene die anderszins in een ondergeschiktheidsrelatie tegen een vergoeding arbeid verricht.
Onder werknemer die “anderszins in een ondergeschiktheidsrelatie tegen een vergoeding arbeid verricht” (zie onder ii hierboven), vallen in ieder geval zzp’ers en betaalde stagiaires en vrijwilligers. Het is een keuze om ook onbezoldigde stagiairs en vrijwilligers onder de regeling te laten vallen.
Vertrouwenspersoon
De vertrouwenspersoon is degene die is aangewezen om voor de organisatie van de werkgever als vertrouwenspersoon te fungeren. Het aanstellen van een vertrouwenspersoon is op grond van de Wet bescherming klokkenluiders niet verplicht. Afhankelijk van de aard en omvang van de organisatie kan de werkgever een interne vertrouwenspersoon en/of een externe vertrouwenspersoon kiezen. De vertrouwenspersoon kan een rol spelen bij de advisering en ondersteuning van de melder en bij het doen van de melding.
Artikel 2. Informatie, advies en ondersteuning voor de werknemer
Een melder die denkt dat sprake zou kunnen zijn van een misstand of van een integriteitschending, kan dit bespreken met de vertrouwenspersoon, de Functionaris vermoeden misstand of de afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders. Uiteraard bestaat ook de mogelijkheid om dit te bespreken met bijvoorbeeld een advocaat of een jurist van een vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar.
Artikel 3. Vertrouwelijkheid
De leden 1, 2, 3 en 5 komen overeen met artikel 1a Wbk en zijn in deze regeling ook van toepassing op integriteitsschendingen/onregelmatigheden.
Lid 1
Als leidinggevenden en/of collega’s weten wie de melding heeft gedaan en de melder dit kwalijk nemen, zou dat kunnen leiden tot benadeling van de melder. Daarom is het van belang dat de identiteit van de melder (en alle informatie in verband met de melding en/of het onderzoek waarvan het vertrouwelijke karakter bekend is of waarvan dit redelijkerwijs moet worden vermoed), vertrouwelijk wordt behandeld. Concreet betekent dit dat de groep personen die weet wie de melder is, niet groter zal mogen zijn dan voor een goede uitvoering van deze regeling noodzakelijk is.
Lid 3
Voor het buiten deze groep van personen bekend maken van de identiteit van de melder (en de informatie aan de hand waarvan direct of indirect diens identiteit kan worden achterhaald) is schriftelijke instemming van de melder noodzakelijk (tenzij het bepaalde in lid 4 van toepassing is). In deze instemmingsverklaring zal specifiek moeten worden aangegeven aan wie of aan welke groep van personen de identiteit van de melder bekend mag worden gemaakt.
Lid 4
Als de melding via de vertrouwenspersoon wordt gedaan en de melder geen toestemming geeft zijn identiteit bekend te maken, zal alleen de vertrouwenspersoon weten wie de melder is. Dit wordt gewaarborgd door alle correspondentie over de melding via de vertrouwenspersoon te laten verlopen.
Artikel 4. Interne melding
Leden 1 en 2
Het heeft de voorkeur om een interne melding te doen alvorens wordt overgegaan op het doen van en externe melding. Een externe melding is alleen mogelijk in geval van een vermoeden misstand. Indien een melding intern wordt gedaan, kunnen vermeende misstanden tijdig worden ontzenuwd en terechte meldingen direct worden aangepakt bij de bron. Het is, in geval van een vermoeden misstand, echter aan de melder om te kiezen of hij eerst intern of rechtstreeks extern meldt. Of de melder vermoeden misstand eerst gebruik heeft gemaakt van het interne meldkanaal of zich rechtstreeks tot de externe autoriteit wendt, is voor de rechtsbescherming irrelevant. In beide gevallen geniet hij – mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden – bescherming tegen bijvoorbeeld benadeling.
Lid 4
Voor de formulering van dit lid is aangesloten bij het concept van het Besluit anoniem melden vermoeden misstanden (AmvB). Dit besluit is nog niet vastgesteld ten tijde van het opstellen van de regeling maar vooruitlopend op de vaststelling wel vast opgenomen in de regeling.
Lid 5
De gegevens over de melding worden vernietigd als ze niet langer noodzakelijk zijn om te voldoen aan de door de of andere bij of krachtens wet of het recht van de Europese Unie vastgestelde eisen. De gegevens van een melding blijven in ieder geval behouden in de volgende gevallen: (i) zolang een onderzoek naar een melding loopt; (ii) als nadien een externe melding bij een autoriteit is gedaan; of (iii) als een klacht- of gerechtelijke procedure loopt. De eisen op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming, en ook de geheimhoudingsvereisten, bedoeld in artikel 9 van deze regeling, of andere wettelijke geheimhoudingsplichten zijn daarbij onverminderd op het register van toepassing.
Artikel 5. Behandeling van de interne melding
Lid 3
Dit lid is gebaseerd op de regeling melden vermoeden misstanden en/of integriteitsschendingen van 2014.
Lid 4
Naar aanleiding van een melding van een vermoeden van een misstand of integriteitsschending/onregelmatigheid wordt in beginsel altijd een onderzoek ingesteld. Hierop zijn twee uitzonderingen.
De eerste uitzondering is dat het vermoeden niet gebaseerd is op redelijke gronden. De tweede uitzondering is de situatie dat reeds op voorhand, dus zonder onderzoek te doen, duidelijk is dat het gemelde geen betrekking heeft op een vermoeden van een misstand. Dat is het geval als op voorhand duidelijk is:
- •
dat met de gemelde gedragingen of gebeurtenissen niets mis is, of
- •
dat de gemelde gedragingen of gebeurtenissen niet ernstig genoeg zijn om als een vermoeden van een misstand of integriteitsschending/onregelmatigheid te kunnen worden aangemerkt.
Lid 5
Indien de melder aanwijzingen zou hebben dat de onderzoekers niet onafhankelijk en onpartijdig zijn of zelfs betrokken zouden zijn of zijn geweest bij de vermoede misstand of integriteitsschending/onregelmatigheid, kan hij de Functionaris vermoeden misstand daarvan op de hoogte stellen. Deze zal dan moeten beoordelen of de onderzoekers aan de vereisten van lid 5 voldoen.
Lid 6
Een interne melding kan voor de organisatie aanleiding zijn om een externe instantie van deze melding op de hoogte te brengen. Dit kan voortvloeien uit een meldplicht, maar kan ook worden ingegeven door het eigen belang van de organisatie of vanuit het oogpunt van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap. Deze beoordeling moet al in het stadium van het in behandeling nemen van de melding worden gemaakt.
Ernstige bezwaren
De zinsnede “tenzij daartegen ernstige bezwaren bestaan” brengt tot uitdrukking dat dit alleen in een uitzonderlijke situatie aan de orde zal zijn. Bij de afweging of daarvan sprake is, zal de organisatie moeten meewegen:
- •
dat de melder een gerechtvaardigd belang heeft om na te kunnen gaan of de kennisgeving aan de externe instantie goed en zorgvuldig geschiedt, en
- •
dat de melder een geheimhoudingsplicht (in veel gevallen) tegenover de organisatie heeft en van de melder mag worden verwacht dat hij met alle gegevens en documenten die verband houden met de melding zorgvuldig omgaat.
Indien desalniettemin tegen het zenden van een afschrift aan de melder ernstige bezwaren bestaan, stuurt de organisatie de melder een samenvatting waarin de informatie waartegen de ernstige bezwaren bestaan wordt weggelaten.
Artikel 6. De uitvoering van het onderzoek
Leden 2 t/m 6
Zie de beschermingsbepalingen in artikel 11.
Lid 7
Zie voor de uitzonderlijke situatie dat er ernstige bezwaren bestaan de toelichting bij artikel 5 lid 6.
Artikel 7. Standpunt organisatie
Leden 1 en 2
De in deze bepalingen neergelegde termijn van drie maanden is ontleend aan de wet. Met de zinsnede ‘zo voortvarend mogelijk’ wordt beoogd een waarborg te bieden voor een efficiënt en zorgvuldig onderzoeksproces, waarbij de periode van onzekerheid voor betrokkenen tot een minimum wordt beperkt. Hier ligt nadrukkelijk een inspanningsplicht voor de werkgever.
Lid 2
Zie de toelichting bij artikel 5 lid 6. Deze bepaling regelt dat deze beoordeling ook na afronding van het onderzoek wordt gemaakt.
Artikel 9. Externe melding
Het onderwerp van de melding bepaalt bij welke externe autoriteit een externe melding kan worden gedaan. De Wet bescherming klokkenluiders schrijft (in hoofdstuk 1a) voor welke autoriteiten bevoegd zijn en welke eisen aan de externe meldkanalen moeten voldoen. Informatie over deze externe meldkanalen is te vinden op de websites van de externe autoriteiten. Indien een autoriteit een melding heeft ontvangen waarvoor zij niet bevoegd is, wordt de melding (mits de melder daaraan zijn voorafgaande instemming heeft verleend) onverwijld en op veilige wijze door naar de autoriteit die wel bevoegd is.
De afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders onderzoekt externe meldingen als andere externe autoriteiten niet bevoegd zijn.
Voor de volledigheid zij nog opgemerkt dat de mogelijkheid tot het doen van een externe melding van een vermoeden van een misstand beperkt is tot een vermoeden van een misstand zoals gedefinieerd in de Wet bescherming klokkenluiders. De toevoegingen in de in deze regeling gehanteerde definitie vallen daar niet onder. Zie voor wat ten opzichte van de definitie in de Wet bescherming klokkenluiders is toegevoegd de toelichting bij artikel 1 lid 1 sub n onder 2°.
Paragraaf 4 Bescherming tegen benadeling
Een belangrijk onderdeel van de Wbk is het benadelingsverbod. De melder die op de juiste manier een melding van een misstand heeft gedaan, mag daar niet om benadeeld worden. Wanneer een melder toch vindt dat hij is benadeeld, dan kan hij het Huis voor Klokkenluiders vragen om een bejegeningsonderzoek te doen of kan hij een rechtszaak starten. Het kan voorts gebeuren dat de melder vermoeden misstand bijvoorbeeld bedrijfsgeheimen openbaar moet maken of informatie onthult waarvoor hij een geheimhoudingsplicht schendt. Als de melder redelijke gronden heeft dat het noodzakelijk is om die informatie te gebruiken voor de melding én als hij meldt in overeenstemming met de wet, dan mag dat. De melder kan dan niet aansprakelijk worden gesteld door de organisatie voor de schendingen en het doen van een melding.
Tot slot introduceert de Wbk de zogeheten ‘omkering van de bewijslast’. Dit betekent dat de rechter er in gerechtelijke procedures over de benadeling van een melder van uitgaat dat deze benadeling het gevolg is van de melding. De organisatie zal in dat geval moeten bewijzen dat de (eventuele) benadeling van de melder of andere persoon geen gevolg is van de melding.
Het wettelijke benadelingsverbod geldt alleen voor meldingen van misstanden als bedoeld in de Wbk. Een organisatie kan ervoor kiezen ook voor andere meldingen deze bescherming te bieden. Dit verlaagt de drempel om te melden. Bij vermoedens van integriteitsschendingen/onregelmatigheden gaat het om kwesties die niet direct raken aan groot publiek en maatschappelijke belang. Het ligt dan ook niet voor de hand om de volledige rechtsbescherming van de Wbk voor vermoedens van misstanden, ook van toepassing te verklaren op integriteitsschendingen/onregelmatigheden. In deze regeling is daarom de volgende rechtsbescherming opgenomen:
|
|
Misstanden
|
Integriteitsschending of onregelmatigheid
|
|
Bescherming tegen benadeling bij melden
(artikel 11)
|
x
|
x
|
|
Bescherming tegen benadeling bij openbaarmaking
(artikel 12)
|
x
|
n.v.t.
|
|
Vrijwaring
aansprakelijkheid
(artikel 13)
|
x
|
n.v.t.
|
|
Bejegeningsonderzoek binnen HHSK (artikel 14)
|
x
|
x
|
|
Bejegeningsonderzoek Huis voor Klokkenluiders (artikel 14)
|
x
|
n.v.t.
|
Artikel 11. Bescherming tegen benadeling bij een melding
Het zorgen voor een goede bescherming van de melder tegen benadeling is een van de basisvoorwaarden voor het goed en zorgvuldig omgaan met een melding.
Van benadeling is sprake als de melder in verband met het doen van een melding slechter wordt behandeld dan hij zou zijn behandeld als hij geen melding had gedaan. Deze benadeling kan ook al plaatsvinden in de aan de melding voorafgaande fase. Dit is de fase waarin de toekomstige melder van de kwestie op de hoogte is geraakt en intern is begonnen daarover vragen te stellen of zijn mening daarover kenbaar te maken.
Bescherming tegen benadeling betekent niet alleen dat de organisatie zich onthoudt van het nemen van benadelende maatregelen. De organisatie heeft ook de verantwoordelijkheid ervoor zorg te dragen dat de melder niet door bepaalde gedragingen feitelijk wordt benadeeld.
De bescherming tegen benadeling is niet beperkt tot een bepaalde periode. Waar het om gaat is dat de melder niet in verband met het doen van een melding wordt benadeeld.
In geval van een (vermeende) benadeling, kan de melder volstaan met het aantonen dat hij een melding heeft gedaan en dat hij is benadeeld. Het is aan de organisatie om aan te tonen dat er geen relatie (causaal verband) bestaat tussen de melding of openbaarmaking en de benadeling. Dit heet een verschuiving van de bewijslast.
Lid 1
De woorden “in verband met” in lid 1 brengen tot uitdrukking dat de melder ook in de aan de melding voorafgaande fase dient te worden beschermd tegen benadeling.
Lid 1 vereist, evenals de beschermingsbepaling in de Wet bescherming klokkenluiders, dat de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de gemelde informatie over het vermoeden van een misstand op het moment van de melding juist is. Hiermee wordt bijvoorbeeld bedoeld dat de melder de melding in overeenstemming met deze regeling doet en dat de melder niet een valse of leugenachtige melding doet.
Lid 2
Lid 2 geeft onder a t/m w voorbeelden van maatregelen waarbij sprake is van benadeling als de organisatie deze neemt in verband met het doen van de melding (mits is voldaan aan de voorwaarden als genoemd in lid 1). Deze opsomming is niet limitatief. Onder benadeling wordt ook begrepen “dreigen met” en “pogingen tot” benadeling.
Lid 3
Lid 3 maakt duidelijk dat benadeling ook aan de orde is als een redelijke grond aanwezig is om de melder aan te spreken op zijn functioneren of een maatregel tegen hem te nemen, maar de organisatie in verband met het doen van een melding een zwaardere maatregel neemt dan redelijkerwijs gerechtvaardigd is, of als de organisatie een zwaardere maatregel neemt dan onder vergelijkbare omstandigheden bij een ander die geen melding heeft gedaan.
Lid 4
De in lid 4 opgenomen motiveringsplicht is een voorzorgsmaatregel die de organisatie helpt om benadeling van de melder te voorkomen. Indien de voorgenomen maatregel geen verband houdt met het doen van de melding, zal de organisatie zonder enig bezwaar kunnen aangeven waarom het nemen van deze maatregel nodig is.
Lid 6
Lid 6 brengt tot uitdrukking dat de organisatie, in voorkomend geval, gehouden is actief handhavend op te treden. De organisatie zal daarbij afhankelijk van de ernst van de benadeling en het aandeel van de betrokkene(n) daarin moeten beoordelen welke wijze van optreden afdoende zal zijn om de bescherming van de melder tegen benadeling daadwerkelijk te effectueren.
Artikel 12. Bescherming tegen benadeling bij openbaarmaking
Om in aanmerking te komen voor bescherming tegen benadeling bij openbaarmaking gelden verdergaande voorwaarden dan bij een melding. Zo moet voorafgaand aan de openbaarmaking eerst een melding bij de organisatie en een bevoegde autoriteit of andere bevoegde instantie, dan wel rechtstreeks bij een bevoegde autoriteit of een andere bevoegde instantie te zijn gedaan. Daarnaast moet de melder redelijke gronden hebben om aan te nemen dat het onderzoek onvoldoende voortgang heeft. De melder kan zich hierbij baseren op de informatie die hij heeft gekregen over de beoordeling of opvolging van de melding die hij binnen een redelijke termijn van de organisatie, dan wel een bevoegde autoriteit of een andere bevoegde instantie moet hebben verkregen. Als hij binnen die tijd geen bericht heeft gekregen, kan hij zich geen oordeel vormen en ook dan ervan uitgaan dat het onderzoek onvoldoende voortgang heeft.
Een andere gerechtvaardigde reden voor openbaarmaking kan zijn dat de melder redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de misstand een dreigend reëel gevaar kan zijn voor het algemeen belang, een risico bestaat op benadeling of dat het – als hij de misstand zou melden – niet waarschijnlijk is dat de misstand doeltreffend zal worden verholpen. In deze gevallen is voorafgaande melding bij de organisatie, een bevoegde autoriteit of een andere bevoegde instantie geen voorwaarde.
Daarnaast geldt – evenals bij een melding – altijd de voorwaarde dat de melder redelijke gronden moet hebben om aan te nemen dat de gemelde informatie juist is.
In geval van (vermeende) benadeling, kan de melder volstaan met het aantonen dat hij een openbaarmaking heeft gedaan en dat hij is benadeeld. Het is aan de organisatie om aan te tonen dat er geen relatie (causaal verband) bestaat tussen de melding of openbaarmaking. Dit heeft een verschuiving van de bewijslast.
Artikel 13. Vrijwaring
Lid 1
In dit artikel wordt de vrijwaring geregeld van melders, degenen die hen bijstaan en betrokken derden in gerechtelijke procedures wegens bijvoorbeeld schending van de geheimhoudingsplicht, verboden informatieverwerving, laster, schending auteursrechten, openbaarmaking van bedrijfsgeheimen, schending van vertrouwelijkheid of bescherming van persoonsgegevens.
Wel moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Zo moet de melder redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de melding of openbaarmaking noodzakelijk is voor de onthulling van de misstand. Ook moet bij een melding worden voldaan aan de voorwaarden die gelden bij een verbod op benadeling (zie artikelen 11 en 12).
Vanwege de geheimhoudingsverplichting die geldt voor alle melders die een melding doen bij een organisatie, een bevoegde autoriteit of een andere bevoegde instantie geldt dat zij de vertrouwelijkheid van het onderzoek moeten waarborgen.
Lid 2
Mits melders voldoen aan de voorwaarden die in het eerste lid zijn gesteld, zijn zij vrijgesteld van aansprakelijkheid als zij op rechtmatige wijze toegang verwerven of verkrijgen tot de gemelde informatie over de misstand of de documenten met deze informatie. Dit geldt zowel in gevallen waarin de melders de inhoud onthullen van documenten waartoe zij rechtmatig toegang hebben als in gevallen waarin zij kopieën van die documenten maken of deze verwijderen uit de bedrijfsruimten van de organisatie (ook als dit in strijd is met contractuele clausules of andere clausules die bepalen dat de betreffende documenten eigendom zijn van de organisatie).
Melders worden ook vrijgesteld van aansprakelijkheid in gevallen waarin de verwerving van of de toegang tot de relevante informatie of documenten burgerrechtelijke, bestuursrechtelijke of arbeidsrechtelijke aansprakelijkheid in het geding brengt. Voorbeelden zijn gevallen waarin de melders de informatie hebben verworven door het raadplegen van het e-mailverkeer van een collega of dossiers waar zij normaal gesproken geen gebruik van maken bij hun werk, door het nemen van foto’s van de bedrijfsruimten van de organisatie of door het betreden van plaatsen waartoe zij doorgaans geen toegang hebben. Indien de melders toegang tot de relevante informatie of documenten hebben verworven of verkregen door het plegen van een strafbaar feit, zoals het fysiek betreden van verboden terreinen of hacking, is hun strafrechtelijke aansprakelijkheid onverminderd van toepassing. In gerechtelijke procedures geldt een verschuiving van de bewijslast. Degene die de procedure instelt tegen de melder moet bewijzen dat de gewraakte handelingen niet noodzakelijk waren om de vermoede misstand te onthullen.
Artikel 14. Het tegengaan van benadeling van de melder
Lid 1
Lid 1 is van belang om benadeling van de melder zoveel mogelijk te voorkomen en om, als toch benadeling optreedt, daar zo snel en adequaat mogelijk op te reageren. Op welke wijze risico’s op benadeling van de melder het beste kunnen worden verminderd, zal afhangen van de situatie zoals die zich voordoet binnen de organisatie.
Artikel 14. Intern en extern onderzoek naar benadeling van de melder
Leden 1 en 2
Het zorgen voor een goede bescherming van de melder tegen benadeling is een van de basisvoorwaarden voor het goed en zorgvuldig omgaan met het melden van een vermoeden van een misstand. Daar hoort bij dat de melder die meent dat sprake is van benadeling, de organisatie kan verzoeken onderzoek te doen naar de wijze waarop er binnen de organisatie met hem wordt omgegaan.
Lid 4
Deze bepaling wijst op de mogelijkheid voor de melder van een vermoeden misstand om ook de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders te verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de organisatie zich jegens hem heeft gedragen. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 4 lid 1 onder b Wet bescherming klokkenluiders.
Artikel 15. Publicatie, rapportage en evaluatie
Lid 1
Op grond van de Wet bescherming klokkenluiders is de werkgever verplicht aan de personen die bij hem werken, een schriftelijke of elektronische opgave te verstrekken van de procedure voor het omgaan met het melden van een vermoeden van een misstand binnen zijn organisatie.
Andere melders dan zittende werknemers hebben meestal geen toegang (meer) tot het intranet van de organisatie. Daarom schrijft deze regeling ook het openbaar maken van de regeling op de website van de organisatie voor.