U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Beleidsrijke wijziging van de Brabantbrede Waterschapsverordening

Het dagelijks bestuur van Waterschap Brabantse Delta

Gelezen de adviesnota over het vrijgeven voor inspraak van de beleidsrijke wijzigingen van de Brabantbrede Waterschapsverordening d.d. 7 juli 2026 met nummer 1038937.

Overwegende dat de inzichten over waterbeheer de afgelopen jaren zijn veranderd en de nieuwe regels aansluiten bij de nieuwste inzichten:

Besluit;

Vast te stellen:

Artikel I

Het ontwerpbesluit van de derde partiële herziening van de waterschapverordening  waterschap Brabantse Delta 2026 zoals opgenomen in Bijlage A;

Artikel II

Het ontwerpbesluit van de herziening beleidsregels waterkering, waterkwantiteit en grondwater 2026 zoals opgenomen in Bijlage_B_Ontwerp_Beleidsregels; en,

Artikel III

Het ontwerpbesluit van de herziening van de  hydrologische uitgangspunten bij de regels van de Waterschapsverordening voor het afvoeren van hemelwater zoals opgenomen in Bijlage_C_Hydrologische_uitgangspunten;

Artikel IV

Dit besluit wordt aangehaald als 'Beleidsrijke wijzigingen van de Brabantbrede Waterschapsverordening'.

Artikel V

Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het Waterschapsblad.

Aldus vastgesteld door Waterschap Brabantse Delta, 7 juli 2026

Het dagelijks bestuur van Waterschap Brabantse Delta

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.2 Begrenzing waterstaatswerken

B

Artikel 1.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.7 Specifieke zorgplicht

  • 1.

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem is verplicht:

     

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Als de nadelige gevolgen zijn veroorzaakt door een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

  • 3.

    Degene die een activiteit met nadelige gevolgen verricht, informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over die gevolgen en de maatregelen die diegene gaat treffen of heeft getroffen.

C

Artikel 1.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.9 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting

  • 1.

    Een melding of de verstrekking van gegevens en bescheiden wordt ondertekend en bevat ten minste:

     

    • a.

      de aanduiding van de activiteit;

    • b.

      de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

    • c.

      het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

    • d.

      de dagtekening.

  • 2.

    Op verzoek van het bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.

  • 3.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

D

Artikel 1.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.11 Uitzondering beheeractiviteiten

De hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 van deze verordening zijn niet van toepassing op activiteiten die plaatsvinden door of in opdracht van het waterschap ten behoeve van beheer, onderhoud en herstel inhoudende:

 

  • a.

    maatregelen die geen wijziging van de normatieve toestand van een waterstaatswerk tot gevolg hebben;

  • b.

    de aanleg en/of wijziging van bodem- en oeververdediging, mits er geen sprake is van een harde overgang tussen water en land;

  • c.

    de aanleg en/of wijziging van een krooshek;

  • d.

    het automatiseren van een stuw;

  • e.

    het vervangen van een stuw, mits de afvoercapaciteit en waterpeil hierdoor niet wijzigen;

  • f.

    het vervangen van een duiker waarbij de lengte en diameter gelijk blijft, mits de afvoercapaciteit en waterpeil hierdoor niet wijzigen.

E

Paragraaf 1.1.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 1.1.9 Uitzondering bijzondere omstandigheden

Artikel 1.12 Aanwijzing bijzondere omstandigheden

Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet zijn:

 

  • a.

    waterschaarste en dreigende waterschaarste;

  • b.

    overvloed aan water en dreigende overvloed aan water;

  • c.

    aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of de dreiging daarvan; en

  • d.

    het in ongerede raken van een waterstaatswerk of de dreiging daarvan.

Artikel 1.13 Algeheel verbod bij calamiteiten

  • 1.

    Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden:

     

    • a.

      water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam;

    • b.

      water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 2.

    Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat de scheepvaart op een oppervlaktewaterlichaam wordt beperkt of gestremd of dat de maximale vaarsnelheid wordt aangepast.

F

Paragraaf 1.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 1.2.1 Wateractiviteiten algemeen

Artikel 1.14 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

     

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

    • c.

      de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

  • 2.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw- oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:

     

    • a.

      niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;

    • b.

      de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en

    • c.

      een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.

  • 3.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw- oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als:

     

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op:

      • 1.

        nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;

      • 2.

        wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of

      • 3.

        het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling;

    • b.

      aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en

    • c.

      de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren. 

Artikel 1.15 Wijzigen of intrekken van een omgevingsvergunning 

Het waterschap kan een door haar verleende omgevingsvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken:

 

  • a.

    op verzoek van de vergunninghouder, voor zover de doelstellingen en belangen van deze waterschapsverordening zich hiertegen niet verzetten;

  • b.

    indien zich omstandigheden of feiten voordoen waardoor de handeling(en) of activiteit(en) waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, niet langer toelaatbaar moet worden geacht met het oog op de doelstellingen en belangen van deze waterschapsverordening;

  • c.

    indien een voor Nederland verbindend verdrag, besluit van een volkenrechtelijke organisatie of een wettelijk voorschrift daartoe verplicht;

  • d.

    in gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt niet tot intrekking overgegaan, voor zover kan worden volstaan met wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften. 

G

Paragraaf 1.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 1.2.2 Beperkingengebiedactiviteit bij waterstaatswerk

Artikel 1.16 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

 

  • a.

    een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied;

  • b.

    een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding;

  • c.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;

  • d.

    als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:

    • 1.

      een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;

    • 2.

      een tekening met een aanduiding van de boorlijn;

    • 3.

      een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en

    • 4.

      gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en

  • e.

    als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.                          

Artikel 1.17 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 1.16 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

 

  • a.

    een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en

  • b.

    een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meter.

H

Artikel 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

I

Artikel 2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

 

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt;

  • b.

    de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt;

  • c.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt;

  • d.

    de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken;

  • e.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en

  • f.

    een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken.

J

Artikel 2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.5 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een a-water, als:

     

    • a.

      het a-water geen vaarweg is;

    • b.

      het onderhoud aan het a-water uitsluitend vanaf het water gebeurt;

    • c.

      het a-water geen vastgestelde ecologische functie heeft; en

    • d.

      de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk vrijstaand is en niet rust op of steun vindt aan oeverwerken, schanskorven, beschoeiing of vergelijkbare objecten.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een b-water.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      de steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

K

Artikel 2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.6 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.7 tot en met 2.10, als:

     

    • a.

      het a-water geen vaarweg is;

    • b.

      het onderhoud aan het a-water uitsluitend vanaf het water gebeurt;

    • c.

      het a-water geen vastgestelde ecologische functie heeft; en

    • d.

      de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk vrijstaand is en niet rust op, of geen steun vindt aan, oeverwerken, schanskorven, beschoeiing of vergelijkbare objecten.

  • 2.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.7 en 2.8.

  • 3.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.11, als:

     

    • a.

      de steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

L

Artikel 2.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.13 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid geldt niet voor het verwijderen van een brug in een a-water of b-water, als de brug alleen voor eigen gebruik functioneert.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid geldt niet voor het aanleggen of behouden van een brug in een b-water, als de brug maximaal 15 meter breed is.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid geldt niet voor het behouden van een brug in een a-water of b-water, als onderhoud plaatsvindt aan een brug en/of het wegdek op de brug en de brug niet in vorm of afmeting wijzigt. 

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een brug in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      de brug eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande brug is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

M

Artikel 2.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.14 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het verwijderen van een brug in een a-water wordt voldaan aan artikel 2.15  en 2.18 of als een brug wordt verwijderd uit een  b-water wordt voldaan aan artikel 2.15 als de brug alleen voor eigen gebruik functioneert.

  • 2.

    Bij het aanleggen of behouden van een brug in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.16 als de brug maximaal 15 meter breed is.

  • 3.

    Bij het plegen van onderhoud aan een brug en/of het wegdek op de brug in een a-water of b-water wordt voldaan aan artikel 2.15  als de vorm of afmeting van de brug niet wijzigt. 

  • 4.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een brug in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.17, als:

     

    • a.

      de brug eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande brug is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

N

Artikel 2.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.20 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een peilregulerend werk in een b-water, als het peilregulerende werk wordt aangelegd of behouden in overeenstemming met belanghebbenden. 

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een peilregulerend werk in een b-water buiten beschermd gebied, beperkt beschermd gebied en attentiegebied als het peilregulerende werk wordt verwijderd in overeenstemming met belanghebbenden. 

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een peilregulerend werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      het peilregulerende werk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaand peilregulerend werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

O

Artikel 2.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.21 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het aanleggen of behouden van een peilregulerend werk in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.22 en 2.24, als het peilregulerende werk wordt aangelegd of behouden in overeenstemming met belanghebbenden.

  • 2.

    Bij het verwijderen van een peilregulerend werk in een b-water buiten beschermd gebied, beperkt beschermd gebied en attentiegebied wordt voldaan aan artikel 2.22 en 2.24, als het peilregulerende werk wordt verwijderd in overeenstemming met belanghebbenden.

  • 3.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een peilregulerend werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.232.24, als:

     

    • a.

      het peilregulerende werk eenvoudig ongedaan te maken is: of

    • b.

      het een bestaand peilregulerend werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

P

Na artikel 2.22 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.23 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Q

Het opschrift van artikel 2.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.23 2.24 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

R

Het opschrift van artikel 2.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.24 2.25 Toepassingsbereik

S

Artikel 2.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.25 2.26 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een dam met duiker in een a-water en een b-water, als de dam met duiker alleen voor eigen gebruik functioneert.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, verlengen of behouden van een dam met duiker voor een perceelontsluiting in een b-water, als:

     

    • a.

      de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd;

    • b.

      de buislengte maximaal 15 meter per perceelzijde bedraagt;

    • c.

      de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt;

    • d.

      de binnenonderkant van de duiker 0,050,15 meter of dieper onderboven de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en

    • e.

      de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, verlengen en behouden van een extra dam met duiker langs een perceelzijde in een b-water, als:

     

    • a.

      het perceel over een lengte van meer dan 100 meter grenst aan de watergang;

    • b.

      de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd;

    • c.

      de buislengte maximaal 15 meter bedraagt;

    • d.

      de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt;

    • e.

      de binnenonderkant van de duiker 0,050,15 meter of dieper onderboven de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en

    • f.

      de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      de dam met duiker eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande dam met duiker is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, plaatsen of behouden van objecten op een dam met duiker in een b-water als:

     

    • a.

      het object de constructie van de duiker niet negatief beïnvloed, en;

    • b.

      de afmetingen van de dam of duiker niet wijzigt.

T

Artikel 2.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.26 2.27 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het verwijderen van een dam met duiker in een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.272.28 en 2.282.29 en bij het verwijderen van een dam met duiker in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.282.29

  • 2.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.292.30 als:

     

    • a.

      de dam met duiker eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande dam met duiker is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

U

Het opschrift van artikel 2.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.27 2.28 Meldingsplicht

V

Het opschrift van artikel 2.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.28 2.29 Bescherming oppervlaktewaterlichaam, oevers en taluds

W

Het opschrift van artikel 2.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.29 2.30 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

X

Het opschrift van artikel 2.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.30 2.31 Toepassingsbereik

Y

Artikel 2.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.31 2.32 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak of afkoppeling van bestaand verhard oppervlak, als:

     

    • a.

      de waterparagraaf van het omgevingsplan na 1 januari 2019 de schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap; en

    • b.

      de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak, als:

     

    • a.

      het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 500 m2; of

    • b.

      de toename van verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak, als:

     

    • a.

      de toename meer dan 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 bedraagt; en

    • b.

      er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m).

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door afkoppeling, als er maximaal 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.

Z

Artikel 2.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.32 2.33 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.332.34 en 2.342.35, als er meer dan 50 m3 water per uur maar maximaal 100 m3 per uur wordt geloosd. 

  • 2.

    Bij het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.342.35, als er maximaal 50 m3 water per uur wordt geloosd.

  • 3.

    Bij het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak wordt voldaan aan artikel 2.35, als:

     

    • a.

      de toename meer dan 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 bedraagt; en

    • b.

      er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m).

AA

Het opschrift van artikel 2.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.33 2.34 Meldingsplicht

BB

Het opschrift van artikel 2.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.34 2.35 Capaciteit en overlast

CC

Artikel 2.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.35 De bergingsvoorziening

  • 1.

    De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand.

  • 2.

    Het water wordt uit de voorziening afgevoerd via een functionele bodempassage naar het grondwater of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater.

  • 3.

    De functionele afvoerconstructie heeft een diameter van 4 cm.

  • 4.

    Bij de voorziening wordt een overloopconstructie aangelegd om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

[Vervallen]

DD

Paragraaf 2.1.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.1.7 Oppervlaktewater onttrekken

Artikel 2.37 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde onderbemaling.

Artikel 2.38 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam, waarbij geen sprake is van onderbemaling, als:  

 

  • a.

    er maximaal 100 m3 water per uur wordt onttrokken; en

  • b.

    er water over de eerstvolgende stuw benedenstrooms in een a-waterloop blijft stromen;

  • c.

    de onttrekking niet plaatsvindt uit het oppervlaktewaterlichaam 't Merkske, tenzij: 

    • 1.

      de onttrekking uitsluitend plaatsvindt ten behoeve van veedrenking; en 

    • 2.

      de pompcapaciteit niet groter is dan 10 m3 per uur.

EE

Artikel 2.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.40 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water of in een b-water.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande lozingsconstructie of onttrekkingswerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

FF

Artikel 2.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.41 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.42 en 2.43.

  • 2.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.43.

  • 3.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.44, als:

     

    • a.

      de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande lozingsconstructie of onttrekkingswerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

GG

Artikel 2.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.43 Onderhoud en bescherming oppervlaktewaterlichaam

  • 1.

    Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd of onmogelijk gemaakt.

  • 2.

    Het (doorstroom)profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet aangetast.

  • 3.

    Als gebruik gemaakt wordt van een waterlozingspunt (buis) of drainagebuis in een oppervlaktewaterlichaam, is aan het eerste en tweede lid in ieder geval voldaan, als:

     

    • a.

      de uitmondingen van de (drainage)buizen zo worden aangelegd en gehouden, dat geen aantasting van het profiel van de watergang kan plaatsvinden;

    • b.

      het talud van de watergang vanaf de uitmonding van de (drainage)buizen beschermd wordt door het aanbrengen en onderhouden van uitloopgoten die minimaal 0,15 m ingezonken in het talud van de watergang worden aangebracht en gehouden;

    • c.

      (drainage)buizen worden afgeschuind overeenkomstig de taludhelling van de watergang; en

    • d.

      de onderhoudsstrook na het aanbrengen van het waterlozingspunt goed geëgaliseerd wordt en vrij wordt gemaakt van overige obstakels.

  • 4.

    Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op werken voor het onttrekken van oppervlaktewater.

  • 5.

    Indien nodig wordt de lozingsconstructies voorzien van een taludbescherming die:

     

    • a.

      minimaal vanaf de onderkant van de lozingsvoorziening tot aan de laagste waterstand in het oppervlaktewaterlichaam reikt;

    • b.

      bij een oppervlaktewaterlichaam met een bovenbreedte van 4 meter of kleiner aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam aanwezig is; en

    • c.

      in horizontale richting 1 meter links en rechts van de lozingsvoorziening strekt.

  • 6.

    Binnen een straal van 0,5 meter rondom de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk worden in het talud alle voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiing en afval verwijderd.

HH

Artikel 2.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.46 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding parallel aan een a-water, als de kabel of leiding:

     

    • a.

      op 1 meter of meer uit de insteek wordt gelegd; en

    • b.

      op een diepte van minimaal 10,6 meter onder de grond in de beschermingszone wordt gelegd.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding haaks op een a-water, als de kabel of leiding op een diepte wordt gelegd van minimaal:

     

    • a.

      2 meter onder de bodem van een watergang waar beschoeiing aanwezig is;

    • b.

      2,5 meter onder de bodem van een vaarweg;

    • c.

      1 meter onder de bodem van een watergang in andere gevallen;

    • d.

      1 meter onder het talud, gemeten haaks op het taludvlak;

    • e.

      1 meter onder de grond in de beschermingszone; en

    • f.

      1 meter onder een ondersteunend kunstwerk.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een kabel of leiding in een a-water of in de beschermingszone bij een a-water.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de beschermingszone bij een a-water, als:

     

    • a.

      de kabel of leiding bevestigd is aan of samenvalt met een bestaande brug of stuw over het oppervlaktewaterlichaam; of

    • b.

      de kabel of leiding wordt aangelegd bij een ander ondersteunend kunstwerk dan een bestaande brug of stuw, met een afstand van minimaal 0,30 meter tussen het kunstwerk en de kabel of leiding.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding onder, boven of langs een b-water.

  • 6.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het verwijderen van een kabel of leiding in het profiel van vrije ruimte.

  • 7.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding die, door middel van een gestuurde boring aangelegd wordt, waarbij het in- en uittredenpunt van deze boring buiten het profiel van vrije ruimte valt.

II

Artikel 2.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.48 Herstel na uitvoering werkzaamheden

Na het uitvoeren van de werkzaamheden worden de beschermingszone, het talud en de waterbodem zodanig hersteld dat:

 

  • a.

    de stabiliteit van het waterstaatswerk en de beschermingszone wordt gegarandeerd; en

  • b.

    het uit te voeren onderhoud niet wordt belemmerd.

JJ

Artikel 2.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.54 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van beschoeiing in een b-water, als de bergings- en doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam gelijk blijven.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van beschoeiing in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      de beschoeiing eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het bestaande beschoeiing is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

KK

Artikel 2.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.55 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het verwijderen van beschoeiing in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.56, als de bergings- en doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam gelijk blijven.

  • 2.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van beschoeiing in het profiel van vrije ruimte wordt voldaan aan artikel 2.57, als:

     

    • a.

      de beschoeiing eenvoudig ongedaan te maken is; of,

    • b.

      het bestaande beschoeiing is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

LL

Artikel 2.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.59 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek in een b-water.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een anti-worteldoek in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      de anti-worteldoek eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande anti-worteldoek is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

MM

Artikel 2.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.60 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.61.

  • 2.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een anti-worteldoek in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.62, als:

     

    • a.

      de anti-worteldoek eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande anti-worteldoek is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

NN

Artikel 2.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.72 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het plaatsen, hebben of verwijderen van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het plaatsen, wijzigen of hebben van een afrastering in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      de afrastering eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande afrastering is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

OO

Artikel 2.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.73 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het plaatsen of hebben van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.74 en 2.75, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.

  • 2.

    Bij het verwijderen van een afrastering in debeschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.76, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.

  • 3.

    Bij het plaatsen, wijzigen of hebben van een afrastering in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.77, als:

     

    • a.

      de afrastering eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande afrastering is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

PP

Artikel 2.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.79 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen of behouden van werken voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, als:

     

    • a.

      de werken minimaal 0,5 meter uit de insteek zijn geplaatst; en

    • b.

      de afstand tussen de werken en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen of behouden van bomen voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, als:

     

    • a.

      de afstand tussen de bomen en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt; en

    • b.

      de bomen functioneren voor de aankleding van de openbare weg en minimaal 0,5 meter en maximaal 1,5 meter uit de insteek zijn geplaatst.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van werken voor een openbare weg in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      de werken eenvoudig ongedaan te maken zijn; of

    • b.

      het bestaande werken zijn die door de werkzaamheden niet veranderen in vorm of afmeting.

QQ

Artikel 2.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.80 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het aanbrengen van werken bij een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.81 en 2.82, als:

     

    • a.

      de werken minimaal 0,5 meter uit de insteek worden geplaatst; en

    • b.

      de afstand tussen de werken en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt.

  • 2.

    Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.83, als:

     

    • a.

      de werken eenvoudig ongedaan te maken zijn; of

    • b.

      het bestaande werken zijn die door de werkzaamheden niet veranderen in vorm of afmeting.

RR

Artikel 2.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.85 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van een bord in de beschermingszone bij een a-water, als:

     

    • a.

      het bord bedoeld is voor een recreatieroute; of

    • b.

      het bord een zinkerbord is bij een kabel of leiding.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van een bord in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      het bord eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaand bord is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

SS

Artikel 2.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.86 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het aanbrengen van een bord in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.87 en 2.88, als:

     

    • a.

      het bord bedoeld is voor een recreatieroute; of

    • b.

      het bord een zinkerbord is bij een kabel of leiding.

  • 2.

    Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van een bord in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.89, als:

     

    • a.

      het bord eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaand bord is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

TT

Artikel 2.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.94 Onderhoud

Ploegvoren en andere diepe geulen worden gedicht Na de grondbewerking wordt het maaiveld direct geëgaliseerd, zodat het onderhoud ongehinderd kan plaatsvinden.

UU

Artikel 2.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.100 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water, als: 

     

    • a.

      de verharding gelijk met of onder het maaiveld wordt aangebracht; en

    • b.

      daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.; of

    • c.

      het a-water geen ecologische functie heeft.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van verharding in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

     

    • a.

      de verharding eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het bestaande verharding is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.; of

    • c.

      het a-water geen vastgestelde ecologische functie heeft.

VV

Artikel 2.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.101 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het aanbrengen of behouden van verharding in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.102, als: 

     

    • a.

      de verharding gelijk met of onder het maaiveld wordt aangebracht; en

    • b.

      daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.

  • 2.

    Bij het verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.103, als daardoor de maaiveldhoogte niet verandert. 

  • 3.

    Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van verharding in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.104, als:

     

    • a.

      de verharding eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het bestaande verharding is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

WW

Artikel 2.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.106 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een werk of object in de beschermingszone bij een a-water, als het werk of object niet benodigd is geplaatst  voor het beheer, onderhoud of functioneren van het oppervlaktewaterlichaam. 

XX

Artikel 2.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.110 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

YY

Artikel 2.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.112 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verrichten van een activiteit in een b-water, als:

     

    • a.

      de activiteit nodig is voor het verrichten van een activiteit die is toegestaan op grond van één van de andere paragrafen van dit hoofdstuk; en

    • b.

      de activiteit maximaal twee weken duurt.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verrichten van een activiteit in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water of in een b-water, als:

     

    • a.

      de activiteit maximaal een week duurt; en

    • b.

      bij de activiteit geen werk wordt geplaatst dat langer dan een week aanwezig is.

ZZ

Artikel 2.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.113 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het verrichten van een activiteit in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.117, als:

     

    • a.

      de activiteit maximaal twee weken duurt; en

    • b.

      de activiteit nodig is voor het verrichten van een activiteit die is toegestaan op grond van één van de andere paragrafen van dit hoofdstuk.

  • 2.

    ofBij Bij het verrichten van een activiteit in een a-water, in de beschermingszone bij een a-water of in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.114, 2.116 en 2.117, als:

     

    • a.

      de activiteit maximaal een week duurt; en

    • b.

      bij de activiteit geen werk wordt geplaatst dat langer dan een week aanwezig is.

AAA

Artikel 2.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.115 Plaatsing noodpomp door derden

  • 1.

    In afwijking van artikel 2.114 geldt geen meldplicht vooraf voor het plaatsen van een noodpomp door derden bij acute wateroverlast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

     

    • a.

      de noodsituatie is ontstaan door een plotselinge en onvoorziene toename van waterstanden of neerslag, waardoor direct handelen noodzakelijk is om schade te beperken;

    • b.

      de noodpomp veroorzaakt geen extra wateroverlast in andere gebieden (geen afwenteling);

    • c.

      het afgevoerde water wordt geleid naar een geschikte locatie buiten het peil- of stroomgebied waarin de wateroverlast zich voordoet;

    • d.

      de waterafvoer van aangrenzende percelen blijft gewaarborgd conform artikel 2.117;

    • e.

      de initiatiefnemer stelt het waterschap binnen 12 uur na plaatsing van de noodpomp op de hoogte, onder vermelding van locatie, reden en verwachte duur van de inzet;

    • f.

      de initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de plaatsing, het onderhoud en de kosten van de noodpomp; en

    • g.

      eventuele schade aan waterstaatswerken of derden wordt door de initiatiefnemer hersteld conform artikel 2.116.

  • 2.

    Het waterschap behoudt het recht om toezicht te houden en in te grijpen indien het gebruik van de noodpomp nadelige effecten heeft op het watersysteem of andere belangen.

BBB

Artikel 2.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.120 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het plaatsen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

 

  • a.

    het werk eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden; of

  • b.

    het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

CCC

Artikel 2.121 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.121 Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.122, als:

 

  • a.

    het werk eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden; of

  • b.

    het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

DDD

Artikel 2.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.124 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

 

  • a.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 

  • b.

    het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.

EEE

Artikel 2.126 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.126 Specifieke zorgplicht

  • 1.

    Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.124, is verplicht:

     

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

     

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • c.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • d.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • e.

      lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • f.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en

    • g.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.

FFF

Artikel 2.128 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.128 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van:

 

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en 

  • d.

    de dagtekening.

GGG

Artikel 2.131 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.131 Informeren over een ongewoon voorval

  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

     

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen.

HHH

Artikel 2.132 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.132 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap:

     

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

     

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen.

III

Artikel 2.133 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.133 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

 

  • a.

    het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater;

  • b.

    de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden;

  • c.

    een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;

  • d.

    een riooltekening;

  • e.

    de locaties van de lozingspunten;

  • f.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan;

  • g.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;

  • h.

    een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;

  • i.

    de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd;

  • j.

    de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • k.

    de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • l.

    een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.

JJJ

Artikel 2.137 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.137 Lozen van grondwater bij ontwatering

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater:

     

    • a.

      niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en

    • b.

      geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.

  • 2.

    Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster. 

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.

KKK

Artikel 2.138 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.138 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

     

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN- EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN- ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

LLL

Artikel 2.139 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.139 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.136 en 2.137, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

     

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als:

     

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

MMM

Paragraaf 2.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.2.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 2.140 Lozen van afvloeiend hemelwater

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater:

     

    • a.

      niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

    • b.

      geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • c.

      geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 2.141 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

     

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

NNN

Paragraaf 2.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.2.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 2.142 Lozen van huishoudelijk afvalwater

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

     

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

     

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:

     

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.143 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.3.

    Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.4.

    Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l 

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    20 mg/l

    40 mg/l

    Chemisch zuurfstofverbruik

    100 mg/l

    200 mg/l

    Totaal stikstof

    30 mg/l

    60 mg/l

    Ammoniumstikstof

    2 mg/l

    4 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

    Fosfor totaal

    3 mg/l

    6 mg/l

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid:

     

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:

     

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of 

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.144 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

     

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2;

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;

    • c.

      voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1; 

    • d.

      voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

    • e.

      voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en

    • f.

      voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.145 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.142, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

     

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:

     

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

OOO

Artikel 2.147 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.147 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.146, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

     

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

PPP

Artikel 2.148 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.148 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen

Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om:

 

  • a.

    afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of

  • b.

    afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.

QQQ

Artikel 2.149 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.149 Werkinstructie bij reinigen en conserveren

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:

     

    • a.

      is een werkinstructie opgesteld; en

    • b.

      wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.

  • 2.

    In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen:

     

    • a.

      welke technieken worden toegepast;

    • b.

      welke stoffen kunnen vrijkomen; en

    • c.

      welke stoffen worden gebruikt.

  • 3.

    Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen:

     

    • a.

      op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;

    • b.

      wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is;

    • c.

      of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft';

    • d.

      op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en

    • e.

      welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.

RRR

Artikel 2.150 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.150 Werkinstructie bij bouwen en slopen

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:

 

  • a.

    op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en

  • b.

    welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.

SSS

Artikel 2.153 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.153 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.148 tot en met 2.150, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

     

    • a.

      voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.149; of

    • b.

      voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.150.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

TTT

Artikel 2.154 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.154 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze afdeling worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

 

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

UUU

Artikel 2.156 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.156 Lozen bij overslaan van inerte goederen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

  • 3.

    Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:

     

    • a.

      de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of

    • b.

      het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.

VVV

Artikel 2.158 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.158 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

     

    • a.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;

    • c.

      voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • d.

      voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN- EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN- ISO 15587-2;

    • e.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • f.

      voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;

    • g.

      voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

    • h.

      voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en

    • i.

      voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

WWW

Artikel 2.159 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.159 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij:

     

    • a.

      het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen;

    • b.

      het overslaan van zout voor het strooien op wegen;

    • c.

      het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en

    • d.

      het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk. 

  • 2.

    Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

  • 3.

    Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:

     

    • a.

      de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of

    • b.

      het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

XXX

Artikel 2.160 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.160 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.157 en 2.159, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

     

    • a.

      de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van:

     

    • a.

      zout voor het strooien op wegen;

    • b.

      niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en

    • c.

      niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

YYY

Artikel 2.164 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.164 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:

 

  • a.

    de toe te passen baggertechniek, en

  • b.

    de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.

ZZZ

Artikel 2.167 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.167 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.163, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

     

    • a.

      de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem;

    • b.

      als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.164; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

AAAA

Artikel 2.170 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.170 Gegevens en bescheiden

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.169, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

 

  • a.

    of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en

  • b.

    welke stoffen dat blusschuim bevat.

BBBB

Artikel 2.171 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.171 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Biochemisch zuurstofverbruik

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    300 mg/l

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

     

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

CCCC

Artikel 2.172 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.172 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

     

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

DDDD

Artikel 2.175 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.175 Lozen bij ontijzeren grondwater

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

     

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

     

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

EEEE

Artikel 2.176 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.176 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

     

    • a.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • b.

      onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • c.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2;

    • d.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en 

    • e.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

FFFF

Artikel 2.177 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.177 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.171 tot en met 2.175, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

     

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

GGGG

Artikel 2.180 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.180 Lozen bereiden van voedingsmiddelen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met:

     

    • a.

      grootkeukenapparatuur;

    • b.

      één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • c.

      één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.

  • 2.

    Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.

HHHH

Artikel 2.181 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.181 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.180, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

     

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

IIII

Artikel 2.183 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.183 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.182, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

     

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

JJJJ

Artikel 2.184 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.184 Lozen van spoelwater

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:

 

  • a.

    afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en

  • b.

    afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind.

KKKK

Artikel 2.186 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.186 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

     

    • a.

      het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het lozen, bedoeld in de paragrafen 2.2.2 tot en met 2.2.18;

    • c.

      het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en

    • d.

      het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen.

LLLL

Artikel 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

MMMM

Artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterkeringen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterkering die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

 

  • a.

    een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied;

  • b.

    een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of de activiteit;

  • c.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;

  • d.

    als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.

NNNN

Artikel 3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterkeringen voor kabels en leidingen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot kabels en/of leidingen in of nabij een waterkering die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

 

  • a.

    situatietekening schaal 1:500 of 1:1.000 met daarin:

    • 1.

      hoogtematen in m t.o.v. NAP;

    • 2.

      tracé van de kabel of leiding;

    • 3.

      toe te passen materialen. Voor leidingen ook diameter, wanddikte en materiaalkwaliteit, afsluiters en wijze van verbinden;

    • 4.

      voor een leiding het te voeren medium en druk;

    • 5.

      zonering waterkering en beschermingszones waterkering;

    • 6.

      veiligheidszone van de waterkering (voor drukleidingen en gestuurde boringen);

    • 7.

      ontgravingen ten behoeve van de werkzaamheden, opstelling materieel en eventuele grondkerende constructies;

    • 8.

      locatie monitoringpunten (indien van toepassing);

    • 9.

      afstand tot andere objecten en constructies (bijv. leidingen, funderingen, damwanden e.d.);

    • 10.

      inrichting van het werkterrein bij een gestuurde boring.

  • b.

    dwarsprofieltekening (schaal 1:100 of 1:200) met daarin):

    • 1.

      hoogtematen in meter t.o.v. NAP;

    • 2.

      ligging van kabel of leiding;

    • 3.

      zonering waterkering, beschermingszones waterkering en het leggerprofiel;

    • 4.

      maaiveldniveau;

    • 5.

      diepteligging kabel of leiding. 

  • c.

    ten aanzien van een leiding:

    • 1.

      een berekening van de veiligheidszone van de waterkering ten opzichte van de aan te leggen leiding (conform NEN3651 §6.2);

    • 2.

      een representatief grondonderzoek dient te worden aangeleverd (conform NEN3651 bijlage C);

    • 3.

      een beschrijving van de uitgangspunten van de sterkteberekening en de sterkteberekening van de leiding (conform NEN3651 §8.5 en hoofdstuk 11);

    • 4.

      een berekening van de erosiekrater ten opzichte van de waterkering (conform NEN3651 bijlage A);

    • 5.

      een berekening van de relatieve sterke van de leiding (conform NEN3651 §6.6);

    • 6.

      een beschrijving en/of tekening over de afsluitbaarheid van de leiding binnen de waterkering inclusief veiligheidszone zodat deze drukloos gemaakt kan worden (conform NEN3651 §8.1.7.4);

    • 7.

      bij een kruisende leiding, een tekening en/of omschrijving met daarin een kwelscherm in een kleikist (conform NEN3651 §8.1.7.2);

    • 8.

      bij een kruisende leiding, een tekening en/of omschrijving met daarin een kwelscherm in een kleikist (conform NEN3651 §8.1.7.2);

    • 9.

      op tekening en/of omschrijving dat de leiding een minimale gronddekking heeft van 1,0 meter (conform NEN3651 §8.1.3.1);

    • 10.

      indien sprake is van een zettingsgevoelig gebied, een monitoringsplan om zettingen te monitoren (conform NEN3651 §8.1.7.6. en §10.3);

    • 11.

      Indien nodig, een berekening en/of tekening van een vervangende waterkering (conform NEN3651 tabel 4).

  • d.

    ten aanzien van een gestuurde boring (HDD):

    • 1.

      een berekening van de veiligheidszone van de waterkering ten opzichte van het in- en uittredepunt (conform NEN3651 §6.2 en §8.6.1);

    • 2.

      een representatief grondonderzoek dient te worden aangeleverd (conform NEN3651 bijlage C);

    • 3.

      een beschrijving van de uitgangspunten van de sterkteberekening en de sterkteberekening van de leiding (conform NEN3651 §8.5 en hoofdstuk 11);

    • 4.

      een intrekberekening van de leidingsterkte bij de aanlegfase (conform NEN3651 §8.6.3 en NEN3650 bijlage E);

    • 5.

      een berekening van de boorspoeling/muddruk met daarin het risico op een muduitbraak/blowout (conform NEN3650 F.4.6 en NEN3651 §9.6.2);

    • 6.

      een omschrijving omtrent het risico op piping/kwel bij de aanlegfase en gebruiksfase van de mantelbuis/leiding en een omschrijving omtrent passende maatregelen tegen eventuele risico’s  (conform NEN3651 Bijlage D).

  • e.

    ten aanzien van een kabel:

    • 1.

      bij een kruisende kabel met de waterkering, een tekening en/of omschrijving met daarop een kwelscherm in een kleikist (conform NEN3651 §8.1.7.2);

    • 2.

      op tekening en/of omschrijving dat de kabel een minimale gronddekking heeft van 0,6 meter (conform NEN3651 §8.1.7.2);

    • 3.

      indien de waterkering wordt gekruist, een berekening en/of omschrijving dat de kabel aan één stuk wordt aangelegd, zonder hulp- of verbindingsstukken (conform NEN3651 §8.1.7.2).

  • f.

    ten aanzien van mantelbuizen (exclusief gestuurde boringen):

    • 1.

      een tekening en/of omschrijving dat de mantelbuis buiten het leggerprofiel van de waterkering komt te liggen;

    • 2.

      een beschrijving van de uitgangspunten van de sterkteberekening en de sterkteberekening van de mantelbuis, waarbij de mantelbuis als een drukloze leiding wordt beschouwd (conform NEN3651 §8.5 en hoofdstuk 11);

    • 3.

      bij een kruisende mantelbuis met de waterkering, een tekening en/of omschrijving met daarop een kwelscherm in een kleikist (conform NEN3651 §8.1.7.2);

    • 4.

      een omschrijving en/of tekening dat de mantelbuis aan weerszijden waterdicht en gronddicht is afgesloten.

OOOO

Artikel 3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.6 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerstetweede en vierde lid, gelden niet voor het uitvoeren van onderhoud aan een openbare weg in een waterkering of in de beschermingszone A bij een waterkering, als het onderhoud alleen bestaat uit:

 

  • a.

    het vervangen van de toplaag van de weg, waarbij de verharding niet wordt uitgebreid;

  • b.

    het plaatsen, onderhouden, verwijderen en vervangen van verkeersborden waarvoor geen fundering in het leggerprofiel van de waterkering nodig is; of

  • c.

    het roven of aanvullen van de berm.

PPPP

Artikel 3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.7 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het uitvoeren van onderhoud aan een openbare weg in een waterkering en in de beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.8 en 3.9, als het onderhoud bestaat uit het vervangen van de toplaag van de weg, waarbij de verharding niet wordt uitgebreid.

  • 2.

    Bij het uitvoeren van onderhoud aan een openbare weg in een waterkering en in de beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.8 tot en met 3.10, als het onderhoud bestaat uit:

     

    • a.

      het plaatsen, onderhouden, verwijderen en vervangen van verkeersborden waarvoor geen fundering in het leggerprofiel van de waterkering nodig is; of

    • b.

      het roven of aanvullen van de berm.

QQQQ

Artikel 3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.16 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerstetweedederde en vierde lid, geldt niet voor het plaatsen, hebben, onderhouden of verwijderen van een eenvoudig verplaatsbaar bouwwerk in beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone B bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering of op een overige waterkering. 

RRRR

Artikel 3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.24 Verwijdering van de dieren

  • 1.

    Het weiden met schapen of geiten op een waterkering mag alleen in de periode tussen 1 april en 1 oktober.

  • 2.

     

    • a.

      Het weiden met schapen of geiten op een waterkering mag alleen in de periode tussen 1 april en 1 oktober.

    • b.

      De dieren, schapen of geiten worden verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als de instandhouding van de grasmat in gevaar is of in gevaar dreigt te komen.

    De dieren, schapen of geiten worden verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als de instandhouding van de grasmat in gevaar is of in gevaar dreigt te komen.

SSSS

Artikel 3.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.29 Constructie

  • 1.

    De afrastering:

     

    • a.

      bestaat uit rasterpalen met daartussen schapengaas of staaldraad;

    • b.

      is maximaal 1,20 meter hoog;

    • c.

      wordt tot maximaal 1 meter diep grondverdringend aangebracht;

    • d.

      wordt voldoende veekerend uitgevoerd;

    • e.

      is eenvoudig te verwijderen; en

    • f.

      is zodanig open dat water vrijwel ongehinderd kan passeren. 

  • 2.

    Palen en draad of gaas worden zodanig aangebracht dat het onderhoud aan de waterkering niet wordt belemmerd.

TTTT

Artikel 3.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.35 Toegestane werkzaamheden

Er worden alleen werkzaamheden uitgevoerd die bestaan uit:

 

  • a.

    spitten, ploegen, eggen of andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen;

  • b.

    bemesten;

  • c.

    het zaaien, poten, telen of oogsten van éénjarige gewassen;

  • d.

    het aanbrengen of hebben van gras;

  • e.

    het planten, hebben of verwijderen van struiken; of

  • f.

    het planten, hebben of verwijderen van bomen die van nature lager blijven dan 5,0 m, gemeten vanaf maaiveld. 

UUUU

Artikel 3.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.51 Toegestane werkzaamheden

Er worden alleen werkzaamheden uitgevoerd die bestaan uit:

 

  • a.

    grondroeringen van maximaal 30 centimeter diep;

  • b.

    het aanbrengen van open verharding; of

  • c.

    het aanbrengen van een zandbed  voor open verharding.

VVVV

Artikel 3.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.54 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

WWWW

Artikel 3.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.70 Toepassingsbereik

XXXX

Artikel 3.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.71 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 3.2tweede lid, geldt niet voor het verrichten van een activiteit in een compartimenteringskering of in de beschermingszone A bij een compartimenteringskering, als:

 

YYYY

Artikel 3.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.72 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitvoeren van een activiteit in een compartimenteringskering of in de beschermingszone A bij een compartimenteringskering wordt voldaan aan de artikelen 3.73 tot en met 3.75, als:

 

ZZZZ

Artikel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een bergingsgebied:

 

  • a.

    het maaiveld te verhogen;

  • b.

    een waterkerende constructie aan te brengen, te wijzigen of te verwijderen; of

  • c.

    een bouwwerk aan te brengen of te wijzigen.

AAAAA

Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water. 

  • 2.

    Deze paragraaf is ook van toepassing op het ontwateren van gronden met drainagemiddelen. 

BBBBB

Artikel 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.4 Gegevens en bescheiden vergunningvrije onttrekkingen en infiltraties

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

     

    • a.

      het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

    • b.

      het aantal in te richten putten;

    • c.

      de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

    • d.

      de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

    • e.

      de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

    • f.

      de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put;

    • g.

      de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

    • h.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en

    • i.

      als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

      • 1.

        de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

      • 2.

        de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

      • 3.

        een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

      • 4.

        de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

      • 5.

        een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet:

     

    In afwijking op lid 1 worden bij een tijdelijke onttrekking als bedoeld in paragraaf 5.1.6, de volgende gegevens tijdig aangeleverd: 

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

      De startdatum van de bronbemaling, uiterlijk 24 uur vóór aanvang van de onttrekking;

    • b.

      voor zover het bepaalde in dat lid in strijd is met regels in het tijdelijke deel van deze waterschapverordening, bedoeld in artikel 4.7, onder a, onder 1°, van de Invoeringswet Omgevingswet.

      De einddatum van de bronbemaling, uiterlijk vijf werkdagen na afloop van de onttrekking.

CCCCC

Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning onttrekkingen en infiltraties

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

 

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal in te richten putten;

  • c.

    de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

  • d.

    de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

  • e.

    de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

  • f.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put;

  • g.

    de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

  • h.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;

  • i.

    een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en

  • j.

    als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

    • 1.

      de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

    • 2.

      de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

    • 3.

      een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

    • 4.

      de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

    • 5.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.

DDDDD

Artikel 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.8 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water

  • 1.

    De registratieplichtige meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

  • 2.

    Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.

  • 3.

    Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 5.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.

    Tabel 5.1 Parameters en meetfrequentie

    Parameter

    Afkorting

    Frequentie

    Bacteriën van de coligroep

     

    vierwekelijks

    Kleur

     

    vierwekelijks

    Zwevende stof

    SS

    vierwekelijks

    Geleidingsvermogen voor elektriciteit

     

    vierwekelijks

    Temperatuur

    T

    vierwekelijks

    Zuurgraad

    pH

    vierwekelijks

    Opgelost zuurstof

    O2

    vierwekelijks

    Totaal organisch koolstof

    TOC

    vierwekelijks

    Bicarbonaat

    HCO3

    vierwekelijks

    Nitriet

    NO2

    vierwekelijks

    Nitraat

    NO3

    vierwekelijks

    Ammonium

    NH4

    vierwekelijks

    Totaal fosfaat

    Totaal P

    vierwekelijks

    Fluoride

    F

    driemaandelijks

    Chloride

    Cl

    vierwekelijks

    Sulfaat

    SO4

    driemaandelijks

    Natrium

    Na

    driemaandelijks

    IJzer

    FE

    driemaandelijks

    Mangaan

    Mn

    driemaandelijks

    Chroom

    Cr

    driemaandelijks

    Lood

    Pb

    driemaandelijks

    Koper

    Cu

    driemaandelijks

    Zink

    Zn

    driemaandelijks

    Cadmium

    Ca

    driemaandelijks

    Arseen

    As

    driemaandelijks

    Cyanide

    CN

    driemaandelijks

    Minerale olie

     

     

    Adsorbeerbaar organisch halogeen

    AOX

     

    Vluchtig organisch gebonden chloor

    VOC

     

    Vluchtige aromaten

     

     

    Polycyclische aromaten

    PAK

    driemaandelijks

    Fenolen

     

    driemaandelijks

  • 4.

    Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt:

     

    • a.

      de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en

    • b.

      de kwaliteit van het geïnfiltreerde water. 

  • 5.

    De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.

  • 6.

    Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet:

     

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.

EEEEE

Artikel 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.15 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland, als:

     

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland, als:

     

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland als:

     

    • a.

      de onttrekkingsinrichting gelegen is in een attentiegebied of invloedsgebied Natura 2000;

    • b.

      de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is; 

    • c.

      de put niet dieper is dan:

      • 1.

        het watervoerende pakket zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage V; of

      • 2.

        30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn;

    • d.

      de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2024 is gemeld, en;

    • e.

      uit die melding blijkt dat de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2023 aanwezig was.

FFFFF

Artikel 5.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.16 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland wordt voldaan aan de artikelen 5.17 en 5.20 tot en met 5.22, als:

     

  • 2.

    Bij het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland wordt voldaan aan de artikelen 5.21 en 5.22 als:

     

  • 3.

    Bij het boren of afdichten van een put voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland wordt voldaan aan de artikelen 5.18 en 5.19, als hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is op de boring of afdichting.

GGGGG

Artikel 5.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.17 Meldingsplicht

  • 1.

    Het is verboden grondwater te onttrekken voor het beregenen van grasland zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden, als:

     

    • a.

      er niet eerder een melding is gedaan voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland; of

    • b.

      er eerder een melding is gedaan voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland, maar de voorgenomen onttrekking afwijkt van de bij die melding verstrekte gegevens. 

  • 2.

    De melding bevat:

     

    • a.

      de locatie van de put;

    • b.

      de maximale pompcapaciteit;

    • c.

      de diepte van de put; en

    • d.

      het bedrijfswaterplan. 

HHHHH

Artikel 5.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.24 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt, als:

     

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt, als:

     

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container-en substraatteelt als:

     

    • a.

      de onttrekkingsinrichting gelegen is in een attentiegebied of invloedsgebied Natura 2000;

    • b.

      de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is;

    • c.

      de put niet dieper is dan:

      • 1.

        het watervoerende pakket zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage V; of

      • 2.

        30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn;

    • d.

      de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2024 is gemeld, en;

    • e.

      uit die melding blijkt dat de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2023 aanwezig was.

IIIII

Artikel 5.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.25 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt wordt voldaan aan de artikelen 5.26, 5.29 tot en met 5.31, als:

     

  • 2.

    Bij het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt wordt voldaan aan de artikelen 5.30 en 5.31, als:

     

  • 3.

    Bij het boren of afdichten van een put voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt wordt voldaan aan de artikelen 5.27 en 5.28, als hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is op de boring of afdichting.

JJJJJ

Artikel 5.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.26 Meldingsplicht

  • 1.

    Het is verboden grondwater te onttrekken voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden, als:

     

    • a.

      er niet eerder een melding is gedaan voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw of vollegronds boomteelt; of

    • b.

      er eerder een melding is gedaan voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw of vollegronds boomteelt, maar de voorgenomen onttrekking afwijkt van de bij die melding verstrekte gegevens.

  • 2.

    De melding bevat:

     

    • a.

      de locatie van de put(ten);

    • b.

      de maximale pompcapaciteit;

    • c.

      de diepte van de put; en

    • d.

      het bedrijfswaterplan. 

KKKKK

Artikel 5.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.33 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening, als:

     

    • a.

      de brandblusvoorziening noodzakelijk is op grond van de bepalingen over brandbestrijding van het Besluit bouwwerken leefomgeving en er geen redelijk alternatief is voor het gebruik van grondwater om aan die bepalingen te kunnen voldoen;

    • b.

      de brandblusvoorziening:

      • 1.

        een geboorde put is die is voorzien van een aansluitstuk voor gebruik door de brandweer; of

      • 2.

        onderdeel uitmaakt van een brandblusinstallatie, conform de daarvoor geldende (landelijke) normen en voorschriften;

    • c.

      er alleen grondwater wordt onttrokken voor de brandblusvoorziening of voor het vereiste onderhoud aan de put; en

    • d.

      de put niet dieper is dan: 

      • 1.

        het watervoerende pakket zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage V; of 

      • 2.

        30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn. 

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening, als:

     

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening, als:

     

    • a.

      de onttrekkingsinrichting gelegen is in een attentiegebied of invloedsgebied Natura 2000;

    • b.

      de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is;

    • c.

      de put niet dieper is dan:

      • 1.

        het watervoerende pakket zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage V; of

      • 2.

        30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn;

    • d.

      de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2024 is gemeld, en;

    • e.

      uit die melding blijkt dat de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2023 aanwezig was.

LLLLL

Artikel 5.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.40 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken  van grondwater voor bronbemaling, als:

     

    • a.

      de te onttrekken hoeveelheid grondwater maximaal 70 m3 per uur is; en

    • b.

      de onttrekking niet langer dan vijf dagen op één locatie plaatsvindt.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling binnen een beschermdbuiten bebouwd gebied als:

     

    • a.

      de bronbemaling alleen gebruikt wordt voor het droog houdendrooghouden van een bouwput voor:

      • 1.

        bouwkundige of civieltechnische werking; of

      • 2.

        bodemsanering;

    • b.

      de te onttrekken hoeveelheid grondwater maximaal 50.000 m3 per maand is; 

    • c.

      de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden; en

    • d.

      het onttrokken grondwater volledig wordt teruggebracht in de bodem.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling buiten een beschermdbinnen bebouwd gebied als:

     

    • a.

      de bronbemaling alleen gebruikt wordt voor het droog houdendrooghouden van een bouwput voor:

      • 1.

        bouwkundige of civieltechnische werking; of

      • 2.

        bodemsanering

    • b.

      de te onttrekken hoeveelheid grondwater maximaal 50.000 m3 per maand is; en

    • c.

      de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling, als:

     

MMMMM

Artikel 5.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.41 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het onttrekken van grondwater voor bronbemaling wordt voldaan aan de artikelen 5.42 en 5.44, als de activiteit vergunningvrij is op grond van artikel 5.40eerste, tweede of derdetweede lid.

  • 2.

    Bij het onttrekken van grondwater voor bronbemaling wordt voldaan aan de artikelen 5.43 en 5.44, als:

     

NNNNN

Artikel 5.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.46 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

OOOOO

Artikel 5.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.47 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Bij het uitvoeren van een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 5.48 en 5.50, als de activiteit vergunningvrij is op grond van artikel 5.46eerste en tweede lid.

  • 2.

    Bij het uitvoeren van een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 5.49 en 5.50, als:

     

PPPPP

Artikel 5.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op:

 

  • a.

    het onttrekken van grondwater voor veedrenkputten; en

  • b.

    het onttrekken van grondwater, voor zover de vorige paragrafen 5.1.2 tot en met 5.1.7 daarop niet van toepassing zijn.

QQQQQ

Artikel 5.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.52 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor een veedrenkput en handpompen, als de put niet dieper is dan:

     

    • a.

      het watervoerende pakket zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage V; of

    • b.

      30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater, als:

     

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor een veedrenkput en handpompen, als:

     

    • a.

      de onttrekkingsinrichting gelegen is in een attentiegebied of invloedsgebied Natura 2000;

    • b.

      de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is;

    • c.

      de put niet dieper is dan:

      • 1.

        het watervoerende pakket zoals aangegeven in tabel 1 van bijlage V; of

      • 2.

        30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn;

    • d.

      de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2024 is gemeld, en;

    • e.

      uit die melding blijkt dat de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2023 aanwezig was.

RRRRR

Artikel 5.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.57 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op gevallen als bedoeld in artikel 6.67.6 van deze verordening.

SSSSS

Artikel 5.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.58 Bomen op de beschermingszone

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2.2 van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben van één of meerdere bomen op de bijbehorende beschermingszone bij een a-water, voor zover: 

 

  • a.

    de boom of de rij bomen reeds aanwezig was vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    de boom of de rij bomen op een afstand van meer dan 3 meter van de insteek staat; of

  • c.

    de boom of de rij bomen op een afstand tussen de 1 meter en 3 meter van de insteek van de watergang staat, en bij de rij bomen de hart-op-hart-afstand tussen de bomen minimaal 10 meter is; of

  • d.

    de boom of de rij bomen op een afstand van minder dan 1 meter van de insteek staat of op een afstand tussen de 1 meter en 3 meter van de insteek en de hart-op-hart afstand minder dan 10 meter bedraagt; en

  • e.

    ongeacht de locatie van de boom of de rij bomen, de aanwezigheid hiervan het regulier onderhoud van de watergang en het talud niet belemmert of verzwaart, dat wil zeggen dat de aanwezigheid van de boom of bomen niet tot gevolg mag hebben dat alleen handmatig onderhoud aan de watergang mogelijk is of dat geen (varend of machinaal) onderhoud mogelijk is.

 

TTTTT

Artikel 5.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.59 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Om hinder van overhangende takken te voorkomen dienen de bomen, tot een afstand van  minimaal 3 meter van de insteek, te allen tijde aan beide zijden opgekroond te zijn tot 4 meter.

  • 2.

     

    • a.

      Om hinder van overhangende takken te voorkomen dienen de bomen, tot een afstand van  minimaal 3 meter van de insteek, te allen tijde aan beide zijden opgekroond te zijn tot 4 meter.

    • b.

      Indien de bomen zich op een afstand van minder dan 1 meter van de insteek of zich tussen de 1 en 3 meter van de insteek bevinden met een hart-op-hart afstand van minder dan 10 meter (zie 2.2 onder d), worden deze, ten behoeve van (buitengewoon) onderhoud aan de watergang, op eerste aanzegging van, of bij gelasting via een openbare bekendmaking door of namens het bestuur van het waterschap door de eigenaar verwijderd.

     

    Indien de bomen zich op een afstand van minder dan 1 meter van de insteek of zich tussen de 1 en 3 meter van de insteek bevinden met een hart-op-hart afstand van minder dan 10 meter (zie 2.2 onder d), worden deze, ten behoeve van (buitengewoon) onderhoud aan de watergang, op eerste aanzegging van, of bij gelasting via een openbare bekendmaking door of namens het bestuur van het waterschap door de eigenaar verwijderd.

UUUUU

Artikel 5.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.60 Struiken en planten op beschermingszone

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend voor het hebben van struiken en planten op de bijbehorende beschermingszone bij een a-water, voor zover: 

 

  • a.

    de struiken en planten reeds aanwezig waren vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    er geen andere obstakels op de beschermingszone aanwezig zijn, en 

  • c.

    het reguliere onderhoud van de watergang varend of machinaal vanaf de overzijde wordt uitgevoerd, en 

  • d.

    de struiken en planten op een afstand van minimaal 1 meter van de insteek staan; óf

  • e.

    de struiken en planten op minder dan 1 meter afstand van de insteek staan als:

    • 1.

      het onderhoud machinaal plaatsvindt, en

    • 2.

      de breedte van de watergang niet breder dan 7 meter (gemeten van insteek tot insteek) is, en

    • 3.

      de grond aan de andere zijde van de watergang in eigendom van de gemeente is.

VVVVV

Artikel 5.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.63 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Degene die een brug behoudt, tast de stabiliteit van de oevers niet aan; en 

  • 2.

    Belemmert de waterdoorvoer en eventueel varend onderhoud van de watergang niet; en 

  • 3.

    Brengt bij definitieve verwijdering van de brug het oppervlaktewaterlichaam terug naar de oorspronkelijke afmetingen zoals opgenomen in de Legger; en

  • 4.

    De brug inclusief de daarmee samenhangende constructies verkeert voortdurend in goede staat van onderhoud; en

  • 5.

     

    • a.

      Degene die een brug behoudt, tast de stabiliteit van de oevers niet aan; en 

    • b.

      belemmert de waterdoorvoer en eventueel varend onderhoud van de watergang niet; en 

    • c.

      brengt bij definitieve verwijdering van de brug het oppervlaktewaterlichaam terug naar de oorspronkelijke afmetingen zoals opgenomen in de Legger; en

    • d.

      de brug inclusief de daarmee samenhangende constructies verkeert voortdurend in goede staat van onderhoud; en

    • e.

      indien de brug zich op particulier eigendom (niet zijnde een overheidsorgaan) bevindt en deze enkel als doel heeft het perceel te ontsluiten dan wordt de brug, ten behoeve van groot onderhoud aan de watergang, op eerste aanzegging van, of bij gelasting via een openbare bekendmaking door of namens het bestuur door de eigenaar tijdelijk verwijderd.

    Indien de brug zich op particulier eigendom (niet zijnde een overheidsorgaan) bevindt en deze enkel als doel heeft het perceel te ontsluiten dan wordt de brug, ten behoeve van groot onderhoud aan de watergang, op eerste aanzegging van, of bij gelasting via een openbare bekendmaking door of namens het bestuur door de eigenaar tijdelijk verwijderd.

WWWWW

Artikel 5.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.64 Eenvoudig te verwijderen obstakels op de beschermingszone

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend voor het hebben van obstakels op de bijbehorende beschermingszone bij een a-water voor zover: 

 

  • a.

    het obstakel reeds aanwezig was vóór de peildatum van 1 januari 2013, en

  • b.

    door de aanwezigheid van het obstakel het reguliere onderhoud van de watergang en het talud niet wordt belemmerd of verzwaard.

XXXXX

Artikel 5.66 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.66 Obstakels op duikers

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben van obstakels op / nabij duikers in a-water, voor zover: 

 

  • a.

    het obstakel en de duiker reeds aanwezig waren vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    het waterschap níet onderhoudsplichtig is voor het bouwkundig onderhoud van de duiker; en

  • c.

    het obstakel de functie van de duiker niet belemmert; en

  • d.

    de uitvoering van het onderhoud door het waterschap ten behoeve van het doorstroomprofiel te allen tijde geborgd is.

YYYYY

Artikel 5.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.68 Bomen en beplanting op duikers

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben van bomen en beplanting op / nabij duikers in a-water, voor zover: 

 

  • a.

    de boom en / of beplanting en duiker reeds aanwezig waren vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    het waterschap níet onderhoudsplichtig is voor het bouwkundig onderhoud van de duiker; en

  • c.

    de boom en/ of beplanting inclusief wortels de functie van de duiker niet belemmeren; en

  • d.

    de uitvoering van het onderhoud door het waterschap ten behoeve van het doorstroomprofiel te allen tijde geborgd is.

ZZZZZ

Artikel 5.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.70 Obstakels in B-watergangen

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben van obstakels in b-water, voor zover: 

 

  • a.

    het obstakel reeds aanwezig was vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    het obstakel de waterafvoer van de aangrenzende/omliggende percelen niet belemmert; en

  • c.

    het obstakel de doorstroming van de watergang niet belemmert.

AAAAAA

Artikel 5.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.71 Bomen, struiken en planten (tuintjes) tot in de watergang zonder bouwwerken

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid van de Waterschapsverordening, voor het hebben van bomen, struiken en planten (tuintjes) op de bijbehorende beschermingszone bij een a-water en/of op de oever van a-water, voor zover: 

 

  • a.

    de bomen, struiken en planten reeds aanwezig waren vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    het reguliere onderhoud van de watergang varend of machinaal vanaf de overzijde wordt uitgevoerd; en

  • c.

    door de aanwezigheid van de bomen, stuiken en planten het reguliere onderhoud van de watergang, de oever en het talud niet wordt belemmerd of verzwaard; en

  • d.

    de bomen, struiken en planten niet in of boven het water aanwezig zijn; en

  • e.

    er geen ontvangstplicht is voor maaisel of specie of deze ontvangstplicht niet wordt belemmerd; en

  • f.

    de bomen, struiken en planten geen wijzigingen aanbrengen of schade veroorzaken aan het profiel van de watergang, aan de oever, het talud en/of de aanwezige beschoeiingen.

BBBBBB

Artikel 5.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.73 Eenvoudig te verwijderen obstakels in de watergang

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid van de Waterschapsverordening, voor het hebben van obstakels op de bijbehorende beschermingszone bij een a-water en/of op de oever van a-water voor zover:

 

  • a.

    het obstakel reeds aanwezig was vóór de peildatum van 1 januari 2013, en

  • b.

    door de aanwezigheid van het obstakel het reguliere onderhoud van de watergang, de oever en het talud niet wordt belemmerd of verzwaard.

CCCCCC

Artikel 5.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.75 Enkele boom op de beschermingszone A van de kering

 

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben van een enkele boom op de beschermingszone A bij een primaire waterkering of de beschermingszone A bij een regionale waterkering, voor zover:

 

  • a.

    de boom reeds aanwezig was voor 1 januari 2013; en

  • b.

    de boom, inclusief de ontgrondingskuil, zich buiten het beperkingengebied met betrekking tot de waterkering bevindt. Hierbij wordt uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil met een diepte van 1 meter en een straal, vanuit het hart van de boom, van 2 meter; en

  • c.

    de boom geen belemmering voor inspectie en onderhoud van de waterkering vormt. 

óf

 

  • a.

    de boom reeds aanwezig was voor 1 januari 2013; en

  • b.

    de boom voldoet aan de VTA-toets (of een vergelijkbare toets); en

  • c.

    de boom op meer dan 10 meter uit de buitenteen en verder dan 4 meter uit de binnenteen van de primaire waterkering en regionale waterkering staat; of

  • d.

    de boom op minder dan 10 meter uit de buitenteen en minder dan 4 meter uit de binnenteen staat en er sprake is van een andere functie met betrekking tot de boom zoals een ecologische verbindingszone, ecologische hoofdstructuur, monumentale of cultuurhistorische waarde; en

  • e.

    de boom geen belemmering voor inspectie en onderhoud van de waterkering vormt.

DDDDDD

Artikel 5.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.76 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, bijvoorbeeld een dijkverbetering, die de boom in de weg staat, verwijdert de eigenaar/gebruiker van het perceel waar de boom zich bevindt, de boom op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap en op eigen kosten.

  • 2.

     

    • a.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, bijvoorbeeld een dijkverbetering, die de boom in de weg staat, verwijdert de eigenaar / gebruiker van het perceel waar de boom zich bevindt, de boom op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap en op eigen kosten.

    • b.

      Indien de boom naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid dan dient de boom op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    • c.

      De eigenaar / gebruiker dient de boom geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

    • d.

      De eigenaar / gebruiker is verplicht om de boom te allen tijde in goede staat van onderhoud te laten verkeren.

    • e.

      De aanwezigheid van de boom op de beschermingszone A bij een waterkering tast door schaduwwerking niet de staat van de grasmat op de waterkering aan.

    • f.

      Om hinder van overhangende takken te voorkomen dienen bomen te allen tijde aan beide zijden opgekroond te zijn tot 4 meter (zie figuur 6) en neemt hierbij de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

    • g.

      Met betrekking tot bomen die op overheidsgrond staan, laat het betreffende overheidsorgaan drie jaarlijks vóór 1 april een VTA-toets (of vergelijkbaar) uitvoeren.

    • h.

      Het rapport van de VTA-toets (of vergelijkbaar) wordt op het eerste verzoek van het dagelijks bestuur ter beoordeling voorgelegd.

    • i.

      Indien het resultaat van de VTA-toets of een vergelijkbare toets negatief is dan dient de boom direct verwijderd te worden.

    • j.

      De eigenaar/gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van de boom de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

    • k.

      In geval er sprake is van een teensloot direct gelegen naast de waterkering dan geldt, behalve de hiervoor opgenomen voorschriften, ook dat de boom op de beschermingszone bij een a-water dient te voldoen aan het bepaalde in regel 2 (bomen op de beschermingszone) van de algemene regels van het Project ‘Sloten, oevers en dijken op orde’ die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen.

    Indien de boom naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid dan dient de boom op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

  • 3.

    De eigenaar/gebruiker dient de boom geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

  • 4.

    De eigenaar/gebruiker is verplicht om de boom te allen tijde in goede staat van onderhoud te laten verkeren.

  • 5.

    De aanwezigheid van de boom op de beschermingszone A bij een waterkering tast door schaduwwerking niet de staat van de grasmat op de waterkering aan.

  • 6.

    Om hinder van overhangende takken te voorkomen dienen bomen te allen tijde aan beide zijden opgekroond te zijn tot 4 meter (zie figuur 6) en neemt hierbij de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

  • 7.

    Met betrekking tot bomen die op overheidsgrond staan, laat het betreffende overheidsorgaan drie jaarlijks vóór 1 april een VTA-toets (of vergelijkbaar) uitvoeren.

  • 8.

    Het rapport van de VTA-toets (of vergelijkbaar) wordt op het eerste verzoek van het dagelijks bestuur ter beoordeling voorgelegd.

  • 9.

    Indien het resultaat van de VTA-toets of een vergelijkbare toets negatief is dan dient de boom direct verwijderd te worden.

  • 10.

    De eigenaar/gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van de boom de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

  • 11.

    In geval er sprake is van een teensloot direct gelegen naast de waterkering dan geldt, behalve de hiervoor opgenomen voorschriften, ook dat de boom op de beschermingszone bij een a-water dient te voldoen aan het bepaalde in regel 2 (bomen op de beschermingszone) van de algemene regels van het Project ‘Sloten, oevers en dijken op orde’ die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen.

EEEEEE

Artikel 5.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.77 Struiken en planten op de kering

Van de vergunningplicht, , bedoeld in artikel 3.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben van struiken en planten op de regionale waterkering en primaire waterkering en de daarbij behorende beschermingszone A bij een regionale waterkering en beschermingszone A bij een primaire waterkering, voor zover:

 

  • a.

    de plant of struik reeds aanwezig was vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    de struik/plant, inclusief de ontgrondingskuil, zich buiten het beperkingengebied met betrekking tot de waterkering bevindt. Hierbij wordt uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil, met een diepte van 0,5 meter en een straal, vanuit het hart van de struik/plant, van 1 meter; en

  • c.

    de plant of struik geen belemmering vormt voor inspectie en onderhoud ten behoeve van de waterkering.

óf

 

  • a.

    de plant of struik reeds aanwezig was vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    de plant of struik zich op meer dan 10 meter afstand uit de buitenteen van de waterkering bevindt; of

  • c.

    de plant of struik op het waterstaatswerk of op minder dan 10 meter uit de buitenteen van de waterkering staat en er sprake is van een andere functie met betrekking tot de plant of struik zoals openbaar groen, een ecologische verbindingszone, ecologische hoofdstructuur, monumentale of cultuurhistorische waarde of het oeverbescherming van een primaire waterkering (zoals riet) betreft; of

  • d.

    de plant of struik zich binnen de bebouwde kom aan de binnenzijde van de waterkering bevindt; en

  • e.

    de plant of struik geen belemmering vormt voor inspectie en onderhoud ten behoeve van de waterkering.

FFFFFF

Artikel 5.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.78 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, bijvoorbeeld dijkverbetering, verwijdert de eigenaar/gebruiker van het perceel waar de plant of struik zich bevindt op eigen kosten de plant of struik op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 2.

     

    • a.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, bijvoorbeeld dijkverbetering, verwijdert de eigenaar/gebruiker van het perceel waar de plant of struik zich bevindt op eigen kosten de plant of struik op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

    • b.

      Indien de plant of struik naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid dan dient de plant of struik op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    • c.

      De eigenaar/gebruiker van het perceel dient planten en struiken geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

    • d.

      Indien struiken worden gesnoeid, dienen hierbij de voorschriften met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht te worden genomen. 

    • e.

      De eigenaar/gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van de planten en struiken de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

    Indien de plant of struik naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid dan dient de plant of struik op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

  • 3.

    De eigenaar/gebruiker van het perceel dient planten en struiken geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

  • 4.

    Indien struiken worden gesnoeid, dienen hierbij de voorschriften met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht te worden genomen. 

  • 5.

    De eigenaar/gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van de planten en struiken de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

GGGGGG

Artikel 5.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.79 Rij bomen op de kering

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben van een rij bomen op het waterstaatswerk van een primaire waterkering of regionale waterkering en de daarbij behorende beschermingszone A bij een primaire waterkering of beschermingszone A bij een regionale waterkering, voor zover:

 

  • a.

    de bomen reeds aanwezig waren voor 1 januari 2013; en

  • b.

    de bomen, inclusief de ontgrondingskuil, zich buiten het beperkingengebied met betrekking tot de waterkering bevinden. Hierbij wordt uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil met een diepte van 1 meter en een straal, vanuit het hart van de boom, van 2 meter; en

  • c.

    de bomen geen belemmering voor inspectie en onderhoud van de waterkering vormen.

óf

 

  • a.

    de bomen reeds aanwezig waren voor 1 januari 2013; en

  • b.

    de bomen voldoen aan de VTA-toets (of een vergelijkbare toets); en

  • c.

    de bomen op meer dan 10 meter van de buitenteen en verder dan 4 meter uit de binnenteen tot het waterstaatswerk van de primaire waterkering en regionale waterkering staan; óf

  • d.

    de bomen op het waterstaatswerk óf op minder dan 10 meter uit de buitenteen of minder dan 4 meter uit de binnenteen staan en er sprake is van een andere functie met betrekking tot de bomen zoals een ecologische verbindingszone, ecologische hoofdstructuur, monumentale of cultuurhistorische waarde; en

  • e.

    de bomen geen belemmering voor inspectie en onderhoud van de waterkering vormen.

 

HHHHHH

Artikel 5.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.80 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, bijvoorbeeld dijkverbetering, verwijdert de eigenaar/gebruiker van het perceel waar de bomen zich bevinden, de bomen op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap en op eigen kosten.

  • 2.

     

    • a.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, bijvoorbeeld dijkverbetering, verwijdert de eigenaar/gebruiker van het perceel waar de bomen zich bevinden, de bomen op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap en op eigen kosten.

    • b.

      Indien de bomen naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormen voor de waterveiligheid, dienen de bomen op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel, op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering, blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    • c.

      De eigenaar/gebruiker dient de bomen geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

    • d.

      De eigenaar/gebruiker is verplicht om de bomen te allen tijde in goede staat van onderhoud te laten verkeren.

    • e.

      De eigenaar/gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van de bomen de voorschriften met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

    • f.

      De aanwezigheid van de bomen op de waterkering tast door schaduwwerking niet de staat van de grasmat aan.

    • g.

      Om hinder van overhangende takken te voorkomen dienen de bomen te allen tijde aan beide zijden opgekroond te zijn tot 4 meter (zie figuur 6) en neemt hierbij de voorschriften met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

    • h.

      Met betrekking tot bomen die op overheidsgrond staan, laat het betreffende overheidsorgaan 3 jaarlijks vóór 1 april een VTA-toets (of vergelijkbaar) uitvoeren.

    • i.

      Het rapport van de VTA-toets (of vergelijkbaar) wordt op het eerste verzoek van het dagelijks bestuur ter beoordeling voorgelegd.

    • j.

      Indien het resultaat van de VTA-toets of een vergelijkbare toets negatief is dan dient de boom direct verwijderd te worden.

    • k.

      In geval er sprake is van een teensloot direct gelegen naast de waterkering dan geldt, behalve de hiervoor opgenomen voorschriften, ook dat de bomen op de beschermingszone bij een a-water dienen te voldoen aan het bepaalde in regel 2 (bomen op de beschermingszone) van de algemene regels van het Project ‘Sloten, oevers en dijken op orde’ die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen.

    Indien de bomen naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormen voor de waterveiligheid, dienen de bomen op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel, op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering, blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

  • 3.

    De eigenaar/gebruiker dient de bomen geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

  • 4.

    De eigenaar/gebruiker is verplicht om de bomen te allen tijde in goede staat van onderhoud te laten verkeren.

  • 5.

    De eigenaar/gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van de bomen de voorschriften met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

  • 6.

    De aanwezigheid van de bomen op de waterkering tast door schaduwwerking niet de staat van de grasmat aan.

  • 7.

    Om hinder van overhangende takken te voorkomen dienen de bomen te allen tijde aan beide zijden opgekroond te zijn tot 4 meter (zie figuur 6) en neemt hierbij de voorschriften met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening in acht. 

  • 8.

    Met betrekking tot bomen die op overheidsgrond staan, laat het betreffende overheidsorgaan 3 jaarlijks vóór 1 april een VTA-toets (of vergelijkbaar) uitvoeren.

  • 9.

    Het rapport van de VTA-toets (of vergelijkbaar) wordt op het eerste verzoek van het dagelijks bestuur ter beoordeling voorgelegd.

  • 10.

    Indien het resultaat van de VTA-toets of een vergelijkbare toets negatief is dan dient de boom direct verwijderd te worden.

  • 11.

    In geval er sprake is van een teensloot direct gelegen naast de waterkering dan geldt, behalve de hiervoor opgenomen voorschriften, ook dat de bomen op de beschermingszone bij een a-water dienen te voldoen aan het bepaalde in regel 2 (bomen op de beschermingszone) van de algemene regels van het Project ‘Sloten, oevers en dijken op orde’ die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen.

IIIIII

Artikel 5.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.81 Tuinen zonder bomen op de kering

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het gebruik van het waterstaatswerk van een primaire waterkering en regionale waterkering als tuin zonder boom, voor zover:

 

  • a.

    het gebruik als tuin reeds is ontstaan vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    de tuininrichting geen belemmering vormt voor inspectie en onderhoud ten behoeve van de waterkering.

JJJJJJ

Artikel 5.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.82 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden, zoals dijkverbetering, aan de waterkering verwijdert de eigenaar / gebruiker van het perceel waar de tuin zich bevindt op eigen kosten de tuininrichting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 2.

     

    • a.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden, zoals dijkverbetering, aan de waterkering verwijdert de eigenaar / gebruiker van het perceel waar de tuin zich bevindt op eigen kosten de tuininrichting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

    • b.

      Indien de tuininrichting naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient de tuininrichting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    • c.

      De eigenaar/ gebruiker die de waterkering als tuin gebruikt, voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

      • 1.

        spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,30 meter diep); en/of

      • 2.

        bemesten; en/of

      • 3.

        aanbrengen en hebben van gras; en/of

      • 4.

        hebben en verwijderen van struiken.

    • d.

      De eigenaar / gebruiker dient gewassen en beplanting geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

    • e.

      De eigenaar/gebruiker dient nieuwe struiken en planten buiten het waterstaatswerk en op een afstand verder dan 10 meter uit de buitenteen en verder dan 4 meter uit de binnenteen van het waterstaatswerk van de primaire waterkering en regionale waterkering te planten.

    • f.

      De eigenaar / gebruiker is verplicht om aanwezige bouwwerken en beplanting in de tuin te allen tijde in goede staat van onderhoud te laten verkeren.

    • g.

      De eigenaar/ gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van de struiken de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta in acht. 

    • h.

      Indien struiken worden gesnoeid, dienen hierbij de voorschriften met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta in acht te worden genomen.

    • i.

      De bouwwerken in tuinen, zoals schuren, tuinhuizen etc. dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

    • j.

      In geval van verwijdering of wijziging van bouwwerken dient op voorhand een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit aangevraagd en verleend te zijn.

    Indien de tuininrichting naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient de tuininrichting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

  • 3.

    De eigenaar/gebruiker die de waterkering als tuin gebruikt, voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

    • a.

      spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,30 meter diep); en/of

    • b.

      bemesten; en/of

    • c.

      aanbrengen en hebben van gras; en/of

    • d.

      hebben en verwijderen van struiken.

  • 4.

    De eigenaar/gebruiker dient gewassen en beplanting geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

  • 5.

    De eigenaar/gebruiker dient nieuwe struiken en planten buiten het waterstaatswerk en op een afstand verder dan 10 meter uit de buitenteen en verder dan 4 meter uit de binnenteen van het waterstaatswerk van de primaire waterkering en regionale waterkering te planten.

  • 6.

    De eigenaar / gebruiker is verplicht om aanwezige bouwwerken en beplanting in de tuin te allen tijde in goede staat van onderhoud te laten verkeren.

  • 7.

    De eigenaar/ gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van de struiken de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta in acht. 

  • 8.

    Indien struiken worden gesnoeid, dienen hierbij de voorschriften met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta in acht te worden genomen.

  • 9.

    De bouwwerken in tuinen, zoals schuren, tuinhuizen etc. dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

  • 10.

    In geval van verwijdering of wijziging van bouwwerken dient op voorhand een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit aangevraagd en verleend te zijn.

KKKKKK

Artikel 5.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.83 Tuinen met bomen op de kering

Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2eerste lid van de Waterschapsverordening, voor het gebruik van het waterstaatswerk van een primaire waterkering en regionale waterkering als tuin met boom, voor zover:

 

  • a.

    het gebruik als tuin reeds is ontstaan vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    de tuininrichting inclusief boom geen belemmering vormt voor inspectie en onderhoud ten behoeve van de waterkering.

óf

 

  • a.

    het gebruik als tuin reeds is ontstaan vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    de tuininrichting geen belemmering vormt voor inspectie en onderhoud ten behoeve van de waterkering; en

  • c.

    de boom voldoet aan de VTA-toets (of een vergelijkbare toets).

LLLLLL

Artikel 5.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.84 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden, zoals een dijkverbetering, aan de waterkering verwijdert de eigenaar/gebruiker van het perceel waar de tuin zich op bevindt, de gehele tuininrichting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap en op eigen kosten.

  • 2.

     

    • a.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden, zoals een dijkverbetering, aan de waterkering verwijdert de eigenaar/gebruiker van het perceel waar de tuin zich op bevindt, de gehele tuininrichting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap en op eigen kosten.

    • b.

      Indien de tuininrichting naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient de tuininrichting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/ of beheerdersoordeel, op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering, blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    • c.

      De eigenaar/ gebruiker die de waterkering als tuin gebruikt, voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

      • 1.

        spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,30 meter diep); en/of

      • 2.

        bemesten; en/of

      • 3.

        aanbrengen en hebben van gras; en/of

      • 4.

        hebben en verwijderen van struiken en bomen.

    • d.

      De eigenaar/gebruiker dient gewassen en beplanting geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

    • e.

      De eigenaar/gebruiker dient nieuwe bomen, struiken en planten buiten het waterstaatswerk en op een afstand verder dan 10 meter uit de buitenteen en verder dan 4 meter uit de binnenteen van het waterstaatswerk van de primaire waterkering en regionale waterkering te planten.

    • f.

      De eigenaar/gebruiker is verplicht om aanwezige bouwwerken en beplanting in de tuin te allen tijde in goede staat van onderhoud te laten verkeren.

    • g.

      Om hinder van overhangende takken te voorkomen dienen de bomen te allen tijde aan beide zijden opgekroond te zijn tot 4 meter (zie figuur 6) en neemt hierbij de voorschriften met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta in acht. Dit geldt ook voor het snoeien van struiken. 

    • h.

      Indien het resultaat van de VTA-toets of een vergelijkbare toets met betrekking tot de boom of bomen negatief is dan dienen deze direct verwijderd te worden.

    • i.

      De eigenaar/gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van bomen en struiken de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta in acht. 

    • j.

      De bouwwerken in tuinen, zoals schuren, tuinhuizen etc. dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

    • k.

      In geval van verwijdering of wijziging van bouwwerken dient op voorhand een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit aangevraagd en verleend te zijn.

    Indien de tuininrichting naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient de tuininrichting op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/ of beheerdersoordeel, op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering, blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

  • 3.

    De eigenaar/ gebruiker die de waterkering als tuin gebruikt, voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

    • a.

      spitten, ploegen, eggen en andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen (maximaal 0,30 meter diep); en/of

    • b.

      bemesten; en/of

    • c.

      aanbrengen en hebben van gras; en/of

    • d.

      hebben en verwijderen van struiken en bomen.

  • 4.

    De eigenaar/gebruiker dient gewassen en beplanting geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

  • 5.

    De eigenaar/gebruiker dient nieuwe bomen, struiken en planten buiten het waterstaatswerk en op een afstand verder dan 10 meter uit de buitenteen en verder dan 4 meter uit de binnenteen van het waterstaatswerk van de primaire waterkering en regionale waterkering te planten.

  • 6.

    De eigenaar/gebruiker is verplicht om aanwezige bouwwerken en beplanting in de tuin te allen tijde in goede staat van onderhoud te laten verkeren.

  • 7.

    Om hinder van overhangende takken te voorkomen dienen de bomen te allen tijde aan beide zijden opgekroond te zijn tot 4 meter (zie figuur 6) en neemt hierbij de voorschriften met betrekking tot het ‘snoeien van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta in acht. Dit geldt ook voor het snoeien van struiken. 

  • 8.

    Indien het resultaat van de VTA-toets of een vergelijkbare toets met betrekking tot de boom of bomen negatief is dan dienen deze direct verwijderd te worden.

  • 9.

    De eigenaar/gebruiker van het perceel neemt bij verwijdering van bomen en struiken de voorschriften van de vigerende regel met betrekking tot het ‘verwijderen van bomen en struiken’ van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta in acht. 

  • 10.

    De bouwwerken in tuinen, zoals schuren, tuinhuizen etc. dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

  • 11.

    In geval van verwijdering of wijziging van bouwwerken dient op voorhand een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit aangevraagd en verleend te zijn.

MMMMMM

Artikel 5.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.85 Obstakels overig op de kering

Vrijstelling wordt verleend van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.2eerste lid van de Waterschapsverordening, voor het hebben en verwijderen van overige obstakels op het waterstaatswerk van de regionale waterkering en primaire waterkering en de daarbij behorende beschermingszone A bij een regionale waterkering en beschermingszone A bij een primaire waterkering, voor zover:

 

NNNNNN

Artikel 5.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.86 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de kering, zoals dijkverbetering, verwijdert de eigenaar/ gebruiker van het perceel waar het obstakel zich bevindt deze op eigen kosten op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 2.

     

    • a.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de kering, zoals dijkverbetering, verwijdert de eigenaar/ gebruiker van het perceel waar het obstakel zich bevindt deze op eigen kosten op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

    • b.

      Indien het obstakel naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient het obstakel op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    • c.

      De obstakels dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

    • d.

      De eigenaar van het perceel dient de daarop aanwezige obstakels geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

    • e.

      Na verwijdering van het obstakel worden door de eigenaar/ gebruiker van het perceel de ontstane gaten met kleigrond van (nagenoeg) dezelfde samenstelling als de dijkbekleding gedicht.

    • f.

      Vervolgens moeten de gaten worden voorzien van geschikte graszoden of vóór 1 september worden ingezaaid met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang gesloten seizoen. Indien de waterkering is bekleed met ander door het waterschap toegestaan erosiebestendig materiaal (anders dan gras) dan dienen de gaten te worden voorzien van datzelfde materiaal zodat er weer een aangesloten bekleding van de waterkering ontstaat.

    Indien het obstakel naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient het obstakel op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

  • 3.

    De obstakels dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

  • 4.

    De eigenaar van het perceel dient de daarop aanwezige obstakels geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

  • 5.

    Na verwijdering van het obstakel worden door de eigenaar/ gebruiker van het perceel de ontstane gaten met kleigrond van (nagenoeg) dezelfde samenstelling als de dijkbekleding gedicht.

  • 6.

    Vervolgens moeten de gaten worden voorzien van geschikte graszoden of vóór 1 september worden ingezaaid met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang gesloten seizoen. Indien de waterkering is bekleed met ander door het waterschap toegestaan erosiebestendig materiaal (anders dan gras) dan dienen de gaten te worden voorzien van datzelfde materiaal zodat er weer een aangesloten bekleding van de waterkering ontstaat.

OOOOOO

Artikel 5.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.87 Hekwerk op regionale kering

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben en verwijderen van een hekwerk op het waterstaatswerk van een regionale waterkering en de daarbij behorende beschermingszone A bij een regionale waterkering, voor zover:

 

  • a.

    het hekwerk reeds aanwezig was vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    het hekwerk geen belemmering vormt voor inspectie en onderhoud ten behoeve van de waterkering; en

  • c.

    het hekwerk zich niet op het buitentalud regionale waterkering bevindt.

PPPPPP

Artikel 5.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.88 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, verwijdert de eigenaar/ gebruiker van het perceel waar het hekwerk zich bevindt deze op eigen kosten op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 2.

    Het hekwerk dient te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

  • 3.

    De eigenaar/gebruiker van het perceel dient de daarop aanwezige hekwerken geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

  • 4.

     

    • a.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, verwijdert de eigenaar/ gebruiker van het perceel waar het hekwerk zich bevindt deze op eigen kosten op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

    • b.

      Het hekwerk dient te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

    • c.

      De eigenaar/ gebruiker van het perceel dient de daarop aanwezige hekwerken geen belemmering te laten vormen voor inspectie en onderhoud van de waterkering.

    • d.

      Indien het hekwerk naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale of primaire waterkeringen blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    • e.

      Na verwijdering van het hekwerk worden door de eigenaar van het perceel de ontstane gaten met kleigrond van (nagenoeg) dezelfde samenstelling als de dijkbekleding gedicht.

    • f.

      De gaten moeten worden voorzien van geschikte graszoden of vóór 1 september worden ingezaaid met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang gesloten seizoen. Indien de waterkering is bekleed met ander door het dagelijks bestuur toegestaan erosiebestendig materiaal (anders dan gras) dan dienen de gaten te worden voorzien van datzelfde materiaal zodat er weer een aangesloten bekleding van de waterkering ontstaat.

    Indien het hekwerk naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale of primaire waterkeringen blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

  • 5.

    Na verwijdering van het hekwerk worden door de eigenaar van het perceel de ontstane gaten met kleigrond van (nagenoeg) dezelfde samenstelling als de dijkbekleding gedicht.

  • 6.

    De gaten moeten worden voorzien van geschikte graszoden of vóór 1 september worden ingezaaid met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang gesloten seizoen. Indien de waterkering is bekleed met ander door het dagelijks bestuur toegestaan erosiebestendig materiaal (anders dan gras) dan dienen de gaten te worden voorzien van datzelfde materiaal zodat er weer een aangesloten bekleding van de waterkering ontstaat.

QQQQQQ

Artikel 5.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.90 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Het huis en alles wat daarmee (in)direct is verbonden, zoals funderingen, kelders, zwembaden etc. dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

  • 2.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, dient het huis mogelijk aangepast of (deels) verwijderd te worden. Het waterschap zal in voorkomende gevallen tijdig, tenzij er sprake is van directe spoed en/ of calamiteiten, in overleg treden met de eigenaar over de noodzakelijke werkzaamheden aan de waterkering.

  • 3.

     

    • a.

      Het huis en alles wat daarmee (in)direct is verbonden, zoals funderingen, kelders, zwembaden etc. dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

    • b.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, dient het huis mogelijk aangepast of (deels) verwijderd te worden. Het waterschap zal in voorkomende gevallen tijdig, tenzij er sprake is van directe spoed en/ of calamiteiten, in overleg treden met de eigenaar over de noodzakelijke werkzaamheden aan de waterkering.

    • c.

      Indien de woning naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient het huis mogelijk aangepast of (deels) verwijderd te worden. Het waterschap zal in voorkomende gevallen tijdig, tenzij er sprake is van directe spoed en/ of calamiteiten, in overleg treden met de eigenaar over de noodzakelijke werkzaamheden aan de waterkering. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    Indien de woning naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient het huis mogelijk aangepast of (deels) verwijderd te worden. Het waterschap zal in voorkomende gevallen tijdig, tenzij er sprake is van directe spoed en/ of calamiteiten, in overleg treden met de eigenaar over de noodzakelijke werkzaamheden aan de waterkering. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

RRRRRR

Artikel 5.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.92 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    Het bouwwerk en alles wat daarmee (in)direct is verbonden, zoals funderingen, kelders etc. dient te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

  • 2.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, dient het bouwwerk mogelijk aangepast of (deels) verwijderd te worden. Het waterschap zal in voorkomende gevallen tijdig, tenzij er sprake is van directe spoed en/ of calamiteiten, in overleg treden met de eigenaar over de noodzakelijke werkzaamheden aan de waterkering.

  • 3.

     

    • a.

      Het bouwwerk en alles wat daarmee (in)direct is verbonden, zoals funderingen, kelders etc. dient te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

    • b.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, dient het bouwwerk mogelijk aangepast of (deels) verwijderd te worden. Het waterschap zal in voorkomende gevallen tijdig, tenzij er sprake is van directe spoed en/ of calamiteiten, in overleg treden met de eigenaar over de noodzakelijke werkzaamheden aan de waterkering.

    • c.

      Indien het bouwwerk naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient het bouwwerk mogelijk aangepast of (deels) verwijderd te worden. Het waterschap zal in voorkomende gevallen tijdig, tenzij er sprake is van directe spoed en/ of calamiteiten, in overleg treden met de eigenaar over de noodzakelijke werkzaamheden aan de waterkering. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    Indien het bouwwerk naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient het bouwwerk mogelijk aangepast of (deels) verwijderd te worden. Het waterschap zal in voorkomende gevallen tijdig, tenzij er sprake is van directe spoed en/ of calamiteiten, in overleg treden met de eigenaar over de noodzakelijke werkzaamheden aan de waterkering. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

SSSSSS

Artikel 5.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.93 Niet permanente bouwwerken (ongefundeerd)

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben of verwijderen van ongefundeerde bouwwerken op het waterstaatswerk van regionale waterkering en primaire waterkering, voor zover:

 

  • a.

    het bouwwerk reeds aanwezig was vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    het bouwwerk zich op een open of gesloten erfverharding bevindt; en

  • c.

    het bouwwerk geen belemmering vormt voor inspectie en onderhoud ten behoeve van de waterkering.

TTTTTT

Artikel 5.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.94 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, verwijdert de eigenaar/gebruiker het bouwwerk alsmede de erfverharding op eigen kosten op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 2.

    Het bouwwerk en de daar onderliggende erfverharding dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

  • 3.

    De eigenaar/gebruiker van het perceel dient de daarop aanwezige bouwwerken en erfverharding geen belemmering te laten vormen voor het beheer en onderhoud van de waterkering.

  • 4.

     

    • a.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, verwijdert de eigenaar / gebruiker het bouwwerk alsmede de erfverharding op eigen kosten op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap.

    • b.

      Het bouwwerk en de daar onderliggende erfverharding dienen te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

    • c.

      De eigenaar / gebruiker van het perceel dient de daarop aanwezige bouwwerken en erfverharding geen belemmering te laten vormen voor het beheer en onderhoud van de waterkering.

    • d.

      Indien het bouwwerk en de daar onderliggende erfverharding naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    • e.

      Degene die een erfverharding houdt, onderhoudt of verwijdert op een primaire waterkering en regionale waterkering voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

      • 1.

        oppervlakkige grondroering (maximaal 0,30 meter diep), en/of;

      • 2.

        aanbrengen van open verharding zoals klinkers, stelconplaten e.d., en/of;

      • 3.

        aanbrengen zandbed ten behoeve van open verharding;

      • 4.

        vult bij verwijderen de ontstane ruimte aan tot aan het maaiveld.

    • f.

      Het na verwijdering van de verharding opvullen tot aan het maaiveld wordt gevolgd door de waterkering te voorzien van geschikte graszoden of de kering vóór 1 september in te zaaien met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang van het gesloten seizoen.

    Indien het bouwwerk en de daar onderliggende erfverharding naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van regionale waterkering of primaire waterkering blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

  • 5.

    Degene die een erfverharding houdt, onderhoudt of verwijdert op een primaire waterkering en regionale waterkering voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

    • a.

      oppervlakkige grondroering (maximaal 0,30 meter diep), en/of;

    • b.

      aanbrengen van open verharding zoals klinkers, stelconplaten e.d., en/of;

    • c.

      aanbrengen zandbed ten behoeve van open verharding;

    • d.

      vult bij verwijderen de ontstane ruimte aan tot aan het maaiveld.

  • 6.

    Het na verwijdering van de verharding opvullen tot aan het maaiveld wordt gevolgd door de waterkering te voorzien van geschikte graszoden of de kering vóór 1 september in te zaaien met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang van het gesloten seizoen.

UUUUUU

Artikel 5.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.95 Verharding bij beschadigingen grasmat

Van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 3.2eerste lid van de Waterschapsverordening, wordt vrijstelling verleend, voor het hebben, onderhouden en verwijderen van verharding op het waterstaatswerk van de primaire waterkering en regionale waterkering, voor zover:

 

  • a.

    de erfverharding reeds aanwezig was vóór de peildatum van 1 januari 2013; en

  • b.

    er sprake is van een open of gesloten erfverharding; en

  • c.

    de erfverharding geen belemmering vormt voor inspectie en onderhoud ten behoeve van de waterkering.

VVVVVV

Artikel 5.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.96 Aanwijzing algemene regels

  • 1.

    In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, verwijdert de eigenaar / gebruiker de erfverharding op eigen kosten op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap. 

  • 2.

    De erfverharding dient te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

  • 3.

    De eigenaar/gebruiker van het perceel dient de erfverharding geen belemmering te laten vormen voor het beheer en onderhoud van de waterkering.

  • 4.

     

    • a.

      In geval van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden aan de waterkering, zoals dijkverbetering, verwijdert de eigenaar / gebruiker de erfverharding op eigen kosten op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur van het waterschap. 

    • b.

      De erfverharding dient te allen tijde in goede staat van onderhoud te verkeren.

    • c.

      De eigenaar / gebruiker van het perceel dient de erfverharding geen belemmering te laten vormen voor het beheer en onderhoud van de waterkering.

    • d.

      Indien de erfverharding naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd dan wel conform de eisen van het waterschap aangepast te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van  regionale waterkering of primaire waterkering  blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

    • e.

      Degene die een erfverharding houdt, onderhoudt of verwijdert op een  primaire waterkering en regionale waterkering voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

      • 1.

        oppervlakkige grondroering (maximaal 0,30 meter diep), en/of;

      • 2.

        aanbrengen van open verharding zoals klinkers, stelconplaten e.d., en/of;

      • 3.

        aanbrengen klei ten behoeve van open verharding;

      • 4.

        vult bij verwijderen de ontstane ruimte aan tot aan het maaiveld met klei erosiebestendigheidsklasse 2 of 3.

    • f.

      Het na verwijdering van de verharding opvullen tot aan het maaiveld wordt gevolgd door de waterkering te voorzien van geschikte graszoden of de kering vóór 1 september in te zaaien met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang van het gesloten seizoen.

    Indien de erfverharding naar het oordeel van het dagelijks bestuur op enig moment een risico vormt voor de waterveiligheid, dient dit op eerste aanzegging van het dagelijks bestuur op eigen kosten door de perceel eigenaar/gebruiker verwijderd dan wel conform de eisen van het waterschap aangepast te worden. De waterveiligheid is in ieder geval in het geding als uit het technisch en/of beheerdersoordeel op grond van de vigerende leidraad voor het toetsen van veiligheid van  regionale waterkering of primaire waterkering  blijkt dat de waterkering niet meer voldoet aan de veiligheidsnormen.

  • 5.

    Degene die een erfverharding houdt, onderhoudt of verwijdert op een  primaire waterkering en regionale waterkering voert alleen werkzaamheden uit die bestaan uit:

    • a.

      oppervlakkige grondroering (maximaal 0,30 meter diep), en/of;

    • b.

      aanbrengen van open verharding zoals klinkers, stelconplaten e.d., en/of;

    • c.

      aanbrengen klei ten behoeve van open verharding;

    • d.

      vult bij verwijderen de ontstane ruimte aan tot aan het maaiveld met klei erosiebestendigheidsklasse 2 of 3.

  • 6.

    Het na verwijdering van de verharding opvullen tot aan het maaiveld wordt gevolgd door de waterkering te voorzien van geschikte graszoden of de kering vóór 1 september in te zaaien met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang van het gesloten seizoen.

WWWWWW

Na hoofdstuk 5 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 6 Verharding

Afdeling 6.1 Aanbrengen, wijzigen of afkoppelen van verhard oppervlak 

Paragraaf 6.1.1 Algemeen
Artikel 6.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing voor het gehele beheergebied van het waterschap met betrekking tot de activiteiten het aanbrengen, wijzigen of afkoppelen van verhard oppervlak.

Artikel 6.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning verharding aan te brengen of te wijzigen. 

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning bestaande verharding af te koppelen.  

Artikel 6.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteiten met betrekking tot verharding  
  • 1.

    Een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied.

  • 2.

    Een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het de aan te brengen of te wijzigen verharding.

  • 3.

    De verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.

  • 4.

    Locaties van de lozingspunten.

  • 5.

    Een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken.

Paragraaf 6.1.2 Aanbrengen verharding of wijzigen verharding
Artikel 6.4 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten met betrekking tot het aanbrengen of wijzigen van verharding.

Artikel 6.5 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt niet voor het aanbrengen of wijzigen van verhard oppervlak als: 

  • a.

    Het een verhard oppervlak van maximaal 500 m2 betreft.  

  • b.

    Het een verhard oppervlak betreft tussen de 500 m2 en 10.000 m2 waarbij wordt voldaan aan de volgende compensatie-eisen:  

    • 1.

      Binnen bebouwd gebied. Het compenseren van een waterschijf van 0,08 m waarvan minimaal 0.01 m wordt benut voor het aanvullen van grondwater. 

    • 2.

      Buiten bebouwd gebied. Het compenseren van een waterschijf van 0,10 m waarvan minimaal 0,01 m wordt benut voor het aanvullen van het grondwater. Hiervan uitgezonderd zijn glastuinbouw en containerteelt. Hiervoor geldt een compensatie-eis van 0,06 m zonder verplichting tot het aanvullen van het grondwater.   

Artikel 6.6 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanbrengen of wijzigen van verharding wordt voldaan aan artikel 6.7 en 6.8, als:  

  • a.

     Het een verhard oppervlak betreft tussen de 500 m2 en 10.000 m2 waarbij wordt voldaan aan de volgende compensatie-eisen:  

    • 1.

      Binnen bebouwd gebied. Het compenseren van een waterschijf van 0,08 m waarvan minimaal 0,01 m wordt benut voor het aanvullen van grondwater.   

    • 2.

      Buiten bebouwd gebied. Het compenseren van een waterschijf van 0,10 m waarvan minimaal 0,01 m wordt benut voor het aanvullen van het grondwater. Hiervan uitgezonderd zijn glastuinbouw en containerteelt. Hiervoor geldt een compensatie-eis van 0,06 m zonder verplichting tot het aanvullen van het grondwater.  

    • 3.

      Groen dak en doorlatende verharding. Bij toepassing van een groen dak of doorlatende verharding mag dit van de compensatieopgave in mindering worden gebracht. Voor het bepalen van de mindering moet de volgende rekenregel worden toegepast:  [Oppervlak groen dak (m2) + oppervlak doorlatende verharding (m2)] x 0,025 m.  

    • 4.

       Grondwateraanvulling binnen 24 uur. De mate waarin een voorziening wordt aangelegd voor het aanvullen van grondwater bijdraagt aan de compensatie-eis dient met de rekenregel bepaald te worden:  Oppervlak infiltratievoorziening (m) x infiltratiefactor. De infiltratiefactor voor peilbesluitgebieden is 0,05 (m/d). Voor vrij afwaterende gebieden is deze 0,1 (m/d).   

    • 5.

      Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater. De resterende compensatieopgave dient te worden geborgen in een bergingsvoorziening.  

Artikel 6.7 Capaciteit en overlast 
  • 1.

     Er wordt niet meer water geloosd dan de waterloop kan verwerken.  

  • 2.

    Er wordt geen overlast veroorzaakt bij het lozen van het water.

Artikel 6.8 De bergingsvoorziening
  • 1.

    De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand.

  • 2.

    Het water wordt uit de voorziening afgevoerd via een functionele bodempassage naar het grondwater of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater.

  • 3.

    De functionele afvoerconstructie heeft een diameter van 4 cm.

  • 4.

    De afstand tussen de functionele afvoerconstructie en bodem van de voorziening dient zodanig te zijn dat er voldaan wordt aan de minimale infiltratie-eis van 0,01 m.   

  • 5.

    Indien de constructie loost op een oppervlaktewaterlichaam moet, ter voorkoming van beschadiging aan het oppervlaktewaterlichaam, een constructie aangelegd worden om beschadigingen aan het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

Paragraaf 6.1.3 Afkoppelen verhard oppervlak
Artikel 6.9 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten met betrekking tot het afkoppelen van verhard oppervlak.

Artikel 6.10 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt niet voor het afkoppelen van verhard oppervlak als:  

  • a.

    er maximaal 500 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld;

  • b.

    er maximaal 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld waarbij wordt voldaan aan de compensatie-eis dat er minimaal een waterschijf van 0,01 m wordt benut voor het aanvullen van het grondwater.

Artikel 6.11 Aanwijzing algemene regel  

Het verbod, bedoeld in artikel 6.2, geldt niet voor het afkoppelen van verhard oppervlak als er tussen 500 m2 en 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld waarbij wordt voldaan aan de compensatie-eis dat er minimaal een waterschijf van 0,01 m wordt benut voor het aanvullen van het grondwater.  

XXXXXX

Het opschrift van hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 6 7 Overgangs- en slotbepalingen

YYYYYY

Het opschrift van afdeling 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.1 7.1 Overgangs- en slotbepalingen

ZZZZZZ

Het opschrift van paragraaf 6.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 6.1.1 7.1.1 Overgangsbepalingen algemeen

AAAAAAA

Artikel 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.1 7.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen

  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening. Vanaf het moment van vervanging, wijziging of verwijdering van het object en/of de handeling, moet voldaan worden aan de geldende regels van de onderhavige waterschapsverordening.

  • 2.

    Voor al hetgeen vóór inwerkingtreding van deze waterschapsverordening zonder vergunning rechtmatig tot stand is gebracht en/of wordt uitgevoerd, wordt geacht een vergunning ingevolge deze  waterschapsverordening te zijn verleend. Vanaf het moment van vervanging, wijziging of verwijdering van   het object en/of de handeling, moet voldaan worden aan de geldende regels van de onderhavige waterschapsverordening.

  • 3.

    Als voor een activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening geen verbod op grond van deze verordening geldt om zonder omgevingsvergunning de activiteit te verrichten, gelden voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit als maatwerkvoorschrift. Dit geldt alleen voor zover het waterschap over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van deze verordening.

  • 4.

    Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor een activiteit waarvoor op grond van deze waterschapsverordening  een verbod geldt om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten, blijft het oude recht van toepassing tot de omgevingsvergunning onherroepelijk wordt. Deze onherroepelijke omgevingsvergunning geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening.

BBBBBBB

Het opschrift van artikel 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.2 7.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften

CCCCCCC

Artikel 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.3 7.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing:

 

  • a.

    tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

  • b.

    tot het tijdstip waarop de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom, tot het tijdstip waarop:

    • 1.

      de last volledig is uitgevoerd;

    • 2.

      de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

    • 3.

      de last is opgeheven. 

DDDDDDD

Paragraaf 6.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 6.1.2 7.1.2 Overgangsbepalingen begrenzing waterstaatswerken vanwege omgevingsverordening

Artikel 6.4 7.4 Overgangsrecht begrenzing waterstaatswerken vanwege omgevingsverordening

  • 1.

    In afwijking van de artikelen 1.2 en 1.3 wordt een oppervlaktewaterlichaam ten aanzien waarvan in de omgevingsverordening registratie als a-water is voorgeschreven, maar nog niet heeft plaatsgevonden, voor de toepassing van deze waterschapsverordening aangemerkt als a-water.

  • 2.

    In afwijking van de artikelen 1.2 en 1.3 wordt een oppervlaktewaterlichaam ten aanzien waarvan in de omgevingsverordening registratie als b-water is voorgeschreven, maar nog niet heeft plaatsgevonden, voor de toepassing van deze waterschapsverordening aangemerkt als b-water.

  • 3.

    in In afwijking van de artikelen 1.3 en 1.4 wordt een oppervlaktewaterlichaam ten aanzien waarvan in de omgevingsverordening registratie als c-water achterwege mag worden gelaten, maar nog niet heeft plaatsgevonden, voor de toepassing van de waterschapsverordening aangemerkt als c-watergang.

  • 4.

    in In afwijking van de artikelen 1.3 en 1.4 wordt een waterkering, ten aanzien waarvan in de omgevingsverordening registratie als waterkering is voorgeschreven, maar nog niet heeft plaatsgevonden, voor de toepassing van deze waterschapsverordening aangemerkt als waterkering.

Artikel 6.5 7.5 Overgangsrecht begrenzing waterstaatswerken vanwege waterschapsverordening

In afwijking van de artikelen 1.2 en 1.3 gelden voor een waterkering met bijbehorende beschermingszone(s) ten aanzien waarvan aanwijzing en begrenzing als beperkingengebied in deze waterschapsverordening is voorgeschreven en is vastgesteld, maar de begripsbepalingen nog niet overeenkomen met de begripsbepalingen uit deze waterschapsverordening de volgende bepalingen:

 

EEEEEEE

Het opschrift van paragraaf 6.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 6.1.3 7.1.3 Overgangsbepaling algemene regels project Sloten, oevers en dijken op orde SODO

FFFFFFF

Het opschrift van artikel 6.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.6 7.6 Overgangsbepaling algemene regels project Sloten, oevers en dijken op orde SODO

GGGGGGG

Het opschrift van paragraaf 6.1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 6.1.4 7.1.4 Citeertitel

HHHHHHH

Het opschrift van artikel 6.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.7 7.7 Citeertitel

IIIIIII

Na paragraaf 6.1.4 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.1.5 Overgangsbepalingen aanbrengen en wijziging verhard oppervlak

Artikel 7.8 Overgangsrecht

  • 1.

    In afwijking van artikel 7.1eerste lid, vervalt een omgevingsvergunning van rechtswege, die onder de vigeur van de Waterschapsverordening Brabantse Delta 2024 is verleend voor de activiteit zoals genoemd in artikel 6.2, binnen 3 jaar na het verlenen van die omgevingsvergunning indien geen aanvang is gemaakt met de vergunde activiteit. 

  • 2.

    De bepalingen in paragraaf 6.1.2 en 6.1.3 gelden niet voor de genoemde activiteiten die voortvloeien uit ontwerpplannen die zijn vastgesteld vóór inwerkingtreding van deze verordening, mits binnen een periode van 5 jaar na vaststelling een aanvang is gemaakt met de vergunde activiteiten. 

  • 3.

    De bepalingen in paragraaf 6.1.2 en 6.1.3 gelden niet voor de genoemde activiteiten die voortvloeien uit TAM-IMRO die vóór 31 december 2025 ter inzage zijn gelegd.

JJJJJJJ

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

aanbrengen verhard oppervlak

wijziging van onverhard naar verhard oppervlak

aangewezen oppervlaktewaterlichaam

oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage II

afkoppelen van verhard oppervlak

onderbreken van de afvoer van op bestaand verhard oppervlak vallend hemelwater via een gemengde of verbeterd gescheiden riolering naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie

afrastering

(overwegend) verticale afrastering van niet-levend materiaal

afscheidende laag

afdichtende of slecht waterdoorlatende bodemlaag

anti-worteldoek

kunststof doek dat wel water maar geen licht en wortelgroei doorlaat

bebouwd gebied

gebied dat op 1 januari 2026 als stedelijk gebied is aangewezen in de provinciale omgevingsverordening

bedrijfswaterplan

plan van waterconserverende of waterbesparende maatregelen dat wordt opgesteld en uitgevoerd door of namens de houder van een onttrekkingsinrichting of degene die grondwater onttrekt, conform een door het bestuur vastgesteld model

bergingsvoorziening

voorziening die moet worden aangelegd om te voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem

beschoeiing

grondkerende constructie in de oeverlijn/talud om de oever/talud tegen afkalving te beschermen

bestuur

dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta

bodemsanering

beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de bodem

brandblusvoorziening

voorziening die permanent aanwezig is, maar slechts in noodsituaties benut wordt ten behoeve van bluswatervoorziening

bronbemaling

uit de bodem of bouwputten onttrekken van grondwater door middel van een pomp

brug

werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam

buitentalud

hellend vlak van een waterkering aan de waterkerende zijde

c-water

alle oppervlaktewaterlichamen die geen a-water of b-water zijn

compensatievoorziening

een voorziening die moet worden aangelegd om hemelwater zoveel mogelijk te laten infiltreren in de bodem en om te voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem

drainagemiddel

ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand welke vrij afstroomt waarbij niet direct of indirect gebruik gemaakt  wordt  van een pomp(constructie)

eenjarige gewassen

een gewas/plant die zijn levenscyclus voltooit van kieming tot zaad binnen één jaar. De plant sterft na de zaadzetting af, zoals bij zomertarwe, of gaat aan het eind van het jaar dood.

eenvoudig verplaatsbare bouwwerken

bouwwerken die op eenvoudige wijze (c.q. tegen geringe kosten) te verplaatsen of te verwijderen zijn. Voorbeelden hiervan zijn speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, hekwerken, tuinmuurtjes, demontabele zwembaden, brievenbussen, palen e.d. zonder zware funderingsconstructie.

gestuurde persing of boring

een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals een waterstaatswerk diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd

groen dak

dak dat bedekt is met vegetatie met een waterbergende functie

grondwatersanering

beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater

huisaansluiting

deel van een kabel of leiding dat een directe verbinding vormt tussen één specifiek pand (gebouw met een BAG-adres) en het distributienet van de netbeheerder

infiltreren van water

in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater

insteek

het als zodanig in de legger aangegeven snijpunt van de lijn van talud en maaiveld, dan wel de lijn van een oppervlaktewaterlichaam waar talud en maaiveld elkaar snijden

kabel

voorziening voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteitssignaal en telecommunicatievoorzieningen

leiding

mediumvoerende buisconstructie, die geen lozingswerk is en die niet in open verbinding staat met oppervlaktewater

maaisel

begroeiing met enige aanhangende (bagger)specie, die vrijkomt bij het uitvoeren van onderhoud

natuurvriendelijke oever

oever die zo is aangelegd of wordt gewijzigd dat deze niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken

NEN 6600-1

Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater

NEN 6646

Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat

NEN 6966

Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma

NEN-EN 872

Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters

NEN-EN 12566-1

Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks

NEN-EN 13284-1

Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode

NEN-EN-ISO 5667-3

Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters

NEN-EN-ISO 5815-1

Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum

NEN-EN-ISO 5815-2

Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters

NEN-EN-ISO 6878

Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode

NEN-EN-ISO 9377-2

Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie

NEN-EN-ISO 10301

Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden

NEN-EN-ISO 11732

Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie

NEN-EN-ISO 11885

Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES)

NEN-EN-ISO 12846

Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie

NEN-EN-ISO 13395

Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie

NEN-EN-ISO 15587-1

Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting

NEN-EN-ISO 15587-2

Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur

NEN-EN-ISO 15680

Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie

NEN-EN-ISO 15681-1

Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA)

NEN-EN-ISO 15681-2

Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA)

NEN-EN-ISO 15682

ater - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie

NEN-EN-ISO 17294-2

Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen

NEN-EN-ISO 17852

Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie

NEN-EN-ISO 17993

Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie

NEN-ISO 5663

Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen

NEN-ISO 15705

Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode

NEN-ISO 15923-1

Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat

niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

ander oppervlaktewaterlichaam dan een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage II

onderbemaling

het plaatselijk verlagen van het oppervlaktewaterpeil door middel van een pomp

ondersteunend kunstwerk

werk dat van belang is voor de taakuitoefening van het waterschap, voor de waterkering of voor het functioneren van de waterhuishouding

onttrekken

onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een werk

openbare weg

weg in beheer van een overheid

overhangend bouwwerk

bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam of het talud is geplaatst

poel

relatief klein oppervlaktewaterlichaam met een natuurdoelstelling, in hoofdzaak een ecologische functie ten behoeve van amfibieën

pompcapaciteit

het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur

put

alle in de bodem aangebrachte buizen met boorgat en doorlatende filters

regulier onderhoud

periodiek uit te voeren werkzaamheden om de aan een perceel gegeven bestemming in stand te kunnen houden

roven

oppervlakkig, over een kleine diepte weghalen van de grond

schil

bovenste meter van de compartimenteringskering of bijbehorende beschermingszone A, gemeten vanaf het maaiveld.

sleufbemaling

bronbemaling ten behoeve van een smalle, meestal voortschrijdende bouwput

specie

bij onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen vrijkomende grond inclusief daarin voorkomende stoffen

steiger

constructie die over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel

talud

hellend oppervlak van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen

teen

de als zodanig in de legger aangegeven lijn van de onderrand van een waterkering, dan wel de lijn waar talud en maaiveld elkaar snijden

toename van verhard oppervlak

wijziging van onverhard naar verhard oppervlak

veedrenkput

inrichting voor het drenken van vee waarvan de pomp niet mechanisch wordt aangedreven

verhard oppervlak

al het oppervlak dat er voor zorgt dat water sneller tot afvoer komt

vlonder

constructie op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam

waterhuishoudkundige functie

functie die de provincie of het waterschap aan het waterstaatswerk heeft toegekend

werken

alle door menselijk toedoen ontstane of gemaakte constructies of inrichtingen, inclusief bouwwerken, en restanten daarvan

wijzigen verhard oppervlak

het vervangen of aanpassen van bestaande verharding door nieuwe of een andere vorm van verharding met het oogmerk op een wijziging van de inrichting van percelen, openbare ruimte, infrastructuur of gebouw

zinkerbord

bord dat markeert waar een leiding of kabel een watergang ondergronds doorkruist

KKKKKKK

Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III Overzicht Informatieobjecten

a-water

/join/id/regdata/ws0652/2023/6b9263ed614a45d1911c7974ffddea1a/nld@2025‑06‑19;06453442

attentiegebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/4c8fb23947cc4112a22add48e9d522ea/nld@2024‑05‑29;16302275

b-water

/join/id/regdata/ws0652/2023/1a55a5d3a8134270bba2bd5a8d4e5e6c/nld@2025‑06‑19;06453442

b-water buiten beschermd gebied, beperkt beschermd gebied en attentiegebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/6595ab0eccba406dad63339b08cc8055/nld@2025‑06‑19;06453442

beperkingengebied met betrekking tot een waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/3f6a792e6ad24f4b9f3d464606c7b013/nld@2025‑11‑14;08405933

beperkt beschermd gebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/fc6b6ca7aa9c4a7a81504cb60e08daa4/nld@2024‑05‑29;16302275

bergingsgebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/658bb4ad0a9a4e1da45a4d3a2e11086b/nld@2025‑06‑19;06453442

beschermd gebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/f6a2faab362c4df69a66d6ec9873bfe2/nld@2024‑05‑29;16302275

beschermingszone A bij een compartimenteringskering

/join/id/regdata/ws0652/2023/096e04b605054095a4d0c9d61dfb634c/nld@2024‑05‑29;16302275

beschermingszone A bij een primaire waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/fad9514cc19d43d48ac633d80e51d9e5/nld@2024‑05‑29;16302275

beschermingszone A bij een regionale waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/0d3f7051b0404e70a9826cb115996886/nld@2025‑11‑14;08405933

beschermingszone A bij een regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen

/join/id/regdata/ws0652/2023/f2b2920ea2a9406b8763d3e2a6680bb0/nld@2025‑11‑14;08405933

beschermingszone A bij een waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/9661a8ff3e604e8b8efd5bbb276dbec9/nld@2025‑11‑14;08405933

beschermingszone A bij overige waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/9094a2f040fb4c0d998c99e05bcfa7bd/nld@2025‑06‑19;06453442

beschermingszone B bij een primaire waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/3e42ad5c27964c1288ffe83103f05e4b/nld@2024‑05‑29;16302275

beschermingszone B bij een regionale kering langs regionale rivier

/join/id/regdata/ws0652/2023/4796b729416b41ffae5fa960611a0bda/nld@2025‑11‑14;08405933

beschermingszone bij een a-water

/join/id/regdata/ws0652/2023/6512160c25b94c1bb684272ec816f2eb/nld@2025‑06‑19;06453442

binnen bebouwd gebied

/join/id/regdata/ws0652/2026/8e0a0cfd462f45a8bd606f8bb4703f56/nld@2026‑08‑04;07360852

buiten bebouwd gebied

/join/id/regdata/ws0652/2026/682f8c59b1c94f6faefd218a54679dce/nld@2026‑08‑04;07360852

buiten beschermd gebied, beperkt beschermd gebied en attentiegebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/4d76cc78608141a2824d78fc4185cd8e/nld@2026‑05‑19;11303869

buiten beschermd gebied, beperkt beschermd gebied, attentiegebied en invloedsgebied Natura 2000

/join/id/regdata/ws0652/2023/192b7458d6d240a6ae8a875e46ae56bb/nld@2026‑05‑19;11303869

buitentalud primaire waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/ec49a3ccd468402d930413d868107cbf/nld@2024‑05‑29;16302275

buitentalud regionale waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/54156c047fe44824b9c166f420f4b8b9/nld@2025‑11‑14;08405933

c-water

/join/id/regdata/ws0652/2023/f1408c814f49426a8669709d86166e70/nld@2025‑06‑19;06453442

c-water binnen attentiegebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/0b0bf35f70d7492483b626e8c5432755/nld@2025‑06‑19;06453442

c-water binnen beperkt beschermd gebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/44695860465648bbbbf239d5ec9b74b0/nld@2024‑05‑29;16302275

c-water binnen beschermd gebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/26c5b9c2495b43a1a598bf3492bbb519/nld@2025‑06‑19;06453442

c-water buiten beschermingszone bij een a-water,beschermd gebied,beperkt beschermd gebied en attentiegebied

/join/id/regdata/ws0652/2023/088b30730edc4c36a7b83702cbf6dbd6/nld@2025‑06‑19;06453442

compartimenteringskering

/join/id/regdata/ws0652/2023/745232dafc2846f693c4104b522aaf4c/nld@2024‑05‑29;16302275

invloedsgebied Natura 2000

/join/id/regdata/ws0652/2023/7eedd41b204f4ffe9de17a27aa84d558/nld@2024‑05‑29;16302275

overige waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/03e1816a36c9403382cca21ab9e9aafe/nld@2025‑06‑19;06453442

peilbesluitgebieden

/join/id/regdata/ws0652/2023/1fd510ecabf7413b87c13fe4ea2a2a6a/nld@2024‑05‑29;16302275

primaire waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/09388c054b5c4e038e76094dc1cdfd13/nld@2024‑05‑29;16302275

profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam

/join/id/regdata/ws0652/2023/ff95fc0a3ce3446a8f477b8a59e571a4/nld@2025‑06‑19;06453442

profiel van vrije ruimte bij een waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/7afa1b26b05e4db9b3f0c13bed63fcdb/nld@2025‑11‑14;08405933

regionale waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/6e56705d00f2476da3b3386b3150dc7a/nld@2025‑11‑14;08405933

regionale waterkering, met uitzondering van compartimenteringskeringen

/join/id/regdata/ws0652/2023/89dfc43f43914c508f567ba61eda75ff/nld@2025‑11‑14;08405933

vaarweg

/join/id/regdata/ws0652/2023/ee2222b0d67846d0a7464155c9ea8444/nld@2025‑06‑19;06453442

waterkering

/join/id/regdata/ws0652/2023/9f118bd937b148a7b47c968d7a3d2341/nld@2025‑11‑14;08405933

LLLLLLL

Binnen bijlage VI wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.2 Wat staat er in het bedrijfswaterplan?

Het bedrijfswaterplan kent twee onderdelen:

 

  • a.

    Met het bedrijfswaterplan geeft u aan welke waterconserverende en/of waterbesparende maatregelen u heeft doorgevoerd. Het aantal te nemen maatregelen varieert van 1 t/m 3 afhankelijk van het gebied en de bedrijfsomvang (zie paragraaf 4.1).

  • b.

    Met het bedrijfswaterplan geeft u een doorkijk van de waterhuishouding van uw bedrijf. Op welke posten van de waterbalans is nog winst te boeken ten aanzien van zuinig gebruik en conservering van (grond)water? Heeft u ook nagedacht over wat u wellicht met anderen samen kunt afspreken in groepsverband? Als u deze nu op het netvlies heeft, kunt u deze makkelijker meenemen bij toekomstige aanpassingen aan / investeringen in uw bedrijf. In het bedrijfswaterplan is ruimte opgenomen voor deze informatie.

MMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Eerste lid

In artikel 2.2 is in het eerste lid een ruime vergunningplicht opgenomen voor handelingen of het laten liggen of staan van werken, vaste substanties of voorwerpen bij oppervlaktewaterlichamen. Het gaat om handelingen die het gebruik van oppervlaktewaterlichamen en de daartoe behorende beschermingszones betreffen door daar werkzaamheden te verrichten, werken te maken of vaste substanties of voorwerpen te storten of te plaatsen.

Bij het verrichten van werkzaamheden of het maken dan wel behouden van werken in, op, onder of over een oppervlaktewaterlichaam en/of een daartoe behorende beschermingszone moet worden gedacht aan activiteiten die de zogenaamde bak (waterbodem en taluds), en de ondersteunende kunstwerken raken. 

Bij het behouden van werken gaat het om alle werken die voldoen aan de definitie zoals opgenomen in deze waterschapsverordening. Daaronder mede begrepen ondersteunende kunstwerken. Voor de definitie van een ondersteund kunstwerk wordt verwezen naar bijlage I. Daarop aanvullend het volgende: 

In een oppervlaktewaterlichaam zijn soms constructies opgenomen die een waterstaatskundig doel hebben (bijvoorbeeld een stuw, een sluis of een gemaal) of nodig zijn om andere functies te faciliteren (bijvoorbeeld een duiker om de toegang tot een perceel te regelen). Al deze constructies worden samengevat onder de term ondersteunende kunstwerken. Voor de volledigheid, de volgende ondersteunende kunstwerken worden onderscheiden:

  • Gemaal: kunstwerk om water van een lager naar een hoger niveau te brengen. Het brengt of houdt water in een peilgebied op een bepaald peil.

  • Stuw: regelbaar kunstwerk om water in een oppervlaktewater tot op een bepaalde hoogte op te stuwen of te zorgen dat het waterpeil niet boven een bepaalde hoogte komt.

  • Overlaat: niet regelbare stuw.

  • Sluis: kunstwerk in een waterkering tussen twee oppervlaktewateren met een verschillend waterpeil, dat dient om water te keren, maar dat door een beweegbaar mechanisme ook water of schepen kan laten passeren.

  • Duiker: kokervormige constructie die ligt in een weg of toegangsdam en is bedoeld om oppervlaktewateren met elkaar te verbinden.

  • Sifon (ook wel een onderleider genoemd): duiker waarmee water van het ene oppervlaktewater (meestal) onder een ander oppervlaktewater door loopt. Een sifon wordt bijvoorbeeld aangelegd om water met verschillende kwaliteiten van elkaar de scheiden of wanneer een gebied met eenzelfde peil wordt doorsneden door een oppervlaktewater met een ander peil.

  • Afsluiter: kunstwerk bedoeld om water onder vrij verval in het gebied in te laten. Een inlaat heeft meestal aan één zijde een schuif of klep die kan worden opengezet om water binnen te laten.

  • Vispassage: een kunstmatige passage voor vissen om de vistrek mogelijk te maken in of tussen waterlopen.

 

Bij het verrichten van werkzaamheden of het maken dan wel behouden van werken in, op, onder of over een oppervlaktewaterlichaam en/of een daartoe behorende beschermingszone moet worden gedacht aan activiteiten die de zogenaamde bak (waterbodem en taluds), en de ondersteunende kunstwerken raken. Het storten, plaatsen of neerleggen van vaste substanties of voorwerpen in, op, onder of over een oppervlaktewaterlichaam of een daartoe behorende beschermingszone of het daar vervolgens achterlaten van deze substanties of voorwerpen ziet met name op de bescherming van de ecologie en op een veilige afvoer van water door oppervlaktewaterlichamen, teneinde wateroverlast en overstroming te voorkomen. 

Onder de vergunningplicht vallen onder de zinsnede ‘handelingen te verrichten’ onder andere: aanleg-, boor-, bouw-, graaf-, demping-, herstel-, onderhoud-, plant- reparatie-, revisie-, sloop-, uitbreiding-, verbouw, herbouw-, wijzigings- en verwijderwerkzaamheden. De eerder vermelde handelingen betreffen handelingen die tot doel hebben verandering te brengen in de staat van waterstaatswerken. Verder ook werkzaamheden die dat niet tot doel hebben, maar waarvan onbedoeld effect is dat verandering wordt gebracht in de staat van die werken. Onder deze vergunningplicht valt bijvoorbeeld het dempen van een sloot. Ook valt het behouden en laten groeien van beplanting in de beschermingszone eronder. Tot slot vallen onder de vergunningplicht ook de handelingen van derden waarmee de waterstand op een ander peil wordt gebracht of gehouden dan het peil dat voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam door het waterschap is vastgesteld.

Tweede lid

Het aanleggen, verwijderen, verplaatsen of behouden van een werk in een c-water heeft een zeer gering effect op de waterhuishouding. Daarom is voor het aanleggen, verwijderen, verplaatsen of behouden van een zodanig werk geen vergunning vereist, en hoeft ook geen melding te worden gedaan. Er geldt alleen een vergunningplicht voor het verwijderen van een peilregulerend werk in c-water in beschermd gebied.

Derde lid

In het derde lid is bepaald dat in het profiel van vrije ruimte zonder vergunning geen werken mogen worden geplaatst, gewijzigd of behouden. Dit profiel is nodig om toekomstige aanpassingen van waterstaatswerken mogelijk te maken. Met de vastlegging van profielen van vrije ruimte moet het waterstaatsbelang zijn gediend, binnen het kader van de zorg voor het watersysteem en de doelstellingen van de Omgevingswet. Belangrijk is dat de profielen van vrije ruimte goed worden onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van wetenschappelijke rapporten over te verwachten waterstandstijgingen, klimaatscenario’s, etc. Daarbij moet het waterschapsbestuur het belang van een profiel van vrije ruimte en daarmee het niet kunnen bebouwen van die gronden, zorgvuldig afwegen tegen de belangen van derden.

Vierde lid

In het vierde lid is een vergunningplicht opgenomen voor het aanleggen van een oppervlaktewaterlichaam of een ondersteunend kunstwerk. Voor de definitie van een ondersteund kunstwerk wordt verwezen naar bijlage I. Daarop aanvullend het volgende: 

In een oppervlaktewaterlichaam zijn soms constructies opgenomen die een waterstaatskundig doel hebben (bijvoorbeeld een stuw, een sluis of een gemaal) of nodig zijn om andere functies te faciliteren (bijvoorbeeld een duiker om de toegang tot een perceel te regelen). Al deze constructies worden samengevat onder de term ondersteunende kunstwerken. Voor de volledigheid, de volgende ondersteunende kunstwerk worden onderscheiden:

  • Gemaal: kunstwerk om water van een lager naar een hoger niveau te brengen. Het brengt of houdt water in een peilgebied op een bepaald peil.

  • Stuw: regelbaar kunstwerk om water in een oppervlaktewater tot op een bepaalde hoogte op te stuwen of te zorgen dat het waterpeil niet boven een bepaalde hoogte komt.

  • Overlaat: niet regelbare stuw.

  • Sluis: kunstwerk in een waterkering tussen twee oppervlaktewateren met een verschillend waterpeil, dat dient om water te keren, maar dat door een beweegbaar mechanisme ook water of schepen kan laten passeren.

  • Duiker: kokervormige constructie die ligt in een weg of toegangsdam en is bedoeld om oppervlaktewateren met elkaar te verbinden.

  • Sifon (ook wel een onderleider genoemd): duiker waarmee water van het ene oppervlaktewater (meestal) onder een ander oppervlaktewater door loopt. Een sifon wordt bijvoorbeeld aangelegd om water met verschillende kwaliteiten van elkaar de scheiden of wanneer een gebied met eenzelfde peil wordt doorsneden door een oppervlaktewater met een ander peil.

  • Afsluiter: kunstwerk bedoeld om water onder vrij verval in het gebied in te laten. Een inlaat heeft meestal aan één zijde een schuif of klep die kan worden opengezet om water binnen te laten.

  • Vispassage: een kunstmatige passage voor vissen om de vistrek mogelijk te maken in of tussen waterlopen.

 

Vijfde lid

In het vijfde lid is een vergunningplicht opgenomen voor het brengen van water in of het onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen. Hiermee wordt zowel het brengen en onttrekken zonder een werk bedoeld als het brengen en onttrekken met een werk. Met andere woorden: onder deze vergunningplicht valt het afvoeren van water naar en het aanvoeren van water uit oppervlaktewaterlichamen en het lozen op of onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.

Ook het afvoeren van hemelwater door toename of afkoppeling van verhard oppervlak valt onder dit lid. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Hetzelfde geldt voor situaties waar het hemelwater aanvankelijk niet op het oppervlaktewaterlichaam tot afvoer werd gebracht, en nu wel (afkoppelen). Dit komt doordat neerslag via het verharde oppervlak sneller wordt afgevoerd naar het oppervlaktewaterlichaam dan wanneer het oppervlak onverhard was gebleven. Er ontstaat dan een afvoergolf die problemen kan veroorzaken. Dit effect wordt versterkt, wanneer er meerdere van deze ingrepen plaatsvinden die leiden tot een toename van het verhard oppervlak dat afwatert op een oppervlaktewaterlichaam (cumulatief effect). Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld.

NNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.20 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het plaatsen en behouden van een peilregulerend werk betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit in een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval vaak voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Een melding wordt verplicht gesteld om de legger op orde te houden.

Derde lid

Deze vrijstelling is slechts van toepassing op peilregulerende werken die eenvoudig ongedaan gemaakt kunnen worden in relatie tot beekherstel, het meanderende en/of natuurlijke karakter van de beek en/of de aanleg van een ecologische verbindingszone.

Als een peilregulerend werk eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt bijvoorbeeld het uit te voeren beekherstel niet ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt.

OOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.232.24 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

PPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.252.26 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

QQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.292.30 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

RRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.312.32 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Eerste lid

Het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur is een relatief eenvoudig en, bijvoorbeeld in de agrarische sector, een veel voorkomende handeling waarvoor een permanente lozingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Voor de lozingsconstructie geldt paragraaf 2.1.8 'Lozingsconstructies en onttrekkingswerken'.

Tweede lid

Onder het oude recht werd de toelichting over de beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding (art. 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen in een waterparagraaf. In het nieuwe stelsel komt de betrokkenheid van de waterbeheerder bij omgevingsplannen terug in de "weging van het waterbelang", art. 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving. De uitkomst van die weging wordt verwoord in de toelichting, dus ook in het nieuwe stelsel zullen omgevingsplannen een waterparagraaf bevatten.

Het waterschap hecht eraan dat waterbelangen zo vroeg mogelijk in omgevingsplannen worden meegenomen. Om dat te stimuleren is een vrijstelling verantwoord daar waar de (maatregelen in) waterparagrafen van omgevingsplannen zodanig concreet zijn dat ze getoetst kunnen worden aan de richtlijnen voor een waterhuishoudkundig plan (zoals benoemd in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de regels waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater’). 

Derde lid

Het waterschap stelt criteria vast waarin is opgenomen in welke gevallen versnelde afvoer van hemelwater door toename van verhard oppervlak van compenserende maatregelen moet worden voorzien. Daarmee wordt de toename van piekafvoeren op het oppervlaktewatersysteem beperkt. Indien de compensatie voldoet aan deze criteria, is een vergunning niet noodzakelijk.

Vanuit de schaalgrootte van het waterschap is het verantwoord om de criteria uit de algemene regels te hanteren. Vanuit de gemeente kan het meerwaarde hebben om hier andere eisen aan te stellen.

Vierde lid

Het middelste getal in de rekenregel is de gevoeligheidsfactor. Dit is een nominale waarde die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt.

De gevoeligheidsfactor is verdeeld in 3 zones: 1, 0,5 of 0,25. Om te bepalen welke zone van toepassing is op een bepaalde locatie, dient de Kaart Gevoeligheidsfactor te worden geraadpleegd op de website van het waterschap.

Het getal 0,06 in de rekenregel staat voor de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m3/ha.

SSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.332.34 Meldingsplicht

TTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.38 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam tot 100 m3 per uur is een relatief eenvoudig en vooral in de agrarische sector een veel voorkomende handeling waarvoor een permanent onttrekkingsvoorziening in het talud van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd zonder dat een vergunningplicht hoeft te worden ingesteld. Onderbemalingen zijn niet inbegrepen bij deze vrijstelling. Van onderbemaling is sprake indien het oppervlaktewaterpeil plaatselijk wordt verlaagd door middel van een pomp.

Bij bijzondere omstandigheden kan het bestuur op basis van artikel 1.13eerste lid, een onttrekkingsverbod instellen. Dit verbod geldt ook voor de onttrekkingen die onder dit artikel vallen. In combinatie met dit artikel kunnen hiermee de relevante waterhuishoudkundige belangen voldoende worden gewaarborgd.

Voor het onttrekkingswerk geldt paragraaf 2.1.8 'Lozingsconstructies en onttrekkingswerken'.

Bij bijzondere omstandigheden kan het bestuur op basis van paragraaf 1.1.9 een onttrekkingsverbod instellen. Dit verbod geldt ook voor de onttrekkingen die onder deze paragraaf vallen.

UUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.46 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het leggen en verwijderen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterlichamen en, hun beschermingszone en het profiel van vrije ruimte komt regelmatig voor. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Verwacht wordt dat de daarop betrekking hebbende NEN-normen worden toegepast.

Indien gebruik wordt gemaakt van bestaande infrastructurele werken, in eigendom van het waterschap, moet hier toestemming voor worden verkregen.

VVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.106 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Bij de uitvoering van de werkzaamheden zoals genoemd in dit artikel worden er op relatief beperkte schaal werkzaamheden in de grond op of bij het waterstaatswerk uitgevoerd. Deze werkzaamheden hebben geen negatief effect op het oppervlaktewaterlichaam.

Werken en objecten die benodigd zijn geplaatst ten behoeve van het beheer, onderhoud en/of het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam zijn onder andere: (naam)bordjes, bedieningskasten, poorten die door het waterschap zijn geplaatst, grensstenen, bomen waarvoor bijvoorbeeld de beschaduwing noodzakelijk is voor het functioneren van de watergang (KRW), beplanting, etc.

WWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Verhouding tussen algemene regels en de omgevingsvergunning

In de waterschapsverordening wordt er ook voor het grondwaterbeheer veel met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening. 

In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is.

Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn.

Algemene uitgangspunten grondwaterbeheer

Gelet op de kaders en doelstellingen van de Omgevingswet heeft het grondwaterbeheer dat door de waterschappen wordt uitgevoerd vier pijlers:

  • Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.

  • Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.

  • Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem.

  • Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infiltreren, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden.

 

Adequaat voorraadbeheer

Er is in feite geen sprake van één grondwatervoorraad. Vanwege de gelaagde opbouw van de bodem is er onderscheid te maken naar meerdere voorraden die naar diepte te onderscheiden zijn. Daarnaast zijn er regionale verschillen, onder andere door de aanwezigheid van geologische breuklijnen in de ondergrond. De slecht doorlatende lagen die over het algemeen de verschillende grondwaterlagen van elkaar scheiden, zijn per gebied verschillend van diepteligging en dikte. Daarnaast zijn er ook gebieden waar er openingen aanwezig zijn, dus er uitwisseling is tussen verschillende watervoerende lagen. Het waterschap voert daarom een gebiedsgericht beleid waarbij de regels voor bijvoorbeeld de diepte van onttrekken per gebied anders zijn.

Voor de benutting van de grondwatervoorraden blijft het uitgangspunt dat schoon grondwater een schaars goed is wat beschermd moet worden tegen uitputting. De betere voorraden, dat wil zeggen de diepere lagen blijven primair bestemd voor hoogwaardig gebruik, menselijke consumptie. Dit betekent dat het gebruik van grondwater voor andere doeleinden een sluitstuk van de watervoorziening is, conform de voorkeursvolgorde:

 

  • a.

    zuinig watergebruik (o.a. door waterconservering);

  • b.

    benutten gebiedseigen water;

  • c.

    wateraanvoer;

  • d.

    en dan pas grondwater.

 

In het algemeen betekent dat, dat de diepere lagen voor hoogwaardig gebruik gereserveerd wordt, en dat andere gebruiksvormen door middel van de ondiepere lagen gefaciliteerd wordt. Hierbij speelt ook de overweging mee dat de diepere lagen ook beter te beschermen zijn tegen verontreiniging door de bovenliggende slecht doorlatende lagen te beschermen tegen doorboring. Daarnaast geldt in het algemeen dat het gebruik van grondwater sluitstuk is in de watervoorziening voor functies en dat als grondwater gebruikt wordt, dit zo zuinig mogelijk gebeurt.

Bescherming grondwaterkwaliteit

Bescherming van de kwaliteit van het grondwater wordt, net als voorheen, vormgegeven door het doorboren van de scheidende lagen in de bodem zo veel mogelijk tegen te gaan. De kwalitatief hoogwaardige diepere lagen blijven primair voor de drinkwatervoorziening bestemd. Een bijzonder onderdeel vormt het drinkwaterbeschermingsbeleid. Dit is primair de taak en verantwoordelijkheid van de provincie (omgevingsverordening), maar dat neemt niet weg dat het waterschap hiermee rekening dient te houden. Het waterschap doet dit door haar regelgeving aan te laten sluiten op de omgevingsverordening van de provincie.

Samenhangend beheer van grond- en oppervlaktewaterlichamen

Voor de watervoorziening voor gebruiksfuncties wordt in tweede en derde instantie een beroep gedaan op het oppervlaktewatersysteem doordat eerst gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen en vervolgens wateraanvoer, alvorens uit te wijken naar het gebruik van grondwater. Dit betekent dat er per definitie een relatie is tussen grondwater en het oppervlaktewatersysteem, wat ook weer gebiedsspecifieke verschillen kent. Zo ligt in poldergebieden de nadruk veel sterker op wateraanvoer dan op de hoge zandgronden.

Lokale nadelige effecten tegengaan

Ondanks de regionale schaal van de hoofdlijnen van het beleid, zal er nog steeds aandacht moeten zijn voor de lokale effecten die een onttrekking kan hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat een onttrekking voor een gebruiksfunctie strijdig is met een naastgelegen functie. Dit kan zich in principe overal voor doen, maar komt op twee soorten gebieden nadrukkelijker naar voren: in en rond natuurgebieden (met name natte natuurparels) en in het stedelijk gebied. De vrijstellingen van de vergunningplicht in dit hoofdstuk worden gegeven op basis van een goede borging van de taken van het waterschap. De wijze van uitvoering van een grondwateronttrekking kan schade veroorzaken, ook aan bezit van derden. De waterschapsverordening is niet het middel om dit te regelen. Het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor voldoende aanknopingspunten. Wij raden initiatiefnemers aan om goed met de omgeving om te gaan en af te stemmen.

Gebieden met beschermende regels

Voor de gebieden met beschermende regels die in de waterschapsverordening zijn aangewezen geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid conform het provinciaal beleid. Dit betekent dat alle ingrepen in dergelijke gebieden in beginsel vergunningplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. Dit betekent dat in de paragrafen over specifieke activiteiten voor diverse handelingen de vrijstelling, en daarmee ook de algemene regels, alleen gelden buiten de gebieden met beschermende regels. Uitzonderingen zijn ingrepen die een dermate beperkt en tijdelijk effect hebben dat deze geen bedreiging vormen voor het beoogde doel van het standstill-beleid, niet op zichzelf en ook niet cumulatief. Dit geldt uiteraard wel zolang voldaan wordt aan de kaderstellende algemene regels die als waarborg zijn opgenomen voor de vrijgestelde activiteiten. Sommige van deze activiteiten waren al toegestaan, zoals brandblusvoorzieningen (voorheen noodvoorzieningen genoemd), en sommige activiteiten zijn nieuw, zoals sleufbemaling.

Bevoegdheden ten aanzien van putten op grond van de Omgevingswet en Besluit bodemkwaliteit

Vanuit het oogpunt van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater, stuurt het waterschap niet alleen op de hoeveelheden grondwater die onttrokken wordt (of de hoeveelheid water die geïnfiltreerd wordt), maar ook op de plaats en de diepte waarop dit gebeurt. Dit betekent dat het waterschap op grond van de Omgevingswet ook regels stelt aan putten die deel uitmaken van een onttrekkingsinrichting. Op putten is tevens hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Beide kaders hebben een andere achtergrond en andere aangrijpingspunten, maar liggen wel in elkaars verlengde. Aangezien krachtens hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit al landelijke regels gelden voor het boren, beheren en verwijderen van putten alsmede regels voor de bedrijven die deze werkzaamheden mogen uitvoeren, hoeft en kan het waterschap daar geen nadere regels over op te nemen. De regels die het waterschap krachtens de Omgevingswet stelt hebben dan ook louter tot doel te sturen op de diepte en locatie(s) waarop grondwater wordt onttrokken vanwege adequaat grondwatervoorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Dat er een zeker raakvlak kan zijn tussen beide wettelijke kaders is daarbij noch onvermijdelijk noch onoverkomelijk.

Gebiedsgericht grondwaterbeleid

Het grondwater in Brabant kende voorheen geen gebiedspecifieke invulling, behalve dan de beschermde gebieden en attentiegebieden. Zodoende gold er bijvoorbeeld één norm voor de maximaal gewenste diepte van onttrekkingen voor de hele provincie (30 meter resp. maximaal 80 meter), ongeacht de regionale bodemopbouw en aanwezige watervoerende pakketten. Het grondwater werd feitelijk benaderd als één groot watervoerend pakket in 2 delen, die homogeen is over de hele provincie. In de praktijk is dit een veel te eenvoudige benadering, waardoor het grondwaterbeheer onvoldoende recht deed aan de beoogde hogere doelstellingen, met name die van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de diepere lagen tegen verontreiniging ten behoeve van menselijke consumptie (hoogwaardig gebruik). Daarnaast was er geen relatie met het oppervlaktewaterbeheer. In het huidige beleid is wel een regionale gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd, waarbij aangesloten is bij de geologische opbouw van de bodem, de aanwezige watervoerende lagen en het oppervlaktewaterbeheer. Daarbij is getracht de gebiedsindeling nog steeds zo eenvoudig mogelijk te houden met het oog op de toepassing van waterschapsverordening. De gebiedsindeling is tot stand gekomen door allereerst een onderscheid te maken tussen peilbeheerste gebieden (polders) en de overige, vrij afwaterende gebieden. In polders is immers wateraanvoer mogelijk (en dus minder noodzaak voor grondwatergebruik) en deze gebieden kennen veelal ook een andere bodemopbouw. Vervolgens zijn de twee meest relevante geologische breuklijnen als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze-Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond. 

Voor het aanduiden van de bodemopbouw bestaan meerdere typologieën in Nederland. In de waterschapsverordening sluit het waterschap aan op de typologie van Regis II van TNO-NITG. Dit is een landelijk erkende digitale database die een model geeft van de landelijke geologische kartering van de Nederlandse ondergrond. De aanduidingen van de watervoerende pakketten zijn opgenomen in tabel 1 in bijlage V. Uit deze tabel zijn de bodemopbouw en watervoerende pakketten te herleiden, met daarin een onderscheid gemaakt tussen de grondwaterdeelgebieden. In de waterschapsverordening is bepaald dat niet dieper mag worden geboord dan de in de tabel genoemde watervoerende pakketten.

Tabel 1 in bijlage V is vertaald in een kaart die een indicatie geeft van de maximale diepte van de put in meters minus maaiveld. Dit is de kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen en is te benaderen via de website van het waterschap.

Daarnaast dient rekening te worden gehouden met boring vrije zones ten aanzien van grondwater. Deze zones worden ingesteld door de Provincie Noord-Brabant en zijn te raadplegen via https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank

Per gebied is aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Dit komt in de plaats van de vaste 30 meter en 80 meter die in het provinciaal beleid zijn opgenomen. Het doel is echter nog steeds hetzelfde. De grenzen 30 meter en 80 meter waren immers door de provincie gekozen als een makkelijk na te meten vertaling van de beoogde watervoerende pakketten. Het gevolg was echter wel dat door een gemiddelde aan te houden deze diepten niet aansloten bij wat er regionaal daadwerkelijk aanwezig was. Daarnaast is de doorlatendheid van watervoerende pakketten steeds verschillend. Voor sommige gebruiksfuncties, zoals brandblusvoorzieningen, is de ondiepe laag niet doorlatend genoeg om de wettelijk vereiste debieten bluswater te kunnen leveren. Voor brandblusvoorzieningen bijvoorbeeld betekende dat er dan vaak alsnog gemotiveerd afgeweken moest worden in de vergunning. Door echter uit te gaan in de regelgeving van de watervoerende pakketten in plaats van vaste diepten wordt nog steeds het beoogde doel nagestreefd volgens de oorspronkelijk achterliggende redenatie, maar sluit de regelgeving beter aan op het regionale grondwatersysteem. Bovendien gelden ondertussen landelijke regels voor het boren, beheren en verwijderen van putten en mogen alleen erkende bedrijven putten aanleggen, wat eveneens via landelijke regels geborgd is. Deze bedrijven zijn bekend met deze werkwijze. De noodzaak om via vaste, ook voor leken makkelijk na te meten diepten te reguleren en handhaven, is daarmee afgenomen. Bovendien gaan landelijke regels en richtlijnen ook steeds meer uit van watervoerende pakketten als referentie, in plaats van vaste diepten. Vaste waarden voor de te onttrekken diepte is alleen relevant op plaatsen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan, omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor, zodat daar voor de duidelijkheid wel een maximale diepte in meters is opgenomen. Daarbij is aangesloten bij het provinciale kaderstellende beleid. 

Bij het toekennen van watervoerende pakketten is het voor sommige gebruiksfuncties in sommige deelgebieden nodig toch nog een nader onderscheid te maken, met name vanwege de doorlatendheid van de bodem zoals hierboven aangegeven. Het uitgangspunt blijft echter nog steeds dat er zo ondiep mogelijk onttrokken moet worden en diepere lagen voor de meer hoogwaardige functies te reserveren. Dit komt tot uiting door in sommige gevallen twee diepten aan te wijzen in een gebied. De meest ondiepe laag voor kleine onttrekkingen, graslandberegening en dergelijke, en een iets diepere laag voor de andere functies zoals brandblusvoorzieningen. De ondiepere laag heeft over het algemeen een lagere doorlatendheid die deze minder geschikt maakt voor onttrekkingen met een hoger debiet zoals een brandblusvoorziening. Deze lagere doorlatendheid is in het algemeen echter niet te zeer beperkend voor onttrekkingen met een laag debiet zoals kleine onttrekkingen en graslandberegening. Overigens is deze redenatie niet geheel nieuw, want ook in het vorige stelsel van keur en beleidsregels kwam dit onderscheid terug via een maximale diepte van 30 meter voor bijvoorbeeld kleine onttrekkingen en maximaal 80 meter voor bijvoorbeeld industrie.

XXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.2 Vergunningplichtige gevallen

Eerste lid

Dit artikel bepaalt dat het onttrekken van grondwater of infiltreren van water verboden is zonder vergunning van het bestuur, behalve in die gevallen, bedoeld in artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). 

Artikel 16.4 van het Bal houdt, samen met artikel 4.3, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit, in dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag is in de gevallen dat water wordt onttrokken aan een grondwaterlichaam of wordt geïnfiltreerd:

 

  • a.

    ten behoeve van industriële toepassingen, indien de onttrokken hoeveelheid water meer dan 150.000 m3 per jaar bedraagt;

  • b.

    ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.

 

Tweede lid

Ten behoeve van de taak van het waterschap, de zorg voor het watersysteem, kan het nodig zijn drainage te verbieden behoudens vergunningplicht. Omdat een drainage een grondwaterlichaam beïnvloedt, geldt dit artikel onafhankelijk waar de lozing op plaats vindt. De gemeenten vallen niet onder de vergunningplicht bij het treffen van maatregelen op grond van artikel 2.16, eerste lid, onder a, aanhef en onder 1e en 2e, van de Omgevingswet (verwerking hemelwater en voorkomen of beperken grondwateroverlast).

YYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.40 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Dit artikel regelt vrijstelling van vergunningplicht voor tijdelijke bronbemalingen in beginsel zoals dat voorheengeregeld was, met dat verschil dat de verplichting het onttrokken grondwater terug in de keur en daarvoorgrond te brengen voortaan overal buiten het stedelijk gebied geldt. Voorheen gold die verplichting alleen in de provinciale verordening geregeld wasbeschermde gebieden, attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000 vanwege provinciaal beleid. Onttrekkingen Nu staat het aanvullen van grondwater meer centraal dan voorheen. Binnen het stedelijk gebied geldt dat, vanwege de ruimtedruk, er veel meer functies en effecten zijn om rekening mee te houden. Om die reden worden hier andere eisen gesteld aan het terugbrengen van het onttrokken grondwater. Onttrekkingen met een langere duur en/of een groter debiet en met een ander doel dan is aangegeven, blijven vergunningplichtig. Bij het formuleren van de vergunningplicht is voor het debiet en de tijdsduur aansluiting gezocht bij wat in de praktijk gangbaar en acceptabel is qua werkdruk en grondwatergebruik.  

Eerste lid Eerste lid  

In het tweedehet eerste lid, is specifiek bronbemaling geregeld met een maximum aan hoeveelheid en tijdsduur. Hierbij kan gedacht worden aan sleufbemaling, bronbemaling van korte duur ten behoeve van reparatie of inspectie van ondergrondse leidingen en installaties en bemalingen ten behoeve van onderzoek voor het bepalen van o.a. de doorlatendheid of funderingsonderzoek. De bescherming van het grondwater is daar geborgd door een beperking in de capaciteit en tijdsduur van de onttrekking. Die is daarmee zodanig, dat een retourplicht niet in verhouding staat en daarom achterwege is gelaten.  

Tweede en derde lid Tweede lid  

In het derde en vierde lidhet tweede lid, worden bronbemalingen voor het droog houden vanhet drooghouden van een bouwput of ten behoeve van bodemsanering geregeld. Hierin wordt vrijstelling gegeven voor bronneringen in Beschermd gebied mitsbronneringen buiten het stedelijk gebied mits het water ter plaatse wordt teruggebracht in de bodem. Dit wordt verantwoord geacht gezien het feit er volledige retournering in de bodem van het onttrokken water dient te geschieden waardoor de onttrekking effectief geen invloed heeft. Hiermee is de beoogde standstill ten behoeve van verdrogingsbestrijding in deze gebieden nog steeds afdoende geborgd.  

ZZZZZZZ

Na sectie ' Verharding bij beschadigingen grasmat' worden vijf secties ingevoegd, luidende:

Artikel 6.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 

Aanbrengen van verhard oppervlak leidt tot een versnelde afvoer van hemelwater naar het watersysteem. Hetzelfde geldt voor het afkoppelen van verhard oppervlak. Bovendien leidt aanbrengen van verhard oppervlak tot een afname van het aanvullen van het grondwater.   

Beide zijn ongewenst. Om versnelde afvoer en toename van verdroging zoveel mogelijk te voorkomen, stelt het waterschap compensatie-eisen aan het aanbrengen en wijzigen van verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak.   

Dit met als doel de huidige belasting van het watersysteem terug te dringen en verdroging terug te dringen.  

Artikel 6.5 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Voor aanbrengen of wijzigen van verharding van beperkte omvang (kleiner dan 500 m2) zijn de negatieve effecten op oppervlaktewater en grondwater beperkt. Daarom gelden hiervoor geen compensatie-eisen.   

Voor activiteiten met een omvang tussen de 500 en 10.000 m2 acht het waterschap het verantwoordelijk om hiervoor criteria onder algemene regels te hanteren. Indien aan deze vereisten wordt voldaan is er geen vergunning nodig. 

Artikel 6.6 Aanwijzing algemene regels

Voor activiteiten met een omvang tussen 500 en 10.000 m2 hanteert het waterschap verschillende compensatie-eisen voor binnen en buiten bebouwd gebied. Dit onderscheid is gemaakt omdat er binnen bebouwd gebied veel minder mogelijkheden zijn voor het realiseren van een compensatievoorziening. Om te kunnen bepalen of er aan de voorwaarden wordt voldaan, dient het volgende stappenplan te doorlopen te worden. 

afbeelding binnen de regeling

 

1. Bepalen bruto compensatie opgave   

De compensatie opgave (uitgedrukt in m3) wordt bepaald door het totaal aan te brengen nieuw of te wijzigen verhard oppervlak (dit is inclusief toe te passen groene daken en doorlatende verharding) te vermenigvuldigen met de compensatie-eis (de waterschijf uitgedrukt in m). De compensatie-eis bedraagt buiten bebouwd gebied 0.10 m. Hiervan uitgezonderd zijn glastuinbouw en trayvelden. Hiervoor geldt vooralsnog een compensatie-eis van 0,06 m.  Binnen bebouwd gebied geldt een compensatie-eis van 0,08 m.   

2. Bepalen netto compensatie opgave   

Het toepassen van groene daken en doorlatende verharding draagt bij aan het vasthouden van hemelwater. Om die reden mag de hoeveelheid m3 die hiermee wordt vastgehouden, in mindering worden gebracht op de vereiste compensatie. Voor zowel groene daken als doorlatende verharding dient hiervoor met een waterschijf van 0,025 m gerekend te worden.   

3. Bepalen compensatie door aanvulling grondwater   

De hoeveelheid hemelwater die kan infiltreren in de bodem, wordt bepaald door de beschikbare ruimte in het plan voor infiltratie te vermenigvuldigen met een infiltratiefactor.   

De infiltratiecapaciteit is de hoeveelheid water die in 24 uur kan infiltreren. Deze is sterk afhankelijk van de bodemopbouw. Voor het toepassen van deze algemene regel wordt enkel onderscheid gemaakt in matig doorlatende gronden en goed doorlatende gronden. De peilbesluitgebieden worden als matig doorlatende gronden beschouwd en de hellend zandgebieden als goed doorlatende gronden. De infiltratiecapaciteit voor peilbesluitgebieden en vrij afwaterend gebied zijn respectievelijk; 0,05 (m) en 0,10 (m). Deze zijn conservatief ingestoken om de kans op wateroverlast, door de aanleg van een te krappe compensatievoorziening, zoveel mogelijk te voorkomen.   

4. Bepalen resterende compensatie opgave   

De resterende compensatie opgave wordt bepaald door het volume dat binnen 24 uur kan infiltreren in mindering te brengen op de netto compensatie opgave.    

5. Bepalen hoeveelheid afvoer naar oppervlaktewater   

Het onder stap 4 berekende volume dient te worden opgevangen in een compensatievoorziening (berging). Van dit volume dient een deel alsnog te infiltreren. Dit overeenkomstig de minimale infiltratie-eis van 0,01 m voor het aan te brengen of te wijzigen van verhard oppervlak. De rest mag via een uitlaatconstructie vertraagd worden afgevoerd naar oppervlaktewater.   

Rekenvoorbeeld  

Initiatief binnen stedelijk gebied   

Aanbrengen verhard oppervlak 7500 m2   

De verharding bestaat voor 500m 2 uit groen dak en 1500 m2 doorlatende verharding  

Omvang infiltrerende gronden 500 m2   

 Bruto compensatie opgave in stedelijk gebied: 7500 (m2) x 0,08 (m) = 600 (m3)   

Netto compensatie opgave door in mindering brengen groen dak en doorlatende verharding: 600 (m3) - [500 (m2) +1500 (m2)] x 0,025 (m) = 550 (m3)   

Vrij afwaterend gebied  

Compensatie door aanvulling grondwater: 500 (m2) x 0,10 (m) = 50 (m3)   

Resterende opgave (berging): 550 (m3) - 50 (m3) = 500 (m3)    

Minimaal te infiltreren via voorziening: 7500 (m2) x 0,01 (m) = 75 (m3)   

Maximaal vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater: 500 (m3) - 75 (m3) = 425 (m3)   

Peilbesluitgebied   

Compensatie door aanvulling grondwater: 500 (m2) x 0,05 (m) = 25 (m3)  

Resterende opgave (berging): 550 (m3) - 25 (m3) = 525 (m3)   

Minimaal te infiltreren via voorziening: 7500 (m2) x 0,01 (m) = 75 (m3)   

Maximaal vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater: 525 (m3) - 75 (m3) = 475 (m3)

Artikel 6.8 De bergingsvoorziening

Het effect van het aanbrengen of wijzigen van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door hiervoor een compensatievoorziening in te richten. Deze voorziening moet zodanig van omvang zijn dat minimaal een waterschijf van 0,01 m afkomstig van het verhard oppervlak in de bodem kan zakken. Om die reden moet de compensatie-voorziening boven de gemiddeld hoogte grondwaterstand (GHG) aangelegd worden. De resterende waterschijf moet worden geborgen in de compensatievoorziening en mag enkel vertraagd worden afgevoerd naar het watersysteem. Hiervoor dient de compensatievoorziening voldoende bergingscapaciteit te bezitten.

Artikel 6.10 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Met het afkoppelen van verhard oppervlak wordt er minder relatief schoon hemelwater naar de waterzuivering afgevoerd. Dit heeft een positief effect op het zuiveringsrendement. Gelet hierop en het feit dat afkoppelen van oppervlakken tot 500 m2 nauwelijks leidt tot een versnelde afvoer, gelden hiervoor geen compensatie-eisen.  

Voor afkoppelplannen met een omvang tussen de 500 en 10.000 m2 acht het waterschap het verantwoordelijk om hiervoor criteria onder algemene regels te hanteren. Indien aan deze vereisten wordt voldaan is er geen vergunning nodig.

AAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.17.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen

In dit artikel is het overgangsrecht opgenomen voor vergunningen, verleend op basis van de voorgaande waterschapsverordening.

Eerste lid

Als de handelingen zowel op basis van de voorgaande waterschapsverordening als deze vergunningplichtig zijn, en er is een vergunning verleend op basis van de voorgaande waterschapsverordening, dan wordt deze vergunning geacht te zijn verleend op basis van deze waterschapsverordening. 

Voor oudere vergunningen en ontheffingen, die zijn verleend op basis van de keur (of eerdere keuren van vóór de laatst geldende keur) gold het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet. Artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet bepaalt dat een vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld (onder andere) de waterschapsverordening die tegelijk met inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege is ontstaan en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit. Kort gezegd: reeds verleende vergunningen worden gelijkgesteld met een vergunning op grond van die “waterschapsverordening van rechtswege”. Vanaf het moment dat een object, waarvoor eerder een vergunning is verleend, wordt vervangen en/of (in vorm of afmeting) wijzigt, dient het object te voldoen aan de huidige regels van deze waterschapsverordening. Denk bijvoorbeeld aan het vervangen van een hekwerk of een haag dat langs een a-watergang staat. Ditzelfde geldt voor handelingen waarvoor eerder een vergunning is verleend; bijvoorbeeld het ontwateren van gronden met een drainage.

Tweede lid

Het overgangsrecht van eerder verleende vergunningen en ontheffingen geldt ook voor fictieve vergunningen die op grond van het overgangsrecht van de laatste keur (of voorafgaande keuren) zijn ontstaan. Het gaat om al hetgeen voor inwerkingtreding van deze waterschapsverordening tot stand is gebracht en/of wordt uitgevoerd. Dit betreft zowel objecten die zijn aangebracht of handelingen die worden uitgevoerd. Dit soort fictieve vergunningen zijn ontstaan omdat die objecten en/of handelingen reeds tot stand waren gebracht vóórdat deze objecten en handelingen vergunningplichtig werden gesteld en dat op een later moment wel is geworden. Bij deze categorie geldt ook dat vanaf het moment dat er een wijziging plaatsvindt aan het object, deze wordt verwijderd of vervangen of een wijziging plaatsvindt in de handeling, dat er dan voldaan moet worden aan de regels van deze waterschapsverordening.

Derde lid

Het derde lid bevat een regeling voor activiteiten die na inwerkingtreding van deze verordening niet meer vergunningplichtig zijn. De voorschriften van dergelijke vergunningen blijven als maatwerkvoorschrift bestaan, mits het voorschrift past binnen de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen op grond van deze verordening.

Vierde lid

In het vierde lid is een voorziening getroffen voor lopende aanvragen om een omgevingsvergunning. De aanvraag wordt afgehandeld onder het oude recht, mits de activiteit ook in de nieuwe waterschapsverordening vergunningplichtig is. Dit zorgt ervoor dat het er gedurende het vergunningentraject geen omschakeling naar het nieuwe beleid hoeft plaats te vinden. Zodra de vergunning onherroepelijk wordt, wordt de vergunning gelijkgesteld met een vergunning op grond van de nieuwe verordening. Het overgangsrecht voor lopende aanvragen voor activiteiten die niet meer vergunningplichtig zijn, is opgenomen in artikel 6.27.2.

BBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.27.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften

CCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.37.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

DDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.47.4 Overgangsrecht begrenzing waterstaatswerken vanwege omgevingsverordening

EEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.57.5 Overgangsrecht begrenzing waterstaatswerken vanwege waterschapsverordening

FFFFFFFF

Na sectie ' Overgangsrecht begrenzing waterstaatswerken vanwege waterschapsverordening' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 7.8 Overgangsrecht

Lid 1

Met dit artikel wordt geregeld dat reeds verleende omgevingsvergunningen op grond van de waterschapsverordening Brabantse Delta 2024 binnen 3 jaar hun werking verliezen indien geen aanvang is gemaakt met de vergunde activiteit zoals bedoeld in het voormalige artikel 2.2 lid 5.

Lid 2

Met dit artikel wordt een overgangsperiode gegeven aan initiatiefnemers die een activiteit uit hoofdstuk 6 willen uitvoeren, waarvan hun plannen zijn goedgekeurd tussen vóór inwerkingtreding van deze verordening. Dit vinden wij maatschappelijk verantwoord gelet op de belangen rondom woningbouw. Hierbij geldt dat er na vaststelling van het ontwerpplan een aanvang met de activiteit moet zijn gemaakt binnen een periode van 5 jaar na vaststelling van dat plan. In de beleidsregels behorende bij deze waterschapsverordening, zal ook een overgangsperiode worden opgenomen voor de betreffende activiteiten die vergunningplichtig zijn. 

Onder ontwerpplannen wordt verstaan: 

  • Voorontwerp inrichtingsplan: eerste ruimtelijke uitwerking van een initiatief, bedoeld voor verkenning en afstemming. 

  • Ontwerp: het ontwerp van het bijbehorende besluit (bijvoorbeeld een ontwerp omgevingsplan of ontwerp-BOPA), dat ter inzage wordt gelegd voor zienswijzen en waarbij afstemming met het waterschap heeft plaatsgevonden.

  • Definitief besluit: het vastgestelde omgevingsplan of de verleende BOPA, waarmee het initiatief mogelijk wordt gemaakt en waarbij afstemming met het waterschap heeft plaatsgevonden.

 

Lid 3

Met dit artikel wordt een overgangsperiode gegeven aan initiatiefnemers die een activiteit uit hoofdstuk 6 willen uitvoeren, waarvan hun TAM-IMRO ter inzage hebben gelegen vóór 1 januari 2026. Dit gaat specifiek over een Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) omgevingsplan via IMRO. Bij deze categorie zal ook overgangsrecht in de relevante beleidsregels, behorende bij deze waterschapsverordening, worden opgenomen voor de vergunningplichtige activiteiten .

Naar boven