Wijziging Beleidsregels bij de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland

Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland;

 

Op voordracht van de directieraad van 13 juli 2026;

 

Overwegingen:

 

In 2024 is het Programma kabels en leidingen gestart met de herziening van de regels. De knelpunten zijn geïnventariseerd met netbeheerders. Vervolgens is een proces doorlopen waarbij we met interne stakeholders een zorgvuldige risicobeoordeling hebben gemaakt. Vanuit deze beoordeling is een nieuwe regelstructuur opgezet voor de waterschapsverordening en de beleidsregel. De waterschapsverordening is inmiddels vastgesteld en in werking getreden. De beleidsregel 5.19 Kabels en leidingen is nu hierop aangepast.

 

Wettelijk kader:

 

Algemene wet bestuursrecht

Omgevingswet

Waterschapswet

Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland

 

BESLUIT:

 

Vast te stellen de wijziging van Beleidsregels bij de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland.

Artikel I. Wijzigingen

De Beleidsregels bij de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland worden als volgt gewijzigd:

 

Hoofdstuk 5, artikel 19. Kabels en leidingen is geactualiseerd en wordt vervangen door bijgevoegde beleidsregel.

Artikel II. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking één dag na bekendmaking.

Artikel III. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tot wijziging van artikel 5.19 van de Beleidsregels bij de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland van 21 juli 2026 te Tiel.

de secretaris-directeur,

ir. Z.C. Vonk

de dijkgraaf,

drs. T.J.A.M. Cuppen MBA

Bijlage: Beleidsregel 5.19. Kabels en leidingen

 

Artikel 5.19. Kabels en leidingen

 

Dit artikel is als volgt opgebouwd:

 

  • Kader

    • o

      Grondslag Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland

    • o

      Verklaring van een aantal begrippen

    • o

      Doel van het beleid

    • o

      Raakvlakken met ander waterschapsbeleid

    • o

      Toelichting op de toetsingscriteria van beleidsregel 5.19

  • Toetsingscriteria

Kader

 

Grondslag Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland

 

Dit artikel is gebaseerd op afdeling 6.7 van de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland:

 

  • Het toepassingsbereik van artikel 6.7.2 is van toepassing.

  • Dit artikel gaat over artikel 6.7.15 Vergunningplicht kabel of leiding.

De aanleg van kabels en leidingen kan in veel gevallen worden uitgevoerd binnen de regels voor de meldingsplicht en vrijstellingen zoals omschreven in afdeling 6.7 Kabels en leidingen van de Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland. Kan niet aan de regels voor de meldingsplicht en vrijstelling kan worden voldaan? Dan is er een vergunning nodig en wordt de aanvraag getoetst aan deze beleidsregel.

 

Verklaring van een aantal begrippen

 

Begrip

Sub-begrip

Toelichting

Kabel

Een kabel is een ondergrondse voorziening voor het transport van informatie (data) of elektriciteit.

Leiding

Een leiding is een holle buis voor het transport van vloeistoffen, gassen of vaste stoffen.

Mantelbuis

Een mantelbuis is een buis of een samenstelling van buizen bedoeld om kabels of leidingen in aan te brengen of waarin kabels of leidingen aanwezig zijn.

Kleine kabel

Een kleine kabel is een laagspanningskabel of een datakabel die niet redundant wordt aangelegd.

Grote kabel

Een grote kabel is een elektriciteitsverbinding die hoort bij het middenspanningsnetwerk (MS), hoogspanningsnetwerk (HS) of extra hoogspanningsnetwerk (EHS) of dataverbindingen die vanwege het belang redundant worden aangelegd.

Kleine leiding

Een kleine leiding is:

 

  • 1.

    Een vloeistofleiding met een maximale buitendiameter van Ø110 mm. en een maximale werkdruk van 4,5 Bar;

  • 2.

    Een gasleiding met een maximale buitendiameter van Ø250 mm. en een maximale werkdruk van 200 mbar;

  • 3.

    Een drukloze leiding met een maximale buitendiameter van Ø250 mm.

Grote leiding

Een grote leiding is:

 

  • 1.

    Een vloeistofleiding waarvan de buitendiameter groter is dan Ø110 mm. en de werkdruk hoger is dan 4,5 Bar;

  • 2.

    Een gasleiding waarvan de buitendiameter groter is dan Ø250 mm. en de werkdruk hoger dan 200 mbar;

  • 3.

    Een drukloze leiding met een buitendiameter die groter is dan Ø250 mm.

Ongelede leiding

Een ongelede leiding is een leiding die uit één stuk bestaat of uit samengestelde leidingdelen die tot één geheel zijn gelast waarbij de verbindingen net zo sterk zijn als de leidingelementen zelf.

Gelede leiding

Dit is een PVC- leiding met een mof-spie verbinding die niet trekvast is.

Persing

Een persing kenmerkt zich door een mechanische pers of horizontale hamer waarmee een leiding in de grond wordt geperst. Onder persingen vallen avegaarboringen (OFT), raketpersingen (PBT) en microtunneling (GFT: gesloten front boringen). Voor persingen wordt gebruik gemaakt van impact ramming of impact moling.

Impact ramming

Impact ramming is een sleufloze aanlegtechniek waarbij een persluchtraket een persbuis horizontaal door de grond slaat, waarna de persbuis inwendig leeg wordt gemaakt. De persluchtraket is achter de persbuis geplaatst.

Impact moling

Impact moling is een sleufloze aanlegtechniek waarbij een persluchtraket door de grond wordt geslagen en wordt teruggetrokken. Daarna wordt een kabel of leiding door het ontstane gat doorgevoerd.

HDD-techniek

Dit is een sleufloze aanlegtechniek waarbij met een HDD-boormachine vanaf het maaiveld een ondergrondse boring wordt gerealiseerd bestaande uit tenminste een pilotfase en een intrekfase. In de pilotfase wordt met behulp van rechte boorstangen en een boorkop, een boorgat aangebracht waarbij bentoniet (boorvloeistof) wordt toegepast voor het losspuiten van grond, het buiten de boorstangen transporteren van uitkomende grond naar het intredepunt van de boring en het stabiliseren van het boorgat. In de intrekfase wordt een leiding, leidingbundel of mantelbuis in het boorgat ingevoerd. Onder de HDD-techniek vallen horizontaal gestuurde boringen.

Aan HDD verwante techniek

Dit is een sleufloze aanlegtechniek waarbij vanaf het maaiveld een ondergrondse boring wordt gerealiseerd bestaande uit tenminste een pilotfase en een intrekfase. In de pilotfase wordt met behulp van boorstangen en een boorkop een boorgat aangebracht waarbij bentoniet (boorvloeistof) wordt toegepast voor het losspuiten van grond, het buiten de boorstangen transporteren van uitkomende grond naar het intredepunt en het stabiliseren van het boorgat. In de intrekfase wordt een leiding, leidingbundel of mantelbuis in het boorgat ingevoerd. Bij aanverwante technieken moet gedacht worden aan onder andere boogboringen, boogzinkers en NanoDrill.

Veiligheidszone

De veiligheidszone is vier keer de hoogte van de waterkering vermeerderd met de halve krater als bedoeld in de NEN3651, bijlage A of gelijkwaardig. Voor kabels wordt aangenomen dat de halve krater geen afmetingen heeft.

Weg(en)

Op grond van de Wegenwet behoren tot de wegen: voetpaden, fiets-/bromfietspaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik en bruggen. Naast de in de Wegenwet gegeven opsomming behoren eveneens tot de weg: de bermen, taluds, tussenstroken bij twee of meer rijbanen, stoepen, glooiingen, wegsloten, duikers, sluizen, beschoeiingen, geluidswerende voorzieningen en andere werken die zich in die wegen bevinden of daarmee rechtstreeks zijn verbonden.

 

Doel van het beleid

 

Het doel van dit artikel is het beschermen van de doelstellingen voor waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en wegen die in beheer zijn bij het waterschap.

 

Voor waterkeringen zijn de doelstellingen:

 

  • a.

    het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering; en

  • b.

    het waarborgen van de uitbreidbaarheid van waterkeringen; en

  • c.

    het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Voor oppervlaktewaterlichamen zijn de doelstellingen:

 

  • a.

    het waarborgen van een onbelemmerde aan- en afvoer van oppervlaktewater; en

  • b.

    het streven naar een goede waterkwaliteit van oppervlaktewaterlichamen; en

  • c.

    het vrijhouden van het oppervlaktewaterlichaam en de onderhoudsstrook van obstakels voor het uitvoeren van onderhoud en inspectie; en

  • d.

    het uitvoeren van onderhoud tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten.

Voor wegen zijn de doelstellingen:

 

  • a.

    het in stand houden en waarborgen van de bereikbaarheid en berijdbaarheid van de weg en bijbehorende werken; en

  • b.

    het waarborgen van de veiligheid van de weg; en

  • c.

    het beschermen van de staat en werking van een weg tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die weg.

Voor vaarwegen zijn de doelstellingen:

 

  • a.

    het in stand houden en het waarborgen van de bruikbaarheid van vaarwegen en bijbehorende werken; en

  • b.

    het waarborgen van de veiligheid van de vaarweg; en

  • c.

    het in stand houden van doelmatige doorstroming van het scheepvaartverkeer op vaarwegen; en

  • d.

    het beschermen van de staat en werking van een vaarweg tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg. Hieronder valt ook het verruimen of veranderen van die vaarweg.

Raakvlakken met ander waterschapsbeleid

 

In onderstaande tabel staat waar de aanvraag voor de aanleg van kabels en/of leidingen ook aan kan worden getoetst naast beleidsregel 5.19, afhankelijk van de activiteit.

 

Raakvlakken met

Beleidsregel bij de Waterschapsverordening

Drainage

Artikel 5.17 Grondwateronttrekkingen

Openbare verlichting

 

 

 

 

Hoogspanningstracés

Artikel 22

Wegen, parkeerplaatsen en perceelontsluitingen (op- en afritten, trappen in de waterkering en bij bijbehorende beschermingszones

 

Artikel 5.5

Het plaatsen van objecten in en langs een oppervlaktewaterlichaam

 

Artikel 5.18a Bouwwerken in en op een primaire waterkering en de beschermingszone van een primaire waterkering

 

Artikel 5.18b

Bouwwerken in en op een regionale of overige waterkering en bijbehorende beschermingszone

Koude-Warmte-Opslag (KWO)

Artikel 5.24 Boringen voor onder andere bodemenergiesystemen in de waterkering en beschermingszones bij de waterkering (inclusief de buitenbeschermingszone)

Tabel 1: matrix onderlinge raakvlakken beleidsregel 5.19

 

Drainage

 

Voor de ontwatering van landbouw- of andere percelen kan het soms wenselijk zijn drainage aan te leggen. Drainage binnen het leggerprofiel van de waterkering verhoogt echter het risico op het aantrekken van kwelwater. Soms kan drainage waterstaatkundig voordelig zijn. Bijvoorbeeld als het de afvoer van spanningswater uit de waterkering bevordert of als het voorkomt dat hemelwater zich ophoopt tussen de waterkering en een aanberming tegen de waterkering. Voor het aanbrengen en hebben van drainage in de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone wordt daarom alleen een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit verleend als er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.

 

Openbare verlichting

 

De aanleg van lokale voorzieningen van het openbare verlichtingsnet op de waterkering wordt getoetst aan beleidsregel 5.22. Voor de aanleg van lokale voorzieningen van het openbare verlichtingsnet in en nabij de binnenkruinlijn van de waterkering wordt een omgevingsvergunning verleend als de voorzieningen vanwege de verkeersveiligheid noodzakelijk zijn en er verlichtingstechnisch geen alternatief is. Voor het aanleggen van kabels is beleidsregel 5.19 wel van toepassing.

 

Hoogspanningstracés

 

Hoogspanningsmasten en lijnen ten behoeve van een hoogspanningstracé worden getoetst aan beleidsregels 5.18a (primaire waterkeringen) en 5.18b (regionale waterkeringen) als de hoogspanningsmasten in de waterkering of de beschermingszone worden geplaatst. Worden de hoogspanningsmasten in een oppervlaktewaterlichaam of de beschermingszone bij een oppervlaktewaterlichaam geplaatst? Dan wordt getoetst aan beleidsregel 5.5. Het is van belang dat de hoogspanningslijnen hoog genoeg hangen zodat een eventuele toekomstige dijkversterking niet in het geding is. Bij een dijkversterking kan de waterkering namelijk worden opgehoogd. Daardoor kan de minimale afstand tussen de hoogspanningslijnen en het maaiveld te klein worden. Dat willen we voorkomen.

 

Koude-Warmte-Opslag (KWO)

 

Voor het maken van een Koude-Warmte-Opslag (KWO) systeem geldt beleidsregel 5.24. Ondersteunende bovengrondse objecten voor kabels en leidingen die geplaatst worden in een oppervlaktewaterlichaam of in de beschermingszone bij een oppervlaktewaterlichaam worden getoetst aan beleidsregel 5.5. Als de ondersteunende objecten in de waterkering of in de beschermingszones bij de waterkering worden geplaatst, worden deze objecten getoetst aan beleidsregel 5.18a (primaire waterkeringen) of 5.18b (regionale waterkeringen). Voor het aanleggen van leidingen ten behoeve van de aanleg van Koude-Warmte-Opslag is beleidsregel 5.19 van toepassing.

 

Toelichting op de toetsingscriteria van artikel 5.19

 

Tracéafstemming

 

Bij de aanleg van een nieuw kabel- en/of leidingtracé is afstemming over de tracékeuze noodzakelijk. Tijdens de tracékeuze voor een nieuw kabel- en/of leidingtracé worden samen met de netbeheerder, derden en het waterschap de verschillende belangen beschouwd.

 

Tracéafstemming begint met een vooroverleg. De tracéafstemming is geëindigd als er een akkoord van het tracé ligt van het waterschap. Vervolgens kan een vergunningsaanvraag worden ingediend. Als er vooraf geen tracéafstemming heeft plaatsgevonden, zal de aanvraag buiten behandeling worden gelaten.

 

Voor kabels en leidingen die invloed hebben op de waterveiligheid, het waterbeheer en wegbeheer bevat de ‘Richtlijn Kabels en leidingen bij waterschapsobjecten’ ontwerprichtlijnen voor tracés die voorafgaand aan een vergunningsaanvraag met het waterschap moeten zijn afgestemd. Deze afstemming wordt gewaarborgd door de verplichting van tracéafstemming en aanlegmethoden op te nemen in de toetsingscriteria.

 

Algemene ontwerprichtlijnen voor de tracékeuze zijn:

  • 1.

    Toekomstige aanpassingen aan waterkeringen, watersystemen en wegen moeten mogelijk blijven tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten.

  • 2.

    Kabels en leidingen moeten op een zo groot mogelijke afstand van waterkeringen, watersystemen en wegen worden aangelegd.

  • 3.

    Kabels en leidingen in dezelfde sleuf hebben de voorkeur boven elk een apart tracé, ook moet de aanleg en verwijdering van kabels en leidingen in dezelfde sleuf waar mogelijk worden gecombineerd.

  • 4.

    Bij de tracékeuze wordt zoveel mogelijk gekozen voor aanlegmethoden die de betrokken waterstaatswerken zo min mogelijk belasten.

Toetsingscriteria

 

  • 1.

    Algemene toetsingscriteria

    • 1.1

      Aanvragen worden getoetst aan de algemene toetsingscriteria van de Beleidsregels bij Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland.

Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:

 

  • 2.

    Voor wateren:

    • 2.1

      HET BOVENLANGS KRUISEN VAN DUIKERS IN EEN PRIMAIR OPPERVLAKTEWATERLICHAAM IS TOEGESTAAN ALS:

      • 2.1.1

        het tracé en de aanlegmethode zijn afgestemd met en goedgekeurd door het waterschap; en

      • 2.1.2

        kabels met een overlengte of bochten zodanig worden aangelegd dat bij een duikervervanging de kabelverbinding niet verbroken hoeft te worden; en

      • 2.1.3

        kabels en leidingen minimaal 0,30 meter boven de duiker worden aangelegd.

    • 2.2

      HET KRUISEN VAN EEN PRIMAIR OPPERVLAKTEWATERLICHAAM IN OPEN ONTGRAVING IS TOEGESTAAN ALS:

      • 2.2.1

        het tracé en de aanlegmethode zijn afgestemd met en goedgekeurd door het waterschap; en

      • 2.2.2

        de kabel en leiding minimaal 1,50 meter diep onder de slootbodem of onderkant van een duiker worden aangelegd; en

      • 2.2.3

        bij het tijdelijk verkleinen of verleggen van het oppervlaktewaterlichaam de watertransportfunctie van het oppervlaktewaterlichaam aanwezig en voldoende groot is.

    • 2.3

      HET KRUISEN VAN EEN AANGEWEZEN VAARWEG IS TOEGESTAAN ALS:

      • 2.3.1

        bij het kruisen van een aangewezen vaarweg de kabel en/of leiding een gronddekking heeft van minimaal drie meter onder het gehele leggerprofiel. Bij het ontbreken van een leggerprofiel worden de vaste bodem en taluds van het water als uitgangspunt gehanteerd.

  • 3.

    Voor waterkeringen:

    • 3.1

      HET AANLEGGEN VAN GROTE KABELS IS TOEGESTAAN ALS:

      • 3.1.1

        het tracé en de aanlegmethode zijn afgestemd met en goedgekeurd door het waterschap; en

      • 3.1.2

        de kabel bij een primaire waterkering niet wordt aangelegd binnen de dijksluitingsperiode; en

      • 3.1.3

        het aanleggen door middel van open ontgraving van kabels binnen twee meter van een waterstaatkundige constructie is afgestemd met het waterschap; en

      • 3.1.4

        het aanleggen door middel van een sleufloze techniek van kabels binnen 10 meter van een waterstaatkundige constructie is afgestemd met het waterschap; en

      • 3.1.5

        aanvullend wordt voldaan aan de criteria zoals genoemd in toetsingscriteria 3.5 wanneer de kabel wordt aangelegd met een perstechniek; en

      • 3.1.6

        aanvullend wordt voldaan aan de criteria zoals genoemd in toetsingscriteria 3.6 wanneer de kabel wordt aangelegd met HDD-techniek.

    • 3.2

      HET AANLEGGEN VAN KLEINE LEIDINGEN IS TOEGESTAAN ALS:

      • 3.2.1

        het een ongelede leiding betreft; en

      • 3.2.2

        de leiding bij een primaire waterkering niet wordt aangelegd binnen de dijksluitingsperiode; en

      • 3.2.3

        de leiding uit het materiaal PE100 SDR11 of staal bestaat. Bij gebruik van een ander materiaal moet door middel van een sterkteberekening volgens de NEN3650-serie worden aangetoond dat de leiding voldoet; en

      • 3.2.4

        afsluiters en aflaatmogelijkheden buiten de veiligheidszone, gerekend vanaf de teen van de waterkering worden aangebracht; en

      • 3.2.5

        bij dijkkruisingen een kwelscherm in de buitenkruin wordt aangebracht; en

      • 3.2.6

        aanvullend wordt voldaan aan de criteria zoals genoemd in toetsingscriteria 3.5 wanneer de leiding wordt aangelegd met een perstechniek; en

      • 3.2.7

        aanvullend wordt voldaan aan de criteria zoals genoemd in toetsingscriteria 3.6 wanneer de leiding wordt aangelegd met HDD-techniek.

    • 3.3

      HET AANLEGGEN VAN GROTE LEIDINGEN IS TOEGESTAAN ALS:

      • 3.3.1

        het tracé en de aanlegmethode zijn afgestemd met en goedgekeurd door het waterschap; en

      • 3.3.2

        de leiding bij een primaire waterkering niet wordt aangelegd binnen de dijksluitingsperiode; en

      • 3.3.3

        de leiding en aanleg voldoet aan de NEN 3650-serie of gelijkwaardig, tenzij in dit artikel anders is bepaald; en

      • 3.3.4

        er bij primaire waterkeringen gerekend is met een importantiefactor van 0,75 en bij regionale waterkeringen met een importantiefactor 1; en

      • 3.3.5

        aanvullend wordt voldaan aan de criteria zoals genoemd in toetsingscriteria 3.5 wanneer de leiding wordt aangelegd met een perstechniek; en

      • 3.3.6

        aanvullend wordt voldaan aan de criteria zoals genoemd in toetsingscriteria 3.6 wanneer de leiding wordt aangelegd met HDD-techniek.

    • 3.4

      HET AANLEGGEN VAN VRIJVERVALLEIDINGENSYSTEMEN IS TOEGESTAAN ALS:

      • 3.4.1

        het tracé en de aanlegmethode zijn afgestemd met en goedgekeurd door het waterschap; en

      • 3.4.3

        het een gelede, niet trekvaste leidingsysteem in PVC betreft met materiaalkwaliteit minimaal of gelijk aan SN8; en

      • 3.4.5

        de leiding zo wordt aangelegd dat maximale hoekverdraaiingen van moffen en uitschuivingen van moffen niet worden overschreden gedurende de levensduur van de leiding; en

      • 3.4.6

        er geen open verbinding ontstaat van binnendijks naar buitendijks.

    • Voor aanleg bij een primaire waterkering geldt specifiek:

      • 3.4.4

        De leiding wordt buiten de waterkering aangelegd; en

      • 3.4.2

        De aanleg vindt niet plaats in de dijksluitingsperiode

    • 3.5

      DE AANLEG VAN KABELS EN LEIDINGEN DOOR MIDDEL VAN EEN PERSING IS TOEGESTAAN ALS:

      • 3.5.1

        de persing onder de wegfundering van gesloten verharding plaatsvindt; en

      • 3.5.2

        de afstand tot waterveiligheidsconstructies minimaal vijf meter bedraagt; en

      • 3.5.3

        de persing een lengte heeft van maximaal acht meter; en

      • 3.5.4

        het toepassen van een persing binnen tien meter van een waterstaatkundige constructie is afgestemd met het waterschap; en

      • 3.5.5

        de onderkant van de persing maximaal één meter en 25 centimeter onder de kruin van de waterkering wordt aangebracht; en

      • 3.5.6

        er een kwelscherm wordt toegepast; en

      • 3.5.7

        voor de perstechniek gebruik wordt gemaakt van impact ramming of impact moling; en

      • 3.5.8

        bij regionale en overige waterkeringen ter plaatse van de (raket)persing over minimaal zes meter lengte hoog voorland of hoog achterland aanwezig is gelegen op minimaal dezelfde hoogte als de kruin van de waterkering; en

      • 3.5.9

        er een kernboring is gemaakt om aannemelijk te maken dat er zich in de lijn van de persing geen ondergronds obstakel bevindt.

Figuur 1: Principetekening hoog voorland of hoog achterland regionale waterkering

 

    • Voor de aanlegmethode impact ramming geldt specifiek:

      • 3.5.10

        Impact ramming moet worden uitgevoerd met een stalen mantelbuis met een buitendiameter van maximaal 250 mm.

      • 3.5.11

        In de stalen mantelbuis mogen kunststof mantelbuizen worden aangebracht.

      • 3.5.12

        De uiteinden van de kunststof mantelbuizen moeten waterdicht worden afgedicht met een afsluitmiddel dat 1,5 bar kan weerstaan per uiteinde.

      • 3.5.13

        De ruimte in de stalen mantelbuis en de afdichtingen aan het uiteinde van de kunststof mantelbuis moet worden afgevuld met drillgrout, aangemaakt volgens de specificaties van de leverancier.

    • Voor de aanlegmethode impact moling geldt specifiek:

      • 3.5.14

        De oversnijding tussen de kabel of leiding en de omliggende grond moet worden afgevuld met drillgrout, aangemaakt volgens de specificaties van de leverancier.

      • 3.5.15

        De diameter van de raket mag niet groter zijn dan 90 mm.

    • 3.6

      DE AANLEG VAN KABELS EN LEIDINGEN DOOR MIDDEL VAN HDD-TECHNIEK IS TOEGESTAAN ALS:

      • 3.6.1

        met het intrekken van de leiding of mantelbuis het boorgat geheel wordt opgevuld met drillgrout zodat er een mengverhouding bentoniet/drillgrout achterblijft die over de hele lengte opstijft tot een steekvaste materie.

      • 3.6.2

        Er hoeft niet te worden ingetrokken met drillgrout als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

        • a.

          de gehele boorlijn ligt verder dan 250 meter van een primaire waterkering; en

        • b.

          uit een kwelweganalyse blijkt dat kwelwegremmende voorzieningen niet nodig zijn; en

        • c.

          de horizontaal gestuurde boring is niet gelegen in de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone van de volgende waterkeringen: Lingedijk, Merwedekanaal, Afgedamde Maas, Kanaal van Steenenhoek, voorlandkering polder Nieuwland, maalkommen Kinderdijk, Werkensedijk, Kapitteldijk en de Meidijk; en

      • 3.6.3

        de dichtheid en viscositeit van bentoniet en drillgrout wordt aangemaakt volgens de specificaties van de leverancier; en

      • 3.6.4

        bij een boorgat > 400 mm een pilot wordt uitgevoerd met een gyroscopische inmeting; en

      • 3.6.5

        bij een boorgat > 400 mm een gyroscopische nameting na intrekken van de leiding (bundel) wordt uitgevoerd; en

      • 3.6.6

        mantelbuizen aan weerszijden inwendig waterdicht worden afgedicht met een afdichting die 1,5 bar kan weerstaan.

    • Voor een HDD kruisend of haaks op een waterkering geldt specifiek:

      • 3.6.7

        Het toepassen van een horizontaal gestuurde boring kruisend en/of binnen 10 meter van een waterstaatkundige constructie moet zijn afgestemd met het waterschap.

      • 3.6.8

        De kans op blowouts binnen de veiligheidszone moet voldoende klein zijn.

      • 3.6.9

        Het in- en uittredepunt bevinden zich buiten de veiligheidszone.

      • 3.6.10

        De diepte van de boring ligt bij primaire waterkeringen minimaal 15 meter onder de kruin van de waterkering.

      • 3.6.11

        De diepte van de boring ligt bij regionale waterkeringen en overige waterkeringen minimaal 10 meter onder de kruin van de waterkering.

      • 3.6.12

        De horizontaal gestuurde boring maakt een maximale hoek van 15 graden ten opzichte van de haakse lijn op de waterkering ter plaatse van de gestuurde boring.

    • Voor een HDD parallel aan de waterkering geldt specifiek:

      • 3.6.13

        De kans op blowouts binnen de veiligheidszone moet voldoende klein zijn.

      • 3.6.14

        Het in- en uittredepunt en de gehele boorlijn bevinden zich buiten de veiligheidszone.

    • Voor aan HDD aanverwante technieken geldt specifiek:

      • 3.6.15

        Aan HDD aanverwante technieken zijn toegestaan als de kabel of leiding haaks op, kruisend ten opzichte van of parallel aan buiten het leggerprofiel van de waterkering wordt aangelegd.

      • 3.6.16

        Voor primaire waterkeringen geldt aanvullend dat aan HDD aanverwante technieken alleen zijn toegestaan als de HDD buiten het leggerprofiel en parallel aan de waterkering wordt uitgevoerd.

  • 4.

    Voor wegen:

    • 4.1

      HET VERBREKEN VAN GESLOTEN VERHARDING TEN BEHOEVE VAN HET AANLEGGEN VAN EEN KABEL OF LEIDING IS TOEGESTAAN ALS:

      • 4.1.1

        het tracé en de aanlegmethode zijn afgestemd met en goedgekeurd door het waterschap; en

      • 4.1.2

        het sleufloos kruisen van de weg die op een waterkering aanwezig is, niet mogelijk is volgens de toetsingscriteria 3.5 en 3.6; en

      • 4.1.3

        de bereikbaarheid en de verkeersveiligheid zijn gewaarborgd.

Naar boven