Waterschapsblad van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | Waterschapsblad 2026, 19943 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | Waterschapsblad 2026, 19943 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het Dagelijks bestuur van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht,
Gelezen:
het voorstel met referentienummer BBV26.0232
Overwegende dat:
-het Algemeen bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht op 24 november 2022 de Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht (BBV22.0050) heeft vastgesteld;
-het wenselijk is de Waterschapsverordening op een aantal inhoudelijke onderdelen en technische aspecten te wijzigen;
Gelet op:
artikel 2.5 van de omgevingswet, artikel 78 Waterschapswet en Delegatiebesluit Waterschapsverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht;
Besluit;
Tot vaststelling van de ontwerp-wijzigingen van de "Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht" , opgenomen in Bijlage A en deze vrij te geven voor inspraak.
Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het Waterschapsblad.
In de bijlage zijn een aantal factsheets opgenomen:
Deze factsheets beschrijven de achtergrond en onderbouwing van de voorgestelde ontwerp-wijzigingen. Per onderwerp wordt ingegaan op de huidige regelgeving, de aanleiding voor wijziging, de voorgestelde aanpassingen, de effecten daarvan en de afgewogen belangen. Hiermee bieden de factsheets inzicht in de overwegingen die aan het ontwerpbesluit ten grondslag liggen.
Aldus vastgesteld door Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, 12‑5‑2026
dr. J.J. Sylvester,
dijkgraaf
H.W. de Vos
plaatsvervangend secretaris-directeur
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze waterschapsverordening wordt verstaan onder:
oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage I;
degene die in de directe nabijheid van het water woont, al dan niet daarvan gescheiden door een weg;
de grens waar de bebouwing, feitelijk of naar de aard van de omgeving, ophoudt;
filterbemaling, openbemaling of spanningsbemaling;
bij of krachtens de waterschapsverordening aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een waterstaatswerk regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat waterstaatswerk;
activiteit binnen een beperkingengebied;
bergingsgebied als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet;
langs wateren gelegen gronden die achterliggend land beschermen tegen afkalving door golfslag of die lager dan het boezempeil gelegen delen van het land beschermen tegen indringing van boezemwater;
Zie onder A. Begrippen van Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet:
het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen is aangetoond, met als doel emissies en gevolgen voor het milieu in zijn geheel te voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, te beperken, waarbij wordt verstaan onder:
«technieken»: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld,
«beschikbare»: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken wel of niet binnen Nederland worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn, en
«beste»: het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.
dagelijks bestuur van het waterschap;
ter plaatse van de boring vloeibaar worden van de bodem, waardoor de (water)bodem openbarst;
milieukundig, grondmechanisch, geologisch of exploratie onderzoek;
land gelegen tussen boezemwater en een boezemwaterkering;
water dat deel uit maakt van het boezemsysteem;
onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen;
bouwwerk waarbij kelders en ondergrondse ruimten waterdoorlatend zijn ontworpen en waaruit het opkomend of toestromend water met een pomp of ander werk wordt weggemalen;
oeverconstructie, die bestaat uit een verticaal in de grond geplaatste wand, bestaande uit losse elementen die met sloten in elkaar vallen;
waterkering die directe bescherming biedt tegen overstroming door aangrenzend water zonder voorliggende waterkering;
drijvend voorwerp als bedoeld in artikel 1.01, onder D, onder 1°, Binnenvaartpolitiereglement;
drijvende inrichting als bedoeld in artikel 1.01, onder D, onder 2° van het Binnenvaartpolitiereglement;
bovenste zandlaag die gevormd is in het Pleistoceen. Dit is het eerste watervoerende pakket onder het Holoceen;
de bovenste bodemlaag die in directe verbinding staat met de atmosfeer;
met behulp van een boorinrichting zonder graven (sleufloos) ondergronds gestuurd aanbrengen van een kabel of leiding;
maaien, baggeren, snoeien, verwijderen van materiaal of vuil en herstel van beschadigingen;
glastuinbouwgebied dat als zodanig is aangewezen op kaart bij deze waterschapsverordening;
begroeide oever, die zich binnen het werkingsgebied van KRW wateren en Natura 2000-gebieden bevindt;
de gronddekking wordt gemeten beneden de maximum geroerde diepte na baggeren (zie ook Richtlijnen Vaarwegen 2011, RWS);
grondonderzoek door middel van sonderingen, handboringen, mechanische boringen, peilbuizen of waterspanningsmeters;
grondwater als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet;
grondwaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet;
aan de polderzijde verholen waterkering;
door het bestuur bij besluit op een kaart aangewezen hoger gelegen gebieden;
individuele aftakking van een doorgaande kabel of leiding, naar een woning of bedrijfsruimte;
waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming nadat een voorliggende (directe) waterkering is bezweken;
snijlijn tussen het schuine talud van een oever met het maaiveld of het talud van een waterkering met de kruin;
ISO 5815-1:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2003;
min of meer vlakke bovenzijde van een waterkering;
legger als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet;
het in de legger, als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet, weergegeven profiel benodigd voor water aan- en –afvoer;
het gedefinieerde minimaal vereiste theoretische profiel van een waterkering, vastgelegd in de legger, dat nodig is voor de noodzakelijke bescherming tegen water van buiten;
zie onder A. Begrippen van Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet
activiteit, niet zijnde een stortingsactiviteit op zee, inhoudende het brengen van stoffen, warmte of water direct op een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het gaat om de gevolgen van die stoffen of warmte of dat water voor het watersysteem;
zie onder A. Begrippen van Bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet
activiteit inhoudende het brengen van stoffen, warmte of water met behulp van een werk, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool, in een zuiveringtechnisch werk in exploitatie bij een waterschap of een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast, voor zover het gaat om de gevolgen van die stoffen of warmte of dat water voor het zuiveringtechnisch werk of het watersysteem.
een strook water gerekend vanuit de as van het water met een gelijke breedte van 2,5 meter aan beide zijden van de as;
gebieden die als zodanig zijn aangewezen op grond van de Wet Natuurbescherming;
oever die ten behoeve van de ecologische toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht;
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2009;
NEN 6633:2007: Water en (zuiverings)slib - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), versie 2007;
NEN 6646/C1:2015: Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015;
NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1899-1:1998: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BODn) - Deel 1: Verdunnings- en entmethode met toevoeging van allylthioreum, versie 1998;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
NEN-EN-ISO 6878:2004: Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode, versie 2004;
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 11732:2005: Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 13395:1997: Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (C FA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005;
NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (C FA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof -vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 5663:1993: Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993;
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik 27 (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
ander oppervlaktewaterlichaam dan een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage I;
zone langs de watergang tussen de waterlijn en de insteek;
hellingsvlak van de oever;
profiel van een watergang onder de waterlijn;
niveau van de ontgraving beneden het maaiveld;
onttrekken van grondwater door middel van een mechanische pomp of een ander werk bestemd voor het onttrekken van grondwater;
door middel van een werk halen van water uit een oppervlaktewaterlichaam, zonder dat het water daarbij in een ander oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht;
inrichting of werk, bestemd tot het onttrekken van grondwater. Onttrekkingsinrichtingen voor het onttrekken van grondwater die een samenhangend geheel vormen, worden als één onttrekkingsinrichting aangemerkt;
meren en plassen en overige niet-lijnvormige wateren;
oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet;
boezemland dat lager ligt dan 0,0 meter NAP;
wateren waaraan het waterschap een belangrijke functie toekent in de aan- en afvoer van water en waterberging;
primaire waterkering als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet;
de rond het leggerprofiel gereserveerde naar verwachting benodigde ruimte voor in de toekomst benodigde versterking en ophoging;
oeverzone als bedoeld in het Verkeersbesluit AGV Ligplaats nemen;
vaartuig, met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing, dat feitelijk wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel tot verplaatsing te water;
periodiek toezicht op de naleving van de onderhoudsverplichtingen in deze waterschapsverordening met betrekking tot waterstaatswerken;
wateren die geen primaire wateren zijn;
waterkering van regionaal belang;
gebied, als zodanig aangewezen op kaart bij deze waterschapsverordening;
grondwaterstand in een peilbuis die staat afgesteld in een watervoerend pakket;
oppervlaktewaterpeil dat door het waterschap zoveel mogelijk wordt gehandhaafd;
lijn die overeenkomt met de snijlijn van het waterkeringtalud met het horizontaal gelegen maaiveld dan wel met de bodem van het aangrenzende water waarbij in geval van een steunberm onder teen wordt verstaan: de teen van de (steun)berm;
waterkering van lokaal belang die niet gerekend worden tot de primaire of secundaire waterkeringen;
in het Verkeersbesluit AGV Ligplaats nemen vastgestelde minimaal vrij te houden vaarwegbreedten voor de in dat besluit aangewezen scheepvaartwegen;
oppervlak met een doorlatend vermogen van minder dan 90 liter per seconde per hectare;
waterkering die niet duidelijk herkenbaar is als dijklichaam maar onderdeel is van een hoger gelegen gebied of zone;
vernauwingen, obstakels en dergelijke;
voorzieningen met een verkeer regulerende functie, zoals verkeersdrempels;
ophoping van plantenmateriaal, bagger, slib, zand of andere materialen tot boven de waterlijn van het betreffende water;
drijf- en zwerfvuil, drijvende of (half) afgezonken voorwerpen en dode dieren en vissen;
een buiten het watersysteem getroffen voorziening, bedoeld om hemelwater of ander water vast te houden of te bergen voordat het water verdampt, door planten wordt opgenomen, infiltreert in de bodem of wordt afgevoerd naar een regenwaterriool of het oppervlaktewaterlichaam;
het onder de waterlijn gelegen grondvlak inclusief de natte oevertaluds. De waterbodem omvat het oorspronkelijke bodemmateriaal en de aanwezige bagger;
oppervlaktewaterlichamen;
bevaarbare wateren die voor het publiek toegankelijk zijn;
lijnvormige wateren: rivieren, kanalen, vaarten, grachten, tochten, sloten en singels;
waterkering in de vorm van een dijk met een kruin, een binnen- en buitentalud en een binnen- en buitenteen;
grondlichaam of deel van een grondlichaam dat beveiliging biedt tegen overstroming, met inbegrip van de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken;
werk met een ondersteunend grondlichaam, dat gelijke beveiliging biedt tegen overstroming als een waterkering;
overgang van het natte naar het droge talud bij het streefpeil of winterpeil dat in het peilbesluit is opgenomen of praktisch wordt toegepast;
waterschap Amstel, Gooi en Vecht;
waterstaatswerk als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet;
watersysteem als bedoeld in artikel 1.1 lid 1 van de Omgevingswet;
geologische formatie waarbinnen grondwater zich eenvoudig kan verplaatsen;
alle door menselijk toedoen ontstane of gemaakte objecten, constructies of inrichtingen, die met de ondergrond verbonden zijn;
ark of schip bestemd of in gebruik om op te wonen.
stelsel van infiltratiebuizen die in een perceel worden aangebracht onder het oppervlaktewaterpeil, waardoor het oppervlaktewater in het perceel stroomt met als doel het verhogen van de grondwaterstand in grasland ten behoeve van het tegengaan van bodemdaling;
De (doorgaande) oeverlijn (theoretisch) is een denkbeeldig doorgetrokken lijn die de scheidingslijn tussen water en land vormt, waarbij lokale verbredingen en inhammen worden overbrugd.
B
Artikel 1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De geometrische begrenzing van het beheergebied van het waterschap is opgenomen in het geometrische informatieobject 'beheergebied' in Bijlage IVI
C
Artikel 1.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De vergunningplichten, meldplichten en informatieplichten in deze verordening zijn niet van toepassingentoepassing op activiteiten die het waterschap verricht in de uitoefening van zijn beheer.
Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten die het waterschap verricht voor de aanleg of wijziging van waterstaatswerken.
D
Artikel 2.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater, warmte of stoffen te lozen op een oppervlaktewaterlichaam, behalve als het gaat om:
het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd;
het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen;
het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering:
waarbij de te lozen hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50 m3 per uur, 15.000 m3 per 4 weken en de duur van de lozing niet langer is dan 6 maanden voor een korte bodemsanering of;
waarbij de te lozen hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 15 m3 per uur, 4.000 m3 per 4 weken en de duur van de lozing niet langer is dan 3 jaar voor een langdurige bodemsanering of;
het lozen van grondwater bij ontwatering, als dat grondwater:
het lozen van afvloeiend hemelwater, als dat hemelwater:
het lozen van huishoudelijk afvalwater, als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;
600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;
1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; of
3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten;
het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken, mits het afvalwater afkomstig is van:
het lozen van afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen;
het lozen bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht;
het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt;
het lozen bij het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen, het overslaan van zout voor het strooien op wegen, het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk en het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk;
het lozen van afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als:
het lozen is gestart voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd;
het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd;
het lozen van stoffen die die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam;
het lozen van stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan onder p, op een oppervlaktewaterlichaam en die worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer;
het lozen van algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam;
het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit;
het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
het lozen van afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is;
het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen, als het bereiden plaatsvindt met:
het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers;
het lozen van afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, als:
het individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder f, wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen alleen geloosd op:
een aangewezen oppervlaktewaterlichaam als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is;
en een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder g, kan huishoudelijk afvalwater zonder omgevingsvergunning op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:
De afstand, bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt berekend:
In afwijking van het vierde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
Voor de toepassing van het eerste lid, onder j en k, worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:
bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
A-hout en ongeshredderd B-hout;
snoeihout;
banden van voertuigen;
autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen;
straatmeubilair;
tuinmeubilair;
aluminium, ijzer en roestvrij staal;
kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;
kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;
papier en karton;
textiel en tapijt; en
vlakglas.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, onder u wordt berekend:
In afwijking van het zevende lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Het eerste lid, aanhef en onder v, geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
E
Na artikel 2.40 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een passief waterinfiltratiesysteem aan te leggen en te hebben buiten PWIS-gebieden.
F
Artikel 2.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Artikel 2.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger of afmeerpaal aan te brengen, te hebben of te wijzigen in een primair water in de gebieden op de 'Knelpuntenkaart boezemsysteem'.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger aan te brengen in of boven primair water of de beschermingszone van een primair water buiten de gebieden op de ‘Knelpuntenkaart boezemsysteem’ tenzij het betreft het aanbrengen van een steiger conform Bijlage II.
H
Artikel 2.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug of dam aan te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen boven of in een primair water of de beschermingszone van een primair water.
I
Na artikel 2.44 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
J
Artikel 2.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk of ander werk aan te brengen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in, boven of onder een primair water of de beschermingszone van een primair water, tenzij het betreft:
het aanleggen, hebben, vernieuwen of verwijderen van een kabel of leiding;
het hebben, vervangen, wijzigen of verwijderen van een steiger; of
het aanbrengen, hebben, vervangen of verwijderen van een steiger of afmeerpaal; of
het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van een beschoeiing.
Dit artikel geldt niet als de artikelen 2.41 tot en met 2.46 van toepassing zijn.
K
Artikel 2.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger of afmeerpaal aan te brengen, te hebben of te wijzigen in een secundair water in de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem'.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een steiger aan te brengen in of boven een secundair water of de beschermingszone van een secundair water buiten de gebieden op de ‘Knelpuntenkaart boezemsysteem’ tenzij het betreft het aanbrengen van een steiger conform Bijlage II.
L
Artikel 2.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug of dam aan te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in of boven een secundair water met een vaarfunctie.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een brug of dam aan te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in of boven een secundair water in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam of in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam of in de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering.
M
Na artikel 2.50 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duiker aan te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in een secundair water met vaarfunctie.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een duiker met een lengte van meer dan 15 meter aan te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in een secundair water zonder vaarfunctie.
N
Artikel 2.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk of ander werk aan te brengen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in, boven of onder een secundair water., tenzij het betreft:
het aanleggen, hebben, vernieuwen of verwijderen van een kabel of leiding;
het hebben, vervangen, wijzigen of verwijderen van een steiger; of
het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van een afmeerpaal; of
het hebben, vervangen of verwijderen van een beschoeiing of het aanleggen van een beschoeiing als bedoeld in artikel 3.32
Dit artikel geldt niet als de artikelen 2.49 tot en met 2.502.50a van toepassing zijn.
O
Paragraaf 2.5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf en dit artikel zijn bij wijze van een mutatietest ingevoegd en dienen later te worden verwijderd. We gebruiken als werkingsgebied de molenbiotoop: "binnen een afstand van 200 meter van een windbemalingsinstallatie".
[Vervallen]
P
Paragraaf 3.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel gaat over het wijzigen van een secundair water, waarvoor geen vergunning is vereist.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, voor het wijzigen van een secundair water, houdt in ieder geval in, dat:
de hellinghoek van het talud van de oever niet steiler wordt;
een secundair water met loopzand of met een veenbodem niet wordt verdiept of verbreed;
een secundair water niet verder wordt verdiept dan een meter onder het laagste streefpeil;
de vaarfunctie niet wordt gehinderd;
de aanwezige ecologische kwaliteit van de oever en de waterkwaliteit in stand blijft;
beschadigde oevervegetatie wordt hersteld met ecologisch gelijkwaardige vegetatie;
de gewijzigde watergang voldoet aan de profielen voor watergangen in Bijlage II, onder 1.2, kolom 4, onder 3;
de groene oeverzones in stand blijven; en
wanneer de waterbodem openbreekt:
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, voor het wijzigen van een secundair water houdt in ieder geval in dat in groene oeverzones een groene oeverzone in Natura-2000 gebieden, het uitgekomen materiaal minimaal 1,00 meter uit de insteek van de oever wordt gelegd.
Het is verboden een secundair water buiten de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en buiten de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering te wijzigen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
De melding bevat de afmetingen van het profiel van de watergang voor en na het verrichten van de activiteit.
Q
Artikel 3.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel gaat over het verwijderen van kabels of leidingen, waarvoor geen vergunning is vereist.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone en beschermingszone van een half-verholen waterkering en in de kernzone van een verholen waterkering, in ieder geval in, dat:
ontgravingen tot het minimum worden beperkt;
direct na het verwijderen van de kabel of leiding, en aan het einde van iedere werkdag, de ontgraving wordt aangevuld met de uitgekomen grond in lagen van maximaal 0,20 meter, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
de holle ruimte van de verwijderde kabel of leiding wordt opgevuld met klei alvorens de uitgekomen grond in omgekeerde volgorde weer in te brengen en te verdichten en waarbij niet wordt verdicht van de uitgraving met bevroren grond is niet toegestaan.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone van een verholen waterkering en in de kernzone van een half-verholen waterkering, in ieder geval in, dat:
de te verwijderen kabel of leiding op maximaal 1,20 meter diepte ligt;
de werkzaamheden niet worden gestart en uitgevoerd wanneer het langdurig regent of vriest of wanneer dit wordt voorspeld;
verwijderde of beschadigde verharding, goed aansluitend aan de bestaande verharding, wordt hersteld; en
uitgestoken graszoden worden teruggelegd en kale plekken worden ingezaaid met graszaad.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam in ieder geval in, dat:
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, houdt in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en in de kernzone van een half-verholen waterkering in ieder geval in, dat:
R
Artikel 3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel gaat over het aanleggen, hebben, wijzigen, vervangen en verwijderen van een steiger of afmeerpaal, waarvoor geen vergunning is vereist, in een oppervlaktewaterlichaam.
Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in een secundair water en in een primair water buiten het boezemsysteem (Noord), in een secundair water en in een primair water buiten het boezemsysteem (Oost) en in een secundair water en in een primair water buiten het boezemsysteem (West) in ieder geval in, dat:
Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in ieder geval in, dat:
een steiger of afmeerpaal:
tot maximaal 3,00 meter uit de waterkant steekt, tenzij deze in een groene oeverzone ligt en wordt aangelegd conform Bijlage II;
niet geheel of gedeeltelijk staat in de middenstrook, in het leggerprofiel van een primair water, in de vaarstrook of in de rode zone; en
de vaarfunctie niet verhindert;
een steiger niet rust op meer palen dan noodzakelijk om de constructie te kunnen dragen;
de vrije doorstroming onder de steiger niet wordt belemmerd; en
in een groene oeverzone, de steiger van het open type is, zoals aangegeven in Bijlage II.
een steigerpaal of afmeerpaal een breedte heeft van maximaal 0,20 x 0,20 meter.
Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger buiten de bebouwde kom, houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in een secundair water of in een primair water buiten het boezemsysteem, in ieder geval in, dat de steiger een lengte heeft van maximaal 6,00 meter.
Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in een primair water buiten het boezemsysteem, in ieder geval in, dat een steiger of afmeerpaal minimaal 3,00 meter van andere steigers, afmeerpalen of werken afstaat.
Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in het boezemsysteem, buiten de gebieden op de 'Knelpuntenkaart boezemsysteem' in ieder geval in, dat:
Voor het wijzigen of vervangen van een steiger houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in een secundair en primair water, in ieder geval in, dat de oppervlakte van de steiger en het aantal palen waarop de steiger rust niet mag toenemen.
Voor het verwijderen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in een secundair en primair water, in ieder geval in, dat:
Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, buiten de bebouwde kom, in het boezemsysteem, buiten de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem', in ieder geval in, dat de steiger een lengte heeft van maximaal 6,00 meter.
Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, buiten het leggerprofiel, in het boezemsysteem, buiten de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem', in ieder geval in, dat:
de steiger of afmeerpaal maximaal 3,00 meter uit de waterkant steekt;
tenzij de steiger in een groene overzone ligt en wordt aangelegd conform Bijlage I;
de steiger of afmeerpaal minimaal 3,00 meter afstaat van andere steigers, afmeerpalen of werken; en
een steiger niet rust op meer palen dan noodzakelijk om de constructie te dragen.
Voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of vervangen van een steiger of afmeerpaal houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in het leggerprofiel, in het boezemsysteem, buiten de gebieden 'Knelpuntenkaart boezemsysteem', in ieder geval in, dat:
S
Artikel 3.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een steiger of afmeerpaal aan te brengen, te hebben of te wijzigen in het boezemsysteem, buiten de gebieden op de 'Knelpuntenkaart boezemsysteem'in een oppervlaktewaterlichaam waarvoor geen vergunning is vereist zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
T
Artikel 3.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van een beschoeiing houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in een primair water en in een secundair water, in ieder geval in, dat:
beschoeiing niet wordt aangelegd in een groene oeverzone;
bij aanleg wordt de beschoeiing geplaatst in de oeverlijn;
de beschoeiing wordt aangelegd op de waterlijn van het hoogst vastgestelde waterpeil;
bij aanleg wordt de bovenkant van de beschoeiing op minimaal 30 cm. onder het laagst vastgestelde waterpeil aangelegd;
het talud van de oever en van het onderwaterprofiel wordt niet steiler;
een vervangende beschoeiing wordt aangelegd op dezelfde plaats en diepte als de bestaande beschoeiing of dichter bij de oever;
de doorstroming in het stromingsprofiel van de watergang niet wordt belemmerd;
een waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt voorkomen;
maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen met het oog op de ecologische waterkwaliteit niet worden aangetast;
nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden voorkomen of weggenomen;
de toegankelijkheid van de watergang en onderhoudsstrook voor onderhoud en inspectie niet wordt belemmerd; en
bij het verwijderen de stabiliteit van de oever en bodem in stand blijft.
Voor het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van een beschoeiing houdt de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.13, in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone van een half-verholen waterkering en in beschermende gronden, in ieder geval in, dat:
de beschoeiing waterdoorlatend is;
de beschoeiing niet verankerd is;
de beschoeiing niet wordt aangelegd met behulp van een spuitlans;
beschoeiingspalen wordt verwijderd door wegdrukken, afknijpen of afzagen;
beschoeiingspalen niet worden verwijderd met een spuitlans of door uittrekken;
schade aan de ter bescherming van de waterkering aanwezige grasmast, beplanting of andersoortige dijkbekleding en oeverbescherming wordt hersteld;
erosie van de waterkering wordt voorkomen;
verstoring van de standvastheid van het grondlichaam van de waterkering wordt hersteld;
geen verlaging van de grondwaterstand optreedt;
de waterkerende hoogte van de waterkering in stand blijft; en
de oeverlijn door aanleg/vervanging van de beschoeiing niet richting de kering mag worden verplaatst.
U
Artikel 3.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een beschoeiing, die voldoet aan artikel 3.32, aan te leggen in een secundair water zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden;
Het is verboden een beschoeiing aan te leggen, te hebben, te vervangen of te verwijderen in een primair water, in een secundair water, in de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, in de kernzone van een half-verholen waterkering of in beschermende gronden zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
V
Het opschrift van paragraaf 3.2.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Artikel 3.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het aanleggen, hebben, wijzigen of verwijderen van een brug of dam, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.132.36, in, op of boven een secundair water secundair water zonder vaarfunctie in ieder geval in, dat:
de brughoofden niet in het water steken;
de brug niet breder is dan 10 meter of de dam niet breder is dan 1014 meter;
nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam worden voorkomen;
schade aan maatregelen en voorzieningen die zijn aangelegd ter verbetering van de ecologische waterkwaliteit direct wordt hersteld;
de toegankelijkheid voor onderhoud en inspectie van de waterganghet water niet wordt belemmerd;
na verwijdering van de brug, dam met duiker, damhek of dampaal worden, de oevers van de watergang zo veel mogelijkhet water worden teruggebracht in de oorspronkelijke of ecologischeecologisch goede staat;
nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam worden voorkomen of gecompenseerd;
de dam bij aanleg of wijziging voorzien is van een duiker;
de binnendiameter van de duiker groter of gelijk is aan de onderhoudsafmetingen van het secundaire water die gelden bij de onderhoudsmaatregel tegen verlanding in secundaire water;
de ligging van de duiker zodanig is dat de duiker bij het laagste streefpeil voor een derde deel boven het water steekt;
de duiker maximaal 0,50 meter uit de dam steekt;
de duiker recht is, zonder bochten;
de duikermond voldoende ver in de watergang steekt voor een goede doorstroming;
het verlies aan open-waterberging en oeverlengte als gevolg van de aanleg van een dam vooraf volledig wordt gecompenseerd in dezelfde waterganghetzelfde water, of in een met die watergangdat water direct in verbinding staande andere watergangstaand ander water;
hekken en palen, in en langs dammen, niet voor de duikermond liggen en niet de vrije doorstroming in het stromingsprofiel belemmeren; en.
de dam of brug geen belemmering is voor eventueel vaarverkeer.
X
Na artikel 3.39 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Voor het aanleggen, hebben, wijzigen of verwijderen van een duiker, waarvoor geen vergunning is vereist, houdt de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in een secundair water zonder vaarfunctie, in ieder geval in dat:
de duiker in wateren breder dan 2.0 meter een minimale diameter van 1.0 meter heeft;
de duiker in wateren smaller dan 2.0 meter een diameter van ten minste 50% van de breedte van het water heeft met een minimum van 40 cm diameter
de duiker maximaal 0,50 meter uit de dam of andersoortige constructie steekt;
de ligging van de duiker zodanig is dat de duiker bij het laagste streefpeil voor minimaal 2/3 gevuld is met water en bij het hoogste streefpeil minimaal 1/5 lucht bevat;
de duiker recht is, zonder bochten;
de duikermond voldoende ver in het water steekt voor een goede doorstroming;
nadelige gevolgen voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam worden voorkomen;
schade aan maatregelen en voorzieningen die zijn aangelegd ter verbetering van de ecologische waterkwaliteit direct wordt hersteld;
na verwijdering van de duiker, de oevers van het water worden teruggebracht in de oorspronkelijke of ecologische goede staat;
de toegankelijkheid voor onderhoud en inspectie van het water niet wordt belemmerd.
Y
Artikel 3.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een brug of dam aan te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in een secundair water zonder vaarfunctie buiten de kernzone ofen beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en buiten de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering en buiten de kernzone of beschermingszone van een verholen waterkering zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als daarvoor geen vergunning is vereist op grond van de artikelen 2.44 en 2.50.
Z
Na artikel 3.40 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het is verboden een duiker aan te leggen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen in secundair water zonder vaarfunctie buiten de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en buiten de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, als daarvoor geen vergunning is vereist.
AA
Na artikel 3.43 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Het is verboden om een passief waterinfiltratiesysteem aan te leggen binnen het werkingsgebied 'PWIS-gebieden' zonder dit te minste vier weken voor het begin ervan te melden.
De melding voor het aanleggen van een passief waterinfiltratiesysteem binnen het werkingsgebied 'PWIS-gebieden' bevat ten minste:
De algemene indieningsvereisten voor meldingen, bedoeld in artikel 3.6, zijn van toepassing op dit artikel.
BB
Artikel 3.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, onder p, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem;
als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 2925d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 3.75; en
de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.
CC
Artikel 3.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het lozen van afvalwater afkomstig van het bereidebereiden van voedingsmiddelen houdt de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.36, in ieder geval in dat het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en er wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daar mee samenhangende activiteiten.
DD
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/ws0155/2023/958a7dd16dfb445faa43e3018a8ff667/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2026/88f3dd854ba94e4797da0a8649c2649f/nld@2026‑01‑12;12401847
/join/id/regdata/ws0155/2023/594c59e9dae24d83a11116939508a9e2/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/ee8c14ac51b848f197345dd5f520564d/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/f98213d924fb492182a8b31789bc3c05/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/827cd71f5c02402eb286fe1c1133b6c7/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/7d48ff1bb24e456287f37a800b29db4b/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/52aefea690144700a168db3821123f3a/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/cae065cb44ae4f50a635792e437c3081/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/1ffe2bd1f9b54ea58a49f0e693494a33/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/3be1975b364e4014b3b71722829dea46/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/d111acc181cf4588a417eda02242efc9/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/49d8fb1c7fe44ca3a97a0560cef06d73/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/3913b858ac264dd4a741893284a8f488/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/3c6946eb85b149759e5db92bbd6fcb93/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/e6b70660ba9049869d879019c7527e1f/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/9e661d007b844e27bf82bd6b2f2239b3/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/8bd417837da3426386a8966b3aa66527/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/d94e397f061b4bd294e12a3cd51309cf/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/3643ba363a074208b50c9b34d7a491dd/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/0fc2b7b9882847c096c19454c58b60ec/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/bcd18716e74e45e892b0f30112f9099f/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/ce59381c39d146b0bb44c6f826d33f0c/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/12960940804744af9fa6a1bcf9fd6ffb/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/a9e8eb2e749d43679fa2b2ac77d5714d/nld@2026‑01‑12;12401847
/join/id/regdata/ws0155/2023/f5cd3fd6d0404b4380bd686a6606d63c/nld@2026‑01‑12;12401847
/join/id/regdata/ws0155/2026/1cc41db05cd64998888b4b0305f2db3d/nld@2026‑07‑24;07292443
/join/id/regdata/ws0155/2023/2a7940b25a1c4d9bbe7a3cfeeac5485c/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/6a24ce6ec10243dba8a1dab4fcab11d3/nld@2026‑01‑12;12401847
/join/id/regdata/ws0155/2023/aae9c9a29185428286101ce64bbe81d6/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/2c36b8dde0bb496fb8631a743e8b9cb7/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/7a20e7d3e53d451eb79fe169e76605b2/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2025/573b1ca9ef8c46dca3c60b3f28e329a1/nld@2026‑01‑12;12401847
/join/id/regdata/ws0155/2023/2315c3db3bf84a599e60e08524401d4a/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/d611712428584cf69e2e614653581bae/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2025/573b1ca9ef8c46dca3c60b3f28e329a1/nld@2026‑01‑12;12401847
/join/id/regdata/ws0155/2023/832efc7d1a6b4e3b9cd7235c9abeb489/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/8a435a852eb648e29737cf848b7df9c7/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/07e55ec5324245fab920b81f585d2adf/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/658b03a8e77b4157b9d798d45a9f6b13/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/3862e07315164b2886081a90abeacaf6/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/07e55ec5324245fab920b81f585d2adf/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/4b76331abdd64e86809d7b919baad9e7/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/d02d9a3eab19467688209a9138fde567/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/b0fc9c61613549a5b908256bb9a0a5dd/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/a71708043c64486c88e8801e1dded760/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/d77ed30bb4344abda7f9cb0ca91b038d/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/b2339f01fd534f619f5a890a2d3c4684/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/535c5d9c806d49e18ade806211ca0a84/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/b4371c7d6e904f73af67bff7288ca8ee/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/7b3cb08d65ac4165950c73f58dad5688/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/3a6855b82a7a4d99a4a845fab99a9df7/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/0382cdd79f5e4157ba20f548b277758e/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/d1f2479728794dd1ba5c16142b598017/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/2174dc33dc944c9c970d1c4700a0438c/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/cecc9c03b0d04116b94f2fdd64ef7fb3/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/8aa6faef820a46dfbfa4edf5e2759262/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/9bf15c4746114ce3a156a88f1866e934/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/2eb98d8e8448452b8052d62e8733af6a/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/1d4eb9dc9cbe44c08d6f5793737ecae2/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/c3bd2839df304ba2adf737e3a2f5e869/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/7620a1761cc94fed9caba1afa86a66fb/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/114ed5d0ee274fba8dfd1c849009cfba/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/013544506be1446888dd0ad7622f484a/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2026/008449598d5247a4b2b1579d2f39e73b/nld@2026‑01‑12;12401847
/join/id/regdata/ws0155/2023/216ea54b0b244d1b983ad3ea9937be88/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/af5cfbb990214e628b39be57d7fec2ec/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/88596a2a8c5b408facf9eecd1d3a1afd/nld@2026‑01‑12;12401847
/join/id/regdata/ws0155/2023/3b5e068a7a8e4ac99a3a40001eda4b9b/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2026/fcb01361c5f346ca947618b0ddd4200f/nld@2026‑07‑24;07292443
/join/id/regdata/ws0155/2026/321dc5f83fb748558e8e17a21fca0100/nld@2026‑07‑24;07292443
/join/id/regdata/ws0155/2023/5e72f1cb6a744785b9973a0f49eeadcb/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/99f6c17e488c4c48af520e54cadb2fec/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/e85a09849d3e442184ac1c9100c72873/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/7af9279f0985427992614fc5fd80692b/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2026/362c5bbe6caf4e81bd59da6e864251ed/nld@2026‑07‑24;07292443
/join/id/regdata/ws0155/2026/6f958a4f14d7436b990c3f9d5af47e55/nld@2026‑07‑24;07292443
/join/id/regdata/ws0155/2026/8cc4a384d08e48509b0fafbe7e57ea1a/nld@2026‑07‑24;07292443
/join/id/regdata/ws0155/2023/73763c99df2f41d1a3d9d3e21cbcc1bd/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/14cab01945d84f61989b0f6ffe9df77e/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/99f6c17e488c4c48af520e54cadb2fec/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/e957295f468341d0aa393fc93e3d1068/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/9e21fedee6274ddea06ff42ca0605943/nld@2024‑04‑11;15112272
/join/id/regdata/ws0155/2023/6e611990c6984281b8afa6048af09480/nld@2024‑04‑11;15112272
EE
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De figuur hieronder betreft een schematische doorsnede van een steiger, en is bedoeld om gebruikte begrippen te verduidelijken.
De onderstaande illustraties zijn een schematische uitwerking van het ontwerp van een steiger of aanmeergelegenheid. Het ontwerp is erop gericht de doorstroming van het water in stand te laten, de constructie te beperken tot het minimaal noodzakelijke en de ecologische kwaliteit van de oeverzone zo min mogelijk aan te tasten. De maatvoering en ontwerpelementen, waaronder de open constructie en de golfbreker, dienen ertoe de negatieve effecten van de steiger op oever en de ontwikkeling van waterplanten te voorkomen dan wel te beperken.
Maatvoeringen moeten worden gelezen als vereiste ontwerpkenmerken van een steiger bij een oever. Zij verduidelijken hoe het ontwerp zich verhoudt tot de oeverlijn, het natte en droge talud, de waterlijn en de constructieve elementen van de steiger. De afmeting van minimaal 1500mm moet worden gemeten vanaf een eventueel aanwezige rietkraag. Bij het toepassen van dit ontwerp moet tevens worden voldaan aan de algemene regels, en de specifieke zorgplichten. Met het toepassen van dit ontwerp wordt in beginsel voldaan aan de uitgangspunten die gelden voor een steiger.
FF
Binnen bijlage III wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
|
Kolom 1 |
Kolom 2 |
Kolom 3 |
|
Vergunningplichtige activiteiten |
Beperkingengebied |
Gegevens en bescheiden |
|
|
Bij het aanbrengen, hebben of verwijderen: - een motivering voor:
b. de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de voorkeursvolgorde voor afvloeiend hemelwater - een berekening waaruit blijkt dat het bodemenergiesysteem geen negatieve invloed heeft op |
GG
Binnen bijlage III wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
|
Kolom 1 |
Kolom 2 |
Kolom 3 |
|
Vergunningplichtige activiteiten |
Beperkingengebied |
Gegevens en bescheiden |
|
|
Bij het oprichten, hebben, wijzigen of verwijderen: - een overzicht van de huidige begroeiing van de oever - - een onderbouwing bij primaire wateren dat na aanleg van het (bouw)werk het leggerprofiel in stand blijft - een onderbouwing bij secundaire wateren dat na aanleg van het (bouw)werk de minimale waterdiepte in stand blijft - Indien een kleinere gronddekking dan 1,00 meter aan de bovenkant van het (bouw)werk is gewenst, een onderbouwing waaruit blijkt dat het (bouw)werk afdoende wordt beschermd tegen mogelijke aantasting van buitenaf |
HH
Binnen bijlage III wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
|
Kolom 1 |
Kolom 2 |
Kolom 3 |
|
Vergunningplichtige activiteiten |
Beperkingengebied |
Gegevens en bescheiden |
|
|
- Een berekening, door een deskundige, van de gevolgen van de demping voor het zettingsproces van de waterkering, voor zover de demping plaatsvindt binnen de beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en/of waterkerende constructie- Een overzicht van de huidige begroeiing in een groene oeverzone. - Bij herstel van de oorspronkelijke oeverlijn:- Een onderbouwing bij secundaire wateren dat na herstel van de oorspronkelijke oeverlijn de onderhoudsdiepte, bedoeld in het Onderhoudsbesluit AGV, Bijlage II, onder 1.2, in de vierde kolom onder 3, in stand blijft - Bij compensatie door alternatieve regenwaterberging met behulp van laaggelegen land: - Een motivering dat het effect van de alternatieve hemelwaterberging op het watersysteem gelijkwaardig is aan het effect van compensatie door de aanleg van water -Een toelichting op de geplande compensatie door het graven van open water, met locatie op kaart waar het open water wordt gegraven. |
II
Binnen bijlage III wordt na sectie 16 een sectie ingevoegd, luidende:
JJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het waterschap is belast met de zorg voor het watersysteem. De zorg voor watersysteem omvat het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunende waterstaatkundige kunstwerken.
Het beheer van het watersysteem is geregeld in de Omgevingswet, als onderdeel van het beheer van de fysieke leefomgeving. Van de fysieke leefomgeving maken voorts deel uit: bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht, natuur, landschap en cultureel erfgoed. De Omgevingswet wil samenhangende, doelmatige en vereenvoudigde regels stellen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving met het oog op duurzame ontwikkeling. Het maatschappelijke doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: - een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit bereiken en in stand houden; en - het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen.
Het waterschap oefent zijn taken en bevoegdheden uit met het oog op de doelstellingen van waterbeheer, zoals verwoord in artikel 4.23 van de Omgevingswet en artikel 1.1.4.11.7 van de Waterschapsverordening: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Voor waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen zijn de doelstellingen van waterbeheer uitgewerkt in omgevingswaarden. Een omgevingswaarde geeft de gewenste staat of kwaliteit van het waterstaatswerk weer. Het Rijk en de provincies hebben omgevingswaarden vastgesteld voor primaire en regionale waterkeringen in respectievelijk het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en de provinciale Omgevingsverordeningen. In de Omgevingsverordeningen zijn tevens omgevingswaarden vastgesteld voor wateroverlast en voor de ecologische waterkwaliteit van het regionale watersysteem zoals vereist in de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Voor omgevingswaarden geldt een monitoringsplicht waarbij de staat en kwaliteit van het watersysteem systematisch wordt gemonitord. Voorts is het waterschap in het kader van het waterkwantiteitsbeheer verantwoordelijk voor het vaststellen en handhaven van het oppervlaktewaterpeil, en in tijden van droogte het verdelen van het beschikbare water over de verschillende maatschappelijke belangen volgens de ‘verdringingsreeks’. Tot slot is het waterschap belast met de calamiteitenzorg voor het watersysteem in zijn beheergebied.
In zijn waterbeheerprogramma bepaalt het waterschap welke maatregelen het gaat uitvoeren om de doelstellingen van waterbeheer te bereiken. Het is de taak van het waterschap de staat en werking van het watersysteem te beheren en verbeteren, met het oog op het bereiken van de doelstellingen van waterbeheer tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten, nu en in de toekomst.
KK
Na sectie ' Lozen van afvalwater of stoffen op oppervlaktewater' worden zeven secties ingevoegd, luidende:
In kwelgebieden (buiten-PWIS gebieden) werken waterinfiltratiesystemen contraproductief. Hierom is het aanleggen van waterinfiltratiesystemen in kwelgebieden in beginsel verboden.
Werken die in of boven het water worden aangebracht mogen geen negetief effect hebben op de waterkwaliteit. Steigers worden over het algemeen aangebracht in de zone waar de ecologische waarden het hoogst zijn – in de overgangszone tussen land en oever, waar de waterbodem ondiep genoeg is voor de groei van waterplanten. Door beschaduwing van objecten boven het water kunnen waterplanten niet of minder goed groeien. Om negatieve effecten te kunnen beoordelen en toe te kunnen zien op de compensatie voor de effecten is een vergunning verplicht voor de aanleg van nieuwe steigers. Alleen wanneer er buiten de gebieden op de knelpuntenkaart een T-steiger wordt aangelegd zoals bedoeld in Bijlage 2 is geen vergunning vereist, omdat deze netto geen negatief effect kent door de beperkte oppervlakte en de aanwezigheid van een golfbreker. Deze zorgt voor het creëren van een luwtezone waar waterplanten beter kunnen groeien ter compensatie van de schaduwwerking.
Met dit artikel is een afzonderlijke vergunningplicht voor duikers in primaire wateren opgenomen. Voorheen vielen duikers onder de algemene vergunningplicht voor bouwwerken en andere werken (artikel 2.47). Door een eigen artikel wordt voor initiatiefnemers helder dat voor duikers in primair water altijd een vergunning vereist is, ongeacht of zij onderdeel uitmaken van een dam of ander werk.
Voor het aanleggen van beschoeiingen in primair water, waaronder in ieder geval traditionele harde beschoeiingen en beschoeiingen geldt op grond van dit artikel een vergunningplicht.
Werken die in of boven het water worden aangebracht mogen geen negetief effect hebben op de waterkwaliteit. Steigers worden over het algemeen aangebracht in de zone waar de ecologische waarden het hoogst zijn – in de overgangszone tussen land en oever, waar de waterbodem ondiep genoeg is voor de groei van waterplanten. Door beschaduwing van objecten boven het water kunnen waterplanten niet of minder goed groeien. Om negatieve effecten te kunnen beoordelen en toe te kunnen zien op de compensatie voor de effecten is een vergunning verplicht voor de aanleg van nieuwe steigers. Alleen wanneer er buiten de gebieden op de knelpuntenkaart een T-steiger wordt aangelegd zoals bedoeld in Bijlage 2 is geen vergunning vereist, omdat deze netto geen negatief effect kent door de beperkte oppervlakte en de aanwezigheid van een golfbreker. Deze zorgt voor het creëren van een luwtezone waar waterplanten beter kunnen groeien ter compensatie van de schaduwwerking.
Met dit artikel is een afzonderlijke vergunningplicht voor duikers in secundaire wateren opgenomen. Voorheen vielen alle losse duikers in secundaire wateren onder de algemene vergunningplicht voor bouwwerken en andere werken (artikel 2.52). Nu geldt de vergunningplicht alleen voor:
Lid 1: duikers in secundair water met vaarfunctie;
Lid 2: duikers met een lengte van meer dan 15 meter in secundair water zonder vaarfunctie
Voor duikers korter dan 15 meter in secundair water zonder vaarfunctie geldt geen vergunningplicht, mits wordt voldaan aan de specifieke zorgplichten van artikel 3.39a. Duikers met een lengte groter dan 15 meter hebben een effect op de ecologie van het betreffende oppervlaktewaterlichaam. Omdat het waterschap dit effect wil kunnen toetsen, is er een vergunningplicht voor de aanleg, het hebben, wijzigen of verwijderen van duikers met een lengte groter dan 15 meter.
Het onderscheid met de vergunningplicht van artikel 2.52 is gemaakt om duidelijkheid te scheppen over de vergunningplicht voor duikers, ongeacht of zij onderdeel uitmaken van een dam of ander werk.
Voor het aanleggen van beschoeiingen in secundair water anders dan bedoeld in artikel 3.32 geldt op grond van dit artikel een vergunningplicht. Dit betekent dat traditionele harde beschoeiingen in ieder geval onder deze vergunningplicht vallen.
LL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het eerste lid van dit artikel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt verleend. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als, kort gezegd, de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met de doelen van het waterbeheer. Als de aangevraagde activiteit niet met deze doelen verenigbaar is, dan wordt de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning geweigerd. Deze beoordelingsregel sluit aan op de beoordelingsregel die het Rijk hanteert voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet (zie artikel 8.84, eerste lid, van het Bal). Het tweede en derde lid van dit artikel bevatten de beoordelingsregels die volgens de instructieregel van artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen. Inhoudelijk zijn deze leden een voortzetting van de regel die voorheen in artikel 6.1a van het Waterbesluit was opgenomen, maar dan beter toegesneden op de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt. In aanvulling op deze algemene beoordelingsregels, zijn specifieke beoordelingsregels voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten die betrekking hebben op een waterstaatswerk opgenomen in de hoofdstukken 2 tot en met 4.
De Omgevingswet introduceert het begrip beoordelingsregels. Elke regeling waarin vergunningplichtige gevallen worden aangewezen, bevat tevens de beoordelingsregels op grond waarvan de activiteit wordt beoordeeld. Beoordelingsregels kunnen algemeen zijn gesteld of specifiek voor een bepaalde activiteit. In de Waterschapsverordening is gekozen voor algemeen gestelde beoordelingsregels voor de verschillende onderdelen van het watersysteem – waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en grondwater. Alleen voor de activiteit van stedelijk uitbreiding zijn specifieke beoordelingsregels opgesteld. Stedelijke uitbreiding vindt doorgaans overwegend plaats buiten het watersysteem, waardoor de beoordelingsregels voor de verschillende onderdelen van het watersysteem niet altijd van toepassing zijn. Daarnaast kan stedelijk uitbreiding vaak nadelige gevolgen hebben voor meerdere onderdelen van het watersysteem. Om deze redenen zijn integrale beoordelingsregels opgesteld specifiek voor stedelijke uitbreiding.
Beoordelingsregels
Beoordelingsregels
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een activiteit in het watersysteem wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingsregels in artikel 2.58 van de Waterschapsverordening. De beoordelingsregels bestaan uit de oogmerken en de objectgerichte specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening. Een omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met de oogmerken en objectgerichte specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening voor de verschillende onderdelen van het watersysteem. Dit betekent dat een integrale, volledige toetsing wordt uitgevoerd op de beoordelingsregels voor de onderdelen van het watersysteem. Voor stedelijke uitbreiding gelden zoals gezegd specifieke beoordelingsregels; deze beoordelingsregels zijn integraal. Dat wil zeggen dat ze de mogelijke nadelige gevolgen van extra verharding voor de verschillende onderdelen van het watersysteem integraal afdekken.
Maatwerkvoorschriften en activiteitgerichte specifieke zorgplichten
Maatwerkvoorschriften en activiteitgerichte specifieke zorgplichten
Het bestuur kan, op grond van artikel 2.5.2.1 van de Waterschapsverordening, in aanvulling of afwijking van de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in hoofdstuk 3 een maatwerkvoorschrift opleggen met het oog op de belangen in de oogmerken en objectgerichte specifieke zorgplichten in hoofdstuk 2. Daarmee zijn de beoordelingsregels voor vergunningverlening van overeenkomstige toepassing op maatwerkvoorschriften. In de activiteitgerichte specifieke zorgplichten heeft in beginsel al een integrale afweging van de objectgerichte specifieke zorgplichten en oogmerken plaatsgevonden voor de betreffende activiteit. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift behoeft daarom niet opnieuw een integrale beoordeling plaats te vinden, maar alleen een beoordeling op het aspect van de activiteit waarvoor het maatwerkvoorschrift gesteld wordt.
KRW
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) verplicht om uiterlijk op 22 december 2015 een goede toestand, dan wel een goed ecologisch potentieel (GEP), te bereiken in alle KRW-waterlichamen. Door toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid van doelfasering in eerdere stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s), is deze datum uitgesteld tot 22 december 2027. Hoewel de resultaatsverplichting pas in 2027 geldt, is de KRW wel al volledig van kracht. Dit betekent onder meer dat het zogeheten achteruitgangsverbod geldt. Dit houdt in dat goedkeuring voor een project of activiteit geweigerd moet worden wanneer dat project de toestand van het betreffende waterlichaam kan verslechteren of het bereiken van een goede toestand of GEP van oppervlaktewaterlichamen in gevaar kan brengen. Na vaststelling van de doelen in de SGBP's is er in de regulering van activiteiten geen ruimte meer voor een belangenafweging tussen een mogelijk kleine achteruitgang of afwijking van de vastgestelde doelen en het belang van een wateractiviteit. Dit betekent in de praktijk dat bij activiteiten die gereguleerd worden door de Waterschapsverordening alle negatieve effecten voor de ecologische kwalitieit gecompenseerd moeten worden en anders niet kunnen worden toegestaan. Deze werkwijze sluit aan bij het Toetsingskader Waterkwaliteit Regionale Wateren van STOWA, dat aangeeft: “het uitgangspunt van het Toetsingskader Waterkwaliteit [is] Regionale Wateren om álle permanente negatieve effecten te voorkomen of vereffenen. Dit is een veilige manier om te voldoen aan het achteruitgangsverbod van de KRW”. Het is daarom bij de beoordeling van activiteiten niet vereist dat er eerst wordt vastgesteld dat er sprake is van een achteruitgang in een toestandsklasse of EKR-score.
Biologisch kwaliteitselementen (vis, waterplant, macrofauna of fytoplankton) kunnen voornamelijk in een bepaald gedeelte van een oppervlaktewaterlichaam voorkomen. Op dit moment heeft AGV geen Ecologisch Relevant Areaal (ERA) vastgesteld, waardoor al het oppervlaktewater als ERA wordt beschouwd. Bij het bepalen van negatieve effecten wordt in beginsel geen rekening gehouden met in welk deel van het oppervlaktewaterlichaam de activiteit wordt uitgevoerd. Dit sluit ook aan op de gehanteerde methodiek van het Toetsingskader Waterkwaliteit Regionale Wateren van STOWA.
Beheer en onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten
Beheer en onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten
AGV heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen dat de waterkeringen en het oppervlaktewatersysteem ook in de toekomst voldoen aan de eisen van veiligheid, het voorkomen van wateroverlast, het kunnen handhaven van een adequaat waterpeil en een voldoende waterkwaliteit. Het waterschap pleegt daartoe daarom beheer en onderhoud. Een activiteit kan het uitvoeren van beheer en onderhoud belemmeren. Dat kan betekenen dat het onderhoud op een andere manier dan gebruikelijk moet worden uitgevoerd, die misschien duurder is of meer tijd kost. Het is in het belang van het waterschap en zijn ingelanden dat de lasten van waterbeheer maatschappelijk aanvaardbaar blijven, nu en in de toekomst. Afwenteling van lasten naar de toekomst is onwenselijk. Activiteiten die leiden tot een substantiële verzwaring van de maatschappelijke lasten worden dan ook in principe niet toegestaan.
Zwaarwegende redenen van openbaar belang
Zwaarwegende redenen van openbaar belang
Activiteiten die leiden tot een andere – duurdere of meer tijdrovende – manier van onderhoud, kunnen in uitzonderlijke gevallen toch een vergunning krijgen. Dat kan als er sprake is van ‘zwaarwegende redenen van openbaar belang’. Dit is het geval als het medegebruik een algemeen en publiek belang dient. Veelal zal dat het geval zijn bij publieke werken in opdracht van overheden, openbare instanties of privaatrechtelijke organisaties die een publiek belang behartigen. Voorbeelden zijn de aanleg van wegen, tunnels en aquaducten. Er bestaat in beginsel geen aanleiding om medegebruik van zuiver particulier belang toe te staan. Inwoners van het beheergebied van AGV moeten de hogere lasten blijvend opbrengen, zonder dat de voordelen van het particuliere medegebruik ten goede komen aan deze inwoners.
Beoordelingsmaatstaven
Beoordelingsmaatstaven
Aan de beoordeling of zwaarwegende redenen van openbaar belang aanwezig zijn, gaat de vraag vooraf of geen acceptabele alternatieven aanwezig zijn om de activiteit elders uit te voeren. Wanneer op zichzelf wel acceptabele alternatieven bestaan maar de activiteit onvermijdelijk is op basis van geldende wet- en regelgeving (bijvoorbeeld als een leidingbeheerder een leveringsplicht heeft voor een bepaald voorzieningengebied) komt het waterschap ook niet toe aan de beoordeling of er zwaarwegende redenen van openbaar belang zijn om de activiteit toe te staan.
Bij een zwaarwegende reden van openbaar belang moet het allereerst gaan om een activiteit van openbaar belang. Over het algemeen is dat het geval bij een initiatief van een overheid, een openbare instantie of een particuliere organisatie die een openbaar belang behartigt. Vervolgens dient het betreffende openbaar belang ‘zwaarwegend’ te zijn, in die zin dat het betreffende openbaar belang de (toekomstige) extra kosten van beheer door het waterschap kan rechtvaardigen. Een belangrijke afweging daarbij is dat de activiteit niet leidt tot maatschappelijk onaanvaardbare lasten van inspectie, onderhoud of verbetering van de waterstaatswerken, ofwel dat de extra lasten worden gedragen door de aanvrager of de toekomstige rechthebbenden van het werk. Afspraken over kosten van beheer en onderhoud en toekomstige vervanging die afwijken van de reguliere onderhoudsplicht worden vastgelegd in een beheerovereenkomst. De beoordeling of in een concreet geval ‘zwaarwegende reden van openbaar belang’ aanwezig zijn, is zuiver bestuurlijk van aard.
MM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Dit betreft een ruime bevoegdheid: maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.4, over de algemene regels over ongewone voorvallen en over de algemene regels over lozingsactiviteiten in de afdelingen 2.2 tot en met 2.18. De keuze om maatwerkvoorschriften generiek mogelijk te maken sluit aan bij de keuze die het Rijk heeft gemaakt in het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften is de opvolger van onder meer de maatwerkbevoegdheden ter uitwerking van de zorgplichten van artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens, en de specifieke maatwerkbevoegdheden die in diverse artikelen van die besluiten waren opgenomen. Met het verruimen van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen, wordt overigens niet beoogd dat het bevoegd gezag vaker dan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet gebruik zal maken van die bevoegdheid. Maatwerk blijft een uitzondering; de algemene regels in dit hoofdstuk voldoen in de meeste gevallen. Maar als lokale omstandigheden of een bijzondere bedrijfsvoering maatwerk nodig maken, dan kan daarin wel worden voorzien.
MaatwerkDe activiteitgerichte specifieke zorgplichten (gebaseerd op afdeling 3.2) kunnen in individuele gevallen te ruim of te streng zijn. In die gevallen kan het bestuur maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften stellen. Het bestuur kan zelfstandig een maatwerkvoorschrift nemen of op aanvraag van een belanghebbende. Het waterschap toetst een aanvraag voor een maatwerkvoorschrift aan de beoordelingsregels in artikel 2.5.1.12.58 van de Waterschapsverordening, dat wil zeggen de oogmerken van watersysteembeheer en de (objectgerichte) specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening. Eventueel met behulp van de beleidsregels. De beleidsregels voor vergunningen zijn dus ook van toepassing op de beoordeling van aanvragen van maatwerkvoorschriften.
Samenloop vergunning en maatwerkvoorschriftenHet bestuur neemt het maatwerkvoorschrift op in een apart maatwerkvoorschrift, tenzij voor de activiteit ook een vergunning nodig is. In dat geval neemt het waterschap het maatwerk op in een vergunningvoorschrift. Als het maatwerk onderdeel is van de vergunning, kunnen belanghebbenden bezwaar en beroep instellen tegen het verlenen van de vergunning. In die procedure kan de belanghebbende ook het maatwerk betrekken.
Welke gevallen? Er zijn vier vormen maatwerkvoorschriften: - Maatwerkvoorschriften waarbij het waterschap onderwerpen nader invult of aanvult; - Maatwerkvoorschriften waarbij het waterschap strengere eisen oplegt dan in de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening staan; - Maatwerkvoorschriften waarbij het waterschap minder strenge eisen oplegt dan in de activiteitgerichte specifieke zorgplichten in de Waterschapsverordening staan; - Maatwerk is ook mogelijk in de gevallen waarin in een activiteitgerichte specifieke zorgplicht de formulering ‘niet is toegestaan …’ is gebruikt voor een specifiek onderwerp.
NN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bestuur is bevoegd om zowel de kwalificatie van het waterstaatswerk als de geometrische begrenzing van het waterstaatswerk te wijzigen in Bijlage IVI. Met kwalificatie van het waterstaatswerk wordt bedoeld de aanwijzing van een waterkering als waterkerend dijklichaam, halfverholen waterkering of verholen waterkering; of de aanwijzing van een water als primair of secundair water. Een wijziging van de geometrische begrenzingen in Bijlage IVI zal vaak voortvloeien en samenlopen met een wijziging van de legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet. Wijzingen kunnen ontstaan door werken van het waterschap zelf – denk aan dijkverbeteringen of -verleggingen, of waterinrichtingsplannen - of door werken van inwoners op grond van een vergunning – denk aan watercompensatie bij stedelijk uitbreiding of het graven van een jachthaven of insteekhaven. Een wijziging van Bijlage IVI geldt als een wijziging van de waterschapsverordening.
OO
Na sectie ' Meldplicht' worden vier secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel bevat de specifieke zorgplicht voor bruggen en dammen. Aangezien er een apart zorgplichtartikel voor duikers is toegevoegd (artikel 3.39a), zijn de bepalingen die betrekking hadden op duikers uit dit artikel verwijderd. Hiermee is de zorgplicht voor duikers en voor bruggen en dammen duidelijk gescheiden, zodat initiatiefnemers weten welke regels van toepassing zijn op hun activiteit.
Met dit artikel is de specifieke zorgplicht voor duikers in secundaire wateren zonder vaarfunctie vastgelegd. Een deel van deze regels is overgenomen uit het voormalige artikel 3.39, aangevuld met nieuwe bepalingen om de ecologische toestand van het water beter te waarborgen. De regels zijn zo opgesteld dat, wanneer hieraan wordt voldaan, de duiker geen ecologisch nadelig effect heeft. Als aan de voorschriften in de specifieke zorgplicht wordt voldaan, kan de activiteit zonder vergunning worden uitgevoerd, mits ten minste vier weken vooraf een melding wordt gedaan (zie artikel 3.40a).
De aanleg van een duiker gaat in de praktijk vaak samen met een vergunningplichtige activiteit, zoals het verbinden van twee oppervlaktewaterlichamen of het aanleggen van een dam. Bij aanleg van de duiker moet rekening worden gehouden met natuurwetgeving. In Natura 2000-gebieden wordt bij voorkeur een faunapassage toegepast om de migratie van dieren te ondersteunen.
Dit artikel introduceert een meldingsplicht voor duikers in secundair water zonder vaarfunctie, buiten de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en buiten de kernzone of beschermingszone van een half-verholen waterkering. De melding moet ten minste vier weken voor de uitvoering worden gedaan, als voor de activiteit geen vergunning vereist is.
In de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en een half-verholen waterkering geldt altijd een vergunningplicht. De meldingsplicht zorgt ervoor dat het waterschap tijdig inzicht heeft in geplande werkzaamheden en kan beoordelen of deze voldoen aan de geldende zorgplichten.
Dit artikel introduceert een meldingsplicht voor passieve waterinfiltratiesystemen binnen het werkingsgebied PWIS-gebieden. Waterinfiltratiesystemen (WIS) zijn infiltratiebuizen (drains) in de bodem. De infiltratiebuizen staan in permanente verbinding met de sloot en zijn altijd gevuld met water. WIS is een manier om de grondwaterstanden in het zomerhalfjaar te verhogen en zo bodemdaling en veenafbraak te remmen. WIS heeft ook als eigenschap dat in het zomerhalfjaar de voorraad grondwater in de bodem hoog wordt gehouden (wateropslag in de bodem), en in de winter bij een neerslagoverschot juist het omgekeerde (minder opslag van water in de bodem/snellere afvoer). Bij een passief waterinfiltratiesysteem (PWIS) vullen de drains zich door natuurlijke waterdruk vanuit de sloot. Andere effecten zijn een toename van de watervraag, kans op meer wateroverlast, mogelijke effecten op de waterkwaliteit en grotere fluctuaties in oppervlaktewaterpeilen. Vanwege de effecten van WIS wil het waterschap zicht houden op de aanwezigheid van passieve waterinfiltratiesystemen in het beheergebied. Daarom stelt het waterschap een meldplicht in voor de aanleg van passieve waterinfiltratiesystemen.
PP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage Iartikel 1.1. Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd in het oppervlaktewater worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Hierbij wordt voor lozingen in het oppervlaktewater een onderscheid gemaakt tussen lozingen in aangewezen wateren (wateren die geen bijzondere bescherming behoeven) en niet-aangewezen wateren (wateren die wel bijzondere bescherming behoeven). De lijst van aangewezen wateren is opgenomen in bijlage III bij deze verordening. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIWrapport ‘Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen’ van januari 1999 ten grondslag. De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in het oppervlaktewater van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden op grond van tabel 3.3, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via zo’n voorziening geloosd mogen worden.
Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.
RR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage Iartikel 1.1. Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
SS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is niet van toepassing op lozingen van koelwater afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Bij het opstellen van dat besluit is al beoordeeld bij welke milieubelastende activiteiten koelwater kan vrijkomen. Als dat het geval is, zijn er in dat besluit regels over het lozen van koelwater opgenomen. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder dat besluit vallen. Voor die bedrijven is daarom in dit artikel het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een hemelwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan. Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd. De maximaal te lozen warmtevracht hangt af van het type oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage III bij deze verordening; andere oppervlaktewaterlichamen zijn nietaangewezen oppervlaktewaterlichamen. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 kJ per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd: De warmtevracht = L x ΔT x W, waarbij L = lozingsdebiet (m3/s) ΔT = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius. W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging. Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.
TT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Inzet van een adviseurIn de Algemene wet bestuursrecht staan bepalingen die betrekking hebben op een zorgvuldige voorbereiding en belangenafweging (Afdeling 3.2 Awb). Er staan onder andere bepalingen in over het inwinnen van deskundig en onafhankelijk advies. Als het bestuur besluit een adviseur in te zetten bij een verzoek tot schadevergoeding, zijn de bepalingen over advisering van toepassing (Afdeling 3.3 Awb).
ReactietermijnAls het bestuur besluit tot inzetten van een adviseur, dan moet dat binnen vier weken. Als het verzoek tot schadevergoeding nog niet voldoet aan de wettelijke vereisten (zie artikel 4.1.1.1) of als het bestuur nadere gegevens en papieren vraagt aan de verzoeker, begint de termijn van vier weken pas als de aanvrager daar aan heeft voldaan. Dit is om te voorkomen dat het waterschap het verzoek in handen moet stellen van de adviseur terwijl de aanvrager nog niet aan de wettelijke vereisten heeft voldaan of het bestuur nog in afwachting is van gevraagde nadere informatie. Normaal gesproken beslist het bestuur binnen 24 weken na ontvangst van het verzoek, bij inschakeling van een adviseur: • In handen stellen van het verzoek aan een adviseur: 4 weken • Uitbrengen conceptadvies door de adviseur: 8 weken • Schriftelijke bedenkingen op het conceptadvies: 4 weken • Uitbrengen definitief advies door de adviseur: 4 weken • Beslissing door het bestuur: 4 weken Het bestuur kan deze termijn voor ten hoogste 12 weken verdagen.
/join/id/pubdata/ws0155/2026/ee1a4ede0b384e3c8cf8e5f3e875668c/nld@2026‑07‑24;07292443
/join/id/pubdata/ws0155/2026/681f6593e44f4c248ba601b048e83887/nld@2026‑07‑24;07292443
/join/id/pubdata/ws0155/2026/fbe6038e863e4ca8a10c7da091dd93cd/nld@2026‑07‑24;07292443
/join/id/pubdata/ws0155/2026/13c0db4ad5f94b5193d913cb656fab93/nld@2026‑07‑24;07292443
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2026-19943.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.