Waterschapsblad van Waterschap Vechtstromen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Vechtstromen | Waterschapsblad 2026, 15247 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Vechtstromen | Waterschapsblad 2026, 15247 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
4de wijziging Waterschapsverordening: redactionele wijzigingen, termijn meldingen, NEN-normen, wijziging vrijstelling werken van beperkte omvang en beperkingengebieden
de Waterschapsverordening waterschap Vechtstromen te wijzigen,
zoals is aangegeven in Bijlage A.
Dit besluit kan worden aangehaald als: 4de wijziging Waterschapsverordening:redactionele wijzigingen, termijn meldingen, NEN-normen, wijziging vrijstelling werken van beperkte omvang en beperkingengebieden.
Aldus vastgesteld in de vergadering d.d. @@ @@ 2026.
Het dagelijks bestuur,
dr. S.M.M. Kuks, watergraaf drs. R.I. Andringa, secretaris
A
Artikel 1.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden:
een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied;
een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding;
de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade ofwaterkering, tenzij redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat de activiteit invloed heeft op de stabiliteit van de waterkering;
de naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer van degene die de activiteit verricht;
de naam, het adres en het telefoonnummer van degene die eventueel als gemachtigde optreedt en de aanvraag indient; en
de dagtekening.
Een aanvraag die elektronisch wordt ingediend bevat de gegevens en bescheiden die in één van de volgende bestandsformaten zijn gekenmerkt als alleen lezen:
B
Artikel 1.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De hoofdstukken 2, 3 en 4 zijn niet van toepassing op activiteiten die het waterschap uitvoert of laat uitvoeren, in het belang van de aan het waterschap opgedragen taken op grond van artikel 1 van de Waterschapswet en die vallen onder beheer, zijnde onderhoud en herstel van waterstaatswerken.
De hoofdstukken 2, 3 en 4 zijn niet van toepassing op het aanleggen, wijzigen en in stand houden van waterstaatswerken door of namens het waterschap, als er geen effect is op het streefpeil en:
het waterstaatswerk niet meer dan 10 meterm wordt verplaatst;
de aanleg of de wijziging van het waterstaatswerk een oppervlakte van niet meer dan 15m2 boven het maaiveld, gemeten ter hoogte van het waterstaatswerk, betreft;
bij de wijziging van het waterstaatswerk de oppervlakte niet meer dan 15m2 toeneemt ten opzichte van het bestaande waterstaatswerk, gemeten boven de waterspiegel bij het streefpeil; en
de aanleg of de wijziging van het waterstaatswerk niet hoger dan 3 m boven het maaiveld, betreft, gemeten ter hoogte van het waterstaatswerk, betreft; of.
de wijziging van het waterstaatswerk alleen de materiaalsoort betreft.
In afwijking van het tweede lid zijn de hoofdstukken 2, 3 en 4 niet van toepassing op het aanleggen en in stand houden van een stuw door of namens het waterschap in een oppervlaktewaterlichaam, in het beperkingengebied droogtestuwen als bedoeld in afdeling 1.3, als de stuw wordt aangelegd tijdens droogte in de periode van 1 maart tot 1 november.
C
Artikel 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en:
aangetoond is dat de brug nodig is om op een efficiënte manier van het ene perceel op het andere perceel te komen;
er geen gebruik gemaakt kan worden van een bestaande overgang;
er op de betreffende percelen nog geen brug geplaatst is, en als er al wel een brug geplaatst is de afstand tussen de bruggen 250 meter of meer is;
de brug geen wateroverlast veroorzaakt;
als het oppervlaktwaterlichaam van insteek tot insteek minder dan 10 meter breed is, de brug geen pijlers bevat;
de onderzijde van het brugdek niet lager dan de insteek van het oppervlaktewaterlichaam ligt;
de aanleg en de instandhouding van de brug het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmert;
als er sprake is van onderhoud door middel van een maaiboot, de doorvaarthoogte 1 meter of meer is en de doorvaartbreedte 3,50 meter of meer is;
als er sprake is van een vaarweg, de brug het gebruik van de vaarweg niet belemmert;
als er sprake is van hogere doorstroomsnelheden door de aanleg van de brug, er voorzieningen worden aangelegd om onder andere schade aan de taluds te voorkomen;
de taluds afdoende beschermd worden, in het bijzonder onder de brug waar nauwelijk plantengroei is; en
de brug geen belemmering voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden vormt als deze in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie wordt aangelegd;
de brug in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie geschikt is voor het migreren van fauna; en
de aan te leggen brug geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
D
Artikel 2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en:
de dam met duiker noodzakelijk is voor de verkeersfunctie; en
de dam met duiker niet wordt aangelegd voor een verkeersfunctie, het belang van de aanvraag zwaarder weegt dan het waterstaatskundig belang;
de diameter van de dam met duiker is afgestemd op de ter plaatse geldende toegestane opstuwing en maatgevende aan- en afvoer;
de inwendige diameter van de dam met duiker minimaal 0,50 meter is;
bij een dam met duiker langer dan 25 meter het verlies aan bergend vermogen wordt gecompenseerd;
bij een ronde duiker 10 % van de inwendige diameter onder de vaste bodem wordt aangelegd;
de dam met duiker niet binnen een afstand van 10 meter op een ander werk wordt aangelegd;
in een dam met duiker langer dan 50 meter één of meerdere inspectieputten worden geplaatst; en
de dam met duiker geen belemmering voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden vormt als deze in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie wordt aangelegd;
de dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie geschikt is voor het migreren van fauna; en
de dam met duiker geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
E
Artikel 2.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend als voldaan wordt aan artikel 1.14 en:
de stabiliteit van de taluds niet op een andere wijze gerealiseerd kan worden;
de voorziening geen nadelige effecten oplevert voor de toegankelijkheid met onderhoudsmaterieel langs het oppervlaktewaterlichaam en voor het uitvoeren van onderhoud aan het profiel van het oppervlaktewaterlichaam;
bij de aanleg van de voorziening rekening wordt gehouden met de passeerbaarheid van fauna; en
in oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie het negatieve effect als gevolg van het aanleggen van de voorziening voldoende wordt gecompenseerd; en
de voorziening geen belemmering vormt voor een vastgesteld ontwerp projectbesluit, een vastgesteld projectbesluit, een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning, een verleende omgevingsvergunning, een vastgesteld ontwerp waterbeheerprogramma of een vastgesteld waterbeheerprogramma van het waterschap.
F
Artikel 2.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om een kabel aan te leggen en in stand te houden in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen zonder dit tenminste 14 dagen en ten hoogste een jaar voor aanvanghet begin ervan te melden als:
de spanning op de kabel maximaal 100 kV is;
de kabel evenwijdig aan het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd, en deze ten minste 2 meter uit de insteek wordt aangelegd;
de kabel het oppervlaktewaterlichaam kruist en deze ten minste 1 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam en ten minste 1 meter uit de insteek wordt aangelegd;
in afwijking van het genoemde onder c, de kabel ten minste 4 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd als de kabel een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen als vaarweg kruist;
de kabel de bovenzijde van een duiker kruist, en deze in een mantelbuis wordt aangelegd die tenminste 3 meter uitsteekt aan weerszijden van de duiker en met ten minste 1 meter grond wordt afgedekt; en
de kabel in de zone van het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde het oppervlaktewaterlichaam zelf, ten minste 1 meter onder het maaiveld wordt aangelegd.
G
Artikel 2.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om een leiding aan te leggen en in stand te houden in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen zonder dit tenminste 14 dagen en ten hoogste een jaar voor aanvanghet begin ervan te melden als:
de diameter van de leiding maximaal 1 meter is;
de druk in de leiding maximaal 10 bar is;
de leiding evenwijdig aan het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd, en deze ten minste 2 meter uit de insteek wordt aangelegd;
de leiding het oppervlaktewaterlichaam kruist en deze ten minste 1 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam en ten minste 1 meter uit de insteek wordt aangelegd;
in afwijking van het genoemde onder d, de leiding ten minste op 4 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd als dit oppervlaktewaterlichaam is aangewezen als vaarweg;
de leiding de bovenzijde van een duiker kruist, en deze in een mantelbuis wordt aangelegd die tenminste 3 meter uitsteekt aan weerszijden van de duiker en met ten minste 1 meter grond wordt afgedekt; en
de leiding in de zone van het beperkingengebied oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde het oppervlaktewaterlichaam zelf, ten minste 1 meter onder het maaiveld wordt aangelegd.
H
Artikel 2.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden gebruik te maken van het beperkingengebied waterstaatswerken voor een evenement, zonder tenminste 14 dagen en ten hoogste een jaar voor aanvanghet begin van het evenement dit te melden, als:
het een evenement zonder gemotoriseerde voertuigen betreft;
het aantal bezoekers, inclusief de deelnemers en aanwezige organisatoren niet meer dan 200 is;
er geen grondroeringen worden gedaan; en
er geen object wordt geplaatst.
I
Artikel 3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om water te lozen op een oppervlaktewaterlichaam zonder dit tenminste 14 dagen en ten hoogste een jaar voor aanvanghet begin ervan te melden als er gebruik gemaakt wordt van een pomp en de capaciteit van de pomp meer dan 10 mᶟ per uur en niet meer dan 60 mᶟ per uur is.
J
Artikel 3.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Artikel 3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens nEN-EN-ISO 15587-1 of nEN-EN-ISO 15587-2;
voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
Op het bemonsteren, conserveren en analyseren van een monster is Afdeling 6.2a meet- en rekenregels activiteiten waarover in waterschapverordeningen regels zijn gesteld van de Omgevingsregeling van toepassing.
L
Artikel 3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.3.
Tabel 3.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op eenaangewezen oppervlaktewaterlichaam
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 3.4.
Tabel 3.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op eenniet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid:
met een nominale inhoud van 6 mᶟ of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
met een nominale inhoud van 6 mᶟ of meer en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, waarbij voor het bepalen van de nominale inhoud en het hydraulisch rendement Afdeling 6.2a meet- en rekenregels activiteiten waarover in waterschapverordeningen regels zijn gesteld van de Omgevingsregeling van toepassing is; of
die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:
M
Artikel 3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1 of NEN-EN-ISO 5815-2;
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
Op het bemonsteren, conserveren en analyseren van een monster is Afdeling 6.2a meet- en rekenregels activiteiten waarover in waterschapverordeningen regels zijn gesteld van de Omgevingsregeling van toepassing.
N
Artikel 3.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.
Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpinstructie is Afdeling 6.2a meet- en rekenregels activiteiten waarover in waterschapverordeningen regels zijn gesteld van de Omgevingsregeling van toepassing.
O
Artikel 3.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1; en
voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
Op het bemonsteren, conserveren en analyseren van een monster is Afdeling 6.2a meet- en rekenregels activiteiten waarover in waterschapverordeningen regels zijn gesteld van de Omgevingsregeling van toepassing.
P
Artikel 3.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1 of NEN-EN-ISO 5815-2;
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en
voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
Op het bemonsteren, conserveren en analyseren van een monster is Afdeling 6.2a meet- en rekenregels activiteiten waarover in waterschapverordeningen regels zijn gesteld van de Omgevingsregeling van toepassing.
Q
Artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling of bodemsanering zonder dit tenminste 5 werkdagen en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden als:
het debiet van de onttrekking meer dan 10 mᶟ per uur is;
de duur van de aaneengesloten onttrekking langer dan 2 dagen en korter of gelijk aan 56 dagen is;
in een aaneengesloten periode van 30 dagen niet meer dan 50.000 mᶟ wordt onttrokken; en
de totale grondwateronttrekking minder of gelijk is aan 200.000 mᶟ.
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling of bodemsanering zonder dit tenminste 14 dagen en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden als:
het debiet van de onttrekking meer dan 10 mᶟ per uur is;
de duur van de aaneengesloten onttrekking langer dan 56 dagen en korter of gelijk is aan 180 dagen;
in een aaneengesloten periode van 30 dagen niet meer dan 50.000 mᶟ wordt onttrokken; en
de totale grondwateronttrekking minder of gelijk is aan 200.000 mᶟ.
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor beregening of bevloeiing zonder dit tenminste 5 werkdagen en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden als:
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor grondwatersanering zonder dit tenminste 5 werkdagen en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden als:
het debiet van de onttrekking meer dan 10 mᶟ per uur is;
de duur van de aaneengesloten onttrekking langer dan 2 dagen en korter of gelijk aan 56 dagen is;
in een aaneengesloten periode van 30 dagen niet meer dan 50.000 mᶟ wordt onttrokken; en
de totale grondwateronttrekking minder of gelijk is aan 200.000 mᶟ.
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor grondwatersanering zonder dit tenminste 14 dagen en ten hoogste een jaar voor het begin ervan te melden als:
het debiet van de onttrekking meer dan 10 mᶟ per uur is;
de duur van de aaneengesloten onttrekking langer dan 56 dagen is;
in een aaneengesloten periode van 30 dagen niet meer dan 50.000 mᶟ wordt onttrokken; en
in een aaneengesloten periode van 365 dagen de totale grondwateronttrekking minder of gelijk is aan 200.000 mᶟ.
R
Artikel 4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Artikel 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage III
het onttrekken van grondwater met als doel het droog kunnen uitvoeren van werkzaamheden in de bodem
het geheel dicht maken of gedeeltelijk verkleinen van het profiel van een oppervlaktewaterlichaam
drains, kleine sloten, greppels en andere middelen voor de afvoer van water over en door de grond met als doel de grondwaterstand kunstmatig te beïnvloeden
een georganiseerde, tijdelijke gebeurtenis, bijgewoond door een verzameling mensen, die zich daarvoor in een bepaald tijdvak op of in het beperkingengebied waterstaatswerken bevindt of beweegt
bewerken van de bodem waardoor de stabiliteit of functie van de bodem verandert of kan veranderen
de overgang van het talud van een oppervlaktewaterlichaam naar het maaiveld
transportmedium zonder holle ruimte, veelal voor elektriciteit of communicatie, inclusief buizen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor kabels worden beschouwd als een kabel
alle druk- of pijpleidingen die geen lozingsvoorziening zijn
een constructie om een lozingsactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam te verrichten
aan een waterstaatswerk grenzende zone waarbinnen oppervlaktewaterlichamen door natuurlijke verplaatsing of beekherstel hun bedding kunnen verleggen
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6646/C1:2015: Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015
NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006;
NEN-EN 872:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen - Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties = 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen - Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties - Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch
zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch
zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;
NEN-EN-ISO 6878:2004: Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat
spectometrische methode, versie 2004;
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gaschromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 11732:2005: Water - Bepaling van ammonium stikstof -
Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 13395:1997: Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan
orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005;
NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water - Bepaling van het gehalte aan
orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 5663:1993: Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof -
Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993;
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, orthofosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
ander oppervlaktewaterlichaam dan een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage III.
pad of strook dat gebruikt wordt voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden
een constructie om een wateronttrekkingsactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam te verrichten
het onttrekken van grondwater met als doel het onderzoeken van de hoeveelheid grondwater die tijdens toekomstige werkzaamheden moet worden onttrokken
het gebruik maken van een waterstaatswerk voor recreatieve doeleinden
bronbemaling bij een smalle, voortschrijdende, bouwput
het onttrekken van grondwater met als doel de opwaartse druk te verlagen
een onder helling gelegen vlak; bij water de zijdelingse begrenzing tussen waterbodem en maaiveld; bij waterkeringen de zijdelingse begrenzing tussen de horizontale bovenzijde en de teen van de waterkering
kunstmatige hoogte of van nature aanwezige hoogte, die een waterkerende functie of mede een waterkerende functie heeft voor oppervlaktewater
waterschap Vechtstromen
alle door menselijk toedoen ontstane of gemaakte constructies of inrichtingen, inclusief bouwwerken, en restanten daarvan
Omgevingswet
U
Na bijlage I wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/ws0663/2026/giod377ad2c-2981-436c-9c1a-75d51241f045/nld@2026‑05‑18;157-0
/join/id/regdata/gm0663/2025/gio24048f3b-7dc6-4bd0-bfea-51c866ac0afa/nld@2025‑10‑13;148-0
/join/id/regdata/ws0663/2026/gioa7bcaaff-20c4-4522-ba1e-0c9fc38f2e31/nld@2026‑05‑17;154-0
/join/id/regdata/ws0663/2026/giofb38154e-4634-49ff-96d9-356014130b00/nld@2026‑05‑19;153-0
/join/id/regdata/ws0663/2026/gioe32f6b6d-5e42-418f-8a41-9d8de656419e/nld@2026‑05‑18;156-0
/join/id/regdata/gm0663/2025/giob3015ae3-a2ce-4566-a0c7-a98516daca0d/nld@2025‑10‑13;146-0
/join/id/regdata/gm0663/2025/gio8c123411-0996-44bd-a4c4-88cd11e07e04/nld@2025‑10‑13;144-0
/join/id/regdata/ws0663/2026/gio64db70b1-af57-4b8d-90db-5a4f69ead2a1/nld@2026‑05‑17;152-0
/join/id/regdata/ws0663/2026/gio2f594c0b-24a0-49da-a97f-3550c0d2f755/nld@2026‑05‑17;155-0
/join/id/regdata/ws0663/2026/gio7abc640b-582a-4d06-ae95-e84e9cfa65ca/nld@2026‑05‑11;150-0
/join/id/regdata/gm0663/2025/gio65b09ac7-3f5a-4213-a596-6c321e49536a/nld@2025‑10‑13;140-0
V
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/ws0663/2025/giod377ad2c-2981-436c-9c1a-75d51241f045/nld@2025‑10‑13;130
/join/id/regdata/ws0663/2025/gio24048f3b-7dc6-4bd0-bfea-51c866ac0afa/nld@2025‑10‑13;148
/join/id/regdata/ws0663/2025/gioa7bcaaff-20c4-4522-ba1e-0c9fc38f2e31/nld@2025‑10‑13;132
/join/id/regdata/ws0663/2025/giofb38154e-4634-49ff-96d9-356014130b00/nld@2025‑10‑13;142
/join/id/regdata/ws0663/2025/gioe32f6b6d-5e42-418f-8a41-9d8de656419e/nld@2025‑10‑13;134
/join/id/regdata/ws0663/2025/giob3015ae3-a2ce-4566-a0c7-a98516daca0d/nld@2025‑10‑13;146
/join/id/regdata/ws0663/2025/gio8c123411-0996-44bd-a4c4-88cd11e07e04/nld@2025‑10‑13;144
/join/id/regdata/ws0663/2025/gio64db70b1-af57-4b8d-90db-5a4f69ead2a1/nld@2025‑10‑13;136
/join/id/regdata/ws0663/2024/gio2f594c0b-24a0-49da-a97f-3550c0d2f755/nld@2024‑10‑28;97
/join/id/regdata/ws0663/2025/gio7abc640b-582a-4d06-ae95-e84e9cfa65ca/nld@2025‑10‑13;138
/join/id/regdata/ws0663/2025/gio65b09ac7-3f5a-4213-a596-6c321e49536a/nld@2025‑10‑13;140
[Vervallen]
W
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 1.20 zijn de regels opgenomen over de vrijstellingen voor activiteiten van het waterschap als initiatiefnemer.
Allereerst is dat de vrijstelling voor activiteiten van het waterschap als beheerder van het watersysteem en waar het gaat om onderhoud en herstel van waterstaatswerken. Het betreft de werkzaamheden die niet de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatswerk volgens de legger van het waterschap veranderen (de normatieve toestand).
Ten tweede wordt vrijstelling verleend voor het uitvoeren van activiteiten door het waterschap als initiatiefnemer bij het aanleggen of wijzigen van waterstaatswerken van beperkte omvang. Het betreft hier werkzaamheden, waarbij wel de normatieve toestand van het waterstaatswerk wordt aangepast. Deze vrijstelling wordt als volgt vormgegeven.
Het waterschap als initiatiefnemer krijgt een vrijstelling voor het wijzigen van bestaande waterstaatswerken, waarbij:
het aanleggen of wijzigen van waterstaatswerken;
niet zijnde beheer en onderhoud (want al vrijgesteld);
waarbij de aanleg of wijzigingen aan het waterstaatswerk van beperkte van omvang is:
het waterstaatswerk wordt niet meer dan 10 meter verplaatst;
het nieuw aan te leggen of te wijzigen deel van het waterstaatswerk heeft een oppervlakte kleiner dan 15m2 (gemeten boven het maaiveld, dus niet onder de waterlijn, ter hoogte van het waterstaatswerk);
het nieuw aan te leggen of te wijzigen deel van het waterstaatswerk is niet hoger dan 3 meter (gemeten boven het maaiveld, dus niet onder de waterlijn, ter hoogte van het waterstaatswerk); of
de wijziging van het waterstaatswerk betreft alleen de materiaalsoort (hout wordt bijvoorbeeld beton); én
de wijziging niet leidt tot een verandering van een vastgesteld streefpeil;
het waterstaastwerk niet meer dan 10 meter wordt verplaatst;
het waterstaatswerk niet meer dan 15 m2 in oppervlakte toeneemt
het waterstaatswerk niet niet meer dan 3 meter in hoogte toeneemt.
In het derde lid krijgt het waterschap een vrijstelling voor het aanleggen van tijdelijks stuwen in de oppervlaktewaterlichamen, zoals aangegeven in het beperkingengebied ‘droogtestuwen’.
Eén van de drie belangrijkste opgaven voor het waterschap is de toenemende droogte als gevolg van klimaatverandering (Watervisie 2050).
In het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 is bij het onderwerp klimaatverandering de ambitie geformuleerd om meer aandacht te geven aan het vasthouden van water in de bodem. Dit betekent onder andere dat bij het beheer van het watersysteem meer aandacht wordt gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Klimaatverandering heeft dus gevolgen voor het beheer van het watersysteem. Met onderhoud van onze kunstwerken en watergangen, peil- en maaibeheer en baggeren zorgen we dat inwoners niet te veel maar ook niet te weinig water hebben.
Om snel in te kunnen spelen op (verwachte) perioden van droogte is de behoefte ontstaan om relatief vroeg in het voorjaar, als waterbeheerder, tijdelijke maatregelen in het watersysteem te kunnen nemen om water vast te kunnen houden. In de praktijk betekent dit het plaatsen van tijdelijke stuwen bij droogte in watergangen in beheer bij het waterschap (zogenaamde ‘droogtestuwen’).
Om deze tijdelijke droogtestuwen te mogen plaatsen heeft het waterschap een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit van het waterschap nodig. Door het plaatsen van tijdelijke stuwen bij droogte vrij te stellen van deze vergunningplicht kunnen droogtestuwen sneller wordt geplaatst (doorlooptijd). Daarnaast beperkt het de administratieve lasten van het waterschap.
Het waterschap wil dit water vasthouden waar dit zinvol is. Hiervoor is een kaart gemaakt. Op deze kaart is aangegeven in welke watergangen het vasthouden van water zinvol is.
Hierbij is enerzijds gekeken naar bodemgesteldheid, droogtegevoeligheid, hoogteligging en wateraanvoermogelijkheden. Anderzijds kan het aanleggen van tijdelijke stuwen strijden met andere doelen van het waterschap in stromende Kaderrichtlijn Water (KRW) waterlichamen (R-typen), beken die zijn aangewezen als waardevolle kleine wateren (WKW) en (overige) wateren die deel uit maken van het (vis)migratienetwerk. Stuwen belemmeren dan de stroming en vormen een barrière voor de migratie van soorten. De beleidsdoelen in de genoemde wateren kunnen dan niet worden gerealiseerd.
De kaart geeft duidelijkheid waar het waterschap droogtestuwen kan plaatsen en is tegelijkertijd het handelingsperspectief en handelingskader voor het waterschap om in droge jaren water vast te houden.
Met de kaart wordt voorgesteld in de Waterschapsverordening een vrijstelling voor het waterschap op te nemen om in tijde van droogte tijdelijke stuwen te plaatsen in de op de kaart aangegeven watergangen in beheer bij het waterschap.
Door het plaatsen van droogtestuwen ten tijde van droogte vrij te stellen kunnen deze droogtestuwen sneller wordt geplaatst. Daarnaast beperkt het de administratieve lasten van het waterschap. Met de vrijstelling is immers niet langer een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit van het waterschap (een zogenaamde vergunningen eigen dienst, v.e.d.) nodig.
De vrijstelling is zo opgebouwd dat het waterschap geen omgevingsvergunning voor een wateractiviteit hoeft aan te vragen als:
1. het waterschap de stuw aanlegt;
2. in het beperkingengebied oppervlaktewaterlichamen;
3. en water vasthouden hydrologisch zinvol is;
4. en wateraanvoer in tijden van droogte mogelijk is;
5. en er geen sprake is van een opgave op grond van de Kaderrichtlijn Water
(KRW) in het betreffende oppervlaktewaterlichaam;
6. en er geen sprake is van een opgave in het kader van waardevolle kleine
wateren (wkw) in het betreffende oppervlaktewaterlichaam;
7. en het betreffende oppervlaktewaterlichaam geen onderdeel is van een
(vis)migratienetwerk;
8. en er spraken van droogte is;
9. en de stuw wordt aangelegd in de periode tussen 1 maart tot 1
november (= tijdelijk).
Bovenstaande kan ook weergegeven worden in een tabel.
Het beperkingengebied ‘droogtestuwen’ is de kaart zoals in de algemene toelichting beschreven.
De periode van 1 maart tot 1 november sluit aan bij het groeiseizoen voor gewassen.
De definitie van droogte luidt: een periode waarin sprake is van een sterk oplopend neerslagtekort in combinatie met lage grondwaterstanden.
X
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is opgenomen waaraan een aanvraag getoetst wordt. Belangrijk is om alert te zijn op het feit dat ook de zorgplicht watersysteem en zuiveringtechnisch werk geldt.
Algemeen
Een dam met duiker wordt meestal aangelegd en in stand gehouden om een perceel te ontsluiten of om wegen over oppervlaktewateren te verbinden.
Doorstroming en bergingscapaciteit
Bij het aanleggen van een dam met duiker treedt een vernauwing op van het oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming van het water vermindert. Afhankelijk van de lengte van de dam en de diameter van de duiker treedt opstuwing en verlies aan berging op. Deze negatieve effecten moeten worden voorkomen. Afhankelijk van de functie en de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam worden er minimale afmetingen gesteld aan een dam met duiker; hierbij speelt de lengte van de duiker ook een rol (duikers onder infrastructurele werken).
Onderhoud
Het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam mag door een dam met duiker niet worden belemmerd. Om goed onderhoud te kunnen uitvoeren is het van belang dat de watergang goed bereikbaar is voor (machinaal) onderhoud. Een dam met duiker mag daarom niet te dicht bij andere (kunst)werken worden aangelegd.
Stabiliteit
Bij het aanleggen van een dam met duiker moet rekening gehouden worden met de stabiliteit van de taluds en oevers.
Ecologie
Het materiaal waaruit een dam met duiker bestaat kan van invloed zijn op de waterkwaliteit. Er kunnen daarom eisen worden gesteld aan het te gebruiken materiaal en aan de afwerking van de taluds.
Sub ki, onder een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning of een verleende omgevingsvergunning valt ook de vergunning eigen dienst.
Y
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is opgenomen waaraan een aanvraag getoetst wordt. Belangrijk is om alert te zijn op het feit dat ook de zorgplicht watersysteem en zuiveringtechnisch werk geldt.
Algemeen
Het waterschap is verantwoordelijk voor het functioneren van het watersysteem. In het algemeen geldt dat het aanleggen van werken in het beperkingengebied waterstaatswerken negatieve gevolgen kan hebben voor het functioneren van het watersysteem.
Onderhoud
Om de aan- en afvoer te kunnen waarborgen voert het waterschap onderhoudstaken uit en toetst of bij het aanleggen van werken in het beperkingengebied waterstaatswerken deze taken niet in het geding komen.
Stabiliteit
Werken in het beperkingengebied van het oppervlaktewaterlichaam kunnen de constructie en stabiliteit van de taluds en eventuele reeds bestaande werken aantasten, waardoor het noodzakelijk kan zijn bescherming aan te brengen.
Ecologie/ Waterkwaliteit
De werken kunnen een negatief effect hebben op de waterkwaliteit. Het ecologisch functioneren van een oppervlaktewater kan ook door een werk worden belemmerd, bijvoorbeeld doordat het een barrière vormt voor migratie van bepaalde diersoorten.
Sub ed , onder een vastgesteld ontwerp omgevingsvergunning of een verleende omgevingsvergunning valt ook de vergunning eigen dienst.
Z
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is van belang dat ingrepen in een waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht opgenomen.
In dit artikel is bepaald onder welke omstandigheden er een melding gedaan moet worden voordat de activiteit uitgevoerd mag worden. Hier staat ook hoeveel dagen voorafgaand aan de uitvoering van de activiteit de melding gedaan moet worden.
Daarnaast geldt dat de initiatiefnemer binnen één jaar de de gemelde activiteit moet beginnen. De melding mag daarmee niet eerder dan een jaar voor het begin ervan worden gedaan. De reden hiervoor is dat de ruimte om wateractiviteiten te verrichten in een beperkingengebied relatief schaars is. Door het doen van de melding wordt een claim gelegd op de beschikbare ruimte. Als de gemelde activiteit vervolgens niet wordt verricht, wordt die ruimte ten onrechte gereserveerd voor een activiteit die wellicht helemaal niet meer plaats zal vinden. Door een grens aan de meldingstermijn te stellen, kunnen activiteiten die niet zijn verricht na een jaar niet meer op grond van een al ingediende melding worden verricht. Na verloop van de termijn geldt de melding niet meer en moet de activiteit opnieuw gemeld worden.
De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket worden ingediend. Voor een schriftelijke melding wordt gebruik gemaakt van het op de website van het Omgevingsloket beschikbaar gestelde formulier. Het Omgevingsloket is te bereiken via: www.omgevingswet.overheid.nl
AA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is van belang dat ingrepen in een waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht opgenomen.
In dit artikel is bepaald onder welke omstandigheden er een melding gedaan moet worden voordat de activiteit uitgevoerd mag worden. Hier staat ook hoeveel dagen voorafgaand aan de uitvoering van de activiteit de melding gedaan moet worden.
Daarnaast geldt dat de initiatiefnemer binnen één jaar de de gemelde activiteit moet beginnen. De melding mag daarmee niet eerder dan een jaar voor het begin ervan worden gedaan. De reden hiervoor is dat de ruimte om wateractiviteiten te verrichten in een beperkingengebied relatief schaars is. Door het doen van de melding wordt een claim gelegd op de beschikbare ruimte. Als de gemelde activiteit vervolgens niet wordt verricht, wordt die ruimte ten onrechte gereserveerd voor een activiteit die wellicht helemaal niet meer plaats zal vinden. Door een grens aan de meldingstermijn te stellen, kunnen activiteiten die niet zijn verricht na een jaar niet meer op grond van een al ingediende melding worden verricht. Na verloop van de termijn geldt de melding niet meer en moet de activiteit opnieuw gemeld worden.
De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket worden ingediend. Voor een schriftelijke melding wordt gebruik gemaakt van het op de website van het Omgevingsloket beschikbaar gestelde formulier. Het Omgevingsloket is te bereiken via: https://www.omgevingswet.overheid.nl
BB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is bepaald onder welke omstandigheden er een melding gedaan moet worden voordat de activiteit uitgevoerd mag worden. Hier staat ook hoeveel dagen voorafgaand aan de uitvoering van de activiteit de melding gedaan moet worden.
Daarnaast geldt dat de initiatiefnemer binnen één jaar de de gemelde activiteit moet beginnen. De melding mag daarmee niet eerder dan een jaar voor het begin ervan worden gedaan. De reden hiervoor is dat de ruimte om wateractiviteiten te verrichten in een beperkingengebied relatief schaars is. Door het doen van de melding wordt een claim gelegd op de beschikbare ruimte. Als de gemelde activiteit vervolgens niet wordt verricht, wordt die ruimte ten onrechte gereserveerd voor een activiteit die wellicht helemaal niet meer plaats zal vinden. Door een grens aan de meldingstermijn te stellen, kunnen activiteiten die niet zijn verricht na een jaar niet meer op grond van een al ingediende melding worden verricht. Na verloop van de termijn geldt de melding niet meer en moet de activiteit opnieuw gemeld worden.
De volgende doelen zijn van belang:
CC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is van belang om inzicht te hebben in de hoeveelheden water die worden geloosd, zodat beleid hierop kan worden afgestemd. Voor het lozen van water is een meldplicht opgenomen indien de capaciteit van de pomp waarmee water wordt geloosd meer dan 10 mᶟ per uur en niet meer dan 60 mᶟ per uur is.
Tevens is hier aangegeven hoeveel dagen voorafgaand aan de uitvoering van de activiteit de melding gedaan moet worden.
Daarnaast geldt dat de initiatiefnemer binnen één jaar de de gemelde activiteit moet beginnen. De melding mag daarmee niet eerder dan een jaar voor het begin ervan worden gedaan. De reden hiervoor is dat de ruimte om wateractiviteiten te verrichten in een beperkingengebied relatief schaars is. Door het doen van de melding wordt een claim gelegd op de beschikbare ruimte. Als de gemelde activiteit vervolgens niet wordt verricht, wordt die ruimte ten onrechte gereserveerd voor een activiteit die wellicht helemaal niet meer plaats zal vinden. Door een grens aan de meldingstermijn te stellen, kunnen activiteiten die niet zijn verricht na een jaar niet meer op grond van een al ingediende melding worden verricht. Na verloop van de termijn geldt de melding niet meer en moet de activiteit opnieuw gemeld worden.
De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket worden ingediend. Voor een schriftelijke melding wordt gebruik gemaakt van het op de website van het Omgevingsloket beschikbaar gestelde formulier. Het Omgevingsloket is te bereiken via: www.omgevingswet.overheid.nl.
DD
Na sectie 3.13 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
EE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I. Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
[Vervallen]
FF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd in het oppervlaktewater worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Hierbij wordt voor lozingen in het oppervlaktewater een onderscheid gemaakt tussen lozingen in aangewezen wateren (wateren die geen bijzondere bescherming behoeven) en niet-aangewezen wateren (wateren die wel bijzondere bescherming behoeven). De lijst van aangewezen wateren is opgenomen in bijlage III bij deze verordening. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.
De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in het oppervlaktewater van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden op grond van tabel 3.3, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via zo'n voorziening geloosd mogen worden.
Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.
De verwijzingen in waterschapsverordeningen naar NEN-normen is centraal geregeld in de Omgevingsregeling (Regeling niet-publiekrechtelijke normen overgedragen milieuregels, Staatscourant 2025 -32862).
GG
Na sectie 3.19 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
HH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I. Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
[Vervallen]
II
Na sectie 3.27 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
JJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
KK
Na sectie 3.33 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
LL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Dit artikel met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijft niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in artikel 3.33 emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I bij deze verordening.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse.
Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
[Vervallen]
MM
Na sectie 3.51 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
NN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater, zoals dit artikel, schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Met het toevoegen van 'NEN-ISO 15705' wordt deze regel gelijkgetrokken met andere regels in deze verordening, die voor het analyseren van het chemisch zuurstofverbruik niet alleen NEN 6633 van toepassing verklaren maar ook NEN-ISO 15705.
[Vervallen]
OO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staat onder welke omstandigheden er een melding gedaan moet worden voordat de activiteit uitgevoerd mag worden. Tevens is hier aangegeven hoeveel dagen voorafgaand aan de uitvoering van de activiteit de melding gedaan moet worden.
Daarnaast geldt dat de initiatiefnemer binnen één jaar de de gemelde activiteit moet beginnen. De melding mag daarmee niet eerder dan een jaar voor het begin ervan worden gedaan. De reden hiervoor is dat de ruimte om wateractiviteiten te verrichten in een beperkingengebied relatief schaars is. Door het doen van de melding wordt een claim gelegd op de beschikbare ruimte. Als de gemelde activiteit vervolgens niet wordt verricht, wordt die ruimte ten onrechte gereserveerd voor een activiteit die wellicht helemaal niet meer plaats zal vinden. Door een grens aan de meldingstermijn te stellen, kunnen activiteiten die niet zijn verricht na een jaar niet meer op grond van een al ingediende melding worden verricht. Na verloop van de termijn geldt de melding niet meer en moet de activiteit opnieuw gemeld worden.
De onttrekking van grondwater is noodzakelijk voor het uitvoeren van werkzaamheden. Voor het beheer van het grondwater is het echter belangrijk dat de onttrekking niet groter is dan noodzakelijk.
Eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid
Voor diverse redenen van grondwateronttrekkingen is er een meldplicht opgenomen. Afhankelijk van de reden en de lengte van de aaneengesloten periode van onttrekken is er verschil in het aantal dagen dat de melding voor de daadwerkelijke onttrekking moet worden gedaan. Voorwaarde is dat aan alle criteria is voldaan. Het betreft dus per lid een cumulatieve opsomming. Hierbij wordt opgemerkt dat de genoemde hoeveelheden maximale hoeveelheden zijn.
De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket worden ingediend. Voor een schriftelijke melding wordt gebruik gemaakt van het op de website van het Omgevingsloket beschikbaar gestelde formulier. Het Omgevingsloket is te bereiken via: www.omgevingswet.overheid.nl.
PP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is van belang om inzicht te hebben in de hoeveelheden water die worden onttrokken, zodat beleid hierop kan worden afgestemd. Voor het onttrekken van water is een meldplicht opgenomen indien de capaciteit van de pomp waarmee water wordt onttrokken meer dan 10 mᶟ per uur en niet meer dan 60 mᶟ per uur is.
Tevens is hier aangegeven hoeveel dagen voorafgaand aan de uitvoering van de activiteit de melding gedaan moet worden.
Daarnaast geldt dat de initiatiefnemer binnen één jaar de de gemelde activiteit moet beginnen. De melding mag daarmee niet eerder dan een jaar voor het begin ervan worden gedaan. De reden hiervoor is dat de ruimte om wateractiviteiten te verrichten in een beperkingengebied relatief schaars is. Door het doen van de melding wordt een claim gelegd op de beschikbare ruimte. Als de gemelde activiteit vervolgens niet wordt verricht, wordt die ruimte ten onrechte gereserveerd voor een activiteit die wellicht helemaal niet meer plaats zal vinden. Door een grens aan de meldingstermijn te stellen, kunnen activiteiten die niet zijn verricht na een jaar niet meer op grond van een al ingediende melding worden verricht. Na verloop van de termijn geldt de melding niet meer en moet de activiteit opnieuw gemeld worden.
De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket worden ingediend. Voor een schriftelijke melding wordt gebruik gemaakt van het op de website van het Omgevingsloket beschikbaar gestelde formulier. Het Omgevingsloket is te bereiken via: www.omgevingswet.overheid.nl.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2026-15247.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.