Waterschapsblad van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden | Waterschapsblad 2026, 14697 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden | Waterschapsblad 2026, 14697 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden,
gelezen het voorstel van 2 juni 2026 met nr. DM-2091665;
gelet op artikel 78 van de Waterschapswet en artikel 2.5 van de Omgevingswet;
Besluit;
Het ontwerp van de wijziging van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, zoals deze in Bijlage A is opgenomen, vrij te geven voor de inspraakprocedure.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van dijkgraaf en hoogheemraden op 2 juni 2026.
J.C.H. Haan
voorzitter
F.H.M. Apeldoorn
secretaris
A
Artikel 1.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor waterstaatswerken die op grond van een projectbesluit of een omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de geometrische begrenzing, wordt voor het beperkingengebied met betrekking tot het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.
Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de volgende grenzen:
de begrenzing van een oppervlaktewaterlichaam wordt gevormd door de insteek
de begrenzing van beschermingszone A van een watergang, die ten minste aan een zijde in verbinding staat met een primaire watergang, al dan niet gescheiden door een kunstwerk, is 5 m gemeten vanuit de insteek;
de begrenzing van beschermingszone B van een beschoeiing waarvan het waterschap als onderhoudsplichtige is aangewezen voor het buitengewoon onderhoud, is 1,25 m gemeten vanuit de beschoeiing;
de begrenzing van beschermingszone K van een kunstwerk is:
5 m rondom een kunstwerk, als dat kunstwerk aan beide zijden in verbinding staat met een primaire of secundaire watergang, tenzij het gaat om een duiker of sifon;
5 m rondom een duiker of sifon, als dat kunstwerk aan beide zijden in verbinding staat met een primaire of secundaire watergang en waarvoor het waterschap onderhoudsplichtig is voor het buitengewoon onderhoud; of
2 m rondom een gemaal, inlaat, overlaat of stuw, als dat kunstwerk aan tenminste één zijde in verbinding staat met een tertiaire watergang;
de begrenzing van de zone waterstaatswerk van een waterkerend dijklichaam wordt gevormd door de binnen- en buitenteen;
de begrenzing van de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering of zomerkade, waarvan de binnen-of buitenteen niet zichtbaar in het veld ligt, en het maaiveld onder de leggerhoogte uit de profielenlegger ligt, wordt gevormd door de nieuwe theoretische binnen- en buitenteen van het leggerprofiel;
de begrenzing van de zone waterstaatswerk van een regionale waterkering of zomerkade, waarvan de binnen- of buitenteen niet zichtbaar in het veld ligt en het maaiveld boven de leggerhoogte uit de profielenlegger ligt, heeft een breedte van 12 m; en
de begrenzing van de breedte van een binnen-binnendijkse of buitendijkse beschermingszones van waterkeringen zijnis:
100 m bij een primaire waterkering, gerekend vanaf de referentielijn; of
60 m bij een regionale waterkering of zomerkade, gerekend vanaf de referentielijn.
B
Artikel 2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij sanering, ontwatering of een grondwateronderzoek op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in Tabel 2.1, gemeten in een steekmonster.
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l |
|
Naftaleen |
0,2 μg/l |
|
Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor |
20 µg/l |
|
Minerale olie |
200 µg/l |
|
Cadmium |
0,45 µg/l |
|
Koper |
2,5 µg/l |
|
Nikkel |
34 µg/l |
|
Antraceen |
0,1 µg/l |
|
Fenantreen |
1,2 µg/l |
|
Barium |
200 µg/l |
|
Molybdeen |
136 µg/l |
|
Zink |
65 µg/l |
|
Chroom |
3,4 µg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
50 mg/l |
|
Benzeen |
10 µg/l |
|
Tolueen |
74 µg/l |
|
Ethylbenzeen |
65 µg/l |
|
Xyleen |
17 µg/l |
|
Tetrachlooretheen |
10 µg/l |
|
Trichlooretheen |
10 µg/l |
|
1,2-dichlooretheen |
6,8 µg/l |
|
1,1,1-trichloorethaan |
21 µg/l |
|
Vinylchloride |
0,2 µg/l |
|
Monochloorbenzeen |
32 µg/l |
|
Dichloorbenzenen (som) |
6,9 µg/l |
|
Trichloorbenzenen (som) |
0,4 µg/l |
|
IJzer |
5 mg/l |
Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van grondwater bij sanering, ontwatering of een grondwateronderzoek op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat grondwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster.
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l |
|
Naftaleen |
0,2 μg/l |
|
Minerale olie |
50 µg/l |
|
Cadmium |
0,4 µg/l |
|
Koper |
2,4 µg/l |
|
Nikkel |
4 µg/l |
|
Antraceen |
0,1 µg/l |
|
Fenantreen |
1,2 µg/l |
|
Barium |
93 µg/l |
|
Molybdeen |
136 µg/l |
|
Zink |
12 µg/l |
|
Chroom |
2,4 µg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
20 mg/l |
|
Benzeen |
2 µg/l |
|
Tolueen |
7 µg/l |
|
Ethylbenzeen |
4 µg/l |
|
Xyleen |
4 µg/l |
|
Tetrachlooretheen |
3 µg/l |
|
Trichlooretheen |
10 µg/l |
|
1,2-dichlooretheen |
6,8 µg/l |
|
1,1,1-trichloorethaan |
20 µg/l |
|
Vinylchloride |
0,2 µg/l |
|
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen |
20 µg/l |
|
Monochloorbenzeen |
7 µg/l |
|
Dichloorbenzenen |
3 µg/l |
|
Trichloorbenzenen |
0,4 µg/l |
|
IJzer |
5 mg/l |
Vervallen
C
Artikel 2.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning huishoudelijk afvalwater te lozen op een oppervlaktewaterlichaam.
Vervallen
D
Artikel 2.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Artikel 2.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Artikel 2.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Artikel 2.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Artikel 2.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het telen of kweken van gewassen anders dan in een kas of bij het sorteren van biologisch geteelde gewassen: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
|
Onopgeloste stoffen voor niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam |
20 mg/l |
|
Onopgeloste stoffen voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
50 mg/l |
|
Biochemisch zuurstofverbruik voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
20 mg/l |
|
Biochemisch zuurstofverbruik voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
30 mg/l |
|
Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
100 mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 33,33 mg/l voor totaal organisch koolstof |
|
Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
150 mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 50 mg/l voor totaal organisch koolstof |
Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het spoelen van biologisch geteelde gewassen op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster.
Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij zuivering van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.8 gemeten in een steekmonster.
Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater bij het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Het volgende voorschrift geldt bij het lozen van afvalwater afkomstig van biologische teelt of van teelt waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden op een oppervlaktewaterlichaam: voor het lozen van dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.9 gemeten in een steekmonster.
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
|
Onopgeloste stoffen voor niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam |
20 mg/l |
|
Onopgeloste stoffen voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
50 mg/l |
|
Biochemisch zuurstofverbruik voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
20 mg/l |
|
Biochemisch zuurstofverbruik voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
30 mg/l |
|
Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor niet aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
100 mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 33,33 mg/l voor totaal organisch koolstof |
|
Chemisch zuurstofverbruik of totaal organisch koolstof voor aangewezen oppervlaktewaterlichamen |
150 mg/l voor chemisch zuurstofverbruik of 50 mg/l voor totaal organisch koolstof |
Het afvalwater kan geloosd worden op een oppervlaktewaterlichaam als:
het lozen van dit afvalwater in de bodem niet mogelijk is;
het gelijkmatig verspreiden van dit afvalwater over landbouwgrond niet mogelijk is; en
er geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden bij de teelt zijn toegepast.
I
Artikel 2.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Artikel 3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
de omgeving na afloop van de activiteit altijd in nette staat wordt achtergelaten;
de grondwateronttrekking tot een minimum wordt beperkt, waarmee de effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt;
bij kwetsbare bebouwingextra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
bij grondwatergevoelige natuurextra maatregelen worden genomen om schade te voorkomen;
de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
de opslag van materiaal, materieel of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
een eventuele beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit is ontstaan, direct worden hersteld;
de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de activiteit, niet wordt belemmerd;
als er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken;
voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel gebruik wordt gemaakt van bestaande verhardingen van, naar en op de waterkering;
voor ontwatering in de zone waterstaatswerk of beschermingszone van een waterkeringuitsluitend een open bemaling wordt toegepast; en
de effecten van de retourbemaling op de omgeving en daarmee het risico op schade zoveel mogelijk wordt beperkt.
K
Artikel 3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste en tiendetweede lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken;
het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
er een
geen
retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerstetweede lid en tiende lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken;
het grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
er geen
retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid en tiende lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheergebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken;
het grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; en
er een
geen
retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid en tiende lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheergebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken;
het grondwater wordt onttrokken met een debiet van meer dan:
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; en
er geen
retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste en tiende lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:
het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
er een retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:
het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
er geen retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede en tiende lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:
het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan:
er een retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:
het grondwater niet dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket;
grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan:
er geen retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste en tiende lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket;
grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
er een retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, eerste lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket;
grondwater wordt onttrokken met een debiet van maximaal:
er geen retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede en tiende lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:
het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket;
grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan:
er een retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater in een bouwput wordt voldaan aan de artikelen 3.13, tweede lid, 3.14 en 3.15, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal bedraagt:
het grondwater niet dieper wordt onttrokken dan het eerste watervoerend pakket;
grondwater wordt onttrokken met een debiet groter dan:
er geen retourbemaling plaatsvindt.
L
Subparagraaf 3.2.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende voorschriften gelden:
Vervallen
verlaging van de stijghoogte of grondwaterstand onder de bouwputbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput;
gedurende het verrichtten van de activiteit:
wordt de onttrokken hoeveelheid grondwater dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeter, met een afwijking van maximaal 5 %;
wordt voor de start van de grondwateronttrekking de beginstand van de watermeter geregistreerd;
wordt de gemeten hoeveelheden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en
worden de gegevens minimaal vijf jaar bewaard;
een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
een interceptie- of schermbemaling wordt voorzien van een eigen watermeter;
per melding is sprake van één onttrekkingsperiode;
tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedsgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking;
bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
De volgende voorschriften gelden:
verlaging van de stijghoogte of grondwaterstand onder de bouwputbodem is niet meer dan 30 cm beneden het kritische punt van de bouwput;
bij een grondwateronttrekking van meer dan 10 m3 per uur wordt de verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogtewordt binnen het invloedgebied van de grondwateronttrekking gemonitord door tenminste een peilbuis te plaatsen:
de filterdiepte van de peilbuizen is op gelijke diepte als de filters die voor het onttrekken van grondwater worden gebruikt en, als het onttrekken dieper dan de deklaag plaatsvindt, een filter in de deklaag;
op een gemotiveerd schriftelijk verzoek, kan het waterschap instemmen met het wijzigen van de locatie van peilbuizen;
de peilbuizen moeten worden ingemeten en op een kaart worden ingetekend, deze kaart bevat de XY-coördinaten en de hoogte van de bovenkant van de peilbuizen ten opzichte van maaiveld en ten opzichte van NAP;
de eerste vier weken worden de peilbuizen dagelijks gemeten en daarna wordt er wekelijks gemeten, tot drie weken na beëindiging van de grondwateronttrekking;
de eerste meting vindt minimaal drie dagen voor de start van de grondwateronttrekking plaats;
de volgende voorschriften gelden over de wijze van meting:
de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt dagelijks gemeten met een recent geijkte watermeterwatermeter die niet langer dan twee jaar geleden is geijkt, met een afwijking van maximaal 5 %;
voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd;
de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen; en
de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
bij het vervangen van een watermeter wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging geregistreerd, en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
een interceptie- of schermbemaling wordt voorzien van een eigen watermeter;
per melding is sprake van één onttrekkingsperiode;
tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking;
bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
De volgende voorschriften gelden:
het onttrekken van grondwater in een bouwput mag uitsluitend worden uitgevoerd met een open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan;
de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
het onttrekken van grondwater in een bouwput mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed is niet toegestaan;
de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, ter plaatse van kwetsbare gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG;
houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling;
de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, ter plaatse van kwetsbare bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt moet maximaal 10 m3 per uur zijn; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
het grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november;
het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
het onttrekken van grondwater mag alleen in de periode van november tot maart plaatsvinden; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebieden te beschermen, dit kan betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de retourbronnen en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101;
het onttrokken grondwater wordt in de omgeving van de grondwateronttrekking en in hetzelfde watervoerend pakket, als waar het uit onttrokken is, terug in de bodem worden gebracht;
de grondwaterstand of stijghoogte mag niet meer dan 10 cm stijgen ten opzichte van de GHG ten gevolge van het terug in de bodem brengen van grondwater; en
de retourbronnen moeten op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten bevat.
Ten minste drie dagen voor het begin van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Uiterlijk drie dagen na de start van de grondwateronttrekking worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt, onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer:
de definitieve startdatum; en
het nummer van de gebruikte watermeter(s);
de beginstand(en) van de watermeter(s);
de datum en het tijdstip waarop een watermeter wordt afgelezen;
de boorstaten van de geplaatste onttrekkingsfilters;
de filterstelling van de onttrekkingsfilters (in meter ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil);
wanneer in de algemene regel is aangegeven dat er een peilbuis gebruikt moet worden:
bij een grondwateronttrekking van meer dan 10 m3 per uur:
een kaart waarop de peilbuizen met XY-coördinaten zijn ingetekend; en
een vermelding van het onderwerp en het zaaknummer.
de boorstaten van de geplaatste peilbuizen;
de filterstelling van de peilbuizen (in meter ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil); en
de in de peilbuizen gemeten grondwaterstanden en stijghoogten; en
bij retourbemaling:
een kaart waarop de retourbronnen zijn ingetekend (incl. XY-coördinaten);
boorstaten van de retourbronnen;
het nummer van de gebruikte watermeter(s) van het retourveld;
de beginstand(en) van de watermeter(s) van het retourveld; en
de datum en het tijdstip waarop een watermeter wordt afgelezen.
Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum verstrekt aan het waterschap waarop de (retour)putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden afgedicht.
Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum waarop de putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht verstrekt aan het waterschap.
Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de datum en het tijdstip van de beëindiging van de (retour)bemaling;
de totale hoeveelheid grondwater die (retour)bemalen is, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
de eindstand van de watermeter(s); en
wanneer gebruik wordt gemaakt van peilbuizen, alle gemeten grondwaterstanden en stijghoogten in de peilbuizen.
Uiterlijk één maand na het einde van de activiteit worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de datum en het tijdstip van de beëindiging van de grondwateronttrekking;
de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
de eindstand van de watermeter;
wanneer er gebruik wordt gemaakt van een peilbuis, alle gemeten grondwaterstanden en stijghoogten in de peilbuis; en
de boorstaten.
Wanneer er een retourbemaling plaatsvindt worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
ten minste drie dagen voor het begin van de retourbemaling:
uiterlijk drie werkdagen na het realiseren van de retourbronnen, de boorstaten onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer;
de totale hoeveelheid retourbemalen grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag;
de eindstand van de watermeter;
ten minste drie werkdagen voor het einde van de retourbemaling, de datum waarop de retourbronnen geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht onder vermelding van het onderwerp en het zaaknummer; en
uiterlijk één maand na het beëindigen van de retourbemaling, de einddatum van het gebruik van de retourbronnen.
Het is verboden om grondwater te onttrekken in een bouwput en, indien van toepassing, een retourbemaling uit te voeren, zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
Als sprake is van een bodemsanering wordt bij de melding ook:
Als sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer, wordt bij de melding ook het advies van de gemeente verstrekt.
Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen of, indien van toepassing, meerdere retourbemalingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij:
De startdatum van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
Vervallen
De uitvoering van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
M
Artikel 3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaalmeer dan:
het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer danmaximaal:
een interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal bedraagtmaximaal:
geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken; en
het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheergebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
de grondwateronttrekking:
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur bedraagt; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal bedraagtmeer dan:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheergebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwateronttrekking
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling; en
interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken.
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen groter is dan 25 m3/uur.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheergebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
de grondwateronttrekking
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal:
geen interceptiebemaling of schermbemaling wordt toegepast om verplaatsing van een verontreinigingsvlek te beperken; en
door de grondwateronttrekking een verontreiniging wordt verplaatst:
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal:
het grondwater dieper onttrokken wordt dan het eerste watervoerend pakket.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal:
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen meer is dan 25 m3/uur.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken in een bouwput, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
door de grondwateronttrekking de verontreinigingen worden verplaatst:
N
Artikel 3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een sleuf.
Onder het eerste lid wordt mede verstaan het onttrekken van grondwater:
voor het aanleggen of repareren van riolering, kabels, leidingen en funderingen;
voor het uitvoeren van onderzoek of andere ondergrondse werkzaamheden over een grote lengte;
voor het graven van een watergang; of
in een sleuf waarbij de voortgang van elk in bemaling genomen sleufgedeelte minimaal 20 m per week is.
O
Artikel 3.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende voorschriften gelden:
de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt maandelijks gemeten met een recent geijkte watermeterwatermeter die niet langer dan twee jaar geleden is geijkt, met een afwijking van maximaal 5 %;
voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd, de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd, waarbij de gegevens minimaal vijf jaar worden bewaard;
een interceptie-interceptiebemaling of schermbemaling worden voorzien van een eigen watermeter;
de te saneren verontreinigingsvlek wordt gemonitord volgens het saneringsplan ingediend bij de melding;
per melding is sprake van één onttrekkingsperiode;
tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedsgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking;
bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
De volgende voorschriften gelden:
het onttrekken van grondwater in voor een grondwatersanering mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, waarbij het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed niet toegestaan is;
de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering mag uitsluitend worden uitgevoerd met open bemaling, waarbij het gebruik van filters of drainagebuizen of het toepassen van een zandbed niet toegestaan is;
de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, ter plaatse van gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG;
houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling;
de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, ter plaatse van bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt moet kleiner dan of gelijk aan 10 m3 per uur zijn; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om grondwatergevoelige natuur te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
het grondwater wordt onttrokken in de periode van maart tot november;
het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om grondwatergevoelige natuur te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
het onttrekken van grondwater mag alleen in de periode van november tot maart plaatsvinden; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om grondwatergevoelige natuur te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de retourbronnen en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101;
het onttrokken grondwater wordt in de omgeving van de grondwateronttrekking en in hetzelfde watervoerend pakket, als waar het uit onttrokken is, terug in de bodem worden gebracht;
de grondwaterstand of stijghoogte mag niet meer dan 10 cm stijgen ten opzichte van de GHG ten gevolge van het terug in de bodem brengen van grondwater; en
de retourbronnen moeten op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten bevat.
P
Artikel 3.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor een grondwatersanering en, indien van toepassing, een retourbemaling uit te voeren, zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
Bij de melding wordt:
Als sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer, wordt bij de melding ook het advies van de gemeente verstrekt.
Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen of, indien van toepassing, meerdere retourbemalingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij:
De startdatum van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
Vervallen
De uitvoering van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Q
Artikel 3.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur .
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie-interceptiebemaling of schermbemaling; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
de grondwaterontrekking:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken, als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een grondwatersanering te onttrekken als:
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
door de grondwateronttrekking de verontreinigingen worden verplaatst:
R
Artikel 3.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste en achtste lid, 3.56 en 3.57, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
maximaal 5 m wordt verplaatst; of
meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van de beheersmaatregel;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
er een retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste lid, 3.56 en 3.57, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
maximaal 5 m wordt verplaatst; of
meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van de beheersmaatregel;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
er geen retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste en achtste lid, 3.56 en 3.57, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel;
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie-interceptiebemaling of schermbemaling;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
er een retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste lid, 3.56 en 3.57, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel;
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie-interceptiebemaling of schermbemaling;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
er geen retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste en achtste lid, 3.56 en 3.57, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
er een retourbemaling plaatsvindt.
Bij het onttrekken van grondwater voor een beheersmaatregel wordt voldaan aan de artikelen 3.55, eerste lid, 3.56 en 3.57, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal maximaal 25 m3/uur is; en
er geen retourbemaling plaatsvindt.
S
Artikel 3.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende voorschriften gelden:
de onttrokken hoeveelheid grondwater wordt maandelijks gemeten met een recent geijkte watermeterwatermeter die niet langer dan twee jaar geleden is geijkt, met een afwijking van maximaal 5 %;
voor de start van de grondwateronttrekking wordt de beginstand van de watermeter geregistreerd, de gemeten hoeveelheden worden geregistreerd met de datum en het tijdstip van aflezen en de gegevens worden minimaal vijf jaar bewaard;
een watermeter voldoet aan de NEN-EN-ISO-4064, is voorzien van een keurmerk van een gecertificeerd bedrijf en is geïnstalleerd volgens de richtlijnen van de fabrikant;
bij het vervangen van een watermeter, wordt de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging, geregistreerd, waarbij de gegevens minimaal vijf jaar worden bewaard;
een interceptie-interceptiebemaling of schermbemaling worden voorzien van een eigen watermeter;
de te saneren verontreinigingsvlek wordt gemonitord volgens het saneringsplan ingediend bij de melding;
per melding is sprake van één onttrekkingsperiode;
tussen twee onttrekkingsperioden van grondwateronttrekkingen die binnen elkaars invloedsgebied liggen, is gedurende minimaal acht weken geen sprake van een grondwateronttrekking;
bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van onttrekkingsputten en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101; en
bij het realiseren van onttrekkingsputten en peilbuizen worden boorstaten gemaakt.
De volgende voorschriften gelden:
het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zich uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 2 m3 per uur; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
het onttrekken van grondwater voor bedrijfsmatige toepassing mag uitsluitend worden uitgevoerd met een filter dat zicht uitsluitend bevindt in het eerste watervoerend pakket met de bovenzijde van het filter op ten minste 15 m ten opzicht van het maaiveld;
bij het plaatsen van het onttrekkingsfilter mag de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket niet worden beschadigd of doorboord;
de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 5 m3 per uur; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om het waterkerend vermogen van de waterkering te waarborgen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, ter plaatse van gebouwen van vóór 1960, verder verlaagd worden dan de GLG;
houten funderingsonderdelen van gebouwen mogen niet droogvallen tijdens de bemaling;
de verschilzakking, ten gevolge van de verlaging van de grondwaterstand, mag ter plaatse van monumentale panden of eerder door zakking beschadigde gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:1.000 of ter plaatse van overige gebouwen van vóór 1960 niet groter dan 1:600 zijn; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, ter plaatse van bebouwing van vóór 1960, niet onder de GLG komen; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
de hoeveelheid grondwater die onttrokken wordt is maximaal 10 m3 per uur zijn; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om kwetsbare gebouwen te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
de grondwaterstand mag, in een gebied met grondwatergevoelige natuur, verder verlaagd worden dan de GLG;
het grondwater wordt zo doelmatig mogelijk onttrokken;
het onttrokken grondwater moet weer geheel terug in de bodem worden gebracht; en
de initiatiefnemer treft op aanwijzing van het waterschap alle maatregelen die nodig zijn om grondwatergevoelige natuur te beschermen, dit kan in bepaalde gevallen betekenen dat de bemaling tijdelijk moet worden gestaakt.
De volgende voorschriften gelden:
bij het realiseren en het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de retourbronnen en peilbuizen wordt gewerkt volgens het protocol 2001 en het protocol 2101;
het onttrokken grondwater wordt in de omgeving van de grondwateronttrekking en in hetzelfde watervoerend pakket, als waar het uit onttrokken is, terug in de bodem worden gebracht;
de grondwaterstand of stijghoogte mag niet meer dan 10 cm stijgen ten opzichte van de GHG ten gevolge van het terug in de bodem brengen van grondwater; en
de retourbronnen moeten op een kaart worden ingetekend, waarbij deze kaart de XY-coördinaten bevat.
T
Artikel 3.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor een beheersmaatregel en, indien van toepassing, het water te retourneren in de bodem, zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
Bij de melding wordt:
Als sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer, wordt bij de melding ook het advies van de gemeente verstrekt.
Bij de uitvoering van een project waarbij meerdere grondwateronttrekkingen of, indien van toepassing, meerdere retourbemalingen worden verricht, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij:
De startdatum van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
Vervallen
De uitvoering van de grondwateronttrekking en, indien van toepassing, van de retourbemaling wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
U
Artikel 3.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
een verontreinigingsvlek door de grondwateronttrekking:
maximaal 5 m wordt verplaatst; of
meer dan 5 m wordt verplaatst en onderdeel is van de beheersmaatregel; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel;
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie-interceptiebemaling of schermbemaling;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal meer is dan 25 m3/uur.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de grondwaterontrekking:
een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel;
de verplaatsing van een verontreinigingsvlek wordt tot maximaal 5 m beperkt als gevolg van het toepassen van een interceptie-interceptiebemaling of schermbemaling; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen meer is dan 25 m3/uur.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
de grondwaterontrekking:
een verontreinigingsvlek meer dan 5 m verplaatst; en
het gaat om een verontreinigingsplek die geen onderdeel is van de beheersmaatregel.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvindt;
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen maximaal 25 m3/uur is; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen in totaal groter dan 25 m3/uur is.
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet;
de verplaatsing van de verontreinigingen binnen het gebiedsplan plaatsvinden; en
het debiet van alle gelijktijdig uit te voeren interceptiebemalingen meer is dan 25 m3/uur.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als:
het uitvoeren van de beheersmaatregel maximaal vijf jaar duurt;
grondwater wordt onttrokken op een locatie waar gebiedsgericht grondwaterbeheer van toepassing is als bedoeld in artikel 3.2, onder f, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet; en
door de grondwateronttrekking de verontreinigingen worden verplaatst:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater voor een beheersmaatregel te onttrekken, als het uitvoeren van de beheersmaatregelen langer dan vijf jaar duurt.
V
Artikel 3.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor een onderzoek zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
Bij de melding wordt een monitoringsplan verstrekt, die de volgende gegevens bevat:
de locatie van peilbuizen en hoogte ten opzichte van het maaiveld en ten opzichte van het NAP; en
de wijze waarop de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte en het benodigde debiet wordt bepaald.
Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten, tenzij:
De startdatum van de activiteit mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
Vervallen
De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
W
Artikel 3.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om grondwater te onttrekken door drainage zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
Bij de uitvoering waarbij meerdere grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd om één einddoel te bereiken, wordt één melding ingediend voor deze activiteiten.
De startdatum van de activiteit mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
Vervallen
De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
X
Artikel 3.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor een brandblusvoorziening zonder dit tenminste twee weken voorafgaand aan de realisatie van de onttrekkingsputten te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
De realisatiedatum mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
Vervallen
De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Y
Artikel 3.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor bedrijfsmatige toepassing zonder dit tenminste twee weken voorafgaand aan de realisatie van de onttrekkingsputten te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
Per bedrijf wordt één melding ingediend en deze melding mag meerdere grondwateronttrekkingen bevatten.
De startdatum van de activiteit mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
Vervallen
De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
Z
Artikel 3.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor huishoudelijke of kleinschalige toepassing zonder dit tenminste twee weken voorafgaand aan de realisatie van de onttrekkingsputten te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
Per adres wordt één melding ingediend en deze melding mag meerdere grondwateronttrekkingen bevatten.
De startdatum van de activiteit mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
Vervallen
De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
AA
Artikel 3.129 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om grondwater te onttrekken voor drinkwater voor vee zonder dit tenminste twee weken voorafgaand aan de realisatie van de onttrekkingsputten te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 3.2.
Per bedrijf wordt één melding ingediend en deze melding mag meerdere grondwateronttrekkingen bevatten.
De startdatum van de activiteit mag niet meer dan zes maanden verschuiven ten opzichte van de gemelde datum.
Vervallen
De uitvoering van de grondwateronttrekking wijzigt niet ten opzichte van de gemelde activiteit.
BB
Artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 tweede lid, als:
de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
de werkzaamheden tijdelijk zijn; en
de werkzaamheden ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
Bij het graven wordt voldaan aan de artikelen 4.10 vijfde lid en 4.11, als de werkzaamheden het verdiepen van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen.
Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 tweede lid, als:
de werkzaamheden het verbreden van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
de werkzaamheden tijdelijk zijn; en
de werkzaamheden ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
Bij het graven wordt voldaan aan de artikelen 4.10 derde lid en 4.11, als:
de werkzaamheden het verbreden van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
de werkzaamheden:
de watergang geen beschermingszone A heeft; en
de diepte van de verbreding:
Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 tweede lid, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
de werkzaamheden tijdelijk zijn; en
de werkzaamheden ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 tweede lid, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het verbreden van een tertiaire watergang betreffen;
de werkzaamheden tijdelijk zijn; en
de werkzaamheden ten behoeve van een project waarover overeenstemming is met het waterschap worden uitgevoerd.
Bij het graven wordt voldaan aan de artikelen 4.10 derde lid en 4.11, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het verbreden van een tertiaire watergang betreffen; en
de werkzaamheden:
Bij het graven wordt voldaan aan artikel 4.10 vierde lid, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang; en
de werkzaamheden het verdiepen van een tertiaire watergang betreffen.
Bij het graven wordt voldaan aan de artikelen 4.10 eerste lid en 4.11, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
de werkzaamheden in beheergebied west plaatsvinden;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 0,60 m; en
de breedte van de nieuwe watergang bij het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 2,30 m.
Bij het graven van een tertiaire watergangwordt voldaan aan de artikelen 4.10
eerste lid en 4.11, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
de werkzaamheden in beheergebied oost plaatsvinden;
de werkzaamheden niet in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug plaatsvinden;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 0,50 m; en
de breedte van de nieuwe watergang bij het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 2 m.
CC
Artikel 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen; en
de werkzaamheden:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
de werkzaamheden het verbreden van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
de werkzaamheden:
de watergang een beschermingszone A heeft.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
de werkzaamheden het verbreden van een primaire watergang of een secundaire watergang betreffen;
de werkzaamheden:
de watergang geen beschermingszone A heeft; en
de verbreding van de watergang een diepte krijgt die minder is dan de diepte van de bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
de werkzaamheden in beheergebied west plaatsvinden;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst opgenomen peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 0,60 m; en
de breedte van de nieuwe watergang bij het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 2,3 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te graven, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het aanleggen of het verlengen van een tertiaire watergang betreffen;
de werkzaamheden in beheergebied west plaatsvinden; en
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder is dan 0,60 m.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een tertiaire watergang te graven, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het aanleggen van een watergang of het verlengen van een watergang betreffen;
de werkzaamheden in beheergebied oost plaatsvinden;
de werkzaamheden niet in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug plaatsvinden;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit groter is dan of gelijk is aan 0,50 m; en
de breedte van de nieuwe watergang bij het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder is dan 2 m.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een tertiaire watergang te graven, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het aanleggen van een watergang of het verlengen van een watergang betreffen;
de werkzaamheden in beheergebied oost plaatsvinden;
de werkzaamheden niet in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug plaatsvinden; en
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder is dan 0,50 m.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een tertiaire watergang te graven, als:
het niet gaat om een tertiaire droge sloot of een tertiaire geïsoleerde watergang;
de werkzaamheden het aanleggen van een watergang of het verlengen van een watergang betreffen;
de werkzaamheden in beheergebied oost plaatsvinden; en
de werkzaamheden in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug plaatsvinden.
DD
Artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zevende lid en 4.23, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang zijnde een tertiaire droge sloot; en
de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2,30 m;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
de breedte van het perceel wijzigt;
de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
het perceel dat ontstaat door demping heeft:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2,30 m;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden; en
de:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2,30 m; en
het niet wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden.
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
het wordt aangebracht in klei opveen- of veengronden;
de breedte van het perceel wijzigt;
de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
het perceel dat ontstaat door demping heeft:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden; en
de:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt; en
het niet wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden.
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2 m;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
de breedte van het perceel wijzigt;
de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
het perceel dat ontstaat door demping heeft:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2 m;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden; en
waarbij:
de breedte van het perceel niet wijzigt; of
de locatie in (toekomstig) bebouwd gebied is.
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2 m; en
het niet wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden.
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22, zesde lid, en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
de breedte van het perceel wijzigt;
de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
het perceel dat ontstaat door demping heeft:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22, zesde lid, en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden; en
waarbij:
de breedte van het perceel niet wijzigt; of
de locatie in (toekomstig) bebouwd gebied is.
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal wordt voldaan aan de artikelen 4.22, zesde lid, en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt; en
het niet wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden.
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 negende lid en 4.23, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 negende lid en 4.23, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 achtste lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang niet zijnde een primaire droge sloot of secundaire droge sloot;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 achtste lid en 4.24, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanbrengen van grond of ander materiaal in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.22 zesde lid, 4.22 tiende lid en 4.23, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
EE
Artikel 4.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal wordt verondiept; en
de watergang na het aanbrengen een diepte heeft die niet voldoet aan de minimale waterdiepte zoals vermeld in de profielenlegger.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang wordt verondiept; en
de watergang na het aanbrengen een diepte heeft van minder dan 0,60 m ten opzichte van het laagst vastgestelde waterpeil in het betreffende peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang wordt verondiept; en
de watergang na het aanbrengen een diepte heeft van minder dan 0,50 m ten opzichte van het laagst vastgestelde waterpeil in het betreffende peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang met geborgde afmetingen, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang door het aanbrengen wordt versmald; en
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minder dan 2,30 m.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang door het aanbrengen wordt versmald;
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen een breedte heeft van minimaal 2,30 m;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
de breedte van het perceel wijzigt;
de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
het perceel dat ontstaat door de demping heeft:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied west;
de watergang door het aanbrengen volledig wordt gedempt;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
de breedte van het perceel wijzigt;
de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
het perceel dat ontstaat door de demping heeft:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal wordt versmald; en
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen van de grond of ander materiaal een breedte heeft van minder dan 2 m.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal wordt versmald;
de watergang gemeten op de waterlijn na het aanbrengen van de grond of ander materiaal een breedte heeft van minimaal 2 m;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
de breedte van het perceel wijzigt;
de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
het perceel dat ontstaat door de demping heeft:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
het wordt aangebracht in een watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
het wordt aangebracht in beheergebied oost;
de watergang door het aanbrengen van de grond of ander materiaal volledig wordt gedempt;
het wordt aangebracht in klei op veen- of veengronden;
de breedte van het perceel wijzigt;
de locatie niet in (toekomstig) bebouwd gebied is; en
het perceel dat ontstaat door de demping heeft:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
de watergang versmald of volledig gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is; en
de compensatie van het gedempte oppervlaktewater en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater:
niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt;
in hetzelfde peilgebied plaatsvindt en kleiner is dan het verlies aan oppervlaktewater; of
in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt en kleiner is dan het verlies aan oppervlaktewater.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire watergang of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang niet zijnde een droge sloot; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
de natuurvriendelijke oever een verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grond of ander materiaal aan te brengen in een tertiaire watergang, als:
het niet gaat om het dempen van een tijdelijk gegraven watergang binnen een project waarover overeenstemming is met het waterschap;
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
FF
Artikel 4.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 eerste lid en 4.71, als:
de diameter van de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt; en
het gaat om een tertiaire droge sloot.
Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid en 4.71, als:
de diameter van de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is; en
er maximaal 25 m2 gedempt wordt.
Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid, 4.70 vijfde lid, 4.70 zesde lid en 4.71, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid, 4.70 vijfde lid, 4.70 zesde lid en 4.71, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid, 4.70 vierde lid, 4.70 vijfde lid en 4.72, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang niet zijnde een primaire droge sloot of secundaire droge sloot;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid, 4.70 vierde lid, 4.70 vijfde lid en 4.72, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanleggen van een dam met duiker in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.70 derde lid en 4.70 vijfde lid en 4.70 achtste lid en 4.71, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
GG
Artikel 4.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een primaire watergang of een secundaire watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de diameter van de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
het niet gaat om een tertiaire droge sloot; en
de compensatie:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de diameter van de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is; en
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minder dan 10 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de diameter van de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de lengte van de duiker meer dan 15 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de diameter van de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; en
de duiker met minder dan 20 % of meer dan 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als de diameter van de duiker:
minder dan 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minder dan 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire watergang of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang niet zijnde een droge sloot; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
de natuurvriendelijke oever een verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dam met duiker aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
de duiker:
minimaal 0,80 m is en in een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt; of
minimaal 0,50 m is en buiten een gebied met een grotere minimale duikerdiameter ligt;
de duiker met 20 tot en met 35 % van de diameter met lucht aangelegd wordt ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de lengte van de duiker maximaal 15 m is;
de afstand tussen de aan te leggen dam met duiker en een peilregelend kunstwerk in dezelfde watergang minimaal 10 m is;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
HH
Artikel 4.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 tiende lid en 4.117, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 tiende lid en 4.117, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 negende lid en 4.118, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang niet zijnde een primaire droge sloot of secundaire droge sloot;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 negende lid en 4.118, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 achtste lid, 4.116 elfde lid en 4.117, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid, 4.116 zevende lid en 4.117, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt; en
de watergang een tertiaire droge sloot is.
Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid en 4.117, als:
Bij het aanleggen van een brug in een tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.116 zesde lid, als er geen water gedempt wordt.
Bij het aanleggen van een brug in een primaire watergang of een secundaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.116 zesde lid en 4.117.
II
Artikel 4.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de watergang versmald wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een watergang met een groot afvoerdebiet, als de brug palen heeft die in het water staan.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
de brug palen heeft die in het water staan; en
er meer dan twee sets palen in de stromingsrichting van de watergang worden geplaatst.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de vrije hoogte onder de brug minder is dan 0,30 m.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als de vrije hoogte onder de brug minder is dan 0,10 m.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire watergang of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte of geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang niet zijnde een droge sloot; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
als er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
de natuurvriendelijke oever een verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
als er water gedempt wordt;
er meer dan 25 m2 gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is; en
de compensatie van het gedempte oppervlaktewater en eventueel geïsoleerd oppervlaktewater:
niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt;
in hetzelfde peilgebied plaatsvindt en kleiner is dan het verlies aan oppervlaktewater; of
in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt en kleiner is dan het verlies aan oppervlaktewater.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in onderhoudsvaarwater, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in onderhoudsvaarwater, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in onderhoudsvaarwater, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in onderhoudsvaarwater, als de doorvaarthoogte minder dan 0,80 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de brug wordt aangelegd in beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een brug aan te leggen, als:
de brug wordt aangelegd bij een watergang met beschermingszone A; en
de afstand tussen de brug en een ander kunstwerk in dezelfde watergang minder dan 7 m is.
JJ
Artikel 4.169 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 eerste lid en 4.173, als de watergang niet wordt versmald.
Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in de tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.171 tweede lid, als de watergang niet wordt versmald.
Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in de kernzone van een watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid en 4.172, als het aanleggen in een tertiaire droge sloot plaatsvindt.
Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 zevende lid en 4.172, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 zevende lid en 4.172, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 vijfde lid en 4.173, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang niet zijnde een primaire droge sloot of secundaire droge sloot;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 vijfde lid en 4.173, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanleggen van een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang wordt voldaan aan de artikelen 4.171 tweede lid, 4.171 vierde lid, 4.171 achtste lid en 4.172, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Vervallen
Vervallen
KK
Artikel 4.174 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een primaire watergang of secundaire watergang, als de watergang wordt versmald.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang met geborgde afmetingen aan te leggen, als:
het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt; en
de watergang wordt versmald.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang aan te leggen, als:
het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt;
het aanleggen in beheergebied west plaatsvindt;
de watergang wordt versmald; en
de breedte van de watergang op de waterlijn minder dan 2,3 m is na de demping.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang aan te leggen, als:
het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt;
het aanleggen in beheergebied oost plaatsvindt;
de watergang wordt versmald; en
de breedte van de watergang op de waterlijn minder dan 2 m is na de demping.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand in een tertiaire watergang aan te leggen, als:
het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt;
de watergang wordt versmald; en
de compensatie:
niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt; of
in hetzelfde peilgebied of in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt maar minder is dan het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire watergang of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een primaire watergang of secundaire watergang niet zijnde een droge sloot; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het graven van nieuw water;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
het gaat om het verbreden van een tertiaire watergang niet zijnde een tertiaire droge sloot; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies; en
de natuurvriendelijke oever een verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
er water gedempt wordt;
de watergang geen tertiaire droge sloot is;
de demping gecompenseerd wordt door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie van het gedempte en eventueel geïsoleerde oppervlaktewater groter of gelijk is aan het verlies;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een beschoeiing of damwand aan te leggen in een tertiaire watergang, als:
het aanleggen niet in een tertiaire droge sloot plaatsvindt;
het aanleggen in klei op veen- of veengronden plaatsvindt;
de watergang wordt versmald;
het niet gaat om bebouwd of toekomstig bebouwd gebied;
de perceelbreedte wijzigt; en
de perceelbreedte na de demping 60 m of meer is.
LL
Artikel 4.226 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende voorschriften gelden:
de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden, zodanig dat verlanden wordt tegengegaan, door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
De volgende voorschriften gelden:
de bovenkant van enig constructiedeel van kabels en leidingen ligt minimaal 1 m onder de in de legger aangegeven waterdiepte plus onderhoudsdiepte van de watergang, voor vaarwegen geldt dat kabels en leidingen minimaal 2 m onder de in de profielenlegger aangegeven waterdiepte plus onderhoudsdiepte moeten liggen;
als het werkelijke bodemniveau van de watergang lager ligt dan hierboven aangegeven, dan geldt dat de kabels en leidingen minimaal 1 m respectievelijk 2 m onder het werkelijke bodemniveau aangelegd moeten worden;
daar waar kabels en leidingen een watergang kruisen moet de gronddekking op de kabels en leidingen ter plaatste van de taluds loodrecht gemeten op de taluds minimaal 1 m bedragen;
de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden; en
wanneer kabels en leidingen niet meer worden gebruikt, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen en het profiel te herstellen.
De volgende voorschriften gelden:
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering; en
kabels en lege mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd als ze niet meer gebruikt gaan worden, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Bouwwerk geen gebouw zijndeOverig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt;
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om:
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Bouwwerk geen gebouw zijndeOverig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt;
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering; en
kabels en lege mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd als ze niet meer gebruikt gaan worden, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk zo spoedig mogelijk wordt hersteld;
indien er een mantelbuis wordt toegepast wordt, na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
het spoelwater van de boring wordt beheerst c.q. gedoseerd afgevoerd, op zo'n manier dat de ondergrond ter plaatse van het waterstaatswerk niet met vocht wordt verzadigd of uitspoelt;
als de boring, om welke reden dan ook, niet het gewenste resultaat oplevert, wordt het in onbruik geraakte boorgat geheel gevuld met "dämmer", eventueel al aangebrachte (delen van) leidingen worden niet eerst verwijderd;
kabels en leidingen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
kabels, leidingen en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om:
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
kabels, leidingen en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Bouwwerk geen gebouw zijndeOverig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt; en
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om:
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Bouwwerk geen gebouw zijndeOverig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt; en
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan de algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering; en
kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden.
De volgende voorschriften gelden:
de tijdelijke afdamming wordt niet langer ingesteld dan strikt noodzakelijk voor de uit te voeren werkzaamheden;
de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd. Zo nodig worden aanvullende maatregelen getroffen om de water aan- en afvoer te waarborgen; en
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de afdamming ongedaan gemaakt.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond, er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie, voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen; en
de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Bouwwerk geen gebouw zijndeOverig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen; en
de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Bouwwerk geen gebouw zijndeOverig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de mantelbuis de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de mantelbuis kan stromen;
kabels en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
als mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de mantelbuizen die achterblijven in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
na het aanbrengen van de kabel(s) door de mantelbuis, wordt de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de mantelbuis de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de mantelbuis kan stromen;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
kabels en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
als mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de mantelbuizen die achterblijven in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
leidingen en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
leidingen en mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk wordt hersteld;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Bouwwerk geen gebouw zijndeOverig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt;
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd, met uitzondering van de eisen uit NEN 3651 om het in- en uittredepunt van de boogboring buiten de veiligheidszones te situeren;
de boorstang wordt de grond ingedrukt, waarbij een snijkop zorgt voor het weggraven van de grond. Er wordt geen water gebruikt om de grond voor de boorstang onder (hoge) druk weg te spuiten;
indien er een mantelbuis wordt toegepast, wordt na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
waar de buisleiding de waterkering kruist bestaat deze uit één stuk;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond binnen het dijklichaam voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
kabels, leidingen of mantelbuizen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden;
de HAS-kast of verdeelkast wordt zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.14.2 Bouwwerk geen gebouw zijndeOverig bouwwerk verwijderen, als deze niet meer gebruikt wordt;
als leidingen of mantelbuizen, die niet meer gebruikt worden, niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten. De exploitant behoudt de plicht de leiding of de mantelbuis die achterblijft in de waterkering op te ruimen. Indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken wordt een revisietekening aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt, direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering;
aansluitingen zijn flexibel, teneinde eventuele zettingen van de waterkering te kunnen opvangen;
kabels worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
binnen twee maanden na realisatie van de werken een revisietekening wordt aangeleverd indien de gerealiseerde situatie afwijkt van de beoordeelde situatie. Voor deze gewijzigde situatie geldt dat deze voldoet aan deze algemene regel.
De volgende voorschriften gelden:
met betrekking tot de constructie en de uitvoering van de werken voldoet de initiatiefnemer aan de eisen en richtlijnen voorgeschreven en omschreven in NEN 3650, NEN 3651 en NPR 3659, zoals die gelden op het moment dat de handeling wordt uitgevoerd;
de initiatiefnemer zorgt ervoor, door gebruik te maken van het juiste materiaal en door het toepassen van de meest geschikte methode, dat de kans op een leidingbreuk zo gering mogelijk is;
in geval van een leidingbreuk of een ernstige lekkage wordt direct het waterschap gewaarschuwd en worden direct zodanige maatregelen getroffen dat verdergaande schade wordt voorkomen en dat schade aan het waterstaatswerk zo spoedig mogelijk wordt hersteld;
indien er een mantelbuis wordt toegepast wordt, na het aanbrengen van de leiding(en)/kabel(s) door de mantelbuis, de mantelbuis aan beide zijden waterdicht afgesloten met een daarvoor geschikte afdichtingpasta of waterstop;
de gehele constructie wordt op een zodanige wijze uitgevoerd dat er geen water langs de leiding of een eventueel aangebrachte mantelbuis kan stromen;
het spoelwater van de boring wordt beheerst c.q. gedoseerd afgevoerd, op zo'n manier dat de ondergrond ter plaatse van het waterstaatswerk niet met vocht wordt verzadigd of uitspoelt;
als de boring, om welke reden dan ook, niet het gewenste resultaat oplevert, wordt het in onbruik geraakte boorgat geheel gevuld met "dämmer", eventueel al aangebrachte (delen van) leidingen worden niet eerst verwijderd;
kabels en leidingen worden zo mogelijk verwijderd, overeenkomstig de regelgeving in paragraaf 4.11.2 Kabel of leiding verwijderen, als ze niet meer gebruikt worden; en
als leidingen die niet meer gebruikt worden niet verwijderd kunnen worden, worden ze volledig gevuld met een daartoe geschikt materiaal, zodat lekkage van water wordt uitgesloten, de exploitant behoudt de plicht de leidingen die achterblijven in de waterkering op te ruimen, indien in de toekomst blijkt dat deze alsnog verwijderd kan worden dan moet dit binnen een door het waterschap vast te stellen termijn alsnog gebeuren.
MM
Artikel 4.252 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een primaire watergang,secundaire watergang ofoftertiairesecundaire watergang als de beplanting binnen het doorstroomprofiel wordt aangebracht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone B van een beschoeiing, als het gaat om het aanbrengen van bomen, struiken of heggen.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk, als het gaat om het aanbrengen van bomen, struiken of heggen.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van heggen of struiken;
het gaat om een windsingel; en
het:
op een afstand wordt aangelegd van minder dan 3,75 m uit de insteek van de watergang; of
onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na het aanbrengen van de beplanting een breedte heeft van minder dan 3,75 m.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van heggen of struiken; en
het niet gaat om een windsingel.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen of andere planten;
de bomen of planten op een afstand van maximaal 1,25 m uit de insteek van een watergang aangebracht worden; en
na het initiatief een obstakelvrij onderhoudspad, dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, overblijft met een breedte van minder dan 3,75 m.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen;
de bomen of planten op een afstand van maximaal 1,25 m uit de insteek van een watergang aangebracht worden;
na het initiatief een obstakelvrij onderhoudspad, dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, overblijft met een breedte van minimaal 3,75 m; en
de bomen op minder dan 7 m onderlinge afstand ten opzichte van elkaar of ten opzichte van andere objecten staan.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen;
de bomen op een afstand van maximaal 1,25 m uit de insteek van een watergang aangebracht worden;
na het initiatief een obstakelvrij onderhoudspad, dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, overblijft met een breedte van minimaal 3,75 m;
de onderlinge afstand tussen de bomen of de afstand tussen bomen en andere objecten minimaal 7 m is;
de boom een knotwilg is; en
de afstand van de onderkant van de knotwilgkruin minder dan 2 m boven het maaiveld is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen;
de bomen op een afstand van maximaal 1,25 m uit de insteek van een watergang aangebracht worden;
na het initiatief een obstakelvrij onderhoudspad, dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, overblijft met een breedte van minimaal 3,75 m;
de onderlinge afstand tussen de bomen of de afstand tussen bomen en andere objecten minimaal 7 m is;
de boom geen knotwilg is; en
de afstand van de onderkant van kruin van de boom minder dan 4 m boven het maaiveld is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen of andere planten;
de bomen of planten op een afstand van 3,75 m of meer uit de insteek van een watergang aangebracht worden; en
na het initiatief een obstakelvrij onderhoudspad, dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, overblijft met een breedte van minder dan 3,75 m.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen;
de bomen op een afstand van 3,75 m of meer uit de insteek van een watergang aangebracht worden;
na het initiatief een obstakelvrij onderhoudspad, dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, overblijft met een breedte van minimaal 3,75 m;
de boom een knotwilg is; en
de afstand van de onderkant van de knotwilgkruin minder dan 2 m boven het maaiveld is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen;
de bomen op een afstand van 3,75 m of meer uit de insteek van een watergang aangebracht worden;
na het initiatief een obstakelvrij onderhoudspad, dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, overblijft met een breedte van minimaal 3,75 m;
de boom geen knotwilg is; en
de afstand van de onderkant van kruin van de boom minder dan 4 m boven het maaiveld is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een primaire watergang, als het gaat om het aanbrengen van heggen of struiken.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een primaire watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen aan de kant waar de beschermingszone A ligt; en
de onderlinge afstand tussen de bomen of de afstand tussen bomen en andere objecten minder dan 7 m is;
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een primaire watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen aan de kant waar de beschermingszone A ligt;
de onderlinge afstand tussen de bomen of de afstand tussen bomen en andere objecten minimaal 7 m is;
de boom een knotwilg is; en
de afstand van de onderkant van de knotwilgkruin minder dan 2 m boven het maaiveld is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een primaire watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen aan de kant waar de beschermingszone A ligt;
de onderlinge afstand tussen de bomen of de afstand tussen bomen en andere objecten minimaal 7 m is;
de boom geen knotwilg is; en
de afstand van de onderkant van kruin van de boom minder dan 4 m boven het maaiveld is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een primaire watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen;
de boom een knotwilg is; en
de afstand van de onderkant van de knotwilgkruin minder dan 2 m boven het maaiveld is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een primaire watergang, als:
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een secundaire watergang, als het gaat om het aanbrengen van heggen of struiken.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een secundaire watergang, als:
het gaat om het aanbrengen van bomen;
de boom een knotwilg is; en
de afstand van de onderkant van de knotwilgkruin minder dan 2 m boven het maaiveld is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een secundaire watergang, als:
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een tertiaire watergang, als de beplanting binnen het doorstroomprofiel wordt aangebracht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting aan te brengen in een beschermingszone A van een watergang.
NN
Artikel 4.268 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in de beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.271 tweede lid, als:
het op een afstand wordt aangelegd van minimaal 3,75 m uit de insteek van de watergang; en
het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minimaal 3,75 m.
Bij het aanleggen van een hekwerk, schutting of afrastering in de beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.271 eerste lid, als:
Vervallen
OO
Het opschrift van afdeling 4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Het opschrift van paragraaf 4.14.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 4.286 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde, voor zover deze activiteit niet reeds in een andere afdeling van dit hoofdstuk is geregeld.
Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
RR
Artikel 4.287 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
er rekening mee wordt gehouden dat de watergang niet versmald mag worden als gevolg van de activiteit;
er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergangniet wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
de maatschappelijke functies van de vaarweg niet mogen worden belemmerd door het uitvoeren van de handeling;
de doorstroming van de watergang en het onderhoud door het waterschap aan de watergang niet mag worden belemmerd;
er rekening mee wordt gehouden dat bij toepassing van bepaalde materialen in het oppervlaktewater er uitloging van schadelijke stoffen kan plaatsvinden;
er rekening mee wordt gehouden dat primaire en secundaire watergangen door het waterschap varend of vanaf de oever worden onderhouden;
er rekening mee wordt gehouden dat de maatschappelijke functies van het watersysteem niet worden belemmerd;
de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
SS
Subparagraaf 4.14.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het oprichten van een bouwwerk geen gebouw zijnde in beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.292eerste lid, als:
het bouwwerk vrijstaand is;
de afstand tot de insteek van de watergang minimaal 3,75 m is; en
het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minimaal 3,75 m.
Vervallen
Bij het oprichten van een bouwwerk geen gebouw zijnde in beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.292eerste lid, als:
het bouwwerk vrijstaand is;
de afstand tot de insteek van de watergang 1,25 m of minder is;
het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minimaal 3,75 m; en
de afstand tussen het bouwwerk en andere objecten minimaal 7 m is.
Vervallen
Bij het oprichten van een bouwwerk geen gebouw zijnde in beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.292eerste lid, als:
Vervallen
Bij het oprichten van een bouwwerk geen gebouw zijnde in beschermingszone A van een watergang wordt voldaan aan artikel 4.292eerste lid, als:
het bouwwerk doorgaand is;
de afstand tot de insteek van de watergang 3,75 m of meer is; en
het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minimaal 3,75 m.
Vervallen
Bij het oprichten van een bouwwerk geen gebouw zijnde in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.292eerste lid, als onderdelen ervan zich niet boven het water bevinden.
Vervallen
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in een tertiaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.292derde lid, als het gaat om het tijdelijk afdammen van de watergang.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.292vierde lid, als:
het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed;
er maximaal 2 palen in de waterkering worden geplaatst; en
het bouwwerk wordt opgericht:
buiten het dijklichaam;
op een binnendijkse op- en afrit van en naar de waterkering; of
op de kruin van de waterkering.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan artikel 4.292vierde lid, als:
het gaat om een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde ten behoeve van de openbare veiligheid; en
het bouwwerk wordt opgericht:
buiten het dijlichaam;
op een binnendijkse op- en afrit van en naar de waterkering; of
op de kruin van de waterkering.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.292vierde lid, als:
het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed; en
er maximaal 2 palen in de waterkering worden geplaatst.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.292vierde lid, als het gaat om een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde ten behoeve van de openbare veiligheid.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.292vierde lid en 4.293, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is;
het binnen het dijklichaam wordt opgericht; en
het op de binnenzijde van de wegberm wordt opgericht.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.292vierde lid en 4.293, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is; en
het buiten het dijklichaam wordt opgericht.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.292vierde lid en 4.293, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is; en
het op de wegberm wordt opgericht.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige watekering wordt voldaan aan artikel 4.292vierde lid, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is; en
het op de wegberm wordt opgericht.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.292vierde lid, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is;
het binnen het dijklichaam wordt opgericht; en
het op de wegberm wordt opgericht.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.292vierde lid, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is; en
het buiten het dijklichaam wordt opgericht.
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, wordt voldaan aan artikel 4.292vierde lid, als:
Bij het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.292vijfde lid en 4.294, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
TT
Artikel 4.292 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende voorschriften gelden:
Vervallen
de onderhoudsroutes met een breedte van minimaal 3,75 m moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden; en
wanneer het bouwwerk geen gebouw zijnde niet meer wordt gebruikt, dan dient initiatiefnemer deze in zijn geheel te verwijderen.
Vervallen
De volgende voorschriften gelden:
de tijdelijke afdamming wordt niet langer ingesteld dan strikt noodzakelijk voor de uit te voeren werkzaamheden;
de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd, zo nodig worden aanvullende maatregelen getroffen om de water aan- en afvoer te waarborgen; en
direct na afloop van de activiteit wordt de afdamming ongedaan gemaakt.
De volgende voorschriften gelden:
wanneer het overig bouwwerk geen gebouw zijnde geen functie meer heeft, wordt het geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig paragraaf 4.14.2 Bouwwerk geen gebouw zijndeOverig bouwwerk verwijderen; en
bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer.
De volgende voorschriften gelden:
de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
UU
Artikel 4.294 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
VV
Subparagraaf 4.14.1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het binnen het doorstroomprofiel wordt opgericht; en
de watergang tijdelijk wordt afgedamd.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het binnen het doorstroomprofiel wordt opgericht;
de watergang niet tijdelijk wordt afgedamd; en
de watergang afgedekt wordt met zonnepanelen.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het binnen het doorstroomprofiel wordt opgericht;
de watergang niet tijdelijk wordt afgedamd;
de watergang niet afgedekt wordt met zonnepanelen;
het niet permanent wordt opgericht;
het ten behoeve van een project of evenement wordt opgericht; en
de watergang wordt versmald.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het binnen het doorstroomprofiel wordt opgericht;
de watergang niet tijdelijk wordt afgedamd;
de watergang niet afgedekt wordt met zonnepanelen;
het niet permanent wordt opgericht; en
het niet ten behoeve van een project of evenement wordt opgericht.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het binnen het doorstroomprofiel wordt opgericht;
de watergang niet tijdelijk wordt afgedamd;
de watergang niet afgedekt wordt met zonnepanelen; en
het permanent wordt opgericht.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een beschermingszone B van een beschoeiing.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in beschermingszone A van een watergang, als:
het bouwwerk vrijstaand is;
de afstand tot de insteek van de watergang minimaal 3,75 m is; en
het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minder dan 3,75 m.
Vervallen
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in beschermingszone A van een watergang, als:
het bouwwerk vrijstaand is;
de afstand tot de insteek van de watergang 1,25 m of minder is;
het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minimaal 3,75 m; en
de afstand tussen het bouwwerk en andere objecten minder dan 7 m is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in beschermingszone A van een watergang, als:
het bouwwerk vrijstaand is;
de afstand tot de insteek van de watergang 1,25 m of minder is; en
het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minder dan 3,75 m.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in beschermingszone A van een watergang, als:
het bouwwerk doorgaand is;
de afstand tot de insteek van de watergang 3,75 m of meer is; en
het onderhoudspad dat ligt binnen de beschermingszone A van de watergang, na de oprichting een breedte heeft van minder dan 3,75 m.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in een primaire watergang, als:
het wordt opgericht aan de zijde van beschermingszone A van de watergang; en
het bouwwerk doorgaand is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in een primaire watergang, als:
het wordt opgericht aan de zijde van beschermingszone A van de watergang;
het bouwwerk vrijstaand is; en
de afstand tussen het bouwwerk en andere objecten minder dan 7 m is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
onderdelen ervan zich boven het water bevinden;
het deel boven water een slootwaaier is; en
de slootwaaier:
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
onderdelen ervan zich boven het water bevinden; en
het deel boven water geen slootwaaier is.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een tertiaire watergang, als:
het binnen het doorstroomprofiel wordt opgericht;
de watergang niet tijdelijk wordt afgedamd;
de watergang wordt afgedekt met zonnepanelen;
de zonnepanelen een oppervlakte hebben van minder dan 10 m2;
de afstand tot andere zonnepanelen of drijvende woningen minimaal 100 m is; en
de waterspiegel in het dwarsprofiel van de watergang meer dan 50% bedekt wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een tertiaire watergang, als:
het binnen het doorstroomprofiel wordt opgericht;
de watergang niet tijdelijk wordt afgedamd;
de watergang wordt afgedekt met zonnepanelen; en
de zonnepanelen:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het niet permanent wordt opgericht;
het ten behoeve van een project of evenement wordt opgericht; en
de watergang wordt versmald.
Vervallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in een primaire watergang of secundaire watergang, als het permanent wordt opgericht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk op te richten in beschermingszone A van een watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als er een nieuwe kabel of leiding naar het bouwwerk wordt aangelegd.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als er een nieuwe kabel of leiding naar het bouwwerk wordt aangelegd.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed; en
er meer dan 2 palen in de waterkering worden geplaatst.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed;
er maximaal 2 palen in de waterkering worden geplaatst; en
het bouwwerk wordt opgericht:
binnen het dijklichaam;
niet op binnendijkse op- en afritten van en naar de waterkering; en
niet op de kruin van de waterkering.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
het gaat om een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde ten behoeve van de openbare veiligheid; en
het bouwwerk wordt opgericht:
binnen het dijklichaam niet zijnde op de kruin; en
niet op een op- en afrit naar en van de waterkering.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
het gaat om een te koop of te huur bord voor onroerend goed; en
er meer dan 2 palen in de waterkering worden geplaatst.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is;
het binnen het dijklichaam wordt opgericht; en
het niet op de binnenzijde van de wegberm wordt opgericht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft; en
het niet locatiegebonden is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is; en
het niet op de wegberm wordt opgericht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft; en
het niet locatiegebonden is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is; en
het niet op de wegberm wordt opgericht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft; en
het niet locatiegebonden is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft;
het locatiegebonden is;
het binnen het dijklichaam wordt opgericht; en
het niet op de wegberm wordt opgericht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
het een bouwwerk ten behoeve van openbare doeleinden betreft; en
het niet locatiegebonden is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
het gaat om een afmeervoorziening voor een vaartuig;
er maximaal 2 palen in de droge oever worden geplaatst; en
het bouwwerk niet wordt opgericht langs de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel of de Doorslag.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering of de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het niet gaat om een:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang; en
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
er voorafgaand of gelijktijdig met het oprichten van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde op te richten of aan te passen in een vaarweg, niet zijnde de vaarwegen Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn, als deze door de aanleg permanent:
WW
Het opschrift van paragraaf 4.14.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Artikel 4.298 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde, voor zover deze activiteit niet reeds in een andere afdeling van dit hoofdstuk is geregeld.
Onder het eerste lid wordt mede verstaan het:
YY
Artikel 4.299 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
er rekening mee wordt gehouden dat de watergang niet versmald mag worden als gevolg van de activiteit;
er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergangniet wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
ZZ
Subparagraaf 4.14.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verwijderen van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.303tweede lid en 4.304, als het overig bouwwerk geen gebouw zijnde geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
Bij het verwijderen van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 4.303derde lid en 4.304, als het overig bouwwerk geen gebouw zijnde geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
Bij het verwijderen van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering wordt voldaan aan artikel 4.303derde lid, als het overig bouwwerk geen gebouw zijnde geen fundering onder het maaiveld of palen heeft.
Bij het verwijderen van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in de zone waterstaatswerk van een zomerkade wordt voldaan aan artikel 4.303tweede lid, als:
het overig bouwwerk geen gebouw zijnde geen fundering onder het maaiveld of op palen heeft; en
de werkzaamheden plaatsvinden binnen het dijklichaam.
Bij het verwijderen van een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde in een natuurvriendelijke oever wordt voldaan aan de artikelen 4.303eerste lid en 4.305, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied;
voorafgaand aan of gelijktijdig met het uitvoeren van de activiteit er compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd als compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, hetzelfde profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
AAA
Artikel 4.303 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende voorschriften gelden:
de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
De volgende voorschriften gelden:
het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde wordt in zijn geheel, inclusief (bovengrondse) fundering, verwijderd;
direct na het verwijderen van het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde wordt de erosiebestendige bekleding binnen het dijklichaam hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering. In geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel; en
als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen. Zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
De volgende voorschriften gelden:
het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde wordt in zijn geheel, inclusief (bovengrondse) fundering, verwijderd;
direct na het verwijderen van het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde wordt de erosiebestendige bekleding hersteld, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering. In geval van een grasmat wordt de grond ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel; en
als het vanwege het seizoen niet mogelijk is de erosiebestendige grasmat te herstellen, worden tijdelijke maatregelen getroffen om de erosiebestendigheid van de waterkering te waarborgen. Zodra het groeiseizoen is aangebroken wordt dan alsnog een erosiebestendige grasmat aangelegd.
BBB
Artikel 4.305 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden, bij de melding worden de gegevens en bescheiden verstrekt uit de artikelen 1.11 en 4.2.
CCC
Subparagraaf 4.14.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een primaire waterkering, als het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, als het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering, als het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in de zone waterstaatswerk van een zomerkade, als het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde een fundering onder het maaiveld of op palen heeft.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
er geen compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat; en
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang; en
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever in een ander peilgebied plaatsvindt dan waar het verlies optreedt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt; en
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die kleiner is dan het verlies.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever groter of gelijk is aan het verlies; en
de compensatie na de activiteit plaatsvindt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerkgeen gebouw zijnde te verwijderen in een natuurvriendelijke oever, als:
er 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever niet plaatsvindt in:
een watergang met beschermingszone A; of
het doorstroomprofiel van de watergang;
compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt in hetzelfde peilgebied als waar het verlies optreedt;
er voorafgaand of gelijktijdig met het verwijderen van het overig bouwwerkgeen gebouw zijnde een compensatie van de verloren hoeveelheid natuurvriendelijke oever plaatsvindt die groter of gelijk is aan het verlies; en
de natuurvriendelijke oever die wordt aangelegd ter compensatie van de verloren natuurvriendelijke oever, een ander profiel heeft als het profiel van de verloren natuurvriendelijke oever.
DDD
Artikel 4.326 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.329 eerste lid, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
het balkon geen palen heeft die in het water staan;
het balkon een overstek heeft van maximaal 1 m;
het balkon wordt opgericht of aangepast in onderhoudsvaarwater;
de watergang waarin het balkon wordt opgericht of aangepast meer dan 3 m breed is; en
de lengte van de overstek kleiner is dan of gelijk is aan de breedte van de watergang verminderd met 3 m gedeeld door 2.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in een primaire watergang of secundaire watergang wordt voldaan aan artikel 4.329 eerste lid, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
het balkon geen palen heeft die in het water staan;
het balkon een overstek heeft van maximaal 1 m; en
het balkon niet wordt opgericht of aangepast in onderhoudsvaarwater.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vijfde lid en 4.330, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vierde lid en 4.331, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vierde lid en 4.331, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of een tertiaire watergang is;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 vierde lid en 4.331, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of een tertiaire watergang is;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 zesde lid en 4.330, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 zesde lid en 4.330, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het oprichten of aanpassen van een gebouw buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.329 zesde lid en 4.330, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
EEE
Artikel 4.332 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in beschermingszone A van een watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in beschermingszone B van een beschoeiing.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is; en
de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minder dan 0,30 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is; en
het balkon palen heeft die in het water staan.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
het balkon geen palen heeft die in het water staan;
het balkon een overstek heeft van maximaal 1 m;
het balkon wordt opgericht of aangepast in onderhoudsvaarwater; en
de watergang waarin het balkon wordt opgericht of aangepast maximaal 3 m breed is.
Het is verboden om zonder om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
het balkon geen palen heeft die in het water staan;
het balkon een overstek heeft van maximaal 1 m;
het balkon wordt opgericht of aangepast in onderhoudsvaarwater;
de watergang waarin het balkon wordt opgericht of aangepast meer dan 3 m breed is; en
de lengte van de overstek groter is dan de breedte van de watergang verminderd met 3 m gedeeld door 2.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 0,30 m en minder dan 4 m is;
het balkon geen palen heeft die in het water staan; en
het balkon een overstek heeft van meer dan 1 m.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn een balkon is;
de afstand tot het hoogst vastgestelde peil in het vastgestelde peilbesluit tot het laagste punt van het balkon boven het water minimaal 4 m is; en
het balkon palen heeft die in het water staan.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een primaire watergang of secundaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt; en
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn geen balkon is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een tertiaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn geen balkon is;
het gaat om een drijvende woning;
er een oppervlakte van de watergang wordt afgedekt van minder dan 10 m2;
de afstand van de drijvende woning tot aan zonnepanelen of andere drijvende woningen minimaal 100 m is; en
het dwarsprofiel van de waterspiegel met meer dan 50 % bedekt wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een tertiaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn geen balkon is;
het gaat om een drijvende woning; en
er een oppervlakte van de watergang wordt afgedekt:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in een tertiaire watergang, als:
het gebouw geen woonboot is;
het gebouw binnen de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peilbesluit ligt;
het gedeelte van het gebouw boven de waterlijn geen balkon is; en
het niet gaat om een drijvende woning.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als er meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak; en
de compensatie niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als er meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
de toename van verhard oppervlak niet wordt gecompenseerd.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de compensatie plaatsvindt in:
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak; en
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang; en
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang; en
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever; en
er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever; en
er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gebouw op te richten of aan te passen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
FFF
Artikel 4.336 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht, bedoeld in artikel 1.9, is altijd van toepassing op handelingen binnen het beheergebied van het waterschap en houdt in ieder geval in dat:
na afloop van de activiteit het werk en de omgeving in nette staat wordt achtergelaten;
er rekening mee wordt gehouden dat de watergang niet versmald mag worden als gevolg van de activiteit;
er wordt voorkomen dat het onderhoud aan de watergangniet wordt belemmerd als gevolg van de activiteit;
de kerende hoogte, de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de waterkering, zowel tijdens de uitvoering als na gereedkomen van de activiteit, niet worden aangetast;
de opslag van materiaal, materieel en/of grond niet leidt tot nazakkingen, zettingen of tot beschadiging van de erosiebestendige bekleding van de waterkering;
eventuele nazakkingen of zettingen van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
eventuele beschadigingen van de erosiebestendige bekleding van de waterkering, die als gevolg van de activiteit zijn ontstaan, direct worden hersteld;
de afvoer van kwelwater en regenwater, zowel tijdens als na de uitvoering van de werkzaamheden, niet leidt tot verweking of uitdroging van de waterkering;
indien er een weg op de waterkering ligt, wordt voorkomen dat door de activiteit het verkeer zodanig gehinderd wordt dat de bermen en taluds van de waterkering beschadigd raken; en
voor de aan- en afvoer van materiaal en materieel en voor de bereikbaarheid van de activiteit gebruik wordt gemaakt van bestaande (half)verhardingen van, naar en op de waterkering.
GGG
Artikel 4.348 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het aanleggen van een weg of verharding in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied west;
de nieuwe watergang minimaal 0,60 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2,30 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een weg of verharding in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vierde lid en 4.353, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang;
de compensatie plaatsvindt in beheergebied oost;
de compensatie niet plaatsvindt in het gebied van de Utrechtse Heuvelrug;
de nieuwe watergang minimaal 0,50 m diep wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de nieuwe watergang minimaal 2 m breed wordt ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een weg of verharding in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 derde lid en 4.353, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 derde lid en 4.353, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of een tertiaire watergang is;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 derde lid en 4.353, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of een tertiaire watergang is;
er niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang;
de watergang gemeten op de waterlijn minimaal 0,50 m verbreed wordt; en
de diepte van de verbreding:
Bij het aanleggen van een weg of verharding in bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vijfde lid en 4.352, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vijfde lid en 4.352, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Bij het aanleggen van een weg of verharding buiten bebouwd gebied wordt voldaan aan de artikelen 4.351 vijfde lid en 4.352, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone A van een watergang; en
geen plasberm heeft; of
wel een plasberm heeft met een diepte van minimaal 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
HHH
Artikel 4.354 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in beschermingszone B van een beschoeiing.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in beschermingszone A van een watergang, als:
het initiatief parallel loopt aan de watergang; en
de draagkracht van de weg of verharding onvoldoende is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als er meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak; en
de compensatie niet in hetzelfde peilgebied en niet in een aangrenzend benedenstrooms peilgebied plaatsvindt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als er meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
er minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd; en
er minder dan 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd; en
de toename van verhard oppervlak niet wordt gecompenseerd.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt; en
de compensatie plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang; en
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang; en
de nieuwe watergang een droge sloot wordt.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een primaire of secundaire watergang wordt; en
de nieuwe watergang wordt aangelegd of een verlenging is van een bestaande watergang.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe watergang;
de nieuwe watergang geen droge sloot wordt;
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de nieuwe watergang een tertiaire watergang wordt;
de nieuwe watergang:
wordt aangelegd; of
een verlenging is van een bestaande watergang; en
de compensatie plaatsvindt in:
beheergebied west waarbij:
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,60 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2,30 m is; of
beheergebied oost waarbij:
de compensatie plaatsvindt in het gebied Utrechtse Heuvelrug;
de diepte van de nieuwe watergang ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit minder dan 0,50 m is; of
de breedte van de watergang gemeten op de waterlijn bij laagste peil minder dan 2 m is.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door het verbreden van een watergang;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de compensatie niet plaatsvindt in beschermingszone K van een kunstwerk;
de te verbreden watergang geen tertiaire droge sloot is;
de te verbreden watergang een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang is; en
er:
gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang; of
niet gegraven wordt in beschermingszone A van een watergang waarbij:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever; en
er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever; en
er uitsluitend een verflauwing van het talud plaatsvindt boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen in bebouwd gebied, als:
er minimaal 500 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
er minimaal 5.000 m2 en maximaal 10.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een weg of verharding aan te leggen buiten bebouwd gebied, als:
minder dan 5.000 m2 extra verhard oppervlak wordt aangebracht;
de toename van het huidige initiatief samen met afgelopen 5 jaar gerealiseerde en nog niet gecompenseerde toenames 5.000 m2 of meer is;
er niet volledig wordt voorkomen dat versneld hemelwater wordt afgevoerd;
er minimaal 71 mm neerslag kan worden opgevangen ter compensatie van de toename aan verhard oppervlak;
de compensatie plaatsvindt in:
de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd door middel van het aanleggen van een natuurvriendelijke oever;
de natuurvriendelijke oever geen verflauwing is van het talud boven de waterlijn bij het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit; en
de compensatie plaatsvindt:
in beschermingszone A van een watergang; of
niet in beschermingszone A van een watergang, waarbij de natuurvriendelijke oever:
een plasberm heeft; en
de plasberm een diepte heeft van minder dan 0,30 m ten opzichte van het laagst vastgestelde peil in het peilbesluit.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
III
Artikel 4.371 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende voorschriften gelden:
de vegetatie dient, naar het oordeel van het waterschap, steeds in een goede toestand te verkeren en mag daarom niet te kort worden afgegraasd of gemaaid;
binnen de periode dat beweiding is toegestaan, kan het collegedagelijks bestuur van het waterschap met het oog op het waterstaatkundige belang, de beweiding tijdelijk verbieden. Hervatting mag slechts plaatsvinden op aangeven van het collegedagelijks bestuur van het waterschap;
drinkwatervoorzieningen en bijvoedervoorzieningen zijn te verplaatsen en worden niet op het talud geplaatst;
er wordt voorkomen dat er rondom de drinkwatervoorziening en de bijvoedervoorziening kale plekken ontstaan of dat er looppaden naar de drinkwatervoorziening ontstaan;
degene die beweidt, zorgt voor het aanbrengen en onderhouden van een voldoende veekerende afrastering;
bij indeling in meerdere aansluitende percelen mag van een verplaatsbare afrastering gebruik worden gemaakt, na verwijdering van de dieren dient deze afrastering ook verwijderd te worden;
ter plaatse van onderhoudspaden wordt de afrastering voorzien van een voldoende grote doorgang voor onderhoudsmachines;
wanneer de afrastering geen functie meer heeft, wordt deze geheel uit de waterkering verwijderd, overeenkomstig de regelgeving voor het verwijderen van afrasteringen;
bij onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering wordt, in overleg met het waterschap, de afrastering tijdelijk verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemer; en
tijdelijke afrasteringen, 1 m uit de teen in het talud, moeten worden verwijderd als de waterkering gemaaid of gerold wordt.
Het volgende voorschrift geldt: een natuurvriendelijke oever moet worden afgeschermd voor vee met een deugdelijke afrastering, overeenkomstig artikel 4.268, zodanig dat het vee niet in de natuurvriendelijke oever kan komen.
Het volgende voorschrift geldt: een natuurvriendelijke oever moet worden afgeschermd voor vee met een deugdelijke afrastering zodanig dat het vee niet in de natuurvriendelijke oever kan komen.
JJJ
Artikel 4.595 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De volgende voorschriften gelden:
de werken zijn zodanig uitgevoerd, dat er geen lekkage naast of onder de afsluitbare duiker kan ontstaan;
voorkomen wordt dat boven- of benedenstrooms van het kunstwerk erosie of uitspoeling optreedt;
afsluitbare duikers zijn tenminste aan de hoogwaterzijde voorzien van een voor het doel geschikte spindelafsluiter, die zo is geconstrueerd dat deze niet door onbevoegden kan worden bediend;
de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud zal plaatsvinden;
de aan- en afvoer van water naar achterliggende percelen wordt niet gestremd;
de werkzaamheden duren niet langer dan strikt noodzakelijk; en
tijdens de werkzaamheden moet het waterpeil gewaarborgd blijven.
De volgende voorschriften gelden:
de natuurvriendelijke oever is voldoende stabiel, zodat uitspoeling in het doorstroomprofiel van de watergang wordt voorkomen;
aanwezige oude beschoeiingresten of andere oeververdedigingen worden geheel uit de watergang verwijderd, tenzij deze een functie hebben voor het in stand houden van het talud;
beschoeiingen die onder water zijn aangelegd in een primaire watergang of secundaire watergang worden om de 50 m verklikt middels markeringspalen, op een zodanige wijze dat deze duidelijk zichtbaar zijn en blijven vanaf het water;
de natuurvriendelijke oever wordt onderhouden door de initiatiefnemer totdat de onderhoudsplicht in de onderhoudslegger anders is vastgelegd; en
de onderhoudsroutes moeten te allen tijde in stand worden gehouden tijdens het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, tenzij er gedurende de periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden geen onderhoud aan de watergang zal plaatsvinden door het waterschap.
De volgende voorschriften gelden:
alle ontgravingen blijven tot een minimum beperkt. Direct na het gereedkomen van de werken of onderdelen daarvan, waarvoor de ontgraving nodig was, wordt de ontgraving aangevuld met de uitkomende grond, in omgekeerde volgorde van ontgraving, in lagen van maximaal 0,30 m dik, waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht;
bij grondtekorten wordt klei toegepast conform Bijlage IV, waarbij wordt aangevuld in lagen van maximaal 0,30 m dik en elke laag afzonderlijk wordt verdicht; en
direct na afloop van de werkzaamheden wordt de geroerde grond voorzien van een erosiebestendige bekleding of ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel, goed aansluitend op de bestaande erosiebestendige bekleding van de waterkering.
Vervallen
KKK
Artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.
Indien de Omgevingswet na 1 januari 2024 in werking treedt, is het eerste lid niet van toepassing en treedt deze verordening in werking op een door het dagelijksdagelijks bestuur van het waterschapbestuur te bepalen tijdstip.
LLL
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
het hoogste vertegenwoordigende orgaan van het waterschap, zoals bedoeld in de Waterschapswet.
de verzamelnaam voor duurzaam verwarmen en koelen met warmte en koude uit water.
een gemeenschap bestaande uit groepen van organismen en abiotische elementen in een bepaald water.
een maatregel die zich richt op het elimineren, vermijden of verkleinen van de oorzaak of het gevolg van een ongewenste gebeurtenis.
het actief beheersen van het peil van grondwater of oppervlaktewater met bijvoorbeeld een pomp of gemaal.
een aan een waterstaatswerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden.
een constructie veelal van staal of hout, die een oever of waterkant beschermt tegen afkalven, golven en andere invloeden die de stabiliteit van de waterkant in gevaar brengen.
een verbreding aan de binnendijkse zijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden en/of om zandmeevoerende wellen te voorkomen.
aan de polderzijde van de waterkering gelegen.
een sloot gelegen binnen één kadastraal perceel of tussen twee aan elkaar grenzende kadastrale percelen van één eigenaar.
het hellend vlak van het dijklichaam aan de binnendijkse zijde van de dijk.
een boogboring waarbij bentoniet door de snijkop spuit om de boorgang open te houden.
een boorstaat is een log of beschrijving van een boring, met onder andere diepte, grondsoort, kleur en specifieke waarnemingen.
dagelijks bestuur van het waterschap, zoals bedoeld in de Waterschapswet.
een verticale grond- en/of waterkerende constructie, die bestaat uit een rij losse de grond in gedreven wandelementen die door middel van een gronddichte en in sommige gevallen ook waterdichte messing-en-groefverbinding met elkaar zijn verbonden.
een vaak slecht doorlatende bodemlaag die zich bevindt aan het maaiveld.
een waterkerende constructie die bestaat uit de kruin met aan weerszijde taluds, met inbegrip van eventuele bermen en 5 meter vlak aan weerzijden (of tot aan de bodem van een naastliggende watergang).
de onder de waterspiegel gelegen dwarsdoorsnede van een watergang.
een deel van het oppervlaktewaterlichaam dat een deel van het jaar niet watervoerend is, maar wel belangrijk kan zijn voor de waterhuishouding.
een dikke vloeibare stof die wordt gebruikt om leidingen van een relatief kleine diameter over de gehele lengte te vullen, waardoor deze blijvend flexibel en waterdicht is.
de bovenste draagkrachtige laag waar de fundering op rust.
de eerste bodemlaag vanaf het aardoppervlak (vaak opgebouwd uit zand en/of grind), waarin het grondwater zich relatief gemakkelijk kan verplaatsen en die aan de bovenzijde begrensd wordt door een mogelijk slecht doorlatende laag met een vrije waterspiegel en aan de onderzijde begrensd wordt door een ondoorlatende laag.
de afdekking van een grondlichaam, bijvoorbeeld gras of steen, ter voorkoming van uitspoeling van grond.
een voorziening langs een steile oever van een waterweg, waar (te water geraakte) dieren aan land kunnen komen.
een oever met een geleidelijk oplopend talud van de watergang naar het land.
een uitgegraven gedeelte in een niet draagkrachtige grondlaag, voor de aanleg van een fundering.
de kwaliteit van het water uitgedrukt in fysische en chemische eigenschappen.
de periode van 1 oktober tot 1 april.
een systeem dat warmte uit oppervlaktewater haalt door middel van een warmtewisselaar die in direct contact met het oppervlaktewater is geplaatst.
een sleufloze boortechniek voor de aanleg van ondergrondse infrastructuur.
een op zichzelf staande watergang die niet is verbonden met het oppervlaktewatersysteem.
de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand, bepaald aan de hand van in peilbuis gemeten stijghoogtes ten opzichte van een bepaald niveau (maaiveld of NAP).
de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand, bepaald aan de hand van in peilbuis gemeten stijghoogtes ten opzichte van een bepaald niveau (maaiveld of NAP).
een natuurgebied dat door het waterschap als grondwatergevoelig is aangemerkt.
een kast met een hoge druk aansluitset voor gasleverantie aan huishoudens en dergelijke.
een gebied rond bebouwing waarvan in het peilbesluit is aangegeven dat ten behoeve van de bescherming van de fundering het oppervlaktewaterpeil op een hoger peil wordt gehouden dan het omringende gebied.
goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn of bevatten.
een trapsgewijze afgraving die nodig is om een aan te brengen grondlichaam goed te laten hechten aan een bestaand grondlichaam.
de snijlijn van het talud van een oppervlaktewaterlichaam met het maaiveld.
een plaatselijke verbreding van een watergang die de doorgaande oeverlijn onderbreekt, aangelegd ten behoeve van het afmeren van een vaartuig.
een grondwaterbemaling in of direct naast een verontreinigingsvlek om verplaatsing van de vlek, ten gevolgen van een andere bemaling, tegen te gaan.
het met opzet onder water zetten van land.
een maat voor de belasting van het afvalwater met organische bestanddelen die een inwoner gemiddeld per dag produceert.
een steiger die bedoeld is om een of meerdere kano’s aan te meren.
de hoogte die een kunstwerk of waterkering moet hebben. Deze hoogte is bepaald door de eis ten aanzien van overlopen en golfoverslag.
het centrale gedeelte van een watergang dat als zodanig in de legger is aangegeven, gemeten van insteek tot insteek.
water waarmee iets gekoeld wordt.
een systeem dat water gebruikt om te koelen.
een maat voor het afkoelend vermogen van het te lozen water.
het kritische punt van een bemaling, is het punt in een bouwput waar, met de aangelegde bemaling, de kleinste verlaging behaald kan worden.
het hoogste punt in het dwarsprofiel van het dijklichaam.
een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2, onder 10, van de Kaderrichtlijn Water.
een civieltechnische constructie voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen, waarvoor andere materialen dan aarde en zand zijn gebruikt.
een water dat bijzondere bescherming behoeft en door HDSR als zodanig is aangeduid.
het water dat door een drukverschil vanuit de bodem omhoog komt.
een water dat bijzondere bescherming behoeft en door HDSR als zodanig is aangeduid.
de bebouwing die gevoelig is voor schade door zetting van de bodem onder andere ten gevolge van verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte van dieper gelegen grondwater door een grondwateronttrekking.
het profiel van een waterstaatswerk zoals dat is vastgelegd in de profielenlegger.
de hoogteligging van het grondoppervlak in een gebied, met uitzondering van taluds en bermen of andere (kunstmatige) verhogingen dan wel verlagingen.
de situatie waarbij het water uit een of meer polders niet meer naar de boezem wordt gepompt, doordat er een of meer poldergemalen zijn stopgezet.
een oever die ten behoeve van de ecologisch toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht met een ondiepe 'natte' zone die oever- en watervegetatie de kans bieden zich te ontwikkelen.
NEN 6600-1:2019 nl - Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater
NEN 6646/C1:2015 nl - Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat
NEN 6966:2005/C1:2006 nl - Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten - Atomaire-emissie-spectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES)
NEN-EN 12566-1:2016 en - Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks
NEN-EN 13284-1:2017 en - Emissies van stationaire bronnen - Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties - Deel 1: Manuele gravimetrische methode
NEN-EN 872:2005 en - Water - Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen - Methode door filtratie over glasvezelfilters
NEN-EN-ISO 10301:1997 en - Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden
NEN-EN-ISO 11732:2005 en - Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie
NEN-EN-ISO 11885:2009 en - Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES)
NEN-EN-ISO 12846:2012 en - Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;:
NEN-EN-ISO 13395:1997 nl - Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie
NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020 nl - Geotechnisch onderzoek en beproeving - Identificatie en classificatie van grond - Deel 1: Identificatie en beschrijving
NEN-EN-ISO 15587-1:2002 en - Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting
NEN-EN-ISO 15587-2:2002 en - Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur
NEN-EN-ISO 15680:2003 en - Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie
NEN-EN-ISO 15681-1:2005 en - Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA)
NEN-EN-ISO 15681-2:2018 en - Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA)
NEN-EN-ISO 15682:2001 en - Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie
NEN-EN-ISO 17294-2:2016 en - Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uraniumisotopen
NEN-EN-ISO 17852:2008 en - Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie
NEN-EN-ISO 17993:2004 en - Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie
NEN-EN-ISO 5667-3:2018 en - Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters
NEN-EN-ISO 5815-1:2019 en - Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003 en - Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters
NEN-EN-ISO 6878:2004 en - Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode
NEN-EN-ISO 9377-2:2000 en - Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie
NEN-ISO 15705:2003 en - Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode
NEN-ISO 15923-1:2013 en - Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat
NEN-ISO 5663:1993 en - Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen
een oppervlaktewaterlichaam dat niet aangewezen en begrensd is in bijlage II van de waterschapsverordening.
als door middel van een werk (bijvoorbeeld een pomp of schuif) een lager peil wordt gehandhaafd dan het in het peilbesluit vastgelegde peil.
de legger bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet, waarin voor delen van een waterstaatswerk een onderhoudsplichtige en een of meerdere onderhoudsplichten worden aangewezen.
een pad of strook grond gelegen langs een waterstaatswerk ten behoeve van beheerdoeleinden.
de route die onderhoudsvoertuigen kunnen gebruiken om vanaf de kant het watersysteem te onderhouden.
een onderhoudsvaarwater dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
het met behulp van drainagebuizen kunstmatig ontwateren van de bodem, of brengen van oppervlaktewater in de bodem. De drainagebuizen liggen onder het winterpeil maar boven het zomerpeil, waardoor in de winterperiode de drainagebuizen draineren en in de zomerperiode de drainagebuizen oppervlaktewater in de bodem brengen.
een buis of pijp die op bepaalde gedeelten op en bepaalde manier is geperforeerd om het onttrekken van grondwater mogelijk te maken.
het bezwijken van de grond, door het ontbreken van verticaal evenwicht in de grond, onder invloed van wateroverdrukken.
een vorm van bronnering voor de afvoer van vrij uit taluds en putbodem toestromend water en hemelwater door greppels of putten te graven in een bouwput tot een plaatselijk verdiept gedeelte, de pompput, waaruit het water kan worden weggepompt.
een systeem dat oppervlaktewater inneemt, hier de warmte uithaalt en het vervolgens loost op het oppervlaktewater.
het door middel van een werk (pomp, inlaat, stuw e.d.) handhaven van een hoger peil dan het in het peilbesluit vastgelegde peil.
het vrij aan het aardoppervlak voorkomend water zoals sloten, rivieren, kanalen, plassen en meren.
een peilstijging als gevolg van verminderde doorstroming.
een categorie waterkeringen, niet zijnde primaire waterkeringen, regionale waterkeringen of zomerkades.
een afwijking van de waterstanden in het peilbesluit waarvoor door het waterschap een vergunning is afgegeven of die als zodanig in het peilbesluit zijn opgenomen.
het vaststellen en handhaven van het waterpeil in rivieren, beken en sloten.
een bestuurlijk besluit met betrekking tot de te handhaven waterhoogte in watergangen.
een ondersteunend kunstwerk voor het regelen van het waterpeil.
een ondersteunend kunstwerk om twee peilgebieden van elkaar te scheiden.
de lekstroom onder een constructie door.
een natte oeverstrook die langs een watergang wordt aangelegd.
het reglementair vastgestelde waterpeil in een polder dat door de beherende instantie wordt nagestreefd.
een primaire watergang dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
de vrij te houden ruimte voor het blijvend kunnen realiseren van de waterkerende functie van een kering voor in het heden en de toekomst.
de legger bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, waarin wordt beschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen.
het geldende protocol 2001 voor het plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, zoals opgesteld door het SIKB.
het geldende protocol 2101 voor het mechanisch boren, zoals opgesteld door het SIKB.
lijnvormige representatie die als referentie voor de locatie van een object wordt gehanteerd.
een waterkering die is aangewezen op grond van een provinciale verordening en is opgenomen in de legger van het waterschap.
een projectiemethode (coördinatenstelsel) gebaseerd op de Bessel 1841 ellipsoïde met als datumpunt Amersfoort.
een bodemlaag tussen twee watervoerende pakketten waar grondwater moeilijk of niet doorheen stroomt.
een retourbemaling van onttrokken grondwater tussen de grondwateronttrekking en een verontreiniging, om verplaatsing van deze verontreiniging te beperken.
een bovengrondse koker ter bescherming van een peilbuis.
een secundaire watergang dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
een ondergrondse opslagtank voor afval(water) van huizen die niet aangesloten zijn op een riool.
een bemaling om sleuven droog te leggen voor de aanleg van bijvoorbeeld rioleringen of transportleidingen.
een waaiervormig hekwerk bij een sloot.
een constructie langs of boven het water.
het potentiele peil van het wateroppervlak van het grondwater gemeten ten opzichte van een bepaald niveau (maaiveld of NAP).
een kleine afsluitbare put in het wegdek waaronder zich bijvoorbeeld een peilbuis bevindt of een afsluiter voor een gasleiding, waterleiding en dergelijke.
een onder helling gelegen vlak.
een tertiaire watergang dat is aangewezen en begrensd in bijlage II van de waterschapsverordening.
het terugbrengen van onttrokken grondwater in de bodem in hetzelfde watervoerend pakket als waarop het grondwater onttrokken is.
een duiker die uitsluitend tot doel heeft het verbeteren van de waterkwaliteit.
alle onbedoelde effecten als gevolg van daling van de grondwaterstand op bos, natuur en landschap, zowel als gevolg van vochttekort als van mineralisatie en verandering in de invloed van kwel en neerslag.
de bovenkant van een dijklichaam voorzien van verharding.
een waterkering waarbij in de zone van 50 meter breedte, gerekend vanaf de referentiekruinlijn, een strook grond aanwezig is van 12 meter breedte met een hoogte van tenminste 0,20 meter boven de leggerhoogte. Verheelde kades zijn niet altijd in het landschap als waterkering te herkennen.
het optreden van verlanding.
een proces waarbij ondiepe watergangen door gebrekkig onderhoud langs natuurlijke weg in land veranderen.
een verhoging van de grondwaterstand.
een maat voor het opwarmend vermogen van het te lozen water.
een apparaat voor warmteoverdracht tussen twee media, gas of vloeistof, gescheiden door een warmte geleidende wand.
de aangewezen overheidsinstantie die zorgdraagt voor het beheer van watersystemen, zoals opgenomen in de Omgevingswet.
de totaal onttrokken of te onttrekken hoeveelheid (grond)water.
de mate waarin er een kans is op nadelige effecten voor het aquatisch milieu.
een ruimtelijk (beleids-)plan waarin de locaties en omvang van de warmtewinningen (koudelozingen) in een gebied van tevoren bepaald worden.
een langgerekte verlaging in het terrein van natuurlijke of kunstmatige oorsprong die permanent of periodiek stromend water bevat.
het vermogen om een bepaalde waterdruk als gevolg van hoogwater te weerstaan.
een constructie die tot doel heeft om water te keren.
een kunstmatige hoogte, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan, of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben.
de snijlijn van het watervlak ter hoogte van het waterpeil met de aangrenzende gronden.
het grensvlak tussen water en lucht.
een geologische formatie waarbinnen de relatief (ten opzichte van de omgeving) hoge doorlatendheid aanzienlijk transport van grondwater mogelijk maakt.
de neerwaartse stroming van (grond-)water door een slecht doorlatende laag.
een aanplanting van bomen of hagen, gebruikt als windscherm of emissiescherm.
het bovenste gedeelte van de aardebaan, waarvan het materiaal aan bepaalde eisen moet voldoen en waarop de verharding rust.
de waterkering langs een rivier die bij lage afvoeren de rivier in het stroomprofiel houdt.
deel van de waterkering dat als zodanig in de legger is aangegeven. In de zone waterstaatswerk gelden beperkingen ten aanzien van het gebruik.
MMM
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_BZ_A_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_BZ_A_Onderhoud/nld@2026‑05‑26;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_BZ_K_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_BZ_K_Kunstwerk/nld@2026‑05‑26;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_BZ_peilregelende_kunstw_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_BZ_K_Peilregelendkunstwerk/nld@2026‑05‑26;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_OK_BZ_nietverh_202505/nld@2025‑07‑15;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_RK_BZ_nietverh_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_OK_BZ_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_RK_BZ_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_OHVW_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Onderhoudsvaarwater/nld@2026‑05‑26;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_PW_DP_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_PW_KZ_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Primaire_KZ/nld@2026‑05‑26;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_SW_KZ_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Secundaire_KZ/nld@2026‑05‑26;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_TW_DP_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Tertiaire_Droge_Sloot/nld@2026‑05‑26;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_TW_KZ_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Tertiaire_KZ/nld@2026‑05‑26;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_DP_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2023/Utrechtse_Heuvelrug/nld@2023‑12‑01
/join/id/regdata/ws0636/2023/WK_OK_ZWW_nietverh/nld@2023‑12‑01
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_RK_ZWW_nietverheeld_202505/nld@2025‑07‑15;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_OK_ZWW_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_RK_ZWW_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WK_OK_ZWW_verheeld_202505/nld@2025‑07‑10;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_RK_ZWW_verheeld_202505/nld@2025‑07‑15;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_Aangew_Thermisch/nld@2025‑07‑10;10002
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Aangewezen/nld@2026‑04‑14;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/Rode_contour_Bebouwd_gebied/nld@2025‑01‑30;10002
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_BZ_V_Vispassage_202510/nld@2026‑04‑14;10001
/join/id/regdata/ws0636/2025/WG_Kwetsbaar_202510/nld@2026‑04‑14;10001
/join/id/regdata/ws0636/2026/WG_Geisoleerd/nld@2026‑04‑14;10001
NNN
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
In maart 2020 heeft het algemeen bestuur van HDSRhet waterschap een aantal uitgangspunten vastgesteld voor het opstellen van de waterschapsverordening. Deze zijn als volgt:
Sturingsfilosofie. De Omgevingswet leidt tot een cultuurverandering. Er zal op onderdelen een verschuiving optreden van een rechtmatige overheid naar een meer netwerkende overheid waarbij ruimte is voor participatie.
Van keur naar waterschapsverordening. De huidige “ja, mits-keur” werkt goed in de praktijk. De keur en uitvoeringsregels zullen als uitgangspunt worden gebruikt voor de waterschapsverordening.
Overgangstermijn. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het waterschap een termijn van 2 jaar om een waterschapsverordening op te stellen die voldoet aan alle juridische en digitale eisen (overgangstermijn). Indien nodig maakt HDSR gebruik van de overgangstermijn.
Bruidsschat en ecologie. HDSR zal de bruidsschat bestaande uit de huidige rijksregels eerst 1:1 over nemen. Onderkend wordt dat aanpassen van de kwaliteitsregels niet kan zonder afstemming met andere netwerkpartners binnen hetzelfde stroomgebied: gemeenten, provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat. Die afstemming vraagt tijd.
Bevoegdheidsverdeling. De regelgevende bevoegdheid ligt primair bij het algemeen bestuur van het waterschap. Om te zorgen voor flexibiliteit is het wenselijk de bevoegdheid tot vaststelling van de regels voor uitvoering van specifieke activiteiten te delegeren aan het collegedagelijks bestuur van het waterschap, evenals de koppeling en vaststelling van geografische informatie (werkingsgebieden en beperkingengebieden).
Participatie. Met de Omgevingswet wordt participatie steeds belangrijker. HDSR wil graag samen met de omgeving optrekken; de winst bij het opstellen van de regels zit aan de voorkant.
Samenwerking. HDSR gaat door op de ingeslagen weg en zoekt waar mogelijk de samenwerking met netwerkpartners. De Omgevingswet, de bijbehorende bruidsschat en het werken aan de één-loket gedachte maakt intensieve samenwerking noodzakelijk.
Aansluiting andere onderwerpen/projecten. Implementatie van de Omgevingswet is een complex project. Bij het opstellen van de waterschapsverordening is aandacht voor en doorwerking van andere onderwerpen en projecten bij HDSR, zoals de Visie VTH, actualisering leggers en keurkaarten, digitaliseringsslag, Waterbeheerprogramma (2022), grondwater en klimaatadaptatie en duurzaamheid.
OOO
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het ‘nee, tenzij’-principe in hoofdstuk 2: bruidsschat
Hoofdstuk 2 bevat regels over diverse lozingsactiviteiten op regionaal water en zuiveringtechnische werken uit de bruidsschat. Hier is het ‘nee, tenzij’-principe van toepassing. Als de lozing niet is geregeld in één van de afdelingen van hoofdstuk 2, dan is een omgevingsvergunning vereist (vangnetvergunningplicht). Voor alle lozingen geldt een vergunningplicht, tenzij de lozing is vrijgesteld. Dit komt door de manier waarop de bruidsschatregels door het Rijk zijn opgesteld en overgedragen aan de waterschappen.
Het 'ja, mits'-principe in hoofdstuk 3 en 4
Net als bij de keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het geval was, geldt ook bij een groot gedeelte (hoofdstuk 3 en 4) van de waterschapsverordening het ‘ja, mits’-principe. Dat betekent dat in beginsel handelingen in het watersysteem zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de zorgplicht, tenzij expliciet in deze verordening anders is bepaald. Als dat laatste het geval is, kunnen er verschillende soort regels gelden: algemene regels, informatieplicht, meldplicht, vergunningplicht, maatwerkvoorschrift en algeheel verbod. De zwaarste verplichting voor de betreffende activiteit geldt.
Het ‘ja-mits’-principe geldt als gezegd voor de regels in hoofdstuk 3 (wateronttrekkingsactiviteiten) en 4 (beperkingengebiedactiviteiten) van de waterschapsverordening. Deze regels zijn namelijk omgezet uit de keur en de uitvoeringsregels.
Soorten verplichtingen
De waterschapsverordening is het instrument waarmee HDSR regels kan stellen over activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. HDSR kan verschillende soorten verplichtingen (regels) opnemen. Hieronder volgt een toelichting op de belangrijkste: specifieke zorgplicht, algemene regels, meldplicht, informatieplicht, vergunningplicht, algeheel verbod en maatwerkvoorschriften.
Specifieke zorgplicht
Bij het verrichten van een activiteit geldt de specifieke zorgplicht als uitgangspunt. Hierin wordt geformuleerd waar de initiatiefnemer ten minste rekening moet houden bij het verrichten van een activiteit. De specifieke zorgplicht geldt ook als een vangnet. Dat betekent dat als er niets geregeld is, de specifieke zorgplicht altijd van toepassing is. HDSR kan bestuurlijk optreden op grond van (het overtreden van) deze specifieke zorgplicht.
Algemene regel
Algemene regels zijn regels (voorschriften) die voor iedereen gelden. Degene die de activiteit verricht waarbij algemene regels zijn aangewezen, moet zich houden aan voorschriften van die algemene regels. HDSR heeft algemene regels en combineert deze al dan niet met een informatieplicht of een meldplicht.
Informatieplicht, meldplicht
In de waterschapsverordening is een duidelijk verschil gemaakt tussen een informatieplicht en een meldplicht. Een informatieplicht is een verplichting om informatie te verstrekken gedurende het verrichten van een activiteit of binnen een bepaalde termijn voorafgaand aan het starten van een activiteit, zonder dat daaraan een verbod is gekoppeld de activiteit te verrichten. Bijvoorbeeld als het waterschap graag op de hoogte wil zijn van een activiteit, om nadien de leggerkaart te kunnen aanpassen. Bij een meldplicht is het verboden om de activiteit of bepaalde onderdelen daarvan te starten zonder binnen een gestelde termijn een melding te doen. Zonder melding mag dan niet worden gestart met de werkzaamheden. Achterliggende gedachte is dat HDSR de werkzaamheden kan beoordelen en kan bezien of eventuele maatwerkvoorschriften noodzakelijk zijn. Daarnaast stelt deze systematiek HDSR in staat om medewerkers van het team Toezicht en Handhaving eventueel te kunnen laten controleren op de werkzaamheden.
Vergunningplicht
Als voorafgaande toestemming van HDSR noodzakelijk wordt geacht, wordt in de waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist. In dat geval is een initiatiefnemer dus verplicht vooraf bij HDSR toestemming te vragen om de activiteit te mogen uitvoeren. Het gaat hier om een verbodsbepaling, het is verboden om de activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Het beoordelingskader is in principe opgenomen in de waterschapsverordening. Het is mogelijk dat door HDSR beleidsregels worden opgesteld, om meer kader te geven aan discretionaire bevoegdheden. Voordat initiatiefnemers een aanvraag of melding definitief indienen, kunnen ze deze eerst als conceptverzoek indienen. Met deze optie kunnen initiatiefnemers laten controleren of hun aanvraag compleet is en of de juiste informatie is ingevuld. Een initiatiefnemer heeft ook de mogelijkheid om een vooroverleg aan te vragen. Daarbij kan samen met het waterschap worden besproken wat het waterschap nodig heeft om een besluit te kunnen nemen. Ook kan worden besproken of een voorgenomen initiatief realiseerbaar is of dat er nog wijzigingen in de plannen noodzakelijk zijn. Na afweging van alle relevante belangen kan HDSR al dan niet de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit verlenen onder voorwaarden.
Algeheel verbod
Een activiteit kan in een bepaald gebied aanzienlijke nadelige gevolgen hebben op de te bereiken doelen van het waterschap. In een dergelijk geval heeft HDSR ervoor gekozen om een algeheel verbod voor het verrichten van deze activiteit in de waterschapsverordening op te nemen. Dat betekent dat deze activiteit verboden is.
Maatwerkvoorschriften
HDSR heeft in hoofdstuk 1 van de waterschapsverordening onderwerpen gewezen waarvoor het dagelijks bestuur (van het college)waterschap maatwerkvoorschriften kan stellen, zie artikel 1.10. Een maatwerkvoorschrift is een beschikking waarmee het waterschap in een individueel geval aan een initiatiefnemer de verplichting oplegt om te voldoen aan bepaalde voorschriften in aanvulling op of afwijking van een geldende algemene regel van de waterschapsverordening.
Indieningsvereisten
De indieningsvereisten die in de waterschapsverordening worden gevraagd, zijn aanvullend op de algemene gegevens die op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 7.2 van de Omgevingsregeling worden gevraagd. In hoofdstuk 1 zijn de algemene gegevens en bescheiden opgenomen (voor informatie- en meldplicht en ongewoon voorval). De specifieke gegevens en bescheiden voor lozingsactiviteiten, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten zijn in de afdeling ‘algemeen’ bij de betreffende hoofdstukken opgenomen. Waar nodig zijn per activiteit aanvullende indieningsvereisten opgenomen.
De indieningsvereisten vormen de juridische basis voor de aanvraagformulieren in het omgevingsloket van het DSO. Deze formulieren worden opgebouwd met 'toepasbare regels', gebaseerd op de indieningsvereisten.
PPP
Binnen bijlage V wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Doelstellingen
In de tekst van hoofdstuk 1 is duidelijk gemaakt welke doelstellingen met de regels worden gediend. Doordat de regels zijn gekoppeld aan de doelen die zij dienen, neemt de transparantie van de regels toe.
Beoordelingsregels
Een beoordelingsregel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van de waterschapsverordening wordt verleend. Per geval bekijkt HDSR of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Een omgevingsvergunning op grond van de waterschapsverordening kan enkel worden verleend of geweigerd op basis van gronden die in de waterschapsverordening zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 5.30 van de Omgevingswet. Als een activiteit vergunningplichtig is op grond van de waterschapsverordening, zijn ook beoordelingsregels opgenomen om de vergunningaanvraag te kunnen toetsen. Waterschappen kunnen hun beoordelingsregels baseren op (de essentie van) bestaande beleidsregels.
Lozen
Onder de Omgevingswet verandert de betekenis van het begrip ‘lozen’. De lozingsregels gaan straks niet alleen over de kwaliteit van het water, maar ook over hoeveelheden (kwantiteit) te lozen water.
Delegatiebesluit
De waterschapsverordening wordt in principe vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap. Artikel 2.8 van de Omgevingswet biedt het algemeen bestuur van het waterschap de mogelijkheid om het vaststellen van delen van de waterschapsverordening te delegeren aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Het delegatiebesluit geeft de reikwijdte aan van de gedelegeerde bevoegdheid. HDSR maakt gebruik van de mogelijkheid tot delegatie van delen van de waterschapsverordening aan het collegedagelijks bestuur van het waterschap. Dit wordt gedaan via een apart delegatiebesluit.
QQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de aard en omvang van de lozing, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de hoeveelheid te lozen water wordt aangepast.
De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) die minder dan 48 uur duren, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: ten minste 5 werkdagen voor de start van de lozingsactiviteit wordt het bevoegd gezag geïnformeerd in plaats van 4 weken.
Vierde lid:
Dit lid verplicht om vierx weken/werkdagen voor de start van de lozing gegevens en bescheiden te verstrekken aan het bevoegd gezag. Daarbij wordt informatie verstrekt over de kwaliteit van het grondwater wat geloosd wordt. Deze informatie is afkomstig uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd op basis van de onderzoeksverplichting uit paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Om te bepalen of op een bepaalde locatie sprake is van een bodemverontreiniging die risico's oplevert, is bodeminformatie nodig. Voorafgaand aan de graafwerkzaamheden die voor de activiteit nodig zijn moet de initiatiefnemer een bodemonderzoek uitvoeren. Een onderdeel van dit onderzoek zijn gegevens over de kwaliteit van het grondwater.
Het lozen van grondwater bij ontwatering zorgt voor een verslechtering van de chemische waterkwaliteit en verhoogt de toxiciteit door het lozen van zware metalen, het lozen van gewasbeschermingsmiddelen, PAK's en andere verontreinigende stoffen. Op basis van de onderzoeksgegevens van het bodemonderzoek, dat door de initiatiefnemer op grond van paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is uitgevoerd voor de ontgraving, kan het waterschap beoordelen wat het effect van een eventuele bodemverontreiniging kan hebben op de oppervlaktewaterkwaliteit.
Wanneer er voor de (graaf-) werkzaamheden geen (voorafgaand) bodemonderzoek vereist is, hoeft dit niet bij de melding van de lozing te worden ingediend. In de gevallen dat er enkel een vooronderzoek conform de NEN 5725 is uitgevoerd, is het voldoende om deze informatie aan te leveren.
RRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels, openbare hemelwaterstelsels en openbare vuilwaterriolen in oppervlaktewater toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP's van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. Bij het vaststellen van het GRP is betrokkenheid van het waterschap voorgeschreven. Gemeente en waterschap bepalen gezamenlijk welke maatregelen aan de riolering het meest doelmatig zijn. Daarbij wordt onder meer gelet op de effecten van lozingen uit de riolering op het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast verplichtte het voormalige artikel 3.8 van de Waterwet tot afstemming van taken en bevoegdheden over de afvalwaterketen. Een omgevingsvergunning voor lozen vanuit de riolering is in dat licht overbodig. Ook het nieuwe stelsel gaat uit van samenwerking tussen overheden bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden (zie artikel 2.2 Omgevingswet). De Omgevingswet voorziet in artikel 3.14 in een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vast te stellen. Ongetwijfeld zal het college van burgemeester en wethouders het waterschap daarbij betrekken. Als het college van burgemeester en wethouders een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen daarom eveneens toegestaan. De naam 'rioleringsprogramma' is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
Voor lozingen vanuit 'overheids-IBA's' geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de hierboven opgenomen toelichting.
Derde lid:
Het derde lid van dit artikel bevat verplichte onderdelen die het gemeentelijk rioleringsplan, een gemeentelijke rioleringsprogramma's of een programma ter uitvoering dit plan of programma in ieder geval moeten bevatten om onder de werking van deze algemene regel te vallen. Dit artikel zorgt ervoor dat de lozing alleen onder de algemene regel kan vallen als het gemeentelijk rioleringsplan, gemeentelijk rioleringsprogramma of een uitvoeringsprogramma ter uitvoering van dit plan of programma voldoet aan de eisen uit het derde lid. Dit lid is een vertaling van alle eisen uit het inmiddels vervallen artikel 4.22, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Dit artikel zorgde ervoor dat in het gemeentelijk rioleringsplan of gemeentelijk rioleringsprogramma de gevolgen voor het milieu van de bestaande en nieuw aan te leggen voorzieningen beschreven werden. Voor het waterschap is het met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit van belang dat deze eisen terugkomen in gemeentelijke rioleringsprogramma's. Als de gemeente de gevolgen voor het milieu in een rioleringsprogramma heeft uitgewerkt en een directe relatie heeft aangebracht tussen de rioleringswerken en het waterhuishoudkundige en milieubeleid zijn de gevolgen voor de waterkwaliteit op de juiste wijze meegenomen. De lozing kan in dat geval onder de algemene regel uit deze afdeling vallen. Als de lozing niet aan de eisen uit artikel 2.42 van de waterschapsverordening voldoet geldt er voor de lozing een vergunningplicht op basis van artikel 2.74 van de waterschapsverordening.
SSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor een grondwateronttrekkingsactiviteit en is ontleend aan de Omgevingsregeling. De aanvraagvereisten zijn in aanvulling op artikel 4:2 van de Awb en de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling.
Eerste lid, onder j:
Met “het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater” heeft zowel betrekking op het weer in de bodem terugbrengen van grondwater dat eerder aan de bodem onttrokken is als ander water, zoals oppervlaktewater, hemelwater of proceswater, dat in de bodem wordt gebracht om het daar te laten of om het naderhand voor gebruik weer te onttrekken. Water dat in de bodem wordt gebracht om naderhand weer voor gebruik te worden onttrokken wordt aangeduid met de thermterm “infiltreren”. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend beoordeelt het waterschap zowel de kwalitatieve als kwantitatieve aspecten van de bodemlozing.
WWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een bouwput. Afhankelijk van het wel of niet verplaatsen van een aanwezige verontreiniging, de grootte van het onttrekkingsdebiet, de omvang van het waterbezwaar en de diepte van de grondwateronttrekking, kan een grondwateronttrekking worden toegestaan onder algemene regels. Voor het onttrekken van grondwater in een bouwput kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Gebiedsgericht grondwaterbeheer
Een aantal gemeenten (waaronder Utrecht en Woerden) past gebiedsgericht grondwaterbeheer toe ter bescherming van de ondergrond. Bij werkzaamheden in de ondergrond op een locatie met gebiedsgericht grondwaterbeheer waarbij verontreinigingen worden verplaatst zijn in veel gevallen geen extra maatregelen meer nodig. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de desbetreffende gemeente.
In het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer zijn zones aangewezen. Binnen deze zones beschouwt het bevoegd gezag het verplaatsen van verontreinigen niet direct als een probleem, mits de verplaatsing binnen de grenzen van het gebiedsplan blijft.
Verplaatsen van een verontreiniging buiten het gebied met gebiedsgericht grondwaterbeheer
Het onttrekken van grondwater kan tot gevolg hebben dat een nabijgelegen verontreinigingsvlek verplaatst wordt in de richting van de bouwputbemaling. Het risico op verplaatsing is afhankelijk van het soort verontreiniging en de ligging ten opzichte van de bouwputbemaling. Een verontreiniging binnen het invloedsgebied van een grondwateronttrekking kan verplaatst worden. Dit is onder een algemene regel toegestaan, als:
de verontreinigingsvlek minder dan 5 meter verplaatst wordt;
de verontreinigingsvlek onderdeel is van een bodemsanering; of
De verontreinigingsvlek meer dan 5 meter verplaats wordt, maar de verplaatsing tot 5 meter beperkt blijft als gevolg van het toepassen van een mitigerende maatregel (interceptie- en/of schermbemaling).
Een interceptie- of schermbemaling is een bemaling die enkel uitgevoerd mag worden in combinatie met een andere grondwateronttrekking (bijvoorbeeld voor een bouwput) en wordt in of nabij een verontreinigingsvlek geplaatst om te voorkomen dat de vlek in de richting van de bouwputbemaling wordt verplaatst. Een schermbemaling is een retourveld dat tussen de grondwateronttrekking en de vlek in geplaatst wordt. Als de verplaatsing tot maximaal 5 meter beperkt wordt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling kunnen de werkzaamheden onder de algemene regel uitgevoerd worden, mits wordt voldaan aan het maximale debiet voor een interceptiebemaling wat toegestaan wordt onder een algemene regel. Deze is gelijk aan het maximaal toegestane debiet voor een grondwatersanering, maximaal 25 m3 per uur. Voor een schermbemaling is geen maximaal debiet opgenomen in de algemene regels, omdat deze gebruik maakt van het grondwater dat onttrokken wordt bij de andere grondwateronttrekking (bijvoorbeeld een bouwput).
Onttrekkingsdebiet I
Mogelijk zijn in de directe omgeving van een grondwateronttrekking meerdere verontreinigings-vlekken aanwezig en zijn, om verplaatsing te tegen te gaan, meerdere interceptie- of schermbemalingen noodzakelijk. Het is toegestaan om ten behoeve van het voorkomen van verplaatsing van verontreinigingsvlekken, door toedoen van een grondwateronttrekking, meerdere interceptie- of schermbemalingen te plaatsen. Bij gelijktijdig uitvoeren van meerdere interceptiebemalingen mag het debiet van alle interceptiebemalingen, in totaal, niet groter dan 25 m3 per uur zijn.
De grootte van het debiet van de grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket ter plaatse van de grondwateronttrekking en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken om de gewenste drooglegging (maximaal 30 cm) te bereiken. Bij (negatieve) gevolgen moet onder andere gedacht worden aan de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte in de omgeving, het optreden van zettingen, het ontstaan van funderingsschade, het verplaatsen van verontreiniging(en), verdroging (waardoor archeologie en wortels van bomen kunnen droogvallen) en het indringen van zuurstof in de bodem. Ervaring leert dat bij een grondwateronttrekking ten behoeve van een bouwput met een debiet van maximaal 100 m3m3 per uur de (negatieve) gevolgen beperkt zijn. Het onder een algemene regel gelijktijdig uitvoeren van grondwateronttrekkingen in meerdere bouwputten of meerdere interceptiebemalingen, die in elkaars invloedsgebied liggen, is alleen toegestaan indien het uurdebiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen samen maximaal 100 m3m3 per uur is of wanneer het uurdebiet van de grootste bemaling van direct na elkaar uit te voeren grondwateronttrekkingen in meerdere bouwputten, die in elkaars invloedsgebied liggen, maximaal 100 m3m3 per uur is.
Daarnaast geldt onder een algemene regel dat het waterbezwaar maximaal 400.000 m3m3 mag bedragen. Het waterbezwaar is de totale hoeveelheid onttrokken grondwater en wordt bepaald door het debiet en de duur van de onttrekking. Doorgaans reageert het grondwatersysteem relatief traag en zijn de risico's bij een waterbezwaar van maximaal 400.000 m3m3, beperkt. Het maximale waterbezwaar van 400.000 m3m3 is gebaseerd op een bemalingsperiode van zes maanden waarin sprake is van een continue onttrekking van 100 m3m3 per uur. Voordeel van opnemen van het criterium maximaal waterbezwaar in plaats van het criterium maximale tijdsduur is dat grondwateronttrekkingen met een lange duur en een laag debiet, niet direct vergunningplichtig zijn, omdat er geen tijdsbepalende factor is. Hierdoor kunnen meer grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd onder een algemene regel. Voorbeelden hiervan zijn grondwateronttrekkingen die uitlopen door bijvoorbeeld vorstverlet of doordat gedurende de uitvoering een grondwateronttrekking tijdelijk stilligt.
Diepte van de grondwateronttrekking
Watervoerende pakketten worden van elkaar gescheiden door waterremmende lagen. Het doorboren van een scheidendscheidende laag, brengt risico van verspreiding van verontreiniging naar een dieper gelegen watervoerend pakket met zich mee. Op basis van boringen van TNO is bepaald op welke diepte een scheidende laag zich bevindt. Om onnodig doorboren van scheidende lagen te voorkomen is het niet toegestaan om grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket te onttrekken onder een algemene regel.
Onttrekkingsdebiet II
Bij een laag debiet zijn de effecten op de grondwaterstand en in de omgeving beperkt. Uit ervaring blijkt dat er zeer beperkte schommelingen (verlagingen) in de grondwaterstand of stijghoogte worden geconstateerd. Daarom zijn bij een debiet van maximaal 10 m3 per uur, 5.000 m3 per maand (30 dagen) en 12.000 m3 per jaar maar beperkte (negatieve) gevolgen te verwachten en zijn aan dit soort grondwateronttrekkingen minder eisen gesteld.
Retourbemaling
Het waterschap is in geval van een melding bevoegd gezag voor de kwantitatieve aspecten van het grondwater. Het brengen van water in de bodem wat eerst onttrokken is, betreft retourneren. Retourneren van grondwater kan negatieve effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving beperken. Retourneren geniet de voorkeur boven lozen, omdat de effecten van een grondwateronttrekking beperkt worden en het grondwater wordt teruggebracht in de bodem waaruit het onttrokken is. Daarnaast worden andere systemen, zoals oppervlaktewatersystemen en riolering niet belast. Het retourneren van grondwater is een gevolg van een bepaalde activiteit waarvoor de grondwateronttrekking wordt uitgevoerd. Dit kunnen verschillende grondwateronttrekkingen zijn. Het retourneren wordt meegenomen bij de melding van de grondwateronttrekking. De kwalitatieve aspecten van de bodemlozing zijn geregeld in het omgevingsplan van de gemeente.
XXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels gelden bij een grondwateronttrekking bij kwetsbare bebouwing. Voor het onttrekken van grondwater ter plaatse van kwetsbare bebouwing of in een gebied met grondwatergevoelige natuur kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en een informatieplicht.
Eerste lid:
Indien de grondwaterstand binnen het invloedgebied van de bemaling verlaagd wordt beneden de GLG kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG, dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Wordt daarbij voorkomen dat houten funderingsonderdelen droogvallen, dan kan de grondwateronttrekking onder de algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing.
Wanneer een geringere verschilzetting berekend wordt is het risico op het ontstaan van schade beperkt. De grondwateronttrekking kan dan worden uitgevoerd onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht. Daarnaast is zorgplicht van toepassing op de activiteit.
Tweede lid:
Voor bebouwing van vóór 1960 geldt dat als de grondwaterstand (ter plaatse van deze bebouwing) niet verder verlaagd wordt dan de GLG, het risico op het ontstaan van schade aan een gebouw gering is. De grondwaterstand is immers in het verleden zo vaak gedaald tot dit niveau dat verondersteld mag worden dat de bodem tot dit niveau al volledig gezet is en dat houten onderdelen van een fundering nog geen schade ondervinden. Een grondwateronttrekking kan dan onder een algemene regel met meldplicht worden uitgevoerd. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
YYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het onttrekken van grondwater in een bouwput. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 3.7.
Eerste en tweede
Tweede lid:
Om te voorkomen dat meer grondwater wordt onttrokken dan strikt noodzakelijk is, is een maximale verlaging op het kritische punt voorgeschreven. Een maximale grondwaterstand van 30 centimeter onder de bodem van een ontgraving geeft voldoende draagkracht om de werkzaamheden uit te kunnen voeren zonder dat dit tot problemen zal leiden.
Om zicht te krijgen/houden op de verlaging van de grondwaterstand en/of stijghoogte in de omgeving van de bouwput heeft het waterschap voorgeschreven waaraan een monitoring voor het verlagen van de grondwaterstand en/of stijghoogte minimaal moet voldoen. Hiermee kan bij drastische verlagingen worden ingegrepen om schade te voorkomen. Voor het aanbrengen van peilbuizen e.d. is toestemming nodig van een eventuele (mede)eigenaar, beheerder of gebruiker van de grond.
Door omstandigheden kan het voorkomen dat niet aan de voorgeschreven monitoring kan worden voldaan of dat met een andere methode van monitoring ook voldoende zicht wordt verkregen op de verlaging van de grondwaterstand en/of stijghoogte in de omgeving van de bouwput. In deze gevallen kan een (gemotiveerd) schriftelijk verzoek, waarin de monitoring wordt beschreven, worden ingediend.
Daarnaast is het voor het verloop van de grondwateronttrekking van belang dat dagelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemeten wordt. Meten gebeurt door registratie van de stand van de watermeter(s), zowel voor de start, tijdens, als bij beëindiging van de grondwateronttrekking. Hierbij wordt ook de datum en tijdstip van opname geregistreerd.
Om overzicht te krijgen/houden op het verloop van de grondwateronttrekking, is het van belang dat dagelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemonitord/gemeten wordt. Het is van belang dat gebruik wordt gemaakt van een goed functionerende watermeter; deze is voorzien van een keurmerk, juist geïnstalleerd en recent geijkt (in de afgelopen 2twee jaar). Indien een watermeter wordt vervangen is het van belang om de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging te registreren. Indien een interceptie- en/of schermbemaling wordt toegepast, wordt deze voorzien van een eigen watermeter.
Per melding geldt een onttrekkingsperiode waarbinnen de grondwateronttrekkingen, die vallen onder de melding, worden uitgevoerd. Een melding mag bestaan uit meerdere grondwateronttrekkingen. Zoals bijvoorbeeld: het uitvoeren van meerdere bouwputbemalingen of het uitvoeren van een bouwputbemaling en een bodemsanering (ontgraving in een bouwput). Het is verplicht om voor alle grondwateronttrekkingen één melding in te dienen of één vergunning aan te vragen. Hiervan mag worden afgeweken als sprake is van een bemaling die lang loopt waarbij niet continu grondwater wordt onttrokken. Als gedurende 8 weken of langer geen grondwater onttrokken wordt, mag een nieuwe melding worden ingediend. Dit geldt ook voor onderdelen die ver uiteen liggen en waarvan de invloedsgebieden van de bouwputbemalingen elkaar niet overlappen. Deze onderdelen mogen afzonderlijk worden gemeld.
Het aanleggen en verwijderen van een onttrekkingsput kan gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere putten waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Met behulp van boorstaten wordt er meer inzicht gecreëerd in de opbouw van de bodem en kan tevens gecontroleerd worden of de werkzaamheden op juiste wijze zijn uitgevoerd. De boorstaten bestaan uit:
-een overzicht van hoe de grondlagen zijn opgebouwd t.o.v. maaiveld en/of NAP;
-een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, filters en stijgbuizen zijn afgesteld, inclusief materiaalsoorten en diameters; en
-een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, afsluitende lagen en overige aanvullingen in een boorgat zijn aangebracht met de gebruikte materialen.
Het juist afdichten van diepere putten is van belang om het risico op verplaatsing van verontreiniging te beperken. Om zicht te hebben op de uitvoering van het afdichten, dient het waterschap op de hoogte te worden gesteld van wanneer een put wordt afgedicht.
Derde en vierde lid:
Het tijdelijk onttrekken van grondwater bij een waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht en toezicht hierop onvoldoende kan worden gegarandeerd. Het achterblijven van filtermateriaal is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf of bouwput zijn er weinig risico's verbonden voor een primaire waterkering of regionale waterkering op een minder stabiele ondergrond. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 2 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 2 m3 per uur, toegestaan onder een algemene regel.
Wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit veen of klei-op-veen gronden, kan het onttrekken van grondwater inklinking en/of piping veroorzaken, met als gevolg dat scheuren in de waterkering ontstaan of in het uiterste geval de kering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart “Klei op veen- of veengronden”, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Om een waterkering die ook gelegen is in een zettingsgevoelig gebied extra te beschermen is het onttrekkingsdebiet vastgesteld op maximaal 2 m3 per uur.
Indien de waterkering niet gelegen is in een zettingsgevoelig gebied een geen primaire waterkering is geldt een onttrekkingsdebiet tot maximaal 5 m3 per uur.
Vijfde lid:
Indien de grondwaterstand binnen het invloedgebied van de bemaling verlaagd wordt beneden de GLG kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Wordt daarbij voorkomen dat houten funderingsonderdelen droogvallen, dan kan de grondwateronttrekking onder de algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een geringere verschilzetting berekend wordt is het risico op het ontstaan van schade beperkt. De grondwateronttrekking kan dan worden uitgevoerd onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht. Daarnaast is zorgplicht van toepassing op de activiteit. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl) ) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Zesde lid:
Voor bebouwing van vóór 1960 geldt dat als de grondwaterstand (ter plaatse van deze bebouwing) niet verder verlaagd wordt dan de GLG, het risico op het ontstaan van schade aan een gebouw gering is. De grondwaterstand is immers in het verleden zo vaak gedaald tot dit niveau dat verondersteld mag worden dat de bodem tot dit niveau al volledig gezet is en dat houten onderdelen van een fundering nog geen schade ondervinden. Een grondwateronttrekking kan dan onder een algemene regel met meldplicht worden uitgevoerd. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Zevende lid:
Als sprake is van een verdere verlaging dan GLG, bijvoorbeeld in de bouwput, dan is dat niet direct een probleem zolang de verlaging van de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur maar niet onder de GLG komt. Uitgezocht dient te worden wat het invloedgebied is van de bemaling en of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Door het verlagen van de grondwaterstand tot onder de GLG kan verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur ontstaan. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur, kan deze grondwateronttrekking onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. De nadelige invloed van de onttrekking wordt dan als zeer beperkt beoordeeld.
Achtste lid:
Wanneer in een gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is, het onttrekkingsdebiet groter dan 10 m3/uur is, de grondwateronttrekking plaatsvindt in het groeiseizoen (maart - oktober) en het onttrokken grondwater weer in de bodem wordt teruggebracht in het gebied met grondwater gevoelige natuur (bijvoorbeeld middels een lozing op de bodem, retourbemaling, etc.) dan is de kans op het ontstaan van droogteschade beperkt en kan de bemaling onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd.
Negende lid:
Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is groter dan 10 m3/uur, maar de grondwateronttrekking vindt buiten het groeiseizoen (maart - oktober) plaats, kan het onttrekken van grondwater onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Buiten het groeiseizoen is de kans op verdroging of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur beperkt. Een grondwaterstand onder de GLG kan leiden tot schade aan de natuur die bestaat uit het risico op onomkeerbare veranderingen, waarbij nattere doelsoorten verdwijnen en drogere doelsoorten het gebied niet kunnen bereiken. De grootte van het debiet van een grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat er zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken.
Tiende lid:
Het waterschap is bevoegd gezag voor de kwantitatieve aspecten van het grondwater. Het brengen van water in de bodem wat eerst onttrokken is, betreft retourneren. Retourneren van grondwater kan negatieve effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving, beperken. Water terug in de bodem brengen geniet de voorkeur boven lozen, omdat de effecten van een grondwateronttrekking beperkt worden en het grondwater wordt teruggebracht waar het vandaan komt. Daarmee worden andere systemen, zoals oppervlaktewatersystemen en riolering niet belast. Het brengen van water in de bodem dat niet eerst onttrokken is, brengt risico's met zicht mee. Het doel van het brengen van water in de bodem en de kwaliteit van het water moet bekend zijn om er uitspraken over te kunnen doen. Het aanleggen en verwijderen van “retourbronnen” kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere “retourbronnen” waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Om te voorkomen dat een andere kwaliteit grondwater wordt vermengd met mogelijk schoner grondwater moet het onttrokken grondwater nabij de onttrekkingslocatie en in hetzelfde watervoerende pakket (als waar het uit onttrokken is) weer in de bodem worden gebracht. Daarmee wordt verplaatsing van verontreiniging en eventuele schade aan schone bodem voorkomen. Indien het onttrokken grondwater verontreinigd is, moet eerst bij het bevoegd gezag nagegaan worden of het water terug in de bodem gebracht mag worden.
Door water in de bodem te brengen, neemt de grondwaterstand en/of stijghoogte toe. Een mogelijk negatieve bijkomstigheid is dat de grondwaterstand of stijghoogte plaatselijk te veel kan stijgen, waardoor waterschade kan ontstaan bij bebouwing door optrekkend vocht en het vollopen van kelders en kruipruimtes, vernattingsschade bij landbouw en natuur waardoor gewassen en wortels verrotten, grondwaterverontreiniging kan worden verplaatst, de waterbodem van een watergang kan opbarsten, etc.. Om dit te voorkomen is een grens gesteld tot hoever de grondwaterstand/ stijghoogte mag stijgen ten opzichte van de GHG.
ZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de informatieplichten voor het onttrekken van grondwater in een bouwput en gelden zodra dit in de algemene regels is aangewezen.
Eerste lid:
Kort voordat met de bemaling wordt gestart wordt de onttrekkingsinstallatie ingericht en worden watermeters geplaatst. Gegevens over de geplaatste watermeters (zoals watermeter type, -nummer en beginstand) worden uiterlijk drie dagen na aanvang van de bemaling aan het waterschap verstrekt.
Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een project wordt uitgesteld. Een wijziging van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart. De wijziging in startdatum kan tot gevolg hebben dat andere gegevens moeten worden aangeleverd of dat het onttrekken van grondwater vergunningplichtig is geworden. Indien de startdatum van de grondwateronttrekking wijzigt of één van de indieningsvereisten wijzigt, moet een nieuwe melding worden ingediend.
De peilbuizen worden doorgaans geplaatst en ingemeten kortenkele weken voordat met de bemaling wordt gestart. Vervolgens worden nulmetingen verricht. De peilbuizen worden op een kaart ingetekend waarop ook de precieze locatie en inmeetgegevens worden vermeld (inclusief XY-coördinaten). Deze gegevens worden ten minste drie dagen voorna aanvang van de bemaling aan het waterschap verstrekt.
Met behulp van boorstaten wordt er meer inzicht gecreëerd in de opbouw van de bodem en kan tevens gecontroleerd worden of de werkzaamheden op juiste wijze zijn uitgevoerd. De boorstaten bestaan uit:
- een overzicht van hoe de grondlagen zijn opgebouwd t.o.v. maaiveld en/of NAP;
- een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP filters zijn afgesteld, inclusief materiaalsoorten en diameters;
- een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, afsluitende lagen en overige aanvullingen in een boorgat zijn aangebracht met de gebruikte materialen.
Wanneer retourbemaling wordt ingezet wordt er informatie aangeleverd over het retourveld. De retourbronnen worden op een kaart ingetekend waarop ook de precieze locatie en inmeetgegevens worden vermeld (inclusief XY-coördinaten). Daarnaast bevatten de gegevens de boorstaten van de retourbronnen, nummer van de watermeter(s) van het retourveld, beginstand(en) van de watermeter(s) van het retourveld en datum en tijdstip van aflezen van de watermeter(s). Deze gegevens worden aan het waterschap verstrekt.
Tweede lid:
Kort voordat met de bemaling wordt gestart wordt de onttrekkingsinstallatie ingericht en worden watermeters geplaatst. Gegevens over de geplaatste watermeters (zoals watermeter type, -nummer en beginstand) worden ten minste drie dagen voor aanvang van de bemaling aan het waterschap verstrekt.
Ten minste drie dagen voor het einde van de activiteit wordt de datum waarop de putten geheel of gedeeltelijk buiten gebruik worden gesteld of worden gedicht verstrekt aan het waterschap. Om zicht te hebben op de uitvoering van het afdichten, dient het waterschap op de hoogte te worden gesteld van wanneer een put wordt afgedicht. Het juist afdichten van diepere putten is van belang om het risico op verplaatsing van verontreiniging te beperken.
Vierde en vijfde
Derde lid:
Uiterlijk één maand na het beëindigen van de grondwateronttrekking moet de einddatum en de totale hoeveelheid onttrokken (en geretourneerde) grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden per dag, de begin- en eindstand van de watermeter, de datum en het tijdstip van de beëindiging, de boorstaten en alle gemeten grondwaterstanden en stijghoogten, aan het waterschap worden doorgegeven. De gemelde gegevens worden gebruikt om:
- de melding administratief af te sluiten;
- de onttrekkingsperiode vast te leggen;
- het grondwatergebruik in ons gebied in kaart brengen;
- na te gaan of de daadwerkelijk onttrokken (en geretourneerde) hoeveelheid grondwater overeenkomt met de gemelde hoeveelheid; en
- bij het lozen in een vuilwaterriool, hemelwaterriool of oppervlaktewater de zuiverings- of verontreinigingsheffing op te leggen.
AAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de meldplicht voor het onttrekken van grondwater in een bouwput en geldt zodra deze in de algemene regels is aangewezen.
Een melding moet minimaal twee weken voor de start van de grondwateronttrekkingen zijn ingediend. Dit kan digitaal, via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). De twee weken zijn bedoeld voor het bevoegd gezag om de melding te kunnen beoordelen. Ook wordt in deze periode de melding doorgestuurd naar een ander bevoegd gezag ter informatie en indien van toepassing voor advies.
Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een bouwproject wordt uitgesteld. Een verschuivingwijziging van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart.
Indien de startdatum van de grondwateronttrekking meer dan zes maanden verschuift of een van de indieningsvereisten wijzigt, zal een nieuwe melding ingediend moeten worden. De initiatiefnemer zal daarom de startdatum moeten bevestigen door het startformulier te versturen aan het waterschap. Op basis van deze data wordt de onttrekkingsperiode vastgelegd.
Indien de startdatum van de grondwateronttrekking wijzigt of één van de indieningsvereisten wijzigt, moet een nieuwe melding worden ingediend. Op basis van de gemelde startdatum wordt de onttrekkingsperiode vastgelegd.
Zie voor meer informatie over melden van bemalingen waarbij sprake is van overlap in invloedsgebied zie de toelichting bij artikel 3.13.
BBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een bouwput in beperkingengebieden van een waterkering vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Eerste en tweede lid:
Wanneer grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis of met een debiet groter dan 2 m3 per uur, dan zijn hieraan risico's verbonden voor de primaire waterkering. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Derde en vierde lid:
Wanneer grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis of wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit klei-op-veen of veengronden en grondwater onttrokken wordt met een debiet hoger dan 2 m3m3 per uur kan het onttrekken van grondwater inklinking of piping veroorzaken met als gevolg dat scheuren in de waterkering kunnen ontstaan of in het uiterste geval de waterkering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart Klei op veen- of veengronden, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Vijfde, zesde en zevende lid:
Als het grondwater onttrokken wordt met een drainagebuis of met een hoger debiet dan 5 m3 per uur, dan zijn hieraan risico's verbonden voor de waterkering of zomerkade. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
CCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het onttrekken van grondwater in een sleuf. Activiteiten die hier in ieder geval onder vallen zijn, het onttrekken van grondwater voor:
het aanleggen of repareren van riolering, kabels, leidingen en funderingen;
het uitvoeren van onderzoek of andere werkzaamheden onder de grond over een grote lengte (daarbij is sprake van een sleuf die in meerdere delen na elkaar gegraven wordt);
het uitvoeren van onderzoek of andere werkzaamheden onder de grond over een grote lengte (daarbij is sprake van een sleuf die in meerdere delen na elkaar gegraven wordt); en
het graven van een watergang; en
een sleuf waarbij de voortgang van een in bemaling genomen sleufgedeelte minimaal 20 meter per week is.
Een sleufbemaling kenmerkt zich door een voortgang van de grondwateronttrekking, het opschuiven of verplaatsen van de grondwateronttrekking in de loop van de tijd. De grondwateronttrekking start op een punt en zal gaandeweg de grondwateronttrekking opschuiven, net zo lang tot de volledige afstand van het tracé is afgelegd. Daar waar het opschuiven van de sleuf minder is dan 20 m/week wordt dat onderdeel van de sleuf beschouwd als een bouwput.
De reden dat onderscheid gemaakt wordt in een sleuf- en bouwputbemaling is het verschil in de gevolgen van de bemaling voor de omgeving. Sleufbemaling is minder belastend voor de omgeving dan een bouwputbemaling. Hoe langer op dezelfde plaats bemalen wordt des te vollediger verloopt het proces van bodemdaling en des te verder breidt het invloedsgebied zich op deze plaats uit. En hoe langer een bemaling op dezelfde wordt uitgevoerd des te groter zullen de effecten daarvan zijn. Door het verplaatsen van de sleufbemaling zal ook steeds weer een nieuw gedeelte in bemaling worden genomen, met steeds opnieuw een hoog aanvangsdebiet met weinig effect naar de omgeving bij de start van de bemaling. Een bemaling die snel verplaatst heeft plaatselijk minder effect naar de omgeving terwijl het aanvangsdebiet relatief hoog is. Daarom is geen uurdebiet opgenomen maar een verplaatsingssnelheid en een maximaal weekdebiet.
DDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een sleuf. Het karakteristieke van een sleufbemaling is dat deze zich in de tijd verplaatst waardoor het invloedsgebied nooit de stationaire fase bereikt. De effecten naar de omgeving zijn bij een gelijk onttrekkingsdebiet daardoor minder groot dan bij een stationaire bouwput waar het invloedsgebied na verloop van tijd wel de stationaire fase bereikt. Is de verplaatsing minder dan 20 m per week dan gedraagt de sleufbemaling zich meer als een bouwput en wordt dit onderdeel van de sleuf als bouwput beoordeeld.
Een voortgang van 20 meter per week voor een in bemaling genomen gedeelte van de sleuf, betekent dat na een week de werkzaamheden en daarmee de grondwateronttrekking minimaal 20 meter moeten zijn verplaatst. Dit geldt voor elk gedeelte van de sleuf dat wordt bemalen. Het is niet mogelijk om de voortgang van 20 meter per week te verdelen over meerdere sleuven, om zo een gemiddelde voortgang van 20 meter te berekenen. Heen en weer schuiven (bijvoorbeeld: een week werken van noord naar zuid en de daarop volgende week werken van zuid naar noord op dezelfde locatie) wordt evenmin beschouwd als voortgang. Wanneer de voortgang kleiner dan 20 meter per week is beschouwen wij de bemaling van dit sleufgedeelte als een bouwputbemaling.
Afhankelijk van de grootte van het onttrekkingsdebiet, de verplaatsingssnelheid van de sleuf (meer dan 20 m/week), de omvang van het waterbezwaar, het al dan niet verplaatsen van een aanwezige verontreiniging en de diepte van de grondwateronttrekking, kan een sleufbemaling worden toegestaan onder algemene regels.
Voor het onttrekken van grondwater in een sleuf kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Gebiedsgericht grondwaterbeheer
Een aantal gemeenten (waaronder Utrecht en Woerden) past gebiedsgericht grondwaterbeheer toe ter bescherming van de ondergrond. Bij werkzaamheden in de ondergrond op een locatie met gebiedsgericht grondwaterbeheer waarbij verontreinigingen worden verplaatst zijn in veel gevallen geen extra maatregelen meer nodig. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de desbetreffende gemeente.
In het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer zijn zones aangewezen. Binnen deze zones beschouwt het bevoegd gezag het verplaatsen van verontreinigen niet direct als een probleem, mits de verplaatsing binnen de grenzen van het gebiedsplan blijft.
Verplaatsen van een verontreiniging buiten het gebied met gebiedsgericht grondwaterbeheer
Het onttrekken van grondwater kan tot gevolg hebben dat een nabijgelegen verontreinigingsvlek verplaatst wordt in de richting van de bouwputbemaling. Het risico op verplaatsing is afhankelijk van het soort verontreiniging en de ligging ten opzichte van de sleuf. Een verontreiniging binnen het invloedsgebied van een grondwateronttrekking kan verplaatst worden. Dit is onder een algemene regel toegestaan, als:
de verontreinigingsvlek minder dan 5 meter verplaatst wordt;
de verontreinigingsvlek onderdeel is van een bodemsanering; of
de verontreinigingsvlek meer dan 5 meter verplaats wordt, maar de verplaatsing tot 5 meter beperkt blijft als gevolg van het toepassen van een mitigerende maatregel (interceptie- en/of schermbemaling).
Een interceptie- of schermbemaling is een bemaling die enkel uitgevoerd mag worden in combinatie met een andere grondwateronttrekking (bijvoorbeeld voor een sleuf) en wordt in of nabij een verontreinigingsvlek geplaatst om te voorkomen dat de vlek in de richting van de sleuf wordt verplaatst. Een schermbemaling is een retourveld dat tussen de sleufbemaling en de vlek in geplaatst wordt. Als de verplaatsing tot maximaal 5 meter beperkt wordt als gevolg van het toepassen van een interceptie- of schermbemaling kunnen de werkzaamheden onder de algemene regel uitgevoerd worden, mits wordt voldaan aan het maximale debiet voor een interceptiebemaling wat toegestaan wordt onder een algemene regel. Deze is gelijk aan het maximaal toegestane debiet voor een grondwatersanering, maximaal 25 m3 per uur. Voor een schermbemaling is geen maximaal debiet opgenomen in de algemene regels, omdat deze gebruik maakt van het grondwater dat onttrokken wordt bij de andere grondwateronttrekking (bijvoorbeeld een sleuf).
Onttrekkingsdebiet I
Mogelijk zijn in de directe omgeving van een grondwateronttrekking meerdere verontreinigings-vlekken aanwezig en zijn, om verplaatsing te tegen te gaan, meerdere interceptie- of schermbemalingen noodzakelijk. Het is toegestaan om ten behoeve van het voorkomen van verplaatsing van verontreinigingsvlekken, door toedoen van een grondwateronttrekking, meerdere interceptie- of schermbemalingen te plaatsen. Bij gelijktijdig uitvoeren van meerdere interceptiebemalingen mag het debiet van alle interceptiebemalingen, in totaal, niet groter dan 25 m3 per uur zijn.
De grootte van het debiet van de grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket ter plaatse van de grondwateronttrekking en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken om de gewenste drooglegging (maximaal 30 cm) te bereiken. Bij (negatieve) gevolgen moet onder andere gedacht worden aan de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte in de omgeving, het optreden van zettingen, het ontstaan van funderingsschade, het verplaatsen van verontreiniging(en), verdroging (waardoor archeologie en wortels van bomen kunnen droogvallen) en het indringen van zuurstof in de bodem.
Ervaring leert dat bij een grondwateronttrekking ten behoeve van een sleuf met een debiet van maximaal 15.000 m3 per week de (negatieve) gevolgen beperkt zijn. Het onder een algemene regel gelijktijdig uitvoeren van grondwateronttrekkingen in meerdere bouwputten/sleuven of meerdere interceptiebemalingen, die in elkaars invloedsgebied liggen, is alleen toegestaan indien het uurdebiet van alle gelijktijdig uit te voeren grondwateronttrekkingen samen maximaal 15.000 m3 per week is of wanneer het debiet van de grootste bemaling van direct na elkaar uit te voeren grondwateronttrekkingen in meerdere sleuven, die in elkaars invloedsgebied liggen, maximaal 15.000 m3 per week is.
Daarnaast geldt onder een algemene regel dat het waterbezwaar maximaal 400.000 m33 mag bedragen. Het waterbezwaar is de totale hoeveelheid onttrokken grondwater en wordt bepaald door het debiet en de duur van de onttrekking. Doorgaans reageert het grondwatersysteem relatief traag en zijn de risico's bij een waterbezwaar van maximaal 400.000 m3m3, beperkt. Het maximale waterbezwaar van 400.000 m3 is gebaseerd op een bemalingsperiode van zes maanden waarin sprake is van een continue onttrekking van 15.000 m3 per week. Voordeel van opnemen van het criterium maximaal waterbezwaar in plaats van het criterium maximale tijdsduur is dat grondwateronttrekkingen met een lange duur en een laag debiet, niet direct vergunningplichtig zijn, omdat er geen tijdsbepalende factor is. Hierdoor kunnen meer grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd onder een algemene regel. Voorbeelden hiervan zijn grondwateronttrekkingen die uitlopen door bijvoorbeeld vorstverlet of doordat gedurende de uitvoering een grondwateronttrekking tijdelijk stilligt.
Diepte van de grondwateronttrekking
Watervoerende pakketten worden van elkaar gescheiden door waterremmende lagen. Het doorboren van een scheidend laag, brengt risico van verspreiding van verontreiniging naar een dieper gelegen watervoerend pakket met zich mee. Op basis van boringen van TNO is bepaald op welke diepte een scheidende laag zich bevindt. Om onnodig doorboren van scheidende lagen te voorkomen is het niet toegestaan om grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket te onttrekken onder een algemene regel. Een sleufbemaling is in de regel ondiep ( < 3 m-mv) waardoor deze doorgaans in de deklaag of in het eerste watervoerend pakket wordt uitgevoerd.
Onttrekkingsdebiet II
Bij een laag debiet zijn de effecten op de grondwaterstand en in de omgeving beperkt. Uit ervaring blijkt dat er zeer beperkte schommelingen (verlagingen) in de grondwaterstand of stijghoogte worden geconstateerd. Daarom zijn bij een debiet van maximaal 10 m3 per uur, 5.000 m3m3 per maand (30 dagen) en 12.000 m3 per jaar maar beperkte (negatieve) gevolgen te verwachten en zijn aan dit soort grondwateronttrekkingen minder eisen gesteld. Wanneer een sleufbemaling plaatsvindt in een deklaag kan sprake zijn van een zeer geringe toestroom van freatisch grondwater naar de sleuf die met open bemaling verwijderd kan worden.
Retourbemaling
Het waterschap is in geval van een melding bevoegd gezag voor de kwantitatieve aspecten van het grondwater. Het brengen van water in de bodem wat eerst onttrokken is, betreft retourneren. Retourneren van grondwater kan negatieve effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving beperken. Retourneren geniet de voorkeur boven lozen, omdat de effecten van een grondwateronttrekking beperkt worden en het grondwater wordt teruggebracht in de bodem waaruit het onttrokken is. Daarnaast worden andere systemen, zoals oppervlaktewatersystemen en riolering niet belast. Het retourneren van grondwater is een gevolg van een bepaalde activiteit waarvoor de grondwateronttrekking wordt uitgevoerd. Dit kunnen verschillende grondwateronttrekkingen zijn. Het retourneren van grondwater bij een sleufbemaling is goed uitvoerbaar door de filters te gebruiken voor retourbemaling die eerder zijn gebruikt voor het onttrekken van grondwater uit een eerder bemalen sleufgedeelte. Dit kan wordt meegenomen bij de melding van de grondwateronttrekking. De kwalitatieve aspecten van de bodemlozing zijn geregeld in het omgevingsplan van de gemeente.
EEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een sleuf bij een waterkering. Voor het onttrekken van grondwater in een sleuf in een beperkingengebied van een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Eerste lid:
Het tijdelijk in een sleuf onttrekken van grondwater een zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht en toezicht hierop onvoldoende kan worden gegarandeerd. Het achterblijven van filtermateriaal is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf zijn er weinig risico's verbonden voor de waterkering. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 2 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 2 m3 per uur, toegestaan onder een algemene regel.
Tweede en derde lid:
Eerste lid:
Het tijdelijk in een sleuf onttrekken van grondwater
een zone waterstaatswerk van een primaire waterkering of in een beschermingszone van een primaire waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht en toezicht hierop onvoldoende kan worden gegarandeerd. Het achterblijven van filtermateriaal is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf zijn er weinig risico's verbonden voor de waterkering. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 2 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 2 m3 per uur, toegestaan onder een algemene regel.zone waterstaatswerk van een niet verheelde regionale waterkering, in een beschermingszone van een niet verheelde regionale waterkering, in een zone waterstaatswerk van een niet verheelde overige waterkering of in een beschermingszone van een niet verheelde overige waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit veen of klei-op-veen gronden, kan het onttrekken van grondwater inklinking en/of piping veroorzaken, met als gevolg dat scheuren in de waterkering ontstaan of in het uiterste geval de kering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart “Klei op veen- of veengronden”, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Om een waterkering die ook gelegen is in een zettingsgevoelig gebied extra te beschermen is het onttrekkingsdebiet vastgesteld op maximaal 2 m3 per uur.
Tweede en derde lid:
Het tijdelijk in een sleuf onttrekken van grondwater in een
Indien de waterkering niet gelegen is in een zettingsgevoelig gebied geldt een onttrekkingsdebiet tot maximaal 5 m3 per uur. De activiteiten kunnen worden toegestaan onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht zolang aan deze regels wordt voldaan.
Vierde lid:
Vierde lid:
Het tijdelijk in een sleuf onttrekken van grondwater in een zone waterstaatswerk van een zomerkade of in de beschermingszone van een zomerkade (waterkering) mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht. Dit is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf of bouwput zijn er weinig risico's verbonden voor de waterkering. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 5 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 5 m
3 3 per uur, toegestaan onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht.
FFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een sleuf bij grondwatergevoelige natuur. Voor het onttrekken van grondwater in een sleuf kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Eerste lid:
Eerste lid:
Als sprake is van een verdere verlaging dan GLG, bijvoorbeeld in de sleuf, dan is dat niet direct een probleem zolang de verlaging van de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur maar niet onder de GLG komt. Uitgezocht dient te worden wat het invloedgebied is van de bemaling en of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Door het verlagen van de grondwaterstand tot onder de GLG kan verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur ontstaan. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur, kan deze grondwateronttrekking onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. De nadelige invloed van de onttrekking wordt dan als zeer beperkt beoordeeld.
Tweede lid:
Tweede lid:
Wanneer in een gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is, het onttrekkingsdebiet groter dan 10 m3/uur is, de sleufbemaling plaatsvindt in het groeiseizoen (maart - oktober) en het onttrokken grondwater weer in de bodem wordt teruggebracht in het gebied met grondwater gevoelige natuur (bijvoorbeeld middels een lozing op de bodem, retourbemaling, etc.) dan is de kans op het ontstaan van droogteschade beperkt en kan de sleufbemaling onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Het onttrekken van grondwater in het groeiseizoen (maart- oktober) is in een grondwatergevoelig gebied een extra belasting voor de planten, bomen en gewassen. In deze periode is de grondwaterbehoefte dan ook groot. Om de effecten van het onttrekken van grondwater in het groeiseizoen (maart-oktober) met een hoger onttrekkingsdebiet (>10 m3/uur) te beperken is het verplicht om het water weer terug in de bodem te brengen nabij de locatie waar het wordt onttrokken. Hiermee wordt beoogd om de verlaging van de grondwaterstand binnen het gebied met grondwatergevoelige natuur te beperken.
Derde lid:
Derde lid:
Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is groter dan 10 m3/uur, maar de sleufbemaling vindt buiten het groeiseizoen (maart - oktober) plaats, kan het onttrekken van grondwater onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Bij een debiet kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur zijn de risico's ten gevolge van de grondwateronttrekking beperkt. Er worden slechts zeer beperkte schommelingen in de grondwaterstand en/of stijghoogte verwacht. Bij een debiet groter dan 10 m3/uur is het effect op de grondwatergevoelige natuur afhankelijk van de periode wanneer de bemaling uitgevoerd wordt: binnen of buiten het groeiseizoen (maart-oktober). Buiten het groeiseizoen is de kans op verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur beperkt.
GGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer en welke algemene regels er gelden bij een grondwateronttrekking in een sleuf bij kwetsbare bebouwing. Voor het onttrekken van grondwater in een sleuf kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht en informatieplicht.
Eerste lid:
Eerste lid:
Indien de grondwaterstand binnen het invloedgebied van de sleufbemaling verlaagd wordt beneden de GLG kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG, dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Wordt daarbij voorkomen dat houten funderingsonderdelen droogvallen, dan kan de grondwateronttrekking onder de algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een geringere verschilzetting berekend wordt is het risico op het ontstaan van schade beperkt. De grondwateronttrekking kan dan worden uitgevoerd onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht. Daarnaast is zorgplicht van toepassing op de activiteit. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl) ) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Tweede lid:
Tweede lid:
Voor bebouwing van vóór 1960 geldt dat als de grondwaterstand (ter plaatse van deze bebouwing) niet verder verlaagd wordt dan de GLG, het risico op het ontstaan van schade aan een gebouw gering is. De grondwaterstand is immers in het verleden zo vaak gedaald tot dit niveau dat verondersteld mag worden dat de bodem tot dit niveau al volledig gezet is en dat houten onderdelen van een fundering nog geen schade ondervinden. Een grondwateronttrekking kan dan onder een algemene regel met meldplicht worden uitgevoerd. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het onttrekken van grondwater in een sleuf. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 3.21.
Eerste lid:
Eerste lid:
Om te voorkomen dat meer grondwater wordt onttrokken dan strikt noodzakelijk is, is een maximale verlaging op het kritische punt voorgeschreven. Een maximale grondwaterstand van 30 centimeter onder de bodem van een ontgraving geeft voldoende draagkracht om de werkzaamheden uit te kunnen voeren zonder dat dit tot problemen zal leiden. Om overzicht te krijgen en houden op het verloop van de grondwateronttrekking, is het van belang dat dagelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemonitord/gemeten wordt. Monitoring van de onttrokken hoeveelheid grondwater, gebeurt door registratie van de stand van de watermeter(s), zowel voor de start, tijdens, als bij beëindiging van de grondwateronttrekking. Hierbij wordt ook de datum en tijdstip van opname geregistreerd. Het is van belang dat gebruik wordt gemaakt van een goed functionerende watermeter; deze is voorzien van een keurmerk, juist geïnstalleerd en recent geijkt (in de afgelopen 2 jaar). Indien een watermeter wordt vervangen is het van belang om de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging te registreren. Indien een interceptie- en/of schermbemaling wordt toegepast, wordt deze voorzien van een eigen watermeter. Per melding geldt een onttrekkingsperiode waarbinnen de grondwateronttrekkingen, die vallen onder de melding, worden uitgevoerd. Het aanleggen en verwijderen van een onttrekkingsput kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere putten waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Tweede lid:
Tweede lid:
Om te voorkomen dat meer grondwater wordt onttrokken dan strikt noodzakelijk is, is een maximale verlaging op het kritische punt voorgeschreven en een maximale sleuflengte aangegeven. Een maximale grondwaterstand van 30 centimeter onder de sleufbodem geeft voldoende draagkracht om de werkzaamheden uit te kunnen voeren zonder dat dit tot problemen zal leiden. Een maximale sleuflengte zorgt ervoor dat een sleuf niet onnodig lang bemalen wordt.
Om zicht te krijgen/houden op de verlaging van de grondwaterstand en/of stijghoogte in de omgeving van de sleuf heeft het waterschap voorgeschreven waaraan een monitoring voor het verlagen van de grondwaterstand of stijghoogte minimaal moet voldoen. Hiermee kan bij drastische verlagingen worden ingegrepen om schade te voorkomen. Voor het aanbrengen van peilbuizen e.d. heeft u toestemming nodig van een eventuele (mede)eigenaar, beheerder of gebruiker van de grond. Door omstandigheden kan het voorkomen dat niet aan de voorgeschreven monitoring kan worden voldaan of dat met een andere methode van monitoring ook voldoende zicht wordt verkregen op de verlaging van de grondwaterstand en/of stijghoogte in de omgeving van de sleuf. In deze gevallen kan een (gemotiveerd) schriftelijk verzoek, waarin de monitoring wordt beschreven, worden ingediend. Daarnaast is het voor het verloop van de grondwateronttrekking van belang dat dagelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemeten wordt. Meten gebeurt door registratie van de stand van de watermeter(s), zowel voor de start, tijdens, als bij beëindiging van de grondwateronttrekking. Hierbij wordt ook de datum en tijdstip van opname geregistreerd. Het is van belang dat gebruik wordt gemaakt van een goed functionerende watermeter; deze is voorzien van een keurmerk, juist geïnstalleerd en recent geijkt (in de afgelopen 2 jaar). Indien een watermeter wordt vervangen is het van belang om de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging te registreren. Indien een interceptie- en/of schermbemaling wordt toegepast, wordt deze voorzien van een eigen watermeter. Per melding geldt een onttrekkingsperiode waarbinnen de grondwateronttrekkingen, die vallen onder de melding, worden uitgevoerd.
Het aanleggen en verwijderen van een onttrekkingsput kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere putten waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Derde en vierde lid:
Het tijdelijk onttrekken van grondwater bij een waterkering mag uitsluitend gebeuren met open bemaling, zonder gebruik te maken van onttrekkingsfilters of drainagebuizen. Het gebruik van onttrekkingsfilters of drainagebuizen is niet toegestaan omdat na afloop van de werkzaamheden filtermateriaal kan achterblijven in de ontgraving of gaten van onttrekkingsfilters niet goed worden afgedicht en toezicht hierop onvoldoende kan worden gegarandeerd. Het achterblijven van filtermateriaal is nadelig voor de sterkte van de waterkering. Zolang het gaat om een open bemaling voor het verwijderen van een geringe hoeveelheid lekwater en neerslag uit een ondiepe sleuf of bouwput zijn er weinig risico's verbonden voor een primaire waterkering of regionale waterkering op een minder stabiele ondergrond. Voor deze handelingen is een onttrekkingsdebiet van 2 m3 per uur voldoende. Daarom is het onttrekken van grondwater, met een onttrekkingsdebiet kleiner dan of gelijk aan 2 m3 per uur, toegestaan onder een algemene regel.
Wanneer de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit veen of klei-op-veen gronden, kan het onttrekken van grondwater inklinking en/of piping veroorzaken, met als gevolg dat scheuren in de waterkering ontstaan of in het uiterste geval de kering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart “Klei op veen- of veengronden”, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Om een waterkering die ook gelegen is in een zettingsgevoelig gebied extra te beschermen is het onttrekkingsdebiet vastgesteld op maximaal 2 m3 per uur.
Indien de waterkering niet gelegen is in een zettingsgevoelig gebied een geen primaire waterkering is geldt een onttrekkingsdebiet tot maximaal 5 m3 per uur. De activiteiten kunnen worden toegestaan onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht zolang aan deze regels wordt voldaan.
Vijfde lid
Indien de grondwaterstand binnen het invloedgebied van de bemaling verlaagd wordt beneden de GLG kan de bodem gaan zetten en kunnen funderingselementen van op staal gefundeerde gebouwen ten opzichte van elkaar verschillend zakken. Hierdoor kan scheurvorming ontstaan in muren van een gebouw. Ook kunnen houten onderdelen van een fundering op een gegeven moment droogvallen. Als de grondwaterstand ter plaatse van bebouwing met houten funderingsonderdelen (zoals paalkoppen, kespen en langshout) verlaagd wordt tot onder de GLG dient te worden onderzocht tot welk niveau de grondwaterstand kan worden verlaagd voordat deze onderdelen droogvallen. Wordt daarbij voorkomen dat houten funderingsonderdelen droogvallen, dan kan de grondwateronttrekking onder de algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Als de grondwaterstand ter plaatse van kwetsbare bebouwing verlaagd wordt tot onder de GLG dient voor op staal gefundeerde bebouwing de bodemdaling te worden berekend en te worden nagegaan wat de verschilzakking ter plaatse is. Voor monumentale panden en reeds beschadigde op staal gefundeerde bebouwing met een bouwjaar van 1960 of eerder geldt dat de verschilzakking niet meer mag bedragen dan 1:1.000. Voor op staal gefundeerde bebouwing die in goede bouwkundige staat verkeert, geldt een waarde van maximaal 1:600. De verschilzakking heeft betrekking op de relatieve rotaties van de funderingselementen van een gebouw inclusief de gezamenlijke funderingselementen bij aaneengesloten bebouwing. Wanneer een geringere verschilzetting berekend wordt is het risico op het ontstaan van schade beperkt. De grondwateronttrekking kan dan worden uitgevoerd onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht. Daarnaast is zorgplicht van toepassing op de activiteit. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl) ) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Zesde lid:
Voor bebouwing van vóór 1960 geldt dat als de grondwaterstand (ter plaatse van deze bebouwing) niet verder verlaagd wordt dan de GLG, het risico op het ontstaan van schade aan een gebouw gering is. De grondwaterstand is immers in het verleden zo vaak gedaald tot dit niveau dat verondersteld mag worden dat de bodem tot dit niveau al volledig gezet is en dat houten onderdelen van een fundering nog geen schade ondervinden. Een grondwateronttrekking kan dan onder een algemene regel met meldplicht worden uitgevoerd. De GLG kunt u opzoeken met de webkaart van de provincie Utrecht (Atlas provincie Utrecht (provincieutrecht.nl)) of via het Dinoloket (Ondergrondgegevens | DINOloket).
Zevende lid
Als sprake is van een verdere verlaging dan GLG, bijvoorbeeld in de bouwput, dan is dat niet direct een probleem zolang de verlaging van de grondwaterstand in het gebied met grondwatergevoelige natuur maar niet onder de GLG komt. Uitgezocht dient te worden wat het invloedgebied is van de bemaling en of de grondwaterstand binnen een gebied met grondwatergevoelige natuur verder verlaagd wordt dan de GLG. Door het verlagen van de grondwaterstand tot onder de GLG kan verdroging en/of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur ontstaan. Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is kleiner dan of gelijk aan 10 m3/uur, kan deze grondwateronttrekking onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. De nadelige invloed van de onttrekking wordt dan als zeer beperkt beoordeeld.
Achtste lid
Wanneer in een gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is, het onttrekkingsdebiet groter dan 10 m3/uur is, de grondwateronttrekking plaatsvindt in het groeiseizoen (maart - oktober) en het onttrokken grondwater weer in de bodem wordt teruggebracht in het gebied met grondwater gevoelige natuur (bijvoorbeeld middels een lozing op de bodem, retourbemaling, etc.) dan is de kans op het ontstaan van droogteschade beperkt en kan de bemaling onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Retourbemalen is goed uitvoerbaar door eerder gebruikte onttrekkingsfilter te gebruiken als retourfilter.
Negende lid
Wanneer in het gebied met grondwatergevoelige natuur een verlaging tot onder de GLG noodzakelijk is en het onttrekkingsdebiet is groter dan 10 m3m3/uur , maar de grondwateronttrekking vindt buiten het groeiseizoen (maart - oktober) plaats, kan het onttrekken van grondwater onder een algemene regel met meldplicht en informatieplicht worden uitgevoerd. Buiten het groeiseizoen is de kans op verdroging of schade in het gebied met grondwatergevoelige natuur beperkt. Een grondwaterstand onder de GLG kan leiden tot schade aan de natuur die bestaat uit het risico op onomkeerbare veranderingen, waarbij nattere doelsoorten verdwijnen en drogere doelsoorten het gebied niet kunnen bereiken. De grootte van het debiet van een grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat er zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken.
Tiende lid:
Het waterschap is bevoegd gezag voor de kwantitatieve aspecten van het grondwater. Het brengen van water in de bodem wat eerst onttrokken is, betreft retourneren. Retourneren van grondwater kan negatieve effecten van de grondwateronttrekking op de omgeving, beperken. Water terug in de bodem brengen geniet de voorkeur boven lozen, omdat de effecten van een grondwateronttrekking beperkt worden en het grondwater wordt teruggebracht waar het vandaan komt. Daarmee worden andere systemen, zoals oppervlaktewatersystemen en riolering niet belast. Het brengen van water in de bodem dat niet eerst onttrokken is, brengt risico's met zicht mee. Het doel van het brengen van water in de bodem en de kwaliteit van het water moet bekend zijn om er uitspraken over te kunnen doen. Het aanleggen en verwijderen van “retourbronnen” kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere “retourbronnen” waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
Om te voorkomen dat een andere kwaliteit grondwater wordt vermengd met mogelijk schoner grondwater moet het onttrokken grondwater nabij de onttrekkingslocatie en in hetzelfde watervoerende pakket (als waar het uit onttrokken is) weer in de bodem worden gebracht. Daarmee wordt verplaatsing van verontreiniging en eventuele schade aan schone bodem voorkomen. Indien het onttrokken grondwater verontreinigd is, moet eerst bij het bevoegd gezag nagegaan worden of het water terug in de bodem gebracht mag worden.
Door water in de bodem te brengen, neemt de grondwaterstand en/of stijghoogte toe. Een mogelijk negatieve bijkomstigheid is dat de grondwaterstand of stijghoogte plaatselijk te veel kan stijgen, waardoor de opwaartse druk bij bebouwing te veel toeneemt en de bebouwing kan gaan drijven. Om dit te voorkomen is een grens gesteld tot hoever de grondwaterstand/ stijghoogte mag stijgen ten opzichte van de GHG.
IIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een sleuf vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Eerste, derde en zevende lid:
Eerste, derde en zevende lid:
Watervoerende pakketten worden van elkaar gescheiden door waterremmende lagen. Het doorboren van scheidende lagen, brengt risico van verspreiding van verontreiniging naar een dieper gelegen watervoerend pakket met zich mee. Op basis van boringen van TNO is bepaald op welke diepte een scheidende laag zich bevindt. Om onnodig doorboren van scheidende lagen te voorkomen is het niet toegestaan om grondwater dieper dan het eerste watervoerend pakket te onttrekken onder een algemene regel. Voor het onttrekken van dieper gelegen grondwater zal per geval beoordeeld moeten worden of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder vergunningplicht.
Tweede, vierde en achtste lid:
Tweede, vierde en achtste lid:
De totale hoeveelheid onttrokken grondwater (waterbezwaar) wordt bepaald door het debiet en de duur van de onttrekking. Het maximale waterbezwaar van 400.000 m3 is gebaseerd op een bemalingsperiode van zes maanden waarin sprake is van een continue onttrekking van 15.000 m3/week. Voordeel van opnemen van het criterium maximaal waterbezwaar in plaats van het criterium maximale tijdsduur is dat grondwateronttrekkingen met een lange duur en een laag debiet, niet direct vergunningplichtig zijn, omdat er geen tijdsbepalende factor is. Hierdoor kunnen meer grondwateronttrekkingen worden uitgevoerd onder een algemene regel. Voorbeelden hiervan zijn grondwateronttrekkingen die uitlopen door bijvoorbeeld vorstverlet of doordat gedurende de uitvoering een grondwateronttrekking tijdelijk stilligt. Het debiet en het totale waterbezwaar kunnen beperkt blijven door de lengte van de sleuf af te stemmen op de aanlegsnelheid. Zo wordt voorkomen dat een sleufdeel wordt bemalen, waarvoor een verlaagde grondwaterstand op dat moment nog niet noodzakelijk is. Bij een laag debiet zijn de effecten op de grondwaterstand en in de omgeving beperkt. Voor een dergelijke omvangrijkere grondwateronttrekking, (qua debiet en waterbezwaar) geldt een vergunningplicht.
De grootte van het debiet van de grondwateronttrekking is bepalend voor het effect op de grondwaterstand en/of de stijghoogte ter plaatse van de grondwateronttrekking en de eventuele (negatieve) gevolgen in de omgeving. Uitgangspunt hierbij is dat zo min mogelijk grondwater wordt onttrokken om de gewenste drooglegging (maximaal 30 cm) te bereiken. Bij (negatieve) gevolgen moet onder andere gedacht worden aan de verlaging van de grondwaterstand of stijghoogte in de omgeving, het optreden van zettingen, het ontstaan van funderingsschade, het verplaatsen van verontreiniging(en), verdroging (waardoor archeologie en wortels van bomen kunnen droogvallen) en het indringen van zuurstof in de bodem. Bij een debiet groter dan 15.000 m3/week zijn meer (negatieve) gevolgen te verwachten, waardoor per geval beoordeeld wordt of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Vijfde en negende lid:
Vijfde en negende lid:
Bij een debiet groter dan 25 m3/uur, zijn bij een saneringsmaatregel meer (negatieve) gevolgen te verwachten, waardoor per geval beoordeeld wordt of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Zesde lid:
Zesde lid:
Het onttrekken van grondwater kan tot gevolg hebben dat een nabijgelegen verontreinigingsvlek verplaatst wordt in de richting van de sleufbemaling. Het risico op verplaatsing is afhankelijk van het soort verontreiniging en de ligging ten opzichte van de sleufbemaling. Een verontreiniging binnen het invloedsgebied zal waarschijnlijk verplaatst worden. Indien er op de locatie van de grondwateronttrekking geen sprake is van gebiedsgericht grondwaterbeheer is het niet toegestaan om - zonder beoordeling of dit tot risico's leidt - een verontreiniging met meer dan 5 meter te verplaatsen. Bij een verplaatsing van een verontreinigingsvlek die groter is dan 5 meter, zijn meer (negatieve) gevolgen te verwachten, waardoor per geval beoordeeld wordt of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
Negende en tiende lid:
Negende en tiende lid:
Een aantal gemeenten (waaronder Utrecht en Woerden) past gebiedsgericht grondwaterbeheer toe ter bescherming van de ondergrond. Bij werkzaamheden in de ondergrond waarbij verontreinigingen worden verplaatst zijn in veel gevallen geen extra maatregelen meer nodig. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de desbetreffende gemeente. In het kader van gebiedsgericht grondwaterbeheer zijn zones aangewezen. Wanneer de verontreiniging niet binnen de grenzen van het gebiedsplan blijft, dient per geval beoordeel te worden of hiervoor toestemming kan worden gegeven. Daarom valt dit onder de vergunningplicht.
JJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de algemene gevallen aan wanneer een grondwateronttrekking in een sleuf bij een waterkering vergunningplichtig is. De voorgenomen handeling mag dan niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een vergunning zijn verleend. De vergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan.
Eerste en tweede lid:
Eerste en tweede lid:
Wanneer grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis of met een debiet groter dan 2 m3 per uur, dan zijn hieraan risico's verbonden voor de primaire waterkering. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Derde en vierde lid:
Derde en vierde lid:
Wanneer grondwater onttrokken wordt met een onttrekkingsfilter of drainagebuis of de waterkering gelegen is in een zettingsgevoelig gebied, waar de bodem bestaat uit klei-op-veen of veengronden en grondwater onttrokken wordt met een debiet hoger dan 2 m3 per uur kan het onttrekken van grondwater inklinking of piping veroorzaken met als gevolg dat scheuren in de waterkering kunnen ontstaan of in het uiterste geval de waterkering instabiel wordt en bezwijkt. Of een locatie in een zettingsgevoelig gebied ligt kunt u nagaan middels de kaart Klei op veen- of veengronden, opgenomen in Bijlage II van de waterschapsverordening. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
Vijfde en zesde lid:
Vijfde en zesde lid:
Als het grondwater onttrokken wordt met een drainagebuis of met een hoger debiet dan 5 m3 per uur, dan zijn hieraan risico's verbonden voor de waterkering of zomerkade. Per geval moet dan worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, de handelingen kunnen worden toegestaan. Deze handelingen zijn daarom vergunningplichtig.
KKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 3.35.
Om overzicht te krijgen en houden op het verloop van de grondwateronttrekking, is het van belang dat maandelijks de hoeveelheid onttrokken grondwater gemonitord/gemeten wordt. Dit gebeurt door registratie van de stand van de watermeter(s), zowel voor de start, tijdens, als bij beëindiging van de grondwateronttrekking. Hierbij wordt ook de datum en tijdstip van opname geregistreerd. Het is van belang dat gebruik wordt gemaakt van een goed functionerende watermeter; deze is voorzien van een keurmerk, juist geïnstalleerd en recent geijkt (in de afgelopen 2twee jaar). Indien een watermeter wordt vervangen is het van belang om de eindstand van de te vervangen watermeter, de beginstand van de vervangende watermeter, de datum en het tijdstip van vervanging te registreren. Indien een interceptie- en/of schermbemaling wordt toegepast, wordt deze voorzien van een eigen watermeter. Per melding geldt een onttrekkingsperiode waarbinnen de grondwateronttrekkingen, die vallen onder de melding, worden uitgevoerd. Het aanleggen en verwijderen van een onttrekkingsput kan ernstige gevolgen hebben voor de bodem. Met name bij de aanleg of verwijdering van diepere putten waarbij een scheidende laag wordt/is doorboord, is het van belang dat het op een goede manier wordt uitgevoerd. Door te voldoen aan het protocol (2001 en/of 2101), wordt het risico op verplaatsing van verontreiniging verkleind.
LLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap gegevens van de activiteit te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket of bij het waterschap. Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een project wordt uitgesteld. Een wijziging van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart. De wijziging in startdatum kan tot gevolg hebben dat andere gegevens moeten worden aangeleverd of dat het onttrekken van grondwater vergunningplichtig is geworden. Indien de startdatum van de grondwateronttrekking wijzigt of een van de indieningsvereisten wijzigt, moet een nieuwe melding worden ingediend.
Dit artikel bevat een informatieplicht om het waterschap gegevens van de activiteit te verstrekken. De informatie kan worden ingediend via het Omgevingsloket of bij het waterschap. Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een project wordt uitgesteld. Een verschuiving van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart. De wijziging in startdatum kan tot gevolg hebben dat andere gegevens moeten worden aangeleverd of dat het onttrekken van grondwater vergunningplichtig is geworden. Indien de startdatum van de grondwateronttrekking meer dan zes maanden verschuift of een van de indieningsvereisten wijzigt, zal een nieuwe melding ingediend moeten worden. De initiatiefnemer zal daarom de startdatum moeten bevestigen door het startformulier te versturen aan het waterschap. Op basis van deze data wordt de onttrekkingsperiode vastgelegd. Met behulp van boorstaten wordt er meer inzicht gecreëerd in de opbouw van de bodem en kan tevens gecontroleerd worden of de werkzaamheden op juiste wijze zijn uitgevoerd. De boorstaten bestaan uit: een overzicht van hoe de grondlagen zijn opgebouwd t.o.v. maaiveld en/of NAP; een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, filters en stijgbuizen zijn afgesteld, inclusief materiaalsoorten en diameters; een beschrijving op welke diepte t.o.v. maaiveld en/of NAP, afsluitende lagen en overige aanvullingen in een boorgat zijn aangebracht met de gebruikte materialen. Het juist afdichten van diepere putten is van belang om het risico op verplaatsing van verontreiniging te beperken. Om zicht te hebben op de uitvoering van het afdichten, dient het waterschap op de hoogte te worden gesteld van wanneer een put wordt afgedicht.
Uiterlijk één maand na het beëindigen van de grondwateronttrekking moet de einddatum en de totale hoeveelheid onttrokken grondwater, inclusief registratie van gemeten hoeveelheden of draaiuren per dag (indien geen watermeter aanwezig), de begin- en eindstand van de watermeter (indien aanwezig), de datum en het tijdstip van de beëindiging en de boorstaten, aan het waterschap worden doorgegeven. De gemelde gegevens worden gebruikt om: de melding administratief af te sluiten, de onttrekkingsperiode vast te leggen, het grondwatergebruik in ons gebied in kaart brengen, na te gaan of de daadwerkelijk onttrokken hoeveelheid grondwater overeenkomt met de gemelde hoeveelheid en bij het lozen in een vuilwaterriool, hemelwaterriool of oppervlaktewater de zuiverings- of verontreinigingsheffing op te leggen.
MMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de meldplicht voor het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering en geldt zodra deze in de algemene regels is aangewezen. Een melding moet minimaal twee weken voor de start van de grondwateronttrekkingen zijn ingediend. Dit kan digitaal, via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). De twee weken zijn bedoeld voor het bevoegd gezag om de melding te kunnen beoordelen. Ook wordt in deze periode de melding doorgestuurd naar een ander bevoegd ter informatie en indien van toepassing voor advies.
Door omstandigheden kan het voorkomen dat, nadat een melding voor het onttrekken van grondwater is ingediend, een bouwproject wordt uitgesteld. Een verschuivingwijziging van de startdatum betekent dat de situatie en de omstandigheden waarin het grondwater onttrokken zal worden, gewijzigd (kunnen) zijn ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten. Er kan sprake zijn van een andere grondwaterstand of er zijn mogelijk andere projecten in de omgeving gestart. De wijziging in startdatum kan tot gevolg hebben dat andere gegevens moeten worden aangeleverd of dat het onttrekken van grondwater vergunningplichtig is geworden.
Indien de startdatum van de grondwateronttrekking meer dan zes maanden verschuift of een van de indieningsvereisten wijzigt, zal een nieuwe melding ingediend moeten worden. De initiatiefnemer zal daarom de startdatum moeten bevestigen door het startformulier te versturen aan het waterschap. Op basis van deze data wordt de onttrekkingsperiode vastgelegd.
Indien de startdatum van de grondwateronttrekking wijzigt of een van de indieningsvereisten wijzigt, moet een nieuwe melding worden ingediend.
NNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Tweede lid:
Dit artikel wijst aan wanneer het onttrekken van oppervlaktewater vergunningplichtig is. Dit is het geval bij het onttrekken van oppervlaktewater in (de nabijheid van) geïsoleerd waterkwetsbare wateren, beschermingszone V van een vispassage en natuurvriendelijke oevers. De voorgenomen handeling mag niet zonder meer worden uitgevoerd. Er moet dan eerst een omgevingsvergunning zijn verleend. De omgevingsvergunning kan worden aangevraagd via het Omgevingsloket. Na het indienen van het formulier zal de aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventuele nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan. De onttrekking verslechtert de chemische en ecologische waterkwaliteit en verhoogt de toxiciteit en toename van nutriënten door het aanvoeren van gebiedsvreemd water. Om deze reden is een vergunningplicht ingesteld bij het onttrekken van oppervlaktewater uit geïsoleerd waterkwetsbare wateren en uit wateren in beschermingszone V van een vispassage en natuurvriendelijke oevers.
OOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een dichte dam in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een dichte dam valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
PPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van het watersysteem, het aanbrengen van beplanting in een watergang vergunningplichtig is. Er is een vergunningplicht ingesteld als de beplanting wordt aangebracht in een primaire watergang, secundaire watergang of tertiaire watergang of in de beschermingszones A, B of K van de watergang. Het aanbrengen van beplanting valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanbrengen kan worden toegestaan.
Als er beplanting wordt aangebracht in het doorstroomprofiel van een watergang dan gaat dit ten koste van de doorstroming. Dat is ongewenst en daarom geldt hiervoor een vergunningplicht. Bovendien kan bladval in de watergang leiden tot fysisch-chemische achteruitgang van de watergang. Zo zorgen afbraakprocessen van de bladeren voor een verhoogd zuurstofgebruik, wat zuurstofloze omstandigheden kan veroorzaken. Zuurstofloosheid heeft diverse negatieve effecten op de waterkwaliteit.
Als er bomen of planten worden aangeplant in de beschermingszone A van een watergang dan moeten ze geplant worden in de zone van 1,25 meter breed direct naast de watergang, zie figuur 5.3 hieronder, of op een afstand van minimaal 3,75 meter uit de insteek van de watergang, zie figuur 5.4 hieronder, zodat het onderhoud niet wordt gehinderd. Voor de zone van 1,25 meter breed direct naast de watergang gelden voor bomen bovendien voorwaarden voor de onderlinge afstand van die bomen. De onderlinge afstand bedraagt 7 meter, zodat de maaikorf van een onderhoudsvoertuig tussen de bomen door kan bewegen.
Als er bomen of planten worden aangebracht in het droge talud van de watergang dan gelden er alleen voorwaarden aan de onderlinge afstand van bomen als de watergang een beschermingszone heeft. In dat geval moet de maaikorf van een onderhoudsvoertuig tussen de bomen door kunnen bewegen. Hiervoor geldt de zorgplicht.
Als de afstand van de boomkruin tot maaiveld minimaal 4 meter bedraagt (bij knotwilgen bedraagt die afstand 2 meter), geldt de zorgplicht. Indien andere maten worden aangehouden dan moet per geval worden beoordeeld of dit acceptabel is. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Niet alle bomen die worden aangeplant hebben een kruin op een hoogte van 4 meter boven het maaiveld. Deze bomen moeten echter zodanig worden onderhouden dat de uiteindelijk volgroeide kruin voldoet aan bovenstaande eisen.
Figuur 5.3 Bovenaanzicht beplanting in de beschermingszone A van een watergang Situatie met obstakelvrij onderhoudspad op 1,25 meter uit de insteek van het talud van de watergang
Figuur 5.4 Bovenaanzicht beplanting in de beschermingszone A van een watergang Situatie met obstakelvrij onderhoudspad direct naast de insteek van het talud van de watergang
QQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het oprichten van een bouwwerk geen gebouw zijnde in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een bouwwerk geen gebouw zijnde, het verlengen van een doorgaand bouwwerk geen gebouw zijnde en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het bouwwerk geen gebouw zijnde.
Deze paragraaf ziet op het oprichten van een overig bouwwerk, mits deze activiteit niet al elders in dit hoofdstuk als afzonderlijke activiteit is uitgewerkt. De bepaling vormt daarmee een restcategorie: zij biedt regels voor bouwwerken die niet specifiek in de waterschapsverordening zijn benoemd.
De regels in deze paragraaf zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een overig bouwwerk, het verlengen van een doorgaand overig bouwwerk en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het aanleggen van het overig bouwwerk.
Als het gaat om het definitief afdammen van een tertiaire watergang is de regelgeving uit deze paragraaf niet van toepassing. In dat geval gelden de regels voor het aanleggen van een dam.
RRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is aangegeven wat de specifieke zorgplicht uit artikel 1.9 voor de activiteit het oprichten van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in een beperkingengebied in ieder geval inhoudt.
Het afdekken van tertiaire watergangen met zonnepanelen of drijvende woningen kan invloed hebben op de waterkwaliteit en op de ecologie. Als de afdekking in totaal meer dan 10 m2 bedraagt dan moet beoordeeld worden wat de gevolgen zijn voor de waterkwaliteit en de ecologie. Daarom geldt hiervoor een vergunningplicht. Bedraagt de totale afdekking minder dan 10 m2, bevinden zich binnen een afstand van 100 meter geen andere zonnepanelen of drijvende woningen, in, op of boven dezelfde watergang en blijft de waterspiegel in het dwarsprofiel van de watergang voor meer dan 50% onbedekt dan zullen de gevolgen voor de watergang minimaal zijn en geldt alleen de zorgplicht.
Het innemen van een ligplaats met een vaartuig, zowel gemotoriseerd als ongemotoriseerd, valt onder de zorgplicht. Onder een vaartuig wordt verstaan een boot waar mee gevaren wordt en waarop niet wordt gewoond. Woonboten en woonarken en woonschepen vallen hier dus niet onder. Voor woonboten, woonarken en woonschepen geldt een vergunningplicht, behalve als het gaat om de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel of de Doorslag. Deze twee wateren zijn zodanig van omvang dat een woonboot, woonark of woonschip nauwelijks invloed heeft op de doorstroming. Raadpleeg voordat u de vergunning aanvraagt ook de provincie en/of de gemeente, omdat deze aanvullende regels kunnen hebben waar rekening mee moet worden gehouden.
Daarnaast is het innemen van een ligplaats in een vaarweg, voor zowel vaartuigen als ook woonboten, woonarken of woonschepen, geregeld in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en in Verkeersbesluiten. Raadpleeg daarom ook die regelgeving, voordat u de handeling uitvoert. Het kan dus zo zijn dat het innemen van een ligplaats is toegestaan volgens de regelgeving in dit hoofdstuk, maar dat het niet is toegestaan volgens het BPR. Daarnaast moet de initiatiefnemer rekening houden met eventueel regelgeving van de provincie en/of de gemeente.
Tijdelijke pontons, waaronder pontonbruggen of andere tijdelijke drijvende constructies worden geacht de watergang niet te versmallen en vallen dan ook onder de zorgplicht. Onder tijdelijke constructies en objecten verstaan we constructies en objecten die tijdelijk in, op of boven de watergang worden geplaatst ten behoeve van het uitvoeren van werken of voor evenementen.
Onder f: Toegepaste materialen die in contact zijn met oppervlaktewater kunnen na verloop van tijd verweren of beschadigd raken. Verontreinigende stoffen kunnen via uitloging en slijtage in het oppervlaktewater terecht komen. Materialen waarvan bekend is dat verontreinigende stoffen kunnen vrijkomen mogen niet worden toegepast. Dit geldt in het bijzonder voor materialen die een verduurzamingsproces zijn ondergaan, omdat hier vaak stoffen worden gebruikt die schadelijk zijn voor de chemische- en ecologische waterkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn gecreosoteerd hout, gewolmaniseerd hout en verzinkt staal. Bij nieuwe materialen of materialen die zijn verduurzaamd - waarbij wordt getwijfeld of er verontreinigende stoffen kunnen uitlogen - dient gehandeld te worden vanuit het voorzorgprincipe, en deze mogen niet worden toegepast.
SSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een watergang. Voor het oprichten van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in beperkingengebieden bij een watergang kunnen voorschriften gelden.
Doorgaande objecten, zoals hekwerken, langs een primaire of secundaire watergang moeten op een afstand van 1,25 meter uit de insteek van de watergang worden aangelegd en mogen niet hoger zijn dan 1,10 meter, omdat het anders lastig is om onderhoud uit te voeren over het hekwerk heen. Bovendien zorgen hogere objecten mogelijk voor slagschaduw over de watergang, hetgeen de ecologie nadelig kan beïnvloeden. De breedte is ook van belang om maaisel of bagger te kunnen ontvangen.
TTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het oprichten van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Objecten ten behoeve van de openbare veiligheid (bijv. verkeersborden, reflectorpaaltjes) mogen het gehele jaar worden geplaatst - hier geldt dus niet de gesloten dijkperiode - op de in vraag 4 aangegeven locaties en vallen onder de algemene regel. Ook het vervangen van straatlantaarns valt hieronder, aangezien hiervoor geen nieuwe kabel hoeft te worden aangelegd en deze belangrijk zijn voor de verkeerveiligheid.
Wel geldt dat er sprake moet zijn van locatiegebondenheid. Dat wil zeggen dat het object persé op die locatie moet staan. Kunstuitingen vallen hier dus niet onder.
UUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het oprichten van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
VVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het oprichten van een bouwwerk geen gebouw zijndeoverig bouwwerk. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.287.
Vijfde lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
XXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding een overig bouwwerk geen gebouw zijnde op te richten in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het overig bouwwerk geen gebouw zijnde kan worden opgericht en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
YYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het oprichten van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde vergunningplichtig is. Het oprichten van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het oprichten kan worden toegestaan.
Bij objecten zonder fundering onder maaiveldniveau of op palen moet worden gedacht aan objecten die bijvoorbeeld op stoeptegels of stelconplaten zijn geplaatst die op het maaiveld liggen. Ook bijvoorbeeld straatlantaarns, verkeersborden, informatieborden, etc. vallen hier onder.
Het verbouwen van een bouwwerk waarbij het bestaande oppervlak van het bouwwerk gelijk blijft, waarbij de inhoud en het gewicht van het bouwwerk niet significant toenemen en de fundering van het bouwwerk ongewijzigd blijft, heeft geen negatieve gevolgen voor de waterkering. Daarom geldt hiervoor alleen de zorgplicht. Het gaat hier bijvoorbeeld om het plaatsen van een dakkapel of het verplaatsen van een binnenwand. Het toevoegen van een verdieping valt hier duidelijk niet onder aangezien inhoud en gewicht dan wel significant wijzigen. Voor alle andere activiteiten ten aanzien van het plaatsen en aanpassen van bouwwerken bij een primaire waterkering is het waterschap terughoudend met het toestaan van dergelijke activiteiten. Per geval moet worden bekeken of, en onder welke voorwaarden, dit kan worden toegestaan. Daarom geldt hiervoor een vergunningplicht.
Het wijzigen van de functie van een bouwwerk kan gevolgen hebben voor de waarde van het bouwwerk en dat kan gevolgen hebben voor toekomstige dijkverbeteringsprojecten. Het kan voorkomen dat een bouwwerk bij zo'n project moet worden weggehaald. Dit is voor een schuur nou eenmaal veel eenvoudiger dan voor een woonhuis.
ZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het oprichten van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in een natuurvriendelijke oever of in een vaarweg vergunningplichtig is. Het oprichten van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het oprichten kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Het innemen van een ligplaats met een vaartuig, zowel gemotoriseerd als ongemotoriseerd, valt onder de zorgplicht. Onder een vaartuig wordt verstaan een boot waar mee gevaren wordt en waarop niet wordt gewoond. Woonboten en woonarken en woonschepen vallen hier dus niet onder. Voor woonboten, woonarken en woonschepen geldt een vergunningplicht, behalve als het gaat om de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel of de Doorslag. Deze twee wateren zijn zodanig van omvang dat een woonboot, woonark of woonschip nauwelijks invloed heeft op de doorstroming. Raadpleeg voordat u de vergunning aanvraagt ook de provincie en/of de gemeente, omdat deze aanvullende regels kunnen hebben waar rekening mee moet worden gehouden.
Daarnaast is het innemen van een ligplaats in een vaarweg, voor zowel vaartuigen als ook woonboten, woonarken of woonschepen, geregeld in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) en in Verkeersbesluiten. Raadpleeg daarom ook die regelgeving, voordat u de handeling uitvoert. Het kan dus zo zijn dat het innemen van een ligplaats is toegestaan volgens de regelgeving in dit hoofdstuk, maar dat het niet is toegestaan volgens het BPR. Daarnaast moet de initiatiefnemer rekening houden met eventueel regelgeving van de provincie en/of de gemeente.
AAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in een beperkingengebied met betrekking tot een waterstaatswerk. In deze gebieden is het van belang dat de waterstaatswerken beschermd worden. Er zijn daarom regels opgesteld met het oog op het beperken van de gevolgen voor de watergangen en de waterkeringen. De regels in deze afdeling zijn in ieder geval ook van toepassing op het vervangen of verplaatsen van een bouwwerk geen gebouw zijndeoverig bouwwerk, het inkorten van een doorgaand overig bouwwerk geen gebouw zijnde en het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verwijderen van het bouwwerk geen gebouw zijndeoverig bouwwerk.
BBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden bij een waterkering. Voor het verwijderen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in beperkingengebieden bij een waterkering kunnen voorschriften gelden in combinatie met een informatieplicht.
Het verwijderen van bouwwerken heeft een geringe invloed op de waterkering als die bouwwerken niet onder maaiveldniveau zijn gefundeerd en ook niet op palen staan, maar die bijvoorbeeld op stoeptegels of stelconplaten zijn gefundeerd, die op het maaiveld liggen. Daarom geldt hier een algemene regel.
DDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer er algemene regels gelden. Voor het verwijderen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in een natuurvriendelijke oever kunnen voorschriften gelden in combinatie met een meldplicht. Het waterschap stimuleert het aanleggen van natuurvriendelijke oevers aangezien deze bijdragen aan een goede waterkwaliteit. Nadat een natuurvriendelijke oever is aangelegd zijn activiteiten in of boven een natuurvriendelijke oever dan ook niet zonder meer toegestaan. Hiervoor zijn regels opgesteld. Als het verlies aan een natuurvriendelijke oever kleiner is dan 2 m², dan hoeft dit verlies niet te worden gecompenseerd door middel van het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever.
EEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de voorschriften van de algemene regels die gelden bij het verwijderen van een bouwwerk geen gebouw zijndeoverig bouwwerk. In de aanwijzing van de algemene regels is aangegeven wanneer en welke voorschriften van toepassing zijn. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bedoeld in de artikelen 1.9 en 4.299.
Eerste lid, onder e:
De initiatiefnemer kan zich hierover laten informeren bij het waterschap.
Tweede lid, onder b:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
Derde lid, onder b:
Een voorbeeld van een geschikt graszaadmengsel voor de toepassing op dijken is BG3; 40 gram zaad per vierkante m of een bloemrijk graszaadmengsel.
FFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde te verwijderen in de aangewezen werkingsgebieden. Minimaal twee weken voor de start van de activiteit wordt aan het waterschap de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit de artikelen 1.11 en 4.2 verstrekt. Het waterschap controleert op basis van deze melding of het overig bouwwerk geen gebouw zijnde kan worden verwijderd en verwerkt een eventuele wijziging van het profiel van de watergang in de profielenlegger van het waterschap. De melding kan worden ingediend via het Omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl) of bij het waterschap zelf.
GGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen van de waterkeringen, het verwijderen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde vergunningplichtig is. Het verwijderen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
HHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het verwijderen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het verwijderen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het verwijderen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
IIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het aanleggen van een stuw in een natuurvriendelijke oever of een vaarweg vergunningplichtig is. Het aanleggen van een stuw valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het aanleggen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
Voor vaarwegen geldt een vergunningplicht als de vaarweg wordt versmald of verondiept, de doorvaarthoogte wordt beperkt of de scheepvaart anderszins wordt belemmerd. Dit geldt niet voor de Enkele Wiericke en de bovenloop van de Kromme Rijn (tussen Wijk bij Duurstede en de stuw bij Werkhoven), aangezien hier, enkele uitzonderingen daargelaten, niet gemotoriseerd mag worden gevaren.
JJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel wijst de gevallen aan wanneer, met het oog op het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en het behouden van de maatschappelijke functies van de watergangen, het vervangen van een peilscheiding in een natuurvriendelijke oever vergunningplichtig is. Het vervangen van een peilscheiding valt onder de vergunningplicht, omdat per geval moet worden beoordeeld of het vervangen kan worden toegestaan.
Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te verbeteren. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever past binnen dit beleidsdoel, terwijl het verwijderen van een natuurvriendelijke oever niet in dit streven past. In het geval door een activiteit van de initiatiefnemer 2 m² of meer natuurvriendelijke oever verloren gaat, ontstaat er een verplichting om dit verlies voorafgaand of gelijktijdig met de activiteit te compenseren middels het graven van een nieuwe natuurvriendelijke oever met hetzelfde oppervlak in hetzelfde peilgebied. In sommige situaties is dit niet mogelijk. Omdat dit per geval beoordeeld moet worden geldt hiervoor een vergunningplicht.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2026-14697.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.