Waterschapsblad van Waterschap Scheldestromen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Scheldestromen | Waterschapsblad 2026, 13978 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap Scheldestromen | Waterschapsblad 2026, 13978 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen;
gezien het voorstel van het dagelijks bestuur van 19 mei 2026, nr. 2026004154;
gelet op de artikelen 2.5 en 2.8 Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
De wijziging van de Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen, zoals opgenomen in Bijlage A, is vastgesteld. Tegen het ontwerpbesluit zijn geen zienswijzen ingediend. Ten opzichte van de ontwerptekst is de formulering van de tekst onder letter ‘K’ gewijzigd vanwege de leesbaarheid.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen van 19 mei 2026.
mr. drs. A.J.G. Poppelaars
Dijkgraaf waterschap Scheldestromen
drs. J. Daane RA
Secretaris-Directeur waterschap Scheldestromen
A
Artikel 1.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, regionale waterprogramma's, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende KRW- oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18a, eerste lid, van dat besluit;
de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18a, tweede lid, van dat besluit; en
een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17a, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van KRW- oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als:
de aanvraag betrekking heeft op:
nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een KRW- oppervlaktewaterlichaam;
wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een KRW- oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling.
aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
B
Artikel 2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die grondwater onttrekt, zoals bedoeld in artikel 4.8 Meldings- en registratieplicht onttrekken van grondwater lid a, lid b sub 1, lid c sub 1 en 2, waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 10 m3 per uur, is verplicht:
de inrichting waarmee grondwater onttrokken wordt tenminste 4 weken voor aanleg en ingebruikstelling op te geven aan het bestuur;
de freatische grondwaterstand en/of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket niet verder te verlagen dan maximaal 0,50 meter beneden het gewenste ontgravingsniveau;
de onttrekking zodanig uit te voeren dat het risico voor verzilting zoveel mogelijk wordt beperkt;
op zo kort mogelijk afstand van het op dat moment diepste punt van de ontgraving en/of sleuf een grondwaterstandsmeetpunt in te richten;
tenminste éénmaal het chloridegehalte vast te stelten van het grondwater dat wordt opgepompt;
de onttrokken hoeveelheid grondwater, per pompput, cluster onttrekkingsfilters en/of bemalingstreng, te meten met behulp van een (water)meter die op deugdelijke wijze is gemonteerd en de meetresultaten wekelijks te registreren op een meetstaat;
onder opgave van datum, op de meetstaat aantekening te houden van voorvallen die van invloed zijn op de meting; en
binnen 4 weken na beëindiging van de onttrekking aan het bestuur opgave te doen van de onttrokken hoeveelheden onder vermelding van het chloridegehalte als bedoeld onder e.
Degene die grondwater onttrekt, zoals bedoeld in artikel 4.8 Meldings- en registratieplicht onttrekken van grondwater lid b sub 2, waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 10 m3 per uur is verplicht:
de inrichting
voorziening waarmee grondwater wordt onttrokken tenminste 4 weken voor aanleg en in gebruikstelling op te geven aan het bestuur;
de te onttrekken hoeveelheid grondwater te limiteren tot maximaal 800 m3 per jaar per hectare van het kadastrale perceel (of de percelen) waarbinnen de inrichting is geplaatst, met een maximum van 8.000 m3 per onttrekkingsvoorziening;
de hoeveelheid grondwater die wordt opgepompt te meten met behulp van een (water)meter die op deugdelijke wijze is gemonteerd of door middel van vermenigvuldiging van de door het bestuur vast te stellen volumestroom met de gemeten tijd dat de inrichting
voorziening in werking is;
de onttrokken hoeveelheid grondwater, per inrichting
voorziening en per beregening, bij te houden op een door het bestuur te verstrekken dan wel goed te keuren meetstaat en deze tenminste 5 jaar beschikbaar te houden;
in het eerste jaar van het in gebruik nemen van de inrichting
voorziening, tenminste éénmaal het chloridegehalte vast te stellen van het grondwater dat wordt opgepompt en het bepaalde gehalte schriftelijk mee te delen aan het bestuur;
medewerking te verlenen aan het van waterschapswege regelmatig (eens per 2 á 3 jaar) kunnen vaststellen van het chloridegehalte van het grondwater dat wordt opgepompt;
jaarlijks aan het bestuur opgave te doen van de onttrokken hoeveelheden grondwater;
het onttrekkingsmiddel zodanig in te richten dat deze bestaat uit een horizontale bron op een diepte van ten hoogste 6 meter beneden het maaiveld en een geperforeerde lengte van minimaal 80 en maximaal 100
200 meter (geldt niet in de gebieden waar de zoetwaterbel reikt tot aan de geohydrologische basis);
het onttrekkingsmiddel aan te leggen op minimaal 25 meter uit aanwezige waterlopen, minimaal 200 meter afstand uit andere onttrekkingsmiddelen; en
het onttrekkingsmiddel aan te leggen op minimaal 50 meter afstand uit de perceelsgrens van kadastrale percelen van derden belanghebbenden.
het onttrekkingsmiddel binnen 2 jaar na indienen van de melding aan te leggen. Indien binnen 2 jaar na de melding het onttrekkingsmiddel niet is aangelegd vervalt de mogelijkheid om op grond van deze algemene regel een onttrekkingsmiddel aan te leggen rechtswege. Hiervoor dient na verloop van de termijn opnieuw een melding te worden gedaan.
Degene die grondwater onttrekt, zoals bedoeld in artikel 4.8 Meldings- en registratieplicht onttrekken van grondwater lid d en e, waarbij de pompcapaciteit 5 m3 per uur of meer bedraagt, of waarmee, per jaar of in totaal, maximaal 12.000 m3 grondwater wordt onttrokken of water wordt geïnfiltreerd, is verplicht:
de onttrokken hoeveelheid grondwater te meten met behulp van een (water)meter die op deugdelijke is gemonteerd en de meetresultaten wekelijks te registreren op een meetstaat;
onder opgave van datum, op de meetstaat aantekening te houden van voorvallen die van invloed zijn op de meting; en
binnen 4 weken na beëindiging van de onttrekking aan het bestuur opgave te doen van de onttrokken hoeveelheden.
Het bestuur kan het onttrekken van grondwater door middel van een inrichting, als bedoeld in lid 1 en 2 van dit artikel, verbieden als door de onttrekking nadelige effecten (dreigen te) ontstaan voor de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen of voor de aangewezen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden.
Het bestuur stelt een formulier vast op basis waarvan deze algemene regel genoemde onttrekkingen ingeschreven zullen worden in het (landelijk) grondwaterregister.
Houders van inrichtingen van deze algemene regels zenden dit formulier tenminste 4 weken voor de aanleg en het in gebruikstellen van de inrichting volledig ingevuld, ondertekend en voorzien van de vereiste bijlagen aan het bestuur.
Het is verboden om grondwater te onttrekken wanneer niet wordt voldaan aan één of meer voorwaarden zoals genoemd onder lid 2 a t/m k.
C
Artikel 3.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op Artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 3.5, gemeten in een steekmonster.
Stof | Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l |
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink | 1 mg/l |
Minerale olie | 20 mg/l |
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | 50 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 100 mg/l |
Som van stikstofverbindingen | 10 mg/l |
Som van fosforverbindingen | 2 mg/l |
Chemisch zuurstofverbruik | 200 mg/l |
D
Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten op, boven en rond Waterstaatswerk primaire waterkeringen, Waterstaatswerk regionale waterkeringen, ,
Beschermingszone A primaire waterkeringen, Beschermingszone A regionale waterkeringen, Beschermingszone A, Beschermingszone B
, Oppervlaktewaterlichamen, Waterstaatswerk leggerwater watersystemen, Beschermingszone leggerwateren en de Weg inclusief de Beschermingszone verkeersbaan.
E
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het vaststellen van de criteria voor grondwateronttrekkingen is rekening gehouden dat de zoetwatervoorkomens niet kleiner van omvang mogen worden. Allereerst is er voor de landbouwonttrekkingen een onttrekkingsplafond vastgesteld. Deze komt er op neer dat er per onttrekkingslocatie niet meer onttrokken mag worden dan 60 m3 per uur, niet meer dan 3.000 m3 per kwartaal en niet meer dan 8.000 m3 per jaar. Als beperking is voorts bepaald dat er nooit meer dan 800 m3 per ha. per jaar mag worden onttrokken. Bij een perceel van 6 ha. mag er jaarlijks dus maximaal (800 x 6) 4.800 m3 grondwater onttrokken worden. De onttrekkingshoeveelheid van 800 m3 per ha. per jaar is gebaseerd op de hoeveelheid die jaarlijks ook weer in de bodem infiltreert door het jaarlijkse neerslagoverschot. Cumulatieve effecten van gelijktijdige grondwateronttrekkingen worden voorkomen doordat de onttrekkingsmiddelen minimaal 200 meter uit elkaar moeten liggen. De waterbalans en de te respecteren afstand ter beperking van cumulatieve effecten is in 2018 uitputtend onderzocht en berekend door het onafhankelijke kennisinstituut Deltares (Evaluatie en verdiepend onderzoek naar grondwateronttrekkingsregels in de provincie Zeeland, kenmerk 1231011-001). Ook overige te respecteren afstanden, waaronder die tot waterlopen, worden daarin gemotiveerd. Met het hanteren van de huidige uitgangspunten en criteria is er voldoende waarborg voor het behouden van de zoetwatervoorraad in de bodem voor de toekomst. Voor overige categorieën van grondwateronttrekkingen die plaatsvinden in gebieden met zoetwatervoorkomens geldt dat men al bij een hoeveelheid die groter is dan 10 m3 per uur, groter dan 3.000 m3 per kwartaal of indien de onttrekking langer duurt dan 6 maanden een vergunning moet aanvragen. Bij de vergunningaanvraag moet dan een bemalingsadvies worden gevoegd. Cumulatieve effecten maken een vast onderdeel uit van de te onderzoeken onderwerpen in het bemalingsadvies. Dit cumulatieve aspect is in bijlage 3 van de verordening opgenomen. Indien nodig worden mitigerende maatregelen (zoals retourbemaling) voorgeschreven ter behoud van de voorraad zoetwater in de bodem. In de bufferzones van de kwetsbare gebieden geldt sowieso een vergunningplicht voor landbouwkundige grondwateronttrekkingen. Alle in bijlage 3 genoemde aspecten, waaronder het effect op natuur, dienen eerst te worden onderzocht om te kunnen bepalen of er al dan geen vergunning kan worden verleend.
Bij het vaststellen van de criteria voor grondwateronttrekkingen is rekening gehouden met het uitgangspunt dat de zoetwatervoorkomens niet kleiner van omvang mogen worden. Allereerst is voor de landbouwonttrekkingen een onttrekkingsplafond vastgesteld. Dit komt erop neer dat per onttrekkingslocatie (10 ha) niet meer mag worden onttrokken dan 60 m3 per uur, niet meer dan 3.000 m3 per kwartaal en niet meer dan 8.000 m3 per jaar. Als aanvullende beperking is bepaald dat er nooit meer dan 800 m3 per ha per jaar mag worden onttrokken. Bij een perceel van 6 ha mag er jaarlijks dus maximaal (800 x 6) 4.800 m3 grondwater worden onttrokken.
De onttrekkingshoeveelheid van 800 m3 per ha per jaar is gebaseerd op de balans tussen aanvulling door neerslag, het beregeningswater en de grondwateronttrekking, met als doel de zoetwatervoorraden duurzaam in stand te houden en te voorkomen dat het zoet-zoutgrensvlak omhoogkomt. Cumulatieve effecten van gelijktijdige grondwateronttrekkingen worden voorkomen doordat de onttrekkingsmiddelen minimaal 200 meter uit elkaar moeten liggen. De waterbalans en de te respecteren afstand ter beperking van cumulatieve effecten zijn in 2018 uitputtend onderzocht en berekend door het onafhankelijke kennisinstituut Deltares (Evaluatie en verdiepend onderzoek naar grondwateronttrekkingsregels in de provincie Zeeland, kenmerk 1231011-001).
Ook overige te respecteren afstanden, waaronder die tot waterlopen, worden daarin gemotiveerd. Met het hanteren van de huidige uitgangspunten en criteria is er voldoende waarborg voor het duurzaam in stand houden van de zoetwatervoorraad in de bodem. Voor overige categorieën van grondwateronttrekkingen die plaatsvinden in gebieden met zoetwatervoorkomens geldt dat men bij een hoeveelheid groter dan 10 m3 per uur, groter dan 3.000 m3 per kwartaal of indien de onttrekking langer duurt dan 6 maanden, een vergunning moet aanvragen. Bij de vergunningaanvraag moet een bemalingsadvies worden gevoegd. Cumulatieve effecten vormen een vast onderdeel van de te onderzoeken onderwerpen in het bemalingsadvies. Dit cumulatieve aspect is opgenomen in bijlage 3 van de verordening. Indien nodig worden mitigerende maatregelen (zoals retourbemaling) voorgeschreven ter behoud van de voorraad zoetwater in de bodem. In de bufferzones van kwetsbare gebieden geldt sowieso een vergunningplicht voor landbouwkundige grondwateronttrekkingen. Alle in bijlage 3 genoemde aspecten, waaronder het effect op natuur, dienen eerst te worden onderzocht om te kunnen bepalen of er al dan niet een vergunning kan worden verleend.
Verder is bepaald dat het onttrekkingsmiddel zodanig wordt ingericht dat dit bestaat uit een horizontale bron op een diepte van ten hoogste 6 meter beneden het maaiveld en met een lengte van minimaal 80 en maximaal 200 meter. Uit onderzoek is gebleken dat een minimale lengte van 80 meter aan te bevelen is en dat drains in de praktijk vaak minimaal 100 meter lang zijn. De begrenzing van de maximale lengte tot 200 meter heeft tot doel om voldoende ruimte vrij te houden voor andere belanghebbenden die mogelijk een bron willen aanleggen.
Tevens is bepaald dat een onttrekkingsmiddel binnen 2 jaar na aanmelding bij het bestuur moet zijn aangelegd en in gebruik moet zijn genomen. Dit is bepaald om een gelijk speelveld te creëren. Bij de aanleg van het onttrekkingsmiddel moet immers minimaal 200 meter afstand worden aangehouden tot andere gemelde onttrekkingsmiddelen. Zo blijft er ook voor anderen een mogelijkheid bestaan om een onttrekkingsvoorziening aan te brengen. Indien na ontvangst van de melding twee jaar zijn verstreken zonder dat het onttrekkingsmiddel is aangelegd, vervalt de melding van rechtswege. Dit geldt voor bestaande en nieuwe meldingen. Indien daarna nog steeds de wens bestaat om het onttrekkingsmiddel aan te leggen en te gebruiken, moet een nieuwe melding worden gedaan. Een nieuwe melding wordt dan beoordeeld naar de op dat moment geldende regels en de op dat moment vastgestelde zoetwatervoorkomens.
Voor de voorwaarde onder lid 2, onderdeel k (aanleg van de voorziening binnen twee jaar na het indienen van de melding), geldt een overgangstermijn van twee jaar voor zowel bestaande als nieuwe meldingen. Zes maanden voordat deze termijn afloopt, worden initiatiefnemers van zowel bestaande als nieuwe meldingen geïnformeerd over de naderende vervaldatum van hun melding.
Wanneer niet kan worden voldaan aan de in art. 4.8 lid b sub 2 genoemde hoeveelheden of aan één de in dit artikellid 2 genoemde voorwaarden a t/m k van deze algemene regel kan een grondwateronttrekking niet worden toegestaan. Mogelijk kan onder het stellen van voorschriften een vergunning worden verleend. Voldaan dient dan te worden aan de in art. 4.13 genoemde aanvraagvereisten. Indien geen geldige vergunning of acceptatie aanwezig is voor een grondwaterbron is dit aanleiding om handhavend op te treden.
Het betreft een aanpassing van artikel 2.9 inzake de regels voor grondwateronttrekking ten behoeve van beregening. Om het duurzame gebruik van zoet grondwater te verbeteren, worden enkele onderdelen van artikel 2.9 van de Waterschapsverordening verduidelijkt en geactualiseerd. Het gaat om beperkte wijzigingen die bestaande regels verduidelijken en het toezicht verbeteren.
De belangrijkste aanpassingen zijn:
Herbevestiging van de hoeveelheidsnorm: maximaal 800 m³ per hectare per jaar en 8.000 m³ per onttrekkingsvoorziening (bestaande regel).
Invoering van een aanlegtermijn: een gemelde onttrekkingsbron moet binnen twee jaar worden gerealiseerd, zodat onttrekkingsruimte eerlijk wordt verdeeld (nieuwe regel).
Aanpassing technische eis: de lengte van het geperforeerde deel van onttrekkingsdrains wordt vastgesteld op minimaal 80 en maximaal 200 meter, passend bij de praktijk en gericht op efficiënt watergebruik (aangepaste regel).
Modernisering van verouderde formuleringen.
De bestaande onderlinge minimale afstand van 200 meter tussen onttrekkingsvoorzieningen blijft ongewijzigd. Door de nieuwe aanlegtermijn wordt voorkomen dat gemelde, maar nog niet gerealiseerde bronnen onnodig ruimte blokkeren, waardoor andere gebruikers kansen missen.
De aanlegtermijn gaat gelden voor zowel bestaande als nieuwe situaties, met een overgangstermijn van twee jaar voor reeds gemelde onttrekkingsmiddelen.
U kunt de regels raadplegen via Regels op de Kaart van het Omgevingsloket.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2026-13978.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.