Waterschapsblad van Wetterskip Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Wetterskip Fryslân | Waterschapsblad 2026, 13458 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Wetterskip Fryslân | Waterschapsblad 2026, 13458 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân;
- gelet op artikel 2.8 Omgevingswet;
- gelet op het Delegatie- en mandaatbesluit van het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân;
- gezien het feit dat met de komst van de Omgevingswet (in werking per 1 januari 2024) een waterschapsverordening middels het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) ontsloten en bekendgemaakt wordt;
- gezien het feit dat de Waterschapsverordening alle regels over de fysieke leefomgeving die Wetterskip Fryslân stelt binnen zijn beheergebied besloten dat een update van de Waterschapsverordening nodig is om een aantal wijzigingen door te voeren en de werking in het Omgevingsloket te verbeteren. Deze wijzigingen betreffen:
- Tekstuele aanpassingen en kleine wijzigingen in de opbouw van artikelen;
- Verschuiven, splitsen en vernummeren van afdelingen, artikelen en bijlagen;
besluit;
De Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân zoals aangegeven in Bijlage A, vast te stellen.
De gehele gewijzigde waterschapsverordening wordt nu bekendgemaakt en treedt in werking op de dag van publicatie.
Dit besluit wordt aangehaald als "Wijzigingsbesluit Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2026-1".
Aldus vastgesteld namens het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân
Lot Hofstede
Vakgroepleider Juridische Zaken en Eigendomsbeheer
A
Artikel 1.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit verricht met betrekking tot het watersysteem of een onderdeel daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 1.3, moet:
alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat:
het voorkomen, beperken, onmiddellijk ongedaan maken of achterwege laten van het beschadigen van een waterstaatswerk;
het voorkomen, ongedaan maken of achterwege laten van het verondiepen, versmallen of belemmeren van de waterdoorstroming van een oppervlaktewaterlichaam of van de afvoer van kwelwater of hemelwater;
het niet nadelig beïnvloeden van de stabiliteit van een waterkering, oeverconstructie of oever:
het voorkomen van aantasting van het waterkerend vermogen van waterkeringen;
het bereikbaar en toegankelijk houden van waterstaatswerken voor inspectie, onderhoud en beheer door of in opdracht van het waterschap of voor onderhoud door of in opdracht van een onderhoudsplichtige als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet; en
het voorkomen van versnelde erosie van de waterkering of het uitspoelen van grond of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam.
Degene die handelingen verricht als bedoeld in het eerste lid en daarbij kennis neemt van een inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het dagelijks bestuur.
Een rechthebbende die op basis van artikel 10.3 Omgevingswet een ontvangstplicht heeft voor maaisel, baggerspecie of hekkelspecie, is verplicht dit binnen een half jaar na ontvangst op te ruimen.
Het dagelijks bestuur kan aanwijzingen geven over de handelingen genoemd in het eerste lid tot en met het vierde lid.
B
Artikel 1.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozen water;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
het chloridegehalte van het te lozen water en het chloridegehalte van het ontvangen oppervlaktewater, gemeten in een steekmonster;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
C
Artikel 2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op de hoeveelheid water die op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, indien:
dit geen afvloeiend hemelwater is als bedoeld in afdeling 2.3;
dit geen water is als bedoeld in afdeling 2.12; en
dit geen water is als bedoeld in afdeling 2.18.
Deze afdeling is niet van toepassing op: Versneldeversnelde afvoer van water als bedoeld in afdeling 4.21.
D
Artikel 2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.4, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozingspunt;
het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozen water;
de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden;
een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; en
het chloridegehalte van het te lozen water en het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster.
E
Artikel 2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van een hoeveelheid water op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozen water;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; en
het chloridegehalte van het te lozen water en het chloridegehalte van het ontvangen oppervlaktewater, gemeten in een steekmonster.
F
Artikel 2.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
G
Artikel 2.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
H
Artikel 2.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.3, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam
Emissiegrenswaarde in mg/l | |
Biochemisch zuurstofverbruik | 60 mg/l |
Chemisch zuurstofverbruik | 300 mg/l |
Onopgeloste stoffen | 60 mg/l |
Het tweede lid is niet van toepassing als de lozing plaatsvindt buiten een kwetsbaar gebied en het huishoudelijk afvalwater kleiner dan 6 inwonerequivalenten bevat en voorafgaand aan vermenging met ander water door een septictank wordt geleid indien:
de septictank:
voldoet aan NEN-EN 12566-1;
heeft een nominale inhoud van groter dan of gelijk aan 6 kubieke meter (m3); en
een hydraulisch rendement van kleiner dan 10 gram (g) heeft, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of
de septictank is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
In afwijking van de regels bedoeld in het tweede en derde lid, wordt voor bestaande lozingen van huishoudens van voor 1 maart 1997 aan het eerste lid voldaan als de lozing plaatsvindt in niet-kwetsbaar en niet-vrij afstromend gebied in de provincie Fryslân en het huishoudelijk afvalwater wordt geleid door goed onderhouden en goed functionerende voorzieningen die in ieder geval bestaan uit:
een septictank met een inhoud van minimaal 1,5 kubieke meter (m3) voor het toiletwater; en
een doelmatige bezinkvoorziening voor het overige huishoudelijke afvalwater; of
een aan de onder a en b genoemde voorzieningen ten minste gelijkwaardig alternatief.
In afwijking van het tweede lid kan het dagelijks bestuur van het waterschap, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn bij maatwerkvoorschrift bepalen dat bij het lozen niet aan de in dat lid genoemde waarden behoeft te worden voldaan. Het dagelijks bestuur van het waterschap kan daarbij:
andere waarden vaststellen; en
bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een daarbij voorgeschreven zuiveringsvoorziening wordt geleid.
I
Artikel 2.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.25, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;
de wijze van behandeling van het afvalwater;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit;
de afstand van de kadastrale grens van het perceel tot de gemeentelijk riolering; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl met daarop:
de locatie van het gebouw waar het afvalwater ontstaat; en
alle rioleringen van het gebouw waar het afvalwater ontstaat tot het lozingspunt, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen hemelwaterafvoer en vuilwaterafvoer, de te treffen zuiveringsvoorziening (septictank, IBA klasse II of III).
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
J
Artikel 2.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl met daarop:
de locatie van het gebouw waar het afvalwater ontstaat; en
alle rioleringen van het gebouw waar het afvalwater ontstaat tot het lozingspunt, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen hemelwaterafvoer en vuilwaterafvoer, en de te treffen zuiveringsvoorziening (septictank, IBA klasse II of III).
de afstand van de kadastrale grens van het perceel tot de gemeentelijk riolering;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;
de wijze van behandeling van het afvalwater;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
K
Artikel 2.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koude of warmte bij koelwater op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozings- of onttrekkingspunt;
locatie van de, voor zover aanwezig, warmtewisselaar in het oppervlaktewaterlichaam;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; tekening van de, voor zover aanwezig, in- en uitstroomvoorzieningen;
de berekening van het temperatuurverschil in de mengzone ten opzichte van het omliggende oppervlaktewaterlichaam;
de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt (kW);
de berekening van de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); en
de berekening van de maximale koudevracht in kilojoule per seconde (kJ/s).
L
Artikel 2.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien koude en warmte bij aquathermie wordt geloosd:
kan koude of warmte in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht:
direct door het lozen van opgewarmd oppervlaktewater;
direct door het lozen van afgekoeld oppervlaktewater; of
indirect door een in het oppervlaktewaterlichaam geplaatste warmtewisselaar.
is het thermisch vermogen van de installatie waarmee warmte of koude uit het oppervlaktewaterlichaam wordt onttrokken of toegevoegd kleiner dan of gelijk aan 30 kilowatt (kW); en
mag het temperatuurverschil tussen het ingenomen oppervlaktewater en het te lozen oppervlaktewater niet meer bedragen dan 5 graden Celsius (°C).
M
Artikel 2.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.38, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s);
de berekening van de maximale koudevracht in kilojoule per seconde (kJ/s);
de berekening van het temperatuurverschil in de mengzone ten opzichte van het omliggende oppervlaktewaterlichaam;
de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt (kW);
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozings- of onttrekkingspunt;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.;
voor zover aanwezig een tekening van de in- en uitstroomvoorzieningen inclusief de locatie van de warmtewisselaar;
voor zover aanwezig de locatie van de warmtewisselaar in het oppervlaktewaterlichaam; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit.
N
Artikel 2.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koude of warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozings- of onttrekkingspunt;
locatie van de, voor zover aanwezig, warmtewisselaar in het oppervlaktewaterlichaam;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; tekening van de, voor zover aanwezig, in- en uitstroomvoorzieningen;
de berekening van het temperatuurverschil in de mengzone ten opzichte van het omliggende oppervlaktewaterlichaam;
de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt (kW);
de berekening van de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); en
de berekening van de maximale koudevracht in kilojoule per seconde (kJ/s).
O
Artikel 2.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
P
Artikel 2.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan of overslaan van inerte goederen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
Q
Artikel 2.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan of overslaan van niet-inerte goederen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
R
Artikel 2.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
S
Artikel 2.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
T
Artikel 2.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
U
Artikel 2.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
V
Artikel 2.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
W
Artikel 2.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
X
Artikel 2.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij niet-industriële voedselbereiding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
Y
Artikel 2.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
Z
Artikel 2.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam vanaf vaartuigen of andere werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
AA
Artikel 2.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verstrooien van as op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken; en
hoeveelheid as die verstrooid wordt in kubieke meter (m3).
BB
Artikel 2.123 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozen water;
een riooltekening in het geval van een lozing op een zuiveringtechnisch werk;
de coördinaten volgens het stelselstelsel van de Rijksdriehoekmeting van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
CC
Artikel 3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het te onttrekken water wordt gebruikt;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder onttrekkingspunt;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/u) per onttrekkingspunt; en
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken.
DD
Artikel 3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het te onttrekken water wordt gebruikt;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder onttrekkingspunt;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/u) per onttrekkingspunt; en
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken.
EE
Artikel 3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien grondwater wordt onttrokken:
worden nadelige gevolgen van de onttrekking voorkomen. Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, moet degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen nemen om deze gevolgen te beperken. Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk de eerstvolgende werkdag geïnformeerd over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen;
wordt voorkomen dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt bij het aanleggen en beheren van de voorziening(en) voor grondwateronttrekking; en
wordt voorkomen dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt door na definitieve beëindiging van de onttrekking de voorziening(en) voor grondwateronttrekking te verwijderen, af te werken en af te dichten.
Indien grondwater onttrokken wordt ten behoeve van een bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling, grondsanering of sanering van een grondwaterverontreiniging:
is de verlaging van de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket kleiner dan of gelijk aan 500 millimeter (mm) beneden het actuele ontgravingsniveau;
dient een peilbuis of meetput toegepast te worden om de stijghoogte te bepalen indien spanningsbemaling wordt toegepast; en
indien retourbemaling toegepast wordt:
dient het grondwater terug gebracht te worden in het watervoerende pakket waar het grondwater uit afkomstig is; of
mag het grondwater worden terug gebracht op de bodem indien de retourbemaling op de Waddeneilanden plaatsvindt.
FF
Artikel 3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van grondwater, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het te onttrekken water wordt gebruikt;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit
de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit;
het aantal in te richten putten;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere put;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
een bemalingsadvies, volgens protocol 12010 van het SIKB;
een technisch bemalingsplan, volgens protocol 12020 van het SIKB;
de diepte in meter (m) van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
de lengte in meter (m) van het effectieve filter in iedere put;
de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/u) per put;
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken; en
een beschrijving van de locatie waar het onttrokken water wordt geloosd.
GG
Artikel 3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit
het aantal in te richten putten;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere put;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het onttrekken van water uit de bodem en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een bemalingsadvies, volgens protocol 12010 van het SIKB;
een technisch bemalingsplan, volgens protocol 12020 van het SIKB;
de diepte in meter (m) van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
de lengte in meter (m) van het effectieve filter in iedere put;
de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/u) per put;
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken; en
een beschrijving van de locatie waar het onttrokken water wordt geloosd.
HH
Artikel 3.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het water in de bodem wordt gebracht;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit, de verwachte duur van de activiteit en bij het tijdelijk in de bodem brengen van water de datum van het einde van de activiteit;
het aantal in te richten putten;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere plek waar water in de bodem wordt gebracht;
de diepte in meter (m) van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
de lengte in meter (m) van het effectieve filter in iedere put;
een beschrijving van de eventuele samenhang van het brengen van water in de bodem met een onttrekking;
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand) en jaar (m3/jaar), die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;
de diepte in meter (m) waarop het water in de bodem wordt gebracht; en
de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht.
II
Artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
een omschrijving van het soort of type materialen, stoffen of goederen; en
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen.
JJ
Artikel 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien riet of waterplanten worden verwijderd in een hoofdwater:
worden rietstroken niet gemaaid of gehekkeld tenzij:
het trajecten kleiner dan 5 meter (m) betreft;
de onderlinge afstand tussen deze trajecten is groter dan of gelijk aan 500 meter buiten stedelijk gebied; of
de onderlinge afstand tussen deze trajecten is groter dan of gelijk aan 100 meter binnen stedelijk gebied;
wordt van 15 juni tot en met 14 augustus niet gehekkeld;
worden waterplanten van 15 juni tot en met 14 augustus:
kleiner dan of gelijk aan 2 keer onder water gemaaid;
bij het maaien boven de waterbodem afgesneden of geknipt; en
bij het maaien niet tegelijkertijd met bodemmateriaal verwijderd;
kunnen waterplanten in de periode van 15 augustus tot en met 30 november 1 keer onder water gemaaid of gehekkeld worden;
worden waterplanten alleen gemaaid in de middenstrook van het oppervlaktewaterlichaam waarbij:
de breedte van de te maaien strook kleiner dan of gelijk aan 6 meter (m) is;
de afstand van de te maaien strook tot het riet overal groter dan of gelijk aan 1 meter (m) is; en
de afstand van de te maaien strook tot de oever zonder riet overal groter dan of gelijk aan 1 meter (m) is;
wordt het maaisel of gehekkeld materiaal niet afgezet:
binnen de beschermingszone van een waterkering;
mag maaisel tijdelijk op de kruin van de waterkering worden afgezet indien:
dit een regionale waterkering is; of
dit een lokale waterkering is; en
het maaisel binnen 48 uur (u) wordt verwijderd;
mag maaisel tijdelijk buiten het talud worden afgezet. Het maaisel moet dan minimaal 48 uur (u) blijven liggen en binnen 180 dagen worden verwijderd; en
wordt bij het maaien en hekkelen de Gedragscode Wet natuurbescherming voor waterschappen gevolgd.
KK
Artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van het verwijderen van riet of waterplanten in een hoofdwater, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.
LL
Artikel 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanbrengen of verwijderen van beplanting en opgaande houtbeplanting en het verwijderen van riet of waterplanten, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en
een omschrijving van de soort bomen of beplanting.
MM
Artikel 4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van boringen voor een bodemenergiesysteem of het exploreren of winnen van gas, vloei- of delfstoffen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
dde verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
het aantal in te richten putten;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere put;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten;
een boorplan met beschrijving van de boring indien de boring plaatsvindt in een waterkering of bijbehorende beschermingszone;
een tekening met een dwarsdoorsnede van het werk ten opzichte van de waterkering met maatvoeringen;
een tekening met een dwarsdoorsnede van de huidige situatie ten opzichte van de waterkering; en
Berekeningen op basis van gegevens verkregen uit grondonderzoek conform normering TAW/ENW door een op dit vakgebied ter zake kundige. De berekeningen tonen ten minste aan dat:
door de activiteiten de stabiliteit van de waterkering of kade niet afneemt;
door de activiteiten de waterkering of kade niet zodanig waterdoorlatend wordt dat risico’s ontstaan in de vorm van piping en kwel; en
door eventuele bemaling tijdens de activiteiten geen schade wordt veroorzaakt aan de (grondlagen in de) waterkering of kade en naastgelegen ondervelden.
NN
Artikel 4.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; en
het object, voorzien van maatvoering en hoogtematen in meter (m).
OO
Artikel 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten op of in de waterkering of de beschermingszone van de waterkering;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
een tekening met een dwarsdoorsnede van het werk ten opzichte van de waterkering met maatvoeringen; en
een tekening met een dwarsdoorsnede van de huidige situatie ten opzichte van de waterkering.
PP
Artikel 4.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct is toestemmingsvrij, indien:
bij het aanleggen van de brug of viaduct de pijlers niet in het water komen te staan;
de brug of viaduct wordt aangelegd of verwijderd:
in een overig water; of
in een schouwwater; en
de brug of viaduct niet wordt aangelegd of verwijderd:
in een waterkering;
in de beschermingszone van een waterkering; of
in een vaarweg in het beheer van het waterschap.
Artikel 4.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds onder de brughoofden;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen.
de lengte van de brug of viaduct in meter (m);
de breedte van de brug of viaduct in meter (m);
de hoogte van de brug of viaduct ten opzichte van het waterpeil in meter (m); en
de hoogte van de brug of viaduct ten opzicht van het maaiveld in meter (m).
RR
Artikel 4.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien een dam zonder duiker wordt verbreed of verwijderd:
heeft dit geen peilwijziging tot gevolg;
is of wordt bij verbreding van de dam de breedte van de dam gemeten op de waterlijn langs de as van het oppervlaktewaterlichaam kleiner dan of gelijk aan 10 meter (m);
worden bij verbreding van de dam aan weerszijden van de dam:
taluds aangebracht in de verhouding kleiner dan of gelijk aan 1:1,5; of
damleggers aangebracht; en
wordt bij het verwijderen van de dam het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel hersteld.
SS
Artikel 4.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbreden of verwijderen van een dam zonder duiker is toestemmingsvrij, indien:
de dam de functie heeft van perceelsontsluiting;
de te verwijderen dam geen onderhoudsdam van het waterschap betreft; en
de dam ligt of komt te liggen:
buiten stedelijk gebied; en
in een overig water; of
in een schouwwater.
TT
Artikel 4.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van een dam zonder duiker, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
de lengte van de dam in meter (m);
de bovenbreedte van de dam in meter (m); en
de huidige lengte van de te wijzigen dam in meter (m).
UU
Artikel 4.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien een duiker wordt aangelegd, verlengd of vervangen, voldoet de duiker aan de volgende maatvoeringen:
de lengte van de duiker is kleiner dan of gelijk aan 10 meter (m);
de diameter van de duiker is groter dan of gelijk aan 300 millimeter (mm);
bij watergangen:
die droogvallen, ligt de binnenonderkant van de duiker boven de vaste waterbodem; of
die niet-droogvallen, ligt de binnenbovenkant van de duiker boven het hoogste peil;
bij watergangen:
die droogvallen, is de afstand tussen de binnenonderkant van de duiker en de vaste waterbodem gelijk aan 50 millimeter (mm);
die niet-droogvallen met een duiker met een diameter gelijk aan 300 millimeter (mm) is de afstand tussen de binnenbovenkant van de duiker en het hoogste peil is gelijk aan 50 millimeter (mm); of
die niet-droogvallen met een duiker met een diameter groter dan 300 millimeter (mm) is de afstand tussen de binnenbovenkant van de duiker en het hoogste peil groter dan of gelijk aan 50 millimeter (mm), mits het debiet van waterdoorstroming niet kleiner wordt dan de waterdoorstroming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2º;
de afstand tot andere kunstwerken is of wordt groter dan of gelijk aan 10 meter (m); en
indien de duiker benedenstrooms van een stuw aangelegd of verlengd wordt, is de afstand tussen de duiker en de stuw groter dan of gelijk aan 20 meter (m).
Indien een duiker wordt aangelegd, verlengd, vervangen of verwijderd:
heeft dit geen peilwijziging tot gevolg;
wordt de duiker zonder knikpunten of bochten aangelegd;
wordt de as van de duiker in het midden van het oppervlaktewaterlichaam aangelegd;
zijn verbindingen tussen duikerelementen voorzien van een blijvend waterdichte afdichting;
wordt bij het aanleggen, verlengen of vervangen geen milieubezwaarlijk materiaal gebruikt;
wordt bij verlenging van een duiker:
wordt bij vervanging of verwijdering van een duiker de oude duiker volledig verwijderd; en
wordt bij het verwijderen van een duiker het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel hersteld.
Indien in combinatie met de duiker ook een dam wordt aangelegd, verbreed of verwijderd geldt voor de dam:
dat aan weerszijden van de dam:
taluds worden aangebracht in de verhouding kleiner dan of gelijk aan 1:1,5; of
damleggers worden aangebracht;
dat bij het verwijderen van een dam het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel wordt hersteld; en
indien de dam wordt verbreed, wordt ook de bijbehorende duiker verlengd.
VV
Artikel 4.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het aanleggen, verlengen, vervangen of verwijderen van een duiker of een dam met duiker is toestemmingsvrij, indien:
de dam de functie heeft van perceelsontsluiting;
de te verwijderen dam geen onderhoudsdam van het waterschap betreft;
de breedte van het water ter plekke, gemeten op de waterlijn bij het hoogste peil, kleiner dan of gelijk aan 5 meter (m) is; en
de dam met duiker ligt of komt te liggen:
buiten stedelijk gebied; en
in een overig water; of
in een schouwwater.
WW
Artikel 4.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het aanleggen, verlengen, vervangen of verwijderen van een duiker of dam met duiker geldt een meldingsplicht, indien:
de dam de functie heeft van perceelsontsluiting;
de duiker of dam met duiker in een hoogwatercircuit ligt of gaat liggen; en
de duiker of dam met duiker ligt of komt te liggen:
buiten stedelijk gebied; en
in een overig water; of
in een schouwwater.
Voor het aanleggen, verlengen, vervangen of verwijderen van een duiker of dam met duiker geldt een meldingsplicht, indien:
de dam de functie heeft van perceelsontsluiting;
de breedte van het water ter plekke, gemeten op de waterlijn bij het hoogste peil, groter dan 5 meter (m) is; en
de duiker of dam met duiker ligt of komt te liggen:
buiten stedelijk gebied; en
in een overig water; of
in een schouwwater.
XX
Artikel 4.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van een duiker of dam met duiker, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
de diameter van de duiker in millimeter (mm);
de lengte van de dam in meter (m);
de bovenbreedte van de dam in meter (m); en
de huidige lengte van de te wijzigen dam in meter (m).
YY
Artikel 4.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van het houden van een evenement, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.
ZZ
Artikel 4.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het houden van evenementen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten; en
een omschrijving van het soort evenement.
AAA
Artikel 4.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien een oppervlaktewaterlichaam wordt gegraven of vergraven, wordt geen grens van een vastgesteld peilgebied doorkruist;
Indien een ondiepwaterzone met een waterdiepte tot 700 millimeter (mm) wordt vergraven, wordt dit evenredig gecompenseerd met een ondiepwaterzone met een gelijksoortige waterdiepte, waarbij:
voor de groei van waterplanten geschikt materiaal wordt gebruikt;
de ondiepwaterzone afgeschermd wordt tegen wind- en golfwerking; en
bij het afschermen van ondiepwaterzones geen stortsteen of milieubezwaarlijk materiaal wordt gebruikt.
Indien het graven of vergraven plaatsvindt ter compensatie van het dempen van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in afdeling 4.11:
mag de werking van het watersysteem niet verslechteren;
vindt de compensatie voorafgaand aan de activiteit waarvoor wordt gecompenseerd plaats;
is het te graven oppervlak (gemeten op de waterlijn bij het vastgestelde peil) minimaal gelijk aan het te dempen oppervlak;
wordt compensatie gerealiseerd door:
het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam; of
het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam.
wordt in geval van compensatie door verbreding van een bestaand oppervlaktewaterlichaam het te compenseren wateroppervlak berekend met de volgende formule: L x (B1 + B2) / 2
Waarin:
L: Lengte van het te dempen oppervlaktewaterlichaam
B1: Breedte van het te dempen oppervlaktewaterlichaam op de waterlijn*
B2: Breedte van het te dempen oppervlaktewaterlichaam op de insteek
*Bij een droogvallend oppervlaktewaterlichaam kan hiervoor de bodembreedte worden toegepast indien het betreffende oppervlaktewaterlichaam een waterbergende functie heeft.
is ingeval van compensatie door verbreding de verbreding van het bestaande oppervlaktewaterlichaam minimaal 300 millimeter (mm) over de gehele lengte;
worden taluds aangebracht in de verhouding kleiner dan of gelijk aan 1:1,5;
ontstaat door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden;
wordt het verdiepen van ondiepwaterzones met een waterdiepte tot 700 millimeter (mm) evenredig gecompenseerd met een ondiepwaterzone met een gelijksoortige waterdiepte;
worden bij het uitgraven van nieuw water langs bestaande oevers (verbreden of vergroten van wateren) tot op een waterdiepte van 700 millimeter (mm) (ondiepwaterzones) de oevers afgeschermd tegen wind- en golfwerking; en
wordt bij het afschermen van ondiepwaterzones geen stortsteen of milieubezwaarlijk materiaal gebruikt.
Indien het graven of vergraven plaatsvindt ter compensatie van het versneld afvoeren van water als bedoeld in afdeling 4.21:
mag de werking van het watersysteem niet verslechteren;
vindt de compensatie voorafgaand aan de activiteit waarvoor wordt gecompenseerd plaats;
wordt compensatie gerealiseerd door:
het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam; of
het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam.
is ingeval van compensatie door verbreding de verbreding van het bestaande oppervlaktewaterlichaam minimaal 300 millimeter (mm) over de gehele lengte;
worden taluds aangebracht in de verhouding kleiner dan of gelijk aan 1:1,5;
ontstaat door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden;
wordt het verdiepen van ondiepwaterzones met een waterdiepte tot 700 millimeter (mm) evenredig gecompenseerd met een ondiepwaterzone met een gelijksoortige waterdiepte;
worden bij het uitgraven van nieuw water langs bestaande oevers (verbreden of vergroten van wateren) tot op een waterdiepte van 700 millimeter (mm) (ondiepwaterzones) de oevers afgeschermd tegen wind- en golfwerking; en
wordt bij het afschermen van ondiepwaterzones geen stortsteen of milieubezwaarlijk materiaal gebruikt.
Indien wordt gebaggerd in een hoofdwater:
vindt dit alleen plaats in de periode 15 september tot 30 november;
is de laag bagger die verwijderd wordt kleiner dan of gelijk aan 200 millimeter (mm);
wordt een baggerspuit of baggerpomp gebruikt;
wordt alleen gebaggerd in de middenstrook van het oppervlaktewaterlichaam waarbij:
de breedte van de te baggeren strook kleiner dan of gelijk aan 6 meter (m) is;
de afstand van de te baggeren strook tot het riet overal groter dan of gelijk aan 1 meter (m) is; en
de afstand van de te baggeren strook tot de oever zonder riet overal groter dan of gelijk aan 1 meter (m) is; en
wordt het gebaggerde materiaal niet op het schuine talud van de oever en niet binnen de beschermingszone van een waterkering afgezet.
BBB
Artikel 4.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van het graven of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam of het baggeren van een hoofdwater, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.
CCC
Artikel 4.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het graven, vergraven van of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
in geval van het graven of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam:
de lengte van het te graven of vergraven oppervlaktewaterlichaam in meter (m);
de bodembreedte van het te graven of vergraven oppervlaktewaterlichaam in meter (m);
een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds;
de taludhelling van het te graven of vergraven oppervlaktewaterlichaam; en
een beschrijving of het graven of vergraven ter compensatie is van de vermindering van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam; en
in geval van baggerwerkzaamheden:
een omschrijving van de baggerwerkzaamheden; en
een omschrijving van de te baggeren strook.
DDD
Artikel 4.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien grond wordt aangebracht in een waterstaatswerk of een beschermingszone van een waterstaatswerk, of een oppervlaktewaterlichaam wordt gedempt:
heeft de gebruikte grond géén nadelig effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater;
wordt het dempen van het oppervlaktewaterlichaam evenredig gecompenseerd; en
indien een ondiepwaterzone met een waterdiepte tot 700 millimeter (mm) wordt gedempt, wordt dit evenredig gecompenseerd met een ondiepwaterzone met een gelijksoortige waterdiepte.
Indien baggerspecie wordt verspreid in oppervlaktewater binnen een natuurgebied:
voldoet de baggerspecie aan de maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater als de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden binnen de begrenzing van hetzelfde natuurgebied; of
voldoet de baggerspecie aan de Achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit als de baggerspecie afkomstig is van baggerwerkzaamheden buiten het natuurgebied.
Indien baggerspecie wordt verspreid in oppervlaktewater binnen een KRW-waterlichaam, dat geen onderdeel uitmaakt van een natuurgebied:
voldoet de baggerspecie aan de maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater als:
de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden binnen de begrenzing van het KRW-waterlichaam of binnen een hiermee in open verbinding staand KRW-waterlichaam; of
de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden op een afstand kleiner dan of gelijk aan 15 kilometer (km) van de locatie waar de baggerspecie verspreid wordt; of
voldoet de baggerspecie aan de achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit als de baggerspecie afkomstig is van baggerwerkzaamheden buiten het KRW-waterlichaam of binnen een hiermee in open verbinding staand KRW-waterlichaam.
Indien baggerspecie wordt verspreid in oppervlaktewater niet zijnde een natuurgebied of een KRW-waterlichaam:
voldoet de baggerspecie aan de maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater als de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden op een afstand kleiner dan of gelijk aan 15 kilometer (km) van de locatie waar de baggerspecie verspreid wordt; of
voldoet de baggerspecie aan de Achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit als de baggerspecie afkomstig is van baggerwerkzaamheden op een afstand groter dan 15 kilometer (km) van de locatie waar de baggerspecie verspreid wordt.
EEE
Artikel 4.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van het verspreiden van baggerspecie, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de stoffen en een meting van de kwaliteit daarvan; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.
FFF
Artikel 4.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van grond, en het dempen en verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en
een beschrijving van de uitvoering van de activiteiten.
In aanvulling op het eerste lid worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het dempen en verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de wijze van dempen:
geheel dempen van een oppervlaktewaterlichaam;
gedeeltelijk dempen van een oppervlaktewaterlichaam; of
versmallen van een oppervlaktewaterlichaam;
de lengte van het te dempen oppervlaktewaterlichaam in meter;
de omvang van de demping in vierkante meter (m2);
een omschrijving van de toe te passen grond; en
een beschrijving van de manier en plek waar de vermindering van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd.
GGG
Artikel 4.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen en verwijderen van een inlaat in een lokale waterkering of regionale waterkering bedoeld voor vernatting van een perceel ten behoeve van weidevogels.
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of verwijderen van een inlaat in een waterstaatswerk of in een beschermingszone van een waterstaatswerk.
HHH
Artikel 4.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verwijderen van een inlaat in een waterkering is toestemmingsvrij, indien deze voorafgaand aan het aanleggen is gemeld bij het waterschap en voldoet aan artikel 4.73, tweede lid.
Het verwijderen van een inlaat in een waterkering is toestemmingsvrij, indien:
deze bedoeld is vernatting van een perceel ten behoeve van weidevogels;
deze voorafgaand aan het aanleggen is gemeld bij het waterschap;
deze voldoet aan artikel 4.73, tweede lid; en
dit plaatsvindt in een lokale waterkering; of
dit plaatsvindt in een regionale waterkering.
III
Artikel 4.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het aanleggen van een inlaat in een waterkering geldt een meldingsplicht, indien:
deze bedoeld is vernatting van een perceel ten behoeve van weidevogels;
de inlaat bedoeld is voor vernatting van een perceel ten behoeve van weidevogels;
het een inlaat betreft in een regionale- of lokale waterkering;
de inlaat gebruikt wordt in de periode van 1 februari tot en met 15 juli;
mag daarbij geen invloed hebben op het ter plaatse vastgestelde waterpeil;
de inlaat voor een tijdelijke periode van maximaal 6 jaar wordt aangelegd;
de waterkering waarin de inlaat wordt aangelegd een maximale hoogte heeft van 1 meter vanaf het maaiveld ten opzichte van de kruin;
het perceel een kansrijke locatie betreft voor weidevogels;
de inlaat niet wordt aangelegd in een gebied met veen als ondergrond;
er overduidelijk sprake is van een waterstaatkundig gezien veilige situatie; en
het gestelde onder a t/m i naar mening van de rayonbeheerder van het waterschap aan de orde is.; en
dit plaatsvindt in een lokale waterkering; of
dit plaatsvindt in een regionale waterkering.
JJJ
Artikel 4.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.75, waarvoor geen omgevingsvergunning voor het aanleggen van een inlaat is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit;
de verwachte datum van het verwijderen van de inlaat;
de coördinaten van het inlaatpunt van de inlaat volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl;
een tekening van de inlaat met daarop:
diameter van de duiker (pijp) in millimeter (mm);
grondsoort waarin de inlaat wordt aangelegd; en
uitkomst van de beoordeling van de rayonbeheerder van het waterschap zoals gesteld in artikel 4.75 onder g.
KKK
Artikel 4.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van inlaat, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van de aanleg van de inlaat;
de verwachte datum van het verwijderen van de inlaat;
de coördinaten van het inlaatpunt van de inlaat volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl;
een tekening van de inlaat met daarop:
diameter van de duiker (pijp) in millimeter (mm); en
grondsoort waarin de inlaat wordt aangelegd.
LLL
Artikel 4.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels of leidingen, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; en
een tracétekening met daarop de ligging van de kabel of leiding, in een gangbare, goed leesbare schaal, met daarop de leidinggegevens en eventueel bijkomende objecten. Als detailtekening op de tracé-tekening zelf of apart aangeven:
kruisingen met oppervlaktewaterlichamen in doorsnede met opgave van maatvoeringen en de kabel- of leidinggegevens;
vermelding van de aanlegmethode;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; en
bijbehorende objecten, zoals straatkasten en trekputten voorzien van maatvoering en hoogtematen in meter (m).
MMM
Artikel 4.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels of leidingen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een tracétekening met daarop de ligging van de kabel of leiding, in een gangbare, goed leesbare schaal, met daarop de kabel- of leidinggegevens en eventueel bijkomende objecten. Als detailtekening op de tracé-tekening zelf of apart aangeven:
kruisingen met oppervlaktewaterlichamen in doorsnede met opgave van maatvoeringen en de kabel- of leidinggegevens;
vermelding van de aanlegmethode;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; en
bijbehorende objecten, voorzien van maatvoering en hoogtematen in meter (m).
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten;
een boorplan met beschrijving van de horizontaal gestuurde boring indien een waterkering, hoofdwater of bijbehorende beschermingszone van een waterkering of hoofdwater wordt gekruist of geraakt door een horizontaal gestuurde (HDD-)boring;
een omschrijving van de soort kabel of leiding;
het aantal bar van de drukleiding;
een tekening met een doorsnede van de kabel en/of leiding, ten opzichte van de waterkering met vermelding van eventuele boogstralen (bij kruisingen), gegevens van toegepaste materialen en het te transporteren medium indien de kabel of leiding binnen de waterkering wordt gelegd; en
een berekening van de leiding en de effecten op de waterkering, conform de NEN 3650, NEN 3651-reeks, NPR 3659:1996 indien de kabel of leiding binnen de waterkering wordt gelegd.
NNN
Artikel 4.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bevestigen of laten liggen van vaartuigen is toestemmingsvrij, indien:
dit niet plaatsvindt aan een waterkering; en
dit niet plaatsvindt in de beschermingszone van een waterkering; of
dit plaatsvindt op een daarvoor ingerichte plaats:
aan een waterkering; of
in de beschermingszone van een waterkering.
OOO
Artikel 4.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bevestigen of laten liggen van vaartuigen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van het soort of type vaartuig of object;
een omschrijving van de eventuele lading (vracht) van het vaartuig of object;
de lengte van het vaartuig of object in meter (m);
de hoogte van het vaartuig of object in meter (m); en
de diepgang van het vaartuig of object in meter (m).
PPP
Artikel 4.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een oeverbeschermende voorziening dient te voldoen aan alle van de volgende regels:
het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet verminderd, behalve wanneer:
een nieuwe gelijksoortige oeverbeschermende voorziening strak tegen de oude oeverbescherming geplaatst wordt, waarbij de gording van de oude oeverbeschermende voorziening altijd eerst wordt verwijderd; en
de waterbreedte ter plaatse minimaal 3 meter (m) is en de bovenkant van de voorziening maximaal 200 millimeter (mm) boven het hoogst vastgestelde peil uitsteekt, waarbij de oeverbeschermende voorziening op de waterlijn geplaatst kan worden;
de oeverbeschermende voorziening wordt op een derde van het droge talud (bij het hoogst vastgestelde peil) of verder landinwaarts aangebracht, behalve wanneer:
een nieuwe gelijksoortige oeverbeschermende voorziening strak tegen de oude oeverbescherming geplaatst wordt, waarbij de gording van de oude oeverbeschermende voorziening altijd eerst wordt verwijderd; en
de waterbreedte ter plaatse minimaal 3 meter (m) is en de bovenkant van de voorziening maximaal 200 millimeter (mm) boven het hoogst vastgestelde peil uitsteekt, waarbij de oeverbeschermende voorziening op de waterlijn geplaatst kan worden;
de oeverbescherming steekt niet boven het aanwezige maaiveld uit;
de waterdoorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd, en beschadigingen of verzakkingen van de voorziening, het talud of maaiveld, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorstroming worden voorkomen;
de oeverbeschermende voorziening wordt gronddicht afgewerkt, zodat geen grond of aangevuld materiaal vanachter de voorziening in de watergang kan komen; en
de gebruikte materialen hebben géén nadelig effect op de waterkwaliteit.
QQQ
Artikel 4.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en verwijderen van oeverbeschermende voorzieningen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een dwarsprofieltekening van het oppervlaktewaterlichaam met daarop de volgende onderdelen:
de beoogde oeverbeschermende voorziening; en
de bijbehorende hoogte-breedteverhouding van het talud;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van de voorziening met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van de voorziening inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan de voorziening wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
de lengte van de voorziening op de waterlijn in meter (m); en
de hoogte van de voorziening op de waterlijn in meter (m).
RRR
Artikel 4.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het recreatief verblijven door het plaatsen van tenten, campers, caravans, woonwagens en dergelijke, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
SSS
Artikel 4.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van seismisch onderzoek, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c.de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten;
een boorplan met beschrijving van de boring indien de boring plaatsvindt in een waterkering of bijbehorende beschermingszone;
een tekening met een dwarsdoorsnede van het werk ten opzichte van de waterkering met maatvoeringen; en
Berekeningen op basis van gegevens verkregen uit grondonderzoek conform normering TAW/ENW door een op dit vakgebied ter zake kundige. De berekeningen tonen ten minste aan dat:
door de activiteiten de stabiliteit van de waterkering of kade niet afneemt;
door de activiteiten de waterkering of kade niet zodanig waterdoorlatend wordt dat risico’s ontstaan in de vorm van piping en kwel; en
door eventuele bemaling tijdens de activiteiten geen schade wordt veroorzaakt aan de (grondlagen in de) waterkering of kade en naastgelegen ondervelden.
TTT
Artikel 4.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van sonderingen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder sonderingspunt; en
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
UUU
Artikel 4.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het spitten, ploegen, bemesten of andere ondiepe grondroeringen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
VVV
Artikel 4.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het plaatsen, verplaatsen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk is toestemmingsvrij, indien:
de steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk niet wordt geplaatst, verplaatst, verwijderd of onderhouden:
in een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering;
in een hoofdwater of in de beschermingszone van een hoofdwater;
in een vaarweg in het beheer van het waterschap; en
aan of op een natuurvriendelijke oever of rietkraag; en
in een vaarweg in het beheer van het waterschap; en
aan of op een natuurvriendelijke oever of rietkraag; en
de afstand tussen de te plaatsen steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk en een peilregulerend kunstwerk groter dan of gelijk aan 10 meter (m) is.
WWW
Artikel 4.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en verwijderen van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
de onderbouwende berekeningen;
lengte van het werk in meter (m); en
de breedte van het werk in meter (m).
XXX
Artikel 4.117 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Door de uitstroomvoorziening ontstaat er geen schade aan het talud door het wegspoelen van grond.
Indien een uitstroomvoorziening wordt aangelegd of vervangen wordt geen milieubezwaarlijk materiaal gebruikt.
Indien een uitstroomvoorziening wordt aangelegd of vervangen en uitmondt in een hoofdwater:
is de uitstroomvoorziening ten behoeve van drainage:
voorzien van een taludgoot;
dan steken de uiteinden van de uitstroomvoorziening niet uit het talud; en
dan wordt de uitstroomvoorziening niet gemarkeerd;
is het uitsteken van de onderkant van de uitstroomvoorziening buiten het talud kleiner dan of gelijk aan 200 millimeter (mm) indien:
is het uiteinde van de uitstroomvoorziening gemarkeerd met duidelijk zichtbare palen met een witte kop indien:
wordt de bijbehorende markering in goede staat onderhouden;
kunnen de hiervoor genoemde palen vervallen indien de uitstroomvoorziening in een oeverbeschermende voorziening wordt aangebracht; en
worden schade aan en verzakkingen van het talud voorkomen en indien deze zich voordoen direct hersteld.
Indien een uitstroomvoorziening wordt verwijderd:
wordt de uitstroomvoorziening volledig verwijderd; en
wordt het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel hersteld.
YYY
Artikel 4.118 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening niet bedoeld zijnde voor het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam; en
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd.
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam;
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd; en
de verharding of bebouwing waarvoor de uitstroomvoorziening aangelegd wordt:
vindt plaats binnen de bebouwde kom;
voor de aanleg van de verharding of bebouwing door het waterschap is een wateradvies verstrekt; en
in het wateradvies is bepaald door het waterschap dat er geen omgevingsvergunning nodig is.
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam;
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd; en
de verharding of bebouwing waarvoor de uitstroomvoorziening aangelegd wordt:
vindt plaats binnen de bebouwde kom; en
voor de aanleg van de verharding of bebouwing is door het waterschap geen wateradvies verstrekt.
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam;
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd; en
de verharding of bebouwing waarvoor de uitstroomvoorziening aangelegd wordt:
vindt plaats buiten de bebouwde kom; en
is kleiner dan of gelijk aan 1.500 vierkante meter (m2).
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam;
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd; en
de verharding of bebouwing waarvoor de uitstroomvoorziening aangelegd wordt:
is reeds eerder verhard of bebouwd geweest; en
de periode tussen het verwijderen van de verharding of bebouwing en het opnieuw verharden of bebouwen is kleiner dan of gelijk aan 1.826 dagen.
Het vervangen van een reeds bestaande uitstroomvoorziening is toestemmingsvrij.
ZZZ
Artikel 4.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen, vervangen en verwijderen van een uitstroomvoorziening die uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van de voorziening met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van de voorziening inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam, of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan de voorziening wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
in geval van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld afvoeren van hemelwater door het aanbrengen van verhard oppervlak tevens:
een omschrijving van het soort of type aan te brengen verhard oppervlak;
de oppervlakte van het aan te brengen verhard oppervlak;
een omschrijving van de wijze van afvoer van het hemelwater dat op het verhard oppervlak valt; en
een beschrijving van de manier en op welke plek de vermindering van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd;
de lengte van de voorziening in meter (m);
de breedte van de voorziening in meter (m);
de hoogte van de voorziening in meter (m);
de diameter van de voorziening in millimeter (mm);
diepte van de voorziening ten opzichte van het maaiveld in meter (m);
afstand van de voorziening ten opzichte van de oever in meter (m); en
een tekening met de ligging van de uitstroomvoorziening.
AAAA
Artikel 4.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het uitzetten van vis of plaatsen van vaste vistuigen is toestemmingsvrij, indien:
dit het uitzetten van glas- en pootaal betreft; of
er schriftelijke afspraken gemaakt zijn met het waterschap. Deze schriftelijke afspraken:
gaan over de randvoorwaarden voor visuitzettingen, dan wel het plaatsen van vaste vistuigen;
zijn door het dagelijks bestuur van het waterschap ondertekend; en
kunnen in de vorm van een visplan zijn.
BBBB
Artikel 4.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitzetten van vis en het plaatsen van vaste vistuigen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van de soort vis die uitgezet wordt;
CCCC
Artikel 4.126 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Vuur stoken is toestemmingsvrij, indien:
dit niet plaatsvindt op een waterkering;
dit niet plaatsvindt in de beschermingszone van een waterkering; en
dit niet plaatsvindt in de beschermingszone van een hoofdwater; of
dit plaatsvindt op een daarvoor ingerichte plaats:
op een waterkering;
in de beschermingszone van een waterkering; of
in de beschermingszone van een hoofdwater.
DDDD
Artikel 4.128 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het stoken van vuur, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
EEEE
Artikel 4.133 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het toepassen van een warmtewisselaar voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelselstelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na plaatsing van de warmtewisselaar;
een detailtekening van de warmtewisselaar met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van de warmtewisselaar inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam, of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan de warmtewisselaar wordt aangebracht; en
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte;
de lengte van de warmtewisselaar in meter (m);
de breedte van de warmtewisselaar in meter (m); en
de hoogte van de warmtewisselaar in meter (m).
FFFF
Artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als voor de inwerkingtreding van deze waterschapsverordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
GGGG
Na het lichaam wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
In deze waterschapsverordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
door het waterschap aangewezen diepe plas waar grond of baggerspecie mag worden toegepast. Hierbij geldt dat grond of baggerspecie uit het beheergebied van het waterschap voldoet aan de Lokale maximale waarden uit de waterschapsverordening en aan de milieuhygiënische kwaliteitsklasse ‘licht verontreinigd’ uit tabel 2 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2022. Hierbij geldt dat grond of baggerspecie van buiten het beheergebied van het waterschap voldoet aan de milieuhygiënische kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ voor grond en baggerspecie uit tabel 2 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2022
oppervlaktewaterlichaam dat geen niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam is
vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen
water dat langs constructies loopt als gevolg van waterstandsverschil. Zie ook piping en onderloopsheid
handeling of gebeurtenis uitgevoerd door een (rechts)persoon, dier, plant of ander leven, óf natuurverschijnsel, waar juridische regels aan gesteld kunnen worden
toereikende techniek
aanpassen van leidingen voor de afvoer van water zodat dit water indirect of direct op het oppervlaktewater wordt geloosd
kunstmatig opdelingobjecten, zoals paal-draad constructie, ten behoeve van scheiding van vastgoedobjecten of virtuele gebieden
alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen
afvalwater dat ontstaat doordat water uit de hemel valt, zoals regen, sneeuw, hagel en dauw. Het gaat doorgaans om een schone afvalwaterstroom. Daarom heeft deze afvalwaterstroom een bijzondere status. Ook omdat hemelwater direct in het milieu terug kan komen
geheel van activiteiten dat betrekking heeft op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden, daaronder mede begrepen agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening
algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân
uitvoeringsvoorschriften die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, informatieplichtige, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten
verzamelterm voor duurzaam verwarmen en koelen met water. Het gaat om warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater en drinkwater
milieu dat zich gedeeltelijk of geheel onder water bevindt
geologische formatie waarbinnen de relatief (ten opzichte van de omgeving) hoge doorlatendheid aanzienlijk transport van grondwater mogelijk maakt
verwijderen van slib, specie, zand uit een oppervlaktewaterlichaam
horizontale centrifugaalpomp waarmee sediment, puin en andere schadelijke materialen via zuigleiding worden opgezogen en via een pijpleiding naar een afvoerplaats worden getransporteerd
materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter (mm)
apparaat om bagger uit een oppervlaktewaterlichaam te zuigen en direct, gelijkmatig over het aanliggende perceel te spuiten
gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom volgt niet uit de Wegenverkeerswet 1994, maar net zoals in de ruimtelijke ordening bepaalt de aard van de omgeving waar de grens ligt. Om te spreken van bebouwde kom, moet er sprake zijn van op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur
gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Waterschapswet, waarvoor het waterschap de waterstaatkundige verzorging ten doel heeft
beoordelingsregel is een inhoudelijke regel waaraan het dagelijks bestuur van het waterschap een aanvraag voor een omgevingsvergunning toetst
beperkingengebied is een geometrisch begrensd gebied rondom een werk of object waarin, vanwege de aanwezigheid van dat werk of object, regels voor de activiteiten van derden, gelden. Het gaat om gebieden rond luchthavens, wegen, spoorwegen of waterstaatswerken. Onder de Omgevingswet gaan de beschermingszones samen met de kernzone op in ‘beperkingengebieden’. Dit zijn gebieden waar op grond van de Omgevingswet beperkingen gelden vanwege de aanwezigheid van een werk of object, in dit geval een waterstaatswerk
activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit op of binnen een beperkingengebied
begroeiing die door de mens ergens opzettelijk is aangebracht, ook planten die zich spontaan gevestigd hebben
gebied waaraan op grond van de wet een functie voor waterstaatkundige doeleinden is toegedeeld, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en dat ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen
zone ter weerszijden van een waterstaatswerk (kernzone), waar voorschriften en beperkingen gelden ter bescherming van het waterstaatswerk
materiaal dat is aangebracht op de grens van water en land, of langs de waterkant, om de oever tegen afkalving te beschermen, of om te voorkomen dat door afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmerd wordt
dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân
lijn die de overgang markeert tussen de kruin en het binnentalud
talud aan de binnendijkse zijde van een dijk of waterkering
onderrand van het dijklichaam aan de binnendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld)
al het stilstaande of stromende water op het landoppervlak en al het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;
fysieke constructie om bij morsingen en lekkages het verspreiden van bodembedreigende stoffen naar de bodem tegen te gaan. Doel is bodemverontreiniging voorkomen
installatie die gebruik maakt van de bodem voor de levering van warmte of koude voor de verwarming of koeling van een gebouw
schoonmaken van vervuilde grond
stelsel van gemeen liggende, met elkaar in open verbinding staande waterlopen en meren waarop het water van lager gelegen polders wordt uitgeslagen en dienend voor eventueel tijdelijke berging en lozing op het buitenwater
vrij op de boezem afwaterende gronden, deze staan bij hoge boezemwaterstanden onder water, dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van de boezem
in een peilbesluit vastgelegde streefpeil van een boezem ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP)
gat dat geboord is, bijvoorbeeld in beton, staal of grond
middel om door boren of steken toegang te krijgen tot de ondergrond om bijvoorbeeld geroerde en/of ongeroerde monsters aan de ondergrond te ontlenen voor nader onderzoek
plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten
constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties
voorziening voor het bestrijden van brand als bedoeld in artikel 4.20, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Een brandblusvoorziening is permanent aanwezig, maar wordt enkel in noodsituaties gebruikt. Indien een brandblusvoorziening ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, wordt de voorziening niet als een brandblusvoorziening aangemerkt
in de waterbouw toegepast materiaal ter bescherming van kust- en oeverwerken. Het materiaal moet deze werken beschermen tegen de inwerking van bijvoorbeeld golf- en getijdenbewegingen. Bekend zijn de basaltblokken tegen de dijken langs de grote rivieren en de kust
water met een verhoogde mineralenconcentratie dat overblijft na de onttrekking van water aan gewonnen brak grondwater
verbinding tussen twee punten die van elkaar gescheiden zijn door een hydro-object (oppervlaktewaterlichaam of watergang) waarbij de constructie geen verharde kunstmatige bodem heeft of waarbij de verharding geen deel uitmaakt van de constructie
zone buiten het waterstaatswerk en aangrenzende beschermingszone gelegen gronden en wateren, waar voorschriften en beperkingen gelden ter bescherming van het waterstaatswerk en de beschermingszone
lijn die de overgang markeert tussen de kruin en het buitentalud van de waterkering
hellend vlak van het dijklichaam aan de buitendijkse zijde van de dijk
onderrand van het dijklichaam aan de waterzijde van de dijk (buitendijks)
water van een oppervlaktewaterlichaam waarvan de waterstand direct invloed ondergaat bij hoge stormvloed, bij hoog opperwater van een van de grote rivieren, bij hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer, dan wel bij een combinatie daarvan, alsmede het Volkerak-Zoommeer, het Grevelingenmeer, het getijdedeel van de Hollandsche IJssel en de Veluwerandmeren
oefening die wordt uitgevoerd om bij brand of een andere calamiteit de schade tot een minimum te beperken
civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf, waarvoor andere materialen dan aarde en zand zijn gebruikt
Carcinogeen, Mutageen en Reprotoxisch-stoffen. Deze zogenaamde CMR-stoffen kunnen kanker veroorzaken, schade veroorzaken aan onze genen of schadelijk zijn voor de voortplanting en het nageslacht
geheel dat ontstaat door een aantal losse onderdelen samen te voegen tot één stevig geheel
dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân
werk over een oppervlaktewaterlichaamperceel dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam, waarbij in tegenstelling tot een brug de bodem wordt onderbroken
(houten) balken, langs een dam, om stevigheid te geven; ook achterleggers geheten; legger en ligger worden vaak verward
verticale constructiedelen die in een opeenvolgende rij de grond worden gedreven, meestal om weerstand te bieden tegen zijkrachten
volume van een vloeistof of een gas dat per tijdseenheid door een doorsnede stroomt
dichtgooien van een oppervlaktewaterlichaam met grond of ander vast materiaal
zuiveringsvoorziening volgens de norm gebouwd, technisch betrouwbaar, correct onderhouden is en zorgt voor een effectieve zuivering
oppervlaktewaterlichaam of een deel daarvan dat is ontstaan als gevolg van zandwinning, grindwinning of kleiwinning of een dijkdoorbraak, bijvoorbeeld een zandwinplas
dieren die de mens wegens plezier en hun nut houdt, niet zijnde huisdieren
digitale ondersteuning van de Omgevingswet. De centrale spil is het Omgevingsloket
door mensen aangelegd grondlichaam (al dan niet verdedigd) bestemd tot het keren van water en een type waterkering
elk van de richtingen waarin je kunt meten: hoogte, lengte, breedte
(denkbeeldige) oppervlak waarlangs een voorwerp is doorgesneden
breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam
water dat wordt afgevoerd via een stelsel van geperforeerde buizen die in de grond zijn aangebracht
drinkwater als bedoeld in artikel 1, van de Drinkwaterwet
kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden
doorsnede die loodrecht op de lengterichting staat. Bijvoorbeeld: een doorsnede van een waterloop loodrecht op de gemiddelde richting van de stroming.
massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die of dat gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden
aantasting van een waterstaatswerk, zoals waterkering of talud
periode van een 24 uur, die begint en eindigt om middernacht, gedurende welke de datum niet verandert.
georganiseerde gebeurtenis of groepsactiviteit zoals roei-, vis- en zwemwedstrijden, survivals, triatlons en fiets- en schaatstoertochten, maar ook een herdenkingsplechtigheid, braderie of themamarkt, optocht op de weg (geen betoging), kermis, feest, muziekvoorstelling
inrichtingen en materiaal als bedoeld in paragraaf 2, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
grondwater waarin de stijghoogte (de waterdruk) alleen afhangt van de hoogte van de waterkolom. In freatisch water is de poriëndruk gelijk aan de hydrostatische druk
water in de bodem dat als eerste wordt aangetroffen bij graaf- of boorwerkzaamheden
artikel 1.2, tweede lid, van de Omgevingswet, bepaalt dat de fysieke leefomgeving in ieder geval bestaat uit: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed, werelderfgoed
gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet
vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter (mm) en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter (mm), niet zijnde baggerspecie. In Nederland wordt grond naar de grootte en aard van de gronddeeltjes geclassificeerd volgens NEN-EN-ISO 14688-1 en NEN-EN-ISO 14688-2
verplaatsen van grond in dan wel naar een waterstaatswerk
water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen
afzonderlijke grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen
verwijderen van verontreinigende componenten uit een grondwaterlichaam door middel van onttrekking (en zuivering) van verontreinigd grondwater
horizontaal gestuurd boren of hdd (Horizontal Directional Drilling) is een sleufloze techniek die gebruikt wordt voor de aanleg van ondergrondse infrastructuur
water uit neerslag, zoals regen, sneeuw, hagel en dauw
natuurlijk aanwezige hooggelegen delen in het landschap die niet worden bedreigd door een hoge waterstand op zee, meren of rivieren
oppervlaktewaterlichaam in beheer en onderhoud bij het waterschap, zoals in de legger is aangegeven. Hoofdwater is erg belangrijk voor de afvoer van water en is over het algemeen breder en dieper dan andere watergangen
hoogst peil vastgelegd in een peilbesluit, in de regel het winterpeil
watergang die bedoeld is om de grondwaterstand nabij wegen en bebouwing hoger te houden dan het omliggende agrarisch gebied. Het waterpeil is hier hoger dan het polder- of boezempeil ter plaatse
tamme dieren die voor het nut of de gezelligheid door de mens in huis worden gehouden
afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden
tijdelijke constructie of ondersteuning om de activiteit uit te kunnen voeren
samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Waterwet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna
Individuele Behandeling van afvalwater is bedoeld voor het lokaal zuiveren van huishoudelijk afvalwater. Het bekendste IBA-systeem is de septic tank. Andere systemen zijn bijvoorbeeld de biorotor, het oxidatiebed en het helofytenfilter
het brengen van water in de bodem met als doel het voorkomen of beperken van verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogte of het lozen van overtollig water
goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn. Afvalwater dat bij deze goederen vrijkomt, wordt beschouwd als ’schoon‘ afvalwater
put voorzien van openingen waardoor het water kan infiltreren
verplichting om informatie te verstrekken aan een bestuursorgaan of een andere instantie voorafgaand aan het starten, wijzigen of eindigen van een activiteit, zonder dat daaraan een verbod is gekoppeld de activiteit te verrichten
degene die een activiteit uitvoert of laat uitvoeren
duiker met een afsluitklep voor het binnenlaten van hoger gelegen water in een lager gelegen gebied
de snijlijn van het schuine talud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen maaiveld
als bedoeld in artikel 2, van de Richtlijn 2024/3019 Behandeling stedelijk afvalwater, is de gemiddelde hoeveelheid (afbreekbare) verontreiniging die een persoon per etmaal via de riolering afvoert. Het inwonerequivalent (i.e.) wordt uitgedrukt in de hoeveelheid zuurstof die voor afbraak nodig is
apparaat voor het verwijderen van ongewenste ionen uit een vloeistof door middel van hulpstoffen
transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 millimeter (mm) die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel
grens die bij het ontstaan van een perceel wordt vastgelegd bij het Kadaster. Deze grens kan afwijken van de zichtbare gebruiksgrens
beschoeide of gemetselde oeverstrook, waaraan de schepen kunnen aanleggen
richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327)
gebied dat gerekend wordt tot de waterkering bij waterkerende dijklichamen. De kernzone is begrensd door de binnenteen en de buitenteen van de waterkering. De kernzone omvat in ieder geval het keurprofiel en soms ook een deel van het profiel van vrije ruimte
soort grond met een samenstelling van minerale deeltjes, waarvan 8-100% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft van kleiner dan 2 micrometer (μm) en 0-75% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft van 2-63 micrometer (μm)
water dat als koelmiddel in de industrie of energiecentrales wordt gebruikt voor hun proces. Het water wordt onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam om bepaalde productieprocessen te koelen, waarna het verwarmde water weer wordt geloosd in een oppervlaktewaterlichaam
strook tussen buitenkruinlijn en binnenkruinlijn, of het hoogst gelegen deel van een waterkering
onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater. Deze definitie staat in bijlage I onder A van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat om een oppervlaktewater als bedoeld in de kaderrichtlijn water (artikel 2, onder 10)
een civieltechnische constructie voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen, waarvoor andere materialen dan aarde en zand zijn gebruikt
oppervlaktewater, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater
water dat door een drukverschil vanuit de bodem omhoog komt
gebied niet zijnde stedelijk gebied
legger als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet of in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. In de legger is beschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen
waterkering, niet zijnde primaire waterkeringen, secundaire waterkeringen of regionale keringen. Bijvoorbeeld keringen langs tussenboezems
brengen van (afval)water, warmte of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk
lozen van stoffen, warmte of water. De lozing vindt plaats direct op een oppervlaktewaterlichaam of in een zuiveringtechnisch werk. Bij lozing in een zuiveringtechnisch werk gaat de lozing niet via een vuilwaterriool. Bij de lozingsactiviteit gaat het om de gevolgen van de geloosde stoffen, de warmte of het water voor het watersysteem of het zuiveringtechnisch werk
plek waar door middel van een werk water in een oppervlaktewater wordt gebracht, zonder dat het water uit een ander oppervlaktewater afkomstig is
constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen
hoogteligging van het grondoppervlak in een gebied, met uitzondering van taluds en bermen of andere (kunstmatige) verhogingen dan wel verlagingen
beschermingsbuis bestemd voor de doorvoer van telefoonkabels of elektriciteitsleidingen, of voor de doorvoer van water- en gasleidingen. Een mantelbuis wordt gebruikt bij bijvoorbeeld een doorvoer onder of door een obstakel, zoals een muur, fundering, verkeerweg of anderszins
geheel van zaken die je voor een bepaald doel nodig hebt, ruwe grondstof, bouwstof
alles wat ruimte inneemt en massa heeft, is materie. Materie bestaat uit atomen, die op hun beurt zijn opgebouwd uit protonen, neutronen en elektronen. Materie kent vier natuurlijke toestanden: vaste stoffen, vloeistoffen, gassen en plasma. De vijfde toestand van materie zijn de door de mens gemaakte Bose-Einsteincondensaten
al wat nodig is tot de uitoefening van een bedrijf: werktuigen en machines
drager van een materie of golven. Bijvoorbeeld een vloeistof om een vaste stof in te mengen en daarna aan te ergens op aan te brengen zoals verf of vernis, maar ook een vloeistof of gas die warmte of koude opneemt om elders weer af te geven.
een door land omringde watervlakte
paal in het water, die meestal gebruikt wordt voor het aanmeren van vaartuigen
civiele constructie waarin meetapparatuur (bijvoorbeeld debietmeting) is opgesteld
verzameling waarden, die tijdens een inwinning aan objecten gemeten of zijn berekend
een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) of schriftelijk ingediende mededeling van een initiatief om een activiteit uit te voeren
verplichting om voorafgaande de uitvoering van een bepaalde activiteit een melding te doen bij het waterschap. Het is verboden om zonder volledige en tijdige melding de activiteit te verrichten
schadelijk voor het milieu (waaronder het leven in het water) vanwege de slechte afbreekbaarheid, de mogelijke toxiciteit en het risico van ophoping in het milieu
gebied als bedoeld in artikel 2.6.3, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
representatieve hoeveelheid materiaal die volgens een bepaalde bemonsteringswijze op één bepaalde locatie en op één bepaald tijdstip of gedurende een aaneengesloten tijdsperiode verzameld is uit één compartiment van een watersysteem voor het verrichten van onderzoek
gebied dat door de bevoegde autoriteit van het land waarin het gebied is gelegen is aangewezen als speciale beschermingszone, ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onder a, en 4, eerste en tweede lid, van de vogelrichtlijn of de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de habitatrichtlijn, of een gebied dat is opgenomen op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de habitatrichtlijn
gebied dat gericht is op het behoud, herstel of de ontwikkeling van biodiversiteit en natuurlijke processen, en dat daartoe is aangewezen als Natura 2000-gebied, deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), of op vergelijkbare wijze wordt beheerd met natuurdoelen door een overheid, terreinbeherende organisatie of particuliere eigenaar
samenhangend geheel van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden, ecologische verbindingszones en natuurvriendelijk beheerde agrarische gronden, dat door provincies – waaronder de provincies Fryslân en Groningen – planologisch is vastgelegd in hun Omgevingsverordening, met als doel het behouden, herstellen en duurzaam ontwikkelen van biodiversiteit en ecosysteemfuncties in Nederland
oever die ten behoeve van het verbeteren van de ecologische toestand is ingericht, of van nature aanwezig is, met een luwe ondiepwaterzone die oever- en waterplanten de kans biedt zich te ontwikkelen
zelfstandige, onafhankelijke stichting die voor verschillende maatschappelijke thema’s aan de hand van een normalisatieproces op basis van consensus tussen belanghebbenden op nationaal en internationaal niveau afspraken (normen/’best practices’) vastlegt in documenten en in richtlijnen
optie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) om het bevoegd gezag de gelegenheid te geven de klantvriendelijkheid / mate van dienstverlening in te kunnen vullen per onderwerp. Bedoeld om de initiatiefnemer naar de juiste contactpersoon te sturen
norm van het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)
regels uit de waterschapsverordening gelden niet voor de aangegeven situatie
diepe plassen zoals geregeld onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk)
oppervlaktewaterlichaam dat met het oog op het lozen bijzondere bescherming behoeft
lekkende, uitlogende en vermestende goederen
hét Nederlands standaard vergelijkingsvlak voor de hoogteligging. Een NAP-hoogte van 0 meter is ongeveer gelijk aan het gemiddeld zeeniveau van de Noordzee
Nederlandse Praktijkrichtlijn is een praktische uitwerking van een norm
gebied op de grens van water en land waar het dynamisch samenspel van land en water plaatsvindt
voorziening die is aangebracht langs de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen. Voorbeelden hiervan zijn beschoeiingen, bestaande uit een aan één gesloten rij palen of planken, damwanden en betuiningen
grondkerende constructie ter instandhouding van de gronden gelegen aan een waterloop
proces waarin een semi-permeabel membraan wordt gebruikt om opgeloste vaste stoffen, organische stoffen, pyrogenen, submicro colloïdale materie, virussen, en bacteriën van water te scheiden. Dit proces wordt 'omgekeerde' osmose genoemd, omdat het druk vereist om puur water door een membraan te persen, terwijl alle onzuiverheden achterblijven
vergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet
het plaatselijk lager houden van het waterpeil, dan het waterpeil dat het waterschap voor het betreffende peilgebied heeft vastgesteld of hanteert
dam die tot doel heeft de passage van onderhoudsmachines voor het waterschap mogelijk te maken
partij die de onderhoudsverplichting heeft
water dat onder een kunstwerk loopt als gevolg van een waterstandsverschil. Zie ook piping en achterloopsheid
kunstwerk dat van belang is voor de taakuitoefening van het waterschap of voor het functioneren van het watersysteem
water met een diepte van maximaal 700 millimeter (mm)
gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan, waaronder:
onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting
inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater
locatie waar water gewonnen wordt uit het oppervlaktewater ten behoeve van industrie of drinkwaterwinning
constructie die geboord of gegraven is onder het maaiveld met als doel het verkrijgen van water uit een aquifer systeem (watervoerend pakket)
afvoer van water uit percelen over en door de grond en eventueel door drainbuizen en greppels naar een stelsel van grotere waterlopen
bezwijken van de grond, door het ontbreken van verticaal evenwicht in de grond, onder invloed van wateroverdrukken
graafmethode waarbij het maaiveld wordt geopend om via een sleuf kabels of leidingen aan te leggen, inspecteren, vervangen of verwijderen
bomen en struiken en andere opgaande beplantingen
binnenwateren, met uitzondering van grondwater; overgangswater en kustwateren en, voorzover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren
onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een watergang (zoals een natte sloot), een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater, inclusief de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna.
oppervlaktewater in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen beïnvloed wordt
bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam hangt
alle oppervlaktewaterlichamen niet zijnde hoofdwater of schouwwater
waterstand zoals dit als referentiepeil in een peilbesluit is vastgesteld
besluit dat voorziet in de vaststelling van waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden
buis waarmee men de grondwaterstand meet of waarin men monsters neemt van het grondwater
waterstaatkundige eenheid waar eenzelfde waterpeil heerst. Dit peil kan worden geregeld door een gemaal of een stuw. Het peil in een peilgebied wordt in Nederland bepaald door het waterschap waaronder het peilgebied valt. De peilen worden vastgelegd in een peilbesluit
kunstwerk dat een functie vervult in de door het waterschap te handhaven peil, onder andere: gemalen, onderbemalingen, opmalingen, stuwen, peilscheidingsdammen, sluizen, duikers met kleppen, schuiven, stuwende duikers en inlaten
virtuele eenheid van zakelijk recht, in het terrein af te bakenen door middel van uit te zetten en omsluitende rechtsgrenzen, en voorzien van een unieke kadastrale aanduiding volgens de identificatie van het Kadaster
toegankelijkheid verkrijgen tot een perceel dat geheel of gedeeltelijk ingesloten is door oppervlaktewater. De ontsluiting vindt veelal plaats via een brug, duiker, dam met duiker of een dam zonder duiker
buis waarin het afvalwater onder druk stroomt. De druk wordt geleverd door een pomp
eerste plantengroei die opkomt op een kale of pas ontstane plek, zoals natte grond, opgespoten zand of drooggevallen oevers
terugschrijdende erosie in een tunneltje (pipe) onder een dijklichaam. Zie ook onderloopsheid en achterloopsheid. Waterkeringbeheerders kunnen gebruikmaken van het D-soil Model voor de ondergrondschematisering voor sterkteberekening voor piping
(tijdelijk) onder water zetten van grasland of greppels (greppel plas-dras). Ook het onder water zetten, inunderen, van bloembollenvelden wordt onder deze maatregel geschaard
werktuig dat door middel van een verschil in druk vloeistoffen of gassen verplaatst
water dat wordt vastgehouden in de ruimte (of spleten) tussen de vaste deeltjes van de grond
waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming door buitenwater
doorsnede van een object in lengterichting, in dwarsrichting of langs een verticaal, waarbij kenmerken van het object langs de doorsnede worden vastgelegd
ruimte ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen
projectbesluit als bedoeld in paragraaf 5.2.3 van de Omgevingswet
projectplan als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet
recreatieve activiteiten zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, schaatsen, kamperen, al dan niet in de vorm van een evenement
niet-primaire of secundaire waterkering die is aangewezen in de Omgevingsverordening van de provincie Fryslân of de provincie Groningen. Deze waterkeringen staan als zodanig in onze legger, hieronder vallen niet alleen de ‘natte’ (bijvoorbeeld kades langs boezemwateren), maar ook ‘droge’ waterkeringen
in de bodem terugbrengen van onttrokken grondwater
rand van riet langs oevers
zuiveringtechnisch werk dat is ingericht om stedelijk afvalwater te zuiveren. Het werk wordt beheerd door of namens het waterschap
natuurlijke waterloop welke fungeert als het zichtbare afvoersysteem van het overtollige water in een bepaald gebied
boorgat dat expres groter is gemaakt dan de diameter van de door te voeren kabel of leiding, om ruimte te geven voor montage, tolerantie, mantelbuis of afdichting.
combinatie van het profiel van vrije ruimte en de daarbij horende toekomstige beschermingszones. Deze toekomstige beschermingszones zijn door het waterschap berekend
oppervlaktewaterlichaam in onderhoud bij de eigenaren van de aan die wateren grenzende percelen, zoals in de legger aangegeven, voor deze wateren geldt de schouwplicht
waterkering die bij doorbraak van de primaire waterkering de overstroming kunnen beperken of vertragen
korrelvormig materiaal dat door verwering en erosie van het vaste aardoppervlak is ontstaan
onderzoek naar de bodemopbouw door kunstmatig opgewekte trillingen
medium dat water toestaat om te passeren, maar opgeloste vaste stoffen tegenhoudt, zodat het gebruikt kan worden om vaste stoffen van water te scheiden
tank waarin het afvalwater wordt gezuiverd via een proces van bezinking, opdrijving en biologische afbraak. Het zuiveringsrendement hangt onder meer af van de verblijftijd van het afvalwater in de tank
bepalen van het draagvermogen van de grond door een staaf met kegelvormige punt met een tophoek van 60 graden, de sondeerconus, in de grond te drukken en daarbij de mechanische weerstand van de grond te meten
onttrekken van grondwater uit het watervoerende pakket met als doel de opwaartse druk te verlagen om opbarsten van de bodem te voorkomen
voertuig, als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet, bestemd voor het verkeer over spoorwegen
huishoudelijk afvalwater of een mengsel van huishoudelijk afvalwater met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Stedelijk afvalwater gaat via het openbaar vuilwaterriool naar een zuiveringtechnisch werk, ook wel rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) genoemd. Regenwater dat niet via de riolering met huishoudelijk afvalwater wegstroomt, valt niet onder stedelijk afvalwater. Ook bedrijfsafvalwater dat rechtstreeks naar een zuiveringsinstallatie gaat, valt niet onder stedelijk afvalwater
in principe valt elke bebouwde kom onder “stedelijk gebied” met dien verstand dat er wel sprake moet zijn van een kern met een “stedelijk” watersysteem. Lint bebouwing wordt in principe niet als stedelijk gebied aangemerkt. De afwatering is bij lint bebouwing diffuus verspreid over grotere oppervlakken, waardoor de hoeveelheid aan en af te voeren water per watergang gering is. Het stedelijk gebied kan zowel industrieterreinen als woonwijken betreffen. Uitgesloten zijn de gebieden, die binnen de bebouwingscontour volgens het bestemmingsplan een agrarische bestemming hebben
afzonderlijk monster dat op een moment genomen wordt
constructie die deels over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende deel
nationaal coördinatensysteem van Nederland, bestaande uit een door het Kadaster beheerd en onderhouden netwerk van punten van de Rijksdriehoeksmeting (RD-punten)
potentieel peil van het wateroppervlak van grondwater, gemeten vanaf een bepaald niveau (bijvoorbeeld Normaal Amsterdams Peil (NAP), maar meestal de hoogte van de bodem). Het is de hoogte van het water in een peilbuis, of waar het grondwater zou staan als men een put zou slaan
vorm van materie. In het geval van meten van stof is stof bedoeld als zijnde heel kleine deeltjes. In het geval van een lozing is stof bedoeld als zijnde afvalstof, verontreinigende of schadelijke stof
vaste of beweegbare constructie in het water die dient om de waterhoogte bovenstrooms en/of benedenstrooms van de constructie te regelen
onder helling gelegen vlak
territoriale zee als bedoeld in artikel 1, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee
partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.
toestemming om zonder voorafgaande melding een activiteit te starten, veranderen of uit te voeren. Er zijn geen specifieke regels voor de uitvoering van deze activiteit. Indien er sprake is van een zorgplicht of het wijzen op algemene regels, zijn hiervoor teksten in de toelichting op deze conclusie opgenomen
weglopen via (grond)water in het oppervlaktewater van bepaalde stoffen, zoals fosfaat en stikstof. Transport van materie vanuit tussenlaag of ondergrond door de toplaag naar buiten. Uitspoeling kan leiden tot vermesting of verzuring van oppervlaktewater en heeft daardoor negatieve gevolgen voor de gebruiksfunctie natuur
constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen
elk voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand water
dieren die de mens wegens hun nut houdt
verboden om een activiteit (op een bepaalde wijze) te verrichten en daar zal ook geen vergunning voor worden verleend
dieper maken van een oppervlaktewaterlichaam
omgevingsvergunning tenzij expliciet anders vermeld
verplichting om voorafgaande de uitvoering van een bepaalde activiteit een vergunning te verkrijgen van het waterschap. Het is verboden om zonder vergunning de activiteit te verrichten
grondoppervlak waarop hemelwater niet in de bodem kan infiltreren, zoals daken, bestrating of asfalt
wijze waarop een weg, tuin of terrein geheel of gedeeltelijk is verhard
ondieper maken van een oppervlaktewaterlichaam
Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân, tenzij anders expliciet vermeld
verschijnsel dat water door toename van verhard oppervlak sneller in een oppervlaktewaterlichaam of riolering terechtkomt
Baggerspecie die op ongewenste plaatsen is gesedimenteerd elders weer terugbrengen in het watersysteem. De sedimentbalans wordt zo hersteld
scheidingsput in het rioolstelsel die dient om bezinkbaar en drijvend vuil, slib, etensresten en vet uit het afvalwater te halen door het af te scheiden
constructie op maaiveldhoogte deels of geheel over het oppervlaktewaterlichaam. Hieronder vallen mede houten vloeren, werken op palen, visstoepen en boenstoepen
elk buitendijks gebied vormt een voorland
maatregel met een functie zoals een bodembeschermende voorziening, brandblusvoorziening, uitstroomvoorziening of een oeverbeschermende voorziening
openbaar vuilwaterriool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, aangesloten op een zuiveringsvoorziening, die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet mede voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bedoeld, of aangesloten op een zuiveringtechnisch werk of een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, aangesloten op een zuiveringtechnisch werk
Waddeneilanden in het beheergebied van het waterschap: Ameland, Terschelling, Vlieland en Schiermonnikoog
bedrijven gebruiken oppervlaktewater soms als koelwater. Na gebruik loost het bedrijf het dan verwarmde water weer in het oppervlaktewater. De warmtevracht is een maat voor het opwarmend vermogen van het koelwater. De warmtevracht is afhankelijk van de lozingssnelheid en het temperatuurverschil tussen het koelwater en het oppervlaktewater
apparaat dat warmte of koude van een vloeistof en/of gas gescheiden overbrengt naar een ander medium
de meest algemene, over de gehele aarde verbreide vloeistof die, als zij zuiver is, geen kleur, reuk of smaak heeft en waarvan de moleculen uit twee atomen waterstof en één atoom zuurstof bestaan (H2O)
verzameling van verschillende activiteiten die allemaal een relatie hebben met water: beperkingengebiedactiviteit rond een waterstaatswerk, beperkingengebiedactiviteit rond een installatie in een waterstaatswerk (het gaat hierbij niet om mijnbouwinstallaties), lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteit op zee, wateronttrekkingsactiviteit, activiteiten waarover de waterschapsverordening regels bevat
advies op basis van de wateraspecten en de gesignaleerde kansen en knelpunten waaruit duidelijk volgt met welke regelgeving rekening moet worden gehouden
bevoegd bestuursorgaan van het overheidslichaam dat belast is met beheer
de kans op nadelige effecten voor het water in bijvoorbeeld kanaal, sloot of meer
bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust
breedte van een oppervlaktewaterlichaam of watergang ter hoogte van de waterspiegel
verticale afstand tussen waterspiegel en waterbodem
lijnvormig object dat water voert
kunstmatige hoogte, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan, of hoge gronden inclusief de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben
snijlijn van het watervlak ter hoogte van het peil met de aangrenzende gronden
onttrekken van stoffen, warmte of water. Bij de onttrekkingsactiviteit gaat het om de gevolgen van de onttrokken stoffen, warmte of water voor het watersysteem
peil van een oppervlaktewaterlichaam of watergang
plant die zich heeft aangepast aan een tijdelijk of continu submers (onderwater) bestaan. De waterplant groeit in een dusdanig vochtige omgeving waar andere planten niet kunnen overleven
Wetterskip Fryslân
grensvlak tussen water en lucht
oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk
samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken
watervergunning als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet
één of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater
bouwwerk, infrastructuur of andere functionele toepassing van bouwstoffen. De definitie staat in artikel 4.1257, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
geometrisch aangewezen en begrensd gebied waarop een juridische regel betrekking heeft
Omgevingswet
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagoverschot
soort grond van grotendeels minerale deeltjes, waarvan minimaal 50% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft tussen 63 micrometer (µm) en 2 millimeter (mm) en maximaal 8% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft kleiner dan 2 micrometer (µm)
een met water gevulde uitgraving in het landschap ten behoeve van de zand- en grindwinning ook bekend als diepe plas
grote hoeveelheid water, die in verbinding staat met een andere zee of met een oceaan, die ook als zee kan worden aangeduid, zij het dat een oceaan een zelfstandig geheel vormt met een eigen circulatie (zeestroom)
oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een zout oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2022
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagtekort
verplichting van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige tot handelen of nalaten ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
Zeeuwse Delta, Waddenzee of Noordzee, inclusief de havens die hiermee in open verbinding staan en die geen open verbinding hebben met hun achterland, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2022
werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringtechnisch werk is, bijvoorbeeld een IBA
werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente. Of bij een rechtspersoon die door het dagelijks bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast, inclusief het bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk afvalwater. Een openbaar vuilwaterriool is geen zuiveringtechnisch werk, maar sluit hierop aan. In de praktijk wordt als grens tussen het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnisch werk een overdrachtspunt gehanteerd. Op dit punt vindt de feitelijke overdracht van stedelijk afvalwater van de gemeente aan het waterschap plaats. Het werk voor het transport van stedelijk afvalwater vóór het overdrachtspunt is een openbaar vuilwaterriool. Na het overdrachtspunt hoort dit werk bij het zuiveringtechnisch werk
bodemsoort (klei) met het vermogen om relatief veel water op te nemen. Het volume wordt groter en de massa klei zwelt daardoor op. Een voorbeeld van zwelklei is bentoniet
nieuw object of voorziening dat is gemaakt van hetzelfde materiaal én heeft dezelfde vorm met dezelfde afmetingen als het te vervangen object of voorziening. Hierbij geldt ook dat een nieuw object of voorziening wordt geplaatst op exact dezelfde plek, op exact dezelfde diepte en hoogte als het te vervangen object of voorziening
HHHH
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze waterschapsverordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
door het waterschap aangewezen diepe plas waar grond of baggerspecie mag worden toegepast. Hierbij geldt dat grond of baggerspecie uit het beheergebied van het waterschap voldoet aan de Lokale maximale waarden uit de waterschapsverordening en aan de milieuhygiënische kwaliteitsklasse ‘licht verontreinigd’ uit tabel 2 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2022. Hierbij geldt dat grond of baggerspecie van buiten het beheergebied van het waterschap voldoet aan de milieuhygiënische kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ voor grond en baggerspecie uit tabel 2 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2022
oppervlaktewaterlichaam dat geen niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam is
vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen
water dat langs constructies loopt als gevolg van waterstandsverschil. Zie ook piping en onderloopsheid
handeling of gebeurtenis uitgevoerd door een (rechts)persoon, dier, plant of ander leven, óf natuurverschijnsel, waar juridische regels aan gesteld kunnen worden
toereikende techniek
aanpassen van leidingen voor de afvoer van water zodat dit water indirect of direct op het oppervlaktewater wordt geloosd
kunstmatig opdelingobjecten, zoals paal-draad constructie, ten behoeve van scheiding van vastgoedobjecten of virtuele gebieden
alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen
afvalwater dat ontstaat doordat water uit de hemel valt, zoals regen, sneeuw, hagel en dauw. Het gaat doorgaans om een schone afvalwaterstroom. Daarom heeft deze afvalwaterstroom een bijzondere status. Ook omdat hemelwater direct in het milieu terug kan komen
geheel van activiteiten dat betrekking heeft op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden, daaronder mede begrepen agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening
algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân
uitvoeringsvoorschriften die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, informatieplichtige, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten
verzamelterm voor duurzaam verwarmen en koelen met water. Het gaat om warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater en drinkwater
milieu dat zich gedeeltelijk of geheel onder water bevindt
geologische formatie waarbinnen de relatief (ten opzichte van de omgeving) hoge doorlatendheid aanzienlijk transport van grondwater mogelijk maakt
verwijderen van slib, specie, zand uit een oppervlaktewaterlichaam
horizontale centrifugaalpomp waarmee sediment, puin en andere schadelijke materialen via zuigleiding worden opgezogen en via een pijpleiding naar een afvoerplaats worden getransporteerd
materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter (mm)
apparaat om bagger uit een oppervlaktewaterlichaam te zuigen en direct, gelijkmatig over het aanliggende perceel te spuiten
gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom volgt niet uit de Wegenverkeerswet 1994, maar net zoals in de ruimtelijke ordening bepaalt de aard van de omgeving waar de grens ligt. Om te spreken van bebouwde kom, moet er sprake zijn van op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur
gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Waterschapswet, waarvoor het waterschap de waterstaatkundige verzorging ten doel heeft
beoordelingsregel is een inhoudelijke regel waaraan het dagelijks bestuur van het waterschap een aanvraag voor een omgevingsvergunning toetst
beperkingengebied is een geometrisch begrensd gebied rondom een werk of object waarin, vanwege de aanwezigheid van dat werk of object, regels voor de activiteiten van derden, gelden. Het gaat om gebieden rond luchthavens, wegen, spoorwegen of waterstaatswerken. Onder de Omgevingswet gaan de beschermingszones samen met de kernzone op in ‘beperkingengebieden’. Dit zijn gebieden waar op grond van de Omgevingswet beperkingen gelden vanwege de aanwezigheid van een werk of object, in dit geval een waterstaatswerk
activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit op of binnen een beperkingengebied
begroeiing die door de mens ergens opzettelijk is aangebracht, ook planten die zich spontaan gevestigd hebben
gebied waaraan op grond van de wet een functie voor waterstaatkundige doeleinden is toegedeeld, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en dat ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen
zone ter weerszijden van een waterstaatswerk (kernzone), waar voorschriften en beperkingen gelden ter bescherming van het waterstaatswerk
materiaal dat is aangebracht op de grens van water en land, of langs de waterkant, om de oever tegen afkalving te beschermen, of om te voorkomen dat door afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmerd wordt
dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân
lijn die de overgang markeert tussen de kruin en het binnentalud
talud aan de binnendijkse zijde van een dijk of waterkering
onderrand van het dijklichaam aan de binnendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld)
al het stilstaande of stromende water op het landoppervlak en al het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;
fysieke constructie om bij morsingen en lekkages het verspreiden van bodembedreigende stoffen naar de bodem tegen te gaan. Doel is bodemverontreiniging voorkomen
installatie die gebruik maakt van de bodem voor de levering van warmte of koude voor de verwarming of koeling van een gebouw
schoonmaken van vervuilde grond
stelsel van gemeen liggende, met elkaar in open verbinding staande waterlopen en meren waarop het water van lager gelegen polders wordt uitgeslagen en dienend voor eventueel tijdelijke berging en lozing op het buitenwater
vrij op de boezem afwaterende gronden, deze staan bij hoge boezemwaterstanden onder water, dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van de boezem
in een peilbesluit vastgelegde streefpeil van een boezem ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP)
water in een boezem
gat dat geboord is, bijvoorbeeld in beton, staal of grond
middel om door boren of steken toegang te krijgen tot de ondergrond om bijvoorbeeld geroerde en/of ongeroerde monsters aan de ondergrond te ontlenen voor nader onderzoek
plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten
constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties
voorziening voor het bestrijden van brand als bedoeld in artikel 4.20, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Een brandblusvoorziening is permanent aanwezig, maar wordt enkel in noodsituaties gebruikt. Indien een brandblusvoorziening ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, wordt de voorziening niet als een brandblusvoorziening aangemerkt
in de waterbouw toegepast materiaal ter bescherming van kust- en oeverwerken. Het materiaal moet deze werken beschermen tegen de inwerking van bijvoorbeeld golf- en getijdenbewegingen. Bekend zijn de basaltblokken tegen de dijken langs de grote rivieren en de kust
water met een verhoogde mineralenconcentratie dat overblijft na de onttrekking van water aan gewonnen brak grondwater
verbinding tussen twee punten die van elkaar gescheiden zijn door een hydro-object (oppervlaktewaterlichaam of watergang) waarbij de constructie geen verharde kunstmatige bodem heeft of waarbij de verharding geen deel uitmaakt van de constructie
zone buiten het waterstaatswerk en aangrenzende beschermingszone gelegen gronden en wateren, waar voorschriften en beperkingen gelden ter bescherming van het waterstaatswerk en de beschermingszone
lijn die de overgang markeert tussen de kruin en het buitentalud van de waterkering
hellend vlak van het dijklichaam aan de buitendijkse zijde van de dijk
onderrand van het dijklichaam aan de waterzijde van de dijk (buitendijks)
water van een oppervlaktewaterlichaam waarvan de waterstand direct invloed ondergaat bij hoge stormvloed, bij hoog opperwater van een van de grote rivieren, bij hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer, dan wel bij een combinatie daarvan, alsmede het Volkerak-Zoommeer, het Grevelingenmeer, het getijdedeel van de Hollandsche IJssel en de Veluwerandmeren
oefening die wordt uitgevoerd om bij brand of een andere calamiteit de schade tot een minimum te beperken
civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf, waarvoor andere materialen dan aarde en zand zijn gebruikt
Carcinogeen, Mutageen en Reprotoxisch-stoffen. Deze zogenaamde CMR-stoffen kunnen kanker veroorzaken, schade veroorzaken aan onze genen of schadelijk zijn voor de voortplanting en het nageslacht
geheel dat ontstaat door een aantal losse onderdelen samen te voegen tot één stevig geheel
dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân
werk over een oppervlaktewaterlichaamperceel dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam, waarbij in tegenstelling tot een brug de bodem wordt onderbroken
(houten) balken, langs een dam, om stevigheid te geven; ook achterleggers geheten; legger en ligger worden vaak verward
verticale constructiedelen die in een opeenvolgende rij de grond worden gedreven, meestal om weerstand te bieden tegen zijkrachten
volume van een vloeistof of een gas dat per tijdseenheid door een doorsnede stroomt
dichtgooien van een oppervlaktewaterlichaam met grond of ander vast materiaal
zuiveringsvoorziening volgens de norm gebouwd, technisch betrouwbaar, correct onderhouden is en zorgt voor een effectieve zuivering
oppervlaktewaterlichaam of een deel daarvan dat is ontstaan als gevolg van zandwinning, grindwinning of kleiwinning of een dijkdoorbraak, bijvoorbeeld een zandwinplas
dieren die de mens wegens plezier en hun nut houdt, niet zijnde huisdieren
digitale ondersteuning van de Omgevingswet. De centrale spil is het Omgevingsloket
door mensen aangelegd grondlichaam (al dan niet verdedigd) bestemd tot het keren van water en een type waterkering
ruimtelijk vorm van de dijk in drie dimensies
elk van de richtingen waarin je kunt meten: hoogte, lengte, breedte
(denkbeeldige) oppervlak waarlangs een voorwerp is doorgesneden
breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam
water dat wordt afgevoerd via een stelsel van geperforeerde buizen die in de grond zijn aangebracht
drinkwater als bedoeld in artikel 1, van de Drinkwaterwet
persleiding
kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden
doorsnede die loodrecht op de lengterichting staat. Bijvoorbeeld: een doorsnede van een waterloop loodrecht op de gemiddelde richting van de stroming.
massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die of dat gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden
aantasting van een waterstaatswerk, zoals waterkering of talud
periode van een 24 uur, die begint en eindigt om middernacht, gedurende welke de datum niet verandert.
georganiseerde gebeurtenis of groepsactiviteit zoals roei-, vis- en zwemwedstrijden, survivals, triatlons en fiets- en schaatstoertochten, maar ook een herdenkingsplechtigheid, braderie of themamarkt, optocht op de weg (geen betoging), kermis, feest, muziekvoorstelling
inrichtingen en materiaal als bedoeld in paragraaf 2, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
grondwater waarin de stijghoogte (de waterdruk) alleen afhangt van de hoogte van de waterkolom. In freatisch water is de poriëndruk gelijk aan de hydrostatische druk
water in de bodem dat als eerste wordt aangetroffen bij graaf- of boorwerkzaamheden
artikel 1.2, tweede lid, van de Omgevingswet, bepaalt dat de fysieke leefomgeving in ieder geval bestaat uit: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed, werelderfgoed
gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet
HDD-boring
vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter (mm) en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter (mm), niet zijnde baggerspecie. In Nederland wordt grond naar de grootte en aard van de gronddeeltjes geclassificeerd volgens NEN-EN-ISO 14688-1 en NEN-EN-ISO 14688-2
verplaatsen van grond in dan wel naar een waterstaatswerk
bodemsanering
water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen
afzonderlijke grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen
verwijderen van verontreinigende componenten uit een grondwaterlichaam door middel van onttrekking (en zuivering) van verontreinigd grondwater
horizontaal gestuurd boren of hdd (Horizontal Directional Drilling) is een sleufloze techniek die gebruikt wordt voor de aanleg van ondergrondse infrastructuur
water uit neerslag, zoals regen, sneeuw, hagel en dauw
natuurlijk aanwezige hooggelegen delen in het landschap die niet worden bedreigd door een hoge waterstand op zee, meren of rivieren
oppervlaktewaterlichaam in beheer en onderhoud bij het waterschap, zoals in de legger is aangegeven. Hoofdwater is erg belangrijk voor de afvoer van water en is over het algemeen breder en dieper dan andere watergangen
hoogst peil vastgelegd in een peilbesluit, in de regel het winterpeil
watergang die bedoeld is om de grondwaterstand nabij wegen en bebouwing hoger te houden dan het omliggende agrarisch gebied. Het waterpeil is hier hoger dan het polder- of boezempeil ter plaatse
tamme dieren die voor het nut of de gezelligheid door de mens in huis worden gehouden
afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden
tijdelijke constructie of ondersteuning om de activiteit uit te kunnen voeren
samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Waterwet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna
Individuele Behandeling van afvalwater is bedoeld voor het lokaal zuiveren van huishoudelijk afvalwater. Het bekendste IBA-systeem is de septic tank. Andere systemen zijn bijvoorbeeld de biorotor, het oxidatiebed en het helofytenfilter
het brengen van water in de bodem met als doel het voorkomen of beperken van verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogte of het lozen van overtollig water
goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn. Afvalwater dat bij deze goederen vrijkomt, wordt beschouwd als ’schoon‘ afvalwater
put voorzien van openingen waardoor het water kan infiltreren
in de bodem brengen van water
verplichting om informatie te verstrekken aan een bestuursorgaan of een andere instantie voorafgaand aan het starten, wijzigen of eindigen van een activiteit, zonder dat daaraan een verbod is gekoppeld de activiteit te verrichten
degene die een activiteit uitvoert of laat uitvoeren
inlaatduiker
duiker met een afsluitklep voor het binnenlaten van hoger gelegen water in een lager gelegen gebied
de snijlijn van het schuine talud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen maaiveld
als bedoeld in artikel 2, van de Richtlijn 2024/3019 Behandeling stedelijk afvalwater, is de gemiddelde hoeveelheid (afbreekbare) verontreiniging die een persoon per etmaal via de riolering afvoert. Het inwonerequivalent (i.e.) wordt uitgedrukt in de hoeveelheid zuurstof die voor afbraak nodig is
apparaat voor het verwijderen van ongewenste ionen uit een vloeistof door middel van hulpstoffen
transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 millimeter (mm) die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel
grens die bij het ontstaan van een perceel wordt vastgelegd bij het Kadaster. Deze grens kan afwijken van de zichtbare gebruiksgrens
beschoeide of gemetselde oeverstrook, waaraan de schepen kunnen aanleggen
richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327)
gebied dat gerekend wordt tot de waterkering bij waterkerende dijklichamen. De kernzone is begrensd door de binnenteen en de buitenteen van de waterkering. De kernzone omvat in ieder geval het keurprofiel en soms ook een deel van het profiel van vrije ruimte
soort grond met een samenstelling van minerale deeltjes, waarvan 8-100% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft van kleiner dan 2 micrometer (μm) en 0-75% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft van 2-63 micrometer (μm)
water dat als koelmiddel in de industrie of energiecentrales wordt gebruikt voor hun proces. Het water wordt onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam om bepaalde productieprocessen te koelen, waarna het verwarmde water weer wordt geloosd in een oppervlaktewaterlichaam
strook tussen buitenkruinlijn en binnenkruinlijn, of het hoogst gelegen deel van een waterkering
onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater. Deze definitie staat in bijlage I onder A van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat om een oppervlaktewater als bedoeld in de kaderrichtlijn water (artikel 2, onder 10)
een civieltechnische constructie voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen, waarvoor andere materialen dan aarde en zand zijn gebruikt
oppervlaktewater, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater
water dat door een drukverschil vanuit de bodem omhoog komt
gebied niet zijnde stedelijk gebied
legger als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet of in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. In de legger is beschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen
waterkering, niet zijnde primaire waterkeringen, secundaire waterkeringen of regionale keringen. Bijvoorbeeld keringen langs tussenboezems
brengen van (afval)water, warmte of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk
lozen van stoffen, warmte of water. De lozing vindt plaats direct op een oppervlaktewaterlichaam of in een zuiveringtechnisch werk. Bij lozing in een zuiveringtechnisch werk gaat de lozing niet via een vuilwaterriool. Bij de lozingsactiviteit gaat het om de gevolgen van de geloosde stoffen, de warmte of het water voor het watersysteem of het zuiveringtechnisch werk
plek waar door middel van een werk water in een oppervlaktewater wordt gebracht, zonder dat het water uit een ander oppervlaktewater afkomstig is
constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen
hoogteligging van het grondoppervlak in een gebied, met uitzondering van taluds en bermen of andere (kunstmatige) verhogingen dan wel verlagingen
beschermingsbuis bestemd voor de doorvoer van telefoonkabels of elektriciteitsleidingen, of voor de doorvoer van water- en gasleidingen. Een mantelbuis wordt gebruikt bij bijvoorbeeld een doorvoer onder of door een obstakel, zoals een muur, fundering, verkeerweg of anderszins
geheel van zaken die je voor een bepaald doel nodig hebt, ruwe grondstof, bouwstof
alles wat ruimte inneemt en massa heeft, is materie. Materie bestaat uit atomen, die op hun beurt zijn opgebouwd uit protonen, neutronen en elektronen. Materie kent vier natuurlijke toestanden: vaste stoffen, vloeistoffen, gassen en plasma. De vijfde toestand van materie zijn de door de mens gemaakte Bose-Einsteincondensaten
al wat nodig is tot de uitoefening van een bedrijf: werktuigen en machines
drager van een materie of golven. Bijvoorbeeld een vloeistof om een vaste stof in te mengen en daarna aan te ergens op aan te brengen zoals verf of vernis, maar ook een vloeistof of gas die warmte of koude opneemt om elders weer af te geven.
een door land omringde watervlakte
paal in het water, die meestal gebruikt wordt voor het aanmeren van vaartuigen
civiele constructie waarin meetapparatuur (bijvoorbeeld debietmeting) is opgesteld
verzameling waarden, die tijdens een inwinning aan objecten gemeten of zijn berekend
een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) of schriftelijk ingediende mededeling van een initiatief om een activiteit uit te voeren
verplichting om voorafgaande de uitvoering van een bepaalde activiteit een melding te doen bij het waterschap. Het is verboden om zonder volledige en tijdige melding de activiteit te verrichten
schadelijk voor het milieu (waaronder het leven in het water) vanwege de slechte afbreekbaarheid, de mogelijke toxiciteit en het risico van ophoping in het milieu
gebied als bedoeld in artikel 2.6.3, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
representatieve hoeveelheid materiaal die volgens een bepaalde bemonsteringswijze op één bepaalde locatie en op één bepaald tijdstip of gedurende een aaneengesloten tijdsperiode verzameld is uit één compartiment van een watersysteem voor het verrichten van onderzoek
gebied dat door de bevoegde autoriteit van het land waarin het gebied is gelegen is aangewezen als speciale beschermingszone, ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onder a, en 4, eerste en tweede lid, van de vogelrichtlijn of de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de habitatrichtlijn, of een gebied dat is opgenomen op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de habitatrichtlijn
gebied dat gericht is op het behoud, herstel of de ontwikkeling van biodiversiteit en natuurlijke processen, en dat daartoe is aangewezen als Natura 2000-gebied, deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), of op vergelijkbare wijze wordt beheerd met natuurdoelen door een overheid, terreinbeherende organisatie of particuliere eigenaar
samenhangend geheel van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden, ecologische verbindingszones en natuurvriendelijk beheerde agrarische gronden, dat door provincies – waaronder de provincies Fryslân en Groningen – planologisch is vastgelegd in hun Omgevingsverordening, met als doel het behouden, herstellen en duurzaam ontwikkelen van biodiversiteit en ecosysteemfuncties in Nederland
oever die ten behoeve van het verbeteren van de ecologische toestand is ingericht, of van nature aanwezig is, met een luwe ondiepwaterzone die oever- en waterplanten de kans biedt zich te ontwikkelen
zelfstandige, onafhankelijke stichting die voor verschillende maatschappelijke thema’s aan de hand van een normalisatieproces op basis van consensus tussen belanghebbenden op nationaal en internationaal niveau afspraken (normen/’best practices’) vastlegt in documenten en in richtlijnen
optie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) om het bevoegd gezag de gelegenheid te geven de klantvriendelijkheid / mate van dienstverlening in te kunnen vullen per onderwerp. Bedoeld om de initiatiefnemer naar de juiste contactpersoon te sturen
norm van het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)
regels uit de waterschapsverordening gelden niet voor de aangegeven situatie
diepe plassen zoals geregeld onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk)
oppervlaktewaterlichaam dat met het oog op het lozen bijzondere bescherming behoeft
lekkende, uitlogende en vermestende goederen
hét Nederlands standaard vergelijkingsvlak voor de hoogteligging. Een NAP-hoogte van 0 meter is ongeveer gelijk aan het gemiddeld zeeniveau van de Noordzee
Nederlandse Praktijkrichtlijn is een praktische uitwerking van een norm
gebied op de grens van water en land waar het dynamisch samenspel van land en water plaatsvindt
voorziening die is aangebracht langs de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen. Voorbeelden hiervan zijn beschoeiingen, bestaande uit een aan één gesloten rij palen of planken, damwanden en betuiningen
grondkerende constructie ter instandhouding van de gronden gelegen aan een waterloop
proces waarin een semi-permeabel membraan wordt gebruikt om opgeloste vaste stoffen, organische stoffen, pyrogenen, submicro colloïdale materie, virussen, en bacteriën van water te scheiden. Dit proces wordt 'omgekeerde' osmose genoemd, omdat het druk vereist om puur water door een membraan te persen, terwijl alle onzuiverheden achterblijven
vergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet
het plaatselijk lager houden van het waterpeil, dan het waterpeil dat het waterschap voor het betreffende peilgebied heeft vastgesteld of hanteert
dam die tot doel heeft de passage van onderhoudsmachines voor het waterschap mogelijk te maken
partij die de onderhoudsverplichting heeft
water dat onder een kunstwerk loopt als gevolg van een waterstandsverschil. Zie ook piping en achterloopsheid
kunstwerk dat van belang is voor de taakuitoefening van het waterschap of voor het functioneren van het watersysteem
water met een diepte van maximaal 700 millimeter (mm)
gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan, waaronder:
onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting
inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater
locatie waar water gewonnen wordt uit het oppervlaktewater ten behoeve van industrie of drinkwaterwinning
constructie die geboord of gegraven is onder het maaiveld met als doel het verkrijgen van water uit een aquifer systeem (watervoerend pakket)
afvoer van water uit percelen over en door de grond en eventueel door drainbuizen en greppels naar een stelsel van grotere waterlopen
bezwijken van de grond, door het ontbreken van verticaal evenwicht in de grond, onder invloed van wateroverdrukken
graafmethode waarbij het maaiveld wordt geopend om via een sleuf kabels of leidingen aan te leggen, inspecteren, vervangen of verwijderen
bomen en struiken en andere opgaande beplantingen
binnenwateren, met uitzondering van grondwater; overgangswater en kustwateren en, voorzover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren
onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een watergang (zoals een natte sloot), een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater, inclusief de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna.
oppervlaktewater in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen beïnvloed wordt
bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam hangt
alle oppervlaktewaterlichamen niet zijnde hoofdwater of schouwwater
waterstand zoals dit als referentiepeil in een peilbesluit is vastgesteld
besluit dat voorziet in de vaststelling van waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden
buis waarmee men de grondwaterstand meet of waarin men monsters neemt van het grondwater
waterstaatkundige eenheid waar eenzelfde waterpeil heerst. Dit peil kan worden geregeld door een gemaal of een stuw. Het peil in een peilgebied wordt in Nederland bepaald door het waterschap waaronder het peilgebied valt. De peilen worden vastgelegd in een peilbesluit
kunstwerk dat een functie vervult in de door het waterschap te handhaven peil, onder andere: gemalen, onderbemalingen, opmalingen, stuwen, peilscheidingsdammen, sluizen, duikers met kleppen, schuiven, stuwende duikers en inlaten
virtuele eenheid van zakelijk recht, in het terrein af te bakenen door middel van uit te zetten en omsluitende rechtsgrenzen, en voorzien van een unieke kadastrale aanduiding volgens de identificatie van het Rijkskadaster
toegankelijkheid verkrijgen tot een perceel dat geheel of gedeeltelijk ingesloten is door oppervlaktewater. De ontsluiting vindt veelal plaats via een brug, duiker, dam met duiker of een dam zonder duiker
buis waarin het afvalwater onder druk stroomt. De druk wordt geleverd door een pomp
eerste plantengroei die opkomt op een kale of pas ontstane plek, zoals natte grond, opgespoten zand of drooggevallen oevers
terugschrijdende erosie in een tunneltje (pipe) onder een dijklichaam. Zie ook onderloopsheid en achterloopsheid. Waterkeringbeheerders kunnen gebruikmaken van het D-soil Model voor de ondergrondschematisering voor sterkteberekening voor piping
(tijdelijk) onder water zetten van grasland of greppels (greppel plas-dras). Ook het onder water zetten, inunderen, van bloembollenvelden wordt onder deze maatregel geschaard
werktuig dat door middel van een verschil in druk vloeistoffen of gassen verplaatst
water dat wordt vastgehouden in de ruimte (of spleten) tussen de vaste deeltjes van de grond
waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming door buitenwater
doorsnede van een object in lengterichting, in dwarsrichting of langs een verticaal, waarbij kenmerken van het object langs de doorsnede worden vastgelegd
dwarsdoorsnede van een oppervlaktewaterlichaam
ruimte ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen
projectbesluit als bedoeld in paragraaf 5.2.3 van de Omgevingswet
projectplan als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet
recreatieve activiteiten zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, schaatsen, kamperen, al dan niet in de vorm van een evenement
niet-primaire of secundaire waterkering die is aangewezen in de Omgevingsverordening van de provincie Fryslân of de provincie Groningen. Deze waterkeringen staan als zodanig in onze legger, hieronder vallen niet alleen de ‘natte’ (bijvoorbeeld kades langs boezemwateren), maar ook ‘droge’ waterkeringen
in de bodem terugbrengen van onttrokken grondwater
rand van riet langs oevers
rietkraag
Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting
zuiveringtechnisch werk dat is ingericht om stedelijk afvalwater te zuiveren. Het werk wordt beheerd door of namens het waterschap
natuurlijke waterloop welke fungeert als het zichtbare afvoersysteem van het overtollige water in een bepaald gebied
boorgat dat expres groter is gemaakt dan de diameter van de door te voeren kabel of leiding, om ruimte te geven voor montage, tolerantie, mantelbuis of afdichting.
combinatie van het profiel van vrije ruimte en de daarbij horende toekomstige beschermingszones. Deze toekomstige beschermingszones zijn door het waterschap berekend
oppervlaktewaterlichaam in onderhoud bij de eigenaren van de aan die wateren grenzende percelen, zoals in de legger aangegeven, voor deze wateren geldt de schouwplicht
waterkering die bij doorbraak van de primaire waterkering de overstroming kunnen beperken of vertragen
korrelvormig materiaal dat door verwering en erosie van het vaste aardoppervlak is ontstaan
onderzoek naar de bodemopbouw door kunstmatig opgewekte trillingen
medium dat water toestaat om te passeren, maar opgeloste vaste stoffen tegenhoudt, zodat het gebruikt kan worden om vaste stoffen van water te scheiden
tank waarin het afvalwater wordt gezuiverd via een proces van bezinking, opdrijving en biologische afbraak. Het zuiveringsrendement hangt onder meer af van de verblijftijd van het afvalwater in de tank
bepalen van het draagvermogen van de grond door een staaf met kegelvormige punt met een tophoek van 60 graden, de sondeerconus, in de grond te drukken en daarbij de mechanische weerstand van de grond te meten
onttrekken van grondwater uit het watervoerende pakket met als doel de opwaartse druk te verlagen om opbarsten van de bodem te voorkomen
voertuig, als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet, bestemd voor het verkeer over spoorwegen
huishoudelijk afvalwater of een mengsel van huishoudelijk afvalwater met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Stedelijk afvalwater gaat via het openbaar vuilwaterriool naar een zuiveringtechnisch werk, ook wel rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) genoemd. Regenwater dat niet via de riolering met huishoudelijk afvalwater wegstroomt, valt niet onder stedelijk afvalwater. Ook bedrijfsafvalwater dat rechtstreeks naar een zuiveringsinstallatie gaat, valt niet onder stedelijk afvalwater
in principe valt elke bebouwde kom onder “stedelijk gebied” met dien verstand dat er wel sprake moet zijn van een kern met een “stedelijk” watersysteem. Lint bebouwing wordt in principe niet als stedelijk gebied aangemerkt. De afwatering is bij lint bebouwing diffuus verspreid over grotere oppervlakken, waardoor de hoeveelheid aan en af te voeren water per watergang gering is. Het stedelijk gebied kan zowel industrieterreinen als woonwijken betreffen. Uitgesloten zijn de gebieden, die binnen de bebouwingscontour volgens het bestemmingsplan een agrarische bestemming hebben
afzonderlijk monster dat op een moment genomen wordt
constructie die deels over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende deel
nationaal coördinatensysteem. Het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting (RD) bestaat uit een netwerk van ongeveer 5.600 RD-punten verspreid over Nederland. Het Rijksdriehoeksstelsel is onderdeel van de Nederlandse geodetische infrastructuur. De punten uit het Rijksdriehoeksstelsel (RD-punten) worden door het Kadaster gecontroleerd en onderhouden
potentieel peil van het wateroppervlak van grondwater, gemeten vanaf een bepaald niveau (bijvoorbeeld Normaal Amsterdams Peil (NAP), maar meestal de hoogte van de bodem). Het is de hoogte van het water in een peilbuis, of waar het grondwater zou staan als men een put zou slaan
vorm van materie. In het geval van meten van stof is stof bedoeld als zijnde heel kleine deeltjes. In het geval van een lozing is stof bedoeld als zijnde afvalstof, verontreinigende of schadelijke stof
breuksteen
vaste of beweegbare constructie in het water die dient om de waterhoogte bovenstrooms en/of benedenstrooms van de constructie te regelen
onder helling gelegen vlak
territoriale zee als bedoeld in artikel 1, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee
partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.
toestemming om zonder voorafgaande melding een activiteit te starten, veranderen of uit te voeren. Er zijn geen specifieke regels voor de uitvoering van deze activiteit. Indien er sprake is van een zorgplicht of het wijzen op algemene regels, zijn hiervoor teksten in de toelichting op deze conclusie opgenomen
weglopen via (grond)water in het oppervlaktewater van bepaalde stoffen, zoals fosfaat en stikstof. Transport van materie vanuit tussenlaag of ondergrond door de toplaag naar buiten. Uitspoeling kan leiden tot vermesting of verzuring van oppervlaktewater en heeft daardoor negatieve gevolgen voor de gebruiksfunctie natuur
constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen
elk voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand water
dieren die de mens wegens hun nut houdt
verboden om een activiteit (op een bepaalde wijze) te verrichten en daar zal ook geen vergunning voor worden verleend
dieper maken van een oppervlaktewaterlichaam
omgevingsvergunning tenzij expliciet anders vermeld
verplichting om voorafgaande de uitvoering van een bepaalde activiteit een vergunning te verkrijgen van het waterschap. Het is verboden om zonder vergunning de activiteit te verrichten
grondoppervlak waarop hemelwater niet in de bodem kan infiltreren, zoals daken, bestrating of asfalt
wijze waarop een weg, tuin of terrein geheel of gedeeltelijk is verhard
ondieper maken van een oppervlaktewaterlichaam
Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân, tenzij anders expliciet vermeld
verschijnsel dat water door toename van verhard oppervlak sneller in een oppervlaktewaterlichaam of riolering terechtkomt
Baggerspecie die op ongewenste plaatsen is gesedimenteerd elders weer terugbrengen in het watersysteem. De sedimentbalans wordt zo hersteld
scheidingsput in het rioolstelsel die dient om bezinkbaar en drijvend vuil, slib, etensresten en vet uit het afvalwater te halen door het af te scheiden
kade of steiger bestemd voor sportvissers
constructie op maaiveldhoogte deels of geheel over het oppervlaktewaterlichaam. Hieronder vallen mede houten vloeren, werken op palen, visstoepen en boenstoepen
elk buitendijks gebied vormt een voorland
maatregel met een functie zoals een bodembeschermende voorziening, brandblusvoorziening, uitstroomvoorziening of een oeverbeschermende voorziening
openbaar vuilwaterriool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, aangesloten op een zuiveringsvoorziening, die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet mede voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bedoeld, of aangesloten op een zuiveringtechnisch werk of een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, aangesloten op een zuiveringtechnisch werk
Waddeneilanden in het beheergebied van het waterschap: Ameland, Terschelling, Vlieland en Schiermonnikoog
bedrijven gebruiken oppervlaktewater soms als koelwater. Na gebruik loost het bedrijf het dan verwarmde water weer in het oppervlaktewater. De warmtevracht is een maat voor het opwarmend vermogen van het koelwater. De warmtevracht is afhankelijk van de lozingssnelheid en het temperatuurverschil tussen het koelwater en het oppervlaktewater
apparaat dat warmte of koude van een vloeistof en/of gas gescheiden overbrengt naar een ander medium
de meest algemene, over de gehele aarde verbreide vloeistof die, als zij zuiver is, geen kleur, reuk of smaak heeft en waarvan de moleculen uit twee atomen waterstof en één atoom zuurstof bestaan (H2O)
verzameling van verschillende activiteiten die allemaal een relatie hebben met water: beperkingengebiedactiviteit rond een waterstaatswerk, beperkingengebiedactiviteit rond een installatie in een waterstaatswerk (het gaat hierbij niet om mijnbouwinstallaties), lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteit op zee, wateronttrekkingsactiviteit, activiteiten waarover de waterschapsverordening regels bevat
advies op basis van de wateraspecten en de gesignaleerde kansen en knelpunten waaruit duidelijk volgt met welke regelgeving rekening moet worden gehouden
bevoegd bestuursorgaan van het overheidslichaam dat belast is met beheer
de kans op nadelige effecten voor het water in bijvoorbeeld kanaal, sloot of meer
bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust
breedte van een oppervlaktewaterlichaam of watergang ter hoogte van de waterspiegel
verticale afstand tussen waterspiegel en waterbodem
lijnvormig object dat water voert
kunstmatige hoogte, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan, of hoge gronden inclusief de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben
snijlijn van het watervlak ter hoogte van het peil met de aangrenzende gronden
watergang
onttrekken van stoffen, warmte of water. Bij de onttrekkingsactiviteit gaat het om de gevolgen van de onttrokken stoffen, warmte of water voor het watersysteem
peil van een oppervlaktewaterlichaam of watergang
plant die zich heeft aangepast aan een tijdelijk of continu submers (onderwater) bestaan. De waterplant groeit in een dusdanig vochtige omgeving waar andere planten niet kunnen overleven
Wetterskip Fryslân
grensvlak tussen water en lucht
oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk
samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken
watervergunning als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet
aquifer
één of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater
bouwwerk, infrastructuur of andere functionele toepassing van bouwstoffen. De definitie staat in artikel 4.1257, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
geometrisch aangewezen en begrensd gebied waarop een juridische regel betrekking heeft
Omgevingswet
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagoverschot
soort grond van grotendeels minerale deeltjes, waarvan minimaal 50% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft tussen 63 micrometer (µm) en 2 millimeter (mm) en maximaal 8% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft kleiner dan 2 micrometer (µm)
een met water gevulde uitgraving in het landschap ten behoeve van de zand- en grindwinning ook bekend als diepe plas
grote hoeveelheid water, die in verbinding staat met een andere zee of met een oceaan, die ook als zee kan worden aangeduid, zij het dat een oceaan een zelfstandig geheel vormt met een eigen circulatie (zeestroom)
oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een zout oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2022
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagtekort
verplichting van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige tot handelen of nalaten ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
Zeeuwse Delta, Waddenzee of Noordzee, inclusief de havens die hiermee in open verbinding staan en die geen open verbinding hebben met hun achterland, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2022
werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringtechnisch werk is, bijvoorbeeld een IBA
werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente. Of bij een rechtspersoon die door het dagelijks bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast, inclusief het bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk afvalwater. Een openbaar vuilwaterriool is geen zuiveringtechnisch werk, maar sluit hierop aan. In de praktijk wordt als grens tussen het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnisch werk een overdrachtspunt gehanteerd. Op dit punt vindt de feitelijke overdracht van stedelijk afvalwater van de gemeente aan het waterschap plaats. Het werk voor het transport van stedelijk afvalwater vóór het overdrachtspunt is een openbaar vuilwaterriool. Na het overdrachtspunt hoort dit werk bij het zuiveringtechnisch werk
bodemsoort (klei) met het vermogen om relatief veel water op te nemen. Het volume wordt groter en de massa klei zwelt daardoor op. Een voorbeeld van zwelklei is bentoniet
nieuw object of voorziening dat is gemaakt van hetzelfde materiaal én heeft dezelfde vorm met dezelfde afmetingen als het te vervangen object of voorziening. Hierbij geldt ook dat een nieuw object of voorziening wordt geplaatst op exact dezelfde plek, op exact dezelfde diepte en hoogte als het te vervangen object of voorziening
NEN 6402:2010: Water - Bepaling van het halogeengehalte van niet-vluchtige extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX)
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019
NEN 6646/C1:2015: Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015
NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016
NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997
NEN-EN-ISO 11732:2005: Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012
NEN-EN-ISO 13395:1997: Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003
NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005
NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003
NEN-EN-ISO 6878:2004: Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode, versie 2004
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013
NEN-ISO 5663:1993: Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993
NEN 3650-1:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 1: Algemene eisen, NEN 3650-2:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 2: Aanvullende eisen voor leidingen van staal, NEN 3650-3:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 3: Aanvullende eisen voor leidingen van kunststof, NEN 3650-4:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 4: Aanvullende eisen voor leidingen van beton en NEN 3650-5:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 5: Aanvullende eisen voor leidingen van gietijzer
NEN 3651:2020 Aanvullende eisen voor buisleidingen in of nabij belangrijke waterstaatswerken
NPR 3659:1996: Ondergrondse pijpleidingen - Grondslagen voor de sterkteberekening
[Vervallen]
IIII
Na bijlage I wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
NEN 6402:2010: Water - Bepaling van het halogeengehalte van niet-vluchtige extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX)
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019
NEN 6646/C1:2015: Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015
NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016
NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997
NEN-EN-ISO 11732:2005: Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012
NEN-EN-ISO 13395:1997: Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met 'purge-and-trap' en thermische desorptie, versie 2003
NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005
NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003
NEN-EN-ISO 6878:2004: Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode, versie 2004
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index - Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013
NEN-ISO 5663:1993: Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993
NEN 3650-1:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 1: Algemene eisen, NEN 3650-2:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 2: Aanvullende eisen voor leidingen van staal, NEN 3650-3:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 3: Aanvullende eisen voor leidingen van kunststof, NEN 3650-4:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 4: Aanvullende eisen voor leidingen van beton en NEN 3650-5:2020- Eisen voor buisleidingsystemen Deel 5: Aanvullende eisen voor leidingen van gietijzer
NEN 3651:2020 Aanvullende eisen voor buisleidingen in of nabij belangrijke waterstaatswerken
NPR 3659:1996: Ondergrondse pijpleidingen - Grondslagen voor de sterkteberekening
JJJJ
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c639ca7f-79f5-4236-87d3-e448f55ef182/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4781332d-0f78-4959-a486-01f72e1265d3/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/bfa76636-f993-4385-beae-8133e2f51bf7/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/79d8c73c-44f9-4d9b-8d64-afa560e48444/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/068450c1-c82e-46ee-939b-cc9dba5a1e16/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3377c767-316b-41e3-82b5-372abc6f7c03/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c4c7f013-b884-4f6c-b9b0-9fc9664069f7/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/58c219ca-144c-450a-8e8a-e84c66e7b5f3/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/05142681-23f8-4703-bb0e-cd27257e87a3/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/a87fab54-e1c9-4f88-b4b2-66a857e88530/nld@2026‑05‑21;4
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/9dde54c7-30c1-4b52-b48c-26775fd04b54/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/05142681-23f8-4703-bb0e-cd27257e87a3/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/a87fab54-e1c9-4f88-b4b2-66a857e88530/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/9dde54c7-30c1-4b52-b48c-26775fd04b54/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/41ef1b60-f567-49dd-965b-e246e4334f43/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/38c4aff4-804e-49ea-bccd-00c94f88a954/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3fc0435c-0189-476f-9014-455c06f4ebc4/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e700cb7b-6907-49bb-9dd5-4ddd8100b889/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/8b43298f-7d45-406b-9e05-899632e655b5/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/85537469-8ec6-4f4e-af05-7a71070be0c5/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/f064f826-a98e-4a6b-926f-0d1aa31dfd98/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/bcc3ce78-d4a6-4cde-b32c-c00eb9e2cec0/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4d42ab44-5272-4fb1-9224-36956e140631/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/2b900194-5f05-4fe4-9a60-8094040a4de1/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/2b900194-5f05-4fe4-9a60-8094040a4de1/nld@2026‑05‑21;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/5ac478cc-d662-4dd9-a333-3d000f6621db/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/5ac478cc-d662-4dd9-a333-3d000f6621db/nld@2026‑05‑21;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e9529c95-7bdd-4c79-b81c-d371f5269c87/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e9529c95-7bdd-4c79-b81c-d371f5269c87/nld@2026‑05‑21;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/0fbc7774-1739-4974-9507-e2db72a0fb25/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/0fbc7774-1739-4974-9507-e2db72a0fb25/nld@2026‑05‑21;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/0aeae7b5-58c0-4f22-8c51-96055527f75a/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/0aeae7b5-58c0-4f22-8c51-96055527f75a/nld@2026‑05‑21;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1652f552-7f6c-4b9d-a25c-6f24fb3e43f5/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/29a64a75-d49f-41f3-b1c9-8c5bf92f345b/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1b97b19e-feea-405f-8086-c4ad7da457f2/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/fe007926-7bac-43b6-a42e-a8f8ccc16860/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/400a774c-35d9-4f6d-a9d4-e385027aa446/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/030f0ba5-0537-4888-a500-466c24d140f9/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/fa16bd46-0f97-492a-937d-3ce4d353ff53/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/ce18809f-7880-4522-ad60-6ef72d0d6825/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c7558dbb-6a6a-404f-adea-9663aec6081c/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c5a91cd5-bd82-4682-ad55-bf440814d48e/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/f21a5b0d-e6e1-48de-b4fc-ff52d454aaa4/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/d9b2e15b-531c-4d0c-aa2e-1fa5cd1e84b1/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/58fbea31-12c1-4a7b-9289-632cfaa9531b/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/33fd1805-97e1-473c-b462-17ec35922ba7/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/7ee541a3-b7b7-4cf0-8bbc-a9eb1d7a8dad/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/915948ca-f039-4c1d-8136-09a8ea525c28/nld@2026‑05‑21;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e1034c1a-5426-4664-abd7-3a53ccc9eaf6/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4369193d-2b9a-475e-8311-1d8e2e9582e3/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4c5a6ec6-c6d8-45e4-b41f-ba8eba47e50b/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c554806d-eb86-499b-b5b5-56566d465921/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/2406a910-4ae4-4bc2-85a6-a2c57e83ee16/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/0ab3e409-0586-423c-b5aa-89aa279c9e8c/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/2b2b41f8-4577-4ca9-bfa2-9f433da2404e/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2025‑12‑09/2ac019e7-68be-4196-82a0-12a133a3668a/nld@2025‑12‑09;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/5ec0d84e-5eda-4122-b1c0-f1a7d5780641/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/b2da47c9-77ee-4b4d-ba53-13240a7e688f/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/759a1fcb-3ff9-48f4-9e69-714cdf83be9c/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1e03cca3-3ca2-4631-b67b-49d8531b4e37/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1af6a7d6-e8ee-4a20-89ad-9890a5b50dd0/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2025‑12‑09/c18ec7a5-6344-4a06-8bd8-a0bdfcebab7f/nld@2025‑12‑09;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1865ae49-795f-46a9-8531-8523203196e7/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/b8b6a178-8740-4583-9a7c-cf5219d95cc3/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/9d88f65a-4167-44eb-8c2d-d620a697d831/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c4a6b0f2-68f8-43b6-81b2-0ae043be3223/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/d5ead21d-525a-4c44-8bd0-981fc74c3b2d/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/6b082883-4ec0-4f04-8db1-dfab2215a022/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/230aba19-9949-4514-8954-116f9a65db25/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3f193a42-8cf1-4bea-be0b-d6005fcd05f0/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3cdd5cc1-bc43-42bb-b918-b35f19e4bb6c/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e13930c2-7a4f-43a7-b751-5846fd192a27/nld@2025‑12‑09;2
KKKK
Algemene Toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
1. Grondslag van de waterschapsverordening
De waterschapsverordening is een algemene verordening van het waterschap waarin vrijwel alle regels over de fysieke leefomgeving van het waterschap zijn opgenomen. De waterschapsverordening vervangt de keur en de algemene regels. De grondslag voor deze waterschapsverordening is artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet waarin staat dat het waterschap verordeningen vaststelt die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die op basis van artikel 1 van de Waterschapswet aan waterschappen worden opgedragen betreffen de zorg voor het watersysteem (inclusief waterkwaliteit) en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kan nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld het vaarwegenbeheer.
Artikel 2.5 van de Omgevingswet schrijft verder voor dat het algemeen bestuur één waterschapsverordening vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.
2. Omgevingswet en digitaal stelsel
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Belangrijke uitgangspunten zijn meer lokale afwegingsruimte, minder rijksregels en vergunningplichten, snellere besluitvorming en toegankelijke informatie.
Wetterskip Fryslân is beleidsluw overgegaan: de keur en algemene regels bij de keur zijn vrijwel ongewijzigd omgezet in een digitale waterschapsverordening. Deze sluit volledig aan bij de Omgevingswet en is via het landelijke Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) samen met de regels van andere overheden beschikbaar.
De digitalisering gaat gepaard met betere dienstverlening door toepasbare regels en vragenbomen. Daarbij zijn activiteiten gekoppeld aan zogenoemde werkingsgebieden: duidelijk begrensde zones op een digitale kaart waar specifieke regels gelden, bijvoorbeeld voor dijken, watergangen of natuurgebieden. Deze zijn benoemd in artikel 1.4. Via vragenbomen worden gebruikers stap voor stap naar de juiste regels geleid, zodat zij eenvoudig kunnen nagaan of een activiteit op een locatie is toegestaan of een vergunning of melding nodig is en welke algemene regels gelden.
3. Belangrijke wijzigingen waterschapsverordening
Behalve de digitalisering zijn er nog drie belangrijke wijzigingen: het opnemen van de algemene regels in de waterschapsverordening, het vervallen van de onderhoudsbepalingen en het opnemen van rijksregels met betrekking tot lozingen.
Algemene regels in de waterschapsverordening
In de keur gold het verbod om zonder watervergunning activiteiten op of aan waterstaatswerken uit te voeren. Om te voorkomen dat voor geringe ingrepen een zware vergunningprocedure moest worden doorlopen, zijn in 2010 algemene regels aan de keur toegevoegd. Hierdoor konden eenvoudige activiteiten met een melding worden afgedaan of geheel worden vrijgesteld van vergunning- en meldingsplicht. In 2013, 2015 en 2018 zijn deze algemene regels verder aangepast, waarbij telkens verdere deregulering heeft plaatsgevonden. Deze lijn wordt in de waterschapsverordening voortgezet: de algemene regels van de keur maken nu integraal onderdeel uit van de verordening. De voorwaarden uit de voormalige algemene regels zijn per activiteit opgenomen bij de artikelen over de mogelijke uitkomsten, terwijl de voorschriften in afzonderlijke artikelen Algemene Regels zijn ondergebracht. Voorschriften zijn steeds van toepassing en gelden naast de voorwaarden.
Onderhoudsplichten uit de waterschapsverordening
Op grond van artikel 2.2 van het Omgevingsbesluit mogen onderhoudsplichten niet in de waterschapsverordening opgenomen worden. Bij de invoering van de waterschapsverordening zijn deze onderdelen van de keur daarom opgenomen in een aparte onderhoudsverordening. In de legger worden de onderhoudsplichtigen van de waterstaatswerken aangewezen. In de aparte onderhoudsverordening staat wat ze moeten doen. Dit wordt nog nader toegelicht in de Beleidsregels Integrale legger en Waterschapsverordening van Wetterskip Fryslân.
Beschermingszones uit de legger in de waterschapsverordening
Met invoering van de Omgevingswet zijn de beschermingszones als onderdeel van de legger komen te vervallen. Onder de systematiek van de Omgevingswet zijn deze zones beperkingengebieden gaan heten en in de Waterschapsverordening opgenomen. Deze zones naast het waterstaatswerk zijn specifiek aangegeven om daarin regels te stellen voor activiteiten. Waar welke regels voor activiteiten gelden, is voortaan te zien in het portaal van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). In de toelichting bij artikel 1.4 staat uitleg over beperkingengebieden.
Decentralisatie van lozingen: de bruidsschat
Een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet is het bieden van meer ruimte voor gebiedsgericht maatwerk. Om dit mogelijk te maken, is bepaalde regelgeving overgeheveld van het Rijk als centrale overheid naar lokale overheden. Dit wordt ook wel de bruidsschat genoemd. De lokale overheden kunnen deze wetgeving vervolgens naar eigen inzicht aanpassen. Voor waterschappen betreft het regelgeving over lozingen op oppervlaktewateren of een zuiveringtechnisch werk. Wetterskip Fryslân heeft ervoor gekozen om de regels in eerste instantie grotendeels over te nemen. Waar deze wel zijn gewijzigd zijn ze in overeenstemming gebracht met bestendig beleid van het waterschap.
4. Opbouw van de waterschapsverordening en inhoud op hoofdlijnen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Het eerste hoofdstuk bevat algemene bepalingen over begrippen en enkele algemene onderwerpen die relevant zijn voor de gehele waterschapsverordening zoals de specifieke zorgplicht. De zorgplicht blijft in alle gevallen van kracht, ongeacht de uitkomst: melding, vergunning, toestemmingsvrij of een andere verplichting. Verder komen er in het artikel over het toepassingsbereik van de waterschapsverordening nog enkele uitzonderingen aan bod, waaronder het uitvoeren van onderhoudsverplichtingen, die niet vallen onder de waterschapsverordening en dus niet vergunning- of meldingsplichtig zijn. Ook bevat dit hoofdstuk de vangnetbepalingen. Als een lozingsactiviteit niet is beschreven in de waterschapsverordening, dan geldt de vergunningplicht van artikel 1.10. Voor iedere andere activiteit die niet in deze waterschapsverordening is beschreven en die niet in overeenstemming is met de functie van het waterstaatswerk, geldt de vergunningplicht van artikel 1.9.
Hoofdstuk 2 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk
Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij Wetterskip Fryslân, evenals op lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die door het waterschap worden beheerd. Het hoofdstuk opent met bepalingen over de kwantiteit van het water en gaat vervolgens in op de kwaliteit ervan. De artikelen in dit hoofdstuk gelden ook voor lozingsactiviteiten die voortkomen uit een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden de bepalingen als maatwerkregels in de zin van artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Indien een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van een dergelijke milieubelastende activiteit, is dat expliciet in het betreffende artikel vermeld. Baggerwerkzaamheden vallen buiten dit hoofdstuk, omdat deze zijn geregeld in hoofdstuk 4.
Hoofdstuk 3 Wateronttrekkingsactiviteiten en in de bodem brengen van water
Onttrekkingen van grondwater en oppervlaktewater en het infiltreren van water in de bodem worden in dit hoofdstuk geregeld.
Hoofdstuk 4 Beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk
Bij de waterstaatswerken beperkt het waterschap de activiteiten die daar mogen worden uitgevoerd door regels te stellen. De gebieden waarbinnen deze regels gelden zijn beperkingengebieden. Een activiteit binnen zo’n gebied wordt een beperkingengebiedsactiviteit genoemd.
Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen
Het laatste hoofdstuk regelt het overgangsrecht voor watervergunningen, die voor inwerkingtreding van deze waterschapsverordening zijn verleend. Alsmede overgangsrecht voor meldingen, maatwerkvoorschriften en handhavingsbesluiten. Daarnaast bevat hoofdstuk 5 een bepaling die de keur en algemene regels intrekt, een inwerkingtredingsbepaling en een citeertitel.
5. Leeswijzer
In hoofdstuk 2 tot en met 4 zijn activiteiten beschreven waarvoor onder bepaalde voorwaarden geen vergunningplicht geldt, maar waar met een melding kan worden volstaan of die soms geheel toestemmingsvrij zijn (geen vergunningplicht en geen meldingsplicht). Is de activiteit niet specifiek beschreven in hoofstuk 2 tot en met 4 dan gelden de vangnetvergunningplichten van hoofdstuk 1.
De regels over activiteiten zijn als volgt opgebouwd:

Het toepassingsbereik van een artikel omvat alle activiteiten waarop de regeling ziet. De mogelijke uitkomsten – toestemmingsvrij, meldingsplichtig, vergunningplichtig of anderszins – vullen elkaar aan en beslaan gezamenlijk het gehele toepassingsbereik. Het onderscheid wordt bepaald door de voorwaarden: zolang aan de voorwaarden van de lichtste categorie wordt voldaan, geldt die uitkomst, en bij het niet voldoen verschuift de activiteit naar een zwaardere categorie. Daarmee is steeds slechts één uitkomst van toepassing. De systematiek loopt op van licht naar zwaar en wijkt daarmee af van de klassieke opbouw vanuit een verbod met uitzonderingen.
De teksten zo geschreven dat ze zo veel mogelijk voldoen aan het 'Toepassingsprofiel Waterschapsverordeningen' volgens de 'STandaard Officiële Publicaties met ToepassingsProfielen voor OmgevingsDocumenten (STOP/TPOD)', en de ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’ voor de opbouw van de teksten:
LLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.9, eerst lid fungeert als vangnetartikel. Als een activiteit niet omschreven is in deze waterschapsverordening dan geldt de vergunningplicht indien de activiteit niet in overeenstemming is met de functie van het waterstaatswerk. De toevoeging ‘in overeenstemming met de functie’ moet vrij beperkt worden geïnterpreteerd: er is bijvoorbeeld geen omgevingsvergunning nodig voor zwemmen in zwemwater of varen op een vaarweg. Echter auto’s, motoren zijn zonder omgevingsvergunning of pachtcontract van het waterschap niet toegestaan op waterkeringen. Loslopende huisdieren zijn zonder omgevingsvergunning evenmin toegestaan op waterkeringen.
Onder de vangnetvergunningplicht vallen ook de handelingen waarmee de waterstand op een ander peil wordt gebracht of gehouden dan het peil dat voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam door het waterschap is vastgesteld.
In het tweede lid is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen genoemd in artikel 1.3 van deze waterschapsverordening. Een dergelijke bepaling stond eerder in artikel 6.21 Waterwet. Dat artikel keert in artikel 8.84, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving slechts terug voor bepaalde wateractiviteiten, vandaar dat dit artikel nu voor alle wateractiviteiten in de waterschapsverordening is opgenomen. Dit artikel bevordert de voorspelbaarheid van de belangenafweging en daarmee de rechtszekerheid voor de aanvrager.
In artikel 5.34, derde lid onder b en artikel 13.5 van de Omgevingswet en artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit is geregeld dat in een waterschapsverordening kan worden bepaald dat er (financiële) voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit kunnen worden verbonden. In het derde lid is hier gevolg aan gegeven. De reden dat hier expliciet wordt genoemd dat het waterschap voorschriften ter voorkoming van belemmering onderhoud/verhoging onderhoudskosten mag opnemen, komt voort uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4968). De Afdeling achtte het in die uitspraak aanvaardbaar dat de overheid financiële compensatie vraagt voor het dempen van water, indien compensatie in natura door het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam niet mogelijk is. Het naast een compensatie in natura ook vragen van financiële compensatie vanwege voor het waterschap toegenomen onderhoudskosten strekt niet ter bescherming van het belang in verband waarmee die watervergunning werd verleend. Daarvoor is een wettelijke grondslag nodig. Met het bepaalde in artikel 1.9 staat ondubbelzinnig vast dat het waterschap voorschriften ter voorkoming van belemmering onderhoud/verhoging onderhoudskosten aan een omgevingsvergunning kan verbinden. Dit zijn niet enkel voorschriften over financiële zekerheid op voorhand, maar ook voorschriften die gaan over aanpassing van het vergunde indien na verloop van tijd groot onderhoud aan het waterstaatswerk/beschermingszone waarbinnen of waarnaast het vergunde ligt, dat vereist. Een voorschrift kan zijn dat indien in het kader van groot onderhoud een hoofdwatergang en of waterkering moet worden aangepast, vergunninghouder van bijvoorbeeld een beschoeiing of brug deze op eigen kosten verwijderd en eventueel terugplaatst na afronding van de waterschapswerkzaamheden. De gedachte achter een dergelijk voorschrift is dat het rechtvaardiger is de meerkosten van het onderhoud bij een initiatiefnemer te leggen dan deze af te wentelen op de maatschappij.
MMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Deze afdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze afdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in het oppervlaktewater geloosd.
Voor lozingen in het oppervlaktewater zijn emissiegrenswaarden geformuleerd voor oppervlaktewateren die voor lozingen geen bijzondere bescherming nodig hebben, en wateren waarbij een bijzondere bescherming wel aan de orde kan zijn. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen lozingen op aangewezen oppervlaktewaterlichamen en niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen, die een grotere omvang hebben en daardoor minder kwetsbaar zijn voor lozingen, zijn opgenomen in bijlage IIIII bij deze verordening.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in dit hoofdstuk.
NNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage IBijlage II.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Aangezien de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
OOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalk-middelen) worden toegevoegd. De maximaal te lozen warmtevracht hangt af van het type oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage IIIII bij deze verordening; andere oppervlaktewaterlichamen zijn niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen.
De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam. De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 kJ per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:
De warmtevracht = L x ∆T x W, waarbij
L = lozingsdebiet (m3/s)
∆T = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.
W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.
Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.
PPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Dit artikel met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijft niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in artikel 2.59 emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in deBijlage II begripsbepalingen van bijlage I bij deze verordening.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse.
Aangezien de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
QQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel heeft betrekking op goederen die bij contact met water kunnen uitlogen. Dit artikel geldt voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat besluit is geregeld dat het te lozen afvalwater in een vuilwaterriool moet worden geloosd. Voor het doelmatig beheer van afvalwater kan het water ook op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam worden geloosd. Dit artikel is een maatwerkregel op het Bal. De verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool kan in deze waterschapsverordening niet worden «uitgezet». Daarom is in het omgevingsplan een regel opgenomen die bepaalt dat de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt, als in de waterschapsverordening lozen in het oppervlaktewater is toegestaan.
lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam is toegestaan als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk en ook niet binnen een afstand van 40 meter (m) aangesloten kan worden op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk. Als er binnen die afstand wel een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk aanwezig is, is het niet toegestaan om te lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Het ligt dan voor de hand om aan te sluiten op die riolering of zuiveringtechnisch werk. De afstand is de afstand van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn opgenomen in bijlage IIIII bij deze verordening.
Bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam moet voldaan worden aan de emissiegrenswaarden in de tabel. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Niet voor alle goederen zijn alle stoffen in de tabel relevant. Zo zijn bijvoorbeeld voor agribulk alleen het chemisch zuurstofverbruik, onopgeloste stoffen, som van stikstofverbindingen en som van fosforverbindingen van belang.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2026-13458.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.