Waterschapsblad van Waterschap De Dommel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap De Dommel | Waterschapsblad 2026, 1252 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Waterschap De Dommel | Waterschapsblad 2026, 1252 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het/De dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel
gelezen de tekstinhoud van ”Waterschapsverordening Waterschap De Dommel” d.d. DATUM
Overwegende dat:
Besluit;
"Waterschapsverordening Waterschap De Dommel" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.
Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en lokale huis-aan-huisbladen.
Aldus vastgesteld door Waterschap De Dommel, DATUM
Diegenen die mogen ondertekenen
Niet getekend proef-exemplaar
A
Artikel 1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor waterstaatswerken die op grond van een projectplanprojectbesluit of omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger of waterschapsverordening, wordt voor de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing, aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.
Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de grenzen van het waterstaatswerk, de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte, opgenomen in bijlage III.
B
Na artikel 1.13 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning kan worden gewijzigd, of geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken:
op verzoek van de vergunninghouder, voor zover de doelstellingen en belangen van deze waterschapsverordening zich hiertegen niet verzetten;
indien zich omstandigheden of feiten voordoen waardoor de handeling(en) of activiteit(en) waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, niet langer toelaatbaar moeten worden geacht met het oog op de doelstellingen en belangen van deze waterschapsverordeing; of
indien een voor Nederland verbindend verdrag, besluit van een volkenrechtelijke organisatie of een wettelijk voorschrift daartoe verplicht.
In gevallen als bedoeld in het eerste lid wordt niet tot intrekking overgegaan, voor zover kan worden volstaan met wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften.
C
Het opschrift van artikel 1.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Artikel 1.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodemgeheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 1.141.15 de volgende gegevensen bescheiden verstrekt:
E
Artikel 2.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een dam met duiker in een a-water en een b-water, als de dam met duiker alleen voor eigen gebruik functioneert.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een dam met duiker in een b-water of het aanleggen, verlengen, behouden of verwijderenbehouden van een dam met duiker in een b-water, als:
de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd;
de buislengte maximaal 15 meter per perceelzijde bedraagt;
de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt;
de binnenonderkant van de duiker 0,05 meter of dieper onderboven de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en
de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, verlengen en behouden van een extra dam met duiker langs een perceelzijde in een b-water, als:
het perceel over een lengte van meer dan 100 meter grenst aan de watergang;
de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd;
de buislengte maximaal 15 meter bedraagt;
de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt;
de binnenonderkant van de duiker 0,05 meter of dieper onderboven de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en
de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, plaatsen of behouden van objecten op een dam met duiker in een b-water als:
F
Artikel 2.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het verwijderen van een dam met duiker in een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.27 en 2.28 en bij het verwijderen van een dam met duiker in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.28.
Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.29, als:
G
Artikel 2.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding parallel aan een a-water, als de kabel of leiding:
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding haaks op een a-water, als de kabel of leiding op een diepte wordt gelegd van minimaal:
2 meter onder de bodem van een watergang waar beschoeiing aanwezig is;
2,5 meter onder de bodem van een vaarweg;
1 meter onder de bodem van een watergang in andere gevallen;
1 meter onder het talud, gemeten haaks op het taludvlak;
1 meter onder de grond in de beschermingszone; en
1 meter onder een ondersteunend kunstwerk.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een kabel of leiding in een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water, als:
de kabel of leiding bevestigd is aan of samenvalt met een bestaande brug of stuw over het oppervlaktewaterlichaam; of
de kabel of leiding wordt aangelegd bij een ander ondersteunend kunstwerk dan een bestaande brug of stuw, met een afstand van minimaal 0,30 meter tussen het kunstwerk en de kabel of leiding.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding inonder of boven een b-water.
H
Artikel 2.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding parallel aan een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.48 en 2.49.
Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding haaks op een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.48, 2.49 en 2.51.
Bij het verwijderen van een kabel of leiding in een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.48 en 2.50.
Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.48 en 2.49, als de kabel of leiding bevestigd is aan of samenvalt met een bestaande brug of stuw over het oppervlaktewaterlichaam.
Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.48, 2.49 en 2.52, als de kabel of leiding wordt aangelegd bij een ander ondersteunend kunstwerk dan een bestaande brug of stuw, met een afstand van minimaal 0,30 meter tussen het kunstwerk en de kabel of leiding.
Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding inonder of boven een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.48 en 2.50.
I
Afdeling 2.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, verbreden, verdiepen en verdiependempen van oppervlaktewaterlichamen.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, geldt niet voor het aanleggen, verbreden of verdiepen van een oppervlaktewaterlichaam niet zijnde a- of b-wateren, buiten de beschermingszone bij een a-water en buiten beschermd gebied, attentiegebied en beekdal, als daardoor geen directe verbinding ontstaat tussen verschillende peilvakken.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid, geldt niet voor het aanleggen van een poel, als deze:
J
Artikel 2.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Artikel 2.135 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.1, gemeten in een steekmonster.
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l |
|
Naftaleen |
0,2 μg/l |
|
PAK´s |
1 μg/l |
|
BTEX |
50 μg/l |
|
Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor |
20 μg/l |
|
Aromatische organohalogeen-verbindingen |
20 μg/l |
|
Minerale olie |
500 μg/l |
|
Cadmium |
4 μg/l |
|
Kwik |
1 μg/l |
|
Koper |
11 μg/l |
|
Nikkel |
41 μg/l |
|
Lood |
53 μg/l |
|
Zink |
120 μg/l |
|
Chroom |
24 μg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
50 mg/l |
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l |
|
Naftaleen |
0,2 μg/l |
|
PAK´s |
1 μg/l |
|
BTEX |
50 μg/l |
|
Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor |
20 μg/l |
|
Aromatische organohalogeen-verbindingen |
20 μg/l |
|
Minerale olie |
500 μg/l |
|
Cadmium |
4 μg/l |
|
Kwik |
1 μg/l |
|
Koper |
11 μg/l |
|
Nikkel |
41 μg/l |
|
Lood |
53 μg/l |
|
Zink |
120 μg/l |
|
Chroom |
24 μg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
50 mg/l |
Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster.
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l |
|
Naftaleen |
0,2 μg/l |
|
PAK´s |
1 μg/l |
|
Minerale olie |
50 μg/l |
|
Cadmium |
0,4 μg/l |
|
Kwik |
0,1 μg/l |
|
Koper |
1,1 μg/l |
|
Nikkel |
4,1 μg/l |
|
Lood |
5,3 μg/l |
|
Zink |
12 μg/l |
|
Chroom |
2,4 μg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
20 mg/l |
|
Benzeen |
2 μg/l |
|
Tolueen |
7 μg/l |
|
Ethylbenzeen |
4 μg/l |
|
Xyleen |
4 μg/l |
|
Tetrachlooretheen |
3 μg/l |
|
Trichlooretheen |
20 μg/l |
|
1,2-dichlooretheen |
20 μg/l |
|
1,1,1 trichloorethaan |
20 μg/l |
|
Vinylchloride |
8 μg/l |
|
Som van de vijf hierbovenstaande stoffen |
20 μg/l |
|
Monochloorbenzeen |
7 μg/l |
|
Dichloorbenzenen |
3 μg/l |
|
Trichloorbenzenen |
1μg/l |
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l |
|
Naftaleen |
0,2 μg/l |
|
PAK´s |
1 μg/l |
|
Minerale olie |
50 μg/l |
|
Cadmium |
0,4 μg/l |
|
Kwik |
0,1 μg/l |
|
Koper |
1,1 μg/l |
|
Nikkel |
4,1 μg/l |
|
Lood |
5,3 μg/l |
|
Zink |
12 μg/l |
|
Chroom |
2,4 μg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
20 mg/l |
|
Benzeen |
2 μg/l |
|
Tolueen |
7 μg/l |
|
Ethylbenzeen |
4 μg/l |
|
Xyleen |
4 μg/l |
|
Tetrachlooretheen |
3 μg/l |
|
Trichlooretheen |
20 μg/l |
|
1,2-dichlooretheen |
20 μg/l |
|
1,1,1 trichloorethaan |
20 μg/l |
|
Vinylchloride |
8 μg/l |
|
Som van de vijf hierbovenstaande stoffen |
20 μg/l |
|
Monochloorbenzeen |
7 μg/l |
|
Dichloorbenzenen |
3 μg/l |
|
Trichloorbenzenen |
1μg/l |
L
Artikel 2.142 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.3.
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
|
|
Representatief etmaalmonster |
Steekmonster |
|
Biochemisch zuurstofgebruik |
30 mg/l |
60 mg/l |
|
Chemisch zuurstofverbruik |
150 mg/l |
300 mg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
30 mg/l |
60 mg/l |
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
|
|
Representatief etmaalmonster |
Steekmonster |
|
Biochemisch zuurstofgebruik |
30 mg/l |
60 mg/l |
|
Chemisch zuurstofverbruik |
150 mg/l |
300 mg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
30 mg/l |
60 mg/l |
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.4.
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
|
|
Representatief etmaalmonster |
Steekmonster |
|
Biochemisch zuurstofverbruik |
20 mg/l |
40 mg/l |
|
Chemisch zuurstofverbruik |
100 mg/l |
200 mg/l |
|
Totaal stikstof |
30 mg/l |
60 mg/l |
|
Ammoniumstikstof |
2 mg/l |
4 mg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
30 mg/l |
60 mg/l |
|
Fosfor totaal |
3 mg/l |
6 mg/l |
|
Stof |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
Emissiegrenswaarden in mg/l |
|
|
Representatief etmaalmonster |
Steekmonster |
|
Biochemisch zuurstofverbruik |
20 mg/l |
40 mg/l |
|
Chemisch zuurstofverbruik |
100 mg/l |
200 mg/l |
|
Totaal stikstof |
30 mg/l |
60 mg/l |
|
Ammoniumstikstof |
2 mg/l |
4 mg/l |
|
Onopgeloste stoffen |
30 mg/l |
60 mg/l |
|
Fosfor totaal |
3 mg/l |
6 mg/l |
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid:
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:
M
Artikel 2.170 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
N
Artikel 2.172 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster.
O
Artikel 2.173 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.8, gemeten in een steekmonster.
De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.
P
Artikel 3.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Artikel 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening,
De registratieplichtige meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 3.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.
|
Parameter |
Afkorting |
Frequentie |
|
bacteriën van de coligroep |
|
vierwekelijks |
|
Kleur |
|
vierwekelijks |
|
zwevende stof |
SS |
vierwekelijks |
|
geleidingsvermogen voor elektriciteit |
|
vierwekelijks |
|
temperatuur |
T |
vierwekelijks |
|
zuurgraad |
pH |
vierwekelijks |
|
opgelost zuurstof |
O2 |
vierwekelijks |
|
totaal organisch koolstof |
TOC |
vierwekelijks |
|
bicarbonaat |
HCO3 |
vierwekelijks |
|
nitriet |
NO2 |
vierwekelijks |
|
nitraat |
NO3 |
vierwekelijks |
|
ammonium |
NH4 |
vierwekelijks |
|
totaal fosfaat |
Totaal P |
vierwekelijks |
|
fluoride |
F |
driemaandelijks |
|
chloride |
CI |
vierwekelijks |
|
sulfaat |
SO4 |
driemaandelijks |
|
natrium |
Na |
driemaandelijks |
|
ijzer |
Fe |
driemaandelijks |
|
mangaan |
Mn |
driemaandelijks |
|
chroom |
Cr |
driemaandelijks |
|
lood |
Pb |
driemaandelijks |
|
koper |
Cu |
driemaandelijks |
|
zink |
Zn |
driemaandelijks |
|
cadmium |
Ca |
driemaandelijks |
|
arseen |
As |
driemaandelijks |
|
cyanide |
CN |
driemaandelijks |
|
minerale olie |
|
vierwekelijks |
|
adsorbeerbaar organisch halogeen |
AOX |
vierwekelijks |
|
vluchtig organisch gebonden chloor |
VOC |
vierwekelijks |
|
vluchtige aromaten |
|
vierwekelijks |
|
polycyclische aromaten |
PAK |
driemaandelijks |
|
fenolen |
|
driemaandelijks |
|
Parameter |
Afkorting |
Frequentie |
|
bacteriën van de coligroep |
|
vierwekelijks |
|
Kleur |
|
vierwekelijks |
|
zwevende stof |
SS |
vierwekelijks |
|
geleidingsvermogen voor elektriciteit |
|
vierwekelijks |
|
temperatuur |
T |
vierwekelijks |
|
zuurgraad |
pH |
vierwekelijks |
|
opgelost zuurstof |
O2 |
vierwekelijks |
|
totaal organisch koolstof |
TOC |
vierwekelijks |
|
bicarbonaat |
HCO3 |
vierwekelijks |
|
nitriet |
NO2 |
vierwekelijks |
|
nitraat |
NO3 |
vierwekelijks |
|
ammonium |
NH4 |
vierwekelijks |
|
totaal fosfaat |
Totaal P |
vierwekelijks |
|
fluoride |
F |
driemaandelijks |
|
chloride |
CI |
vierwekelijks |
|
sulfaat |
SO4 |
driemaandelijks |
|
natrium |
Na |
driemaandelijks |
|
ijzer |
Fe |
driemaandelijks |
|
mangaan |
Mn |
driemaandelijks |
|
chroom |
Cr |
driemaandelijks |
|
lood |
Pb |
driemaandelijks |
|
koper |
Cu |
driemaandelijks |
|
zink |
Zn |
driemaandelijks |
|
cadmium |
Ca |
driemaandelijks |
|
arseen |
As |
driemaandelijks |
|
cyanide |
CN |
driemaandelijks |
|
minerale olie |
|
vierwekelijks |
|
adsorbeerbaar organisch halogeen |
AOX |
vierwekelijks |
|
vluchtig organisch gebonden chloor |
VOC |
vierwekelijks |
|
vluchtige aromaten |
|
vierwekelijks |
|
polycyclische aromaten |
PAK |
driemaandelijks |
|
fenolen |
|
driemaandelijks |
Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt:
De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.
Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet:
Het bepaalde in dit artikel geldt niet voor grondwateronttrekkingsactiviteiten met een pompcapaciteit van maximaal 10 m3 per uur, voor zover ten hoogste 50.000 m3 per jaar wordt onttrokken.
R
Artikel 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland, als:
de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten beschermd gebied, attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000;
de pompcapaciteit per onttrekkingsinrichting maximaal 70 m3 per uur is;
er maximaal 1 put per 5 hectare aanwezig is; en
de put niet dieper is dan:
aangegeven op de Kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen; of
30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland, als:
de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten beschermd gebied, attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000;
de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is; en
de put niet dieper is dan:
aangegeven op de Kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen; of
30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland als:
de onttrekkingsinrichting gelegen is in attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000;
de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is;
de put niet dieper is dan:
aangegeven op de Kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen; of
30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn.
de onttrekkingsinrichting voor 1 september 2024 is gemeld,; en;
uit die melding blijkt dat de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2023 aanwezig was.
S
Artikel 5.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt, als:
de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten beschermd gebied, attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000;
de pompcapaciteit per onttrekkingsinrichting maximaal 100 m3 per uur is;
er maximaal 1 put per 5 hectare aanwezig is; en
de put niet dieper is dan:
aangegeven op de Kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen; of
30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt, als:
de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten beschermd gebied, attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000;
de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is; en
de put niet dieper is dan:
aangegeven op de Kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen; of
30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.2, eerste, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt als:
de onttrekkingsinrichting gelegen is in attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000;
de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is;
de put niet dieper is dan:
aangegeven op de Kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen; of
30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn.
de onttrekkingsinrichting voor 1 september 2024 is gemeld,; en;
uit die melding blijkt dat de onttrekkingsinrichting voor 1 juli 2023 aanwezig was.
T
Artikel 5.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het onttrekken van grondwater voor bronbemaling wordt voldaan aan de artikelen 5.42 en 5.44, als de activiteit vergunningvrij is op grond van artikel 5.40, eerste, tweede, derde of vierde lid.
Bij het onttrekken van grondwater voor bronbemaling wordt voldaan de artikelen 5.43 en 5.44, als:
de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten beschermd gebied, attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000;
de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is; en
de put niet dieper is dan:
aangegeven op de Kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen; of
30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn.
U
Artikel 5.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De verlaging van de grondwaterstand en de hoeveelheid water die onttrokken wordt, zijn niet groter dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van het werk, maar de verlaging bedraagt niet meer dan 50 cm onder het funderingsniveau van een desbetreffend bouwonderdeel of sleufbodem.
De onttrekking duurt niet langer dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van het werk.
V
Artikel 5.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het uitvoeren van een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 5.48 en 5.50, als de activiteit vergunningvrij is op grond van artikel 5.46, tweedeeerste en derdetweede lid.
Bij het uitvoeren van een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 5.49 en 5.50, als:
de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten beschermd gebied;
de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is; en
de put niet dieper is dan:
aangegeven op de Kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen; of
30 meter wanneer er geen afscheidende lagen aanwezig zijn.
W
Artikel 5.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De verlaging van de grondwaterstand en de hoeveelheid water die onttrokken wordt, zijn niet groter dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van het werk, maar bedraagt niet meer dan 50 cm onder het ontgravingsniveau dat benodigd is voor verwijdering van de verontreinigde grond.
De onttrekking duurt niet langer dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van de grondwatersanering.
X
Artikel 5.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is onverminderd het elders bepaalde in dit hoofdstuk verboden grondwater te onttrekken zonder dit tenminste 4 weken voor het begin ervan te melden.
Onttrekkingen die voldoen aan artikel 5.52 tweede of derde lid moeten worden gemeld overeenkomstig het door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier.
Het bepaalde in het voorgaande lid geldt niet voor tijdelijke bronbemalingen, grondwatersaneringen en brandblusvoorzieningen.
Y
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage IV
onderbreken van de afvoer van op bestaand verhard oppervlak vallend hemelwater via een gemengde of verbeterd gescheiden riolering naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie
(overwegend) verticale afrastering van niet-levend materiaal
afdichtende of slecht waterdoorlatende bodemlaag
kunststof doek dat wel water maar geen licht en wortelgroei doorlaat
plan van waterconserverende of waterbesparende maatregelen dat wordt opgesteld en uitgevoerd door of namens de houder van een onttrekkingsinrichting of degene die grondwater onttrekt, conform een door het bestuur vastgesteld model
De hoeveelheid oppervlaktewater die maximaal in de boezem of in de polder kan worden geborgen tussen het peil en de maximaal toelaatbare waterstand.
voorziening die moet worden aangelegd om te voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem
grondkerende constructie in de oeverlijn/talud om de oever/talud tegen afkalving te beschermen
dagelijks bestuur van waterschap De Dommel
beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de bodem; brandblusvoorziening: voorziening die permanent aanwezig is, maar slechts in noodsituaties benut wordt ten behoeve van voor bluswatervoorziening
uit de bodem of bouwputten onttrekken van grondwater door middel van een pomp; brug: werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam
hellend vlak van een waterkering aan de waterkerende zijde
alle oppervlaktewaterlichamen die geen a-water of b-water zijn
een gewas/plant die zijn levenscyclus voltooit van kieming tot zaad binnen één jaar. De plant sterft na de zaadzetting af, zoals bij zomertarwe, of gaat aan het eind van het jaar dood.
Bouwwerken die op eenvoudige wijze (c.q. tegen geringe kosten) te verplaatsen of te verwijderen zijn. Voorbeelden hiervan zijn speeltoestellen, prefab tuinhuisjes, hekwerken, tuinmuurtjes, demontabele zwembaden, brievenbussen, palen e.d. zonder zware funderingsconstructie.
een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals een waterstaatswerk diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd
dak dat bedekt is met vegetatie met een waterbergende functie
beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater
deel van een kabel of leiding dat een directe verbinding vormt tussen één specifiek pand (gebouw met een BAG-adres) en het distributienet van de netbeheerder
in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater
het als zodanig in de legger aangegeven snijpunt van de lijn van talud en maaiveld, dan wel de lijn van een oppervlaktewaterlichaam waar talud en maaiveld elkaar snijden
het punt op de binnengrens van een beschermingszone bij een oppervlaktewaterlichaam, dan wel, bij afwezigheid van een beschermingszone, het punt waar de lijnen van het maaiveld en het talud van een oppervlaktewaterlichaam elkaar snijden
ISO 5815-1:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2003
voorziening voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteitssignaal en telecommunicatievoorzieningen
mediumvoerende buisconstructie, die geen lozingswerk is en die niet in open verbinding staat met oppervlaktewater
begroeiing met enige aanhangende (bagger)specie, die vrijkomt bij het uitvoeren van onderhoud
oever die zo is aangelegd of wordt gewijzigd dat deze niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken
NEN 6600-1:2009: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2009
NEN 6633:2007: Water en (zuiverings)slib – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), versie 2007
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectro- metrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005
NEN-EN 1899-1:1998: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BODn) – Deel 1: Verdunnings- en entmethode met toevoeging van allylthioreum, versie 1998
NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001
NEN-EN-ISO 5667-3:2012: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2012
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concen- tratie, versie 2012
NEN-EN-ISO 13395:1997: Water – Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatogra- fische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwater- stoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotome- trische of potentiometrische detectie, versie 2001
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013
ander oppervlaktewaterlichaam dan een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage II
werk dat van belang is voor de taakuitoefening van het waterschap, voor de waterkering of voor het functioneren van de waterhuishouding
onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een werk
weg in beheer van een overheid
bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam of het talud is geplaatst
relatief klein oppervlaktewaterlichaam met een natuurdoelstelling, in hoofdzaak een ecologische functie ten behoeve van amfibieën
het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur
alle in de bodem aangebrachte buizen met boorgat en doorlatende filters;regulier onderhoud: periodiek uit te voeren werkzaamheden om de aan een perceel gegeven bestemming in stand te kunnen houden
de houder van een omgevingsvergunning op grond van deze verordening, zoals bedoeld in de Omgevingswet, voor een wateronttrekkingsactiviteit inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, dan wel het brengen van water in de bodem, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening;
degene die voor de onttrekking van grondwater de op grond van deze verordening voorgeschreven melding heeft gedaan en/of gegevens heeft verstrekt, of;
degene voor wie de onttrekking van grondwater heeft plaatsgevonden.
oppervlakkig, over een kleine diepte weghalen van de grond
bronbemaling ten behoeve van een smalle, meestal voortschrijdende bouwput
bij onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen vrijkomende grond inclusief daarin voorkomende stoffen
constructie die over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel
hellend oppervlak van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen
de als zodanig in de legger aangegeven lijn van de onderrand van een waterkering, dan wel de lijn waar talud en maaiveld elkaar snijden
wijziging van onverhard naar verhard oppervlak
inrichting voor het drenken van vee waarvan de pomp niet mechanisch wordt aangedreven
al het oppervlak dat er voor zorgt dat water sneller tot afvoer komt
constructie op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam;waterhuishoudkundige functie: functie die de provincie of het waterschap aan het waterstaatswerk heeft toegekend
alle door menselijk toedoen ontstane of gemaakte constructies of inrichtingen, inclusief bouwwerken, en restanten daarvan
bord dat markeert waar een leiding of kabel een watergang ondergronds doorkruist
Z
Na bijlage IV worden drie bijlagen ingevoegd, luidende:
Gegevens van het bedrijf
Naam bedrijf:
Naam en voorletter(s):
Adres:
Postcode en woonplaats:
Telefoon:
E-mailadres:
Indien bedrijfswaterplan is ingevuld door een gemachtigd adviseur
Naam en voorletter(s) adviseur:
Adres:
Postcode en woonplaats:
Telefoon:
Emailadres:
Naar waarheid ingevuld
Enkel vereist indien het bedrijfswaterplan wordt meegestuurd bij een papieren melding of vergunningaanvraag.
Naam:
Datum:
Handtekening:
...............................
Waarom een bedrijfswaterplan?
Beschikbaarheid van voldoende water is een belangrijke voorwaarde om goed te kunnen ondernemen. Tegelijk is Brabant een gebied dat kwetsbaar is voor perioden van droogte. Grondwater voor beregening is dan een belangrijke bron om op terug te kunnen vallen. We willen tot in lengten van jaren gebruik kunnen maken van het kostbare grondwater. Niet alleen voor landbouw, maar ook voor drinkwater en natuur. Slim en zuinig omgaan met het grondwater is dan van groot belang. Door het regenwater zo lang mogelijk vast te houden kunnen we de noodzaak van beregenen uitstellen. Iedereen kan en moet zijn of haar steentje daar aan bijdragen. Pas dan heeft het rendement. Daarnaast is efficiënt gebruik van grondwater net zo belangrijk, niet in het minst om daarmee kosten voor beregening te besparen. Per 26 februari 2015 heeft het waterschap nieuw beleid voor beregenen uit grondwater vastgesteld. Dit nieuwe beleid biedt meer flexibiliteit in het gebruik van grondwater zodat dit beter aansluit bij uw bedrijfsvoering. Maar het koppelt dit één op één aan de vereiste om ook water te conserveren en/of te besparen. En dat laatste kunt u via dit bedrijfswaterplan aangeven. Daarmee is het bedrijfswaterplan nodig om met meer flexibiliteit te mogen beregenen met grondwater. Het bedrijfswaterplan stuurt u als bijlage mee met de melding of vergunningaanvraag. Zonder het bedrijfswaterplan wordt de melding niet geaccepteerd of vergunning niet verleend.
Wat staat er in het bedrijfswaterplan?
Het bedrijfswaterplan kent twee onderdelen:
Met het bedrijfswaterplan geeft u aan welke waterconserverende en/of waterbesparende maatregelen u heeft doorgevoerd. Het aantal te nemen maatregelen varieert van 1 t/m 3 afhankelijk van het gebied en de bedrijfsomvang.
Met het bedrijfswaterplan geeft u een doorkijk van de waterhuishouding van uw bedrijf. Op welke posten van de waterbalans is nog winst te boeken ten aanzien van zuinig gebruik en conservering van (grond)water? Heeft u ook nagedacht over wat u wellicht met anderen samen kunt afspreken in groepsverband? Als u deze nu op het netvlies heeft, kunt u deze makkelijker meenemen bij toekomstige aanpassingen aan/investeringen in uw bedrijf. In het bedrijfswaterplan is ruimte opgenomen voor deze informatie.
Contact en adviesmogelijkheid
We hebben het bedrijfswaterplan in samenspraak met de ZLTO zo simpel mogelijk gehouden. Toch kan het goed zijn dat u nog vragen heeft bij het invullen. Hierbij kunnen de laatste pagina’s met een stappenplan en toelichting helpen. Daarnaast kunt u voor vragen terecht bij het proces vergunningverlening van het waterschap (0411-618618) of via de website www.dommel.nl en voor advies bij de ZLTO.
|
Maatregel
|
Uitgevoerd (aanvinken) |
|
|
1. |
Water vasthouden in kavelsloot door |
|
|
|
een LOP-stuw |
|
|
|
verhogen van een duiker met ten minste 20 cm |
|
|
|
verhogen van een slootbodem met ten minste 20 cm over een lengte van ten minste 50 m |
|
|
|
dempen sloot over lengte van ten minste 50 m |
|
|
2. |
Vervangen van de aanwezige drainage binnen het bedrijf voor peilgestuurde drainage |
|
|
3. |
Drainagewater opnieuw benutten *) |
|
|
4. |
Afkoppelen en infiltreren van schoon hemelwater dat valt op het dakoppervlak van de bedrijfsgebouwen |
|
|
5. |
Aanleg van een doorlopende grondwal rondom een perceel van minimaal 1 hectare. |
|
|
6. |
Verhogen van het watervasthoudend vermogen van de bodem *) |
|
|
7. |
Opslag en hergebruik van hemelwater in een bassin |
|
|
8. |
Gebruik restwater van derden *) |
|
|
9. |
Zuinig beregenen via een beregeningssysteem (bijvoorbeeld Beregeningssignaal) |
|
|
10. |
Anders, hieronder toelichten *) |
|
Toelichting maatregel
Indien er een *) achter de maatregel staat, geeft u dan hieronder aan kort hoe u dat uitgevoerd heeft. Valt de door u gerealiseerde maatregel onder de categorie nr. 10 “anders” , dan dient u die maatregel zelf hieronder ook te beschrijven. Geeft u daarbij in elk geval aan op welke wijze deze maatregel water conserveert en/of bespaart.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Locatie maatregel
Dat kan via http://www.gpscoordinaten.nl/bepaal-gps-coordinaten.php.
Zaaknummer vergunning(en)
Indien voor de realisatie van de maatregel een vergunning vereist is vanwege andere regelgeving.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
|
Maatregel
|
Uitgevoerd (aanvinken) |
|
|
1. |
Water vasthouden in kavelsloot door |
|
|
|
een LOP-stuw |
|
|
|
verhogen van een duiker met ten minste 20 cm |
|
|
|
verhogen van een slootbodem met ten minste 20 cm over een lengte van ten minste 50 m |
|
|
|
dempen sloot over lengte van ten minste 50 m |
|
|
2. |
Vervangen van de aanwezige drainage binnen het bedrijf voor peilgestuurde drainage |
|
|
3. |
Drainagewater opnieuw benutten *) |
|
|
4. |
Afkoppelen en infiltreren van schoon hemelwater dat valt op het dakoppervlak van de bedrijfsgebouwen |
|
|
5. |
Aanleg van een doorlopende grondwal rondom een perceel van minimaal 1 hectare. |
|
|
6. |
Verhogen van het watervasthoudend vermogen van de bodem *) |
|
|
7. |
Opslag en hergebruik van hemelwater in een bassin |
|
|
8. |
Gebruik restwater van derden *) |
|
|
9. |
Zuinig beregenen via een beregeningssysteem (bijvoorbeeld Beregeningssignaal) |
|
|
10. |
Anders, hieronder toelichten *) |
|
Toelichting maatregel
Indien er een *) achter de maatregel staat, geeft u dan hieronder aan kort hoe u dat uitgevoerd heeft. Valt de door u gerealiseerde maatregel onder de categorie nr. 10 “anders” , dan dient u die maatregel zelf hieronder ook te beschrijven. Geeft u daarbij in elk geval aan op welke wijze deze maatregel water conserveert en/of bespaart.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Locatie maatregel
Dat kan via http://www.gpscoordinaten.nl/bepaal-gps-coordinaten.php.
Zaaknummer vergunning(en)
Indien voor de realisatie van de maatregel een vergunning vereist is vanwege andere regelgeving.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
|
Maatregel
|
Uitgevoerd (aanvinken) |
|
|
1. |
Water vasthouden in kavelsloot door |
|
|
|
een LOP-stuw |
|
|
|
verhogen van een duiker met ten minste 20 cm |
|
|
|
verhogen van een slootbodem met ten minste 20 cm over een lengte van ten minste 50 m |
|
|
|
dempen sloot over lengte van ten minste 50 m |
|
|
2. |
Vervangen van de aanwezige drainage binnen het bedrijf voor peilgestuurde drainage |
|
|
3. |
Drainagewater opnieuw benutten *) |
|
|
4. |
Afkoppelen en infiltreren van schoon hemelwater dat valt op het dakoppervlak van de bedrijfsgebouwen |
|
|
5. |
Aanleg van een doorlopende grondwal rondom een perceel van minimaal 1 hectare. |
|
|
6. |
Verhogen van het watervasthoudend vermogen van de bodem *) |
|
|
7. |
Opslag en hergebruik van hemelwater in een bassin |
|
|
8. |
Gebruik restwater van derden *) |
|
|
9. |
Zuinig beregenen via een beregeningssysteem (bijvoorbeeld Beregeningssignaal) |
|
|
10. |
Anders, hieronder toelichten *) |
|
Toelichting maatregel
Indien er een *) achter de maatregel staat, geeft u dan hieronder aan kort hoe u dat uitgevoerd heeft. Valt de door u gerealiseerde maatregel onder de categorie nr. 10 “anders” , dan dient u die maatregel zelf hieronder ook te beschrijven. Geeft u daarbij in elk geval aan op welke wijze deze maatregel water conserveert en/of bespaart.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Locatie maatregel
Dat kan via http://www.gpscoordinaten.nl/bepaal-gps-coordinaten.php.
Zaaknummer vergunning(en)
Indien voor de realisatie van de maatregel een vergunning vereist is vanwege andere regelgeving.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Analyse waterhuishouding bedrijf
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Optie extra maatregel 1
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Optie extra maatregel 2
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Optie extra maatregel 3
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
Stap 1
Maatregelen treffen
U neemt één of meerdere waterconserverende/waterbesparende maatrelen. Conform het aantal dat hoort bij uw bedrijfsomvang. Zie onderstaande tabel.
|
Bedrijfsomvang |
Aantal maatregelen |
|
|
Poldergebieden |
Zandgronden |
|
|
0 - 100 ha |
1 |
2 |
|
> 100 ha |
1 |
3 |
Verderop vindt u een overzicht van mogelijke maatregelen die u kunt treffen. Het kan goed zijn dat de maatregel die u voor ogen heeft niet op de lijst staat. Dat is geen probleem. Het is dan van belang dat u de maatregel goed omschrijft en aannemelijk maakt dat deze water conserveert en/of bespaart. Eén type maatregel kan op meerdere plekken worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld LOP-stuwen in twee verschillende sloten. Dat geldt dan als twee maatregelen. Het kan zijn dat u een vergunning nodig heeft voor de realisatie van de maatregel(en). We adviseren hierover navraag te doen bij het waterschap. Indien relevant vragen wij u het nummer van de betreffende vergunning ook aan te geven in dit bedrijfswaterplan.
Stap 2 Bedrijfswaterplan invullen
Op het moment dat u de maatregel(en) heeft uitgevoerd kunt u deze opnemen in het bedrijfswaterplan. Het bedrijfswaterplan dient u als bijlage bij de of vergunning in. Zonder het bedrijfswaterplan zal uw melding niet worden geaccepteerd of uw vergunning worden verleend. Indien u de melding of vergunning digitaal indient (www.omgevingsloket.nl) hoeft u het bedrijfswaterplan zelf niet meer te ondertekenen. Dat doet u namelijk al automatisch via uw Digi-D. Indien u de melding of vergunning op papier indient, moet u het bedrijfswaterplan wel ondertekenen en meesturen.
Stap 3 Bedrijfswaterplan opnemen bij de melding/vergunning
Het waterschap zal de melding/vergunningaanvraag inclusief het bedrijfswaterplan in ontvangst/behandeling nemen. Hiervan krijgt u een ontvangstbevestiging.
Stap 4 Na akkoord van het waterschap kunt u flexibeler beregenen
Indien het bedrijfswaterplan en de melding/vergunning conform de vereisten zijn ingevuld, zal het waterschap uw melding bevestigen of een besluit nemen op uw vergunningaanvraag. Daarvan krijgt u een brief. Pas dan kunt u beregenen onder de voorwaarden die horen bij de melding of vergunning.
In onderstaande lijst zijn de maatregelen omschreven die u kunt nemen in ruil voor flexibiliteit in grondwaterberegening. Het zijn maatregelen die bijdragen aan het conserveren van en zuinig omgaan met water. Door maatregelen in uw lokale watersysteem of veranderingen in de bedrijfsvoering. De maatregelen in deze lijst zijn opgenomen in samenspraak met de belangenorganisaties voor de landbouw en natuur.
Daarbij zijn de volgende criteria gehanteerd. De maatregel:
conserveert / bespaart water
is structureel toepasbaar en zichtbaar
de maatregel staat niet haaks op ander beleid of regelgeving van het waterschap (hoewel soms wel een vergunning nodig is voor realisatie)
Conserveren van (hemel)water
Water vasthouden in een kavelsloot door:
Vervangen van bestaande drainage voor peilgestuurde drainage.
Drainagewater niet laten wegstromen maar opnieuw benutten binnen eigen bedrijf of door omliggende bedrijven. Dat kan bijvoorbeeld door het op een droger perceel opnieuw te laten infiltreren.
Afkoppelen van schoon hemelwater van bedrijfsgebouwen en laten infiltreren in de bodem. Dat betekent dat het hemelwater dus niet direct afgevoerd wordt op een leggerwatergang.
Aanleg van een doorlopende grondwal rondom het perceel in het winterhalfjaar. Met de bedoeling om neerslag in de winter op te vangen en daarmee te voorkomen dat het versneld oppervlakkig afstroomt en er voor te zorgen dat het regenwater infiltreert.
Vergroten van het watervasthoudend vermogen in de bodem. Bijvoorbeeld door het verhogen (of tegengaan daling) organische stofgehalte van de bodem.
Opslag van hemelwater in een bassin, vijver en/of plas dat op eigen terrein ligt of in samenspraak met de betreffende grondeigenaar. Hier heeft u mogelijk een ontgrondingsvergunning voor nodig van de provincie. In een aantal gevallen kan volstaan worden met een melding op grond van de Verordening Ontgrondingen provincie Noord-Brabant. Voor meer informatie verwijzen wij u naar
www.brabant.nl/ontgrondingen.
Zuinig en/of efficiënt gebruik van water
Het gebruiken van (rest)water van derden dat anders via het oppervlaktewatersysteem zou zijn afgevoerd. Dan kan gedacht worden aan permanente onderbemaling of schoon restwater (bijv. proceswater) van bedrijven. Bedacht dient te worden dat u hiermee wel afhankelijk wordt van deze waterbron voor de mogelijkheid om te beregenen. Indien de onderbemaling om welke reden dan ook overbodig wordt, vervalt ook uw maatregel in dit bedrijfswaterplan. Daarmee voldoet u niet meer aan de voorwaarden om te mogen beregenen.
Zuinig beregenen door het structureel toepassen van:
beregeningssignaal (http://www.zlto.nl/item/10067/Beregeningssignaal)
druppelbevloeiing of vergelijkbare zuinige technieken
Accepteren van hogere stuwpeilen in de categorie A oppervlaktewaterlichamen.
AA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Verhouding tussen algemene regels en de omgevingsvergunning
In de waterschapsverordening wordt er ook voor het grondwaterbeheer veel met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening.
In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is.
Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn.
Algemene uitgangspunten grondwaterbeheer
Gelet op de kaders en doelstellingen van de Omgevingswet heeft het grondwaterbeheer dat door de waterschappen wordt uitgevoerd vier pijlers:
- Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.
- Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.
- Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem.
- Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infiltreren, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden.
Adequaat voorraadbeheer
Er is in feite geen sprake van één grondwatervoorraad. Vanwege de gelaagde opbouw van de bodem is er onderscheid te maken naar meerdere voorraden die naar diepte te onderscheiden zijn. Daarnaast zijn er regionale verschillen, onder andere door de aanwezigheid van geologische breuklijnen in de ondergrond. De slecht doorlatende lagen die over het algemeen de verschillende grondwaterlagen van elkaar scheiden, zijn per gebied verschillend van diepteligging en dikte. Daarnaast zijn er ook gebieden waar er openingen aanwezig zijn, dus er uitwisseling is tussen verschillende watervoerende lagen. Het waterschap voert daarom een gebiedsgericht beleid waarbij de regels voor bijvoorbeeld de diepte van onttrekken per gebied anders zijn.
Voor de benutting van de grondwatervoorraden blijft het uitgangspunt dat schoon grondwater een schaars goed is wat beschermd moet worden tegen uitputting. De betere voorraden, dat wil zeggen de diepere lagen blijven primair bestemd voor hoogwaardig gebruik, menselijke consumptie. Dit betekent dat het gebruik van grondwater voor andere doeleinden een sluitstuk van de watervoorziening is, conform de voorkeursvolgorde:
1. zuinig watergebruik (o.a. door waterconservering);
2. benutten gebiedseigen water;
3. wateraanvoer;
4. en dan pas grondwater.
In het algemeen betekent dat, dat de diepere lagen voor hoogwaardig gebruik gereserveerd wordt, en dat andere gebruiksvormen door middel van de ondiepere lagen gefaciliteerd wordt. Hierbij speelt ook de overweging mee dat de diepere lagen ook beter te beschermen zijn tegen verontreiniging door de bovenliggende slecht doorlatende lagen te beschermen tegen doorboring. Daarnaast geldt in het algemeen dat het gebruik van grondwater sluitstuk is in de watervoorziening voor functies en dat als grondwater gebruikt wordt, dit zo zuinig mogelijk gebeurt.
Bescherming van de kwaliteit van het grondwater wordt, net als voorheen, vormgegeven door het doorboren van de scheidende lagen in de bodem zo veel mogelijk tegen te gaan. De kwalitatief hoogwaardige diepere lagen blijven primair voor de drinkwatervoorziening bestemd. Een bijzonder onderdeel vormt het drinkwaterbeschermingsbeleid. Dit is primair de taak en verantwoordelijkheid van de provincie (omgevingsverordening), maar dat neemt niet weg dat het waterschap hiermee rekening dient te houden. Het waterschap doet dit door haar regelgeving aan te laten sluiten op de omgevingsverordening van de provincie.
Samenhangend beheer van grond- en oppervlaktewaterlichamen
Voor de watervoorziening voor gebruiksfuncties wordt in tweede en derde instantie een beroep gedaan op het oppervlaktewatersysteem doordat eerst gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen en vervolgens wateraanvoer, alvorens uit te wijken naar het gebruik van grondwater. Dit betekent dat er per definitie een relatie is tussen grondwater en het oppervlaktewatersysteem, wat ook weer gebiedspecifieke verschillen kent. Zo ligt in poldergebieden de nadruk veel sterker op wateraanvoer dan op de hoge zandgronden.
Lokale nadelige effecten tegengaan
Ondanks de regionale schaal van de hoofdlijnen van het beleid, zal er nog steeds aandacht moeten zijn voor de lokale effecten die een onttrekking kan hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat een onttrekking voor een gebruiksfunctie strijdig is met een naastgelegen functie. Dit kan zich in principe overal voor doen, maar komt op twee soorten gebieden nadrukkelijker naar voren: in en rond natuurgebieden (met name natte natuurparels) en in het stedelijk gebied. De vrijstellingen van de vergunningplicht in dit hoofdstuk worden gegeven op basis van een goede borging van de taken van het waterschap. De wijze van uitvoering van een grondwateronttrekking kan schade veroorzaken, ook aan bezit van derden. De waterschapsverordening is niet het middel om dit te regelen. Het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor voldoende aanknopingspunten. Wij raden initiatiefnemers aan om goed met de omgeving om te gaan en af te stemmen.
Gebieden met beschermende regels
Voor de gebieden met beschermende regels die in de waterschapsverordening zijn aangewezen geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid conform het provinciaal beleid. Dit betekent dat alle ingrepen in dergelijke gebieden in beginsel vergunningplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. Dit betekent dat in de paragrafen over specifieke activiteiten voor diverse handelingen de vrijstelling, en daarmee ook de algemene regels, alleen gelden buiten de gebieden met beschermende regels. Uitzonderingen zijn ingrepen die een dermate beperkt en tijdelijk effect hebben dat deze geen bedreiging vormen voor het beoogde doel van het standstill-beleid, niet op zichzelf en ook niet cumulatief. Dit geldt uiteraard wel zolang voldaan wordt aan de kaderstellende algemene regels die als waarborg zijn opgenomen voor de vrijgestelde activiteiten. Sommige van deze activiteiten waren al toegestaan, zoals brandblusvoorzieningen (voorheen noodvoorzieningen genoemd), en sommige activiteiten zijn nieuw, zoals sleufbemaling.
Bevoegdheden ten aanzien van putten op grond van de Omgevingswet en Besluit bodemkwaliteit
Vanuit het oogpunt van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater, stuurt het waterschap niet alleen op de hoeveelheden grondwater die onttrokken wordt (of de hoeveelheid water die geïnfiltreerd wordt), maar ook op de plaats en de diepte waarop dit gebeurt. Dit betekent dat het waterschap op grond van de Omgevingswet ook regels stelt aan putten die deel uitmaken van een onttrekkingsinrichting. Op putten is tevens hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Beide kaders hebben een andere achtergrond en andere aangrijpingspunten, maar liggen wel in elkaars verlengde. Aangezien krachtens hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit al landelijke regels gelden voor het boren, beheren en verwijderen van putten alsmede regels voor de bedrijven die deze werkzaamheden mogen uitvoeren, hoeft en kan het waterschap daar geen nadere regels over op te nemen. De regels die het waterschap krachtens de Omgevingswet stelt hebben dan ook louter tot doel te sturen op de diepte en locatie(s) waarop grondwater wordt onttrokken vanwege adequaat grondwatervoorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Dat er een zeker raakvlak kan zijn tussen beide wettelijke kaders is daarbij noch onvermijdelijk noch onoverkomelijk.
Gebiedsgericht grondwaterbeleid
Het grondwater in Brabant kende voorheen geen gebiedspecifieke invulling, behalve dan de beschermde gebieden en attentiegebieden. Zodoende gold er bijvoorbeeld één norm voor de maximaal gewenste diepte van onttrekkingen voor de hele provincie (30 meter resp. maximaal 80 meter), ongeacht de regionale bodemopbouw en aanwezige watervoerende pakketten. Het grondwater werd feitelijk benaderd als één groot watervoerend pakket in 2 delen, die homogeen is over de hele provincie. In de praktijk is dit een veel te eenvoudige benadering, waardoor het grondwaterbeheer onvoldoende recht deed aan de beoogde hogere doelstellingen, met name die van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de diepere lagen tegen verontreiniging ten behoeve van menselijke consumptie (hoogwaardig gebruik). Daarnaast was er geen relatie met het oppervlaktewaterbeheer. In het huidige beleid is wel een regionale gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd, waarbij aangesloten is bij de geologische opbouw van de bodem, de aanwezige watervoerende lagen en het oppervlaktewaterbeheer. Daarbij is getracht de gebiedsindeling nog steeds zo eenvoudig mogelijk te houden met het oog op de toepassing van waterschapsverordening. De gebiedsindeling is tot stand gekomen door allereerst een onderscheid te maken tussen peilbeheerste gebieden (polders) en de overige, vrij afwaterende gebieden. In polders is immers wateraanvoer mogelijk (en dus minder noodzaak voor grondwatergebruik) en deze gebieden kennen veelal ook een andere bodemopbouw. Vervolgens zijn de twee meest relevante geologische breuklijnen als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze-Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond.
Ten behoeve van de duidelijkheid van regelgeving, zijn de aldus ontstane grenzen vervolgens op perceelsniveau begrenst, aan de hand van herkenbare grenzen aan het maaiveld zoals wegen of kadastrale grenzen. Een ieder die een handeling voornemens is te gaan doen, moet immers eenvoudig kunnen vaststellen in welk gebied die handeling valt en dus welke regels van toepassing zijn. De genoemde grenzen zijn aangegeven op de kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen, waarnaar ook in de tekst van de verordening verwezen wordt.
Per gebied is aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Dit komt in de plaats van de vaste 30 meter en 80 meter die in het provinciaal beleid zijn opgenomen. Het doel is echter nog steeds hetzelfde. De grenzen 30 meter en 80 meter waren immers door de provincie gekozen als een makkelijk na te meten vertaling van de beoogde watervoerende pakketten. Het gevolg was echter wel dat door een gemiddelde aan te houden deze diepten niet aansloten bij wat er regionaal daadwerkelijk aanwezig was. Daarnaast is de doorlatendheid van watervoerende pakketten steeds verschillend. Voor sommige gebruiksfuncties, zoals brandblusvoorzieningen, is de ondiepe laag niet doorlatend genoeg om de wettelijk vereiste debieten bluswater te kunnen leveren. Voor brandblusvoorzieningen bijvoorbeeld betekende dat er dan vaak alsnog gemotiveerd afgeweken moest worden in de vergunning. Door echter uit te gaan in de regelgeving van de watervoerende pakketten in plaats van vaste diepten wordt nog steeds het beoogde doel nagestreefd volgens de oorspronkelijk achterliggende redenatie, maar sluit de regelgeving beter aan op het regionale grondwatersysteem. Bovendien gelden ondertussen landelijke regels voor het boren, beheren en verwijderen van putten en mogen alleen erkende bedrijven putten aanleggen, wat eveneens via landelijke regels geborgd is. Deze bedrijven zijn bekend met deze werkwijze. De noodzaak om via vaste, ook voor leken makkelijk na te meten diepten te reguleren en handhaven, is daarmee afgenomen. Bovendien gaan landelijke regels en richtlijnen ook steeds meer uit van watervoerende pakketten als referentie, in plaats van vaste diepten. Vaste waarden voor de te onttrekken diepte is alleen relevant op plaatsen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan, omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor, zodat daar voor de duidelijkheid wel een maximale diepte in meters is opgenomen. Daarbij is aangesloten bij het provinciale kaderstellende beleid.
Bij het toekennen van watervoerende pakketten is het voor sommige gebruiksfuncties in sommige deelgebieden nodig toch nog een nader onderscheid te maken, met name vanwege de doorlatendheid van de bodem zoals hierboven aangegeven. Het uitgangspunt blijft echter nog steeds dat er zo ondiep mogelijk onttrokken moet worden en diepere lagen voor de meer hoogwaardige functies te reserveren. Dit komt tot uiting door in sommige gevallen twee diepten aan te wijzen in een gebied. De meest ondiepe laag voor kleine onttrekkingen, graslandberegening en dergelijke, en een iets diepere laag voor de andere functies zoals brandblusvoorzieningen. De ondiepere laag heeft over het algemeen een lagere doorlatendheid die deze minder geschikt maakt voor onttrekkingen met een hoger debiet zoals een brandblusvoorziening. Deze lagere doorlatendheid is in het algemeen echter niet te zeer beperkend voor onttrekkingen met een laag debiet zoals kleine onttrekkingen en graslandberegening. Overigens is deze redenatie niet geheel nieuw, want ook in het vorige stelsel van keur en beleidsregels kwam dit onderscheid terug via een maximale diepte van 30 meter voor bijvoorbeeld kleine onttrekkingen en maximaal 80 meter voor bijvoorbeeld industrie.
BB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Na sectie ' Aanwijzing vergunningplichtige gevallen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In een oppervlaktewaterlichaam zijn soms constructies opgenomen die een waterstaatskundig doel hebben (bijvoorbeeld een stuw, een sluis of een gemaal) of nodig zijn om andere functies te faciliteren (bijvoorbeeld een duiker om de toegang tot een perceel te regelen). Al deze constructies worden samengevat onder de term ondersteunende kunstwerken. Voor de volledigheid, de volgende ondersteunende kunstwerk worden onderscheiden:
Gemaal: kunstwerk om water van een lager naar een hoger niveau te brengen. Het brengt of houdt water in een peilgebied op een bepaald peil.
Stuw: regelbaar kunstwerk om water in een oppervlaktewater tot op een bepaalde hoogte op te stuwen of te zorgen dat het waterpeil niet boven een bepaalde hoogte komt.
Overlaat: niet regelbare stuw.
Sluis: kunstwerk in een waterkering tussen twee oppervlaktewateren met een verschillend waterpeil, dat dient om water te keren, maar dat door een beweegbaar mechanisme ook water of schepen kan laten passeren.
Duiker: kokervormige constructie die ligt in een weg of toegangsdam en is bedoeld om oppervlaktewateren met elkaar te verbinden.
Sifon (ook wel een onderleider genoemd): duiker waarmee water van het ene oppervlaktewater (meestal) onder een ander oppervlaktewater door loopt. Een sifon wordt bijvoorbeeld aangelegd om water met verschillende kwaliteiten van elkaar de scheiden of wanneer een gebied met eenzelfde peil wordt doorsneden door een oppervlaktewater met een ander peil.
Afsluiter: kunstwerk bedoeld om water onder vrij verval in het gebied in te laten. Een inlaat heeft meestal aan één zijde een schuif of klep die kan worden opengezet om water binnen te laten.
Vispassage: een kunstmatige passage voor vissen om de vistrek mogelijk te maken in of tussen waterlopen;
EE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk. De formulering van deze specifieke zorgplicht is gelijk aan die van artikel 2.11 van het Bal. Het eerste lid bevat de omschrijving van de zorg die iedereen die een lozingsactiviteit verricht moet betrachten. Het tweede lid bevat een nadere uitwerking van de elementen die in ieder geval tot die zorg behoren.
De specifieke zorgplicht van dit artikel geldt naast de meer uitgewerkte artikelen over lozingsactiviteiten in de paragrafen2.24.2 tot en met 2.24.18. De specifieke zorgplicht treedt dus (anders dan de algemene zorgplicht van de Omgevingswet) niet terug als er meer uitgewerkte regels zijn gesteld. De specifieke zorgplicht geldt ook voor lozingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond vanparagraaf 2.24.19 is vereist. Dit sluit aan op de keuze die het Rijk heeft gemaakt over de werking van de specifieke zorgplichten van het Bal. De specifieke zorgplicht fungeert zoals een basisnorm voor alle lozingsactiviteiten die onder de reikwijdte van dit hoofdstuk vallen. De algemene regels van deparagrafen 2.24.2 en verder en de voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit worden verbonden, zijn een nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht voor een concrete lozingsactiviteit. Die algemene regels en vergunningvoorschriften moeten steeds passen binnen de oogmerken van artikel 2.123 (waarnaar in het eerste lid van dit artikel wordt verwezen) en de strekking die in het tweede lid van dit artikel is opgenomen. Deze brede werking van de specifieke zorgplicht maakt het mogelijk om maatregelen, die voor zich spreken en die ieder redelijk denkend mens zal nemen, niet uit te schrijven in de algemene regels van dit hoofdstuk en in vergunningvoorschriften. Als voorbeeld wordt verwezen naar het lozen van grondwater bij ontwatering. Daar is niet specifiek uitgeschreven dat visuele verontreiniging van het ontvangende oppervlaktewater moet worden beperkt, maar wordt verwezen naar de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht waarborgt dat zulke vanzelfsprekende maatregelen worden genomen. Deze specifieke zorgplicht is de opvolger van de zorgplichten die in artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens waren opgenomen.
Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet.Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal. 1.1; Stb. 2018, 293, p. 526-527.
FF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel zijn de meetverplichtingen van het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit en het voormalige artikel 6.5 van de Waterregeling voortgezet. De meetverplichting geldt voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen. Op grond van het eerste lid moet de hoeveelheid onttrokken grondwater en de hoeveelheid water die wordt geïnfiltreerd worden gemeten. Op grond van het derde lid moet daarnaast ook door de kwaliteit van het water dat wordt geïnfiltreerd worden gemetenregistratieplichtige. In het tijdelijke deel van deze waterschapsverordening kan een bepaling staan waarin gevallen worden aangewezen waarvoor de meetverplichtingen niet gelden.
Op grond van het derde lid moet daarnaast ook de kwaliteit van het water dat wordt geïnfiltreerd worden gemeten. In het tijdelijke deel van deze waterschapsverordening kan een bepaling staan waarin gevallen worden aangewezen waarvoor de meetverplichtingen niet gelden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2026-1252.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.