Waterschapsblad van Hoogheemraadschap van Rijnland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Hoogheemraadschap van Rijnland | Waterschapsblad 2025, 5508 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Hoogheemraadschap van Rijnland | Waterschapsblad 2025, 5508 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De rekenregels voor het bepalen van de toename hard oppervlak op de volgende manieren aan te passen:
a. voor alle omstandigheden dezelfde rekenregels te gebruiken.
b. de formule voor nog niet verharde deel van tuinen aan te passen;
c. deze rekenregels te verplaatsen naar bijlage 1 van de waterschapsverordening waar de meet- en rekenbepalingen staan vermeld.
De nieuwe begrippen ‘debiet’, ‘toename hard oppervlak’ en ‘waterberging’ vast te stellen.
Hiervoor de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur te wijzigen zoals weergegeven in Bijlage A.
Leiden, 5 maart 2025
De verenigde vergadering,
R.A.M. van der Sande,
dijkgraaf
M. Middendorp,
secretaris
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit is de uitleg van de in deze verordening gebruikte begrippen:
Een plek in het oppervlaktewater voor het vastleggen van boten of andere vaartuigen. Het is gemaakt van palen met een horizontale balk ertussen.
Water vanuit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater halen met een werk. Of het water op een natuurlijke manier daar naartoe laten stromen.
Bijvoorbeeld een hek, muurtje of schrikdraad.
Het losslaan, wegwaaien of wegspoelen van een deel van de duinen bij een harde storm.
Een installatie waar Rijnland het stedelijk afvalwater schoonmaakt.
Water vanuit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater brengen met een werk. Of het water op een natuurlijke manier daar weg laten stromen.
In de Omgevingswet staat: Archeologische monumenten zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.
Dit zijn de belangrijkste sloten, vaarten, plassen en meren binnen Rijnland. Ze hebben een belangrijke rol bij de aanvoer en afvoer van water, de waterberging en het onderhoud aan een waterkering. Ze zijn ook belangrijk als leefgebied voor planten en dieren.
Een horizontale bemaling of drainage. Het grondwater wordt met een pomp afgevoerd via horizontaal geplaatste zuigbuizen. Er worden geen verticale filters gebruikt.
OpslaanTijdelijk opslaan van water. Dit voorkomt wateroverlast bij veel neerslag. Het water wordt langzaam afgevoerd, zodat er weer ruimte is voor nieuwe neerslag.
Een saldo van gedempt en gegraven oppervlaktewater. Dit saldo wordt bijgehouden in een Berging Rekening Courant (BRC).
Een bescherming van de oever. Een beschoeiing staat in het oppervlaktewater langs de waterkant. Het voorkomt dat de oever wegspoelt in het water.
Het schuin aflopende deel van een dijk aan de kant van het land.

Een geotechnisch of milieukundig onderzoek van de bodem. Hierbij worden boringen en/of sonderingen gebruikt.
Oppervlaktewater bedoeld voor het opvangen van water uit de polders en voor het aanvoeren en afvoeren van water uit Rijnlands gebied.
Met gekromde buizen wordt een gat gespoten. Met een boogzinker kan de initiatiefnemer kabels en leidingen bijvoorbeeld onder een sloot of weg door aanbrengen.
In de Omgevingswet staat: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.
In de Omgevingswet staat: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
Hiermee wordt grondwater uit de bodem onttrokken en gebruikt als bluswater.
Een vaste of beweegbare verbinding tussen twee percelen die gescheiden zijn door oppervlaktewater.
Het schuin aflopende deel van een dijk aan de kant van het water.

Een holle stalen buis.
De kwaliteit van de samenstelling van het water en welke stoffen en verontreinigingen daarin zitten.
De chemische toestand van het oppervlaktewater zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water.
Een gedeelte van een waterkering dat lager is dan de rest van de waterkering. Bijvoorbeeld omdat dwars door de waterkering een weg is gemaakt. De lagere plek kan bij hoogwater worden afgesloten.
In de Omgevingswet staat: monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.
De kuil die ontstaat bij het weggraven van een gedeelte van een grondlaag. Het cunet wordt daarna weer gevuld met bijvoorbeeld zand. Dit wordt gedaan om een ondergrond te maken die stevig genoeg is voor een bepaalde activiteit.
Een constructie die grond of water keert. Het is gemaakt van bijvoorbeeld beton, steen, hout, kunststof of staal.
De onderkant van een afsluitende laag basisveen.
De hoeveelheid doorgestroomd water per tijdseenheid.
Een goed te gebruiken materiaal dat uit de grond kan worden gehaald. Bijvoorbeeld zand, schelpen, grind, klei, kalksteen en zout.
Het verkleinen van het bergend oppervlak van een oppervlaktewater. Het bergend oppervlak is de ruimte die beschikbaar is voor water.
Het dagelijks bestuur van Rijnland, bedoeld in artikel 8 van het Reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap van Rijnland en artikel 40 van de Waterschapswet.
Op een goede en handige manier een hoeveelheid water opvangen voor laboratoriumonderzoek.
Dit gaat over de draagkracht van de bodem. Het geeft aan hoeveel gewicht een bodem aankan zonder dat bijvoorbeeld een bouwwerk verzakt.
Een voorwerp dat zelfstandig blijft drijven en een vaste ligplaats heeft aan de waterkant. Bijvoorbeeld: woonboten, woonschepen, woonarken, drijvende steigers, drijvende botenhuizen
De afstand tussen het waterpeil en het gemiddeld/ de mediaan van de hoogte van het maaiveld.
Een buis, koker of andere constructie onder bijvoorbeeld een dam, dijk of weg die oppervlaktewateren met een zelfde waterpeil met elkaar verbindt.
De onderste rand van een duin, waar een duin overgaat naar het strand.

De kwaliteit van de structuur en het functioneren van het ecosysteem van het oppervlaktewater. Denk hierbij aan de planten en dieren, maar ook aan de schimmels en de algen die in het oppervlaktewater en in de waterbodem leven.
De ecologische toestand van het oppervlaktewater zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water.
Emissiebeheersingsmaatregelen zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn water (KRW).
Slijtage door wind, ijs en water.
Materiaal dat zorgt dat de grond van het talud niet wegwaait, wegspoelt of op een andere manier verdwijnt.
De hoogte van de bovenste laag grondwater gemeten vanaf het maaiveld. Deze bovenste laag grondwater komt de initiatiefnemer het eerst tegen bij graven en boren.
De fysische kenmerken van het oppervlaktewater zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water.
Een ondergrond met een gesloten systeem voor het telen van planten. Deze systemen worden ook wel gesloten Pot Container Teelt (PCT) genoemd. Bijvoorbeeld een speciale betonvloer.
In de Omgevingswet staat: water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat.
Grondwater uit de bodem halen met een onttrekkingsinrichting. Dit is een inrichting of werk bedoeld om grondwater uit de bodem te halen. Vaak is dit een pomp.
Onttrokken grondwater terugbrengen in de bodem.
In de Omgevingswet staat: Afzonderlijke grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen.
Het Besluit activiteiten leefomgeving zegt: het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater.
De hoogte van het grondwater in de bodem.
Loodrecht
Een bedekking van de bodem waardoor neerslag niet of maar heel weinig in de bodem kan komen. Bijvoorbeeld bestrating, gesloten teeltvloeren en bouwwerken.
Een kabel of leiding waarmee een woning of woongebouw een aansluiting krijgt op een netwerk. Bijvoorbeeld het netwerk voor elektriciteit, gas, drinkwater, warmte of media/(tele)communicatie.
Water in de bodem brengen om de grondwaterstand aan te vullen. Dit gebeurt naast het onttrekken van grondwater.
In de Omgevingswet staat: wegen en vaarwegen, waaronder routenetwerken voor wandelen, fietsen en varen, spoorwegen, havens, luchthavens, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, buisleidingen, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen, infrastructuur voor watervoorzieningswerken als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet en andere vitale infrastructuur.
De waterdiepte die minimaal nodig is voor een oppervlaktewater. Deze diepte staat in de legger oppervlaktewateren.
De persoon die een werk of de activiteit wil gaan uitvoeren en hiervoor verantwoordelijk is. Een initiatiefnemer kan het werk of de activiteit zelf uitvoeren of hiervoor een opdracht geven aan een andere partij.
Het punt waar de schuine oever overgaat in het vlakke maaiveld of een beschoeiing.

Moment waarop de regels uit deze verordening gaan gelden.
Het centrale deel van het waterstaatswerk. De kernzone staat in de werkingsgebieden.
Een zone met het bovenste gedeelte van een waterkering. Deze zone staat in de legger regionale waterkeringen.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving staat: oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 2, onder 10, van de Kaderrichtlijn Water.
Een civieltechnisch werk dat nodig is om het netwerk van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen, en/of leidingen goed te laten werken. Voorbeelden zijn: een brug, dam, duiker of stuw. Zo’n kunstwerk is niet bedoeld voor permanent verblijf door mensen.
De kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam zoals bedoeld in de Kaderrichtlijn Water.
Grondwater dat onder drukverschil vanuit de bodem omhoog komt.
Vanaf de waterkant verder het land in.
In de Omgevingswet staat: legger als bedoeld in artikel 2.39 Omgevingswet.
Een profiel met de richting, vorm, maten en constructie van een waterkering die aan de veiligheidsnormen voldoet. Een profiel is vaak een zijaanzicht, maar kan ook bijvoorbeeld 3D zijn.
Het leggerprofiel is te vinden in:
Lang en smal.
Het spuiten van water rondom bijvoorbeeld een heipaal of damwand die uit de grond moet. Zo komt de paal makkelijker los uit de grond.
De bovenkant van de grond van een terrein. Ook de bestrating hoort bij het maaiveld. Bij het maaiveld hoort niet:
een kunstmatige verhoging zoals een talud of een berm; en
een kunstmatige verlaging.
De maatschappelijke functies van het watersysteem zijn bijvoorbeeld natuurbeleving, varen, of het goed houden van funderingen van bouwwerken. Het is een maatschappelijke functie als veel gebruikers regelmatig gebruik maken van een functie. Bij een paar gebruikers gaat het niet om een maatschappelijk functie.
In de Omgevingswet staat: maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 Omgevingswet.
Beschermingsbuis voor kabels en leidingen.
Een paal in het oppervlaktewater om bijvoorbeeld een boot of ander vaartuig aan vast te maken.
Moerig betekent dat de grondlaag voor minimaal 15% uit organisch stof bestaat. Moerige grond heeft een moerige laag van 5 tot 40 centimeter dik. De bovenkant van de moerige laag zit niet dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld.
Normaal Amsterdams Peil. Alle hoogtes in Nederland worden gemeten ten opzichte van met het NAP.
Het zorgen voor de natuur.
NEN 3650-1:2020: Eisen voor buisleidingsystemen - Deel 1: Algemene eisen, versie 2020.
NEN 3650-2:2020: Eisen voor buisleidingsystemen - Deel 2: Aanvullende eisen voor leidingen van staal, versie 2020.
NEN 3650-3:2020: Eisen voor buisleidingsystemen - Deel 3: Aanvullende eisen voor leidingen van kunststof, versie 2020.
NEN 3650-4:2020: Eisen voor buisleidingsystemen - Deel 4: Aanvullende eisen voor leidingen van beton, versie 2020.
NEN 3650-5:2020: Eisen voor buisleidingsystemen - Deel 5: Aanvullende eisen voor leidingen van gietijzer, versie 2020.
NEN 3651:2020: Aanvullende eisen voor buisleidingen in of nabij belangrijke waterstaatswerken, versie 2020.
NEN 6600-1:2019: Water - Monsterneming - Deel 1: Afvalwater, versie 2019.
NEN 6646/C1:2015: Water - Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem - Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015.
NEN 6966:2006: Milieu - Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006.
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE - Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016.
NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001.
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005.
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water - Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen - Gaschromatografische methoden, versie 1997.
NEN-EN-ISO 11732:2005: Water - Bepaling van ammonium stikstof - Methode voor doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 2005;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water - Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009.
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012.
NEN-EN-ISO 13395:1997: Water - Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997.
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002.
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water - Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water - Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002.
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water - Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met ‘purge-and-trap’ en thermische desorptie, versie 2003.
NEN-EN-ISO 15681-1:2005: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 1: Methode met een doorstroominjectiesysteem (FIA), versie 2005.
NEN-EN-ISO 15681-2:2018: Water - Bepaling van het gehalte aan orthofosfaat en het totale gehalte aan fosfor met behulp van doorstroomanalyse (FIA en CFA) - Deel 2: Methode met een continu doorstroomanalysesysteem (CFA), versie 2018.
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water - Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001.
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water - Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma - Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016.
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water - Bepaling van kwik - Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008.
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water - Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004.
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water - Monsterneming - Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018.
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019.
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water - Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) - Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003.
NEN-EN-ISO 6878:2004: Water - Bepaling van fosfor - Ammoniummolybdaat spectometrische methode, versie 2004.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water - Bepaling van de minerale-olie-index -Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000.
NEN-ISO 15705:2003: Water - Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) - Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003.
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit - Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie - Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013.
NEN-ISO 5663:1993: Water - Bepaling van het gehalte aan Kjeldahl-stikstof - Methode na mineralisatie met seleen, versie 1993.
Niet sneller dan de snelheid waarmee neerslag op een natuurlijke manier in de bodem zakt en via de bodem naar oppervlaktewater stroomt.
Het gebied tussen de waterbodem en het maaiveld.
Een bescherming van de oever tegen losslaan en wegspoelen van de grond.
De grens tussen oppervlaktewater en land.
In de Omgevingswet staat: omgevingswaarde als bedoeld in afdeling 2.3.
Een kunstwerk dat nodig is voor het goed laten werken van het watersysteem. Bijvoorbeeld een stuw om het waterpeil op goede hoogte te houden, zodat een dijk niet uitdroogt. Of een damwand die het water tegenhoudt.
Het gat in de bodem dat ontstaat wanneer een boom of struik omvalt.
Een inrichting of werk bedoeld om grondwater uit de bodem te halen. Vaak is dit een pomp.
Rijnland ziet meerdere inrichtingen of werken als één onttrekkingsinrichting als ze zijn geplaatst in opdracht van één opdrachtgever en/of vanwege één project en samen één geheel vormen.
Rijnland ziet meerdere inrichtingen of werken niet als één onttrekkingsinrichting als:
de invloedsgebieden van onttrekkingen of infiltraties elkaar niet raken; en/of
er een periode van minstens zes maanden zit tussen de beëindiging van een onttrekking en de start van een volgende onttrekking; en/of
is aangetoond dat de grondwaterstand en de stijghoogte in de diepere watervoerende pakketten zich hebben hersteld tot het natuurlijk niveau voordat de volgende onttrekking begint.
Het omhoog komen en scheuren van bodemlagen die slecht water doorlaten. Bijvoorbeeld lagen klei, leem of veen. Door de scheuren in de bodem komt water omhoog. Mogelijke oorzaken zijn:
De sloten, vaarten, plassen, meren, rivieren, kanalen. Ook droogstaande taluds en greppels die wel in verbinding staan met ander oppervlaktewater.
In de Omgevingswet staat: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna.
Oppervlaktewateren die met elkaar in verbinding staan.
In dit document staat:
het waterpeil in een gebied, of de bandbreedten waarbinnen het waterpeil kan variëren.
in welke periode en in welke situatie dit waterpeil zo veel mogelijk in stand wordt gehouden.
Het peilbesluit is door de verenigde vergadering vastgesteld.
Een buis in de bodem waarmee de hoogte van het grondwater in de bodem kan worden gemeten.
De grens tussen peilvakken.
Een bepaald gebied dat is vastgesteld in een peilbesluit. In dit gebied probeert Rijnland één waterpeil te houden. In het peilbesluit staat welk peil dat is.
Een stuk grond of een terrein met vaste grenzen die door het Kadaster zijn bepaald.
In de Omgevingswet staat: waterkering die bescherming biedt tegen overstroming door water van een oppervlaktewaterlichaam waarvan de waterstand direct invloed ondergaat van hoge stormvloed, hoog water van een van de grote rivieren, hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer, of een combinatie daarvan, en van het Volkerak-Zoommeer, het Grevelingenmeer, het getijdedeel van de Hollandsche IJssel en de Veluwerandmeren.
De primaire waterkeringen binnen Rijnland staan in de legger primaire keringen.
Een ruimte (lengte, breedte, hoogte) in de grondmassa aan beide kanten van een regionale waterkering. Het is een reservering voor toekomstige versterking of uitbreiding van de waterkering. Het profiel van vrije ruimte staat in de legger regionale waterkeringen.
Een manier van boren.
Beschermt de polders binnen Rijnland tegen overstroming vanuit hoger gelegen oppervlaktewater dat daaromheen ligt. De regionale waterkeringen staan in de legger regionale waterkeringen.
Het hoogheemraadschap van Rijnland.
Bij dit onderzoek worden geluidsgolven de grond ingestuurd. De aardlagen kaatsen deze golven terug. Dit geeft veel informatie over hoe de bodemlagen eruitzien.
Bouwwerken die alleen tussen 1 februari en 1 november op het strand staan. Bijvoorbeeld een strandtent of surfpaviljoen.
Een in de grond gegraven geul.
Een manier om een kabel, leiding of mantelbuis in de bodem te brengen zonder een sleuf te graven.
Het in de bodem drukken van een conus loodrecht op het maaiveld. Het doel is de draagkracht van de bodem bepalen.
Het wegpompen van dieper grondwater om de grondwaterdruk kleiner te maken. Het doel is het opbarsten van de bodem voorkomen.
Materiaal dat de initiatiefnemer krijgt bij graven of baggeren
Een bouwwerk in het oppervlaktewater dat bestaat uit palen en een gedeelte waar mensen op kunt lopen.
Hoe hoog het grondwater maximaal zou kunnen staan. Dit wordt gemeten vanaf een bepaald niveau, meestal het NAP.
Chemische elementen en verbindingen.
Bijvoorbeeld straatverlichting, naamborden, wegwijzers, bankjes en vuilnisbakken.
Het deel van de kuststrook tussen de duinvoet en de zee.
Een voorraad van zoet grondwater die beschikbaar moet blijven voor de toekomst. Bijvoorbeeld voor drinkwater. De Kaderrichtlijn Water (KRW) noemt dit de zoete grondwaterlichamen.
Een constructie die water tegenhoudt en waarmee het waterpeil in een oppervlaktewater wordt geregeld.
Dit is het schuine deel van een dijk, of de schuine oever tussen de waterbodem en het maaiveld.
De hoeveelheid vierkante meters waarmee het hard oppervlak volgens de rekenbepaling uit artikel 1 van bijlage I toeneemt.
het algemeen bestuur van Rijnland, bedoeld in artikel 8 van het Reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap van Rijnland en artikel 12 van de Waterschapswet.
Het zouter worden van de bodem en het water.
Het spuiten van water rondom bijvoorbeeld een boorfilter, heipaal of peilbuis die al in de grond zit. Zo kan de buis of paal verder in de grond zakken.
Een plek om water te bergen. In een waterberging wordt neerslag tijdelijk vastgehouden. Door het water geleidelijk af te voeren, kan nieuwe neerslag weer worden opgevangen.
De grond van een oppervlaktewater onder de waterspiegel.
Hoe goed de waterkering het water kan tegenhouden.
Een waterkering houdt water tegen en beschermt tegen een overstroming. Het zijn waterscheidingen, kunstmatige hoogten en (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hooggelegen gronden. Vaak wordt dit een dijk genoemd.
Bij de waterkering horen ook sommige kunstwerken die daarin of daaraan zijn gemaakt. Het gaat om kunstwerken die (ook) een waterkerende functie hebben. Bijvoorbeeld een sluis.
In de Omgevingswet staat: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna.
Een kleine hoeveelheid water. Dit wordt vaak verzameld voor laboratoriumonderzoek.
De hoogte van de bovenkant van het oppervlaktewater. De hoogte wordt gemeten ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Het waterpeil gaat dus niet om de diepte van het water.
Het grensvlak tussen water en lucht. Een ander woord is wateroppervlak.
In de Omgevingswet staat: Oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk.
In de Omgevingswet staat: Samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken.
Een laag in de bodem (bijvoorbeeld zand) waar langzaam grondwater doorheen stroomt. Deze bodemlaag heeft aan de bovenkant en de onderkant een ondoorlatende laag (bijvoorbeeld klei) of een vrije waterspiegel.
Een door de mens gemaakte of nog te maken constructie of inrichting met alles wat daarbij hoort.
Het deel van het beheergebied van Rijnland waar bepaalde regels gelden.
een regeling van een orgaan dat aan de Grondwet of een wet in formele zin regelgevende bevoegdheid ontleent. Denk hierbij aan regels van het Rijk, provincies, gemeenten of Rijnland.
Het waterpeil dat in de winter wordt gebruikt. Het juiste winterpeil staat in het peilbesluit.
De waterkeringen die ons beschermen tegen overstroming door de zee. Denk hierbij aan de duinen, dijken en duin-in-dijk-constructies.
Water en lucht wordt uit de grond geperst door het samendrukken van de grond.
Het waterpeil dat in de zomer wordt gebruikt. In het peilbesluit staat wat het zomerpeil is. Meestal geldt het zomerpeil van ongeveer maart/april tot ongeveer september/oktober.
Een bodemsoort die redelijk veel water kan opnemen en daardoor opzwelt. Bentoniet is een bekend voorbeeld van zwelklei.
B
Artikel 9.1a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Wanneer een initiatiefnemer meer dan elf woningen bouwt, gelden de volgende regels voor het berekenen van het hard oppervlak van nog niet verharde tuinen:
Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van lid 1 wanneer dat voor een of meer belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beoordelingsregels te dienen doelen.
C
Artikel 41.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het nieuwe oppervlaktewater heeft een oppervlakte dat minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak.
De toename van hard oppervlak is het nieuwe hard oppervlak min het verwijderde hard oppervlak.
hard oppervlak dat maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag voor het maken van nieuw hard oppervlak is verwijderd, mag van het nieuwe hard oppervlak worden afgetrokken als:
de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak, of;
de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 kilometer van elkaar in de boezem komt.
Verwijderd hard oppervlak mag worden afgetrokken als het tussen de 5 en 10 jaar voor de vergunningaanvraag voor het maken van hard oppervlak is verwijderd, er geen wateroverlast ontstaat en:
de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak, of;
de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 kilometer van elkaar in de boezem komt.
D
Artikel 41.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als neerslag in het oppervlaktewater kan komen, dan kan de waterberging minimaal 55 liter per m² toename hard oppervlak bergen.
De afvoer van de waterberging is 0,6 liter per uur per m² toename hard oppervlak .
De toename van hard oppervlak is het nieuwe hard oppervlak min het verwijderde hard oppervlak.
Verwijderd hard oppervlak mag worden afgetrokken als het maximaal 5 jaar voor de vergunningaanvraag voor het maken van hard oppervlak is verwijderd en:
de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak, of;
de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 kilometer van elkaar in de boezem komt.
Verwijderd hard oppervlak mag worden afgetrokken als het tussen de 5 en 10 jaar voor de vergunningaanvraag voor het maken van hard oppervlak is verwijderd, er geen wateroverlast gaat ontstaan en:
de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak, of;
de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 kilometer van elkaar in de boezem komt.
E
Artikel 41.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het nieuwe oppervlaktewater heeft een oppervlakte dat even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak.
De toename van hard oppervlak is het nieuwe hard oppervlak min het verwijderd hard oppervlak.
De initiatiefnemer mag verwijderd hard oppervlak alleen aftrekken van het nieuwe hard oppervlak als het maximaal 5 jaar voor de melding voor het maken van hard oppervlak is verwijderd en:
de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak, of;
de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 kilometer van elkaar in de boezem komt.
Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen met een maatwerkvoorschrift afwijken van lid 3 als:
het af te trekken hard oppervlak maximaal 10 jaar geleden is verwijderd, en;
het aftrekken van verwijderd hard oppervlak geen probleem geeft voor het watersysteem.
F
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De toename van hard oppervlak wordt volgens de volgende formule berekend:
toename aan hard oppervlak = nieuw hard oppervlak - verwijderd hard oppervlak
De hoeveelheid nieuw hard oppervlak dat in de formule uit lid 1 moet worden ingevuld, wordt volgens de volgende formule berekend:
nieuw hard oppervlak = aantal m2 aan te leggen hard oppervlak + deel van aantal m2 nog niet verharde tuinen
Het deel van aantal m2 nog niet verharde tuinen dat in de formule uit lid 2 moet worden ingevuld, wordt per tuin als volgt bepaald:
bij de bouw van 0 tot maximaal 11 woningen: 0; of
bij een tuin met meer dan 300m2 nog niet verharde tuin: per tuin 115; of
als het omgevingplan een maximale waarde voor het harde oppervlak voorschrijft, wordt dat percentage gebruikt; of
in alle andere gevallen wordt per tuin de volgende formule gebruikt:
-0,0013x2 + 0,7733x
x = het aantal m2 nog niet verharde tuin.
Dijkgraaf en hoogheemraden kunnen afwijken van lid 3 als er voor één of meer belanghebbenden door bijzondere omstandigheden zulke grote gevolgen zijn, dat die niet in verhouding staan tot de doelen waarvoor de beoordelingsregels zijn gemaakt.
Hard oppervlak dat maximaal 10 jaar voor de vergunningaanvraag of de melding voor het maken van nieuw hard oppervlak is verwijderd, mag in de formule uit lid 1 als verwijderd hard oppervlak worden ingevuld als:
de neerslag van het nieuwe hard oppervlak in hetzelfde peilvak van een poldersysteem komt als de neerslag van het verwijderde hard oppervlak, of;
de neerslag van het verwijderde hard oppervlak en het nieuwe hard oppervlak binnen 5 kilometer van elkaar in de boezem komt.
[Gereserveerd]
G
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Omgevingswet en de daarbij horende AMvB’s geven geen grens van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’. In artikel 5.129g, lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving stelt dat een ontwikkeling ‘voldoende substantieel’ moet zijn om als stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. De huidige lijn in de jurisprudentie is dat dit het geval is bij meer dan 11 woningen. Rijnland sluit aan bij deze landelijke lijn.
Wij constateren dat tuinen, in tegenstelling tot wat we graag willen, vaak grotendeels verhard worden. Met name in hoog stedelijke gebieden zorgt dat voor versnelde afvoer van water, terwijl wij juist inzetten op zoveel mogelijk vasthouden van water. In de meer landelijke woonomgevingen zal het percentage verharding lager zijn. Daarom maken we onderscheid in verhardingspercentage op basis van het tuinoppervlak, aangezien kleine tuinen in de praktijk vaak een hoog percentage verharding hebben.
[Vervallen]
H
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Neerslag dat niet in de bodem kan wegzakken komt sneller in het oppervlaktewater terecht. Nieuwe waterberging is dan nodig om die neerslag op te vangen. Zo’n waterberging is vaak een nieuw oppervlaktewater dat in open verbinding staat met de rest van het oppervlaktewater. Het maken van een losse vijver is niet genoeg. De minimale omvang van deze waterberging staat in artikel 41.6, lid 1.
Het is ook mogelijk de waterberging op een andere manier te maken. De minimale omvang van deze andere manier van waterberging staat in artikel 41.12.
I
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Rijnland wil het liefst nieuw oppervlaktewater als waterberging. Het nieuwe water moet in open verbinding staan met de rest van het oppervlaktewater. Het maken van een losse vijver is niet genoeg.
Het is belangrijk dat Rijnland voldoende water kan opslaan. Daarom moet de oppervlakte van het nieuwe oppervlaktewater minimaal even groot zijn als 15% van het extra te maken hard oppervlak.
Hard oppervlak dat verwijderd is, mag de initiatiefnemer van het oppervlakte nieuwe oppervlaktewater afhalen.
Soms kan een initiatiefnemer een hard oppervlak dat tussen de 5 en 10 jaar geleden is verwijderd, gebruiken om zo minder nieuw oppervlaktewater te maken. Of dat kan hangt af van de verwachte peilstijging in het oppervlaktewater door de neerslag die van het nieuwe harde oppervlak af stroomt.
J
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
K
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
L
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
M
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is belangrijk dat er voldoende waterberging bijkomt. Daarom moet het oppervlak van het nieuwe oppervlaktewater minimaal zo groot worden als 15% van het extra gemaakte hard oppervlak. Een initiatiefnemer kan eerder verwijderd hard oppervlak gebruiken, en dan minder nieuw oppervlaktewater maken.
Soms kan een initiatiefnemer een hard oppervlak dat tot 10 jaar geleden is verwijderd, gebruiken om zo minder nieuw oppervlaktewater te maken. Of dat kan hangt af van de verwachte peilstijging in het oppervlaktewater door de neerslag die van het nieuwe harde oppervlak af stroomt.
Een maatwerkvoorschrift is een besluit dat de initiatiefnemer aanvraagt bij Rijnland. Een maatwerkvoorschrift lijkt op een mini-vergunning.
N
Na sectie 'Toelichting op hoofdstuk 43: Slotbepalingen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Als het hard oppervlak onderdeel is van een grotere samenhangende ontwikkeling, dan wordt in deze berekening gerekend met de oppervlakten van het eindresultaat. Ook als deze ontwikkeling in verschillende fasen wordt uitgevoerd. Het is dus niet mogelijk één grote ontwikkeling op te knippen in kleinere projecten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2025-5508.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.