Inspraak- en participatieverordening Waterschap Hollandse Delta 2025

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

  • a.

    belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is;

  • b.

    beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid daaronder ook begrepen beleidsregels zoals bedoeld in artikel 1:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    bestuursorgaan: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter;

  • d.

    ingezetene: degene die zijn werkelijke woonplaats in het gebied van het waterschap heeft;

  • e.

    inspraak: een door het waterschapsbestuur geboden gelegenheid voor ingezetenen en belanghebbenden om hun zienswijzen omtrent een bekendgemaakt beleidsvoornemen kenbaar te maken overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • f.

    overheidsparticipatie: de manier waarop het waterschap ondersteuning of een bijdrage geeft aan publieksinitiatieven zoals maatschappelijke initiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere belanghebbenden.

  • g.

    (publieks)participatie: betrekken van ingezetenen en belanghebbenden, in welke vorm dan ook, bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.

  • h.

    uitdaagrecht /right to challenge( een specifieke vorm van participatie): Het recht van ingezetenen en maatschappelijke initiatieven om een verzoek bij het bevoegde bestuursorgaan in te dienen om de feitelijke uitvoering van een taak van het waterschap over te nemen als zij denken deze taak beter en/of goedkoper uit te kunnen voeren.

Artikel 2 Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is niet van toepassing op publieksparticipatie of andere initiatieven van ingezetenen en belanghebbenden die op een andere wijze in regelgeving of procedures is geregeld.

  • 2.

    Deze verordening is niet van toepassing op deelname van het waterschap aan participatie- of inspraakprocedures van derden.

  • 3.

    Participatie en inspraak worden uitsluitend verleend aan ingezetenen, belanghebbenden en bedrijven of organisaties die lokaal van belang zijn of een lokaal belang hebben.

     

Paragraaf 2 Inspraak en publieksparticipatie

Artikel 3 Onderwerp van inspraak en publieksparticipatie

  • 1.

    Het college besluit of inspraak en/of publieksparticipatie wordt toegepast. Het college kan deze bevoegdheid mandateren.

  • 2.

    Inspraak of publieksparticipatie worden altijd toegepast als de wet daartoe verplicht. Inspraak wordt daarnaast altijd toegepast bij de voorbereiding van de door de Verenigde Vergadering te nemen besluiten tenzij sprake is van een besluit als genoemd in het vierde lid.

  • 3.

    Publieksparticipatie kan worden toegepast als het redelijkerwijze te verwachten is dat er een substantiële groep belanghebbenden is bij het betreffende beleid, project of besluit.

  • 4.

    Geen inspraak of publieksparticipatie vindt plaats ten aanzien van besluiten:

    • a.

      die rechtstreeks voortvloeien uit voorschriften van hoger gezag en waarbij van enige beleidsvrijheid geen sprake is;

    • b.

      die slechts interne werking hebben voor waterschap Hollandse Delta;

    • c.

      tot het doen van voordrachten, benoemingen of ontslag;

    • d.

      tot het aangaan van overeenkomsten;

    • e.

      op verzoeken tot nadeelcompensatie op basis van wet- en regelgeving;

    • f.

      bij beslissingen over de financiën van het waterschap, zoals het opstellen en vaststellen van tarieven voor de dienstverlening door het waterschap, de legesverordening en belastingenverordeningen als bedoeld in de Waterschapswet;

    • g.

      ten aanzien van de voorbereiding en uitvoering van waterschapstaken waar, naast het uitvoeren van een goed water- en wegbeheer, nagenoeg geen andere belangen aanwezig zijn;

    • h.

      tot het uitvoeren van gewoon onderhoud van eigendommen;

    • i.

      ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van eerder vastgesteld beleid;

    • j.

      waarvoor inspraak of participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • k.

      ten aanzien van de uitvoering van een beleidsvoornemen of een waterschapstaak wat dermate spoedeisend is dat inspraak of participatie niet kan worden afgewacht

  • 5.

    Deze verordening is niet van toepassing op beschikkingen als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.

     

Paragraaf 3 Procedure inspraak

Artikel 4 Inspraakgerechtigden

Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.

Artikel 5 Inspraakprocedure

  • 1.

    Op de inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2.

    Het college kan in afwijking van het eerste lid voor een te nemen besluit een andere inspraakprocedure vaststellen.

Artikel 6 Terinzagelegging

Het ontwerp van het te nemen besluit ten aanzien waarvan inspraak wordt geboden, wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd op het kantoor van waterschap Hollandse Delta en kan worden ingezien op de website van het waterschap.

Artikel 7 Eindverslag

  • 1.

    Ter afronding van de inspraak stelt het college een eindverslag vast.

  • 2.

    Het eindverslag bevat in elk geval:

    • a.

      een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;

    • b.

      een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;

    • c.

      een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het te nemen besluit wordt overgegaan.

  • 3.

    Het eindverslag wordt toegezonden aan degene die een zienswijze naar voren heeft gebracht.

 

Paragraaf 4 Procedure publieksparticipatie

Artikel 8 Procedures publieksparticipatie

  • 1.

    Het college stelt bij de start van elke participatieprocedure vast op welke wijze participatie wordt toegepast. Het besluit wordt samen met de in het tweede lid genoemde participatieparagraaf bekend gemaakt op de voor die participatieprocedure geschikte wijze. Het college kan deze bevoegdheid mandateren.

  • 2.

    Bij elk beleidsvoornemen, plan of project beoordeelt het waterschap of participatie noodzakelijk en wenselijk is aan de hand van het handelingskader zoals opgenomen in bijlage 1 van deze verordening. Het handelingskader wordt gebruikt om te bepalen welke participatieniveaus (informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren, meebeslissen) van toepassing zijn en welke groepen belanghebbenden betrokken moeten worden.

  • 3.

    Als participatie wordt toegepast, neemt het college over in ieder geval de volgende onderwerpen een besluit en legt dit vast in een participatieparagraaf:

    • a.

      doel en intentie van participatie;

    • b.

      het niveau van de participatie, waarbij een gemotiveerde keuze wordt gemaakt uit: (mee)beslissen, coproduceren, adviseren, raadplegen of informeren;

    • d.

      wijze waarop en tijdvak waarin ingezetenen en belanghebbenden hun inbreng kunnen leveren;

    • e.

      wijze waarop democratische waarden in de participatieprocedure worden gewaarborgd;

    • f.

      begroting van de kosten.

  • 3.

    In geval van voorbereiding en uitvoering van waterschapstaken bevat de participatieparagraaf een uitwerking voor de volgende fasen: voorbereiden, verkennen, planuitvoering, realisatie en beheer.

  • 4.

    Als omstandigheden het noodzakelijk maken om de participatieparagraaf te wijzigen wordt dit op geschikte wijze bekend gemaakt.

  • 5.

    Als participatie wordt verleend bij de voorbereiding van een voorstel aan de Verenigde Vergadering, dan wordt de Verenigde Vergadering voorafgaand geïnformeerd over de start van het participatieproces.

Artikel 9 Eindverslag

  • 1.

    Ter afronding van de participatieprocedure stelt het college een eindverslag vast.

  • 2.

    Het eindverslag bevat in ieder geval:

    • a.

      een overzicht van de gevolgde participatieprocedure;

    • b.

      een weergave van de belangrijkste uitkomsten van het participatieproces;

    • c.

      een reactie op deze uitkomsten waarbij gemotiveerd wordt aangegeven welke punten al dan niet worden overgenomen.

  • 3.

    Het college maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar.

     

Paragraaf 5 Procedure overheidsparticipatie

Artikel 10 Procedure overheidsparticipatie

  • 1.

    Overheidsparticipatie kan worden ingezet als naar het oordeel van het college een ingediend publieksinitiatief past binnen de kaders van het waterschapsbeleid en bijdraagt aan de doelstellingen van het waterschap.

  • 2.

    Het college besluit over deelname aan overheidsparticipatie en kan daaraan voorwaarden stellen.

  • 3.

    Een ingezetene die een publieksinitiatief indient, moet zestien jaar of ouder zijn en, eventueel met uitzondering van de leeftijd, voldoen aan de vereisten van het kiesrecht voor de leden van het algemeen bestuur.

  • 4.

    Het college kan overheidsparticipatie aan publieksinitiatieven onder andere weigeren als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat:

    • a.

      het initiatief doelstellingen beoogt die in strijd zijn met het algemeen belang;

    • b.

      het initiatief discriminatie oplevert wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, burgerlijke staat, seksuele gerichtheid, leeftijd of op welke andere grond dan ook;

    • c.

      er sprake is van onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij omwonenden, belanghebbenden of de betrokken bewoners;

    • d.

      het initiatief naar het oordeel van het college op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is.

  • 5.

    Het college weigert medewerking aan een publieksinitiatief als dat zich richt op:

    • a.

      uitvoering van besluiten van hogere bestuursorganen waaromtrent het waterschap geen beleidsvrijheid heeft;

    • b.

      waterschapsbelastingen en -tarieven;

    • c.

      vaststelling en wijziging van de waterschapsbegroting, de jaarrekening en de goedkeuring van de begroting;

    • d.

      een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van het waterschap;

    • e.

      benoemen en functioneren van personen;

    • f.

      handelingen en gedragingen van leden van het algemeen bestuur, van leden van het college of ambtenaren;

    • g.

      onderwerpen waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht openstaat of heeft opengestaan of onderwerpen waarover de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel uit te spreken of heeft uitgesproken;

    • h.

      een onderwerp waarover het waterschap korter dan twee jaren voor indiening van het initiatief een besluit heeft genomen;

    • i.

      een onderwerp dat overwegend het privébelang van de indiener dient;

    • j.

      doelstellingen die in strijd zijn met de wet.

     

Paragraaf 6 Uitdaagrecht

Artikel 11.1 Begripsbepaling en toepasselijkheid uitdaagrecht

  • 1.

    Alleen rechtspersonen zonder winstoogmerk, zoals bewonersorganisaties, stichtingen of verenigingen, mogen een verzoek indienen om een taak van het waterschap over te nemen.

  • 2.

    Commerciële ondernemingen en individuele personen (natuurlijke personen) kunnen geen gebruik maken van dit recht.

  • 3.

    Het uitdaagrecht is niet van toepassing op wettelijke taken die het waterschap uitvoert.

Artikel 11.2 Uitsluitingsgronden

Overname van de uitvoering van de volgende taken is niet mogelijk:

  • a.

    als het een lopend uitvoeringstraject of ondergeschikte herzieningen daarvan betreft;

  • b.

    als het uitdaagrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

  • c.

    als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving of besluiten van hogere bestuursorganen waarbij het waterschap geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

  • d.

    inzake financiën, de begroting, de belastingen en tarieven voor dienstverlening en bedoeld in de Waterschapswet;

  • e.

    als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde uitkomt;

  • f.

    als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat het benutten van het uitdaagrecht niet kan worden afgewacht;

Artikel 11.3 Procedure uitdaagrecht

  • 1.

    Een verzoek met betrekking tot het uitdaagrecht wordt bij het waterschap ingediend en omvat in ieder geval de volgende onderdelen:

     

    • a.

      een omschrijving van de taak die de verzoeker wil overnemen;

    • b.

      uitleg waarom en hoe de verzoeker deze taak beter of goedkoper kan uitvoeren;

    • c.

      duidelijkheid over de betrokkenheid, kennis of ervaring van de verzoeker;

    • d.

      aannemelijk maken dat verzoeker de prestatie kan leveren en de continuïteit en kwaliteit zijn geborgd;

    • e.

      een indicatie van het draagvlak onder belanghebbenden;

    • f.

      een omschrijving van de maatschappelijke meerwaarde van de overname;

    • g.

      een omschrijving van de manier waarop de verzoeker met het waterschap wil samenwerken of ondersteuning nodig heeft;

    • h.

      inzicht in hoe de kwaliteit en de uitvoering van de taak op de langere termijn kan worden gewaarborgd.

    • i.

      een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel;

    • j.

      verzoeker moet kunnen aantonen dat hij woont in of betrokken is bij het beheergebied van het waterschap;

  • 2.

    Het dagelijks bestuur kan aanvullende informatie opvragen.

Artikel 11.4 Beoordeling van het verzoek

  • 1.

    Het dagelijks bestuur beoordeelt het verzoek en beslist over toewijzing.

  • 2.

    Een verzoek wordt in ieder geval afgewezen als

    • a.

      het initiatief in strijd is met wet- of regelgeving of vastgesteld beleid;

    • b.

      het initiatief afkomstig is van een commerciële partij of natuurlijke persoon;

    • c.

      de veiligheid, kwaliteit en continuïteit niet geborgd zijn.

  • 3.

    Het college maakt met de verzoekers afspraken over het proces, het resultaat, het budget en de looptijd.

  • 4.

    Het college beslist binnen 12 weken op het verzoek. Deze termijn kan in geval van complexe uitdagingen verlengd worden tot maximaal een jaar.

  • 5.

    Artikel 10 lid 4 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11. 5 Vastlegging en evaluatie

  • 1.

    Bij een positief besluit worden de afspraken schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst.

  • 2.

    Het college evalueert periodiek de toepassing van het uitdaagrecht.

  • 3.

    Het college brengt in de jaarstukken verslag uit aan de Verenigde Vergadering over toepassing van het uitdaagrecht.

     

Paragraaf 7 Evaluatie en monitoring

Artikel 12 Evaluatie en monitoring

  • 1.

    Het algemeen bestuur evalueert de uitvoering van deze verordening eenmaal per drie jaar. Het college stelt hiervoor een verslag op over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

  • 2.

    Het verslag bevat een beschrijving van:

    • a.

      de uitvoering van publieks- en overheidsparticipatie;

    • b.

      het aantal ontvangen publieksinitiatieven en de wijze hoe hiermee is omgegaan;

    • c.

      de lessen die zijn geleerd uit de gevolgde participatietrajecten.

 

Paragraaf 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking daarvan.

Artikel 14 Intrekking oude regeling

De Inspraakverordening waterschap Hollandse Delta, vastgesteld op 7 december 2013 wordt ingetrokken.

Artikel 15 Overgangsregeling

Op inspraak- en participatieprocedures die zijn gestart voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijven van toepassing de bepalingen van de inspraakverordening zoals die luidden bij de start van die procedure.

Artikel 16 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Participatie– en inspraakverordening waterschap Hollandse Delta 2025

Ridderkerk, 17 december 2025

De Verenigde Vergadering voornoemd,

secretaris-directeur,

V. Bergsma

dijkgraaf

J.F. Bonjer

Toelichting  

Algemeen

De Waterschapswet bepaalt in artikel 79 dat het algemeen bestuur verplicht is een verordening vast te stellen, waarin regels worden gegeven inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij het beleid van het bestuur worden betrokken. De Waterschapwet bepaalt vervolgens dat die inspraak wordt verleend door toepassing te geven aan Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb). In die verplichting voorziet deze verordening.

 

Inspraak

Belanghebbenden kunnen via inspraak hun mening geven over een voorstel dat gereed is voor bestuurlijke besluitvorming, zodat het eventueel nog kan worden aangepast voordat het waterschap erover beslist. In verband met de slagvaardigheid van het optreden wordt in deze verordening de scheiding gemaakt waardoor ingezetenen hun recht op inspraak kunnen benutten bij beleidsvoornemens zoals bedoeld in artikel 79 van de Waterschapswet en verder geeft deze verordening het recht tot inspraak aan belanghebbenden. Dit laat onverlet dat in inspraak verder altijd wordt verleend op de wijze die de wetgever heeft voorgeschreven.

Daarnaast kan het waterschap ook anderen dan belanghebbenden aan de inspraak laten deelnemen als het waterschap veronderstelt dat daardoor een kwalitatief beter en/of een breder gedragen beleid tot stand komt.

 

Participatie

Daarnaast moet inspraak ook worden onderscheiden van participatie, ook wel interactieve beleidsvorming genoemd. Het uitwisselen van ideeën tussen burgers en waterschap (tweerichtingsverkeer) is het belangrijkste kenmerk van participatie. Participatie is een werkwijze waarbij het waterschap, veelal vóórdat er sprake is van een concreet beleidsvoornemen, relevante partijen (zoals burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven, deskundigen of andere overheden) bij de beleidsontwikkeling betrekt. In een participatieproces wordt getracht om in een open en evenwichtige samenwerking met hen tot de voorbereiding, bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Participatie mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij beleidsproblemen waarvan het waterschap op voorhand niet weet - of nog niet wil bepalen - hoe deze opgelost zullen worden. Bij participatie wordt vaak een aantal keren van gedachten gewisseld. Het waterschap kan ook anderen dan belanghebbenden aan een participatieproces laten deelnemen als het waterschap veronderstelt dat daardoor een kwalitatief beter en/of een breder gedragen beleid tot stand komt.

 

Participatie in de Omgevingswet

Een aantal participatieverplichtingen vloeien rechtstreeks voort uit de Omgevingswet.

Participatie is vanuit de Omgevingswet verplicht bij de procedures tot vaststelling van de waterschapsverordening, het waterbeheerprogramma en projectbesluiten.

Een aanvrager van een omgevingsvergunning moet aangeven of hij aan participatie heeft gedaan, hoe de omgeving is betrokken en zo ja, wat de resultaten zijn. Hoe hier invulling aan wordt gegeven, valt niet onder de inspraak- en participatieverordening.

De Omgevingswet schrijft niet voor welke vorm participatie moet hebben. Daar is het bevoegd gezag en de initiatiefnemer vrij in. Ze kunnen eigen keuzes maken voor de inrichting van een participatieproces. Het gaat om maatwerk omdat de locatie, het soort besluit, de omgeving en de betrokkenen elke keer anders zijn. Ook het moment waarop de participatie start, verschilt per situatie.

 

Verhouding participatie en inspraak

Participatie kan niet in de plaats van inspraak treden, dit aangezien aan belanghebbenden en ingezetenen hun rechtsmiddelen niet mogen worden ontnomen.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

 

Hoofdstuk 2 Inspraak

 

Artikel 2 Reikwijdte

Alleen inwoners uit het beheersgebied (ingezetenen) en belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb kunnen participeren. De raadpleging van externe deskundigen is geen vorm van publieksparticipatie zoals bedoeld in deze verordening.

 

Artikel 3 Onderwerp van inspraak en publieksparticipatie

Dit lid geeft een opsomming van besluiten ten aanzien waarvan geen inspraak of publieksparticipatie plaats vindt. Soms is publieksparticipatie zinloos als het bevoegdheden betreft van andere bestuursorganen, omdat het bestuur in zijn handelen gebonden is aan hogere wetgeving of omdat hogere wetgeving participatie uitsluit. Soms is publieksparticipatie overbodig, als dit proces al is doorlopen.

 

Artikelen 4 tot en met 7 (Paragraaf 3 Procedure inspraak)

Artikelen 4 tot en met 7 zijn een uitwerking van bepalingen in de Awb. In artikelen 3:11 tot en met 3:17 van de Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het te nemen besluit kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. In artikel 3, vierde lid van de verordening is bepaald in welke gevallen geen inspraak wordt verleend.

 

Artikel 5 Inspraakprocedure

Lid 2

In de Memorie van Toelichting op de Wet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (TK 1999-2000, 27 023, nr. 3, blz. 31) is te lezen dat in de Inspraakverordening zowel geheel als gedeeltelijk kan worden afgeweken van afdeling 3.4 van de Awb. Volgens de

Memorie kan dit laatste bijvoorbeeld plaatsvinden in gevallen waarin het wenselijk is om wel het ontwerp ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover op andere wijze te organiseren of om te werken met andere termijnen. Het college kan in concrete gevallen maatwerk leveren.

Lid 3

Voor de vaststelling van begroting en jaarrekening is de termijn van inspraak korter dan de standaardtermijn van zes weken. Aansluiting is gezocht bij de in de Waterschapswet genoemde termijn van twee weken.

 

Artikel 7 Eindverslag

In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 van de Awb. In artikel 3:17 van de Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt gemaakt van wat tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht. Onder het in dit artikel genoemde verslag van de gevolgde inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 van de Awb onverkort toegepast? Wanneer is het te nemen besluit ter inzage gelegd enz? De eindrapportage moet een volledig overzicht bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. In de Memorie van Toelichting bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave van de naar voren gebrachte zienswijze en vermelding van de personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht. Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven tot welk resultaat de zienswijzen heeft geleid. In het derde lid is bepaald dat het eindverslag wordt toegezonden aan degenen die een zienswijze naar voren heeft gebracht. Tot slot verdient het aanbeveling om tijdens een inspraakavond al duidelijkheid te verschaffen omtrent de communicatie.

 

Artikel 8 Procedure publieksparticipatie

Lid 2 onder e

Bij een publieksparticipatietraject worden belangen breed in beeld gebracht.

Vanzelfsprekend wordt erop ingezet om belanghebbenden die dat willen deel te laten nemen aan een participatietraject. Hierbij schenkt het waterschap / het bestuur extra aandacht aan het bereiken van doelgroepen die minder makkelijk te bereiken lijken.

 

Artikel 10 Procedure overheidsparticipatie

Lid 2

Het besluit van het college om al dan niet deel te nemen aan een publieksinitiatief is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Dit betekent dat daartegen bezwaar en beroep openstaan.

Lid 3

Een publieksinitiatief kan worden ingediend door ingezetenen, maatschappelijke organisaties, bedrijven of andere belanghebbenden. Als een publieksinitiatief wordt ingediend door een ingezetene dan moet deze ingezetene kiesgerechtigd zijn voor de waterschapsverkiezingen omdat het publieksinitiatief een instrument is om burgers bij de besluitvorming van het bestuur te betrekken en die te beïnvloeden. Wie kiesgerechtigd is, is vastgelegd in artikel B 2a van de Kieswet. Om ook jongeren meer te betrekken is de leeftijd waarop initiatiefvoorstellen kunnen worden ingediend verlaagd naar 16 jaar. Jongeren kunnen op deze wijze (vroegtijdig) betrokken worden bij het waterschap.

Lid 3

In dit lid zijn mogelijke weigeringsgronden opgenomen. Deze weigeringsgronden hebben geen automatische werking. Het college kan afwegen of de hier genoemde weigeringsgronden voldoende relevant zijn om tot weigering over te gaan.

Lid 6

In dit lid zijn absolute weigeringsgronden opgenomen. Als een van deze gronden van toepassing is, wordt het verzoek om overheidsparticipatie afgewezen. De beperkingen die dit lid stelt aan de inhoud van een publieksinitiatief vloeien vooral voort uit doelmatigheidsoverwegingen. Het is bijvoorbeeld weinig efficiënt om het bestuur te belasten met de beraadslaging over een onderwerp waarover het uiteindelijk geen beslissende bevoegdheid heeft. Ook een vraag over waterschapsbeleid kan geen onderwerp van een publieksinitiatief zijn. Voor dit soort vragen staan de burger andere wegen open, zoals het spreekrecht in een vergadering van de commissies of Verenigde Vergadering. Verder moet worden voorkomen dat het publieksinitiatief andere procedures zoals de bezwaar- of de klachtprocedure doorkruist. Met het oog hierop is bepaald dat het publieksinitiatief geen bezwaar tegen een genomen besluit of een klacht over een gedraging van het bestuur kan inhouden. Ten slotte is het niet de bedoeling dat zaken die recent in het bestuur aan de orde zijn geweest opnieuw onderwerp van bespreking worden als gevolg van een publieksinitiatief. Dit zou de besluitvorming in het bestuur te zeer kunnen frustreren

 

Artikel 11 Uitdaagrecht

Algemeen

 

Het uitdaagrecht biedt inwoners en maatschappelijke organisaties de mogelijkheid om taken van het waterschap over te nemen als zij denken deze beter of efficiënter te kunnen uitvoeren. Dit sluit aan bij het streven naar een meer participatieve overheid, waarin ruimte is voor lokaal initiatief, betrokkenheid en maatwerk.

 

Artikel 11.1 Begripsbepaling en toepasselijkheid uitdaagrecht

Het uitdaagrecht is bedoeld voor rechtspersonen zonder winstoogmerk, zoals stichtingen, verenigingen of coöperaties. Commerciële partijen zijn uitgesloten, om te waarborgen dat het publieke belang voorop blijft staan.

 

Wanneer natuurlijke personen – dus inwoners die niet zijn verenigd in een stichting, vereniging of andere rechtspersoon zonder formele juridische structuur – gebruik willen maken van het uitdaagrecht, brengt dit risico’s met zich op het gebied van aansprakelijkheid, continuïteit en verantwoording.

 

Om deze risico’s te beperken, wordt natuurlijke personen aangeraden om samen te werken met een bestaande organisatie of zich te verenigen in een rechtspersoon.

 

Wettelijke taken uitgezonderd

 

Voor waterschappen geldt echter dat zij een aantal wettelijke taken uitvoeren, zoals het beheer van waterkeringen (dijken), het zuiveren van afvalwater, het waterkwantiteitsbeheer (zoals peilbeheer), en het waterkwaliteitsbeheer. Deze taken zijn uitgezonderd van het uitdaagrecht omdat hiervoor specifieke deskundigheid, continuïteit en toezicht is vereist. Ook kunnen de veiligheid en volksgezondheid in het geding kunnen zijn, zoals bij het beheer van waterkeringen of waterzuivering. Waar het waterschap ruimte ziet voor het uitdaagrecht is bijvoorbeeld bij onderhoud van groen of natuur en educatie en bewustwordingsprojecten over klimaatadaptatie, watergebruik en biodiversiteit in en rond het water.

 

Artikel 11.2 t/m 11.5

 

Bevoegdheid en maatwerk

 

Het dagelijks bestuur van het waterschap beoordeelt elk verzoek afzonderlijk. Er is bewust gekozen voor maatwerk: niet elke taak leent zich voor overname. Daarom zijn er duidelijke uitsluitingsgronden opgenomen, zoals wettelijke taken, spoedeisende beleidsvoornemens of opdrachten boven de Europese aanbestedingsdrempel.

 

Beoordeling en besluitvorming

 

Het dagelijks bestuur beoordeelt of het verzoek voldoet aan de voorwaarden. Daarbij wordt ook gekeken naar het algemeen belang, bestaand beleid en de uitvoerbaarheid. Bij een positief besluit worden de afspraken schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst. Het college behoudt zich het recht voor om bijvoorbeeld bij wijziging van het beleid de overeenkomst eenzijdig te wijzigen of te beëindigen. Dit gebeurt altijd met zorgvuldigheid en in overleg met de betrokken partijen.

 

Deze bepaling is bedoeld om flexibiliteit te behouden voor situaties waarin het beleid van het waterschap verandert of nieuwe inzichten ontstaan. Het stelt het college in staat om afspraken aan te passen aan veranderende omstandigheden, zodat het beleid actueel en uitvoerbaar blijft..

 

Lerende aanpak

 

Het waterschap kiest voor een lerende benadering. Door ervaring op te doen met uitdaagverzoeken ontstaat inzicht in welke taken zich lenen voor overname en wat succesfactoren of knelpunten zijn. Deze inzichten kunnen leiden tot beleidsaanpassing of nadere richtlijnen.

Bijlage 1 Handelingskader Participatie Waterschap Hollandse Delta

 

Participatie is maatwerk. De locatie, de omgeving en de betrokkenen zijn immers elke keer anders. Met het Handelingskader Participatie wil het waterschap duidelijkheid geven over welke stappen doorlopen worden in het participatieproces.

 

Stap 1: Beoordeling van het onderwerp

 

Is het onderwerp geschikt voor participatie?

 

  • Ruimte voor invloed: Controleer of er daadwerkelijk beslissingsruimte is waarin de input van burgers een verschil kan maken. Als de uitkomst al vaststaat, is participatie minder zinvol en wekt het onterecht de verwachting dat er ruimte is om invloed uit te oefenen.

  • Belang voor de gemeenschap: Bepaal of het onderwerp voldoende relevant is voor de gemeenschap. Hoe groter de impact op de gemeenschap, hoe belangrijker het is om participatie te organiseren.

  • Tijd: Zorg ervoor dat er voldoende tijd is om een participatieproces goed te doorlopen. Haastige participatie kan leiden tot onvolledige of oppervlakkige input.

  • Middelen: Beoordeel of er voldoende budget en personeel beschikbaar is om het participatieproces te faciliteren. Dit omvat het organiseren van bijeenkomsten, communicatie en verwerking van input.

Stap 2: Doel van participatie

 

Wat is het doel van de participatie?

  • Informeren: Het doel is om burgers op de hoogte te brengen van plannen en besluiten. Dit is een eenzijdige communicatievorm.

  • Raadplegen: Het doel is om meningen en ideeën van burgers te verzamelen. Dit kan via enquêtes, inspraakavonden of consultatiesessies.

  • Adviseren: Burgers worden gevraagd om advies te geven over specifieke onderwerpen. Dit advies wordt serieus overwogen bij de besluitvorming.

  • Coproduceren: Burgers werken samen met het waterschap aan de ontwikkeling van plannen en beleid. Ze hebben een gelijkwaardige rol in het proces.

  • Meebeslissen: Burgers hebben directe invloed op de besluitvorming, bijvoorbeeld via referenda of burgerbegrotingen.

Stap 3: Betrokkenheid van burgers

 

Welke groepen burgers worden betrokken?

 

  • Ingezetenen: Alle inwoners van het waterschap.

  • Specifieke belanghebbenden: Groepen die direct belang hebben bij het onderwerp, zoals agrariërs, natuurorganisaties, bedrijven.

  • Ondervertegenwoordigde groepen: Groepen die vaak minder betrokken zijn, zoals jongeren, ouderen, mensen met een migratieachtergrond.

Hoe worden deze groepen benaderd?

 

  • Communicatiekanalen: Gebruik diverse kanalen zoals de website, nieuwsbrieven, sociale media, lokale kranten.

  • Methoden: Pas verschillende methoden toe zoals enquêtes, bijeenkomsten, workshops, interactieve kaarten, online platforms.

Stap 4: Verantwoordelijkheden en rollen

 

Welke verantwoordelijkheden hebben de betrokken partijen?

 

Waterschap: Het waterschap is verantwoordelijk voor het faciliteren van het participatieproces, zorgen voor transparantie en terugkoppeling.

 

  • Dit betekent bijvoorbeeld dat kaders vooraf scherp gemaakt moeten worden, zodat duidelijk is wanneer, waarop een inwoner invloed kan hebben. Daarnaast moet duidelijk gemaakt worden binnen welk tijdsbestek deze input kan worden verwerkt.

  • Ook is het van belang dat het participatieproces vastgelegd wordt zodat het proces navolgbaar is voor deelnemers, collega’s en beslissers maar ook voor inwoners die niet hebben deelgenomen.

Inwoners: Inwoners worden verwacht actief deel te nemen en een constructieve bijdrage te leveren.

 

Hoe worden de rollen verdeeld?

 

Leiding: Bepaal wie de leiding heeft in het proces, bijvoorbeeld een projectleider of participatiecoördinator.

Besluitvorming: Maak duidelijk wie de uiteindelijke beslissingen neemt en hoe de input van deelnemers wordt meegenomen in deze beslissingen.

 

Stap 5: Evaluatie en terugkoppeling

 

Hoe wordt het participatieproces geëvalueerd?

 

  • Criteria: Stel criteria op om het succes van het participatieproces te beoordelen, zoals de mate van betrokkenheid, de kwaliteit van de input, de tevredenheid van de deelnemers.

  • Feedback: Verzamel feedback van de deelnemers over hun ervaringen en gebruik deze om het proces te verbeteren.

Hoe wordt terugkoppeling gegeven aan de burgers?

 

  • Communicatie: Informeer de deelnemers over de resultaten van het participatieproces en hoe hun input is verwerkt in de uiteindelijke besluiten.

  • Transparantie: Zorg voor transparantie door duidelijk te maken welke beslissingen zijn genomen en waarom.

Naar boven