Verordening zuiveringsrechten waterschap Scheldestromen 2026

 

De algemene vergadering van waterschap Scheldestromen;

 

gezien het voorstel van het dagelijks bestuur van 21 oktober 2025, nr. 2025010508;

 

gelet op artikel 115 van de Waterschapwet;

besluit:

 

Overwegende dat:

 

  • a.

    het waterschap in beginsel het zuiveren van al het in het verzorgingsgebied van het waterschap ontstaan huishoudelijk en bedrijfsafvalwater tot haar taken rekent, ongeacht langs welke weg dit afvalwater wordt aangevoerd op een zuiveringtechnisch werk in beheer of in onderhoud bij het waterschap;

  • b.

    het waterschap mede in het licht van de waterkwaliteit en -veiligheid in haar verzorgingsgebied dat water niet ongecontroleerd afgevoerd wenst te zien worden;

  • c.

    het waterschap in het verleden met natuurlijke en niet-natuurlijke personen afspraken heeft gemaakt, al dan niet in samenwerking c.q. samenspraak met de gemeente van vestiging van die persoon, met betrekking tot de infrastructurele vorm van de aanvoer van water naar het zuiveringtechnisch werk in beheer of in onderhoud bij het waterschap vanuit een woon- of bedrijfsruimte in het verzorgingsgebied van het waterschap;

  • d.

    in een gering aantal voorkomende gevallen het aanvoeren van water niet (tenminste deels) geschiedt via gemeentelijke riolering, doch - door omstandigheden - via infrastructuur in beheer of in onderhoud bij het waterschap danwel via een rechtstreekse leiding op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap;

  • e.

    deze aanvoer van water tot en met 2025 met toepassing van de Verordening zuiveringsheffing van het waterschap in de heffing werd betrokken;

  • f.

    het waterschap de in het verleden met die persoon gemaakte afspraken zoveel mogelijk wenst te respecteren en te continueren, tenzij de betrokken natuurlijke of niet-natuurlijke perso(o)n(en) die afspraken juist niet wensen te continueren, maar zich op andere toegestane wijze van het water wensen te ontdoen;

  • g.

    in de zuivere benadering de kosten van het zuiveren van het door de betrokken natuurlijke of niet-natuurlijke personen aangevoerde water met ingang van 1 januari 2026 niet (meer) met de heffing van de zuiveringsheffing kunnen worden bestreden;

  • h.

    het waterschap de kosten van het zuiveren van het aangevoerde water van de betrokken natuurlijke of niet-natuurlijke personen met de heffing van een recht als bedoeld in artikel 115 Waterschapswet wenst te dekken, uitgaande van een impliciete of een expliciete aanvraag daartoe van de betrokken natuurlijke of niet-natuurlijke perso(o)n(en) als vorenbedoeld;

     

Vast te stellen de:

 

Verordening zuiveringsrechten waterschap Scheldestromen 2026

 

 

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    aanvoeren: het brengen van stoffen op een zuiveringtechnisch werk in beheer of in onderhoud bij het waterschap, anders dan (tenminste deels) via gemeentelijke riolering;

  • b.

    afvalwater van huishoudelijke aard: afvalwater afkomstig van een woon- of bedrijfsruimte met een afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse 8 of lager van de in Bijlage 2 opgenomen tabel;

  • c.

    bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een gemeentelijke riolering;

  • d.

    gemeentelijke riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

  • e.

    heffingsambtenaar: de daartoe aangewezen ambtenaar van Sabewa;

  • f.

    ingenomen water: geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater; 

  • g.

    heffingsjaar: kalenderjaar;

  • h.

    maand: kalendermaand;

  • i.

    stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;

  • j.

    ruimte: een woonruimte, een bedrijfsruimte, of anderszins een locatie binnen het verzorgingsgebied van het waterschap;

  • k.

    water: afvalwater van huishoudelijke aard, al dan niet vermengd met hemelwater en/of grondwater;

  • l.

    waterschap: het waterschap Scheldestromen

  • m.

    woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

  • n.

    zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een gemeentelijke riolering.

 

 

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam ‘zuiveringsrechten’ worden rechten geheven ter zake van het op aanvraag anders dan (tenminste deels) via gemeentelijke riolering voor zuivering transporteren van afvalwater van huishoudelijke aard naar een zuiveringtechnisch werk in beheer of in onderhoud bij het waterschap en/of het zuiveren van anders dan (tenminste deels) via gemeentelijke riolering naar een zuiveringtechnisch werk in beheer of in onderhoud bij het waterschap aangevoerd water.

 

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst c.q. degene die voor het zuiveren van water dat niet (tenminste deels) via gemeentelijke riolering wordt aangevoerd gebruik maakt van een zuiveringtechnisch werk in beheer of in onderhoud bij het waterschap.

  • 2.

    Als aanvrager wordt (mede) aangemerkt de gebruiker van de ruimte van waaruit water wordt aangevoerd.

  • 3.

    Als aanvraag wordt (mede) aangemerkt het na 31 december 2025 voortgezet aanvoeren van water anders dan (tenminste deels) via gemeentelijke riolering naar een zuiveringtechnisch werk in beheer of in onderhoud bij het waterschap.

  • 4.

    Als gebruiker van de ruimte wordt:

    • a.

      in geval sprake is van gebruik van een woonruimte, aangemerkt: degene die volgens de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven staat op het adres van de woonruimte;

    • b.

      in geval sprake is van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden, aangemerkt: degene die door de heffingsambtenaar is aangewezen;

    • c.

      in geval sprake is van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven, aangemerkt: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

    • d.

      in geval sprake is van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte, aangemerkt: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.

  • 5.

    Als voor de ruimte geen gebruiker valt aan te wijzen, maar wel sprake is van aanvoeren, wordt de zakelijk gerechtigde krachtens eigendom, bezit of beperkt recht tot de ruimte aangemerkt als gebruiker van de ruimte.

 

Artikel 4 Vrijstellingen

Van de heffing van de zuiveringsrechten is vrijgesteld:

  • 1.

    het aanvoeren door het waterschap;

  • 2.

    het (tenminste deels) via gemeentelijke riolering aanvoeren.

     

Artikel 5 Heffingsgrondslag

  • 1.

    De rechten worden geheven per ruimte van waaruit water wordt aangevoerd.

  • 2.

    In geval sprake is van een woonruimte, geschiedt de heffing naar een vast bedrag per woonruimte.

  • 3.

    In geval sprake is van een bedrijfsruimte, worden de rechten geheven naar een vast bedrag per vervuilingseenheid.

  • 4.

    Het aantal vervuilingseenheden wordt bepaald met toepassing van de artikelen 6 tot en met 17 en 19 van deze verordening en de daarbij behorende bijlagen.

  • 5.

    Indien de bepaling van het aantal vervuilingseenheden niet overeenkomstig het vierde lid kan plaatsvinden, schat de heffingsambtenaar het aantal vervuilingseenheden met toepassing van artikel 18 van deze verordening en de daarbij behorende bijlagen.

  • 6.

    In geval vanuit een bedrijfsruimte in hoofdzaak afvalwater van huishoudelijke aard wordt aangevoerd, wordt het zuiveringsrecht -vanuit het oogmerk van doelmatigheid- toegepast op de totale vanuit de bedrijfsruimte aangevoerde hoeveelheid afvalwater, ook de hoeveelheid afvalwater met een afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse 9 of hoger van de in Bijlage 2 opgenomen tabel.

 

Artikel 6 Grondslag en heffingsmaatstaf

  • 1.

    Voor de heffing geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.

  • 2.

    Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, waarbij de vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden.

  • 3.

    Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt voor:

    • a.

      het zuurstofverbruik: het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof;

    • b.

      gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, en zink: 1,00 kilogram;

    • c.

      gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium: 0,100 kilogram.

  • 4.

    Het zuurstofverbruik van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, wordt bepaald op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal organisch koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal stikstof verminderd met de som van nitriet-stikstof en nitraat-stikstof in de stoffen, zoals voorgeschreven in Bijlage 1. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde stoffen.

  • 5.

    Het aantal vervuilingseenheden voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zink, arseen, kwik en cadmium wordt bepaald op basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in Bijlage 1.

  • 6.

    De stoffen zilver, chloride, sulfaat en fosfor worden niet aan de heffing onderworpen.

     

Artikel 7 Afwijkende verhouding chemisch zuurstofverbruik en totaal organisch koolstof

  • 1.

    Als de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde stoffen in het kalenderjaar lager is dan tweeënhalf of hoger is dan drieënhalf wordt op aanvraag van de belastingplichtige op zijn kosten, respectievelijk ambtshalve door de heffingsambtenaar op kosten van de betrokken beheerder, de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde stoffen in afwijking van artikel 6, vierde lid, tweede volzin, gedeeld door tweeënhalf respectievelijk drieënhalf en vermenigvuldigd met drie.

  • 2.

    De verhouding in het kalenderjaar tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof wordt bepaald door meting, bemonstering en analyse volgens de in artikelen 8 en 9 opgenomen voorschriften. Wanneer op grond van artikel 9 door de heffingsambtenaar is ingestemd met meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen, dan wordt de in deze etmalen vastgestelde verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof representatief gevonden voor het gehele kalenderjaar.

  • 3.

    De heffingsambtenaar beslist op een in het eerste lid bedoelde aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking en neemt daarin in elk geval voorschriften op over:

    • a.

      een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen die in het onderzoek worden betrokken;

    • b.

      de tijdvakken waarin meting en bemonstering plaatsvinden, óf ieder etmaal van die tijdvakken, óf één of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;

    • c.

      de manier waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden herleid tot de verhouding in het kalenderjaar tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof over het heffingsjaar.

  • 4.

    De heffingsambtenaar kan het besluit op aanvraag en de in het vorige lid bedoelde voorschriften opnemen in de beschikking als bedoeld in artikel 8, zesde lid of artikel 9, eerste lid.

  • 5.

    Een op basis van dit artikel bepaalde afwijkende verhouding geldt met ingang van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar tot het heffingsjaar waarin dit artikel door de belastingplichtige of door de heffingsambtenaar opnieuw wordt toegepast.

  • 6.

    De belastingplichtige meldt veranderingen in de bedrijfsomstandigheden, die aanleiding kunnen geven tot een wijziging in de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde stoffen in het kalenderjaar, direct bij de heffingsambtenaar.

  • 7.

    De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde stoffen in het kalenderjaar, de beschikking waarom het gaat, bedoeld in het derde lid, ambtshalve dan wel op verzoek van de belastingplichtige wijzigen of intrekken, als deze veranderingen leiden tot een andere verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde stoffen in het kalenderjaar dan in die beschikking is opgenomen.

  • 8.

    De heffingsambtenaar neemt zijn beslissing, bedoeld in het zevende lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.

     

Artikel 8 Meting, bemonstering en analyse

  • 1.

    Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en niet-zuurstofbindende stoffen wordt berekend door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening vinden zo plaats dat de in Bijlage 1 opgenomen voorschriften worden nageleefd.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse vinden ieder etmaal van het heffingsjaar plaats, tenzij artikel 9 wordt toegepast.

  • 3.

    De meting, bemonstering en analyse vinden zo plaats dat:

    • a.

      de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;

    • b.

      het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit de bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan wordt afgevoerd.

  • 4.

    De belastingplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor het begin van het heffingsjaar ter kennis van de heffingsambtenaar. Als de apparatuur in de loop van het heffingsjaar in gebruik wordt genomen of wijzigt, dan wordt dit vóór de ingebruikname of de wijziging ter kennis van de heffingsambtenaar gebracht.

  • 5.

    De heffingsambtenaar:

    • a.

      kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering plaatsvinden in afwijking van één of meer van de in Bijlage 1, onderdeel A, opgenomen voorschriften, als deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;

    • b.

      beslist op aanvraag van de belastingplichtige, dat meting en bemonstering kunnen plaatsvinden in afwijking van een of meer van de in Bijlage 1, onderdeel A, opgenomen voorschriften, als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;

    • c.

      beslist op aanvraag van de belastingplichtige, dat kan worden afgeweken van de in Bijlage 1, onderdeel B, opgenomen analysevoorschriften, als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;

    • d.

      kan over de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c nadere voorschriften geven.

  • 6.

    De heffingsambtenaar neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:

    • a.

      de voorschriften van Bijlage 1, onderdelen A en B, waarvan wordt afgeweken;

    • b.

      de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;

    • c.

      de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;

    • d.

      een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.

  • 7.

    De heffingsambtenaar kan twee of meer op grond van het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op dezelfde belastingplichtige, in één geschrift samenvoegen.

  • 8.

    De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de op grond van het vijfde lid genomen beschikkingen, ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in het eerste lid en het derde lid.

     

Artikel 9 Beperkte meting, bemonstering en analyse

  • 1.

    Op aanvraag van de belastingplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens die door meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de heffingsambtenaar dat meting en bemonstering plaatsvinden in afwijking van het bepaalde in artikel 8, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:

    • a.

      een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen die in het onderzoek worden betrokken;

    • b.

      de tijdvakken waarin meting en bemonstering plaatsvinden, óf ieder etmaal van die tijdvakken, óf één of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;

    • c.

      de manier waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een daar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;

    • d.

      een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de beschikking wordt gegeven.

  • 2.

    De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de beschikking waarom het gaat, als toepassing van berekeningsvoorschrift C.2 van onderdeel C van Bijlage 1 leidt tot een ander aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen.

  • 3.

    De heffingsambtenaar neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.

     

Artikel 10 Hoedanigheidscorrectie

  • 1.

    Op aanvraag van de belastingplichtige, die aannemelijk maakt dat de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik als bedoeld in artikel 6, vierde lid, in belangrijke mate wordt beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, besluit de heffingsambtenaar dat op die uitkomst een correctie wordt toegepast. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:

    • a.

      de wijze van berekening van de correctie;

    • b.

      de samenstelling van het afvalwater waarop de correctie van toepassing is;

    • c.

      de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting, bemonstering en analyse.

  • 2.

    De heffingsambtenaar kan het besluit op aanvraag en de in het vorige lid bedoelde voorschriften opnemen in de beschikking als bedoeld in artikel 8, zesde lid of artikel 9, eerste lid.

  • 3.

    De aanvraag, het onderzoek en de berekening van de correctie geschieden met inachtneming van de voorschriften welke zijn opgenomen in onderdeel D van Bijlage 1.

 

Artikel 11 Tabel afvalwatercoëfficiënten

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, wordt het aantal vervuilingseenheden voor het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan vastgesteld met behulp van de in Bijlage 2 opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten, mits door de belastingplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden voor het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal met de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.

  • 2.

    Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt berekend volgens de formule: A x B, waarbij,

    A = het aantal m3 in het kalenderjaar voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;

    B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse 8 van de in Bijlage 2 opgenomen tabel of als de belastingplichtige of de heffingsambtenaar doet blijken dat een andere klasse dan 8 van toepassing is, de afvalwatercoëfficiënt behorende bij een andere klasse van de in Bijlage 2 opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde van het zuurstofverbruik per m3 voor de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.

  • 3.

    Als de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld met watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de heffingsambtenaar die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen wijze.

  • 4.

    De vervuilingswaarde van het zuurstofverbruik per m3 als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009.

  • 5.

    Als het aantal vervuilingseenheden voor het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan de uitkomst van de berekening op de voet van artikel 5, eerste lid, beslist de heffingsambtenaar bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van belastingplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.

  • 6.

    De belastingplichtige meldt veranderingen in de bedrijfsomstandigheden, die aanleiding kunnen geven tot een wijziging in de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water, direct bij de heffingsambtenaar.

 

Artikel 12 Heffingsvrije grens

  • 1.

    Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkelen zink wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met 0,0162.

  • 2.

    Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met 0,0027.

     

Artikel 13 Meetverplichting niet-zuurstofbindende stoffen

  • 1.

    Als de vervuilingswaarde voor de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte minder dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 8:

    • a.

      het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, en zink op nihil gesteld, tenzij de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden voor deze stoffen de in artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek te boven gaat;

    • b.

      het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de heffingsambtenaar aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden voor deze stoffen de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek te boven gaat.

  • 2.

    Als de vervuilingswaarde van de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt, wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 8:

    • a.

      het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, en zink op nihil gesteld, als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden voor deze stoffen de in artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat;

    • b.

      het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden voor deze stoffen de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat.

 

Artikel 14 Vervuilingswaarde tuinbouwkassen

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te telen, gesteld op drie vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.

  • 2.

    Als in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte dan wel van een deel daarvan door de belastingplichtige begint of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte of dat onderdeel, voor een evenredig gedeelte aan de heffing onderworpen.

  • 3.

    Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op basis van het eerste of tweede lid van minder dan vijf vervuilingseenheden, wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.

 

Artikel 15 Totale vervuilingswaarde bedrijfsruimte

De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van de aantallen vervuilingseenheden als berekend volgens de artikelen 8 tot en met 14, voor zover deze van toepassing zijn.

 

Artikel 16 Vervuilingswaarde kleine bedrijfsruimten

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen, die vanuit een bedrijfsruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden wanneer door de belastingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid wanneer door de belastingplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.

  • 2.

    De heffing voor het afvoeren vanuit bedrijfsruimten als bedoeld in het eerste lid is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij het begin van de belastingplicht.

  • 3.

    Als de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De belastingplichtige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de belastingplicht in de loop van het heffingsjaar, na het einde van de belastingplicht een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar.

     

Artikel 17 Vervuilingswaarde woonruimten

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd bedraagt één vervuilingseenheid.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat zo wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als één bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.

  • 3.

    Als de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, dan wordt de vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid gesteld met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin die situatie is ontstaan. Als de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een maand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van die maand op één vervuilingseenheid vastgesteld.

  • 4.

    Als de in het derde lid bedoelde situatie ontstaat na de dagtekening van de aanslag, bestaat aanspraak op vermindering. De belastingplichtige kan daartoe nadat de situatie is ontstaan een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar.

     

Artikel 18 Schatting

De heffingsambtenaar kan het aantal vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk schatten wanneer door de belastingplichtige:

  • a.

    de meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel heeft plaatsgevonden volgens de in deze verordening en Bijlage 1 opgenomen voorschriften;

  • b.

    het aantal vervuilingseenheden niet is berekend door meting, bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 11, eerste of vijfde lid, 14, eerste lid, 16, eerste lid, en 17, eerste lid, niet mogelijk is;

  • c.

    het aantal vervuilingseenheden niet is berekend door meting, bemonstering, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van artikel 8, vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de belastingplichtige gedurende het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in dat artikel is gedaan;

  • d.

    niet of niet geheel is voldaan aan de voorschriften, verbonden aan het in artikel 7, 8, 9 of 10 bedoelde besluit.

     

Artikel 19 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid

  • 1.

    De rechten zijn verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening en gedurende de duur van de dienstverlening.

  • 2.

    Indien ter zake van woonruimten de belastingplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het belastingjaar aanvangt, is zijn de rechten verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht aanvangt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.

  • 3.

    Indien ter zake van woonruimten de belastingplicht bedoeld in het eerste lid in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht eindigt op de eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt als een volle kalendermaand.

  • 4.

    Indien de belastingplicht voor woonruimten is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de belastingplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de heffingsambtenaar.

  • 5.

    Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige het gebruik van de woonruimte beëindigt en direct aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens wordt aangevoerd als bedoeld in artikel 1, onder c.

 

Artikel 20 Heffingsjaar

Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 21 Tarief

  • 1.

    Het recht bedraagt voor aanvoeren vanuit een woonruimte, per woonruimte, per jaar € 273,36 vertegenwoordigend drie vervuilingseenheden als bedoeld in artikel 17, lid 1.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid bedraagt het recht voor een woonruimte die volgens de gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) wordt gebruikt door één persoon, per woonruimte, per jaar € 91,12, vertegenwoordigend één vervuilingseenheid als bedoeld in artikel 17, lid 1.

  • 3.

    Het recht bedraagt voor aanvoeren vanuit een bedrijfsruimte, per bedrijfsruimte, per jaar, per vervuilingseenheid € 91,12.

 

Artikel 22 Wijze van heffing en termijnen van betaling

  • 1.

    De rechten wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid geldt, in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 25.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste negen bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 4.

    Het bedrag inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald uiterlijk op de laatste dag volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 5.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

     

 

Artikel 23 Aangifte

  • 1.

    Het uitnodigen tot het doen van aangifte gebeurt door het uitreiken of toesturen van een aangiftebiljet of een aangiftebrief.

  • 2.

    Het doen van aangifte gebeurt door het inleveren of toesturen van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde documenten of het op elektronische wijze toesturen van de door de programmatuur gevraagde gegevens.

     

Artikel 24 Kwijtschelding

Bij de invordering van de zuiveringsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.

 

Artikel 25 Aanmeldplicht

  • 1.

    Eenieder is verplicht zich te melden bij de heffingsambtenaar alvorens voor de eerste maal anders dan (tenminste deels) via gemeentelijke riolering water aan te voeren als bedoeld. in artikel 1, onder c.

  • 2.

    De melding als bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt als een aanvraag tot transport en zuivering van aangevoerd water.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap beslist op de aanvraag.

 

Artikel 26 Strafbare feiten

Strafbare feiten zijn:

  • a.

    het niet voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, artikel 8, vierde lid, en artikel 11, zesde lid;

  • b.

    het niet voldoen aan een in Bijlage 1, onderdelen A en B, opgenomen voorschrift, tenzij de heffingsambtenaar voor dit voorschrift gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 8, vijfde lid.

 

Artikel 27 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

  • 3.

    De in deze verordening genoemde normbladen worden bekendgemaakt door terinzagelegging op het waterschapskantoor te Middelburg en het belastingkantoor Sabewa Zeeland te Terneuzen.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening zuiveringsrechten waterschap Scheldestromen 2026'.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van de algemene vergadering van 20 november 2025 van waterschap Scheldestromen,

 

drs. J. Daane RA

secretaris-directeur

mr. drs. A.J.G. Poppelaars

dijkgraaf

Toelichting op de Verordening zuiveringsrechten waterschap Scheldestromen 2026

Met ingang van 1 januari 2026 is het door wetswijziging voor waterschappen alleen nog toegestaan een zuiveringsheffing te heffen van gebruikers van objecten die afvalwater afvoeren op de gemeentelijke riolering, welk afvalwater via die gemeentelijke riolering wordt aangeboden ter zuivering aan het waterschap. Voor afvalwater dat op andere wijze aan het waterschap wordt aangeboden is de zuiveringsheffing niet meer toegestaan.

De waterschappen wilden graag de mogelijkheid krijgen afvalwater aan te trekken dat nu niet aan het waterschap, maar aan private zuiveraars wordt aangeboden. Dergelijk afvalwater bevat in voorkomende gevallen stoffen die interessant zijn om eruit te halen. Vandaar dat private zuiveraars dat doen. Door wetswijziging kan een waterschap zich met ingang van 2026 ook op die ‘markt’ van interessant afvalwater begeven. Het betreffende afvalwater wordt aangeduid als ‘separate afvalwaterstromen’.

Als een waterschap zich op die markt van interessant afvalwater gaat begeven, wordt het waterschap voor die activiteiten ondernemer en zal het privaatrechtelijke overeenkomsten dienen te sluiten, wordt het BTW-plichtig voor die activiteiten en krijgt het te maken met de vennootschapsbelasting. De prijs van de activiteiten is onderhevig aan de voorwaarden die de Wet Markt en Overheid voorschrijft.

Bij de totstandkoming van de wetwijziging die het voor een waterschap mogelijk maakt de separate afvalwaterstromen aan te trekken is evenwel een bijwerking ontstaan. De spreekwoordelijke knip wordt gelegd bij de wijze van het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk van het waterschap. Indien de route van het water vanuit het object naar het zuiveringtechnisch werk via gemeentelijke riolering verloopt, is sprake van de wettelijke zuiveringstaak van het waterschap en kunnen de taakkosten met een zuiveringsheffing worden bestreden. Maar als het water een zuiveringtechnisch werk bereikt zonder tussenkomst van gemeentelijke riolering, is de activiteit geen wettelijke taak (meer) en mag geen zuiveringsheffing worden geheven ter dekking van de kosten. Deze situatie doet zich voor als afvalwater per as (tankwagen) wordt aangevoerd naar het zuiveringtechnisch werk, maar ook als een object met een eigen leiding aansluit op infrastructuur (leidingwerk of rioolwaterzuiveringsinstallatie) van het waterschap. Deze situaties worden ‘inprikkers’ genoemd, want die prikken direct in op de infrastructuur van het waterschap.

Vooral de situatie van inprikken is in het verleden niet door toedoen van die groep ontstaan, maar niet zelden als gevolg van afwegingen door het waterschap en de gemeente samen. Het niet hoeven aanleggen van gemeentelijke riolering verdiende de voorkeur en zo ontstonden de inprik-situaties. Voor de inprikker zelf maakte het niet uit of de afvoer van het afvalwater via gemeentelijke riolering of rechtstreeks naar infrastructuur van het waterschap plaatsvond. De inprikker kon van het afvalwater af en betaalde net als ieder ander zuiveringsheffing. Tot 2026 dus, want dan verandert dat.

Waterschappen worstelden met die situaties, want het voelt onlogisch en oneerlijk dat een gebruiker van een object door de wetswijziging -die een heel ander doel heeft- ineens buiten de wettelijke taakuitvoering van afnemen en zuiveren van afvalwater vallen, een private overeenkomst met het waterschap moet sluiten, een prijs gaat betalen die met BTW wordt verhoogd en het risico loopt dat geen overeenkomst tot stand komt en dan maar moet zien hoe hij of zij van het afvalwater afkomt. Vandaar dat waterschappen zochten naar een alternatief voor de situaties die onbedoeld of in ieder geval ongewenst, buiten de publiekrechtelijke zuiveringsheffing en binnen de kaders van het privaatrecht geraken. Voor zo’n alternatief werd, logischerwijs, naar de rechten van artikel 115 Waterschapswet gekeken. Het vergelijk met de reinigingsrechten van een gemeente was tenslotte snel gemaakt. De inzameling en verwerking van niet-huishoudelijk afval is ook geen wettelijke taak, maar de kosten van de dienstverlening van een gemeente kunnen gedekt worden met een publiekrechtelijk fiscaal middel op basis van artikel 229 van de Gemeentewet. Dat artikel kent een gelijke inhoud als art. 115 Waterschapsweet.

Tevens komt bij een private overeenkomst het optreden als ondernemer voor het waterschap aan de orde. Bij huishoudelijk afvalwater is geen ‘markt’ aanwezig waarmee het waterschap in concurrentie treedt. Dergelijk afvalwater is niet interessant voor een private zuiveraar. Alleen het waterschap wil (en moet bij afvoer via gemeentelijke riolering) dergelijk water afnemen. Een economische activiteit ontbreekt dan ook. Dat geldt dan tevens voor bedrijfsafvalwater van gelijke samenstelling (of: huishoudelijke aard). Dergelijk water bevat de voor private partijen (en het waterschap) interessante stoffen ook niet en zou dat water dat wel bevatten, dan wordt dat water nu niet naar het waterschap afgevoerd, maar aan private zuiveraars overgedaan. Overigens blijft in het midden of de private zuiveraar het restproduct na onttrekking van de interessante stoffen niet alsnog weer aan het waterschap ter (verdere) zuivering aanbiedt.

Ten aanzien van de ‘prijs’ voor de van waterschapswege verleende diensten en/of het gebruik van de waterschapsbezittingen geldt dat deze niet zodanig mag zijn dat de opbrengsten hoger zijn dan de kosten. Hierin verschilt art. 115 Waterschapswet in enige mate van de zuiverings- en watersysteemheffing. Bij die heffingen is sprake van een bestrijding in een meerjarig perspectief met een tariefegalisatiereserve. Voor de rechten dient meer naar het betrokken belastingjaar te worden gekeken. Evenwel is het niet zo dat de kosten die gemoeid zijn met het zuiveren van het afvalwater van inprikkers (zonder tussenkomst van gemeentelijke riolering) en het zuiveren van afvalwater van afvoerders via gemeentelijke riolering van elkaar verschillen. Het afvalwater dat wordt afgevoerd of aangevoerd vertoont immers geen verschillen. Voorts is het aantal VE van het water van inprikkers een fractie van de totale hoeveelheid VE die via gemeentelijke riolering wordt afgevoerd naar een zuiveringtechnisch werk. De invloed van het water van de inprikkers is te verwaarlozen. Vandaar dat de ‘prijs’ bij de zuiveringsrechten gelijk is aan de tarieven van de zuiveringsheffing.

Lang is door de Unie van Waterschappen vastgehouden aan het advies dat alleen de weg van de private overeenkomst voor alle separate afvalwaterstromen kon worden gevolgd als alternatief voor de niet meer toegestane kostenbestrijding met de zuiveringsheffing. Dat art. 115 Waterschapswet een fiscaal c.q. bestuursrechtelijk alternatief bood en veel beter past bij de situatie van de inprikkers was ondergeschikt aan de wetgeving. Inmiddels is ook door ESBL onderschreven dat art. 115 Waterschapswet wel als alternatief kan dienen voor de situaties waarvoor de zuiveringsheffing niet meer is toegestaan en de weg van de private overeenkomst niet voorgeschreven is bij de situatie in het licht van de wetwijziging.

De heffing van rechten geschiedt, vanuit het karakter van dit fiscale middel, op aanvraag. Het verlangt aldus een actieve rol van de aanvrager in plaats van de passieve rol die de heffingplichtige van de zuiveringsheffing heeft. Slechts het afvoeren van afvalwater op gemeentelijke riolering volstaat voor de belastingplicht van de zuiveringsheffing. Bij de rechten gaat het aldus om een aanvrager en het aanvoeren. Ook ‘aanvoeren’ is actief in plaats van het meer passieve ‘afvoeren’.

De naam ‘zuiveringsrechten’ voor een heffing van de inprikker die afvalwater met een klasse tot en met 8 ter zuivering aan het waterschap aanbiedt, ligt dicht bij de naam zuiveringsheffing. Dat maakt de heffing herkenbaar voor de betrokkenen die al jarenlang zuiveringsheffing voldoen en nu -zonder dat er feitelijk iets voor hen verandert- ineens niet meer onder de zuiveringsheffing kunnen bijdragen aan de kosten van het zuiveren van hun afvalwater. De naamgeving is vrij, maar een herkenbare naam die de lading dekt voor deze separate afvalwaterstromen verdient de voorkeur en roept waarschijnlijk ook minder vragen op dan ‘rechten voor separate afvalwaterstromen’.

De verordening zuiveringsrechten sluit dicht aan bij de verordening zuiveringsheffing, maar kent een zelfstandig belastbaar feit, zonder overlap met de zuiveringsheffing. De zuiveringsrechten gaan uit van de volgende uitgangspunten voor de heffing en een vergoeding op andere wijze.

  • -

    Woonruimten met separate afvalwaterstroom = zuiveringsrecht

  • -

    Bedrijfsruimte met separate afvalwaterstroom in hoofdzaak <klasse 9 = zuiveringsrecht

  • -

    Bedrijfsruimte met separate afvalwaterstroom niet in hoofdzaak <klasse 9 = private overeenkomst

  • -

    Aanvoer per as = private overeenkomst

  • -

    Alle andere gevallen = zuiveringsheffing

Bij de situaties van aanvoer per as is de redenering dat de aanvoerder in beginsel ook elders met het afvalwater naartoe kan. De aanvoer vindt immers op flexibele wijze plaats en niet via infrastructuur van het waterschap. Voorts blijft afvalwater van inprikkers met een classificatie van Klasse 9 of hoger buiten de zuiveringsrechten. Dit afvalwater ontstijgt door de vuillast het huishoudelijk afvalwater.

 

Met deze groep inprikkers en de aanvoerders per as zal een private overeenkomst moeten worden gesloten, tenzij de aanvoerder dat niet wenst en zich op andere toegestane wijze van het afvalwater ontdoet.

In de overwegingen bovenaan het besluit tot vaststelling van de verordening wordt weergegeven waarom tot het besluit is gekomen. Hierin wordt ook duidelijk gesteld dat het waterschap het afnemen en zuiveren van het onder de zuiveringsrechten gebrachte aanvoerde afvalwater tot haar zuiveringstaak rekent. De diensten en het gebruik van de waterschapsbezittingen voor de aanvoer en zuivering van het betreffende afvalwater worden gedekt met een recht op basis van art. 115 Waterschapswet.

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen voor de verordening. Hierin is ook de definitie opgenomen van afvalwater van huishoudelijke aard. Dit is een belangrijk begrip in de verordening. De rechten worden alleen voor geleverde diensten met betrekking tot huishoudelijk afvalwater (woonruimten) en water van deze kwalificatie geheven als dat -anders dan per as- zonder tussenkomst van gemeentelijke riolering wordt aangevoerd.

Artikel 2 Belastbaar feit

Hoewel het zuiveringsrecht in beginsel voor alle afvalwaterstromen die niet (tenminste deels) via gemeentelijke riolering verlopen kan worden gebruikt, behalve voor separate afvalwaterstromen die het waterschap op de ‘markt van afvalwater’ in concurrentie verwerft, is de keuze van Scheldestromen het beperken van het belastbaar feit tot huishoudelijk afvalwater en (bedrijfs)afvalwater van huishoudelijke aard. In de definities van art. 1 is dit via de normering van Klasse 8 ingeperkt. Afvalwater dat niet via gemeentelijke riolering op een zuiveringtechnisch werk van het waterschap komt en niet kwalificeert als afvalwater van Klasse 8 of lager blijft, net als per as aangevoerd afvalwater, buiten de heffing van de zuiveringsrechten. Voor deze afvalwaterstromen wordt de weg van de private overeenkomst gevolgd.

Artikel 3 Belastingplicht Vanuit het perspectief van art. 115 Waterschapswet gaat het om op aanvraag leveren van diensten (zoals zuiveren van afvalwater) of het op aanvraag gebruiken/gebruik maken van waterschapsbezittingen (zoals transport van afvalwater). Vandaar dat voor de belastingplichtige is gekozen voor de aanvrager van die diensten en/of dat gebruik.

Om het niet te ingewikkeld te maken voor de aanvrager die zich in een jarenlang bestaande en van 2025 op 2026 onveranderde situatie bevindt, wordt de gebruiker van de ruimte aangemerkt als de aanvrager, ook al vraagt een ander de dienst of het gebruik aan. In bijna alle gevallen zal dan de belastingplichtige voor de zuiveringsrechten in 2026 dezelfde zijn als de heffingplichtige in 2025 voor de zuiveringsheffing.

Om niet een gedwongen aanvraag te creëren, wordt zoveel mogelijk vanuit het perspectief van service gewerkt. Het voortzetten van de afvoersituatie per 31 dec 2025 in een aanvoersituatie en de daaruit volgende omzetting van een zuiveringsheffing naar een zuiveringsrecht.

Voor eventuele nieuwe situaties c.q. belastbare feiten voor het zuiveringsrecht geldt uiteraard wel de weg van de formele aanvraag. Een aanvraag die door het bestuur ook geweigerd kan worden. Zie hiervoor artikel 25.

Artikel 4 Vrijstellingen

In dit artikel worden specifieke belastingplichtige situaties vrijgesteld van de heffing van zuiveringsrechten. Net als bij de zuiveringsheffing is de dienstverlening voor of aan het waterschap vrijgesteld. Daarnaast wordt expliciet de situatie waarbij sprake is van afvoer via gemeentelijke riolering vrijgesteld van de heffing van de zuiveringsrechten. Voor die situaties geldt immers de zuiveringsheffing.

Artikel 5 Heffingsgrondslag

In dit artikel wordt de heffingsgrondslag voor de zuiveringsheffing vastgelegd. Voor woonruimten is dat een vast bedrag per jaar per woonruimte. Het enige verdere onderscheid bij woonruimten is de huishoudenomvang. Dit is bij de zuiveringsrechten gelijk aan die bij de zuiveringsheffing, namelijk een bedrag gebaseerd op drie vervuilingseenheden (3 VE) als standaard en een afwijking voor eenpersoonshuishoudens gebaseerd op één vervuilingseenheid (1 VE). Bij bedrijfsruimten is de heffingsgrondslag het aantal VE’s, dat in combinatie met een tarief per VE tot het bedrag van de belastingaanslag leidt.

In enkele gevallen wordt vanuit een object door een inprikker met een bedrijfsruimte niet één geklasseerde afvalwaterstroom, maar meerdere aangevoerd, waarbij een of meer afvalwaterstromen tot en met Klasse 8 bestaan en een of meer afvalwaterstromen van Klasse 9 of hoger bestaan. Lid 6 regelt in dat geval hoe omgegaan wordt met de situatie teneinde een samenloop van een aanslag zuiveringsrechten én een private overeenkomst voor het water in Klasse 9 of hoger te voorkomen. Indien het aangevoerde water in hoofdzaak uit afvalwater van huishoudelijke aard bestaat, valt de hele afvalwaterstroom die wordt aangevoerd door de inprikker onder het regime van de zuiveringsrechten.

Artikel 6 tot en met 17

Deze artikelen zien op de bepaling van de heffingsgrondslag voor de zuiveringsrechten. Deze artikelen bevatten gelijke bepalingen aan die voor de zuiveringsheffing. Voor specifieke toelichting daarop wordt verwezen naar de toelichting op die artikelen bij de verordening zuiveringsheffing.

De artikelen vinden mogelijk op de bestaande inprikkers geen toepassing, maar indien daarin in de toekomst verandering op zou treden, ontstaan geen situaties waarvoor geen regeling is getroffen.

Artikel 18 Schatting

In de meeste belastingplichtige situaties is de heffingsgrondslag voor de zuiveringsrechten met toepassing van de bepalingen uit de verordening te bepalen. In het voorkomende geval dat dat niet het geval is, kan de heffingsambtenaar de heffingsgrondslag schatten. De reden hiervoor kan ook zijn gelegen in het handelen of uitblijven daarvan door de belastingplichtige.

Artikel 19 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

De zuiveringsrechten zijn verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening. Omdat de dienstverlening in de loop van het jaar kan aanvangen en worden beëindigd, is de heffing van de zuiveringsrechten in beginsel op jaarbasis, maar bij een latere aanvang of een eerdere beëindiging naar rato van maanden in het kalenderjaar. Bij bedrijfsruimten zit de heffing naar tijdsgelang opgesloten in de bepaling van de vervuilingseenheden.

Deze regeling is gelijk aan die bij de zuiveringsheffing.

Artikel 20 Heffingsjaar

Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Hoewel de diensten c.q. het gebruik in theorie per keer zouden kunnen worden aangevraagd, is het in de praktijk een doorlopend(e) dienst c.q. gebruik. De rechten worden dan ook per jaar geheven.

Artikel 21 Tarief

In dit artikel zijn de tarieven voor de zuiveringsrechten opgenomen. In lijn met de zuiveringsheffing is de heffing bij woonruimten een vast bedrag voor de standaardsituatie van een meerpersoonshuishouden. In afwijking op die hoofdregel is er een lager tarief voor eenpersoonshuishoudens. Bij bedrijfsruimten wordt de heffingsgrondslag in vervuilingseenheden (VE’s) bepaald op dezelfde voet als bij de zuiveringsheffing.

Artikel 22 Wijze van heffing en termijnen van betaling

De rechten worden, net als de zuiverings- en watersysteemheffing, geheven bij wege van aanslag. De termijnen van betaling voor de zuiveringsrechten zijn gelijk aan de termijnen voor de zuiverings- en watersysteemheffing.

Artikel 23 Aangifte

Dit artikel hangt samen met de bepaling van de heffingsgrondslag voor een belastingplichtige situatie van een ‘inprikker’ waarbij aangifte nodig is voor het bepalen van de heffingsgrondslag. Deze bepaling is geleend van de methode van bepalen van de heffingsgrondslag voor de zuiveringsheffing.

Artikel 24 Kwijtschelding

Vanwege het karakter van een recht dat geheven wordt voor het op aanvraag leveren van diensten en/of het gebruik van waterschapsbezittingen is het verlenen van kwijtschelding niet mogelijk. Voor de zuiveringsheffing is dit wel mogelijk, maar dat is een belasting ter kostenbestrijding van een wettelijke taak van het waterschap.

Artikel 25 Aanmeldplicht

Zoals bij artikel 3 vermeldt, zullen bestaande situaties bijna geruisloos overgaan van de heffing van een zuiveringsheffing naar een zuiveringsrecht, maar het ontstaan van een nieuwe situatie is niet uit te sluiten. Daarvoor geldt de weg van de aanmelding en de formele aanvraag.

Artikel 26 Strafbare feiten

Een aantal handelingen of uitblijven daarvan wordt aangemerkt als strafbare feiten. Dat kan dan ook grote gevolgen hebben voor de belastingplichtige.

Artikel 27 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel bevat de bekende slotbepalingen van een belastingverordening. Omdat dit voor 2026 een nieuwe verordening is en er geen voorganger voor is, wordt er geen verordening ingetrokken.

Bijlagen bij de verordening

Net als bij de verordening zuiveringsheffing is in de bijlagen bij de verordening geregeld hoe in specifieke gevallen tot de bepaling van de heffingsgrondslag wordt gekomen. Hierin zijn ook voorschriften voor meting, bemonstering en analyse van het afvalwater opgenomen. De inhoud sluit aan op de bijlagen 1 en 2 zoals ook behorende bij de Verordeningen zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing waterschap Scheldestromen 2026.

 

Bijlage 1 behorende bij de Verordening zuiveringsrechten waterschap Scheldestromen 2026 (voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening)

Inhoudsopgave

Definitiebepalingen

A. Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling

Paragraaf A.1 Algemeen

Paragraaf A.2 Meting

A.2.1 Doorstroomsnelheid

A.2.2 Inbouw en instellingen debietmeter

A.2.3 Verificatie (controle debietmeter)

A.2.4 Verificatierapport

A.2.5 Kalibratie (controle meetsysteem)

A.2.6 Kalibratiecertificaat

Paragraaf A.3 Bemonstering

Paragraaf A.4 Monsterbehandeling

A.4.1 Algemeen

A.4.2 Conservering en maximale bewaartermijn

B. Analysevoorschriften

Paragraaf B.1 Algemeen

Paragraaf B.2 Analyse

C. Berekeningsvoorschriften

Paragraaf C.1 Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden

Paragraaf C.2 Berekeningswijze van het aantal etmalen

Paragraaf C.3 Correctie ingenomen oppervlaktewater

D. Hoedanigheidscorrectie (artikel 7)

Paragraaf D.1 De aanvraag

Paragraaf D.2 Het onderzoek

Paragraaf D.3 De berekening

D.3.1 Toxiciteit

Paragraaf D.4 De frequentie

 

 

Definitiebepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

  • a.

    aantoonbaarheidsgrens: de laagste concentratie van een component in het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden vastgesteld, zijnde driemaal de spreiding van binnen laboratoriumreproduceerbaarheid;

  • b.

    bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het nemen van het etmaalverzamelmonster en de conserveringstermijn;

  • c.

    conserveringstermijn: de periode tussen het nemen van het monster en het zekerstellen van het gehalte, zijnde het begin van de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de analyse;

  • d.

    debiet: de hoeveelheid volume afgevoerd of geloosd afvalwater gedurende het etmaal;

  • e.

    debietmeter: vloeistofmeter waarmee (bijvoorbeeld met magnetische inductie) het debiet gemeten wordt;

  • f.

    etmaal: een aaneengesloten periode van 24 uur;

  • g.

    etmaalverzamelmonster: een verzamelmonster dat wordt samengesteld in een etmaal;

  • h.

    gesloten meetsysteem: systeem dat het debiet meet in een gesloten (druk)leiding waarbij het afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht;

  • i.

    ingesteld meetbereik: het meetbereik waarop een debietmeter is ingesteld;

  • j.

    in-situ kalibratie: een kalibratie in ingebouwde toestand in het bestaande meetsysteem;

  • k.

    justeren: het softwarematig aanpassen van (een) correctiefactor(en)/meterconstante(n)/het nulpunt;

  • l.

    kalibreren: bepalen van de afwijking van een debietmeter ten opzichte van de van toepassing zijnde standaard waarbij een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter/het meetsysteem wordt geleid;

  • m.

    meetbereik: totale bereik van de debietmeter (zoals opgegeven door de fabrikant);

  • n.

    meetcyclus: de specifieke opstelling en procedure die wordt gebruikt om nauwkeurige metingen te verrichten, met inbegrip van de fysieke opstelling van de meetapparatuur, de kalibratie van de instrumenten en het verzamelen en analyseren van de gemeten data;

  • o.

    momentaan debiet: de actuele hoeveelheid water;

  • p.

    normale bedrijfsomstandigheden: de operationele omgeving waarbij sprake is van omstandigheden waaronder de debietmeter normaal functioneert;

  • q.

    open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht;

  • r.

    referentiemeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale volumestandaard van een aangewezen instantie als bedoeld in artikel 12 van de Metrologiewet;

  • s.

    verificatie: het controleren van een debietmeter door het elektronisch nabootsen van het meetsignaal;

  • t.

    verzamelmonster: monster dat is samengesteld in een vooraf vastgestelde periode dat wordt verkregen door (deel)monsters die op basis van volume of tijd zijn genomen;

  • u.

    werkgebied: het meetbereik van de te verifiëren en/of te kalibreren debietmeter onder normale bedrijfsomstandigheden.

 

A. Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling

Paragraaf A.1 Algemeen

In deze paragraaf worden enkele voorschriften gegeven die gelden bij de wijze van meting, de wijze van monstername en –behandeling. Hierbij gelden de volgende algemene eisen:

  • -

    De meet- en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk.

  • -

    De meet- en monsternemingstoestellen en hulpmiddelen worden volgens onderstaande bepalingen respectievelijk NEN 6600-1:2019 nl geïnstalleerd en onderhouden.

  • -

    Een afvalwaterstroom kan zowel in een open als in een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd. Voor het bepalen van de hoeveelheid afvalwater is meting met een gesloten meetsysteem in beginsel de toe te passen methode.

In paragraaf A.2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf A.3 op de bemonstering. In paragraaf A.4 wordt nader ingegaan op de monsterbehandeling.

Paragraaf A.2 Meting

Meting heeft tot doel de hoeveelheid afvalwater per etmaal (het debiet) vast te stellen. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom gemeten. Als het niet mogelijk is om het debiet in de afvalwaterstroom te meten kan het debiet in plaats daarvan worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van de bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan. In het laatstbedoelde geval mag de per etmaal afgevoerde of geloosde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid water. Afvalwater kan zowel onder druk (met pompen) of onder vrij verval worden afgevoerd of geloosd.

De totaalteller waarmee registratie plaatsvindt mag niet worden gereset. Registratie van momentane meetgegevens en etmaalgegevens vindt plaats met een printer of datalogger of andere vorm van geautomatiseerd registratiesysteem. Het meetsignaal van het registratiesysteem moet overeenkomen met het meetsignaal van de debietmeter.

A.2.1 Doorstroomsnelheid

Voor een betrouwbare meting in een gesloten meetsysteem is de doorstroomsnelheid van het afvalwater van belang.

Voor het bepalen van de geschiktheid van de debietmeter moet het debiet (als groter dan nul) van de te meten stroom in 95% van de tijd (etmaal) binnen het minimale en maximale debiet van de debietmeter liggen.

A.2.2 Inbouw en instellingen debietmeter

Bij nieuwe debietmeters wordt een ‘af fabriek’ kalibratiecertificaat meegeleverd waarop de meterspecifieke kalibratiefactoren zoals diameter, nulpunt, kalibratiefactor(en) en/of meterconstante(s) staat aangegeven. Kalibratie van het meetsysteem vindt zo snel mogelijk plaats na inwerkingstelling van de debietmeter.

Voor het uitvoeren van een representatieve meting verkeert de debietmeter en het meetsysteem in goede staat en wordt het meetsysteem goed onderhouden.

Het is niet toegestaan om (meet)apparatuur zo in te stellen, instellingen te veranderen of te corrigeren zodat feitelijke onjuistheden kunnen ontstaan in de verkregen (meet)gegevens.

Aan de inbouw van een debietmeter in een gesloten systeem worden de volgende eisen gesteld:

  • a.

    De debietmeter wordt volgens de voorschriften van de fabrikant geïnstalleerd.

  • b.

    Bij het inbouwen wordt rekening gehouden met de mogelijkheid tot het uitvoeren van een kalibratie in ingebouwde toestand op de locatie waar de debietmeter wordt ingezet.

  • c.

    De debietmeter is zo geïnstalleerd dat terugstroming wordt voorkomen.

  • d.

    Luchtinsluiting in de afvalwaterstroom vanuit de atmosfeer moet worden voorkomen.

  • e.

    Onder normale bedrijfsomstandigheden staat de ‘low-flow’ of ‘max-flow’ cutoff van een debietmeter ‘uit’. Als het noodzakelijk is dergelijke instellingen te wijzigen moet dit voorafgaand aan de aanpassingen gemotiveerd aan de heffingsambtenaar kenbaar worden gemaakt.

  • f.

    Het meetbereik van de debietmeter moet afgestemd zijn op het afgevoerde of geloosde debiet onder normale bedrijfsomstandigheden.

  • g.

    Als er sprake is van een defect aan de debietmeter en/of het meetsysteem wordt deze in goede staat gebracht waarna er opnieuw een in-situ kalibratie van de debietmeter plaatsvindt.

A.2.3 Verificatie (controle debietmeter)

Ten minste éénmaal per jaar wordt de debietmeter geverifieerd, tenzij in dat jaar een kalibratie (A.2.5) plaatsvindt.

Aan de verificatie worden de volgende eisen gesteld:

  • a.

    Bij een verificatie wordt de weerstand tussen de elektroden en ten opzichte van aarde gemeten.

  • b.

    Bij de verificatie wordt ook de werking van randapparatuur, voor zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een juiste werking gecontroleerd.

  • c.

    Als uit de verificatie blijkt dat de meetbuis (mogelijk) vervuild is, wordt deze gereinigd. Na reiniging wordt de verificatie opnieuw uitgevoerd.

  • d.

    Als de debietmeter voor de reiniging moet worden uitgebouwd en/of als uit de verificatie blijkt dat het aannemelijk is dat de afwijking groter is dan ± 5% wordt de debietmeter direct opnieuw in ingebouwde toestand gekalibreerd.

A.2.4 Verificatierapport

Van een debietmeter moet het meest recente rapport van een verificatie worden overlegd.

Dit rapport bevat:

  • -

    datum en tijdstip waarop de verificatie is uitgevoerd;

  • -

    de controlebevindingen van de verificatie, inclusief de ruwe meetdata;

  • -

    de specificaties en instellingen van de debietmeter en randapparatuur voor zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens;

  • -

    de ‘as-found’ en ‘as–left’ rapportage (met meetwaarde(n) en afwijking(en) voor en na eventuele aanpassing).

A.2.5 Kalibratie (controle meetsysteem)

Voor referentiemeters en mobiele meetsets (waaronder meetwagens) vindt de kalibratie jaarlijks plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximale meetbereik bij een voor vloeistofmeters RvA-geaccrediteerde instantie, waarvan de installatie kan worden herleid naar de nationale volumestandaard van een aangewezen instantie als bedoeld in artikel 12 van de Metrologiewet.

Verder worden de volgende eisen gesteld aan de kalibratie van de referentiemeter:

  • a.

    De kalibratie van de referentiemeter vindt plaats op een installatie van een voor vloeistofmeters RvA-geaccrediteerde instantie. Ook wanneer de referentiemeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen waarin deze in de praktijk zal worden ingezet.

  • b.

    Het minimale debiet waarop de referentiemeter gekalibreerd is, is kleiner dan het minimale debiet van de te kalibreren debietmeter waarbij deze de opgegeven precisie haalt.

  • c.

    Het maximale debiet waarop de referentiemeter gekalibreerd is, is groter dan het maximale debiet van het ingestelde meetbereik van de te kalibreren debietmeter.

  • d.

    Het kalibratiecertificaat van de referentiemeter, waaruit het onder d bepaalde moet blijken, mag niet ouder zijn dan 12 maanden. Dit kalibratiecertificaat wordt bij die van het gekalibreerde meetsysteem bewaard.

Verder worden aan de te kalibreren debietmeter de volgende eisen gesteld:

  • e.

    Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in ingebouwde toestand gekalibreerd op een door de heffingsambtenaar vooraf goedgekeurde methode. Hiertoe wordt uiterlijk 6 weken voor de kalibratie een voorstel tot uitvoering van kalibratie (kalibratieplan) ter goedkeuring bij de heffingsambtenaar ingediend. Dit kalibratieplan bevat in elk geval:

  • -

    gegevens over de wijze van afvoer of lozen en de aanwezige voorzieningen en randapparatuur;

  • -

    gegevens over de minimale en maximale afvoer of lozing en de afvoer of lozing onder normale bedrijfsomstandigheden

  • -

    specificaties van de te kalibreren debietmeter en de toe te passen referentiemeter;

  • -

    kalibratiecertificaat van de referentiemeter;

  • -

    een omschrijving/overzicht van de wijze van uitvoer van kalibratie inclusief datum en tijdstip(pen) waarop de kalibratie wordt uitgevoerd en vermelding van eventuele aanpassingen aan de debietmeter en/of het meetsysteem;

  • -

    de manier waarop rapportage plaatsvindt.

  • f.

    In het jaar van kalibratie hoeft niet ook een verificatie te worden uitgevoerd.

  • g.

    De kalibratie vindt plaats in het werkgebied waarin de te kalibreren debietmeter onder normale bedrijfsomstandigheden functioneert.

  • h.

    De kalibratie vindt plaats door:

    • -

      een vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid (afval)water door de te kalibreren debietmeter te leiden (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld bij een voor vloeistofmeters RvA-geaccrediteerde instantie); of

    • -

      een tweede, bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie te plaatsen die fungeert als referentiemeter; of

    • -

      op een andere, door de heffingsambtenaar goedgekeurde methode.

  • i.

    Tijdens de kalibratie(s) wordt zoveel (afval)water door het te kalibreren meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen worden bereikt, waarbij de tijdsduur van de kalibratie minimaal 25 minuten bedraagt. Wanneer nodig kan hiertoe – in overleg met de heffingsambtenaar – voor de kalibratieperiode de pulsinstelling tijdelijk aangepast worden.

  • j.

    Om te kunnen vaststellen of de debietmeter binnen het werkgebied goed functioneert, wordt bij kalibratie op één of meerdere vaste meetbereiken de herhaalbaarheid van de meter aangetoond. Als sprake is van afvoer of lozing van afvalwater met een constant debiet (bijvoorbeeld pomp aan/uit) vindt dit plaats door het uitvoeren van 3 meetcycli op elk gekozen meetbereik. Elke meetcyclus is gedefinieerd als een kalibratie en voldoet aan de onder h gestelde voorwaarden. De afwijking per meetcyclus mag niet groter zijn dan ± 5%.

  • k.

    Bij het gebruik van een referentiemeter kunnen de normale bedrijfsomstandigheden worden beïnvloed. Hierbij wordt een maximaal verschil van 10% ten opzichte van het maximaal momentane debiet onder “normale bedrijfsomstandigheden” toegestaan.

  • l.

    Tijdens de kalibratie worden de gemeten hoeveelheden (afval)water van de te kalibreren debietmeter (én van de referentiemeter, wanneer daarvan sprake is) met printers of dataloggers continu geregistreerd. In geval van het toepassen van dataloggers worden ook de ruwe, onbewerkte data bij het kalibratiecertificaat gevoegd.

  • m.

    Bij de kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een juiste werking gecontroleerd.

  • n.

    Als blijkt dat de gemeten hoeveelheid (afval)water meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid (afval)water, zoals gesteld in artikel 5, derde lid onder a van deze verordening, vindt nader onderzoek plaats naar de oorzaak van de afwijking. Eventuele justering van de debietmeter vindt plaats na uitbouw van de meter op een installatie van een voor vloeistofmeters RvA-geaccrediteerde instantie, waarna (opnieuw) een in-situ kalibratie plaatsvindt (“as left”). Een rapportage van het justeren wordt bij het kalibratiecertificaat gevoegd.

A.2.6 Kalibratiecertificaat

Van een debietmeter moet het meest recente kalibratiecertificaat kunnen worden overgelegd. Bij een kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een testbank van een voor vloeistofmeters RvA-geaccrediteerde instantie), worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op het kalibratiecertificaat:

  • -

    datum en tijdstip waarop de kalibratie is uitgevoerd;

  • -

    de controlebevindingen van de kalibratie, inclusief ruwe meetdata;

  • -

    de specificaties en instellingen van de debietmeter en randapparatuur voor zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens;

  • -

    de instellingen van de referentiemeter;

  • -

    de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetwaarde(n) en afwijking(en) vóor aanpassing);

  • -

    eventuele soft- en/of hardwarematige aanpassingen die hebben plaatsgevonden aan de debietmeter, het meetsysteem en/of de registratie;

  • -

    als justering heeft plaatsgevonden: de nieuwe correctiefactor/meterconstante;

  • -

    de ‘as–left’ meetafwijking (de meetwaarde(n) en afwijking(en) na eventuele aanpassing).

Paragraaf A.3 Bemonstering

De bemonstering vindt plaats met behulp van automatische monsternameapparatuur. De bemonstering vindt plaats volgens NEN 6600-1:2019 nl, met dien verstande dat bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders is bepaald door de heffingsambtenaar.

Paragraaf A.4 Monsterbehandeling

A.4.1 Algemeen

De monsterbehandeling vindt plaats volgens NEN 6600-1:2019 nl. Conform paragraaf 9 van deze norm worden de monsters direct na bemonstering geconserveerd, verpakt en getransporteerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3:2024 en. De monsters worden gekoeld en in het donker bewaard tussen 1° en 5° C.

Na vullen van de monsterflessen wordt van het verzameld etmaalmonster een representatief deel gedurende 24 uur in een goed gesloten vat/fles in het donker bewaard tussen 1° en 5° C voor contra-analyse door de heffingsambtenaar. De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra-analyse door de heffingsambtenaar worden om en om gevuld. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de contra-analyse waarom het gaat door de heffingsambtenaar zoveel mogelijk identiek zijn.

A.4.2 Conservering en maximale bewaartermijn

De verkregen monsters worden tot en met het einde van de bewaartermijn gekoeld zoals aangegeven in tabel A onder omgevingstemperatuur en geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch geconserveerd, geschiedt dit binnen twaalf uur na monstername. De eventuele voorschriften over chemische conservering gelden in aanvulling op de voorschriften over de conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.

In tabel A zijn tevens de maximale conserveringstermijnen opgenomen die gelden voor de onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een analyse vangt na monstername uit het verzamelvat aan, binnen de maximale conserveringstermijn die bij de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van het monster bestemd voor de analyse, waaronder onder meer wordt begrepen het ontdooien van bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een termijn dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de chemische conservering gelden.

 

Tabel A

 

Voor analyse op

Omgevingstemperatuur

Methode conservering

Maximale conserveringstermijn

tijdens

transport

tot einde

bewaartermijn

totaal organisch koolstof (TOC)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen en aanzuren tot pH < 2

8 dagen

<-18 °C

Invriezen binnen 12 uur

1 maand

totaal gebonden stikstof (TNb)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen en aanzuren tot pH < 2

8 dagen

<-18 °C

Invriezen binnen 12 uur

1 maand

som nitriet- en nitraatstikstof (TON)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Filtreren

4 dagen

som totaal gebonden stikstof verminderd met nitriet- en nitraatstikstof (TNb-TON)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen en aanzuren met H2S04 tot pH < 2

8 dagen

<-18 °C

Invriezen binnen 12 uur

1 maand

chemisch zuurstof­verbruik (CZV)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen en aanzuren met H2S04 tot pH < 2

6 maanden

<-18 °C

Invriezen binnen 12 uur

6 maanden

biochemisch zuurstofverbruik (BZV)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen onder uitsluiting van licht

1 dag

<-18 oC

Invriezen binnen 12 uur

1 maand (als BZV ≤ 50 mg/L)

6 maanden (als BZV >50 mg/L)

cadmium (Cd),

chroom (Cr),

koper (Cu),

lood (Pb),

nikkel (Ni),

zilver (Ag),

zink (Zn)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen en aanzuren met HN03 tot pH < 2

6 maanden

arseen (As)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen en aanzuren met HN03 tot pH < 2

Als hydride techniek wordt gebruikt aanzu­ren met HCI tot pH < 2

6 maanden

kwik (Hg)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen en aanzuren met HN03 tot pH < 2

1 maand

Koelen en aanzuren met HCI, 1 mL/100 mL

2 dagen

chloride (Cl)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen

1 maand

sulfaat (SO4)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Koelen

1 maand

fosfor (totaal)

tussen 2 en 8 oC

tussen 1 en 5 oC

Aanzuren met HN03 of H2S04 tot pH < 2

1 maand

Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter, maar wordt aangewend bij toepassing van berekeningsvoorschrift D.3 van onderdeel D van deze bijlage. Op grond van dit berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.

 

B. Analysevoorschriften

Paragraaf B.1 Algemeen

De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het water uitgevoerd zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd.

Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN). Bij wijziging in/van een normblad gedurende het kalenderjaar wordt voor de toepassing van deze verordening deze wijziging eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op de wijziging.

De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de stoffen waarom het gaat die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen worden.

Paragraaf B.2 Analyse

De analyse van het monster vindt plaats op de wijze zoals die is aangegeven in tabel B.

 

Tabel B

 

Parameter/stof/methode/test

Ontsluiting volgens normblad

Meting volgens normblad

Aantoonbaarheidsgrens 1)

totaal organisch koolstof (TOC)

NEN-EN-ISO 20236:2024 en

1 mg/L

totaal gebonden stikstof (TNb)

NEN-EN-ISO 20236:2024 en

1 mg/L

som nitriet- en nitraatstikstof (TON)

NEN-EN-ISO 13395:1997 nl; of NEN-EN-ISO 15923-1:2024 en

0,1 mg/L

som totaal gebonden stikstof verminderd met nitriet- en nitraatstikstof (TNb-TON)

NEN 6645:2005 nl 2)

NEN-EN-ISO 15923-1:2024

0,5 mg/L

NEN 6646+C1:2015 nl

NEN-EN-ISO 11732:2005 en

opgelost organisch koolstof (DOC)

NEN-EN-ISO 20236:2024 en

1 mg/L

chemisch zuurstofverbruik (CZV)

NEN 6633:2006 nl of NEN-ISO 15705:2003 en 3)

5 mg/L 4)

biochemisch zuurstofverbruik (BZV)

NEN-EN-ISO 5815-1:2019 en

volgens norm; 1 mg/L

onopgeloste stoffen

NEN-EN 872:2005 en

2 mg/L

elektrisch geleidingsvermogen

NEN-ISO 7888:1994 en

volgens norm

cadmium (Cd),

chroom (Cr),

koper (Cu),

lood (Pb),

nikkel (Ni),

zilver (Ag),

zink (Zn)

NEN-EN-ISO 15587-1:2002 en

NEN-EN-ISO 11885:2009 en

Cd: 0,3 µg/L

Cr: 2 µg/L

Cu: 10 µg/L

Pb: 10 µg/L

Ni: 7 µg/L

Ag: 10 µg/L

Zn: 40 µg/L

NEN-EN-ISO 17294-2:2023 en

NEN 6953:2017 nl, hoofdstuk 5.3.3.3 5)

NEN-EN-ISO 11885:2009 en

NEN-EN-ISO 17294-2:2023 en

arseen (As)

NEN-EN-ISO 11969:1997 nl

NEN-EN-ISO 11969:1997 nl

2 µg/L

NEN-EN-ISO 15587-1:2002 en

NEN-EN-ISO 11885:2009 en

NEN-EN-ISO 15587-1:2002 en

NEN-EN-ISO 17294-2:2023 en

kwik (Hg)

NEN-EN-ISO 15587-1:2002 en

NEN-EN-ISO 12846:2012 en

0,25 µg/L

NEN-EN-ISO 17852:2008 en

NEN-EN-ISO 11885:2009 en

NEN-EN-ISO 17294-2:2023 en

chloride (Cl)

NEN-EN-ISO 15923-1:2024 en

5 mg/L

NEN 6476:1981/A1:2010 nl

NEN-EN-ISO 10304-1:2009 en

NEN-EN-ISO 15682:2001 en

sulfaat (SO4)

NEN-EN-ISO 15923-1:2024 en

volgens norm

NEN-EN-ISO 10304-1:2009 en

NEN-ISO 22743:2006 en

fosfor (totaal)

NEN 6645:2005 nl

NEN-EN-ISO 15923-1:2024 en

0,1 mg/L

NEN-EN-ISO 15681-1:2005 en

NEN-EN-ISO 15681-2:2018 en

NEN-EN-ISO 15681-1:2005 en

NEN-EN-ISO 15681-1:2005 en

NEN-EN-ISO 15681-2:2018 en

NEN-EN-ISO 15681-2:2018 en

NEN-EN-ISO 6878:2004 en

NEN-EN-ISO 6878:2004 en

NEN-EN-ISO 15681-1:2005 en

NEN-EN-ISO 15681-2:2018 en

NEN-EN-ISO 15587-1:2002 en

NEN-EN-ISO 11885:2009 en

NEN-EN-ISO 17294-2:2023 en

Zahn-Wellens test

NEN-EN-ISO 9888:1999 en

NEN-EN-ISO 9888:1999 en

volgens norm

Respiratieremmingstest (toxiciteitstest)

NEN-EN-ISO 8192:2007 en

NEN-EN-ISO 8192:2007 en

volgens norm

 

1) De aantoonbaarheidsgrenzen voor zware metalen zijn gebaseerd op een afvalwatermonster met een soortelijke geleiding tot 1500 μS/cm en bij onopgeloste stoffen tot een gehalte van 100 mg/L. Bij afvalwatermonsters met een matrix die groter is dan genoemde waarden voor elektrisch geleidingsvermogen en onopgeloste stoffen kan een hogere aantoonbaarheidsgrens gelden.

2) Voor het bepalen van de som totaal gebonden stikstof verminderd met nitriet- en nitraatstikstof (TNb-TON) mag de analyse alleen volgens normblad NEN 6645:2005 nl plaatsvinden als TNb groter is dan 10 mg N/L en voor meer dan 30% bestaat uit TON.

3) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705:2003 en is toepasbaar voor onverdunde monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/L en chlorideconcentratie die lager zijn dan 1.000 mg/L. De heffingsambtenaar kan verder de methode niet toepasbaar verklaren als naar zijn oordeel andere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

4) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705:2003 en heeft een aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/L voor fotometrische detectie bij 600nm en 15 mg/L voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige meting van één laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een bereik van maximaal 1.000 mg/L.

5) NEN 6953:2017 nl, hoofdstuk 5.3.3.3 mag alleen worden toegepast op afvalwatermonsters met een soortelijke geleiding tot 1500 μS/cm en bij onopgeloste stoffen tot een gehalte van 100 mg/L.

 

C. Berekeningsvoorschriften

Paragraaf C.1 Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden

  • a.

    Zuurstofbindende stoffen (artikel 3, vierde lid):

Het aantal vervuilingseenheden voor het zuurstofverbruik wordt berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de in het kalenderjaar afgevoerde of geloosde zuurstofbindende stoffen te delen door 54,8 kilogram.

Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal afgevoerde of geloosde zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de formule:

Met dien verstande dat als op grond van artikel 4 de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het gehalte totaal organisch koolstof in de afgevoerde stoffen op een afwijkende factor dan 3 is vastgesteld, in bovenstaande formule de factor 3 wordt vervangen door deze vastgestelde factor.

In deze formule wordt verstaan onder:

Q: het aantal m³ afgevoerd of geloosd afvalwater per etmaal;

TOC: het totaal organisch koolstof bepaald volgens de in onderdeel B van deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/L;

TNb: het totaal gebonden stikstof volgens de in onderdeel B van de in deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/L;

TON: de som van nitriet-stikstof en nitraat-stikstof volgens de in onderdeel B van de in deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/L.

  • b.

    Niet-zuurstofbindende stoffen (artikel 3, vijfde lid):

Het aantal vervuilingseenheden voor de niet-zuurstofbindende stoffen wordt berekend door het totale aantal kilogrammen van deze in het kalenderjaar afgevoerde stoffen te delen door respectievelijk:

  • 1.

    1,00 kilogram voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink;

  • 2.

    20,0 kilogram voor de stof fosfor.

De afgevoerde hoeveelheden per etmaal voor de hierboven onder b genoemde stoffen worden bepaald met behulp van de formule:

In deze formule wordt verstaan onder:

Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;

C: de concentratie van de stoffen in mg/L, bepaald volgens de in onderdeel B omschreven wijze.

 

Paragraaf C.2 Berekeningswijze van het aantal etmalen

Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 6, wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:

In deze formule wordt verstaan onder:

 

n: het berekende aantal meetdagen;

N: het aantal dagen per jaar waarop wordt afgevoerd of geloosd;

σn: spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van de gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten gedurende het heffingsjaar;

tso: toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO, met dien verstande dat VeO vervangen kan worden door respectievelijk VeZ en VeG, waarbij:

VeO: vervuilingswaarde van de afgevoerde of geloosde zuurstofbindende stoffen;

VeG: vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink;

VeZ: vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen arseen, cadmium en kwik.

 

Paragraaf C.3 Correctie ingenomen oppervlaktewater

Als door een bedrijf water wordt onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap en dit water vervolgens weer wordt geloosd in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap, worden voor de berekening van de vervuilingswaarde de hoeveelheden verontreinigende stoffen, aanwezig in het onttrokken water en vervolgens weer geloosde water, in mindering gebracht op de hoeveelheden van die stoffen in het geloosde water, met dien verstande dat deze vermindering niet mag leiden tot een negatieve waarde.

 

D. Hoedanigheidscorrectie (artikel 7)

Paragraaf D.1 De aanvraag

De hoedanigheidscorrectie (hierna: T-correctie) vindt plaats op aanvraag van de heffingplichtige. Deze aanvraag bevat in elk geval de volgende onderdelen:

  • a.

    een omschrijving van de afvalwaterstromen waarvoor hoedanigheidscorrectie wordt aangevraagd;

  • b.

    de wijze van meten, bemonsteren en analyseren;

  • c.

    de frequentie van meten, bemonsteren en analyseren;

  • d.

    de naam van de partij of personen die het onderzoek uitvoeren met een verklaring dat deze partij of personen geaccrediteerd zijn voor het uitvoeren van de gevraagde handelingen of aantoonbare ervaring heeft met de proeven die worden aangevraagd.

  • e.

    het type uit te voeren toxiciteitstesten, biodegradatieonderzoeken en te volgen methodieken, zoals eventuele voorbehandelingsmethoden;

  • f.

    het aantal uit te voeren biodegradatieonderzoeken waarbij de f-factor wordt bepaald;

  • g.

    de herkomst van het entmateriaal ten behoeve van de biodegradatieonderzoeken van welke zuiveringsinstallatie entslib of effluent wordt gebruikt, dat te gebruiken is in een onderzoek naar het biologisch zuurstofverbruik en bijbehorende toxiciteitstest;

 

Paragraaf D.2 Het onderzoek

Er zijn twee typen biodegradatieonderzoeken met bijbehorende toxiciteitstesten. De keuze tussen deze twee wordt bepaald op basis van de grenswaarde voor de totale hoeveelheid organische koolstof (TOC) in het te onderzoeken afvalwater. Deze grenswaarde is 33 mg/L.

  • -

    Bij een TOC kleiner dan deze grenswaarde wordt het biodegradatieonderzoek BZV19 toegepast.

  • -

    Bij een TOC gelijk aan of groter dan 33 mg/L wordt de Zahn-Wellens test toegepast.

In beide gevallen vindt onderzoek plaats op het gefiltreerde deel van het monster. Filtratie vindt plaats over een 0,45 µm filter. Als de frequentie van het onderzoek naar de T-correctie afwijkt van de frequentie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, of de frequentie die met toepassing van artikel 6 is bepaald, moet ook op de etmalen die zijn voorgeschreven in de beschikking als bedoeld in voornoemde artikelen de TOC van het afvalwater geanalyseerd worden in zowel het ongefiltreerde als het gefiltreerde monster (0,45 µm). Hiermee wordt de factor bepaald voor welk deel van het monster de T-correctie kan worden toegepast.

 

BZV19 onderzoek

Bij een BZV19 onderzoek gelden de volgende meetdagen: 0, 5, 7, 9, 12, 15, 19.

Als het afvalwater wordt afgevoerd wordt als entmateriaal bij het onderzoek effluent van de ontvangende rioolwaterzuiveringsinstallatie gebruikt. Als het afvalwater wordt geloosd wordt bij het onderzoek commercieel verkrijgbaar geschikt entmateriaal toegepast of entwater van een willekeurige rioolwaterzuiveringsinstallatie gebruikt. De voorwaarde is dat hetzelfde entmateriaal gebruikt wordt als bij de toxiciteitstest (zie onderdeel D.3.1).

Er wordt geen gebruik gemaakt van entwater afkomstig van een eventueel aanwezige eigen biologische zuivering van de heffingplichtige. De reden hiervoor is dat de restverontreiniging in het effluent niet of zeer moeilijk biologisch afbreekbaar kan zijn. De aanwezige bacteriën van de eigen biologische zuivering zijn volledig ingesteld op het aanbod van bedrijfsspecifieke stoffen dit in tegenstelling tot een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

De biochemische afbraak van organisch materiaal wordt als volgt beschreven.

Bij de afleiding van BZV19 dient altijd uitgegaan te worden van een eerste orde reactie. In de praktijk kan echter een afwijking ontstaan waardoor een pseudo eerste orde reactielijn ontstaat.

De snelheid waarmee zuurstof door bacteriën wordt gebruikt (de snelheid waarmee het gemeten BZV toeneemt in de tijd) is evenredig aan de hoeveelheid nog in het water aanwezige organisch materiaal. De afbraaksnelheid neemt namelijk af in de tijd.

Dit betekent dat de afbraak verloopt volgens de reactievergelijking:

 

Stel dat de BZV5 het BZV is op het tijdstip t=0, dus bij het begin van de BZV19 bepaling. Het BZV op het tijdstip t=n dagen op BZV19. De toename van de BZV gedurende de tijd n is BZV19 - BZV5. De evenredigheidsconstante k is te vergelijken met een snelheidsconstante bij chemische reacties. De dimensie van k = tijd-1.

Hieruit volgt:

 

Door nu grafisch de Ln(BZVn/BZV5) uit te zetten tegen 1/t kan de Ln(BZV19/BZV5) worden afgelezen op het snijpunt van de y–as, en daarmee BZV19 worden berekend. Door middel van lineaire regressie is het snijpunt op de y-as te berekenen. De regressie wordt uitgevoerd op de analyseresultaten vanaf BZV5 tot en met BZV19.

Triplo en duplo metingen van de verschillende BZV verdunningen dienen gemiddeld te worden, tenzij blijkt dat een meting aantoonbaar onjuist is.

Als de BZV19 is bepaald, is het mogelijk om de T-correctie te bepalen. Het onafbreekbaarheidspercentage T wordt bepaald met:

 

Als de TOC-waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk:

waarbij:

T = het percentage TOC afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, hierna het onafbreekbaarheidspercentage genoemd.

Zahn-Wellens test

Als het afvalwater wordt afgevoerd, wordt actief slib gebruikt van de rioolwaterzuiveringsinstallatie waarop het afvalwater wordt afgevoerd. Als het afvalwater wordt geloosd, wordt actief slib gebruikt van een willekeurige rioolwaterzuiveringsinstallatie. De voorwaarde is dat hetzelfde actief slib gebruikt wordt als bij de toxiciteitstest (zie onderdeel D.3.1). Er mag geen gebruik gemaakt worden van actief slib afkomstig van een eventueel aanwezige eigen biologische zuivering van de heffingplichtige. De reden hiervoor is dat de restverontreinigingen in het effluent niet of zeer moeilijk biologisch afbreekbaar kunnen zijn. De aanwezige bacteriën in het actief slib van de eigen biologische zuivering zijn volledig ingesteld op het aanbod van bedrijfsspecifieke stoffen dit in tegenstelling tot een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Het onafbreekbaarheidspercentage T wordt met een Zahn-Wellens test berekend met:

 

Het gaat hierbij om de opgeloste organische koolstof (DOC).

Toepassing f-factor

Als niet gedurende elk etmaal, of elk etmaal volgens de beschikking op grond van artikel 6, analyse plaatsvindt kan niet van elke analyse nauwkeurig bepaald worden hoe de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik gecorrigeerd moet worden. In dat geval kan alleen een correctie worden toegepast op analyses tot een (boven)grenswaarde voor de TOC. Deze bovengrens zal na afloop van het heffingsjaar, op basis van alle TOC analyses die voor de T-correctie bepaling in het heffingsjaar zijn uitgevoerd, worden vastgesteld. De hoogst gemeten waarde van de TOC ter bepaling van de f-factor in deze monsters is de bovengrenswaarde voor TOC. De TOC-waarde (gefiltreerd) wordt vervolgens vermenigvuldigd met de f-factor.

Paragraaf D.3 De berekening

De berekende f-factor () uit het BZV19 onderzoek of de Zahn-Wellens test wordt als volgt in de heffingsformule toegepast ter bepaling van het aantal kg zuurstofverbruik:

 

D.3.1 Toxiciteit

Als blijkt dat het water in een periode toxisch is, kan geen betrouwbaar onderzoek in deze periode plaatsvinden en kan voor deze periode ook geen correctie worden bepaald. De factor voor correctie van de TOC wordt dan voor deze onderzoeksperiode op 1 gesteld.

In aanvulling op NEN-EN-ISO 5815-1:2019 bepaalt de bij deze methode behorende toxiciteitstest de acute toxiciteit voor aerobe bacteriën door na vijf dagen de respiratie te meten. De toxiciteit wordt vastgesteld in hetzelfde etmaalverzamelmonster als voor het BZV19-onderzoek, door aan het te onderzoeken monster een glucose-/glutaminezuuroplossing toe te voegen, die overeenkomt met een BZV5 van 200 mg O2/L. Als deze concentratie na vijf dagen onveranderd blijft, kan worden geconcludeerd dat het water niet toxisch is voor de aerobe bacteriën.

 

Als het afvalwater wordt afgevoerd, wordt bij het BZV19 onderzoek als entwater effluent van de ontvangende rioolwaterzuiveringsinstallatie gebruikt en wordt bij de Zahn-Wellens test actief slib gebruikt van een willekeurige rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Als het afvalwater wordt geloosd, wordt bij het BZV19 onderzoek commercieel verkrijgbaar geschikt entmateriaal toegepast of entwater van een willekeurige rioolwaterzuiveringsinstallatie gebruikt en wordt bij de Zahn-Wellens test actief slib gebruikt van een willekeurige rioolwaterzuiveringsinstallatie.

De resultaten worden uitgedrukt als percentage van het rendement van de standaard, oftewel het percentage van de glucose-/glutaminezuuroplossing dat na vijf dagen wordt teruggemeten.

Voor de beoordeling van toxiciteit geldt: als meer dan 75% van de glucose-/glutaminezuuroplossing wordt teruggemeten, is er geen sprake van toxiciteit.

Paragraaf D.4 De frequentie

De heffingplichtige maakt aannemelijk dat de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik als bedoeld in artikel 3, vierde lid, in belangrijke mate wordt beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, door in beginsel onderzoek uit te voeren met inachtneming van de frequentie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, of de frequentie die met toepassing van artikel 6 is bepaald.

In afwijking van het voorgaande kan de heffingsambtenaar bepalen dat de frequentie wordt bepaald aan de hand van het, op basis van onderzoek in het voorgaande jaar voor aanvraag van de T-correctie, geschatte verschil in vervuilingswaarde tussen toepassing van de T-correctie en zonder toepassing van de T-correctie, inhoudende:

 

  • -

    bij een verschil kleiner dan 100 vervuilingseenheden: 4 onderzoeken;

  • -

    bij een verschil tussen de 100 en 200 vervuilingseenheden: 5 onderzoeken;

  • -

    bij een verschil tussen de 200 en 300 vervuilingseenheden: 6 onderzoeken;

  • -

    bij een verschil tussen de 300 en 400 vervuilingseenheden: 7 onderzoeken;

  • -

    bij een verschil tussen de 400 en 500 vervuilingseenheden: 8 onderzoeken;

  • -

    bij een verschil tussen de 500 en 600 vervuilingseenheden: 9 onderzoeken;

  • -

    bij een verschil tussen de 600 en 700 vervuilingseenheden: 10 onderzoeken;

  • -

    bij een verschil tussen de 700 en 800 vervuilingseenheden: 11 onderzoeken;

  • -

    bij een verschil groter dan 800 vervuilingseenheden: 12 onderzoeken.

Als in het voorgaande jaar geen onderzoek naar de T-correctie is uitgevoerd, dan bepaalt de heffingsambtenaar de frequentie op 12 onderzoeken. Het aantal onderzoeken als hiervoor bedoeld wordt evenredig over het heffingsjaar verdeeld. De onderzoeken moeten gezamenlijk representatief zijn voor het heffingsjaar.

 

 

Bijlage 2 behorende bij de Verordening zuiveringsrechten waterschap Scheldestromen 2026 (tabel afvalwatercoëfficiënten)

De onderstaande tabel is ontleend aan artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet en bevat klassen met bijbehorende klassegrenzen en afvalwatercoëfficiënten:

 

 

Klasse

Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden voor het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water

Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per m3 ingenomen water in het heffingsjaar

Ondergrens

Bovengrens

1

> 0

0,0013

0,0010

2

> 0,0013

0,0020

0,0016

3

> 0,0020

0,0031

0,0025

4

> 0,0031

0,0048

0,0039

5

> 0,0048

0,0075

0,0060

6

> 0,0075

0,012

0,0094

7

> 0,012

0,018

0,015

8

> 0,018

0,029

0,023

9

> 0,029

0,045

0,036

10

> 0,045

0,070

0,056

11

> 0,070

0,11

0,088

12

> 0,11

0,17

0,14

13

> 0,17

0,27

0,21

14

> 0,27

0,42

0,33

15

> 0,42

0,5

 

Naar boven