Waterschapsblad van Wetterskip Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Wetterskip Fryslân | Waterschapsblad 2025, 30500 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Wetterskip Fryslân | Waterschapsblad 2025, 30500 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân;
- gelet op artikel 2.8 Omgevingswet;
- gelet op het Delegatie- en mandaatbesluit van het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân;
- gezien het feit dat met de komst van de Omgevingswet (in werking per 1 januari 2024) een waterschapsverordening middels het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet) ontsloten en bekendgemaakt wordt;
- gezien het feit dat de Waterschapsverordening alle regels over de fysieke leefomgeving die Wetterskip Fryslân stelt binnen zijn beheergebied besloten dat een update van de Waterschapsverordening nodig is om een aantal wijzigingen door te voeren en de werking in het Omgevingsloket te verbeteren. Deze wijzigingen betreffen:
- Aanpassing van een aantal geografische werkingsgebieden;
- Aanpassing van een aantal indieningsvereisten voor vergunningen en meldingen;
- Tekstuele aanpassingen en kleine wijzigingen in de opbouw van artikelen;
- Verschuiven, splitsen en vernummeren van afdelingen en artikelen;
besluit;
De Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân zoals aangegeven in Bijlage A, vast te stellen.
De gehele gewijzigde waterschapsverordening wordt nu bekendgemaakt en treedt in werking op de dag van publicatie.
Dit besluit wordt aangehaald als "Wijzigingsbesluit Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2025-1".
Aldus vastgesteld namens het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân
L.M.B.C. Kroon
Dijkgraaf
E. van der Kuil
Secretaris-directeur
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 1.1 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 1.1 naar afdeling 1.1. ]
Bijlage I bij deze waterschapsverordening bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze waterschapsverordening.
[Red: Artikel 1.2 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 1.2 naar afdeling 1.2. ]
Deze waterschapsverordening is van toepassing:
in het beheergebied van het waterschap;
op de watersystemen of onderdelen daarvan, die in beheer zijn bij het waterschap; en
buiten het beheergebied van het waterschap, voor zover het gaat over werkingsgebieden met betrekking tot waterstaatswerken die in beheer zijn bij het waterschap.
De regels van artikel 1.9 en hoofdstuk 3 en 4 van deze waterschapsverordening zijn niet van toepassing op:
projecten waarvoor door het bestuur een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet, wordt vastgesteld;
activiteiten die nodig zijn voor het beheer, de bediening en het onderhoud van het watersysteem of een onderdeel daarvan door of in opdracht van het waterschap; en
activiteiten die nodig zijn voor het uitvoeren van onderhoudsverplichtingen met betrekking tot waterstaatswerken door of in opdracht van onderhoudsplichtigen als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.
[Red: Artikel 1.3 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 1.2 naar afdeling 1.2. ]
De regels in deze waterschapsverordening zijn, met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen;
het beschermen en verbeteren van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk; en
het behoeden van de staat en werking van een vaarweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die vaarweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die vaarweg kan behoren.
[Red: Artikel 1.4 verplaatst van paragraaf 1.2 naar afdeling 1.2. ]
De volgende werkingsgebieden maken deel uit van deze waterschapsverordening:
beschermingszone van een regionale waterkering in hoge gronden;
beschermingszone van een regionale waterkering in hoge gronden;
beschermingszone van een waterkering in hoge gronden;
beschermingszone van een waterstaatswerk;
beschermingszone van een waterstaatswerk (gesplitst in beschermingszone van een waterstaatswerk (deelgebied 1/2) en beschermingszone van een waterstaatswerk (deelgebied 2/2));
buiten het stedelijk gebied in een overig water;
buiten het stedelijk gebied in een schouwwater;
gebied waar bij calamiteiten regels gelden voor grondwater onttrekken;
gebied waar bij calamiteiten regels gelden voor lozen oppervlaktewater;
gebied waar bij calamiteiten regels gelden voor onttrekken oppervlaktewater;
gebied waar bij calamiteiten regels gelden voor water in de bodem brengen;
gronden grenzend aan een regionale waterkering in hoge gronden;
niet zijnde boezemwater;
niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam;
ondiepwaterzone;
oppervlaktewaterlichaam;
oppervlaktewaterlichaam (gesplitst in oppervlaktewaterlichaam (deelgebied 1/2) en oppervlaktewaterlichaam (deelgebied 2/2));
peilgebiedsgrenzen;
waterstaatswerk; en
waterstaatswerk (gesplitst in waterstaatswerk (deelgebied 1/2) en waterstaatswerk (deelgebied 2/2)); en
Voor waterstaatswerken die op grond van een projectbesluit of een omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de geometrische begrenzing, wordt voor het werkingsbied met betrekking tot het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning. Hetzelfde geldt voor waterstaatswerken die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gewijzigd door een projectplan of watervergunning.
Als een waterstaatswerk nog niet geometrisch is begrensd of niet juist is begrensd en de ligging niet volgt uit een projectbesluit, omgevingsvergunning, projectplan of watervergunning dan bestaat het werkingsgebied uit het betreffende waterstaatswerk. Bij een peilregulerend kunstwerk geldt als peilregulerend kunstwerk 5 meter (m) rondom het peilregulerende kunstwerk Bij de volgende waterstaatswerken geldt ook het daaromheen gelegen gebied als betreffend werkingsgebied:
bij een primaire waterkering geldt een beschermingszone, een buitenbeschermingszone, een profiel van vrije ruimte en een ruimtelijke reserveringszone als omschreven in de beleidsregels integrale legger;
bij een regionale waterkering, type polderdijk geldt als beschermingszone van een regionale waterkering een strook van 5 meter (m) vanuit de teen van die regionale waterkering;
bij een regionale waterkering, waarin als hulpconstructie als een damwand of andere oeverbescherming is opgenomen, geldt als beschermingszone van een regionale waterkering een strook van 5 meter (m) vanaf die damwand of hulpconstructie;
bij een secundaire waterkering geldt als beschermingszone van een secundaire waterkering een strook van 15 meter (m) vanuit de teen van die secundaire waterkering; en
bij een hoofdwater geldt als beschermingszone van een hoofdwater een strook van 5 meter (m) vanaf de insteek van dat hoofdwater.
Als een werkingsgebied, niet zijnde een waterstaatswerk, nog niet geometrisch is begrensd of niet juist is begrensd en de ligging niet volgt uit een projectbesluit, omgevingsvergunning, projectplan of watervergunning dan bestaat het werkingsgebied uit de beschrijving van het betreffende werkingsgebied.
[Red: Artikel 1.5 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 1.2 naar afdeling 1.2. ]
De regels van deze waterschapsverordening zijn van toepassing op degene die de activiteit verricht of laat verrichten, voor zover niet anders is bepaald.
[Red: Artikel 1.6 verplaatst van paragraaf 1.2 naar afdeling 1.2. ]
Degene die een activiteit verricht met betrekking tot het watersysteem of een onderdeel daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 1.3, moet:
alle maatregelen nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat:
het voorkomen, beperken, onmiddellijk ongedaan maken of achterwege laten van het beschadigen van een waterstaatswerk;
het voorkomen, ongedaan maken of achterwege laten van het verondiepen, versmallen of belemmeren van de waterdoorstroming van een oppervlaktewaterlichaam of van de afvoer van kwelwater of hemelwater;
het niet nadelig beïnvloeden van de stabiliteit van een waterkering, oeverconstructie of oever:
het voorkomen van aantasting van het waterkerend vermogen van waterkeringen;
het bereikbaar en toegankelijk houden van waterstaatswerken voor inspectie, onderhoud en beheer door of in opdracht van het waterschap of voor onderhoud door of in opdracht van een onderhoudsplichtige als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet; en
het voorkomen van versnelde erosie van de waterkering of het uitspoelen van grond of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam.
Degene die handelingen verricht als bedoeld in het eerste lid en daarbij kennis neemt van een inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het dagelijks bestuur.
Een rechthebbende die op basis van artikel 10.3 Omgevingswet een ontvangstplicht heeft voor maaisel, baggerspecie of hekkelspecie, is verplicht dit binnen een half jaar na ontvangst op te ruimen.
Het dagelijks bestuur kan aanwijzingen geven over de handelingen genoemd in het eerste lid tot en met het derdevierde lid.
[Red: Artikel 2.2 verplaatst van paragraaf 2.1 naar afdeling 1.2. ]
Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen is verplicht:
alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt of ongedaan gemaakt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd;
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.
Degene die handelingen verricht als bedoeld in het eerste lid en daarbij kennis neemt van een inbreuk die door die handelingen wordt veroorzaakt, meldt die inbreuk en de maatregelen die hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen, zo spoedig mogelijk aan het dagelijks bestuur.
Het dagelijks bestuur kan aanwijzingen geven over de handelingen genoemd in het eerste lid tot en met het derde lid.
[Red: Artikel 1.8 verplaatst van paragraaf 1.2 naar afdeling 1.2. ]
In aanvulling op of in afwijking van de zorgplicht in artikel 1.6, artikel 1.7 en de algemene regels in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3, en hoofdstuk 4 kunnen in een specifieke situatie waarin geen omgevingsvergunning watervoor een wateractiviteit is vereist met het oog op de doelen uit artikel 1.3, maatwerkvoorschriften worden gesteld. Het dagelijks bestuur kan zo nodig in specifieke gevallen waarin de algemene regels onvoldoende bescherming bieden, bij maatwerkvoorschrift aanvullende of vervangende voorschriften opnemen.
Wanneer sprake is van meerdere activiteiten die gecombineerd worden uitgevoerd, waarvoor deels een vergunningplicht geldt en deels een algemene regel van toepassing is, dan wordt het in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorschrift als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.
[Red: Artikel 1.9 verplaatst van paragraaf 1.2 naar afdeling 1.2. ]
Voor zover activiteiten niet in deze waterschapsverordening beschreven zijn, is het verboden zonder omgevingsvergunning van het dagelijks bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.
Een omgevingsvergunning watervoor een wateractiviteit wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen genoemd in artikel 1.3 van deze waterschapsverordening.
Het dagelijks bestuur kan aan een omgevingsvergunning voorschriften en beperkingen verbinden. Deze kunnen mede betrekking hebben op het voorkomen van belemmering van onderhoud dat wordt uitgevoerd door het waterschap en of het voorkomen van de verhoging onderhoudskosten van het waterschap. Dit kan inhouden dat de vergunninghouder een betaling of een andere compensatie verricht vanwege de voor het waterschap toegenomen kosten van onderhoud.
Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
[Red: Artikel 2.93 verplaatst van paragraaf 2.21 naar afdeling 1.2. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen, koude of warmte worden geloosd, tenzij voldaan wordt aan artikel 2.92, eerste lid, onderdelen a tot en met c.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de lozingsactiviteiten en de voorwaarden, bedoeld in de paragrafen 2.2 tot en met 2.20.
Het verbod geldt niet voor:
het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
het lozen, bedoeld in hoofdstuk 2;
het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en
[Red: Artikel 2.4 verplaatst van paragraaf 2.1 naar afdeling 1.2. ]
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van:
de aanduiding van de activiteit;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres waarop de activiteit wordt verricht; en
de dagtekening.
Voordat de in het eerste lid bedoelde naam of het adres wordt gewijzigd, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor het afgeven van een vangnetvergunning of om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.
[Red: Artikel 2.96 verplaatst van paragraaf 2.22 naar afdeling 1.2. ]
Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
[Red: Artikel 2.95 verplaatst van paragraaf 2.22 naar afdeling 1.2. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozen water;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
een riooltekening in het geval van een lozing op een zuiveringtechnisch werk;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
het chloridegehalte van het te lozen water en het chloridegehalte van het ontvangen oppervlaktewater, gemeten in een steekmonster;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koude of warmte bij aquathermie of koelwater worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozings /onttrekkingspunt;
locatie van de, voor zover aanwezig, warmtewisselaar in het oppervlaktewaterlichaam;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; tekening van de, voor zover aanwezig, in- en uitstroomvoorzieningen;
de berekening van het temperatuurverschil in de mengzone ten opzichte van het omliggende oppervlaktewaterlichaam;
de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt (kW);
de berekening van de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); en
de berekening van de maximale koudevracht in kilojoule per seconde (kJ/s).
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor asverstrooiing worden de volgende gegevens verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken; en
hoeveelheid as die verstrooid wordt in kubieke meter (m3).
[Red: Artikel 2.7 verplaatst van paragraaf 2.1 naar afdeling 1.3. ]
Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:
een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
wonen.
[Red: Artikel 2.8 verplaatst van paragraaf 2.1 naar afdeling 1.3. ]
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:
een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
wonen.
[Red: Artikel 1.10 verplaatst van paragraaf 1.2 naar afdeling 1.3. ]
In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur, zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, besluiten te verbieden:
water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam;
water af te voeren naar een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk;
water aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam;
water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam;
water te brengen in een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk;
water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam;
grondwater te onttrekken of water te infiltreren; en
activiteiten in een werkingsgebied uit te voeren.
Het besluit kan in ieder geval inhouden dat de activiteiten worden beperkt of worden stopgezet.
Het besluit wordt onverwijld ingetrokken als het dagelijks bestuur van het waterschap instandhouding daarvan niet langer noodzakelijk vindt.
B
Paragraaf 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Paragraaf 1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.6 houdt in ieder geval in:
het voorkomen, beperken, onmiddellijk ongedaan maken of achterwege laten van het beschadigen van een waterstaatswerk;
het voorkomen, ongedaan maken of achterwege laten van het verondiepen, versmallen of belemmeren van de waterdoorstroming van een oppervlaktewaterlichaam of van de afvoer van kwelwater of hemelwater;
het niet nadelig beïnvloeden van de stabiliteit van een waterkering, oeverconstructie of oever:
het voorkomen van aantasting van het waterkerend vermogen van waterkeringen;
het bereikbaar en toegankelijk houden van waterstaatswerken voor inspectie, onderhoud en beheer door of in opdracht van het waterschap of voor onderhoud door of in opdracht van een onderhoudsplichtige als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet; en
het voorkomen van versnelde uitspoeling van de waterkering of het uitspoelen van grond of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam.
[Vervallen]
D
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 2.9 verplaatst van paragraaf 2.2 naar afdeling 2.1. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op hetde lozen vanhoeveelheid water die op een oppervlaktewaterlichaam. wordt geloosd, indien:
dit geen afvloeiend hemelwater is als bedoeld in afdeling 2.3;
dit geen water is als bedoeld in afdeling 2.12; en
dit geen water is als bedoeld in afdeling 2.18.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
Versnelde afvoer van water als bedoeld in afdeling 4.21.
[Red: Artikel 2.10 verplaatst van paragraaf 2.2 naar afdeling 2.1. ]
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor chloride NEN-EN-ISO 15682 van toepassing.
[Red: Artikel 2.11 verplaatst van paragraaf 2.2 naar afdeling 2.1. ]
Het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien:
dit plaatsvindt in boezemwater;
de te lozen hoeveelheid water groter dan 250 kubieke meter per uur (m3/u) is;
het te lozen water onttrokken wordt uit het oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd; en
het chloridegehalte van het te lozen water is kleiner dan of gelijk aan het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster.
Het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien:
dit plaatsvindt in boezemwater;
de te lozen hoeveelheid water kleiner dan of gelijk aan 250 kubieke meter per uur (m3/u) is; en
het chloridegehalte van het te lozen water is kleiner dan of gelijk aan het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster.
Het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien:
het lozen van water plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam niet zijnde boezemwater;
de te lozen hoeveelheid is kleiner dan of gelijk aan 80 kubieke meter per uur (m3/u);
de te lozen hoeveelheid is kleiner dan of gelijk aan 800 kubieke meter per etmaal (m3/etmaal); en
het chloridegehalte van het te lozen water is kleiner dan of gelijk aan het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster.
[Red: Artikel 2.12 verplaatst van paragraaf 2.2 naar afdeling 2.1. ]
Voor het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht, indien:
het lozen van water plaatsvindt in boezemwater;
de te lozen hoeveelheid groter dan 250 kubieke meter per uur (m3/u) is;
het water dat geloosd wordt niet onttrokken is aan het oppervlaktewaterlichaam waarop geloosd wordt; en
het chloridegehalte van het te lozen water is kleiner dan of gelijk aan het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster.
[Red: Artikel 2.13 verplaatst van paragraaf 2.2 naar afdeling 2.1. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.122.4, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozingspunt;
het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozen water;
de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden;
een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; en
het chloridegehalte van het te lozen water en het chloridegehalte van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam, gemeten in een steekmonster.
[Red: Artikel 2.14 verplaatst van paragraaf 2.2 naar afdeling 2.1. ]
Voor het lozen van een hoeveelheid water op een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht indien:
dit plaatsvindt op de Waddeneilanden: Ameland, Terschelling, Vlieland en Schiermonnikoog; of
niet voldaan wordt aan artikel 2.10 tot en met artikel 2.13.
de activiteit niet toestemmingsvrij of meldingsplichtig is op grond van de artikelen 2.2 tot en met 2.4, of niet voldoet aan de voorschriften die in die artikelen zijn opgenomen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van een hoeveelheid water op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozen water;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen; en
het chloridegehalte van het te lozen water en het chloridegehalte van het ontvangen oppervlaktewater, gemeten in een steekmonster.
[Red: Artikel 2.15 verplaatst van paragraaf 2.3 naar afdeling 2.2. ]
Deze paragraaf 2.3afdeling is van toepassing op hetde lozenkwaliteit van grondwater dat bij sanering of ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd.
[Red: Artikel 2.16 verplaatst van paragraaf 2.3 naar afdeling 2.2. ]
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1 trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.
[Red: Artikel 2.17 verplaatst van paragraaf 2.3 naar afdeling 2.2. ]
Het lozen van grondwater bij ontwatering is toestemmingsvrij, indien:
[Red: Artikel 2.18 verplaatst van paragraaf 2.3 naar afdeling 2.2. ]
Voor het lozen van grondwater bij ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht als dat grondwater:
niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en
geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.
Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.
[Red: Artikel 2.19 verplaatst van paragraaf 2.3 naar afdeling 2.2. ]
Voor het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht.
Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.1, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l | |
Naftaleen | 0,2 μg/l |
PAK’s | 1 μg/l |
BTEX | 50 μg/l |
Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor | 20 μg/l |
Aromatische organohalogeen-verbindingen | 20 μg/l |
Minerale olie | 500 μg/l |
Cadmium | 4 μg/l |
Kwik | 1 μg/l |
Koper | 11 μg/l |
Nikkel | 41 μg/l |
Lood | 53 μg/l |
Zink | 120 μg/l |
Chroom | 24 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 50 mg/l |
Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l | |
Naftaleen | 0,2 μg/l |
PAK’s | 1 μg/l |
Minerale olie | 50 μg/l |
Cadmium | 0,4 μg/l |
Kwik | 0,1 μg/l |
Koper | 1,1 μg/l |
Nikkel | 4,1 μg/l |
Lood | 5,3 μg/l |
Chroom | 2,4 μg/l |
Zink | 12 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 20 mg/l |
Benzeen | 2 μg/l |
Tolueen | 7 μg/l |
Ethylbenzeen | 4 μg/l |
Xyleen | 4 μg/l |
Tetrachlooretheen | 3 μg/l |
Trichlooretheen | 20 μg/l |
1,2-dichlooretheen | 20 μg/l |
1,1,1-trichloorethaan | 20 μg/l |
Vinylchloride | 8 μg/l |
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen | 20 μg/l |
Monochloorbenzeen | 7 μg/l |
Dichloorbenzenen | 3 μg/l |
Trichloorbenzenen | 1 μg/l |
[Red: Artikel 2.20 verplaatst van paragraaf 2.3 naar afdeling 2.2. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.182.11 en artikel 2.192.12, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
de aard en omvang van de lozingsactiviteit; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als de periode van het lozen groter dan 48 uur is, maar kleiner dan of gelijk aan 8 weken.
Voor het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij of meldingsplichtig is op grond van de artikelen 2.10 tot en met 2.12, of niet voldoet aan de voorschriften in artikel 2.9.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.21 verplaatst van paragraaf 2.4 naar afdeling 2.3. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op hetde lozenkwaliteit van afvloeiend afvloeiend hemelwater dat op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd.
[Red: Artikel 2.22 verplaatst van paragraaf 2.4 naar afdeling 2.3. ]
Het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien dat hemelwater:
niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; en
afkomstig is van daken, terreinen, verhardingen en wegen, zijnde geen rijkswegen of provinciale wegen.
[Red: Artikel 2.23 verplaatst van paragraaf 2.4 naar afdeling 2.3. ]
Afvloeiend hemelwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater:
niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;
geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij wordt het afvloeiend hemelwater via deugdelijke zuiveringsvoorziening geloosd.
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater, afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. Daarbij wordt het afvloeiend hemelwater via deugdelijke zuiveringsvoorziening geloosd.
Voor het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening geldt een meldingsplicht, indien voldaan wordt aan de voorwaarden of voorschriften die zijn opgenomen in het eerste lid tot en met het derde lid.
[Red: Artikel 2.24 verplaatst van paragraaf 2.4 naar afdeling 2.3. ]
Ten minste zes maanden voorafgaand aan de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
de omvang van de lozingsactiviteit; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
Ten minste zes maanden voorafgaand aan het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Voor het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij of meldingsplichtig is op grond van de artikelen 2.17 tot en met 2.18, of niet voldoet aan de voorwaarden of voorschriften die in die artikelen zijn opgenomen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.25 verplaatst van paragraaf 2.5 naar afdeling 2.4. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.26 verplaatst van paragraaf 2.5 naar afdeling 2.4. ]
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
[Red: Artikel 2.27 verplaatst van paragraaf 2.5 naar afdeling 2.4. ]
Lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien dit plaatsvindt:
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
[Red: Artikel 2.28 verplaatst van paragraaf 2.5 naar afdeling 2.4. ]
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van kleiner dan 2.000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten is:
groter dan 40 meter (m) met een vervuilingswaarde kleiner dan of gelijk aan 10 inwonerequivalenten;
groter dan 100 meter (m) met een vervuilingswaarde groter dan 10 inwonerequivalenten en kleiner dan 25 inwonerequivalenten;
groter dan 600 meter (m) met een vervuilingswaarde groter dan of gelijk aan 25 inwonerequivalenten en kleiner dan 50 inwonerequivalenten;
groter dan 1.500 meter (m) met een vervuilingswaarde groter dan of gelijk aan 50 inwonerequivalenten en kleiner dan 100 inwonerequivalenten; en
groter dan 3.000 meter (m) met een vervuilingswaarde groter dan of gelijk aan 100 inwonerequivalenten.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur van het waterschap, indien het belang van de bescherming van een oppervlaktewaterlichaam zich daartegen niet verzet, op een daartoe strekkende aanvraag bij maatwerkvoorschrift het lozen in een oppervlaktewaterlichaam toestaan voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een afschrijvingstermijn van de voor de aanleg van het vuilwaterriool of het zuiveringtechnisch werk reeds bestaande zuiveringsvoorziening.
Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht, indien voldaan wordt aan de voorwaarden of voorschriften die zijn opgenomen in het eerste lid tot en met het derde lid.
[Red: Artikel 2.29 verplaatst van paragraaf 2.5 naar afdeling 2.4. ]
Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.3, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij het lozen op een oppervlaktewaterlichaam
Emissiegrenswaarde in mg/l | |
Biochemisch zuurstofverbruik | 60 mg/l |
Chemisch zuurstofverbruik | 300 mg/l |
Onopgeloste stoffen | 60 mg/l |
Het tweede lid is niet van toepassing als de lozing plaatsvindt buiten een kwetsbaar gebied en het huishoudelijk afvalwater kleiner dan 6 inwonerequivalenten bevat en voorafgaand aan vermenging met ander water door een septictank wordt geleid indien:
de septictank:
de septictank is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:
vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of
op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.
In afwijking van de regels bedoeld in het tweede en derde lid, wordt voor bestaande lozingen van huishoudens van voor 1 maart 1997 aan het eerste lid voldaan als de lozing plaatsvindt in niet-kwetsbaar en niet-vrij afstromend gebied in de provincie Fryslân en het huishoudelijk afvalwater wordt geleid door goed onderhouden en goed functionerende voorzieningen die in ieder geval bestaan uit:
een septictank met een inhoud van minimaal 1,5 kubieke meter (m3) voor het toiletwater; en
een doelmatige bezinkvoorziening voor het overige huishoudelijke afvalwater; of
een aan de onder a en b genoemde voorzieningen ten minste gelijkwaardig alternatief.
In afwijking van het tweede lid kan het dagelijks bestuur van het waterschap, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn bij maatwerkvoorschrift bepalen dat bij het lozen niet aan de in dat lid genoemde waarden behoeft te worden voldaan. Het dagelijks bestuur van het waterschap kan daarbij:
andere waarden vaststellen; en
bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een daarbij voorgeschreven zuiveringsvoorziening wordt geleid.
[Red: Artikel 2.30 verplaatst van paragraaf 2.5 naar afdeling 2.4. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.282.25, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;
de wijze van behandeling van het afvalwater;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit;
de afstand van de kadastrale grens van het perceel tot de gemeentelijk riolering; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl met daarop:
de locatie van het gebouw waar het afvalwater ontstaat; en
alle rioleringen van het gebouw waar het afvalwater ontstaat tot het lozingspunt, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen hemelwaterafvoer en vuilwaterafvoer; en, de te treffen zuiveringsvoorziening (septictank, IBA klasse II of III).
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij of meldingsplichtig is op grond van de artikelen artikel 2.24 tot en met artikel 2.25, of niet voldoet aan de voorschriften in de artikelen 2.23 en 2.26.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl met daarop:
de locatie van het gebouw waar het afvalwater ontstaat; en
alle rioleringen van het gebouw waar het afvalwater ontstaat tot het lozingspunt, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen hemelwaterafvoer en vuilwaterafvoer, en de te treffen zuiveringsvoorziening (septictank, IBA klasse II of III).
de afstand van de kadastrale grens van het perceel tot de gemeentelijk riolering;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;
de wijze van behandeling van het afvalwater;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.31 verplaatst van paragraaf 2.6 naar afdeling 2.5. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.32 verplaatst van paragraaf 2.6 naar afdeling 2.5. ]
Indien koelwater wordt geloosd:
worden aan het te lozen koelwater geen chemicaliën toegevoegd;
is de warmtevracht van het te lozen koelwater kleiner dan of gelijk aan 1.000 kilojoule per seconde (kJ/s) bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam; en
is de warmtevracht van het te lozen koelwater kleiner dan of gelijk aan 10 kilojoule per seconde (kJ/s) bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.33 verplaatst van paragraaf 2.6 naar afdeling 2.5. ]
Voor het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.34 verplaatst van paragraaf 2.6 naar afdeling 2.5. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.332.32, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
de berekening van de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Voor het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet meldingsplichtig is op grond van artikel 2.32, of niet voldoet aan de voorschriften in artikel 2.31.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koude of warmte bij koelwater op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozings- of onttrekkingspunt;
locatie van de, voor zover aanwezig, warmtewisselaar in het oppervlaktewaterlichaam;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; tekening van de, voor zover aanwezig, in- en uitstroomvoorzieningen;
de berekening van het temperatuurverschil in de mengzone ten opzichte van het omliggende oppervlaktewaterlichaam;
de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt (kW);
de berekening van de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); en
de berekening van de maximale koudevracht in kilojoule per seconde (kJ/s).
[Red: Artikel 2.35 verplaatst van paragraaf 2.7 naar afdeling 2.6. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op een warmtewisselaar die wordt toegepast voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraaf 4.24afdeling 4.25.
[Red: Artikel 2.36 verplaatst van paragraaf 2.7 naar afdeling 2.6. ]
Indien koude en warmte bij aquathermie wordt geloosd:
kan koude of warmte in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht:
direct door het lozen van opgewarmd oppervlaktewater; of
direct door het lozen van afgekoeld oppervlaktewater; of
indirect door het plaatsen van een warmtewisselaar in een oppervlaktewaterlichaam.
indirect door een in het oppervlaktewaterlichaam geplaatste warmtewisselaar.
is het thermisch vermogen van de installatie waarmee warmte of koude uit het oppervlaktewaterlichaam wordt onttrokken of toegevoegd kleiner dan of gelijk aan 30 kilowatt (kW); en
mag het temperatuurverschil tussen het ingenomen oppervlaktewater en het te lozen oppervlaktewater niet meer bedragen dan 5 graden Celsius (°C).
[Red: Artikel 2.37 verplaatst van paragraaf 2.7 naar afdeling 2.6. ]
Voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht, indien:
wordt voldaan aan artikel 2.362.37; en
de lozing geen deel uitmaakt van een project dat bestaat uit met meerdere afzonderlijke lozingen van koude en warmte bij aquathermie waardoor cumulatie van warmte of koude in het oppervlaktewater optreedt
[Red: Artikel 2.38 verplaatst van paragraaf 2.7 naar afdeling 2.6. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.372.38, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s);
de berekening van de maximale koudevracht in kilojoule per seconde (kJ/s);
de berekening van het temperatuurverschil in de mengzone ten opzichte van het omliggende oppervlaktewaterlichaam;
de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt (kW);
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozings /lozings- of onttrekkingspunt;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.;
voor zover aanwezig een tekening van de in- en uitstroomvoorzieningen inclusief de locatie van de warmtewisselaar;
voor zover aanwezig de locatie van de warmtewisselaar in het oppervlaktewaterlichaam; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit.
Voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet meldingsplichtig is op grond van artikel 2.38, of niet voldoet aan de voorschriften in artikel 2.37.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van koude of warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder lozings- of onttrekkingspunt;
locatie van de, voor zover aanwezig, warmtewisselaar in het oppervlaktewaterlichaam;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; tekening van de, voor zover aanwezig, in- en uitstroomvoorzieningen;
de berekening van het temperatuurverschil in de mengzone ten opzichte van het omliggende oppervlaktewaterlichaam;
de capaciteit van de warmtepomp in kilowatt (kW);
de berekening van de maximale warmtevracht in kilojoule per seconde (kJ/s); en
de berekening van de maximale koudevracht in kilojoule per seconde (kJ/s).
[Red: Artikel 2.39 verplaatst van paragraaf 2.8 naar afdeling 2.7. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op hetde lozenkwaliteit van afvalwater dat bij het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd.
[Red: Artikel 2.40 verplaatst van paragraaf 2.8 naar afdeling 2.7. ]
Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 milligram per kubieke meter (mg/Nm3), gemeten in een eenmalige meting.
[Red: Artikel 2.41 verplaatst van paragraaf 2.8 naar afdeling 2.7. ]
Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.
[Red: Artikel 2.42 verplaatst van paragraaf 2.8 naar afdeling 2.7. ]
Lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien het gaat om:
afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of
afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.
Lozen van afvalwater afkomstig van bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij.
[Red: Artikel 2.43 verplaatst van paragraaf 2.8 naar afdeling 2.7. ]
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:
is een werkinstructie opgesteld; en
wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.
In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen:
Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen:
op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;
wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconserveerd is en wat de omvang van de hulpconstructie is;
of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;
op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en
welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van groter dan 8 meter per seconde (m/s).
De werkinstructie is ter plekke van het reinigen en conserveren van het bouwwerk aanwezig en in te zien door medewerkers van het waterschap.
[Red: Artikel 2.44 verplaatst van paragraaf 2.8 naar afdeling 2.7. ]
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:
op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en
welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.
De werkinstructie is ter plekke van het bouwen, renoveren en slopen van het bouwwerk aanwezig en in te zien door medewerkers van het waterschap.
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij is op grond van artikel 2.45, of niet voldoet aan de voorschriften die in de artikelen 2.43, 2.44, 2.46 en 2.47 zijn opgenomen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.45 verplaatst van paragraaf 2.9 naar afdeling 2.8. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater bij het opslaan en overslaan van inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.46 verplaatst van paragraaf 2.9 naar afdeling 2.8. ]
Voor de toepassing van deze paragraafafdeling worden de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:
bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
A-hout en ongeshredderd B-hout;
snoeihout;
banden van voertuigen;
autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen;
straatmeubilair;
tuinmeubilair;
aluminium, ijzer en roestvrij staal;
kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;
kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;
papier en karton;
textiel en tapijt; en
vlakglas.
[Red: Artikel 2.47 verplaatst van paragraaf 2.9 naar afdeling 2.8. ]
Afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.48 verplaatst van paragraaf 2.9 naar afdeling 2.8. ]
Bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht kan afvalwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan of overslaan van inerte goederen geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij is op grond van de artikelen 2.52 en 2.53, of niet voldoet aan de voorwaarden of voorschriften die in die artikelen zijn opgenomen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan of overslaan van inerte goederen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.49 verplaatst van paragraaf 2.10 naar afdeling 2.9. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater bij het opslaan en overslaan van niet-inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.50 verplaatst van paragraaf 2.10 naar afdeling 2.9. ]
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705;
voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923-1;
voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;
voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1;
voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2, en
voor extraheerbaar organisch chloor: NEN 6402.
[Red: Artikel 2.51 verplaatst van paragraaf 2.10 naar afdeling 2.9. ]
Het lozen op een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien het lozen plaatsvindt bij:
het overslaan van zout voor het strooien op wegen;
het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en
het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.
Bij het overslaan van goederen uit het eerste lid in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:
[Red: Artikel 2.52 verplaatst van paragraaf 2.10 naar afdeling 2.9. ]
In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd groter dan 40 meter (m) is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.4, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden
Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l | |
Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink | 1 mg/l |
Minerale olie | 20 mg/l |
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen | 50 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 100 mg/l |
Som van stikstofverbindingen | 10 mg/l |
Som van fosforverbindingen | 2 mg/l |
Chemisch zuurstofverbruik | 200 mg/l |
Extraheerbaar organisch chloor | 5 μg/l |
Indien voldaan wordt aan het eerste lid en het tweede lid geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.53 verplaatst van paragraaf 2.10 naar afdeling 2.9. ]
Voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam bij het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen geldt een meldingsplicht.
Bij het overslaan van goederen uit het eerste lid in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.
Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:
[Red: Artikel 2.54 verplaatst van paragraaf 2.10 naar afdeling 2.9. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.522.59 en 2.532.60, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan of overslaan van niet-inerte goederen geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij of meldingsplichtig is op grond van de artikelen 2.58 tot en met 2.60, of niet voldoet aan de voorschriften in artikel 2.57.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan of overslaan van niet-inerte goederen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.55 verplaatst van paragraaf 2.11 naar afdeling 2.10. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.56 verplaatst van paragraaf 2.11 naar afdeling 2.10. ]
Afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen, en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1º tot en met 3º, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
[Red: Artikel 2.57 verplaatst van paragraaf 2.11 naar afdeling 2.10. ]
Huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Voor het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij is op grond van de artikelen 2.65 tot en met 2.66, of niet voldoet aan de voorwaarden of voorschriften die in die artikelen zijn opgenomen
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.58 verplaatst van paragraaf 2.12 naar afdeling 2.11. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater bij ontgraving, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door of namens de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.59 verplaatst van paragraaf 2.12 naar afdeling 2.11. ]
Voor het lozen van stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam, op datzelfde oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.60 verplaatst van paragraaf 2.12 naar afdeling 2.11. ]
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», waarbij de interventiewaarden uit tabel 2 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit worden overschreden, een werkinstructie opgesteld. In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen:
[Red: Artikel 2.61 verplaatst van paragraaf 2.12 naar afdeling 2.11. ]
Voor het lozen van stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 2.592.70 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, op datzelfde oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.62 verplaatst van paragraaf 2.12 naar afdeling 2.11. ]
Voor het lozen van algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.63 verplaatst van paragraaf 2.12 naar afdeling 2.11. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.592.70, artikel 2.612.72 en artikel 2.622.73, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem;
als de waterbodem de kwaliteitsklasse «sterk verontreinigd», bedoeld in artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.602.71; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet meldingsplichtig is op grond van de artikelen 2.70, 2.72 en 2.73, of niet voldoet aan de voorschriften in artikel 2.71.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.64 verplaatst van paragraaf 2.13 naar afdeling 2.12. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.65 verplaatst van paragraaf 2.13 naar afdeling 2.12. ]
Er worden geen chemicaliën toegevoegd aan het water dat gebruikt wordt voor het schoonmaken en in gebruik nemen van leidingen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater.
[Red: Artikel 2.66 verplaatst van paragraaf 2.13 naar afdeling 2.12. ]
Afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, kan op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij is op grond van artikel 2.79, of niet voldoet aan de voorschriften in artikel 2.78.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.67 verplaatst van paragraaf 2.14 naar afdeling 2.13. ]
Deze paragraaf 2.14afdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater bij een calamiteitenoefening op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.68 verplaatst van paragraaf 2.14 naar afdeling 2.13. ]
Voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.69 verplaatst van paragraaf 2.14 naar afdeling 2.13. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.682.83, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt;
welke stoffen dat blusschuim bevat; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
Voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet meldingsplichtig is op grond van artikel 2.83.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.70 verplaatst van paragraaf 2.15 naar afdeling 2.14. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.71 verplaatst van paragraaf 2.15 naar afdeling 2.14. ]
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2NEN-EN-ISO 5815-2;
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en
voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
[Red: Artikel 2.72 verplaatst van paragraaf 2.15 naar afdeling 2.14. ]
In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, groter dan 40 meter (m) is.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden
Emissiegrenswaarde in mg/l | |
Onopgeloste stoffen | 100 mg/l |
Biochemisch zuurstofverbruik | 60 mg/l |
Chemisch zuurstofverbruik | 300 mg/l |
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van een bestaande lozing van voor 1 januari 2013, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Indien voldaan wordt aan de voorwaarden of voorschriften die zijn opgenomen in het eerste lid tot en met het vierde lid geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.73 verplaatst van paragraaf 2.15 naar afdeling 2.14. ]
In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, groter dan 40 meter (m) is.
Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 milligram per liter (mg/l), gemeten in een steekmonster.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van een bestaande lozing van voor 1 januari 2013, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Indien voldaan wordt aan de voorwaarden of voorschriften die zijn opgenomen in het eerste lid tot en met het vierde lid geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.74 verplaatst van paragraaf 2.15 naar afdeling 2.14. ]
In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden
Emissiegrenswaarde in mg/l | |
Onopgeloste stoffen | 100 mg/l |
Biochemisch zuurstofverbruik | 60 mg/l |
Chemisch zuurstofverbruik | 300 mg/l |
Indien voldaan wordt aan het eerste lid en tweede lid geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.75 verplaatst van paragraaf 2.15 naar afdeling 2.14. ]
Afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster.
Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden
De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.
Indien voldaan wordt aan het eerste lid en het tweede lid geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.76 verplaatst van paragraaf 2.15 naar afdeling 2.14. ]
Afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, groter dan 40 meter (m) is.
Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 milligram per liter (mg/l), gemeten in een steekmonster.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en
langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van een bestaande lozing van voor 1 januari 2013, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.
Indien voldaan wordt aan de voorwaarden of voorschriften die zijn opgenomen in het eerste lid tot en met het vierde lid geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.77 verplaatst van paragraaf 2.15 naar afdeling 2.14. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.722.89 tot en met 2.762.93, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de aard en omvang van de lozing; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet meldingsplichtig is op grond van de artikelen 2.89 tot en met 2.93, of niet voldoet aan de voorschriften in artikel 2.88.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.78 verplaatst van paragraaf 2.16 naar afdeling 2.15. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.79 verplaatst van paragraaf 2.16 naar afdeling 2.15. ]
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
onopgeloste stoffen: NEN-EN 872; en
voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
[Red: Artikel 2.80 verplaatst van paragraaf 2.16 naar afdeling 2.15. ]
Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.
Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden, de waarden bedoeld in tabel 2.8 gemeten in een steekmonster en bepaald conform artikel 2.792.98.
Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij is op grond van artikel 2.99, of niet voldoet aan de voorschriften in artikel 2.98.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.81 verplaatst van paragraaf 2.17 naar afdeling 2.16. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater bij niet-industriële voedselbereiding op een oppervlaktewaterlichaam.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
[Red: Artikel 2.82 verplaatst van paragraaf 2.17 naar afdeling 2.16. ]
Afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met:
Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voorafgaande aan vermenging met ander water geleid door:
een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of
een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Indien voldaan wordt aan de voorwaarden of voorschriften die zijn opgenomen in het eerste lid tot en met het vierde lid geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.83 verplaatst van paragraaf 2.17 naar afdeling 2.16. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.822.103, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de aard en omvang van de lozing; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij niet-industriële voedselbereiding geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet meldingsplichtig is op grond van artikel 2.103.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij niet-industriële voedselbereiding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.84 verplaatst van paragraaf 2.18 naar afdeling 2.17. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.85 verplaatst van paragraaf 2.18 naar afdeling 2.17. ]
Voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van spuiwater uit recreatieve visvijvers geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 2.86 verplaatst van paragraaf 2.18 naar afdeling 2.17. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.852.108, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de aard en omvang van de lozing; en
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.
Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Voor het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers op een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet meldingsplichtig is op grond van artikel 2.108.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.87 verplaatst van paragraaf 2.19 naar afdeling 2.18. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.88 verplaatst van paragraaf 2.19 naar afdeling 2.18. ]
De volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig kunnen op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:
afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en
afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind.
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij het spoelen of scheiden van zand of grind geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij is op grond van artikel 2.113, of niet voldoet aan de voorwaarden of voorschriften die in dat artikel zijn opgenomen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam vanaf vaartuigen of andere werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl in het geval van een lozing op een oppervlaktewaterlichaam;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
[Red: Artikel 2.89 verplaatst van paragraaf 2.20 naar afdeling 2.19. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het verstrooien van as op een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 2.90 verplaatst van paragraaf 2.20 naar afdeling 2.19. ]
Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.
Voor het verstrooien van as op een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij is op grond van artikel 2.117, of niet voldoet aan de voorwaarden of voorschriften die in dat artikel zijn opgenomen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verstrooien van as op een oppervlaktewaterlichaam worden de volgende gegevens verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken; en
hoeveelheid as die verstrooid wordt in kubieke meter (m3).
Deze afdeling is van toepassing op lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk.
Lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk zijn toestemmingsvrij, indien het lozen van stoffen, water of warmte afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor het verrichten van een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk geldt een vergunningplicht, indien de activiteit niet toestemmingsvrij is op grond van artikel 2.121, of niet voldoet aan de voorwaarden of voorschriften die in dat artikel zijn opgenomen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het debiet in kubieke meter per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3) van het te lozen water;
een riooltekening in het geval van een lozing op een zuiveringtechnisch werk;
de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder lozingspunt;
de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit, de verwachte duur van de lozingsactiviteit en bij een tijdelijke lozing de datum van het einde van de lozingsactiviteit;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
E
Paragraaf 2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap.
In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of van het in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur van het waterschap verbieden stoffen, water, koude of warmte te lozen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk.
Zodra het dagelijks bestuur van het waterschap, gezien de situatie, handhaving van een verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking bekend.
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 2.4, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.
Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
[Vervallen]
F
Paragraaf 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Paragraaf 2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Paragraaf 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Paragraaf 2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Paragraaf 2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Paragraaf 2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Paragraaf 2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
M
Paragraaf 2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Paragraaf 2.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Paragraaf 2.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
P
Paragraaf 2.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Q
Paragraaf 2.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Paragraaf 2.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Paragraaf 2.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Paragraaf 2.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
U
Paragraaf 2.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
V
Paragraaf 2.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Paragraaf 2.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
X
Paragraaf 2.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Paragraaf 2.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op overige lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk.
Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk zijn toestemmingsvrij indien:
het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd;
het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de lozingsactiviteiten en de voorwaarden, bedoeld in de paragrafen 2.2 tot en met 2.20.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten, tenzij voldaan wordt aan artikel 2.92, eerste lid, onderdeel d.
[Vervallen]
Z
Paragraaf 2.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
[Vervallen]
AA
Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 3.1 verplaatst van paragraaf 3.1 naar afdeling 3.1. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 3.2 verplaatst van paragraaf 3.1 naar afdeling 3.1. ]
Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien de wateronttrekking kleiner dan 250 kubieke meter per uur (m3/u) is.
Het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien de wateronttrekking groter dan of gelijk aan 250 kubieke meter per uur (m3/u) is en dit water in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam terug wordt gebracht.
[Red: Artikel 3.3 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.1 naar afdeling 3.1. ]
Indien de onttrekking van water aan een oppervlaktewaterlichaam groter dan of gelijk aan 250 kubieke meter per uur (m3/u) is en dit water wordt niet in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam teruggebracht dan geldt een meldingsplicht.
[Red: Artikel 3.4 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.1 naar afdeling 3.1. ]
Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het te onttrekken water wordt gebruikt;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder onttrekkingspunt;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/u) per onttrekkingspunt; en
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken.
[Red: Artikel 3.5 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.1 naar afdeling 3.1. ]
Voor het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht indien de wateronttrekking:
plaatsvindt op de Waddeneilanden;
plaatsvindt in een hoogwatercircuit of in een gebied met een peil hoger dan het boezempeil, tenzij het particuliere tuinberegening betreft;
plaatsvindt in een gebied met een peil onder het boezempeil dat alleen voorzien wordt van water uit een gebied met een peil boven het boezempeil;
leidt tot een zichtbare waterpeilverlaging; of
artikel 3.2 en artikel 3.3 zijn niet van toepassing.
[Red: Artikel 3.6 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.1 naar afdeling 3.1. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het te onttrekken water wordt gebruikt;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder onttrekkingspunt;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/u) per onttrekkingspunt; en
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken.
[Red: Artikel 3.7 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.1 naar afdeling 3.1. ]
In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of van het in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur van het waterschap verbieden water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam.
Zodra het dagelijks bestuur van het waterschap, gezien de situatie, handhaving van een verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking bekend.
[Red: Artikel 3.8 verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater en het onttrekken van grondwater inclusief retourbemaling.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Red: Artikel 3.9 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
Degene die grondwater onttrekt, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater met een nauwkeurigheid van ten minste 95 procent (%).
Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens verstrekt over de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater.
Indien grondwater wordt onttrokken ten behoeve van een brandblusvoorziening dan geldt een vrijstelling van de meet- en rapportageplicht.
Indien de onttrekking van grondwater plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 1 kubieke meter per uur (m3/u) is dan geldt een vrijstelling van de meet- en rapportageplicht.
Indien de onttrekking van grondwater plaatsvindt ten behoeve van veedrenking en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 10 kubieke meter per uur (m3/u) is dan geldt een vrijstelling van de meet- en rapportageplicht.
[Red: Artikel 3.10 verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
Indien grondwater wordt onttrokken:
worden nadelige gevolgen van de onttrekking voorkomen. Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, moet degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen nemen om deze gevolgen te beperken. Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk de eerstvolgende werkdag geïnformeerd over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen.;
wordt voorkomen dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt bij het aanleggen en beheren van de voorziening(en) voor grondwateronttrekking; en
wordt voorkomen dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt door na definitieve beëindiging van de onttrekking de voorziening(en) voor grondwateronttrekking te verwijderen, af te werken en af te dichten.
Indien grondwater onttrokken wordt ten behoeve van een bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling, grondsanering of sanering van een grondwaterverontreiniging:
is de verlaging van de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket kleiner dan of gelijk aan 500 millimeter (mm) beneden het actuele ontgravingsniveau;
dient een peilbuis of meetput toegepast te worden om de stijghoogte te bepalen indien spanningsbemaling wordt toegepast; en
indien retourbemaling toegepast wordt:
dient het grondwater terug gebracht te worden in het watervoerende pakket waar het grondwater uit afkomstig is; of
mag het grondwater worden terug gebracht op de bodem indien de retourbemaling op de Waddeneilanden plaatsvindt.
[Red: Artikel 3.11 verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
Grondwater kan toestemmingsvrij onttrokken worden, indien de onttrekking plaatsvindt:
op basis van een pompcapaciteit kleiner dan 1 kubieke meter per uur (m3/u); of
ten behoeve van een brandblusvoorziening.
[Red: Artikel 3.12 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
Indien grondwater wordt onttrokken ten behoeve van een bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling, grondsanering of grondwatersanering geldt een meldingsplicht indien:
de onttrekking kleiner dan 50.000 kubieke meter per maand (m3/maand) is; en
de onttrekkingsduur kleiner dan of gelijk aan 120 aaneengesloten dagen is.
Indien grondwater wordt onttrokken voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 60 kubieke meter per uur (m3/u) is, geldt een meldingsplicht.
Indien grondwater wordt onttrokken voor overige doeleinden dan geldt een meldingsplicht indien het onttrekken van grondwater:
niet plaatsvindt op de Waddeneilanden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 10 kubieke meter per uur is (m3/u); of
plaatsvindt op de Waddeneilanden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit kleiner dan of gelijk aan 5 kubieke meter per uur (m3/u) is.
[Red: Artikel 3.13 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van grondwater, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het te onttrekken water wordt gebruikt;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit
de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit;
het aantal in te richten putten;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere put;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken;
een bemalingsadvies, volgens protocol 12010 van het SIKB;
een technisch bemalingsplan, volgens protocol 12020 van het SIKB;
de diepte in meter (m) van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
de lengte in meter (m) van het effectieve filter in iedere put;
de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/u) per put;
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken; en
een beschrijving van de locatie waar het onttrokken water wordt geloosd.
[Red: Artikel 3.14 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
Indien grondwater wordt onttrokken ten behoeve van een bouwputbemaling, proefbronnering, sleufbemaling, grondsanering of grondwatersanering geldt een vergunningplicht indien:
de onttrekking groter dan of gelijk aan 50.000 kubieke meter per maand (m3/maand) is; of
de onttrekkingsduur is groter dan 120 aaneengesloten dagen.
Indien grondwater wordt onttrokken voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit groter dan 60 kubieke meter per uur (m3/u) is dan geldt een vergunningplicht.
Indien grondwater wordt onttrokken voor overige doeleinden dan geldt een vergunningplicht, indien het onttrekken van grondwater:
niet plaatsvindt op de Waddeneilanden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit groter dan 10 kubieke meter per uur (m3/u) is; of
plaatsvindt op de Waddeneilanden en plaatsvindt op basis van een pompcapaciteit groter dan 5 kubieke meter per uur (m3/u) is.
Voor het onttrekken van grondwater geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 3.10; of
artikel 3.11 en artikel 3.12 niet van toepassing zijn.
[Red: Artikel 3.15 verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de onttrekkingsactiviteit, de verwachte duur van de onttrekkingsactiviteit en bij een tijdelijke onttrekking de datum van het einde van de onttrekkingsactiviteit
het aantal in te richten putten;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere put;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengenonttrekken van water inuit de bodem en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een bemalingsadvies, volgens protocol 12010 van het SIKB;
een technisch bemalingsplan, volgens protocol 12020 van het SIKB;
de diepte in meter (m) van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
de lengte in meter (m) van het effectieve filter in iedere put;
de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur (m3/u) per put;
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand), jaar (m3/jaar) en het totaal (m3), die ten hoogste wordt onttrokken; en
een beschrijving van de locatie waar het onttrokken water wordt geloosd.
[Red: Artikel 3.16 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
[Red: Artikel 3.17 verplaatst van paragraaf 3.2 naar afdeling 3.2. ]
In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of van het in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur van het waterschap verbieden grondwater te onttrekken.
Zodra het dagelijks bestuur van het waterschap, gezien de situatie, handhaving van een verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking bekend.
Indien niet wordt voldaan aan artikel 3.9 tot en met artikel 3.13 geldt een verbod voor het onttrekken van grondwater, tenzij er een omgevingsvergunning verleend is.
Indien de activiteit niet toestemmingsvrij of meldingsplichtig is op grond van de artikelen 3.11 en 3.12, of niet voldoet aan de voorschriften in de artikelen 3.9 en 3.10, geldt een verbod op het onttrekken van grondwater, tenzij een omgevingsvergunning is verleend.
[Red: Artikel 3.18 verplaatst van paragraaf 3.3 naar afdeling 3.3. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, met uitzondering van retourbemaling bij een grondwateronttrekking.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op het in de bodem brengen van water als bedoeld in artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Red: Artikel 3.19 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.3 naar afdeling 3.3. ]
Degene die water in de bodem brengt, meet de in elk kwartaal in de bodem gebrachte hoeveelheid water met een nauwkeurigheid van ten minste 95 procent (%).
Voor het kortdurend of seizoensgebonden in de bodem brengen van water kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
Degene die water in de bodem brengt, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 3.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.
Tabel 3.1 Parameters en meetfrequentie
Parameter | Afkorting | Frequentie |
bacteriën van de coligroep | vierwekelijks | |
Kleur | vierwekelijks | |
zwevende stof | SS | vierwekelijks |
geleidingsvermogen voor elektriciteit | vierwekelijks | |
temperatuur | T | vierwekelijks |
zuurgraad | pH | vierwekelijks |
opgelost zuurstof | O2 | vierwekelijks |
totaal organisch koolstof | TOC | vierwekelijks |
bicarbonaat | HCO3 | vierwekelijks |
Nitriet | NO2 | vierwekelijks |
Nitraat | NO3 | vierwekelijks |
Ammonium | NH4 | vierwekelijks |
totaal fosfaat | Totaal P | vierwekelijks |
Fluoride | F | driemaandelijks |
Chloride | Cl | vierwekelijks |
Sulfaat | SO4 | driemaandelijks |
Natrium | Na | driemaandelijks |
IJzer | Fe | driemaandelijks |
Mangaan | Mn | driemaandelijks |
Chroom | Cr | driemaandelijks |
Lood | Pb | driemaandelijks |
Koper | Cu | driemaandelijks |
Zink | Zn | driemaandelijks |
Cadmium | Ca | driemaandelijks |
Arseen | As | driemaandelijks |
Cyanide | CN | driemaandelijks |
Minerale olie | vierwekelijks | |
Adsorbeerbaar organisch halogeen | AOX | vierwekelijks |
Vluchtig organisch gebonden chloor | VOC | vierwekelijks |
Vluchtige aromaten | vierwekelijks | |
Polycyclische aromaten | PAK | driemaandelijks |
Fenolen | driemaandelijks |
Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als het in de bodem brengen van water is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt:
De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.
[Red: Artikel 3.20 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.3 naar afdeling 3.3. ]
Voor het in de bodem brengen van water geldt een vergunningplicht.
[Red: Artikel 3.21 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.3 naar afdeling 3.3. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel waarvoor het water in de bodem wordt gebracht;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit, de verwachte duur van de activiteit en bij het tijdelijk in de bodem brengen van water de datum van het einde van de activiteit;
het aantal in te richten putten;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere plek waar water in de bodem wordt gebracht;
de diepte in meter (m) van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;
de lengte in meter (m) van het effectieve filter in iedere put;
een beschrijving van de eventuele samenhang van het brengen van water in de bodem met een onttrekking;
de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur (m3/u), etmaal (m3/etmaal), maand (m3/maand) en jaar (m3/jaar), die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;
de diepte in meter (m) waarop het water in de bodem wordt gebracht; en
de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht.
[Red: Artikel 3.22 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.3 naar afdeling 3.3. ]
Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
[Red: Artikel 3.23 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.3 naar afdeling 3.3. ]
Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
[Red: Artikel 3.24 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 3.3 naar afdeling 3.3. ]
In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of van het in het ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het dagelijks bestuur van het waterschap verbieden water in de bodem te brengen.
Zodra het dagelijks bestuur van het waterschap, gezien de situatie, handhaving van een verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking bekend.
BB
Paragraaf 3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CC
Paragraaf 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Paragraaf 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 4.1 verplaatst van paragraaf 4.1 naar afdeling 4.1. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.2 verplaatst van paragraaf 4.1 naar afdeling 4.1. ]
Het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen is toestemmingsvrij, indien dit gebeurtplaatsvindt op een daarvoor ingerichte plaats:
op een waterstaatswerk; of
in een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.3 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.1 naar afdeling 4.1. ]
Voor het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen geldt een vergunningplicht indien artikel 4.2 niet van toepassing is.
Voor het opslaan van explosiegevaarlijk materiaal geldt een vergunningplicht.
[Red: Artikel 4.4 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.1 naar afdeling 4.1. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
een omschrijving van het soort of type materialen, stoffen of goederen; en
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen.
[Red: Artikel 4.5 verplaatst van paragraaf 4.2 naar afdeling 4.2. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het aanbrengen of verwijderen van beplanting en opgaande houtbeplanting in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.6 verplaatst van paragraaf 4.2 naar afdeling 4.2. ]
Indien riet of waterplanten worden verwijderd in een hoofdwater:
worden rietstroken niet gemaaid of gehekkeld tenzij:
het trajecten kleiner dan 5 meter (m) betreft;
de onderlinge afstand tussen deze trajecten is groter dan of gelijk aan 500 meter buiten de bebouwde komstedelijk gebied; of
de onderlinge afstand tussen deze trajecten is groter dan of gelijk aan 100 meter binnen de bebouwde komstedelijk gebied;
wordt van 15 juni tot en met 14 augustus niet gehekkeld;
worden waterplanten van 15 juni tot en met 14 augustus:
kleiner dan of gelijk aan 2 keer onder water gemaaid;
bij het maaien boven de waterbodem afgesneden of geknipt; en
bij het maaien niet tegelijkertijd met bodemmateriaal verwijderd;
kunnen waterplanten in de periode van 15 augustus tot en met 30 november 1 keer onder water gemaaid of gehekkeld worden;
worden waterplanten alleen gemaaid in de middenstrook van het oppervlaktewaterlichaam waarbij:
de breedte van de te maaien strook kleiner dan of gelijk aan 6 meter (m) is;
de afstand van de te maaien strook tot het riet overal groter dan of gelijk aan 1 meter (m) is; en
de afstand van de te maaien strook tot de oever zonder riet overal groter dan of gelijk aan 1 meter (m) is;
wordt het maaisel of gehekkeld materiaal niet afgezet:
binnen de beschermingszone van een waterkering;
mag maaisel tijdelijk op de kruin van de waterkering worden afgezet indien:
dit een regionale waterkering is; of
dit een lokale waterkering is; en
het maaisel binnen 48 uur (u) wordt verwijderd;
mag maaisel tijdelijk buiten het talud worden afgezet. Het maaisel moet dan minimaal 48 uur (u) blijven liggen en binnen 180 dagen worden verwijderd; en
wordt bij het maaien en hekkelen de Gedragscode Wet natuurbescherming voor waterschappen gevolgd.
[Red: Artikel 4.7 verplaatst van paragraaf 4.2 naar afdeling 4.2. ]
Het verwijderen van beplanting en opgaande houtbeplanting is toestemmingsvrij, indien dit plaatsvindt in:
een overig water;
een schouwwater; of
een beschermingszone van een hoofdwater.
[Red: Artikel 4.8 verplaatst van paragraaf 4.2 naar afdeling 4.2. ]
Het verwijderen van riet of waterplanten is toestemmingsvrij, indien dit plaatsvindt:
in een schouwwater; of
in een overig water.
[Red: Artikel 4.9 verplaatst van paragraaf 4.2 naar afdeling 4.2. ]
Voor het verwijderen van riet of waterplanten geldt een meldingsplicht, indien dit:
plaatsvindt in een hoofdwater; en
plaatsvindt van 15 juni tot en met 30 november.
[Red: Artikel 4.10 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.2 naar afdeling 4.2. ]
Ten minste vier weken voor het begin van het verwijderen van riet of waterplanten in een hoofdwater, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.
[Red: Artikel 4.11 verplaatst van paragraaf 4.2 naar afdeling 4.2. ]
Voor het verwijderen van riet of waterplanten geldt een vergunningplicht, indien:
dit plaatsvindt in een hoofdwater;
dit plaatsvindt van 1 december tot en met 14 juni; of
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.6; of
artikel 4.8 en artikel 4.9 niet van toepassing zijn.
[Red: Artikel 4.12 verplaatst van paragraaf 4.2 naar afdeling 4.2. ]
Indien beplanting of opgaande houtbeplanting wordt aangebracht of verwijderdeverwijderd geldt een vergunningplicht indien artikel 4.7 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.13 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.2 naar afdeling 4.2. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanbrengen of verwijderen van beplanting en opgaande houtbeplanting en het verwijderen van riet of waterplanten, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en
een omschrijving van de soort bomen of beplanting.
[Red: Artikel 4.14 verplaatst van paragraaf 4.3 naar afdeling 4.3. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het uitvoeren van boringen voor een bodemenergiesysteem of het exploreren of winnen van gas, vloei- of delfstoffen in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.15 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.3 naar afdeling 4.3. ]
Voor het verrichten van boringen voor een bodemenergiesysteem of het exploreren of winnen van gas of vloei- of delfstoffen geldt een vergunningplicht indien dit plaatsvindt:
op of in een waterstaatswerk; of
in een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.16 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.3 naar afdeling 4.3. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van boringen voor een bodemenergiesysteem of het exploreren of winnen van gas, vloei- of delfstoffen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
dde verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
het aantal in te richten putten;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van iedere put;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten;
een boorplan met beschrijving van de boring indien de boring plaatsvindt in een waterkering of bijbehorende beschermingszone;
een tekening met een dwarsdoorsnede van het werk ten opzichte van de waterkering met maatvoeringen;
een tekening met een dwarsdoorsnede van de huidige situatie ten opzichte van de waterkering; en
Berekeningen op basis van gegevens verkregen uit grondonderzoek conform normering TAW/ENW door een op dit vakgebied ter zake kundige. De berekeningen tonen ten minste aan dat:
door de activiteiten de stabiliteit van de waterkering of kade niet afneemt;
door de activiteiten de waterkering of kade niet zodanig waterdoorlatend wordt dat risico’s ontstaan in de vorm van piping en kwel; en
door eventuele bemaling tijdens de activiteiten geen schade wordt veroorzaakt aan de (grondlagen in de) waterkering of kade en naastgelegen ondervelden.
[Red: Artikel 4.17 verplaatst van paragraaf 4.4 naar afdeling 4.4. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op:
het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen: in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk; en
het aanleggen en verwijderen van een brandblusvoorziening waarvoor grondwater wordt onttrokken.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het lozen van afvalwater bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken als bedoeld in paragraaf 2.8afdeling 2.7;
het recreatief verblijven als bedoeld in paragraafafdeling 4.16;
het plaatsen, verplaatsen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk als bedoeld in paragraafafdeling 4.20;
bruggen en viaducten als bedoeld in paragraafafdeling 4.5.
het aanleggen, verbreden of verwijderen van een dam zonder duiker als bedoeld in paragraafafdeling 4.6;
het aanleggen, verwijderen en wijzigen van een duiker of dam met duiker als bedoeld in paragraafafdeling 4.7;
het aanleggen en verwijderen van oeverbeschermende voorzieningen als bedoeld in paragraafafdeling 4.15; en
het aanleggen, vervangen en verwijderen van een uitstroomvoorziening als bedoeld in paragraafafdeling 4.21.
[Red: Artikel 4.18 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.4 naar afdeling 4.4. ]
Werken en materialen die dienen ter verdediging van waterstaatswerken worden niet beschadigd, vernietigd of verwijderd.
Indien een brandblusvoorziening waarvoor grondwater wordt onttrokken wordt aangelegd of verwijderd:
wordt bij het aanleggen en beheren van de voorziening(en) voor grondwateronttrekking voorkomen dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt; en
worden de voorziening(en) voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodanig verwijderd of afgewerkt, dat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt.
[Red: Artikel 4.19 verplaatst van paragraaf 4.4 naar afdeling 4.4. ]
Het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen is toestemmingsvrij, indien dit:
niet plaatsvindt op of in een waterstaatswerk; of
niet plaatsvindt in een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.20 verplaatst van paragraaf 4.4 naar afdeling 4.4. ]
Voor het aanleggen en verwijderen van een brandblusvoorziening waarvoor grondwater wordt onttrokken geldt een meldingsplicht, indien dit:
niet plaatsvindt in een waterkering; of
niet plaatsvindt in de beschermingszone van een waterkering.
[Red: Artikel 4.21 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.4 naar afdeling 4.4. ]
Ten minste vier weken voor het begin van het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; en
het object, voorzien van maatvoering en hoogtematen in meter (m).
[Red: Artikel 4.22 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.4 naar afdeling 4.4. ]
Voor het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.18; of
artikel 4.19 en artikel 4.20 niet van toepassing zijn.
[Red: Artikel 4.23 verplaatst van paragraaf 4.4 naar afdeling 4.4. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten op of in de waterkering of de beschermingszone van de waterkering;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
een tekening met een dwarsdoorsnede van het werk ten opzichte van de waterkering met maatvoeringen; en
een tekening met een dwarsdoorsnede van de huidige situatie ten opzichte van de waterkering.
[Red: Artikel 4.24 verplaatst van paragraaf 4.5 naar afdeling 4.5. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct in, op of over een waterstaatswerk of een beschermingszone van een waterstaatswerk.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraafafdeling 4.4; en
het plaatsen, verplaatsen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk als bedoeld in paragraafafdeling 4.20.
[Red: Artikel 4.25 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.5 naar afdeling 4.5. ]
Indien een brug of viaduct wordt aangelegd of verwijderd:
is bij het aanleggen van de brug of viaduct de afstand tussen de aan te leggen brug of viaduct en een ander kunstwerk groter of gelijk aan 10 meter;
worden de taluds onder de brug of viaduct aan weerszijden tot 2 meter voorzien van een deugdelijke grondkering;
wordt het watervoerend profiel niet versmald;
wordt de waterdoorstroming van het water niet verminderd;
wordt geen milieubezwaarlijk materiaal gebruikt;
worden schade aan en verzakkingen van het talud voorkomen en indien deze zich voordoen direct hersteld; en
wordt bij verwijdering van de brug of viaduct het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam gelijk aan het aansluitend profiel hersteld.
[Red: Artikel 4.26 verplaatst van paragraaf 4.5 naar afdeling 4.5. ]
Het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct is toestemmingsvrij, indien:
bij het aanleggen van de brug of viaduct de pijlers niet in het water komen te staan;
de brug of viaduct wordt aangelegd of verwijderd:
in een overig water; of
in een schouwwater; en
de brug of viaduct niet wordt aangelegd of verwijderd:
in een waterkering;
in de beschermingszone van een waterkering; of
in een vaarweg in het beheer van het waterschap.
[Red: Artikel 4.27 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.5 naar afdeling 4.5. ]
Voor het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct geldt een vergunningplicht, indien:
niet voldaan wordt aan de voorschriften in artikel 4.25; of
artikel 4.26 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.28 verplaatst van paragraaf 4.5 naar afdeling 4.5. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds onder de brughoofden;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen.
de lengte van de brug of viaduct in meter (m);
de breedte van de brug of viaduct in meter (m);
de hoogte van de brug of viaduct ten opzichte van het waterpeil in meter (m); en
de hoogte van de brug of viaduct ten opzicht van het maaiveld in meter (m).
[Red: Artikel 4.29 verplaatst van paragraaf 4.6 naar afdeling 4.6. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het aanleggen, verbreden of verwijderen van een dam zonder duiker niet zijnde een waterkering in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraafafdeling 4.4; en
grond aanbrengen, grond toepassen, baggerspecie verspreiden en dempen als bedoeld in paragraafafdeling 4.11.
[Red: Artikel 4.30 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.6 naar afdeling 4.6. ]
Indien een dam zonder duiker wordt verbreed of verwijderd:
heeft dit geen peilwijziging tot gevolg;
is of wordt bij verbreding van de dam de breedte van de dam gemeten op de waterlijn langs de as van het oppervlaktewaterlichaam kleiner dan of gelijk aan 10 meter (m);
worden bij verbreding van de dam aan weerszijden van de dam:
taluds aangebracht in de verhouding kleiner dan of gelijk aan 1:1,5; of
damleggers aangebracht; en
wordt bij het verwijderen van de dam het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel hersteld.
[Red: Artikel 4.31 verplaatst van paragraaf 4.6 naar afdeling 4.6. ]
Het verbreden of verwijderen van een dam zonder duiker is toestemmingsvrij, indien:
de dam de functie heeft van perceelsontsluiting;
de te verwijderen dam geen onderhoudsdam van het waterschap betreft; en
de dam ligt of komt te liggen:
buiten stedelijk gebied; en
buiten het stedelijk gebied in een overig water; of
buiten het stedelijk gebied in een schouwwater.
[Red: Artikel 4.32 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.6 naar afdeling 4.6. ]
Voor het aanleggen van een dam zonder duiker geldt een vergunningplicht.
Voor het verbreden of verwijderen van een dam zonder duiker geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.30; of
artikel 4.31 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.33 verplaatst van paragraaf 4.6 naar afdeling 4.6. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van een dam zonder duiker, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
de lengte van de dam in meter (m);
de bovenbreedte van de dam in meter (m); en
de huidige lengte van de te wijzigen dam in meter (m).
[Red: Artikel 4.34 verplaatst van paragraaf 4.7 naar afdeling 4.7. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het aanleggen, verwijderen en wijzigen van een duiker of dam met duiker in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraafafdeling 4.4; en
grond aanbrengen, baggerspecie en grond toepassen, baggerspecie verspreiden en dempen als bedoeld in paragraafafdeling 4.11.
[Red: Artikel 4.35 verplaatst van paragraaf 4.7 naar afdeling 4.7. ]
Indien een duiker wordt aangelegd, verlengd of vervangen, voldoet de duiker aan de volgende maatvoeringen:
de lengte van de duiker is kleiner dan of gelijk aan 10 meter (m);
de diameter van de duiker is groter dan of gelijk aan 300 millimeter (mm);
bij watergangen:
die droogvallen, ligt de binnenonderkant van de duiker boven de vaste waterbodem; of
die niet-droogvallen, ligt de binnenbovenkant van de duiker boven het hoogste peil;
bij watergangen:
die droogvallen, is de afstand tussen de binnenonderkant van de duiker en de vaste waterbodem gelijk aan 50 millimeter (mm); of
die niet-droogvallen met een duiker met een diameter gelijk aan 300 millimeter (mm) is de afstand tussen de binnenbovenkant van de duiker en het hoogste peil is gelijk aan 50 millimeter (mm); of
die niet-droogvallen met een duiker met een diameter groter dan 300 millimeter (mm) is de afstand tussen de binnenbovenkant van de duiker en het hoogste peil groter dan of gelijk aan 50 millimeter (mm), mits het debiet van waterdoorstroming niet kleiner wordt dan de waterdoorstroming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2º;
de afstand tot andere kunstwerken is of wordt groter dan of gelijk aan 10 meter (m); en
indien de duiker benedenstrooms van een stuw aangelegd of verlengd wordt, is de afstand tussen de duiker en de stuw groter dan of gelijk aan 20 meter (m).
Indien een duiker wordt aangelegd, verlengd, vervangen of verwijderd:
heeft dit geen peilwijziging tot gevolg;
wordt de duiker zonder knikpunten of bochten aangelegd;
wordt de as van de duiker in het midden van het oppervlaktewaterlichaam aangelegd;
zijn verbindingen tussen duikerelementen voorzien van een blijvend waterdichte afdichting;
wordt bij het aanleggen, verlengen of vervangen geen milieubezwaarlijk materiaal gebruikt;
wordt bij verlenging van een duiker:
wordt bij vervanging of verwijdering van een duiker de oude duiker volledig verwijderd; en
wordt bij het verwijderen van een duiker het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel hersteld.
Indien in combinatie met de duiker ook een dam wordt aangelegd, verbreed of verwijderd geldt voor de dam:
dat aan weerszijden van de dam:
taluds worden aangebracht in de verhouding kleiner dan of gelijk aan 1:1,5; of
damleggers worden aangebracht;
dat bij het verwijderen van een dam het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel wordt hersteld; en
indien de dam wordt verbreed, wordt ook de bijbehorende duiker verlengd.
[Red: Artikel 4.36 verplaatst van paragraaf 4.7 naar afdeling 4.7. ]
Het aanleggen, verlengen, vervangen of verwijderen van een duiker of een dam met duiker is toestemmingsvrij, indien:
de dam de functie heeft van perceelsontsluiting;
de te verwijderen dam geen onderhoudsdam van het waterschap betreft;
de breedte van het water ter plekke, gemeten op de waterlijn bij het hoogste peil, kleiner dan of gelijk aan 5 meter (m) is; en
de dam met duiker ligt of komt te liggen:
buiten stedelijk gebied; en
buiten het stedelijk gebied in een overig water; of
buiten het stedelijk gebied in een schouwwater.
[Red: Artikel 4.37 verplaatst van paragraaf 4.7 naar afdeling 4.7. ]
Voor het aanleggen, verlengen, vervangen of verwijderen van een duiker of dam met duiker geldt een meldingsplicht, indien:
de dam de functie heeft van perceelsontsluiting;
de duiker of dam met duiker in een hoogwatercircuit ligt of gaat liggen; en
de duiker of dam met duiker ligt of komt te liggen:
buiten stedelijk gebied; en
buiten het stedelijk gebied in een overig water; of
buiten het stedelijk gebied in een schouwwater.
Voor het aanleggen, verlengen, vervangen of verwijderen van een duiker of dam met duiker geldt een meldingsplicht, indien:
de dam de functie heeft van perceelsontsluiting;
de breedte van het water ter plekke, gemeten op de waterlijn bij het hoogste peil, groter dan 5 meter (m) is; en
de duiker of dam met duiker ligt of komt te liggen:
buiten stedelijk gebied; en
buiten het stedelijk gebied in een overig water; of
buiten het stedelijk gebied in een schouwwater.
[Red: Artikel 4.38 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.7 naar afdeling 4.7. ]
Ten minste vier weken voor het begin van het aanleggen, verlengen, vervangen of verwijderen van een duiker of dam met duiker, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; en
een schets van het object, voorzien van maatvoering en hoogtematen in meter (m).
[Red: Artikel 4.39 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.7 naar afdeling 4.7. ]
Voor het aanleggen, verwijderen en wijzigen van een duiker of dam met duiker geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.35; of
artikel 4.36 en artikel 4.37 niet van toepassing zijn.
[Red: Artikel 4.40 verplaatst van paragraaf 4.7 naar afdeling 4.7. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van een duiker of dam met duiker, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
de diameter van de duiker in millimeter (mm);
de lengte van de dam in meter (m);
de bovenbreedte van de dam in meter (m); en
de huidige lengte van de te wijzigen dam in meter (m).
[Red: Artikel 4.41 verplaatst van paragraaf 4.8 naar afdeling 4.8. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het houden van dieren:
op een waterkering;
op gronden grenzend aan een hoofdwater; of
op gronden grenzend aan een waterkering.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op spitten, ploegen of andere ondiepe grondroeringen als bedoeld in paragraafafdeling 4.19.
[Red: Artikel 4.42 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.8 naar afdeling 4.8. ]
Indien dieren gehouden worden op waterstaatswerken of op gronden grenzend aan waterstaatswerken dienen afrasteringen, die op of na 1 januari 2006 geplaatst worden, handmatig demontabel te zijn.
Indien dieren gehouden worden op gronden grenzend aan een hoofdwater:
zijn eigenaren van gronden verplicht om tijdig langs hun gronden een voldoende kerende afrastering aan te brengen ter voorkoming van schade aan de oever, tenzij de dieren vanwege de lokale situatie geen schade veroorzaken aan de oever van het hoofdwater.
is de afrastering bij een hoofdwater kleiner dan of gelijk aan 1 meter (m) hoog en wordt geplaatst op 250 millimeter (mm) vanuit de insteek van het hoofdwater landinwaarts; en
kan de afrastering, ten behoeve van het onderhoud langs het hoofdwater en dwars over onderhoudspaden of beschermingszones, makkelijk, handmatig demontabel, tijdelijk worden weggenomen.
Indien dieren gehouden worden op gronden grenzend aan een hoofdwater of een waterkering worden eventuele aanwijzingen van medewerkers van of namens het waterschap stipt opgevolgd.
Indien dieren, met uitzondering van schapen, gehouden worden op een waterkering grenzend aan boezemwater waar geen voorland aanwezig is, wordt het buitentalud van de waterkering afgeschermd met een voldoende kerende afrastering op de buitenkruinlijn. Indien er al een voldoende kerende afrastering van voor 1 januari 2006 op het buitentalud aanwezig is, hoeft geen extra afrastering geplaatst te worden.
Indien schapen gehouden worden op een waterkering grenzend aan boezemwater waar geen voorland aanwezig is, wordt een voldoende kerende afrastering geplaatst op 700 millimeter (mm) vanuit de waterlijn landinwaarts.
Indien een afrastering wordt vervangen op een waterkering grenzend aan boezemwater waar geen voorland aanwezig is, wordt deze geplaatst op de buitenkruinlijn van de waterkering.
Indien dieren gehouden worden op een waterkering grenzend aan boezemwater, waarbij voorland aanwezig is wat niet onder bemaling staat en dat voorland heeft een breedte kleiner dan 5 meter (m), wordt een voldoende kerende afrastering geplaatst op 700 millimeter (mm) vanuit de insteek van het boezemwater.
Indien dieren gehouden worden op een waterkering grenzend aan boezemwater waarbij onder bemaling staand voorland aanwezig is, wordt het buitentalud van de waterkering afgeschermd met een voldoende kerende afrastering op de buitenkruinlijn.
[Red: Artikel 4.43 verplaatst van paragraaf 4.8 naar afdeling 4.8. ]
Het houden van dieren is toestemmingsvrij, indien dit plaatsvindt op:
gronden die grenzen aan een hoofdwater; of
gronden die grenzen aan een waterkering.
Het houden van schapen op een waterkering is toestemmingsvrij.
Het houden van dieren is toestemmingsvrij, indien dit plaatsvindt:
op een regionale waterkering in hoge gronden; of
in de beschermingszone van een regionale waterkering in hoge gronden met uitzondering van het deel van de beschermingszone dat overlapt met een waterkering die niet in hoge gronden ligt.
[Red: Artikel 4.44 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.8 naar afdeling 4.8. ]
Voor het houden van dieren geldt een verbod, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.42; of
artikel 4.43 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.45 verplaatst van paragraaf 4.9 naar afdeling 4.9. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het houden van evenementen in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.46 verplaatst van paragraaf 4.9 naar afdeling 4.9. ]
Indien een evenement wordt gehouden:
kunnen medewerkers van of namens het waterschap de waterstaatswerken te allen tijde bereiken;
worden eventuele aanwijzingen van medewerkers van of namens het waterschap stipt opgevolgd;
worden werkzaamheden door of namens het waterschap niet verhinderd;
worden geen ontgravingen in de waterstaatswerken of de beschermingszone van waterstaatswerken gedaan;
wordt op waterstaatswerken of in de beschermingszone van de waterstaatswerken eventueel achtergelaten afval binnen 24 uur na afloop van het evenement verwijderd.
leidt het evenement niet tot schade aan de waterstaatswerken;
wordt onverhoopte schade aan waterstaatwerken zo spoedig mogelijk hersteld naar de oorspronkelijke staat. Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk de eerstvolgende werkdag geïnformeerd over de geconstateerde schade en de te treffen of getroffen maatregelen;
wordt de grasmat van waterkeringen niet aangetast;
worden op waterkeringen of in de beschermingszone van waterkeringen geen paaltjes in de grond aangebracht; en
wordt in hoofdwateren de water aanvoer en afvoer niet belemmerd.; en
wordt het evenement uitsluitend gehouden op de datum of datums die in de melding aangegeven zijn.
[Red: Artikel 4.47 verplaatst van paragraaf 4.9 naar afdeling 4.9. ]
Het houden van een evenement is toestemmingsvrij, indien dit wordt gehouden:
in een schouwwater; of
in een overig water.
[Red: Artikel 4.48 verplaatst van paragraaf 4.9 naar afdeling 4.9. ]
Voor het houden van een evenement geldt een meldingsplicht, indien dit:
niet plaatsvindt in een schouwwater; of
niet plaatsvindt in een overig water.
[Red: Artikel 4.49 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.9 naar afdeling 4.9. ]
Ten minste vier weken voor het begin van het houden van een evenement, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.
[Red: Artikel 4.50 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.9 naar afdeling 4.9. ]
Voor het houden van evenementen geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.46; of
artikel 4.47 en artikel 4.48 niet van toepassing zijn.
[Red: Artikel 4.51 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.9 naar afdeling 4.9. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het houden van evenementen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten; en
een omschrijving van het soort evenement.
[Red: Artikel 4.52 verplaatst van paragraaf 4.10 naar afdeling 4.10. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op:
het graven of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam in een waterstaatswerk of in een beschermingszone van een waterstaatswerk;
baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam; en
het compenseren van dempen, zoals bedoeld in paragraafafdeling 4.11.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het aanbrengen van grond en dempen van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraafafdeling 4.11;
spitten, ploegen of andere ondiepe grondroeringen als bedoeld in paragraafafdeling 4.19;
kabels en leidingen als bedoeld in paragraafafdeling 4.13;
het lozen van afvalwater bij het opslaan en overslaan van inerte goederen op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraaf 2.9afdeling 2.8; en
het lozen van afvalwater bij ontgraving, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraaf 2.12afdeling 2.11.
[Red: Artikel 4.53 verplaatst van paragraaf 4.10 naar afdeling 4.10. ]
Indien een oppervlaktewaterlichaam wordt gegraven of vergraven, wordt geen grens van een vastgesteld peilgebied doorkruist;
Indien een ondiepwaterzone met een waterdiepte tot 700 millimeter (mm) wordt vergraven, wordt dit evenredig gecompenseerd met een ondiepwaterzone met een gelijksoortige waterdiepte, waarbij:
voor de groei van waterplanten geschikt materiaal wordt gebruikt;
de ondiepwaterzone afgeschermd wordt tegen wind- en golfwerking; en
bij het afschermen van ondiepeondiepwaterzones waterzones geen stortsteen of milieubezwaarlijk materiaal wordt gebruikt.
Indien het graven of vergraven plaatsvindt ter compensatie van het dempen van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraafafdeling 4.11:
mag de werking van het watersysteem niet verslechteren;
gebeurt de compensatie voorafgaand aan de demping;
vindt de compensatie voorafgaand aan de activiteit waarvoor wordt gecompenseerd plaats;
is het te graven oppervlak (gemeten op de waterlijn bij het vastgestelde peil) minimaal gelijk aan het te dempen oppervlak;
wordt compensatie gerealiseerd door:
het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam; of
het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam.
wordt in geval van compensatie door verbreding van een bestaand oppervlaktewaterlichaam het te compenseren wateroppervlak berekend met de volgende formule: L x (B1 + B2) / 2
Waarin:
L: Lengte van het te dempen oppervlaktewaterlichaam
B1: Breedte van het te dempen oppervlaktewaterlichaam op de waterlijn*
B2: Breedte van het te dempen oppervlaktewaterlichaam op de insteek
*Bij een droogvallend oppervlaktewaterlichaam kan hiervoor de bodembreedte worden toegepast indien het betreffende oppervlaktewaterlichaam een waterbergende functie heeft.
is ingeval van compensatie door verbreding de verbreding van het bestaande oppervlaktewaterlichaam minimaal 300 millimeter (mm) over de gehele lengte;
worden taluds aangebracht in de verhouding kleiner dan of gelijk aan 1:1,5;
ontstaat door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden;
wordt het verdiepen van ondiepwaterzones met een waterdiepte tot 700 millimeter (mm) evenredig gecompenseerd met een ondiepwaterzone met een gelijksoortige waterdiepte;
worden bij het uitgraven van nieuw water langs bestaande oevers (verbreden of vergroten van wateren) tot op een waterdiepte van 700 millimeter (mm) (ondiepwaterzones) de oevers afgeschermd tegen wind- en golfwerking; en
wordt bij het afschermen van ondiepeondiepwaterzones waterzones geen stortsteen of milieubezwaarlijk materiaal gebruikt.
Indien het graven of vergraven plaatsvindt ter compensatie van het versneld afvoeren van water als bedoeld in afdeling 4.21:
mag de werking van het watersysteem niet verslechteren;
vindt de compensatie voorafgaand aan de activiteit waarvoor wordt gecompenseerd plaats;
wordt compensatie gerealiseerd door:
het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam; of
het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam.
is ingeval van compensatie door verbreding de verbreding van het bestaande oppervlaktewaterlichaam minimaal 300 millimeter (mm) over de gehele lengte;
worden taluds aangebracht in de verhouding kleiner dan of gelijk aan 1:1,5;
ontstaat door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen geen directe verbinding tussen verschillende peilgebieden;
wordt het verdiepen van ondiepwaterzones met een waterdiepte tot 700 millimeter (mm) evenredig gecompenseerd met een ondiepwaterzone met een gelijksoortige waterdiepte;
worden bij het uitgraven van nieuw water langs bestaande oevers (verbreden of vergroten van wateren) tot op een waterdiepte van 700 millimeter (mm) (ondiepwaterzones) de oevers afgeschermd tegen wind- en golfwerking; en
wordt bij het afschermen van ondiepwaterzones geen stortsteen of milieubezwaarlijk materiaal gebruikt.
Indien wordt gebaggerd in een hoofdwater:
vindt dit alleen plaats in de periode 15 september tot 30 november;
is de laag bagger die verwijderd wordt kleiner dan of gelijk aan 200 millimeter (mm);
wordt een baggerspuit of baggerpomp gebruikt;
wordt alleen gebaggerd in de middenstrook van het oppervlaktewaterlichaam waarbij:
wordt het gebaggerde materiaal niet op het schuine talud van de oever en niet binnen de beschermingszone van een waterkering afgezet.
[Red: Artikel 4.54 verplaatst van paragraaf 4.10 naar afdeling 4.10. ]
Voor het graven of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht, indien dit:
niet plaatsvindt in een zone van 5 meter (m) breed rondom een natuurgebied;
niet plaatsvindt binnen een waterkering of een beschermingszone van een waterkering;
niet plaatsvindt in een hoofdwater of de beschermingszone van een hoofdwater; of
niet plaatsvindt ter compensatie van een demping.
[Red: Artikel 4.55 verplaatst van paragraaf 4.10 naar afdeling 4.10. ]
Voor het baggeren van een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht, indien dit plaatsvindt buiten stedelijk gebied in een hoofdwater.
[Red: Artikel 4.56 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.10 naar afdeling 4.10. ]
Ten minste vier weken voor het begin van het graven of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam of het baggeren van een hoofdwater, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.
[Red: Artikel 4.57 verplaatst van paragraaf 4.10 naar afdeling 4.10. ]
Voor het graven of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien:
dit plaatsvindt ter compensatie van het versneld tot afvoer brengen van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam, voor zover dit laatste is geregeld in een omgevingsvergunning;
dit plaatsvindt ter compensatie van het dempen of verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam; of
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.53; of
artikel 4.54 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.58 verplaatst van paragraaf 4.10 naar afdeling 4.10. ]
Voor het baggeren van een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien:
dit plaatsvindt van 1 december tot en met 14 september; en
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.53; of
artikel 4.55 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.59 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.10 naar afdeling 4.10. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het graven, vergraven van of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
in geval van het graven of vergraven van een oppervlaktewaterlichaam:
de lengte van het te graven of vergraven oppervlaktewaterlichaam in meter (m);
de bodembreedte van het te graven of vergraven oppervlaktewaterlichaam in meter (m);
een omschrijving van de afwerking of inrichting van de taluds;
de taludhelling van het te graven of vergraven oppervlaktewaterlichaam; en
een beschrijving of het graven of vergraven ter compensatie is van de vermindering van het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam; en
in geval van baggerwerkzaamheden:
een omschrijving van de baggerwerkzaamheden; en
een omschrijving van de te baggeren strook.
[Red: Artikel 4.60 verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op:
het aanbrengen van grond in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk;
het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam;
het toepassen van grond en baggerspecie in een daarvoor aangewezen zandwinplasdiepe plas; en
het dempen en verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam niet zijnde een diepe plas;
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
dam zonder duiker als bedoeld in paragraafafdeling 4.6;
duiker of dam met duiker als bedoeld in paragraafafdeling 4.7;
graven, vergraven van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraafafdeling 4.10;
baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraafafdeling 4.10;
compenseren van dempen als bedoeld in paragraafafdeling 4.10;
oeverbeschermende voorzieningen als bedoeld in paragraafafdeling 4.15; en
spitten, ploegen, bemesten, ondiepe grondroeringen of andere grondroeringen als bedoeld in paragraafafdeling 4.19.; en
het toepassen van grond en baggerspecie in een daarvoor niet-aangewezen diepe plas;
[Red: Artikel 4.61 verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een aangewezen zandwinplasaangewezen diepe plas:
worden alle stoffen uit het standaardpakket voor regionale zoete wateren geanalyseerd en getoetst.
worden aanvullend op het standaardpakket voor regionale zoete wateren de gehalten van fosfor, ijzer en chloridein poriewater van de te verspreiden baggerspecie bepaald;
is op de kwaliteitsbepaling van de te verspreiden baggerspecie, artikel 38 van het Besluit bodemkwaliteit van overeenkomstige toepassing;
dient aanvullend op de bepalingen in het Besluit bodemkwaliteit de analyse van fosfor conform NEN-EN-ISO 15681-2 plaats te vinden en de analyse van ijzer conform NEN-EN-ISO 17294-2; en
kan het dagelijks bestuur van het waterschap voor het verspreiden van baggerspecie per oppervlaktewaterlichaam een norm voor chloride in de te verspreiden baggerspecie vaststellen.
Voor het opvullen van een oppervlaktewaterlichaam, zijnde een aangewezen zandwinplasaangewezen diepe plas, door het toepassen van grond of baggerspecie uit het beheergebied van het waterschap:
zijn de emissiegrenswaarden de lokale maximale waarden, bedoeld in tabel 4.1, gemeten in een steekmonster;
Tabel 4.1 Lokale maximale waarden voor het opvullen van een aangewezen zandwinplasaangewezen diepe plas
Parameter | Lokale maximale waarden in mg/kg droge stof, omgerekend naar standaardbodem |
Antimoon | 7 |
Arseen | 29 |
Barium | 458 |
Cadmium | 4 |
Chroom | 120 |
Kobalt | 25 |
Koper | 124 |
Kwik | 1,7 |
Lood | 277 |
Molybdeen | 5 |
Nikkel | 51 |
Tin | 123 |
Vanadium | 80 |
Zink | 663 |
Som 10 PAK | 23 |
Minerale olie | 1400 |
Som drins | 0,11 |
Chloordaan | 2,5 |
DDT/DDE/DDD | 0,3 |
Som 7 PCB’s | 0,18 |
Som HCH’s | 0,1 |
Heptachloor | 0,022 |
Heptachloorepoxide (som) | 0,025 |
Hexachloorbenzeen | 0,044 |
Hexchloorbutadieen | 0,025 |
Pentachloorbenzenen | 0,007 |
α-endosulfan | 0,022 |
Cyanide | 13 |
geldt voor parameters die niet in tabel 4.1 benoemd zijn, de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse A uit bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit als bovengrens;
geldt voor grond of baggerspecie afkomstig uit andere gebieden dan het beheergebied van het waterschap, conform de regelgeving uit het Besluit bodemkwaliteit, de Achtergrondwaarden uit bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit als bovengrens; en
in afwijking op voorgaande onderdelen gelden voor PFAS en PFOS de toepassingswaarden uit het meest actuele Handelingskader PFAS van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
[Red: Artikel 4.62 verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Indien grond wordt aangebracht in een waterstaatswerk of een beschermingszone van een waterstaatswerk, of een oppervlaktewaterlichaam wordt gedempt:
hebbenheeft de gebruikte materialengrond géén nadelig effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater;
wordt het dempen van het oppervlaktewaterlichaam evenredig gecompenseerd; en
indien een ondiepwaterzone met een waterdiepte tot 700 millimeter (mm) wordt gedempt, wordt dit evenredig gecompenseerd met een ondiepwaterzone met een gelijksoortige waterdiepte.
Indien baggerspecie wordt verspreid in oppervlaktewater binnen een natuurgebied:
voldoet de baggerspecie aan de maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater als de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden binnen de begrenzing van hetzelfde natuurgebied; of
voldoet de baggerspecie aan de Achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit als de baggerspecie afkomstig is van baggerwerkzaamheden buiten het natuurgebied.
Indien baggerspecie wordt verspreid in oppervlaktewater binnen een KRW-waterlichaam, dat geen onderdeel uitmaakt van een natuurgebied:
voldoet de baggerspecie aan de maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater als:
de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden binnen de begrenzing van het KRW-waterlichaam of binnen een hiermee in open verbinding staand KRW-waterlichaam; of
de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden op een afstand kleiner dan of gelijk aan 15 kilometer (km) van de locatie waar de baggerspecie verspreid wordt; of
voldoet de baggerspecie aan de achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit als de baggerspecie afkomstig is van baggerwerkzaamheden buiten het KRW-waterlichaam of binnen een hiermee in open verbinding staand KRW-waterlichaam.
Indien baggerspecie wordt verspreid in oppervlaktewater niet zijnde een natuurgebied of een KRW-waterlichaam:
voldoet de baggerspecie aan de maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater als de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden op een afstand kleiner dan of gelijk aan 15 kilometer (km) van de locatie waar de baggerspecie verspreid wordt; of
voldoet de baggerspecie aan de Achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit als de baggerspecie afkomstig is van baggerwerkzaamheden op een afstand groter dan 15 kilometer (km) van de locatie waar de baggerspecie verspreid wordt.
[Red: Artikel 4.63 verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
[Vervallen]
Het aanbrengen van grond is toestemmingsvrij indien:
dit niet plaatsvindt in een waterkering;
dit niet plaatsvindt de beschermingszone van een waterkering; of
dit niet plaatsvindt in een boezemland.
[Red: Artikel 4.64 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam geldt een meldingsplicht.
Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 4.2, gemeten in een steekmonster.
Tabel 4.2 Emissiegrenswaarden Fosfor (P) en IJzer (Fe) voor verspreiden baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam
[Red: Artikel 4.65 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Ten minste vier weken voor het begin van het verspreiden van baggerspecie, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de stoffen en een meting van de kwaliteit daarvan; en
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl.
[Red: Artikel 4.66 verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Voor het aanbrengen van grond geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.62; of
artikel 4.63 niet van toepassing is.
dit plaatsvindt in een waterstaatswerk; of
dit plaatsvindt in de beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.67 verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Voor het dempen en verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht.
[Red: Artikel 4.68 verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van grond, en het dempen en verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.; en
het keuringscertificaat AP04 van de samenstelling van het materiaal of de grond die aangebracht wordt op de waterkering of de beschermingszone van de waterkering; en
een werkplan met daarin het planbeschrijving van aanpak voor dede uitvoering van de activiteiten.
In aanvulling op het eerste lid worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het dempen en verondiepen van een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de wijze van dempen:
geheel dempen van een oppervlaktewaterlichaam;
gedeeltelijk dempen van een oppervlaktewaterlichaam; of
versmallen van een oppervlaktewaterlichaam;
de lengte van het te dempen oppervlaktewaterlichaam in metersmeter;
de omvang van de demping in vierkante metersmeter (m2);
de omvang van de demping in kubieke meters (m3);
een omschrijving van de toe te passen materialengrond; en
een beschrijving van de manier en plek waar de vermindering van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd.
[Red: Artikel 4.69 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Compenserende waterberging wordt aangelegd binnen hetzelfde peilgebied. In uitzonderingsgevallen kan gemotiveerd worden afgeweken van de regel dat moet worden gecompenseerd in hetzelfde peilgebied. Er geldt dan de volgende volgorde:
compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil);
compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); of
compenseren in hetzelfde bemalingsgebied.
[Red: Artikel 4.70 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam geldt een verbod, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.61 en artikel 4.62; of
artikel 4.64 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.71 verplaatst van paragraaf 4.11 naar afdeling 4.11. ]
Voor het opvullen van een oppervlaktewaterlichaam, zijnde een aangewezen zandwinplasaangewezen diepe plas, door het toepassen van grond of baggerspecie, geldt een verbod, indien niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.61 en artikel 4.62.
[Red: Artikel 4.72 verplaatst van paragraaf 4.12 naar afdeling 4.12. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het aanleggen en verwijderen van een inlaat in een lokale waterkering of regionale waterkering bedoeld voor vernatting van een perceel ten behoeve van weidevogels.
[Red: Artikel 4.73 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.12 naar afdeling 4.12. ]
Indien een inlaat wordt aangelegd:
is de duiker gemaakt van PVC en heeft een diameter van kleiner dan of gelijk aan 125 millimeter (mm);
is de afsluiter regelbaar door middel van een pen-gat verbinding en moet volledig waterdicht afgesloten kunnen worden;
wordt de inlaat bediend door de initiatiefnemer in overleg met de rayonbeheerder van het waterschap;
wordt de inlaat aan weerszijden gemarkeerd met een paal met witte kop;
wordt de bijbehorende markering in goede staat onderhouden;
ligt de uitstroomkant van de inlaat binnendijks buiten de beschermingszone;
wordt de inlaat aangelegd in een open sleuf van kleiner dan of gelijk aan 200 millimeter (mm) breed waarbij aan de waterzijde 1 meter (m) behouden blijft waar de duiker doorheen geperst wordt;
wordt grond die bij de graafwerkzaamheden vrijkomt in de oorspronkelijke laagopbouw teruggebracht in lagen van maximaal 200 millimeter (mm). Deze grond dient zorgvuldig om de 200 millimeter (mm) mechanisch te worden verdicht;
worden de te verrichten werkzaamheden eenmaal in uitvoering onafgebroken uitgevoerd en mogen niet plaatsvinden bij (lokaal) verhoogd peil van de boezem;
wordt bij aanleg op zandgrond achter de inlaat een kleikist geplaatst van 500 millimeter (mm) bij 500 millimeter (mm);
wordt de plasdras buiten de beschermingszone van de waterkering aangelegd en de afstand gemeten vanaf het boezemwater tot het begin van de plasdras moet groter dan of gelijk aan 15 meter (m) zijn;
worden eventuele beschadigingen of verzakkingen aan de waterkering als gevolg van de werkzaamheden zo snel mogelijk volledig hersteld; en
is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het plaatsen, beheer en onderhoud van de inlaat en aanwijzingen daartoe van de rayonbeheerder van het waterschap moeten stipt worden opgevolgd.
Indien een inlaat wordt verwijderd:
wordt het moment van verwijderen vooraf gemeld worden aan de rayonbeheerder van het waterschap;
wordt het profiel van de waterkering en de beschermingszone niet veranderd door het verwijderen van de inlaat;
worden ontgravingen in de waterkering tot een minimum worden beperkt;
wordt grond die bij de graafwerkzaamheden vrijkomt in de oorspronkelijke laagopbouw teruggebracht in lagen van kleiner dan of gelijk aan 200 millimeter (mm). Deze grond dient zorgvuldig om de 200 millimeter (mm) mechanisch te worden verdicht;
worden tekort komende materialen aangevuld door materiaal van de oorspronkelijke kwaliteit en hoedanigheid;
worden de te verrichten werkzaamheden eenmaal in uitvoering onafgebroken en mogen niet plaatsvinden bij (lokaal) verhoogd peil van de boezem;
worden eventuele beschadigingen of verzakkingen aan de waterkering als gevolg van de werkzaamheden zo snel mogelijk volledig hersteld; en
is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het verwijderen van de inlaat en aanwijzingen daartoe van de rayonbeheerder van het waterschap moeten stipt worden opgevolgd.
[Red: Artikel 4.74 verplaatst van paragraaf 4.12 naar afdeling 4.12. ]
Het verwijderen van een inlaat in een waterkering is toestemmingsvrij, indien deze voorafgaand aan het aanleggen is gemeld bij het waterschap en voldoet aan artikel 4.73, tweede lid.
[Red: Artikel 4.75 verplaatst van paragraaf 4.12 naar afdeling 4.12. ]
Voor het aanleggen van een inlaat in een waterkering geldt een meldingsplicht, indien:
de inlaat bedoeld is voor vernatting van een perceel ten behoeve van weidevogels;
het een inlaat betreft in een regionale- of lokale waterkering;
de inlaat gebruikt wordt in de periode van 1 februari tot en met 15 juli;
mag daarbij geen invloed hebben op het ter plaatse vastgestelde waterpeil;
de inlaat voor een tijdelijke periode van maximaal 6 jaar wordt aangelegd;
de waterkering waarin de inlaat wordt aangelegd een maximale hoogte heeft van 1 meter vanaf het maaiveld ten opzichte van de kruin;
het perceel een kansrijke locatie betreft voor weidevogels;
de inlaat niet wordt aangelegd in een gebied met veen als ondergrond;
er overduidelijk sprake is van een waterstaatkundig gezien veilige situatie; en
het gestelde onder a t/m i naar mening van de rayonbeheerder van het waterschap aan de orde is.
[Red: Artikel 4.76 verplaatst van paragraaf 4.12 naar afdeling 4.12. ]
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 4.75, waarvoor geen omgevingsvergunning voor het aanleggen van een inlaat is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit;
de verwachte datum van het verwijderen van de inlaat;
de coördinaten van het inlaatpunt van de inlaat volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl;
een tekening van de inlaat met daarop:
diameter van de duiker (pijp) in millimeter (mm);
grondsoort waarin de inlaat wordt aangelegd; en
uitkomst van de beoordeling van de rayonbeheerder van het waterschap zoals gesteld in artikel 4.75 onder g.
[Red: Artikel 4.77 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.12 naar afdeling 4.12. ]
Voor het aanleggen of verwijderen van een inlaat in een waterkering geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.73; of
artikel 4.74 en artikel 4.75 niet van toepassing zijn.
[Red: Artikel 4.78 verplaatst van paragraaf 4.12 naar afdeling 4.12. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of verwijderen van inlaat, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van de aanleg van de inlaat;
de verwachte datum van het verwijderen van de inlaat;
de coördinaten van het inlaatpunt van de inlaat volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl;
een tekening van de inlaat met daarop:
diameter van de duiker (pijp) in millimeter (mm); en
grondsoort waarin de inlaat wordt aangelegd.
[Red: Artikel 4.79 verplaatst van paragraaf 4.13 naar afdeling 4.13. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels of leidingen in, op, over of onder een waterstaatswerk of in, op, over of onder een beschermingszone van een waterstaatswerk.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraafafdeling 4.4;
graven, vergraven van of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraafafdeling 4.10; en
spitten, ploegen of andere grondroeringen als bedoeld in paragraafafdeling 4.19.
[Red: Artikel 4.80 verplaatst van paragraaf 4.13 naar afdeling 4.13. ]
Indien kabels of leidingen worden aangelegd, verwijderd, verplaatst of onderhouden:
is de spanning op de kabel kleiner dan of gelijk aan 100 kilovolt (kV);
is de ontwerpdruk in de leiding kleiner dan of gelijk aan 10 bar;
is de diameter van de leidingalle leidingen (buisbuizen) in het boorgat of ruimgat kleiner dan of gelijk aan 400 millimeter (mm);
kunnen medewerkers van of namens het waterschap de waterstaatswerken en bijbehorende beschermingszones ten allen tijde bereiken;
kunnen werkzaamheden door of namens het waterschap ongehinderd plaatsvinden;
worden de geldende NEN-normen en de geldende Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR toegepast;
wordt in geval van breuk of lekkage van een leiding dit onmiddellijk gemeld bij het dagelijks bestuur van het waterschap en worden direct maatregelen getroffen om verdergaande lekkage te voorkomen;
wordt elke opbarsting of vorming van kwel direct en volledig teniet gedaan en de gevolgen hiervan ongedaan gemaakt;
wordt elke opbarsting of vorming van kwel onmiddellijk gemeld bij het dagelijks bestuur van het waterschap;
wordt na de werkzaamheden de situatie ter plekke direct en volledig hersteld in oorspronkelijke staat. Dit geldt voor de belastbaarheid van de grond, de afwerking en aanzicht van het maaiveld;
wordt elke mantelbuis aan de uiteinden voorzien van een blijvend waterdichte afsluiting;
is de afstand van de kabel, leiding of mantelbuis tot de duiker of een ander kunstwerk altijd groter dan of gelijk aan 300 millimeter (mm);
wordt bij kruisen van een duiker of kunstwerk de kabel en leiding in een mantelbuis gelegd en is de afstand dat de mantelbuis aan weerszijden van de duiker of het kunstwerk uitsteekt groter dan of gelijk aan 1 meter (m);
is de afstand tussen een open ontgraving en de insteek van een hoofdwater groter dan of gelijk aan 1,5 meter (m); en
worden kabels en leidingen en bijbehorende mantelbuizen verwijderd binnen 365 dagen nadat ze buiten gebruik zijn gesteld.
[Red: Artikel 4.81 verplaatst van paragraaf 4.13 naar afdeling 4.13. ]
Het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels of leidingen is toestemmingsvrij, indien dit middels een open ontgraving gedaan wordt en dit plaatsvindt:
in een overig water; of
in een schouwwater.
Het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels of leidingen is toestemmingsvrij, indien dit middels een gestuurde boring gedaan wordt en:
dit plaatsvindt in een overig water; of
dit plaatsvindt in een schouwwater; en
de in- en uittredepunten van de gestuurde boring buiten de regionale waterkeringen of lokale waterkeringen of de bijbehorende beschermingszones of buiten het hoofdwater liggen.
[Red: Artikel 4.82 verplaatst van paragraaf 4.13 naar afdeling 4.13. ]
Voor het aanleggen van kabels of leidingen geldt een meldingsplicht, indien:
deze een hoofdwater, regionale waterkering of lokale waterkering kruisen;
dit middels een gestuurde boring gedaan wordt; en
de in- en uittredepunten van de gestuurde boring buiten de regionale waterkeringen of lokale waterkeringen of de bijbehorende beschermingszones of buiten het hoofdwater liggen.
Voor het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels of leidingen geldt een meldingsplicht, indien dit plaatsvindt in de beschermingszone van een hoofdwater.
[Red: Artikel 4.83 verplaatst van paragraaf 4.13 naar afdeling 4.13. ]
Ten minste vier weken voor het begin van het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels of leidingen, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit; en
een tracétekening met daarop de ligging van de kabel of leiding, in een gangbare, goed leesbare schaal, met daarop de leidinggegevens en eventueel bijkomende objecten. Als detailtekening op de tracé-tekening zelf of apart aangeven:
kruisingen met oppervlaktewaterlichamen in doorsnede met opgave van maatvoeringen en de kabel- of leidinggegevens; en
vermelding van de aanlegmethode;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; en
bijbehorende objecten, zoals straatkasten en trekputten voorzien van maatvoering en hoogtematen in meter (m).
[Red: Artikel 4.84 verplaatst van paragraaf 4.13 naar afdeling 4.13. ]
Voor het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels of leidingen geldt een vergunningplicht, indien:
dit plaatsvindt in een waterkering;
dit plaatsvindt in een hoofdwater; of
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.80; of
artikel 4.81 en artikel 4.82 niet van toepassing zijn.
[Red: Artikel 4.85 verplaatst van paragraaf 4.13 naar afdeling 4.13. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels of leidingen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een tracétekening met daarop de ligging van de kabel of leiding, in een gangbare, goed leesbare schaal, met daarop de kabel- of leidinggegevens en eventueel bijkomende objecten. Als detailtekening op de tracé-tekening zelf of apart aangeven:
kruisingen met oppervlaktewaterlichamen in doorsnede met opgave van maatvoeringen en de kabel- of leidinggegevens; en
vermelding van de aanlegmethode;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl; en
bijbehorende objecten, voorzien van maatvoering en hoogtematen in meter (m).
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten;
een boorplan met beschrijving van de horizontaal gestuurde boring indien een waterkering, hoofdwater of bijbehorende beschermingszone van een waterkering of hoofdwater wordt gekruist of geraakt door een horizontaal gestuurde (HDD-)boring;
een omschrijving van de soort kabel of leiding;
het aantal bar van de drukleiding;
een tekening met een doorsnede van de kabel en/of leiding, ten opzichte van de waterkering met vermelding van eventuele boogstralen (bij kruisingen), gegevens van toegepaste materialen en het te transporteren medium indien de kabel of leiding binnen de waterkering wordt gelegd; en
een berekening van de leiding en de effecten op de waterkering, conform de NEN 3650, NEN 3651-reeks, NPR 3659:1996 indien de kabel of leiding binnen de waterkering wordt gelegd.
[Red: Artikel 4.86 verplaatst van paragraaf 4.14 naar afdeling 4.14. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het bevestigen of laten liggen van vaartuigen in, op of aan een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op het lozen van afvalwater vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraaf 2.19afdeling 2.18.
[Red: Artikel 4.87 verplaatst van paragraaf 4.14 naar afdeling 4.14. ]
Het bevestigen of laten liggen van vaartuigen is toestemmingsvrij, indien:
dit niet gebeurtplaatsvindt aan een waterkering; en
dit niet gebeurtplaatsvindt in de beschermingszone van een waterkering; of
dit gebeurtplaatsvindt op een daarvoor ingerichte plaats:
aan een waterkering; of
in de beschermingszone van een waterkering.
[Red: Artikel 4.88 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.14 naar afdeling 4.14. ]
Voor het bevestigen of laten liggen van vaartuigen geldt een vergunningplicht indien artikel 4.87 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.89 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.14 naar afdeling 4.14. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bevestigen of laten liggen van vaartuigen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van het soort of type vaartuig of object;
een omschrijving van de eventuele lading (vracht) van het vaartuig of object;
de lengte van het vaartuig of object in meter (m);
de hoogte van het vaartuig of object in meter (m); en
de diepgang van het vaartuig of object in meter (m).
[Red: Artikel 4.90 verplaatst van paragraaf 4.15 naar afdeling 4.15. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het aanleggen en verwijderen van oeverbeschermende voorzieningen in een oppervlaktewaterlichaam.
[Red: Artikel 4.91 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.15 naar afdeling 4.15. ]
Een oeverbeschermende voorziening dient te voldoen aan alle van de volgende regels:
het waterbergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet verminderd, behalve wanneer:
een nieuwe gelijksoortige oeverbeschermende voorziening strak tegen de oude oeverbescherming geplaatst wordt, waarbij de gording van de oude oeverbeschermende voorziening altijd eerst wordt verwijderd; en
de waterbreedte ter plaatse minimaal 3 meter (m) is en de bovenkant van de voorziening maximaal 200 millimeter (mm) boven het hoogst vastgestelde peil uitsteekt, waarbij de oeverbeschermende voorziening op de waterlijn geplaatst kan worden;
de oeverbeschermende voorziening wordt op een derde van het droge talud (bij het hoogst vastgestelde peil) of verder landinwaarts aangebracht, behalve wanneer:
een nieuwe gelijksoortige oeverbeschermende voorziening strak tegen de oude oeverbescherming geplaatst wordt, waarbij de gording van de oude oeverbeschermende voorziening altijd eerst wordt verwijderd; en
de waterbreedte ter plaatse minimaal 3 meter (m) is en de bovenkant van de voorziening maximaal 200 millimeter (mm) boven het hoogst vastgestelde peil uitsteekt, waarbij de oeverbeschermende voorziening op de waterlijn geplaatst kan worden;
de oeverbescherming steekt niet boven het aanwezige maaiveld uit;
de waterdoorstroming van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd, en beschadigingen of verzakkingen van de voorziening, het talud of maaiveld, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorstroming worden voorkomen;
de oeverbeschermende voorziening wordt gronddicht afgewerkt, zodat geen grond of aangevuld materiaal vanachter de voorziening in de watergang kan komen; en
de gebruikte materialen hebben géén nadelig effect op de waterkwaliteit.
[Red: Artikel 4.92 verplaatst van paragraaf 4.15 naar afdeling 4.15. ]
oeverbeschermende voorzieningen kunnen toestemmingsvrij aangelegd en verwijderd worden, indien:
de oeverbeschermende voorziening zich niet bevindt of gaat bevinden in een hoofdwater;
de oeverbeschermende voorziening geen onderdeel uitmaakt of gaat maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone; en
aan de locatie van de oeverbeschermende voorziening geen natuurfunctie is toegekend.
[Red: Artikel 4.93 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.15 naar afdeling 4.15. ]
Voor het aanleggen en verwijderen van een oeverbeschermende voorziening geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.91; of
artikel 4.92 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.94 verplaatst van paragraaf 4.15 naar afdeling 4.15. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en verwijderen van oeverbeschermende voorzieningen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een dwarsprofieltekening van het oppervlaktewaterlichaam met daarop de volgende onderdelen:
de beoogde oeverbeschermende voorziening; en 2º.de bijbehorende hoogte-breedteverhouding van het talud;
de bijbehorende hoogte-breedteverhouding van het talud;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van de voorziening met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van de voorziening inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan de voorziening wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
de lengte van de voorziening op de waterlijn in meter (m); en
de hoogte van de voorziening op de waterlijn in meter (m).
[Red: Artikel 4.95 verplaatst van paragraaf 4.16 naar afdeling 4.16. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het recreatief verblijven door het plaatsen van tenten, campers, caravans, woonwagens en dergelijke in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraafafdeling 4.4; en
een ligplaats innemen als bedoeld in paragraafafdeling 4.14.
[Red: Artikel 4.96 verplaatst van paragraaf 4.16 naar afdeling 4.16. ]
Het recreatief verblijven door het tijdelijk plaatsen van tenten, campers, caravans, woonwagens en dergelijke is toestemmingsvrij, indien dit gebeurtplaatsvindt op een daarvoor ingerichte plaats:
op of in een waterstaatswerk; of
in de beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.97 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.16 naar afdeling 4.16. ]
Voor het recreatief verblijven door het plaatsen van tenten, campers, caravans, woonwagens en dergelijke geldt een vergunningplicht indien artikel 4.96 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.98 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.16 naar afdeling 4.16. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het recreatief verblijven door het plaatsen van tenten, campers, caravans, woonwagens en dergelijke, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
[Red: Artikel 4.99 verplaatst van paragraaf 4.17 naar afdeling 4.17. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het uitvoeren van seismisch onderzoek in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.100 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.17 naar afdeling 4.17. ]
Voor het verrichten van seismisch onderzoek geldt een vergunningplicht indien dit plaatsvindt:
op of in een waterstaatswerk; of
in een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.101 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.17 naar afdeling 4.17. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van seismisch onderzoek, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit; c.de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een werkplan met daarin het plan van aanpak voor de activiteiten;
een boorplan met beschrijving van de boring indien de boring plaatsvindt in een waterkering of bijbehorende beschermingszone;
een tekening met een dwarsdoorsnede van het werk ten opzichte van de waterkering met maatvoeringen; en
Berekeningen op basis van gegevens verkregen uit grondonderzoek conform normering TAW/ENW door een op dit vakgebied ter zake kundige. De berekeningen tonen ten minste aan dat:
door de activiteiten de stabiliteit van de waterkering of kade niet afneemt;
door de activiteiten de waterkering of kade niet zodanig waterdoorlatend wordt dat risico’s ontstaan in de vorm van piping en kwel; en
door eventuele bemaling tijdens de activiteiten geen schade wordt veroorzaakt aan de (grondlagen in de) waterkering of kade en naastgelegen ondervelden.
[Red: Artikel 4.102 verplaatst van paragraaf 4.18 naar afdeling 4.18. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het uitvoeren van sonderingen in, op of onder een waterstaatswerk of in, op of onder een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.103 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.18 naar afdeling 4.18. ]
Het uitvoeren van sonderingen is toestemmingsvrij, indien:
dit niet plaatsvindt in een waterkering; en
het gat na beëindiging van de sondering afgedicht wordt met zwelklei.
[Red: Artikel 4.104 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.18 naar afdeling 4.18. ]
Voor het uitvoeren van sonderingen geldt een vergunningplicht indien artikel 4.103 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.105 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.18 naar afdeling 4.18. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van sonderingen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting van ieder sonderingspunt; en
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
[Red: Artikel 4.106 verplaatst van paragraaf 4.19 naar afdeling 4.19. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op spitten, ploegen, bemesten, ondiepe grondroeringen of andere grondroeringen in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op het:
aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels en leidingen als bedoeld in paragraafafdeling 4.13;
plaatsen van afrasteringen ten behoeve van het houden van dieren als bedoeld in paragraafafdeling 4.8; en
graven, vergraven van of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in paragraafafdeling 4.10.
[Red: Artikel 4.107 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.19 naar afdeling 4.19. ]
Indien wordt gespit, geploegd of ondiepe grondroeringen of andere grondroeringen plaatsvinden op een waterkering dan wel in de beschermingszone van een waterkering worden zandverstuivingen voorkomen.
[Red: Artikel 4.108 verplaatst van paragraaf 4.19 naar afdeling 4.19. ]
Spitten, ploegen of andere ondiepe grondroeringen zijn toestemmingsvrij, indien dit
plaatsvindt buiten een waterkering;
plaatsvindt buiten de beschermingszone van een waterkering;
in afwijking op onderdeel a, plaatsvindt op een regionale waterkering in hoge gronden; of
in afwijking op onderdeel b, plaatsvindt in de beschermingszone van een regionale waterkering in hoge gronden.
Bemesten is toestemmingsvrij, indien er geen zodebemesting wordt toegepast op een primaire waterkering.
[Red: Artikel 4.109 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.19 naar afdeling 4.19. ]
Voor spitten, ploegen of andere ondiepe grondroeringen geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.107; of
artikel 4.108 niet van toepassing is.
Voor grondroeringen anders dan benoemd in het eerste lid geldt een vergunningplicht.
[Red: Artikel 4.110 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.19 naar afdeling 4.19. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het spitten, ploegen, bemesten of andere ondiepe grondroeringen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
[Red: Artikel 4.111 verplaatst van paragraaf 4.20 naar afdeling 4.20. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het plaatsen, verplaatsen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraafafdeling 4.4; en
bruggen en viaducten als bedoeld in paragraafafdeling 4.5.
[Red: Artikel 4.112 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.20 naar afdeling 4.20. ]
Indien een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk wordt geplaatst, verplaatst, verwijderd of onderhouden:
wordt door de eigenaar of gebruiker van de steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of het overhangend bouwwerk het water ter plaatse vrij gehouden van vuil, resten van waterplanten en dergelijke, los van de ter plekke geldende onderhoudsplichten van het waterstaatswerk;
hebben de gebruikte materialen géén nadelig effect op de waterkwaliteit;
wordt schade of verzakkingen van de steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of het overhangend bouwwerk direct hersteld;
wordt de steiger, vlonder, visstoep of het overhangend bouwwerk vrij over het water geplaatst en de aanwezige oeverbescherming niet aangetast;
wordt bij het plaatsen, verplaatsen of behouden van de steiger, vlonder, visstoep of het overhangend bouwwerk het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam niet gewijzigd;
wordt de steiger, vlonder, visstoep of het overhangend bouwwerk zodanig geplaatst, verplaatst of behouden dat deze niet verzakt, het talud niet wordt beschadigd en de water aan- en afvoer niet wordt belemmerd;
wordt bij het verwijderen van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk, wordt het werk in zijn geheel verwijderd en wordt het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel hersteld;
is in schouwwateren inspectie van het profiel te allen tijde mogelijk; en
wordt voor een aanliggende eigenaar het onderhoud van het schouwprofiel door de steiger, vlonder, visstoep of het overhangend bouwwerk niet nadeliger.
[Red: Artikel 4.113 verplaatst van paragraaf 4.20 naar afdeling 4.20. ]
Het plaatsen, verplaatsen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk is toestemmingsvrij, indien:
de steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk niet wordt geplaatst, verplaatst, verwijderd of onderhouden:
in een waterkering of in de beschermingszone van een waterkering;
in een hoofdwater of in de beschermingszone van een hoofdwater;
in een vaarweg in het beheer van het waterschap; en
aan of op een natuurvriendelijke oever of rietkraag; en
de afstand tussen de te plaatsen steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk en een peilregulerend kunstwerk groter dan of gelijk aan 10 meter (m) is.
[Red: Artikel 4.114 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.20 naar afdeling 4.20. ]
Voor het plaatsen, verplaatsen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.112; of
artikel 4.113 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.115 verplaatst van paragraaf 4.20 naar afdeling 4.20. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en verwijderen van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van het werk met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van het werk inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam; of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan het werk wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
de onderbouwende berekeningen;
lengte van het werk in meter (m); en
de breedte van het werk in meter (m).
[Red: Artikel 4.116 verplaatst van paragraaf 4.21 naar afdeling 4.21. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het versneld afvoeren van water en het aanleggen, vervangen en verwijderen van een uitstroomvoorziening:
in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk; of
die uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraaf 4.4; en
het lozen op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in hoofdstuk 2.
[Red: Artikel 4.117 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.21 naar afdeling 4.21. ]
Door de uitstroomvoorziening ontstaat er geen schade aan het talud door het wegspoelen van grond.
Indien een uitstroomvoorziening wordt aangelegd of vervangen wordt geen milieubezwaarlijk materiaal gebruikt.
Indien een uitstroomvoorziening wordt aangelegd of vervangen en uitmondt in een hoofdwater:
is de uitstroomvoorziening ten behoeve van drainage:
voorzien van een taludgoot;
dan steken de uiteinden van de uitstroomvoorziening niet uit het talud; en
dan wordt de uitstroomvoorziening niet gemarkeerd;
is het uitsteken van de onderkant van de uitstroomvoorziening buiten het talud kleiner dan of gelijk aan 200 millimeter (mm) indien:
is het uiteinde van de uitstroomvoorziening gemarkeerd met duidelijk zichtbare palen met een witte kop indien:
wordt de bijbehorende markering in goede staat onderhouden;
kunnen de hiervoor genoemde palen vervallen indien de uitstroomvoorziening in een oeverbeschermende voorziening wordt aangebracht; en
worden schade aan en verzakkingen van het talud voorkomen en indien deze zich voordoen direct hersteld.
Indien een uitstroomvoorziening wordt verwijderd:
wordt de uitstroomvoorziening volledig verwijderd; en
wordt het bestaande profiel van het oppervlaktewaterlichaam aan het aansluitende profiel hersteld.
[Red: Artikel 4.118 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.21 naar afdeling 4.21. ]
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening niet bedoeld zijnde voor het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam; en
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd.
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam;
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd; en
de verharding of bebouwing waarvoor de uitstroomvoorziening aangelegd wordt:
vindt plaats binnen de bebouwde kom;
voor de aanleg van de verharding of bebouwing door het waterschap is een wateradvies verstrekt; en
in het wateradvies is bepaald door het waterschap dat er geen omgevingsvergunning nodig is.
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam;
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd; en
de verharding of bebouwing waarvoor de uitstroomvoorziening aangelegd wordt:
vindt plaats binnen de bebouwde kom; en
voor de aanleg van de verharding of bebouwing is door het waterschap geen wateradvies verstrekt.
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam;
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd; en
de verharding of bebouwing waarvoor de uitstroomvoorziening aangelegd wordt:
vindt plaats buiten de bebouwde kom; en
is kleiner dan of gelijk aan 1.500 vierkante meter (m2).
Het aanleggen van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld tot afvoer brengen van hemelwater van nieuw verhard of bebouwd oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij indien:
de uitstroomvoorziening uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam;
de uitstroomvoorziening niet in een waterkering wordt aangelegd; en
de verharding of bebouwing waarvoor de uitstroomvoorziening aangelegd wordt:
is reeds eerder verhard of bebouwd geweest; en
de periode tussen het verwijderen van de verharding of bebouwing en het opnieuw verharden of bebouwen is kleiner dan of gelijk aan 1.826 dagen.
Het vervangen van een reeds bestaande uitstroomvoorziening is toestemmingsvrij.
[Red: Artikel 4.119 verplaatst van paragraaf 4.21 naar afdeling 4.21. ]
Voor het aanleggen, vervangen en verwijderen van een uitstroomvoorziening geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.117; of
artikel 4.118 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.120 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.21 naar afdeling 4.21. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen, vervangen en verwijderen van een uitstroomvoorziening die uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na voltooiing van de activiteiten;
een detailtekening van de voorziening met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van de voorziening inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam, of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan de voorziening wordt aangebracht;
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte; en
onderbouwende berekeningen;
in geval van een uitstroomvoorziening ten behoeve van het versneld afvoeren van hemelwater door het aanbrengen van verhard oppervlak tevens:
een omschrijving van het soort of type aan te brengen verhard oppervlak;
de oppervlakte van het aan te brengen verhard oppervlak;
een omschrijving van de wijze van afvoer van het hemelwater dat op het verhard oppervlak valt; en
een beschrijving van de manier en op welke plek de vermindering van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd;
de lengte van de voorziening in meter (m);
de breedte van de voorziening in meter (m);
de hoogte van de voorziening in meter (m);
de diameter van de voorziening in millimeter (mm);
diepte van de voorziening ten opzichte van het maaiveld in meter (m);
afstand van de voorziening ten opzichte van de oever in meter (m); en
een tekening met de ligging van de uitstroomvoorziening.
[Red: Artikel 4.121 verplaatst van paragraaf 4.22 naar afdeling 4.22. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het uitzetten van vis en het plaatsen van vaste vistuigen.
[Red: Artikel 4.122 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.22 naar afdeling 4.22. ]
Het uitzetten van vis of plaatsen van vaste vistuigen is toestemmingsvrij, indien:
dit het uitzetten van glas- en pootaal betreft; of
er schriftelijke afspraken gemaakt zijn met het waterschap. Deze schriftelijke afspraken:
gaan over de randvoorwaarden voor visuitzettingen, dan wel het plaatsen van vaste vistuigen;
zijn door het dagelijks bestuur van het waterschap ondertekend; en
kunnen in de vorm van een visplan zijn.
[Red: Artikel 4.123 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.22 naar afdeling 4.22. ]
Voor het uitzetten van vis en het plaatsen van vaste vistuigen geldt een vergunningplicht indien artikel 4.122 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.124 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.22 naar afdeling 4.22. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitzetten van vis en het plaatsen van vaste vistuigen, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een situatietekening, kaart of foto van de locatie voorzien van een noordpijl;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een omschrijving van de soort vis die uitgezet wordt;
[Red: Artikel 4.125 verplaatst van paragraaf 4.23 naar afdeling 4.23. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op het stoken van vuur in of op een waterstaatswerk of in of op een beschermingszone van een waterstaatswerk.
[Red: Artikel 4.126 verplaatst van paragraaf 4.23 naar afdeling 4.23. ]
Vuur stoken is toestemmingsvrij, indien:
dit niet gebeurtplaatsvindt op een waterkering;
dit niet gebeurtplaatsvindt in de beschermingszone van een waterkering; en
dit niet gebeurtplaatsvindt in de beschermingszone van een hoofdwater; of
dit gebeurtplaatsvindt op een daarvoor ingerichte plaats:
op een waterkering;
in de beschermingszone van een waterkering; of
in de beschermingszone van een hoofdwater.
[Red: Artikel 4.127 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.23 naar afdeling 4.23. ]
Voor het stoken van vuur geldt een vergunningplicht indien artikel 4.126 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.128 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.23 naar afdeling 4.23. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het stoken van vuur, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting; en
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.
[Red: Artikel 4.129 verplaatst van paragraaf 4.24 naar afdeling 4.24. ]
Deze paragraafafdeling is van toepassing op een warmtewisselaar die wordt toegepast voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op:
het oprichten, aanleggen, plaatsen, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen als bedoeld in paragraafafdeling 4.4; en
het lozen op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in hoofdstuk 2.
[Red: Artikel 4.130 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.24 naar afdeling 4.24. ]
Indien een warmtewisselaar wordt toegepast voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam:
moet de toegepaste warmtewisselaar zo strak mogelijk tegen de oever worden geplaatst;
lekt vanuit de warmtewisselaar en bijbehorende constructie geen vloeistof naar het oppervlaktewater;
wordt onverhoopte lekkage zo spoedig mogelijk hersteld. Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk de eerstvolgende werkdag geïnformeerd over de geconstateerde schade en de te treffen of getroffen maatregelen; en
bestaat het in de warmtewisselaar gebruikte medium uit een mengsel van water met antivries dat bij een calamiteuze lekkage geen schade toebrengt aan het aquatisch milieu.
[Red: Artikel 4.131 verplaatst van paragraaf 4.24 naar afdeling 4.24. ]
Het toepassen van een warmtewisselaar voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam is toestemmingsvrij, indien:
de warmtewisselaar zich bevindt of gaat bevinden buiten het stedelijk gebied in een overig water;
de warmtewisselaar zich niet bevindt of gaat bevinden in een vaarweg;
de warmtewisselaar geen onderdeel uitmaakt of gaat maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone; en
aan de locatie van de warmtewisselaar geen natuurfunctie is toegekend.
[Red: Artikel 4.132 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.24 naar afdeling 4.24. ]
Voor het aanleggen en verwijderen van een warmtewisselaar voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam geldt een vergunningplicht, indien:
niet wordt voldaan aan de voorschriften in artikel 4.130; of
artikel 4.131 niet van toepassing is.
[Red: Artikel 4.133 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 4.24 naar afdeling 4.24. ]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het toepassen van een warmtewisselaar voor het lozen van koude en warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het doel van de activiteit;
een onderbouwing van de noodzaak van de activiteit;
de verwachte datum van het begin van de activiteit en bij een tijdelijke activiteit de datum van het einde van de activiteit;
de coördinaten van de locatie volgens het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
een constructietekening met daarin de volgende onderdelen:
de bestaande situatie en de toekomstige situatie na plaatsing van de warmtewisselaar;
een detailtekening van de warmtewisselaar met vermelding van de gebruikte schaal en toegepaste materialen;
een situering van de warmtewisselaar inclusief maatvoering ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam, of de waterkering waarin, waarlangs of in de nabijheid waarvan de warmtewisselaar wordt aangebracht; en
maatvoeringen ten opzichte van het waterpeil en het maaiveld met vermelding van de NAP-hoogte;
de lengte van de warmtewisselaar in meter (m);
de breedte van de warmtewisselaar in meter (m); en
de hoogte van de warmtewisselaar in meter (m).
FF
Paragraaf 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Paragraaf 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
Paragraaf 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
II
Paragraaf 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
JJ
Paragraaf 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Paragraaf 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Paragraaf 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MM
Paragraaf 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NN
Paragraaf 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OO
Paragraaf 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Paragraaf 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Paragraaf 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RR
Paragraaf 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SS
Paragraaf 4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TT
Paragraaf 4.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UU
Paragraaf 4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Paragraaf 4.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Paragraaf 4.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Paragraaf 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Paragraaf 4.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Paragraaf 4.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Paragraaf 4.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Paragraaf 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCC
Paragraaf 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDD
Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 5.1 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 5.1 naar afdeling 5.1. ]
Een watervergunning die is verleend krachtens de keur zoals deze luidde direct vóór inwerkingtreding van deze waterschapsverordening, wordt gelijkgesteld met een krachtens deze waterschapsverordening verleende omgevingsvergunning voor een wateractiviteit.
Voor al hetgeen vóór de inwerkingtreding van deze waterschapsverordening rechtmatig tot stand is gebracht, wordt geacht een omgevingsvergunning ingevolge deze waterschapsverordening te zijn verleend.
[Red: Artikel 5.2 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 5.1 naar afdeling 5.1. ]
Een melding of kennisgeving van een activiteit die voor inwerkingtreding van deze waterschapsverordening is gedaan, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze waterschapsverordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit op grond van deze waterschapsverordening.
Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die voor inwerkingtreding van deze waterschapsverordening is ingediend, geldt, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze waterschapsverordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is, als een melding van die activiteit op grond van deze waterschapsverordening.
Een maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze waterschapsverordening en die onherroepelijk is, geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze waterschapsverordening.
[Red: Artikel 5.3 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 5.1 naar afdeling 5.1. ]
Als voor de inwerkingtreding van deze waterschapsverordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
[Red: Artikel 5.4 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 5.2 naar afdeling 5.2. ]
De ‘Keur Wetterskip Fryslân 2013’, vastgesteld door het algemeen bestuur van het waterschap op 13 november 2012, en de ‘Algemene regels bij de keur Wetterskip Fryslân 2018’ laatstelijk vastgesteld door het dagelijks bestuur van het waterschap op 24 april 2018 worden ingetrokken.
[Red: Artikel 5.5 ongewijzigd verplaatst van paragraaf 5.2 naar afdeling 5.2. ]
Deze waterschapsverordening treedt in werking op het moment waarop de Omgevingswet in werking treedt.
[Red: Artikel 5.6 verplaatst van paragraaf 5.2 naar afdeling 5.2. ]
Deze waterschapsverordening wordt aangehaald als “Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân 2023”.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap van 22 november 2022.
L.M.B.C. Kroon O.Bijlsma
Dijkgraaf Secretaris-directeur
Voor het laatst gewijzigd door het dagelijks bestuur van het waterschap op 16 september 2025.
EEE
Paragraaf 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFF
Paragraaf 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGG
Binnen bijlage I wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze waterschapsverordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
door het waterschap aangewezen diepe plas waar grond of baggerspecie mag worden toegepast. Hierbij geldt dat grond of baggerspecie uit het beheergebied van het waterschap voldoet aan de Lokale maximale waarden uit de waterschapsverordening en aan de milieuhygiënische kwaliteitsklasse ‘licht verontreinigd’ uit tabel 2 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2022. Hierbij geldt dat grond of baggerspecie van buiten het beheergebied van het waterschap voldoet aan de milieuhygiënische kwaliteitsklasse ‘algemeen toepasbaar’ voor grond en baggerspecie uit tabel 2 van bijlage B van de Regeling Bodemkwaliteit 2022
oppervlaktewaterlichaam dat op grond van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, is aangewezen
oppervlaktewaterlichaam dat geen niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam is
Achtergrondwaarden als bedoeld in artikel 1, van het Besluit bodemkwaliteit, zijn bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen
water dat langs constructies loopt als gevolg van waterstandsverschil. Zie ook piping en onderloopsheid
handeling of gebeurtenis uitgevoerd door een (rechts)persoon, dier, plant of ander leven, óf natuurverschijnsel, waar juridische regels aan gesteld kunnen worden
toereikende techniek
aanpassen van leidingen voor de afvoer van water zodat dit water indirect of direct op het oppervlaktewater wordt geloosd
kunstmatig opdelingobjecten, zoals paal-draad constructie, ten behoeve van scheiding van vastgoedobjecten of virtuele gebieden
alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen
afvalwater dat ontstaat doordat water uit de hemel valt, zoals regen, sneeuw, hagel en dauw. Het gaat doorgaans om een schone afvalwaterstroom. Daarom heeft deze afvalwaterstroom een bijzondere status. Ook omdat hemelwater direct in het milieu terug kan komen
geheel van activiteiten dat betrekking heeft op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden, daaronder mede begrepen agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening
algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân
uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, informatieplichtige, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten
verzamelterm voor duurzaam verwarmen en koelen met water. Het gaat om warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater en drinkwater
milieu dat zich gedeeltelijk of geheel onder water bevindt
geologische formatie waarbinnen de relatief (ten opzichte van de omgeving) hoge doorlatendheid aanzienlijk transport van grondwater mogelijk maakt
verwijderen van slib, specie, zand uit een oppervlaktewaterlichaam
horizontale centrifugaalpomp waarmee sediment, puin en andere schadelijke materialen via zuigleiding worden opgezogen en via een pijpleiding naar een afvoerplaats worden getransporteerd
materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter (mm)
apparaat om bagger uit een oppervlaktewaterlichaam te zuigen en direct, gelijkmatig over het aanliggende perceel te spuiten
gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom volgt niet uit de Wegenverkeerswet 1994, maar net zoals in de ruimtelijke ordening bepaalt de aard van de omgeving waar de grens ligt. Om te spreken van bebouwde kom, moet er sprake zijn van op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur
gebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Waterschapswet, waarvoor het waterschap de waterstaatkundige verzorging ten doel heeft
beoordelingsregel is een inhoudelijke regel waaraan het dagelijks bestuur van het waterschap een aanvraag voor een omgevingsvergunning toetst
beperkingengebied is een geometrisch begrensd gebied rondom een werk of object waarin, vanwege de aanwezigheid van dat werk of object, regels voor de activiteiten van derden, gelden. Het gaat om gebieden rond luchthavens, wegen, spoorwegen of waterstaatswerken. Onder de Omgevingswet gaan de beschermingszones samen met de kernzone op in ‘beperkingengebieden’. Dit zijn gebieden waar op grond van de Omgevingswet beperkingen gelden vanwege de aanwezigheid van een werk of object, in dit geval een waterstaatswerk
activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit op of binnen een beperkingengebied
begroeiing die door de mens ergens opzettelijk is aangebracht, ook planten die zich spontaan gevestigd hebben
gebied waaraan op grond van de wet een functie voor waterstaatkundige doeleinden is toegedeeld, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en dat ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen
zone ter weerszijden van een waterstaatswerk (kernzone), waar voorschriften en beperkingen gelden ter bescherming van het waterstaatswerk
materiaal dat is aangebracht op de grens van water en land, of langs de waterkant, om de oever tegen afkalving te beschermen, of om te voorkomen dat door afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmerd wordt
dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân
lijn die de overgang markeert tussen de kruin en het binnentalud
talud aan de binnendijkse zijde van een dijk of waterkering
onderrand van het dijklichaam aan de binnendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld)
al het stilstaande of stromende water op het landoppervlak en al het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;
fysieke constructie om bij morsingen en lekkages het verspreiden van bodembedreigende stoffen naar de bodem tegen te gaan. Doel is bodemverontreiniging voorkomen
installatie die gebruik maakt van de bodem voor de levering van warmte of koude voor de verwarming of koeling van een gebouw
schoonmaken van vervuilde grond
stelsel van gemeen liggende, met elkaar in open verbinding staande waterlopen en meren waarop het water van lager gelegen polders wordt uitgeslagen en dienend voor eventueel tijdelijke berging en lozing op het buitenwater
vrij op de boezem afwaterende gronden, deze staan bij hoge boezemwaterstanden onder water, dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van de boezem
in een peilbesluit vastgelegde streefpeil van een boezem ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP)
gat dat geboord is, bijvoorbeeld in beton, staal of grond
middel om door boren of steken toegang te krijgen tot de ondergrond om bijvoorbeeld geroerde en/of ongeroerde monsters aan de ondergrond te ontlenen voor nader onderzoek
plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten
constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties
voorziening voor het bestrijden van brand als bedoeld in artikel 4.20, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Een brandblusvoorziening is permanent aanwezig, maar wordt enkel in noodsituaties gebruikt. Indien een brandblusvoorziening ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, wordt de voorziening niet als een brandblusvoorziening aangemerkt
in de waterbouw toegepast materiaal ter bescherming van kust- en oeverwerken. Het materiaal moet deze werken beschermen tegen de inwerking van bijvoorbeeld golf- en getijdenbewegingen. Bekend zijn de basaltblokken tegen de dijken langs de grote rivieren en de kust
water met een verhoogde mineralenconcentratie dat overblijft na de onttrekking van water aan gewonnen brak grondwater
verbinding tussen twee punten die van elkaar gescheiden zijn door een hydro-object (oppervlaktewaterlichaam of watergang) waarbij de constructie geen verharde kunstmatige bodem heeft of waarbij de verharding geen deel uitmaakt van de constructie
zone buiten het waterstaatswerk en aangrenzende beschermingszone gelegen gronden en wateren, waar voorschriften en beperkingen gelden ter bescherming van het waterstaatswerk en de beschermingszone
lijn die de overgang markeert tussen de kruin en het buitentalud van de waterkering
hellend vlak van het dijklichaam aan de buitendijkse zijde van de dijk
onderrand van het dijklichaam aan de waterzijde van de dijk (buitendijks)
water van een oppervlaktewaterlichaam waarvan de waterstand direct invloed ondergaat bij hoge stormvloed, bij hoog opperwater van een van de grote rivieren, bij hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer, dan wel bij een combinatie daarvan, alsmede het Volkerak-Zoommeer, het Grevelingenmeer, het getijdedeel van de Hollandsche IJssel en de Veluwerandmeren
oefening die wordt uitgevoerd om bij brand of een andere calamiteit de schade tot een minimum te beperken
civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf, waarvoor andere materialen dan aarde en zand zijn gebruikt
Carcinogeen, Mutageen en Reprotoxisch-stoffen. Deze zogenaamde CMR-stoffen kunnen kanker veroorzaken, schade veroorzaken aan onze genen of schadelijk zijn voor de voortplanting en het nageslacht
geheel dat ontstaat door een aantal losse onderdelen samen te voegen tot één stevig geheel
dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân
werk over een oppervlaktewaterlichaamperceel dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam, waarbij in tegenstelling tot een brug de bodem wordt onderbroken
(houten) balken, langs een dam, om stevigheid te geven; ook achterleggers geheten; legger en ligger worden vaak verward
verticale constructiedelen die in een opeenvolgende rij de grond worden gedreven, meestal om weerstand te bieden tegen zijkrachten
volume van een vloeistof of een gas dat per tijdseenheid door een doorsnede stroomt
dichtgooien van een oppervlaktewaterlichaam met grond of ander vast materiaal
zuiveringsvoorziening volgens de norm gebouwd, technisch betrouwbaar, correct onderhouden is en zorgt voor een effectieve zuivering
oppervlaktewaterlichaam of een deel daarvan dat is ontstaan als gevolg van zandwinning, grindwinning of kleiwinning of een dijkdoorbraak, bijvoorbeeld een zandwinplas
dieren die de mens wegens plezier en hun nut houdt, niet zijnde huisdieren
digitale ondersteuning van de Omgevingswet. De centrale spil is het Omgevingsloket
door mensen aangelegd grondlichaam (al dan niet verdedigd) bestemd tot het keren van water en een type waterkering
elk van de richtingen waarin je kunt meten: hoogte, lengte, breedte
(denkbeeldige) oppervlak waarlangs een voorwerp is doorgesneden
breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam
water dat wordt afgevoerd via een stelsel van geperforeerde buizen die in de grond zijn aangebracht
drinkwater als bedoeld in artikel 1, van de Drinkwaterwet
kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden
doorsnede die loodrecht op de lengterichting staat. Bijvoorbeeld: een doorsnede van een waterloop loodrecht op de gemiddelde richting van de stroming.
massa, uitgedrukt in bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die of dat gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden
aantasting van een waterstaatswerk, zoals waterkering of talud
periode van een 24 uur, die begint en eindigt om middernacht, gedurende welke de datum niet verandert.
georganiseerde gebeurtenis of groepsactiviteit zoals roei-, vis- en zwemwedstrijden, survivals, triatlons en fiets- en schaatstoertochten, maar ook een herdenkingsplechtigheid, braderie of themamarkt, optocht op de weg (geen betoging), kermis, feest, muziekvoorstelling
inrichtingen en materiaal als bedoeld in paragraaf 2, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
grondwater waarin de stijghoogte (de waterdruk) alleen afhangt van de hoogte van de waterkolom. In freatisch water is de poriëndruk gelijk aan de hydrostatische druk
water in de bodem dat als eerste wordt aangetroffen bij graaf- of boorwerkzaamheden
artikel 1.2, tweede lid, van de Omgevingswet, bepaalt dat de fysieke leefomgeving in ieder geval bestaat uit: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed, werelderfgoed
gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet
vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter (mm) en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter (mm), niet zijnde baggerspecie. In Nederland wordt grond naar de grootte en aard van de gronddeeltjes geclassificeerd volgens NEN-EN-ISO 14688-1 en NEN-EN-ISO 14688-2
verplaatsen van grond in dan wel naar een waterstaatswerk
water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen
afzonderlijke grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen
verwijderen van verontreinigende componenten uit een grondwaterlichaam door middel van onttrekking (en zuivering) van verontreinigd grondwater
horizontaal gestuurd boren of hdd (Horizontal Directional Drilling) is een sleufloze techniek die gebruikt wordt voor de aanleg van ondergrondse infrastructuur
water uit neerslag, zoals regen, sneeuw, hagel en dauw
natuurlijk aanwezige hooggelegen delen in het landschap die niet worden bedreigd door een hoge waterstand op zee, meren of rivieren
oppervlaktewaterlichaam in beheer en onderhoud bij het waterschap, zoals in de legger is aangegeven. Hoofdwater is erg belangrijk voor de afvoer van water en is over het algemeen breder en dieper dan andere watergangen
hoogst peil vastgelegd in een peilbesluit, in de regel het winterpeil
watergang die bedoeld is om de grondwaterstand nabij wegen en bebouwing hoger te houden dan het omliggende agrarisch gebied. Het waterpeil is hier hoger dan het polder- of boezempeil ter plaatse
tamme dieren die voor het nut of de gezelligheid door de mens in huis worden gehouden
afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden
tijdelijke constructie of ondersteuning om de activiteit uit te kunnen voeren
samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Waterwet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna
Individuele Behandeling van afvalwater is bedoeld voor het lokaal zuiveren van huishoudelijk afvalwater. Het bekendste IBA-systeem is de septic tank. Andere systemen zijn bijvoorbeeld de biorotor, het oxidatiebed en het helofytenfilter
het brengen van water in de bodem met als doel het voorkomen of beperken van verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogte of het lozen van overtollig water
goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn. afvalwaterAfvalwater dat bij deze goederen vrijkomt, wordt beschouwd als ’schoon‘ afvalwater
put voorzien van openingen waardoor het water kan infiltreren
verplichting om informatie te verstrekken aan een bestuursorgaan of een andere instantie voorafgaand aan het starten, wijzigen of eindigen van een activiteit, zonder dat daaraan een verbod is gekoppeld de activiteit te verrichten
degene die een activiteit uitvoert of laat uitvoeren
duiker met een afsluitklep voor het binnenlaten van hoger gelegen water in een lager gelegen gebied
de snijlijn van het schuine talud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen maaiveld
als bedoeld in artikel 2, van de Richtlijn 912024/271(EEG)3019 Behandeling stedelijk afvalwater, is de gemiddelde hoeveelheid (afbreekbare) verontreiniging die een persoon per etmaal via de riolering afvoert. Het inwonerequivalent (i.e.) wordt uitgedrukt in de hoeveelheid zuurstof die voor afbraak nodig is
apparaat voor het verwijderen van ongewenste ionen uit een vloeistof door middel van hulpstoffen
transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 millimeter (mm) die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel
grens die bij het ontstaan van een perceel wordt vastgelegd bij het Kadaster. Deze grens kan afwijken van de zichtbare gebruiksgrens
beschoeide of gemetselde oeverstrook, waaraan de schepen kunnen aanleggen
richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327)
gebied dat gerekend wordt tot de waterkering bij waterkerende dijklichamen. De kernzone is begrensd door de binnenteen en de buitenteen van de waterkering. De kernzone omvat in ieder geval het keurprofiel en soms ook een deel van het profiel van vrije ruimte
soort grond met een samenstelling van minerale deeltjes, waarvan 8-100% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft van kleiner dan 2 micrometer (μm) en 0-75% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft van 2-63 micrometer (μm)
water dat als koelmiddel in de industrie of energiecentrales wordt gebruikt voor hun proces. Het water wordt onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam om bepaalde productieprocessen te koelen, waarna het verwarmde water weer wordt geloosd in een oppervlaktewaterlichaam
strook tussen buitenkruinlijn en binnenkruinlijn, of het hoogst gelegen deel van een waterkering
onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater. Deze definitie staat in bijlage I onder A van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat om een oppervlaktewater als bedoeld in de kaderrichtlijn water (artikel 2, onder 10)
een civieltechnische constructie voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen, waarvoor andere materialen dan aarde en zand zijn gebruikt
oppervlaktewater, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater
water dat door een drukverschil vanuit de bodem omhoog komt
gebied niet zijnde stedelijk gebied
legger als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet of in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet. In de legger is beschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen
waterkering, niet zijnde primaire waterkeringen, secundaire waterkeringen of regionale keringen. Bijvoorbeeld keringen langs tussenboezems
brengen van (afval)water, warmte of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk
lozen van stoffen, warmte of water. De lozing vindt plaats direct op een oppervlaktewaterlichaam of in een zuiveringtechnisch werk. Bij lozing in een zuiveringtechnisch werk gaat de lozing niet via een vuilwaterriool. Bij de lozingsactiviteit gaat het om de gevolgen van de geloosde stoffen, de warmte of het water voor het watersysteem of het zuiveringtechnisch werk
plek waar door middel van een werk water in een oppervlaktewater wordt gebracht, zonder dat het water uit een ander oppervlaktewater afkomstig is
constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen
hoogteligging van het grondoppervlak in een gebied, met uitzondering van taluds en bermen of andere (kunstmatige) verhogingen dan wel verlagingen
beschermingsbuis bestemd voor de doorvoer van telefoonkabels of elektriciteitsleidingen, of voor de doorvoer van water- en gasleidingen. Een mantelbuis wordt gebruikt bij bijvoorbeeld een doorvoer onder of door een obstakel, zoals een muur, fundering, verkeerweg of anderszins
geheel van zaken die je voor een bepaald doel nodig hebt, ruwe grondstof, bouwstof
alles wat ruimte inneemt en massa heeft, is materie. Materie bestaat uit atomen, die op hun beurt zijn opgebouwd uit protonen, neutronen en elektronen. Materie kent vier natuurlijke toestanden: vaste stoffen, vloeistoffen, gassen en plasma. De vijfde toestand van materie zijn de door de mens gemaakte Bose-Einsteincondensaten
al wat nodig is tot de uitoefening van een bedrijf: werktuigen en machines
drager van een materie of golven. Bijvoorbeeld een vloeistof om een vaste stof in te mengen en daarna aan te ergens op aan te brengen zoals verf of vernis, maar ook een vloeistof of gas die warmte of koude opneemt om elders weer af te geven.
een door land omringde watervlakte
paal in het water, die meestal gebruikt wordt voor het aanmeren van vaartuigen
civiele constructie waarin meetapparatuur (bijvoorbeeld debietmeting) is opgesteld
verzameling waarden, die tijdens een inwinning aan objecten gemeten of zijn berekend
een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) of schriftelijk ingediende mededeling van een initiatief om een activiteit uit te voeren
verplichting om voorafgaande de uitvoering van een bepaalde activiteit een melding te doen bij het waterschap. Het is verboden om zonder volledige en tijdige melding de activiteit te verrichten
schadelijk voor het milieu (waaronder het leven in het water) vanwege de slechte afbreekbaarheid, de mogelijke toxiciteit en het risico van ophoping in het milieu
gebied als bedoeld in artikel 2.6.3, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
representatieve hoeveelheid materiaal die volgens een bepaalde bemonsteringswijze op één bepaalde locatie en op één bepaald tijdstip of gedurende een aaneengesloten tijdsperiode verzameld is uit één compartiment van een watersysteem voor het verrichten van onderzoek
gebied dat door de bevoegde autoriteit van het land waarin het gebied is gelegen is aangewezen als speciale beschermingszone, ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onder a, en 4, eerste en tweede lid, van de vogelrichtlijn of de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de habitatrichtlijn, of een gebied dat is opgenomen op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de habitatrichtlijn
gebied dat gericht is op het behoud, herstel of de ontwikkeling van biodiversiteit en natuurlijke processen, en dat daartoe is aangewezen als Natura 2000-gebied, deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), of op vergelijkbare wijze wordt beheerd met natuurdoelen door een overheid, terreinbeherende organisatie of particuliere eigenaar
gebied dat door een overheid (gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk), een terreinbeherende vereniging of een ander privaat rechtspersoon in eigendom of in gebruik is met het oog op beheer in functie van herstel, ontwikkeling en instandhouding van de biodiversiteit of een Natura 2000-gebied
samenhangend geheel van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden, ecologische verbindingszones en natuurvriendelijk beheerde agrarische gronden, dat door provincies – waaronder de provincies Fryslân en Groningen – planologisch is vastgelegd in hun Omgevingsverordening, met als doel het behouden, herstellen en duurzaam ontwikkelen van biodiversiteit en ecosysteemfuncties in Nederland
oever die ten behoeve van het verbeteren van de ecologische toestand is ingericht, of van nature aanwezig is, met een luwe ondiepwaterzone die oever- en waterplanten de kans biedt zich te ontwikkelen
zelfstandige, onafhankelijke stichting die voor verschillende maatschappelijke thema’s aan de hand van een normalisatieproces op basis van consensus tussen belanghebbenden op nationaal en internationaal niveau afspraken (normen/’best practices’) vastlegt in documenten en in richtlijnen
optie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) om het bevoegd gezag de gelegenheid te geven de klantvriendelijkheid / mate van dienstverlening in te kunnen vullen per onderwerp. Bedoeld om de initiatiefnemer naar de juiste contactpersoon te sturen
norm van het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)
regels uit de waterschapsverordening gelden niet voor de aangegeven situatie
oppervlaktewaterlichaam dat geen aangewezen oppervlaktewaterlichaam is
diepe plassen zoals geregeld onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk)
oppervlaktewaterlichaam dat met het oog op het lozen bijzondere bescherming behoeft
lekkende, uitlogende en vermestende goederen
hét Nederlands standaard vergelijkingsvlak voor de hoogteligging. Een NAP-hoogte van 0 meter is ongeveer gelijk aan het gemiddeld zeeniveau van de Noordzee
Nederlandse Praktijkrichtlijn is een praktische uitwerking van een norm
gebied op de grens van water en land waar het dynamisch samenspel van land en water plaatsvindt
voorziening die is aangebracht langs de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen. Voorbeelden hiervan zijn beschoeiingen, bestaande uit een aan één gesloten rij palen of planken, damwanden en betuiningen
grondkerende constructie ter instandhouding van de gronden gelegen aan een waterloop
proces waarin een semi-permeabel membraan wordt gebruikt om opgeloste vaste stoffen, organische stoffen, pyrogenen, submicro colloïdale materie, virussen, en bacteriën van water te scheiden. Dit proces wordt 'omgekeerde' osmose genoemd, omdat het druk vereist om puur water door een membraan te persen, terwijl alle onzuiverheden achterblijven
vergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet
het plaatselijk lager houden van het waterpeil, dan het waterpeil dat het waterschap voor het betreffende peilgebied heeft vastgesteld of hanteert
dam die tot doel heeft de passage van onderhoudsmachines voor het waterschap mogelijk te maken
partij die de onderhoudsverplichting heeft
water dat onder een kunstwerk loopt als gevolg van een waterstandsverschil. Zie ook piping en achterloopsheid
kunstwerk dat van belang is voor de taakuitoefening van het waterschap of voor het functioneren van het watersysteem
water met een diepte van maximaal 700 millimeter (mm)
gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan, waaronder:
onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting
inrichting of werk, bestemd voor het onttrekken van grondwater
locatie waar water gewonnen wordt uit het oppervlaktewater ten behoeve van industrie of drinkwaterwinning
constructie die geboord of gegraven is onder het maaiveld met als doel het verkrijgen van water uit een aquifer systeem (watervoerend pakket)
afvoer van water uit percelen over en door de grond en eventueel door drainbuizen en greppels naar een stelsel van grotere waterlopen
bezwijken van de grond, door het ontbreken van verticaal evenwicht in de grond, onder invloed van wateroverdrukken
graafmethode waarbij het maaiveld wordt geopend om via een sleuf kabels of leidingen aan te leggen, inspecteren, vervangen of verwijderen
bomen en struiken en andere opgaande beplantingen
binnenwateren, met uitzondering van grondwater; overgangswater en kustwateren en, voorzover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren
onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een watergang (zoals een natte sloot), een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater, inclusief de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en, voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna.
oppervlaktewater in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen beïnvloed wordt
bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam hangt
alle oppervlaktewaterlichamen niet zijnde hoofdwater of schouwwater
waterstand zoals dit als referentiepeil in een peilbesluit is vastgesteld
besluit dat voorziet in de vaststelling van waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden
buis waarmee men de grondwaterstand meet of waarin men monsters neemt van het grondwater
waterstaatkundige eenheid waar eenzelfde waterpeil heerst. Dit peil kan worden geregeld door een gemaal of een stuw. Het peil in een peilgebied wordt in Nederland bepaald door het waterschap waaronder het peilgebied valt. De peilen worden vastgelegd in een peilbesluit
kunstwerk dat een functie vervult in de door het waterschap te handhaven peil, onder andere: gemalen, onderbemalingen, opmalingen, stuwen, peilscheidingsdammen, sluizen, duikers met kleppen, schuiven, stuwende duikers en inlaten
virtuele eenheid van zakelijk recht, in het terrein af te bakenen door middel van uit te zetten en omsluitende rechtsgrenzen, en voorzien van een unieke kadastrale aanduiding volgens de identificatie van het Rijkskadaster
toegankelijkheid verkrijgen tot een perceel dat geheel of gedeeltelijk ingesloten is door oppervlaktewater. De ontsluiting vindt veelal plaats via een brug, duiker, dam met duiker of een dam zonder duiker
buis waarin het afvalwater onder druk stroomt. De druk wordt geleverd door een pomp
eerste plantengroei die opkomt op een kale of pas ontstane plek, zoals natte grond, opgespoten zand of drooggevallen oevers
terugschrijdende erosie in een tunneltje (pipe) onder een dijklichaam. Zie ook onderloopsheid en achterloopsheid. Waterkeringbeheerders kunnen gebruikmaken van het D-soil Model voor de ondergrondschematisering voor sterkteberekening voor piping
(tijdelijk) onder water zetten van grasland of greppels (greppel plas-dras). Ook het onder water zetten, inunderen, van bloembollenvelden wordt onder deze maatregel geschaard
werktuig dat door middel van een verschil in druk vloeistoffen of gassen verplaatst
water dat wordt vastgehouden in de ruimte (of spleten) tussen de vaste deeltjes van de grond
waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming door buitenwater
doorsnede van een object in lengterichting, in dwarsrichting of langs een verticaal, waarbij kenmerken van het object langs de doorsnede worden vastgelegd
ruimte ter weerszijden van, boven en onder een waterstaatswerk die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen
projectbesluit als bedoeld in paragraaf 5.2.3 van de Omgevingswet
projectplan als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet
recreatieve activiteiten zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, schaatsen, kamperen, al dan niet in de vorm van een evenement
niet-primaire of secundaire waterkering die is aangewezen in de Omgevingsverordening van de provincie Fryslân of de provincie Groningen. Deze waterkeringen staan als zodanig in onze legger, hieronder vallen niet alleen de ‘natte’ (bijvoorbeeld kades langs boezemwateren), maar ook ‘droge’ waterkeringen
in de bodem terugbrengen van onttrokken grondwater
rand van riet langs oevers
zuiveringtechnisch werk dat is ingericht om stedelijk afvalwater te zuiveren. Het werk wordt beheerd door of namens het waterschap
natuurlijke waterloop welke fungeert als het zichtbare afvoersysteem van het overtollige water in een bepaald gebied
boorgat dat expres groter is gemaakt dan de diameter van de door te voeren kabel of leiding, om ruimte te geven voor montage, tolerantie, mantelbuis of afdichting.
combinatie van het profiel van vrije ruimte en de daarbij horende toekomstige beschermingszones. Deze toekomstige beschermingszones zijn door het waterschap berekend
oppervlaktewaterlichaam in onderhoud bij de eigenaren van de aan die wateren grenzende percelen, zoals in de legger aangegeven, voor deze wateren geldt de schouwplicht
waterkering die bij doorbraak van de primaire waterkering de overstroming kunnen beperken of vertragen
korrelvormig materiaal dat door verwering en erosie van het vaste aardoppervlak is ontstaan
onderzoek naar de bodemopbouw door kunstmatig opgewekte trillingen
medium dat water toestaat om te passeren, maar opgeloste vaste stoffen tegenhoudt, zodat het gebruikt kan worden om vaste stoffen van water te scheiden
tank waarin het afvalwater wordt gezuiverd via een proces van bezinking, opdrijving en biologische afbraak. Het zuiveringsrendement hangt onder meer af van de verblijftijd van het afvalwater in de tank
bepalen van het draagvermogen van de grond door een staaf met kegelvormige punt met een tophoek van 60 graden, de sondeerconus, in de grond te drukken en daarbij de mechanische weerstand van de grond te meten
onttrekken van grondwater uit het watervoerende pakket met als doel de opwaartse druk te verlagen om opbarsten van de bodem te voorkomen
voertuig, als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet, bestemd voor het verkeer over spoorwegen
huishoudelijk afvalwater of een mengsel van huishoudelijk afvalwater met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Stedelijk afvalwater gaat via het openbaar vuilwaterriool naar een zuiveringtechnisch werk, ook wel rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) genoemd. Regenwater dat niet via de riolering met huishoudelijk afvalwater wegstroomt, valt niet onder stedelijk afvalwater. Ook bedrijfsafvalwater dat rechtstreeks naar een zuiveringsinstallatie gaat, valt niet onder stedelijk afvalwater
in principe valt elke bebouwde kom onder “stedelijk gebied” met dien verstand dat er wel sprake moet zijn van een kern met een “stedelijk” watersysteem. Lint bebouwing wordt in principe niet als stedelijk gebied aangemerkt. De afwatering is bij lint bebouwing diffuus verspreid over grotere oppervlakken, waardoor de hoeveelheid aan en af te voeren water per watergang gering is. Het stedelijk gebied kan zowel industrieterreinen als woonwijken betreffen. Uitgesloten zijn de gebieden, die binnen de bebouwingscontour volgens het bestemmingsplan een agrarische bestemming hebben
afzonderlijk monster dat op een moment genomen wordt
constructie die deels over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende deel
nationaal coördinatensysteem. Het Stelsel van de Rijksdriehoeksmeting (RD) bestaat uit een netwerk van ongeveer 5.600 RD-punten verspreid over Nederland. Het Rijksdriehoeksstelsel is onderdeel van de Nederlandse geodetische infrastructuur. De punten uit het Rijksdriehoeksstelsel (RD-punten) worden door het Kadaster gecontroleerd en onderhouden
potentieel peil van het wateroppervlak van grondwater, gemeten vanaf een bepaald niveau (bijvoorbeeld Normaal Amsterdams Peil (NAP), maar meestal de hoogte van de bodem). Het is de hoogte van het water in een peilbuis, of waar het grondwater zou staan als men een put zou slaan
vorm van materie. In het geval van meten van stof is stof bedoeld als zijnde heel kleine deeltjes. In het geval van een lozing is stof bedoeld als zijnde afvalstof, verontreinigende of schadelijke stof
vaste of beweegbare constructie in het water die dient om de waterhoogte bovenstrooms en/of benedenstrooms van de constructie te regelen
onder helling gelegen vlak
territoriale zee als bedoeld in artikel 1, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee
partijen grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing.
toestemming om zonder voorafgaande melding een activiteit te starten, veranderen of uit te voeren. Er zijn geen specifieke regels voor de uitvoering van deze activiteit. Indien er sprake is van een zorgplicht of het wijzen op algemene regels, zijn hiervoor teksten in de toelichting op deze conclusie opgenomen
weglopen via het(grond)water grondwater in het oppervlaktewater van bepaalde stoffen, zoals fosfaat en stikstof. Transport van materie vanuit tussenlaag of ondergrond door de toplaag naar buiten. Uitspoeling kan leiden tot vermesting of verzuring van oppervlaktewater en heeft daardoor negatieve gevolgen voor de gebruiksfunctie natuur
constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen
elk voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand water
dieren die de mens wegens hun nut houdt
verboden om een activiteit (op een bepaalde wijze) te verrichten en daar zal ook geen vergunning voor worden verleend
dieper maken van een oppervlaktewaterlichaam
omgevingsvergunning tenzij expliciet anders vermeld
verplichting om voorafgaande de uitvoering van een bepaalde activiteit een vergunning te verkrijgen van het waterschap. Het is verboden om zonder vergunning de activiteit te verrichten
grondoppervlak waarop hemelwater niet in de bodem kan infiltreren, zoals daken, bestrating of asfalt
wijze waarop een weg, tuin of terrein geheel of gedeeltelijk is verhard en is bedoeld om de weg of terrein goed begaanbaar te maken of houden
ondieper maken van een oppervlaktewaterlichaam
Waterschapsverordening Wetterskip Fryslân, tenzij anders expliciet vermeld
verschijnsel dat water door toename van verhard oppervlak sneller in een oppervlaktewaterlichaam of riolering terechtkomt
Baggerspecie die op ongewenste plaatsen is gesedimenteerd elders weer terugbrengen in het watersysteem. De sedimentbalans wordt zo hersteld
scheidingsput in het rioolstelsel die dient om bezinkbaar en drijvend vuil, slib, etensresten en vet uit het afvalwater te halen door het af te scheiden
constructie op maaiveldhoogte deels of geheel over het oppervlaktewaterlichaam. Hieronder vallen mede houten vloeren, werken op palen, visstoepen en boenstoepen
elk buitendijks gebied vormt een voorland
maatregel met een functie zoals een bodembeschermende voorziening, brandblusvoorziening, uitstroomvoorziening of een oeverbeschermende voorziening
openbaar vuilwaterriool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, aangesloten op een zuiveringsvoorziening, die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet mede voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bedoeld, of aangesloten op een zuiveringtechnisch werk of een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, aangesloten op een zuiveringtechnisch werk
Waddeneilanden in het beheergebied van het waterschap: Ameland, Terschelling, Vlieland en Schiermonnikoog
bedrijven gebruiken oppervlaktewater soms als koelwater. Na gebruik loost het bedrijf het dan verwarmde water weer in het oppervlaktewater. De warmtevracht is een maat voor het opwarmend vermogen van het koelwater. De warmtevracht is afhankelijk van de lozingssnelheid en het temperatuurverschil tussen het koelwater en het oppervlaktewater
apparaat dat warmte of koude van een vloeistof en/of gas gescheiden overbrengt naar een ander medium
de meest algemene, over de gehele aarde verbreide vloeistof die, als zij zuiver is, geen kleur, reuk of smaak heeft en waarvan de moleculen uit twee atomen waterstof en één atoom zuurstof bestaan (H2OH2O)
verzameling van verschillende activiteiten die allemaal een relatie hebben met water: beperkingengebiedactiviteit rond een waterstaatswerk, beperkingengebiedactiviteit rond een installatie in een waterstaatswerk (het gaat hierbij niet om mijnbouwinstallaties), lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteit op zee, wateronttrekkingsactiviteit, activiteiten waarover de waterschapsverordening regels bevat
advies op basis van de wateraspecten en de gesignaleerde kansen en knelpunten waaruit duidelijk volgt met welke regelgeving rekening moet worden gehouden
bevoegd bestuursorgaan van het overheidslichaam dat belast is met beheer
de kans op nadelige effecten voor het water in bijvoorbeeld kanaal, sloot of meer
bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust
breedte van een oppervlaktewaterlichaam of watergang ter hoogte van de waterspiegel
verticale afstand tussen waterspiegel en waterbodem
lijnvormig object dat water voert
kunstmatige hoogte, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan, of hoge gronden inclusief de daarin aanwezige ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben
snijlijn van het watervlak ter hoogte van het peil met de aangrenzende gronden
onttrekken van stoffen, warmte of water. Bij de onttrekkingsactiviteit gaat het om de gevolgen van de onttrokken stoffen, warmte of water voor het watersysteem
peil van een oppervlaktewaterlichaam of watergang
plant die zich heeft aangepast aan een tijdelijk of continu submers (onderwater) bestaan. De waterplant groeit in een dusdanig vochtige omgeving waar andere planten niet kunnen overleven
Wetterskip Fryslân
grensvlak tussen water en lucht
oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk
samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken
watervergunning als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet
één of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater
bouwwerk, infrastructuur of andere functionele toepassing van bouwstoffen. De definitie staat in artikel 4.1257, tweede lid 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
geometrisch aangewezen en begrensd gebied waarop een juridische regel betrekking heeft
Omgevingswet
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagoverschot
soort grond van grotendeels minerale deeltjes, waarvan minimaal 50% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft tussen 63 micrometer (µm) en 2 millimeter (mm) en maximaal 8% massa per massa (m/m) een korrelgrootte heeft kleiner dan 2 micrometer (µm)
een met water gevulde uitgraving in het landschap ten behoeve van de zand- en grindwinning ook bekend als diepe plas
grote hoeveelheid water, die in verbinding staat met een andere zee of met een oceaan, die ook als zee kan worden aangeduid, zij het dat een oceaan een zelfstandig geheel vormt met een eigen circulatie (zeestroom)
oppervlaktewaterlichaam, niet zijnde een zout oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2022
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagtekort
verplichting van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige tot handelen of nalaten ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
Zeeuwse Delta, Waddenzee of Noordzee, inclusief de havens die hiermee in open verbinding staan en die geen open verbinding hebben met hun achterland, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit 2022
werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen zuiveringtechnisch werk is, bijvoorbeeld een IBA
werk voor het zuiveren van stedelijk afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente. Of bij een rechtspersoon die door het dagelijks bestuur van een waterschap met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast, inclusief het bij dat werk behorende werk voor het transport van stedelijk afvalwater. Een openbaar vuilwaterriool is geen zuiveringtechnisch werk, maar sluit hierop aan. In de praktijk wordt als grens tussen het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnisch werk een overdrachtspunt gehanteerd. Op dit punt vindt de feitelijke overdracht van stedelijk afvalwater van de gemeente aan het waterschap plaats. Het werk voor het transport van stedelijk afvalwater vóór het overdrachtspunt is een openbaar vuilwaterriool. Na het overdrachtspunt hoort dit werk bij het zuiveringtechnisch werk
bodemsoort (klei) met het vermogen om relatief veel water op te nemen. Het volume wordt groter en de massa klei zwelt daardoor op. Een voorbeeld van zwelklei is bentoniet
nieuw object of voorziening dat is gemaakt van hetzelfde materiaal én heeft dezelfde vorm met dezelfde afmetingen als het te vervangen object of voorziening. Hierbij geldt ook dat een nieuw object of voorziening wordt geplaatst op exact dezelfde plek, op exact dezelfde diepte en hoogte als het te vervangen object of voorziening
HHH
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4781332d-0f78-4959-a486-01f72e1265d3/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c639ca7f-79f5-4236-87d3-e448f55ef182/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c639ca7f-79f5-4236-87d3-e448f55ef182/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4781332d-0f78-4959-a486-01f72e1265d3/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/bfa76636-f993-4385-beae-8133e2f51bf7/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/bfa76636-f993-4385-beae-8133e2f51bf7/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/79d8c73c-44f9-4d9b-8d64-afa560e48444/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/79d8c73c-44f9-4d9b-8d64-afa560e48444/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/068450c1-c82e-46ee-939b-cc9dba5a1e16/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/068450c1-c82e-46ee-939b-cc9dba5a1e16/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3377c767-316b-41e3-82b5-372abc6f7c03/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3377c767-316b-41e3-82b5-372abc6f7c03/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c4c7f013-b884-4f6c-b9b0-9fc9664069f7/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c4c7f013-b884-4f6c-b9b0-9fc9664069f7/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/58c219ca-144c-450a-8e8a-e84c66e7b5f3/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/58c219ca-144c-450a-8e8a-e84c66e7b5f3/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/05142681-23f8-4703-bb0e-cd27257e87a3/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/05142681-23f8-4703-bb0e-cd27257e87a3/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/9dde54c7-30c1-4b52-b48c-26775fd04b54/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/9dde54c7-30c1-4b52-b48c-26775fd04b54/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/a87fab54-e1c9-4f88-b4b2-66a857e88530/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/a87fab54-e1c9-4f88-b4b2-66a857e88530/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/41ef1b60-f567-49dd-965b-e246e4334f43/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/41ef1b60-f567-49dd-965b-e246e4334f43/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/38c4aff4-804e-49ea-bccd-00c94f88a954/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/38c4aff4-804e-49ea-bccd-00c94f88a954/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3fc0435c-0189-476f-9014-455c06f4ebc4/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3fc0435c-0189-476f-9014-455c06f4ebc4/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e700cb7b-6907-49bb-9dd5-4ddd8100b889/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e700cb7b-6907-49bb-9dd5-4ddd8100b889/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/8b43298f-7d45-406b-9e05-899632e655b5/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/8b43298f-7d45-406b-9e05-899632e655b5/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/85537469-8ec6-4f4e-af05-7a71070be0c5/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/85537469-8ec6-4f4e-af05-7a71070be0c5/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/f064f826-a98e-4a6b-926f-0d1aa31dfd98/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/f064f826-a98e-4a6b-926f-0d1aa31dfd98/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/bcc3ce78-d4a6-4cde-b32c-c00eb9e2cec0/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/bcc3ce78-d4a6-4cde-b32c-c00eb9e2cec0/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4d42ab44-5272-4fb1-9224-36956e140631/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4d42ab44-5272-4fb1-9224-36956e140631/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/2b900194-5f05-4fe4-9a60-8094040a4de1/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/5ac478cc-d662-4dd9-a333-3d000f6621db/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e9529c95-7bdd-4c79-b81c-d371f5269c87/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/0fbc7774-1739-4974-9507-e2db72a0fb25/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/0aeae7b5-58c0-4f22-8c51-96055527f75a/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1652f552-7f6c-4b9d-a25c-6f24fb3e43f5/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1652f552-7f6c-4b9d-a25c-6f24fb3e43f5/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/29a64a75-d49f-41f3-b1c9-8c5bf92f345b/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/29a64a75-d49f-41f3-b1c9-8c5bf92f345b/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1b97b19e-feea-405f-8086-c4ad7da457f2/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1b97b19e-feea-405f-8086-c4ad7da457f2/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/fe007926-7bac-43b6-a42e-a8f8ccc16860/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/fe007926-7bac-43b6-a42e-a8f8ccc16860/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/400a774c-35d9-4f6d-a9d4-e385027aa446/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/400a774c-35d9-4f6d-a9d4-e385027aa446/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/030f0ba5-0537-4888-a500-466c24d140f9/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/030f0ba5-0537-4888-a500-466c24d140f9/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/fa16bd46-0f97-492a-937d-3ce4d353ff53/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/fa16bd46-0f97-492a-937d-3ce4d353ff53/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/ce18809f-7880-4522-ad60-6ef72d0d6825/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/ce18809f-7880-4522-ad60-6ef72d0d6825/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c7558dbb-6a6a-404f-adea-9663aec6081c/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c7558dbb-6a6a-404f-adea-9663aec6081c/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c5a91cd5-bd82-4682-ad55-bf440814d48e/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c5a91cd5-bd82-4682-ad55-bf440814d48e/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/f21a5b0d-e6e1-48de-b4fc-ff52d454aaa4/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/f21a5b0d-e6e1-48de-b4fc-ff52d454aaa4/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/d9b2e15b-531c-4d0c-aa2e-1fa5cd1e84b1/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/d9b2e15b-531c-4d0c-aa2e-1fa5cd1e84b1/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/58fbea31-12c1-4a7b-9289-632cfaa9531b/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/58fbea31-12c1-4a7b-9289-632cfaa9531b/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/33fd1805-97e1-473c-b462-17ec35922ba7/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/33fd1805-97e1-473c-b462-17ec35922ba7/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/7ee541a3-b7b7-4cf0-8bbc-a9eb1d7a8dad/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/7ee541a3-b7b7-4cf0-8bbc-a9eb1d7a8dad/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/915948ca-f039-4c1d-8136-09a8ea525c28/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e1034c1a-5426-4664-abd7-3a53ccc9eaf6/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e1034c1a-5426-4664-abd7-3a53ccc9eaf6/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4369193d-2b9a-475e-8311-1d8e2e9582e3/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4369193d-2b9a-475e-8311-1d8e2e9582e3/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4c5a6ec6-c6d8-45e4-b41f-ba8eba47e50b/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/4c5a6ec6-c6d8-45e4-b41f-ba8eba47e50b/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/5a6d2a9c-e4fc-4761-8c88-9472c299b5ec/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c554806d-eb86-499b-b5b5-56566d465921/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c554806d-eb86-499b-b5b5-56566d465921/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/2406a910-4ae4-4bc2-85a6-a2c57e83ee16/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/2406a910-4ae4-4bc2-85a6-a2c57e83ee16/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/0ab3e409-0586-423c-b5aa-89aa279c9e8c/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/0ab3e409-0586-423c-b5aa-89aa279c9e8c/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/2b2b41f8-4577-4ca9-bfa2-9f433da2404e/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/2b2b41f8-4577-4ca9-bfa2-9f433da2404e/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2025‑12‑09/2ac019e7-68be-4196-82a0-12a133a3668a/nld@2025‑12‑09;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/5ec0d84e-5eda-4122-b1c0-f1a7d5780641/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/5ec0d84e-5eda-4122-b1c0-f1a7d5780641/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/b2da47c9-77ee-4b4d-ba53-13240a7e688f/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/b2da47c9-77ee-4b4d-ba53-13240a7e688f/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/759a1fcb-3ff9-48f4-9e69-714cdf83be9c/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/759a1fcb-3ff9-48f4-9e69-714cdf83be9c/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1e03cca3-3ca2-4631-b67b-49d8531b4e37/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1e03cca3-3ca2-4631-b67b-49d8531b4e37/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1af6a7d6-e8ee-4a20-89ad-9890a5b50dd0/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1af6a7d6-e8ee-4a20-89ad-9890a5b50dd0/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2025‑12‑09/c18ec7a5-6344-4a06-8bd8-a0bdfcebab7f/nld@2025‑12‑09;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1865ae49-795f-46a9-8531-8523203196e7/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/1865ae49-795f-46a9-8531-8523203196e7/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/b8b6a178-8740-4583-9a7c-cf5219d95cc3/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/b8b6a178-8740-4583-9a7c-cf5219d95cc3/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/9d88f65a-4167-44eb-8c2d-d620a697d831/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/9d88f65a-4167-44eb-8c2d-d620a697d831/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c4a6b0f2-68f8-43b6-81b2-0ae043be3223/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/c4a6b0f2-68f8-43b6-81b2-0ae043be3223/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/d5ead21d-525a-4c44-8bd0-981fc74c3b2d/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/d5ead21d-525a-4c44-8bd0-981fc74c3b2d/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/6b082883-4ec0-4f04-8db1-dfab2215a022/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/6b082883-4ec0-4f04-8db1-dfab2215a022/nld@2025‑12‑09;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/230aba19-9949-4514-8954-116f9a65db25/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/230aba19-9949-4514-8954-116f9a65db25/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3f193a42-8cf1-4bea-be0b-d6005fcd05f0/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3f193a42-8cf1-4bea-be0b-d6005fcd05f0/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3cdd5cc1-bc43-42bb-b918-b35f19e4bb6c/nld@2024‑09‑04;2
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/3cdd5cc1-bc43-42bb-b918-b35f19e4bb6c/nld@2025‑12‑09;3
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e13930c2-7a4f-43a7-b751-5846fd192a27/nld@2023‑12‑05;1
/join/id/regdata/ws0653/2023‑12‑05/e13930c2-7a4f-43a7-b751-5846fd192a27/nld@2025‑12‑09;2
III
Algemene Toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
1. Grondslag van de waterschapsverordening
De waterschapsverordening is een algemene verordening van het waterschap waarin vrijwel alle regels over de fysieke leefomgeving van het waterschap zijn opgenomen. De waterschapsverordening vervangt de keur en de algemene regels. De grondslag voor deze waterschapsverordening is artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet waarin staat dat het waterschap verordeningen vaststelt die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die op basis van artikel 1 van de Waterschapswet aan waterschappen worden opgedragen betreffen de zorg voor het watersysteem (inclusief waterkwaliteit) en de zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kunnenkan nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld het vaarwegenbeheer.
Artikel 2.5 van de Omgevingswet schrijft verder voor dat het algemeen bestuur één waterschapsverordening vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.
2. Omgevingswet en digitaal stelsel
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Principes van de Omgevingswet zijn onder andere lokale afwegingsruimte (minder rijksregels), minder verboden en vergunningplichten, snelle besluitvorming en informatie voor iedereen beschikbaar.
Wetterskip Fryslân heeft er voor gekozen om beleidsluw over te gaan. Dit houdt in dat de waterschapsverordening qua vorm en opzet volledig voldoet aan de uitgangspunten van de Omgevingswet, terwijl de veranderingen ten opzichte van de oude regels inhoudelijk beperkt zijn. Om te voldoen aan de Omgevingswet zijn de keur en algemene regels omgezet naar een digitale waterschapsverordening. Deze digitalisering is onderdeel van het landelijke Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), waarin ook de regelgeving van Rijk, provincie, gemeenten en andere waterschappen digitaal ontsloten wordt.
De digitalisering van de waterschapsverordening in het DSO gaat gepaard met een verbeterde dienstverlening aan gebruikers van de digitale voorziening door middel van zogenoemde toepasbare regels en vragenbomen. Nieuw is dat de regels over activiteiten zijn gekoppeld aan geometrisch aangewezen en begrensde werkingsgebieden, die in artikel 1.4 van de waterschapsverordening zijn opgenomen en op een digitale kaart voor gebruikers aanklikbaar zijn.
Via toepasbare regels (het gaat hier niet om juridische regels maar vragenbomen in het DSO die hier niet ter inzage gaan) wordt de juridische tekst van de waterschapsverordening toegankelijk gemaakt aan de hand van vragen(bomen) die burgers naar de op hun activiteit en locatie toepasselijke juridische regels leiden. Zo kan een gebruiker eenvoudig nagaan of een activiteit op een bepaalde locatie is toegestaan, of een vergunning- of meldingsplicht geldt en aan welke algemene regels eventueel moet worden voldaan.
2. Omgevingswet en digitaal stelsel
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Belangrijke uitgangspunten zijn meer lokale afwegingsruimte, minder rijksregels en vergunningplichten, snellere besluitvorming en toegankelijke informatie.
Wetterskip Fryslân is beleidsluw overgegaan: de keur en algemene regels bij de keur zijn vrijwel ongewijzigd omgezet in een digitale waterschapsverordening. Deze sluit volledig aan bij de Omgevingswet en is via het landelijke Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) samen met de regels van andere overheden beschikbaar.
De digitalisering gaat gepaard met betere dienstverlening door toepasbare regels en vragenbomen. Daarbij zijn activiteiten gekoppeld aan zogenoemde werkingsgebieden: duidelijk begrensde zones op een digitale kaart waar specifieke regels gelden, bijvoorbeeld voor dijken, watergangen of natuurgebieden. Deze zijn benoemd in artikel 1.4. Via vragenbomen worden gebruikers stap voor stap naar de juiste regels geleid, zodat zij eenvoudig kunnen nagaan of een activiteit op een locatie is toegestaan of een vergunning of melding nodig is en welke algemene regels gelden.
3. Belangrijke wijzigingen waterschapsverordening
Behalve de digitalisering zijn er nog drie belangrijke wijzigingen: het opnemen van de algemene regels in de waterschapsverordening, het vervallen van de onderhoudsbepalingen en het opnemen van rijksregels met betrekking tot lozingen.
Algemene regels in de waterschapsverordening
Het was in de keur verboden om zonder watervergunning activiteiten uit te voeren op of aan waterstaatswerken. Om te voorkomen dat voor elk kleinigheidje een relatief zware vergunningprocedure moest worden doorlopen zijn in 2010 algemene regels gemaakt. Op basis hiervan kon voor eenvoudige activiteiten met een melding worden volstaan. Ook was het mogelijk dat activiteiten geheel vrij gesteld worden van vergunningplicht en meldingsplicht. In 2013, 2015 en 2018 zijn de algemene regels aangepast en heeft steeds verdere deregulering plaatsgevonden. Deze lijn wordt voortgezet in deze waterschapsverordening, alleen maken de algemene regels nu integraal deel uit van de waterschapsverordening.
Algemene regels in de waterschapsverordening
In de keur gold het verbod om zonder watervergunning activiteiten op of aan waterstaatswerken uit te voeren. Om te voorkomen dat voor geringe ingrepen een zware vergunningprocedure moest worden doorlopen, zijn in 2010 algemene regels aan de keur toegevoegd. Hierdoor konden eenvoudige activiteiten met een melding worden afgedaan of geheel worden vrijgesteld van vergunning- en meldingsplicht. In 2013, 2015 en 2018 zijn deze algemene regels verder aangepast, waarbij telkens verdere deregulering heeft plaatsgevonden. Deze lijn wordt in de waterschapsverordening voortgezet: de algemene regels van de keur maken nu integraal onderdeel uit van de verordening. De voorwaarden uit de voormalige algemene regels zijn per activiteit opgenomen bij de artikelen over de mogelijke uitkomsten, terwijl de voorschriften in afzonderlijke artikelen Algemene Regels zijn ondergebracht. Voorschriften zijn steeds van toepassing en gelden naast de voorwaarden.
Onderhoudsplichten uit de waterschapsverordening
Op grond van artikel 2.2 van het Omgevingsbesluit mogen onderhoudsplichten niet in de waterschapsverordening opgenomen worden. Bij de invoering van de waterschapsverordening wordenzijn deze onderdelen van de keur daarom opgenomen in een aparte onderhoudsverordening. In de legger worden de onderhoudsplichtigen van de waterstaatswerken aangewezen. In de aparte onderhoudsverordening staat wat ze moeten doen. Dit wordt nog nader toegelicht in de Beleidsregels Integrale legger en Waterschapsverordening van Wetterskip Fryslân.
Beschermingszones uit de legger in de waterschapsverordening
Met invoering van de Omgevingswet komenzijn de beschermingszones als onderdeel van de legger komen te vervallen. Onder de systematiek van de Omgevingswet zijn deze zones beperkingengebieden gaan heten en in de Waterschapsverordening opgenomen. Deze zones naast het waterstaatswerk zijn specifiek aangegeven om daarin regels te stellen voor activiteiten. Waar welke regels voor activiteiten gelden, is voortaan te zien in het portaal van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Zie ookIn de toelichting bij artikelartikel 1.4 1.4 metstaat uitleg over beperkingengebieden.
Decentralisatie van lozingen: de bruidsschat
Een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet is het bieden van meer ruimte voor gebiedsgericht maatwerk. Om dit mogelijk te maken, wordtis bepaalde regelgeving overgeheveld van het Rijk als centrale overheid naar lokale overheden. Dit wordt ook wel de bruidsschat genoemd. De lokale overheden kunnen deze wetgeving vervolgens naar eigen inzicht aanpassen. Voor waterschappen betreft het regelgeving over lozingen op oppervlaktewateren of een zuiveringtechnisch werk. Wetterskip Fryslân heeft ervoor gekozen om de regels in eerste instantie grotendeels over te nemen. Waar deze wel zijn gewijzigd zijn ze in overeenstemming gebracht met bestendig beleid van het waterschap.
4. Opbouw van de waterschapsverordening en inhoud op hoofdlijnen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Het eerste hoofdstuk bevat algemene bepalingen over begrippen en enkele algemene onderwerpen die relevant zijn voor de gehele waterschapsverordening zoals de specifieke zorgplicht. DezeDe zorgplicht geldt altijdblijft in alle gevallen van kracht, dus ook naast bijvoorbeeld eenongeacht de uitkomst: melding, vergunning, meldingsplichttoestemmingsvrij of vergunningplichteen andere verplichting. Verder komen er in het artikel over het toepassingsbereik van de waterschapsverordening nog enkele uitzonderingen aan bod, waaronder het uitvoeren van onderhoudsverplichtingen, die vallen niet vallen onder de waterschapsverordening en zijn dus niet vergunning- of meldingsplichtig zijn. Ook bevat dit hoofdstuk een vangnetbepalingde vangnetbepalingen. Als een activiteitlozingsactiviteit niet is beschreven in de waterschapsverordening én, dan geldt de vergunningplicht van artikel 1.10. Voor iedere andere activiteit die niet in deze waterschapsverordening is beschreven en die niet in overeenstemming is met de functie van het waterstaatswerk, dan geldt de vergunningplicht van artikel 1.9.
Hoofdstuk 2 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk
Dit is de zogenoemde bruidsschat. Dit zijn regels die van het Rijk naar het waterschap zijn gegaan. Deze zijn nagenoeg ongewijzigd overgenomen. Het gaat daarbij niet over baggeren, want dat is in hoofdstuk 4 geregeld. Hoofdstuk 2 bevat aan het einde van paragraaf 2.20 twee vangnetbepalingen. Als ten aanzien van de lozingsactiviteiten van hoofdstuk 2 niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in hoofdstuk 2 dan geldt een vergunningplicht.
Hoofdstuk 2 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk
Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij Wetterskip Fryslân, evenals op lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die door het waterschap worden beheerd. Het hoofdstuk opent met bepalingen over de kwantiteit van het water en gaat vervolgens in op de kwaliteit ervan. De artikelen in dit hoofdstuk gelden ook voor lozingsactiviteiten die voortkomen uit een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden de bepalingen als maatwerkregels in de zin van artikel 2.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Indien een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van een dergelijke milieubelastende activiteit, is dat expliciet in het betreffende artikel vermeld. Baggerwerkzaamheden vallen buiten dit hoofdstuk, omdat deze zijn geregeld in hoofdstuk 4.
Hoofdstuk 3 Wateronttrekkingsactiviteiten en in de bodem brengen van water
Onttrekkingen van grondwater en oppervlaktewater en het infiltreren van water in de bodem worden in dit hoofdstuk geregeld.
Hoofdstuk 4 Beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk
Bij de waterstaatswerken (b.v. waterkeringen en watergangen) beperkt het waterschap de activiteiten die daar mogen worden uitgevoerd door regels te stellen. De gebieden waarbinnen deze regels gelden zijn beperkingengebieden. Een activiteit binnen zo’n gebied wordt een beperkingengebiedsactiviteit genoemd.
Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen
Het laatste hoofdstuk regelt het overgangsrecht voor watervergunningen, die voor inwerkingtreding van deze waterschapsverordening zijn verleend. Alsmede overgangsrecht voor meldingen, maatwerkvoorschriften en handhavingsbesluiten. Daarnaast bevat hoofdstuk 5 een bepaling die de keur en algemene regels intrekt, een inwerkingtredingsbepaling en een citeertitel.
5. Leeswijzer
In hoofdstuk 2 tot en met 4 zijn activiteiten beschreven waarvoor onder bepaalde voorwaarden geen vergunningplicht geldt, maar waar met een melding kan worden volstaan of die soms geheel toestemmingsvrij zijn (geen vergunningplicht en geen meldingsplicht). Is de activiteit niet specifiek beschreven in hoofstuk 2 tot en met 4 dan gelden de vangnetvergunningplichten van hoofdstuk 1.
De regels over activiteiten zijn als volgt opgebouwd:


Het toepassingsbereik van een artikel omvat alle activiteiten waarop de regeling ziet. De mogelijke uitkomsten – toestemmingsvrij, meldingsplichtig, vergunningplichtig of anderszins – vullen elkaar aan en beslaan gezamenlijk het gehele toepassingsbereik. Het onderscheid wordt bepaald door de voorwaarden: zolang aan de voorwaarden van de lichtste categorie wordt voldaan, geldt die uitkomst, en bij het niet voldoen verschuift de activiteit naar een zwaardere categorie. Daarmee is steeds slechts één uitkomst van toepassing. De systematiek loopt op van licht naar zwaar en wijkt daarmee af van de klassieke opbouw vanuit een verbod met uitzonderingen.
De teksten zo geschreven dat ze zo veel mogelijk voldoen aan het 'Toepassingsprofiel Waterschapsverordeningen' volgens de 'STandaard Officiële Publicaties met ToepassingsProfielen voor OmgevingsDocumenten (STOP/TPOD)', en de ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’ voor de opbouw van de teksten:
Hoofdstuk, paragraafafdeling, artikel, leden, onderdeel (a.), subonderdeel (1º.), subsubonderdeel (i.);
Opsommingen: Hierbij is de hoofdregel dat wanneer een zin in een opsomming eindigt met een punt komma (;) dit dan betekent ‘en’. Soms is het woordje ‘en’ voor de duidelijkheid toegevoegd. Als er ‘of’ wordt bedoeld dan wordt dit altijd vermeld.
Opsommingen: In de tekst staat altijd of het ‘en’ of ‘of’ betreft. Deze aanduiding geldt voor de hele opsomming totdat een nieuwe aanduiding volgt en staat in ieder geval bij de een-na-laatste regel.
JJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de begripsomschrijvingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de bij artikel 1.1 van de Omgevingswet behorende bijlage. Voor de zelfstandige leesbaarheid van de waterschapsverordening zijn enkele begrippen uit de Omgevingswet letterlijk overgenomen.
In het eerste lid wordt aangegeven op welke gebieden deze waterschapsverordening van toepassing is; de werkingsgebieden van deze waterschapsverordening. In het tweede lid wordt dit toepassingsbereik voor artikel 1.2 en enkele hoofdstukken van de waterschapsverordening begrensd.
Onderdeel c van het eerste lid zorgt ervoor dat waterstaatswerken in het beheergebied van het waterschap altijd beschermd worden tegen activiteiten die rondom de waterstaatswerken worden verricht. Een activiteit die net buiten de grens van het beheergebied wordt verricht, maar wel in de beschermingszone van een waterstaatswerk binnen het beheergebied, valt dan nog binnen het toepassingsbereik van deze waterschapsverordening.
In onderdeel a van het tweede lid is bepaald dat geen omgevingsvergunningsplicht geldt voor projecten, waarvoor door het dagelijks bestuur een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de wet, wordt vastgesteld. Een projectbesluit kan worden vastgesteld met het oog op de taken van het waterschap op het gebied van het beheer van watersystemen (voor zover het beheer daarvan aan het waterschap is toegedeeld) en het waterketenbeheer (de zuivering van stedelijk afvalwater, gebracht in een openbaar vuilwaterriool, in een zuiveringtechnisch werk).
Voor aanleg, vastlegging of versterking van primaire waterkering en die in beheer zijn bij het waterschap geldt op basis van artikel 5.46, tweede lid, Omgevingswet de verplichting een projectbesluit vast te stellen. Voor andere grootschalige projecten kan het waterschap zelf bepalen of ze een projectbesluit vaststellen of dat ze bijvoorbeeld aan zichzelf een omgevingsvergunning verlenen voor de uitvoering van een project.
Onderdeel b van het tweede lid is als begrenzing opgenomen om een omgevingsvergunning niet verplicht te stellen voor activiteiten die nodig zijn voor het beheer, bediening en onderhoud van het watersysteem of onderdelen daarvan door of in opdracht van het waterschap.
Onderdeel c van het tweede lid heeft het toepassingsbereik ook begrensd voor overige onderhoudsplichtigen, zodat een verplichting tot het plegen van onderhoud niet ook leidt tot een omgevingsvergunningsplicht. De voorschriften voor het onderhoud worden dan in de onderhoudsplicht geformuleerd en niet in een aanvullende vergunning. De begrenzing van het toepassingsbereik in het tweede lid is niet van toepassing op de regels met betrekking tot lozen en onttrekken. De regels voor lozen blijven onverkort van kracht.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van de fysieke leefomgeving waarop deze waterschapsverordening van toepassing is.
De doelen van deze waterschapsverordening vormen het algemene kader voor wat in deze verordening geregeld wordt. Voor deze doelen is aangesloten bij artikel 2.17 van de Omgevingswet. In dit artikel van de Omgevingswet zijn de waterschapstaken voor de fysieke leefomgeving toegedeeld.
Het begrip beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Waterschappen kunnen voor alle typen waterstaatswerken beperkingengebieden aanwijzen. In een beperkingengebied gelden beperkingen voor de activiteiten van derden. Hierin zit de koppeling met het begrip beperkingengebiedactiviteit. De Omgevingswet definieert dit begrip als een activiteit binnen een beperkingengebied. Een beperkingengebiedactiviteit bij een waterstaatswerk zoals een oppervlaktewaterlichaam is bijvoorbeeld de aanleg van een brug.
Een werkingsgebied is onderdeel van de regels in de nieuwe waterschapsverordening. Die regels bestaan straks uit juridische regeltekst en werkingsgebieden. Het betreft hier een (ruimtelijk) gebied waarop een juridische regel betrekking heeft. Dit betekent dat specifieke regels alleen gelden binnen de grenzen van een bepaald gebied. Het begrip wordt voornamelijk gebruikt binnen het Digitaal Stelsel Omgevingswet.
Het begrip beperkingengebied is ook een werkingsgebied, maar het kan ook om andere gebieden gaan waar bepaalde regels gelden ter bescherming van het watersysteem. Denk bijvoorbeeld aan regels over de activiteit uitbreiden van verhardingen in een gebied met weinig waterberging.
Een werkingsgebied kan een specifiek gebied binnen het beheergebied van het waterschap zijn, maar het kan ook het gehele beheergebied van het waterschap zijn (de regels uit de waterschapsverordening zijn dan op het gehele gebied van toepassing). De werkingsgebieden (en bijbehorende voorschriften) kunnen visueel worden weergegeven via het Digitaal Stelsel Omgevingswet. De geografische begrenzing van deze werkingsgebieden kan regelmatig wijzigen als gevolg van projecten van derden of door het waterschap zelf.
Zoals uit het voorgaande blijkt, is een beperkingengebied een type werkingsgebied. De werkingsgebieden van de regels in deze verordening zijn in dit artikel aangewezen en geometrisch begrensd. Deze werkingsgebieden stonden voorheen (deels) in de legger op grond van de Waterwet, maar komen in de legger op grond van de Omgevingswet niet terug. De werkingsgebieden verschillen per type activiteit. Aan iedere regel in deze waterschapsverordening is het juiste werkingsgebied gekoppeld. In het DSO kan, bij het raadplegen van regels op de kaart, daarmee steeds het exacte werkingsgebied van een regel getoond worden. De werkingsgebieden worden daarnaast gebruik voor de automatische beantwoording van vragen in de vergunningcheck.
Het tweede lid is bedoeld voor de gevallen dat de aanleg of wijziging van waterstaatswerken is vergund of dat er een projectbesluit voor is vastgesteld maar nog in uitvoering is of is uitgevoerd, maar nog niet geometrisch is begrensd. Deze tekst is gebaseerd op afdeling 3.2 van het Omgevingsbesluit waarin dit is opgenomen voor waterstaatswerken van het Rijk.
Het derde lid is bedoeld voor waterstaatswerken die nog niet (juist) geometrisch zijn begrensd en de begrenzing ook niet blijkt uit een omgevingsvergunning of projectbesluit of projectplan.
Onderstaande afbeelding toont de verschillende zoneringen rondom een waterkering.
Onderstaande afbeelding toont de verschillende zoneringen rondom een waterkering.
Het vierde lid is bedoeld voor werkingsgebieden die nog niet (juist) geometrisch zijn begrensd en de begrenzing ook niet blijkt uit een omgevingsvergunning of projectbesluit of projectplan. De beschrijving van het desbetreffende werkingsgebied bepaalt dan om welk gebied het gaat.
Dit artikel bepaalt dat degene die de activiteit verricht of laat verrichten moet voldoen aan de regels van deze waterschapsverordening. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor omgevingsvergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van deze waterschapsverordening, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden.
Dit artikel concretiseert de specifieke zorgplicht op een niet-limitatieve wijze. De nadruk ligt in dit artikel op de bescherming van waterstaatswerken. De specifieke zorgplicht over waterkwaliteit is opgenomen in artikel 1.7.
Er is in deze verordening sprake van een specifieke zorgplicht om het verschil tot uitdrukking te brengen met de algemene zorgplicht die in artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet is opgenomen. Die algemene zorgplicht geldt op grond van artikel 1.8 van de Omgevingswet niet voor zover er specifieke regels gelden die worden nageleefd. De specifieke zorgplicht in artikel 1.6 van deze waterschapsverordening is een dergelijke specifieke regel.
Dat geldt overigensIn het tweede lid ook voorwordt artikel 1.7 waarin de specifieke zorgplicht nader wordt geconcretiseerd voor kwantiteit-activiteiten. Deze specifieke zorgplicht stelt algemene regels die gelden voor alle activiteiten die eronder vallen, ongeacht of voor die activiteiten op grond van deze waterschapsverordening nog andere regels gelden, zoals een meldingsplicht of een omgevingsvergunningplicht.
Specifieke zorgplichten geven voor een activiteit het doel aan dat bij de bescherming van de fysieke leefomgeving moet worden bereikt zonder daarbij aan te geven met welke middelen dat doel bereikt moet worden, en zonder dat doel in kwantificeerbare termen te omschrijven. De specifieke zorgplichten houden daarmee het midden tussen de algemene zorgplicht van de wet en de uitgewerkte bepalingen over activiteiten in de hoofdstukken hierna.
Het derdevierde lid gaat over de verspreiding van maaisel, baggerspecie en hekkelspecie. Rechthebbenden (o.a. eigenaarsonder andere eigenaren, huurders, pachters, en overige gebruikers) moeten op basis van artikel 10.3 van de Omgevingswet gedogen dat op grond naast water waar vanwege regulier onderhoud door de waterbeheerder (Wetterskip Fryslân) gebaggerd, gehekkeld of gemaaid wordt, deze specie of maaisel uit dat water op die grond wordt gebracht. In de meeste gevallen verspreidt of verwijdert de rechthebbende deze specie na indroging zodat bij een volgend onderhoud daarvan geen hinder wordt ondervonden door het waterschap. Voor de gevallen waarbij dat niet gebeurt, is dit artikel opgesteld. Rechthebbenden worden hierdoor verplicht deze specie binnen een half jaar te verwijderen of te verspreiden zodat het waterschap daarvan geen hinder ondervindt bij haar onderhoudstaken.
De zorgplicht van artikel 1.6, derdevierde lid richt zich tot degene die op grond van artikel 10.3 een ontvangstplicht heeft. De overige zorgplichten van artikel 1.6 en artikel 1.71.6 gelden voor de normadressaat. Die kan op een schending van deze zorgplicht worden aangesproken. Als het handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht, kan het bestuur uiteindelijk bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen inzetten. Een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang dient wel zodanig duidelijk en concreet geformuleerd te worden dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen (zie o.a.onder andere AbRvS 20 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1316).
[Red: Sectie 'Toelichting op artikel 2.2: Specifieke zorgplicht' verplaatst van sectie 'Toelichting op paragraaf 2.1: Algemeen' naar sectie 'Toelichting op paragraaf 1.2: Algemene bepalingen omgevingsvergunning voor wateractiviteiten'. ]
Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk. De formulering van deze specifieke zorgplicht is gelijk aan die van artikel 2.11 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving. Het eerste lid bevat de omschrijving van de zorg die iedereen die een lozingsactiviteit verricht moet betrachten. Het tweede lid bevat een nadere uitwerking van de elementen die in ieder geval tot die zorg behoren. De specifieke zorgplicht van dit artikel geldt naast de meer uitgewerkte artikelen over lozingsactiviteiten in dehoofdstuk 1 paragrafen 2.2 tot en met 2.21hoofdstuk 2. De specifieke zorgplicht treedt (anders dan de algemene zorgplicht van de Omgevingswet) niet terug als er meer uitgewerkte regels zijn gesteld. De specifieke zorgplicht geldt ook voor lozingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning op grond van paragraaf 2.19 is vereist. Dit sluit aan op de keuze die het Rijk heeft gemaakt over de werking van de specifieke zorgplichten van het BalBesluit activiteiten leefomgeving. De specifieke zorgplicht fungeert zoals een basisnorm voor alle lozingsactiviteiten die onder de reikwijdte van dit hoofdstuk vallen. De algemene regels van deartikel 1.10 paragrafen 2.2 en verderin hoofdstuk 2 en de voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit worden verbonden, zijn een nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht voor een concrete lozingsactiviteit. Die algemene regels en vergunningvoorschriften moeten steeds passen binnen de oogmerken van artikel 1.3 (waarnaar in het eerste lid van dit artikel wordt verwezen) en de strekking die in het tweede lid van dit artikel is opgenomen. Deze brede werking van de specifieke zorgplicht maakt het mogelijk om maatregelen, die voor zich spreken en die ieder redelijk denkend mens zal nemen, niet uit te schrijven in de algemene regels van dit hoofdstuk en in vergunningvoorschriften. De specifieke zorgplicht waarborgt dat zulke vanzelfsprekende maatregelen worden genomen. Deze specifieke zorgplicht is de opvolger van de zorgplichten die in artikel 2.1 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 2.1 van het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en artikel 4 van het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens waren opgenomen.
Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij duidelijke overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het BalBesluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel concretiseert de specifieke zorgplicht op een niet-limitatieve wijze. De nadruk ligt in dit artikel op de bescherming van waterstaatswerken. De specifieke zorgplicht over waterkwaliteit is opgenomen in artikel 2.2 van hoofdstuk 2 dat gaat over lozingsactiviteiten.
Maatwerkvoorschriften zijn bij beschikking op te leggen voorschriften over het verrichten van een activiteit in een concreet geval. Het gaat niet om regels die voor meer personen of gevallen gelden maar op individuele situaties gerichte voorschriften. Als algemeen uitgangspunt geldt daarbij dat geen overlap tussen omgevingsvergunningplicht of maatwerkvoorschriften mogelijk is. Met andere woorden: als een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden, of had kunnen worden verbonden, dan is geen maatwerkvoorschrift meer mogelijk.
Bij de toepassing van maatwerkvoorschriften moet het gaan om uitzonderingsgevallen. Het belangenkader voor het gebruik van de bevoegdheid tot het opleggen van maatwerkvoorschriften wordt bepaald door de doelen van artikel 1.3.
Artikel 1.9, eerst lid fungeert als vangnetartikel. Als een activiteit niet omschreven is in deze waterschapsverordening dan geldt de vergunningplicht indien de activiteit niet in overeenstemming is met de functie van het waterstaatswerk. De toevoeging ‘in overeenstemming met de functie’ moet vrij beperkt worden geïnterpreteerd: er is bijvoorbeeld geen omgevingsvergunning nodig voor zwemmen in zwemwater of varen op een vaarweg. Echter auto’s, motoren zijn zonder omgevingsvergunning of pachtcontract van het waterschap niet toegestaan op waterkeringen. Loslopende huisdieren zijn zonder omgevingsvergunning evenmin toegestaan op waterkeringen.
In het tweede lid is opgenomen dat een omgevingsvergunning watervoor een wateractiviteit wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen genoemd in artikel 1.3 van deze waterschapsverordening. Een dergelijke bepaling stond eerder in artikel 6.21 Waterwet. DitDat artikel keert in artikel 8.84, eerste lid 1 BklBesluit kwaliteit leefomgeving slechts terug voor bepaalde wateractiviteiten, vandaar dat dit artikel nu voor alle wateractiviteiten in de waterschapsverordening is opgenomen. Dit artikel bevordert de voorspelbaarheid van de belangenafweging en daarmee de rechtszekerheid voor de aanvrager.
In artikel 5.34, derde lid 3 onder b en artikel 13.5 van de Omgevingswet en artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit is geregeld dat in een waterschapsverordening kan worden bepaald dat er (financiële) voorschriften aan een omgevingsvergunning watervoor een wateractiviteit kunnen worden verbonden. In het derde lid 3 is hier gevolg aan gegeven. De reden dat hier expliciet wordt genoemd dat het waterschap voorschriften ter voorkoming van belemmering onderhoud/verhoging onderhoudskosten mag opnemen, komt voort uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4968). De Afdeling achtte het in die uitspraak aanvaardbaar dat de overheid financiële compensatie vraagt voor het dempen van water, indien compensatie in natura door het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam niet mogelijk is. Het naast een compensatie in natura ook vragen van financiële compensatie vanwege voor het waterschap toegenomen onderhoudskosten strekt niet ter bescherming van het belang in verband waarmee die watervergunning werd verleend. Daarvoor is een wettelijke grondslag nodig. Met het bepaalde in artikel 1.9 staat ondubbelzinnig vast dat het waterschap voorschriften ter voorkoming van belemmering onderhoud/verhoging onderhoudskosten aan een omgevingsvergunning kan verbinden. Dit zijn niet enkel voorschriften over financiële zekerheid op voorhand, maar ook voorschriften die gaan over aanpassing van het vergunde indien na verloop van tijd groot onderhoud aan het waterstaatswerk/beschermingszone waarbinnen of waarnaast het vergunde ligt, dat vereist. Een voorschrift kan zijn dat indien in het kader van groot onderhoud een hoofdwatergang en of waterkering moet worden aangepast, vergunninghouder van bijvoorbeeld een beschoeiing of brug deze op eigen kosten verwijderd en eventueel terugplaatst na afronding van de waterschapswerkzaamheden. De gedachte achter een dergelijk voorschrift is dat het rechtvaardiger is de meerkosten van het onderhoud bij een initiatiefnemer te leggen dan deze af te wentelen op de maatschappij.
[Red: Sectie 'Toelichting op artikel 2.97: Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit' verplaatst van sectie 'Toelichting op paragraaf 2.22: Indieningsvereisten, beoordelingsregels en voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit' naar sectie 'Toelichting op artikel 1.9: Vangnetvergunningplicht en afwegingskader/voorschriften vergunning'. ]
Ook de voorschriften die op grond van het BklBesluit kwaliteit leefomgeving aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit moeten worden verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing. Dit sluit eveneens aan bij de regeling op grond van de Waterwet.
[Red: Sectie 'Toelichting op artikel 2.93: Vangnetvergunningplicht lozen op een oppervlaktewaterlichaam' verplaatst van sectie 'Toelichting op paragraaf 2.21: Overige lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk' naar sectie 'Toelichting op paragraaf 1.2: Algemene bepalingen omgevingsvergunning voor wateractiviteiten'. ]
Voor het verrichten van een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap is een omgevingsvergunning vereist, als die lozing niet is geregeld in dehoofdstuk 2 paragraaf 2.2 tot en met 2.20 van deze waterschapsverordening. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
[Red: Sectie 'Toelichting op artikel 2.4: Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden' verplaatst van sectie 'Toelichting op paragraaf 2.1: Algemeen' naar sectie 'Toelichting op paragraaf 1.2: Algemene bepalingen omgevingsvergunning voor wateractiviteiten'. ]
Als op grond van dit hoofdstuk gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens en bescheiden begeleid door een aantal algemene gegevens. Er is aansluiting gezocht bij de algemene gegevens die op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij een aanvraag voor een beschikking worden gevraagd. In plaats van de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd, gaat het bij het verstrekken van gegevens en bescheiden over een activiteit om een aanduiding van welke lozingsactiviteit er zal worden verricht. Daarnaast is ter identificatie van belang de naam en het adres van degene die de activiteit verricht. Als het adres waarop de activiteit wordt verricht waarover gegevens worden verstrekt, een ander adres is dan het adres van degene die de activiteit verricht, bijvoorbeeld omdat er meerdere bedrijfslocaties zijn, wordt ook dat adres verstrekt.
Daarnaast bevat dit artikel een plicht om gegevens te verstrekken in twee situaties. Het tweede lid regelt dat een naams- of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene is er immers bij gebaat dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het derde lid regelt dat bij het verrichten van de activiteit door iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld in de situatie dat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van een vangnetvergunningplicht of een maatwerkvoorschrift worden alle gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beslissing over dat maatwerkvoorschrift, en waarover degene die de aanvraag doet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen; dit volgt uit artikel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Die regeling ziet alleen op aanvragen. Dit artikel regelt daarom dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft in beginsel niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden te verstrekken. Ook kan in het kader van toezicht op de naleving om gegevens worden gevraagd. Zulke bevoegdheden van toezichthouders zijn geregeld in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht; dit artikel staat daar niet aan in de weg. Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de waterkwaliteit en de ontwikkelingen van die waterkwaliteit. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de waterkwaliteit kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen die zien op de waterkwaliteit kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de waterkwaliteit optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in samenhang met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Gegevens waarover degene die de activiteit niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.
[Red: Sectie 'Toelichting op artikel 2.96: Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit' verplaatst van sectie 'Toelichting op paragraaf 2.22: Indieningsvereisten, beoordelingsregels en voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit' naar sectie 'Toelichting op paragraaf 1.2: Algemene bepalingen omgevingsvergunning voor wateractiviteiten'. ]
Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk zijn de beoordelingsregels van het BklBesluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
[Red: Sectie 'Toelichting op artikel 2.95: Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit' verplaatst van sectie 'Toelichting op paragraaf 2.22: Indieningsvereisten, beoordelingsregels en voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit' naar sectie 'Toelichting op paragraaf 1.2: Algemene bepalingen omgevingsvergunning voor wateractiviteiten'. ]
[Red: Sectie 'Toelichting op artikel 2.7: Informeren over een ongewoon voorval' verplaatst van sectie 'Toelichting op paragraaf 2.1: Algemeen' naar sectie 'Toelichting op afdeling 1.3: Ongewone voorvallen en calamiteiten'. ]
Dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag onverwijld over een ongewoon voorval moet worden geïnformeerd. Om de gepaste mate van spoed uit te drukken, is gekozen voor het begrip onverwijld. Dit houdt in dat zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval het bevoegd gezag direct moet worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de waterkwaliteit niet wenselijk.
Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij lozingsactiviteiten afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving en afkomstig van wonen. Het BalBesluit activiteiten leefomgeving bevat zelf al een informatieplicht voor ongewoon voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook op grond van het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.
[Red: Sectie 'Toelichting op artikel 2.8: Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval' verplaatst van sectie 'Toelichting op paragraaf 2.1: Algemeen' naar sectie 'Toelichting op afdeling 1.3: Ongewone voorvallen en calamiteiten'. ]
In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf. Uit onderdeel d volgt dat ook informatie moet worden verstrekt over de maatregelen die worden genomen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewone voorval te voorkomen of te beperken. Voor het «voorkomen van de nadelige gevolgen van ongewone voorvallen» is aangesloten bij de uitleg die daarover wordt gegeven in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
[Red: Sectie 'Toelichting op artikel 1.10: Algeheel verbod bij calamiteiten' verplaatst van sectie 'Toelichting op paragraaf 1.2: Algemene bepalingen omgevingsvergunning voor wateractiviteiten' naar sectie 'Toelichting op afdeling 1.3: Ongewone voorvallen en calamiteiten'. ]
In geval van calamiteiten kan het nodig zijn de wateraf- en aanvoer of lozingen en onttrekkingen te verbieden. Bij calamiteiten gaat het om bijvoorbeeld om droogte of een overvloed aan water, maar ook (een dreiging van) een aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of het in ongerede raken van een waterstaatswerk of een rioolwaterzuiveringsinstallatie . Op basis van dit artikel kan het bestuur bijvoorbeeld bij droogte een onttrekkingsverbod instellen.
KKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op lozingsactiviteiten op oppervlaktewaterlichamen die in beheer zijn bij het waterschap en lozingsactiviteiten op zuiveringtechnische werken die in beheer zijn bij het waterschap. De artikelen in dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op lozingsactiviteiten die afkomstig zijn van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de artikelen maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. Als een artikel niet van toepassing is op lozingen afkomstig van zo’n milieubelastende activiteit, is dat in het artikel zelf aangegeven.
In geval van bijzondere omstandigheden, zoals het in het ongerede raken van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of overvloed aan water, of dreiging daarvan, kan het nodig zijn om bijvoorbeeld de wateraanvoer of lozingen te verbieden. Concreet betekent dit dat het waterschap een verbod voor lozing op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk kan instellen. Een dergelijk verbod geldt voor zolang als dat noodzakelijk is.
Dit artikel bevat een plicht om gegevens te verstrekken in twee situaties. Het eerste lid regelt dat een naams- of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene is er immers bij gebaat dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij het verrichten van de activiteit door iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld in de situatie dat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.
Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift worden alle gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn voor de beslissing over dat maatwerkvoorschrift, en waarover degene die de aanvraag doet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen; dit volgt uitartikel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Die regeling ziet alleen op aanvragen. Artikel 2.6 regelt daarom dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft in beginsel niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden te verstrekken. Ook kan in het kader van toezicht op de naleving om gegevens worden gevraagd. Zulke bevoegdheden van toezichthouders zijn geregeld in titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht; dit artikel staat daar niet aan in de weg. Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de waterkwaliteit en de ontwikkelingen van die waterkwaliteit. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de waterkwaliteit kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen die zien op de waterkwaliteit kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de waterkwaliteit optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in samenhang met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Gegevens waarover degene die de activiteit niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.
[Vervallen]
LLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraafafdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Aangezien de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
OOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het lozen zonder voorafgaande toestemming is niet mogelijktoegestaan in de watersystemen op de Waddeneilanden. Dit betekent niet dat een lozing aldaardaar onmogelijk is, maar wel dat er van te vorenvooraf toestemming voor moet worden verleend. OokDaarnaast is een omgevingsvergunning nodigvereist indien niet voldaan wordt voldaan aan artikel 2.102.2 tot en met artikel 2.132.4.
SSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het lozen van grondwater bij saneringen en het lozen van grondwater bij ontwatering.
Het lozen van grondwater bij saneringen betreft afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek).
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die bijvoorbeeld na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren kunnen duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.
UUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraafafdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Aangezien de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
VVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in het oppervlaktewater geloosd.
Voor lozingen in het oppervlaktewater zijn emissiegrenswaarden geformuleerd voor oppervlaktewateren die voor lozingen geen bijzondere bescherming nodig hebben, en wateren waarbij een bijzondere bescherming wel aan de orde kan zijn. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen lozingen op aangewezen oppervlaktewaterlichamen en niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen, die een grotere omvang hebben en daardoor minder kwetsbaar zijn voor lozingen, zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in dit hoofdstuk.
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om het waterschap te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn is het raadzaam om contact op te nemen met het waterschap om na te gaan of er in een bepaald gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.
In dit artikel is een emissiegrenswaarde voor onopgeloste bestanddelen opgenomen. Het beperken van visuele verontreiniging valt onder de specifieke zorgplicht en is daarom niet uitgeschreven in dit artikel.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen specifieke eisen bevatte voor deze lozingen. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk.
XXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om het waterschap te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn is het raadzaam om contact op te nemen met het waterschap om na te gaan of er in een bepaald gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.
In dit artikel is een emissiegrenswaarde voor onopgeloste bestanddelen opgenomen. Het beperken van visuele verontreiniging valt onder de specifieke zorgplicht en is daarom niet uitgeschreven in dit artikel.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen specifieke eisen bevatte voor deze lozingen. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk.
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Deze afdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze afdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in het oppervlaktewater geloosd.
Voor lozingen in het oppervlaktewater zijn emissiegrenswaarden geformuleerd voor oppervlaktewateren die voor lozingen geen bijzondere bescherming nodig hebben, en wateren waarbij een bijzondere bescherming wel aan de orde kan zijn. De emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen lozingen op aangewezen oppervlaktewaterlichamen en niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen. De aangewezen oppervlaktewaterlichamen, die een grotere omvang hebben en daardoor minder kwetsbaar zijn voor lozingen, zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in dit hoofdstuk.
YYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZ
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.20: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering op een oppervlaktewaterlichaam, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
AAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.
CCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regeling voor het lozen van afvloeiend hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht (artikel 2.21.7) worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In deze verordening is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.
In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels of rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater, zijn aangelegd. Dit afvloeiend hemelwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. De regels hierover staan in het omgevingsplan. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam. Als laatste mogelijkheid is het lozen in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam aangegeven. Dit is alleen toegestaan wanneer het lozen via een andere route niet mogelijk is.
DDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEE
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.24: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van afvloeiend hemelwater op een oppervlaktewaterlichaam, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
FFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het lozen van huishoudelijk afvalwater op oppervlaktewater in die situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is.
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraafafdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Aangezien de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
IIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op een oppervlaktewaterlichaam toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2.000 inwonerequivalenten. Deze paragraafafdeling geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraafafdeling maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct in het oppervlaktewater te lozen. Aansluiting op de riolering ligt dan voor de hand. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden in het oppervlaktewater.
De vervuilingswaarde, uitgedrukt in inwonerequivalenten (i.e.), is de maatstaf voor de vervuiling die één gemiddelde inwoner veroorzaakt. Volgens de Europese richtlijn voor stedelijk afvalwater (2024/3019) wordt het aantal i.e. berekend op basis van het biochemisch zuurstofverbruik (BZV) met de volgende formule: (BZV in gram per etmaal x gemiddelde afvalwaterlozing per etmaal in kubieke meter (m3) / 60. Bij een concentratie biochemisch zuurstofverbruik van 400 mg/L (of g/m3) en een gemiddelde lozing van 0,9 kubieke meter (m3) is de vervuilingswaarde 6 inwonerequivalenten (400 x 0,9 / 60 = 6)
De waarde 60 staat hierbij voor de zuurstofvraag (in gram BZV) die één inwoner per etmaal veroorzaakt. Als het BZV niet bekend is, wordt uitgegaan van een gemiddelde concentratie van 0,0184 kilogram BZV per kubieke meter (kg/m3) huishoudelijk afvalwater. In dat geval kan het aantal i.e. worden bepaald door het totale drinkwaterverbruik van het huishouden in kubieke meter (m3) te vermenigvuldigen met 0,0184.
Bij een totaal drinkwaterverbruik van 326 kubieke meter (m3) is de vervuilingswaarde 6 inwonerequivalenten (326 x 0,0184 = 6).
De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.
De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk.
KKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMM
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.30: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
NNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het lozen van koelwater voor bedrijven die niet vallen onder de milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op lozingen van koelwater afkomstig van milieu-belastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Bij het opstellen van dat besluit is al beoordeeld bij welke milieubelastende activiteiten koelwater kan vrijkomen. Als dat het geval is, zijn er in dat besluit regels over het lozen van koelwater opgenomen.
PPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op lozingen van koelwater afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Bij het opstellen van dat besluit is al beoordeeld bij welke milieubelastende activiteiten koelwater kan vrijkomen. Als dat het geval is, zijn er in dat besluit regels over het lozen van koelwater opgenomen.
Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder dat besluit vallen. Voor die bedrijven is daarom in dit artikel het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam geregeld. koelwater kan ook worden geloosd in een hemelwaterriool. De regels daarover staan in het omgevingsplan.
RRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSS
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.34: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van koelwater op een oppervlaktewaterlichaam, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
TTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het lozen van koude of warmte bij het toepassen van aquathermie, waarbij koude of warmte gebruikt wordt voor de verkoeling of verwarming van een woning of gebouw.
VVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij aquathermie wordt gebruik gemaakt van warmte of koude uit oppervlaktewater, zoals een watergang of waterplas. oppervlaktewater wordt via een warmtewisselaar geleid. Daar kan de warmte of koude worden overgedragen om vervolgens te worden gebruikt voor verwarming of verkoeling van een woning of gebouw. De warmtewisselaar kan afhankelijk van de te gebruiken installatie “op de wal”, maar ook in het water worden geplaatst. Indien de warmtewisselaar op de wal staat wordt oppervlaktewater ingenomen, over de warmtewisselaar geleid en vervolgens weer geloosd. In dat geval is het ingenomen oppervlaktewater bij lozing opgewarmd of juist afgekoeld. Om te voorkomen dat te grote temperatuurverschillen invloed hebben op met name de aquatischehet aquatisch milieu ecologie is in de algemene regels de voorwaarde opgenomen dat het temperatuurverschil tussen inname en lozing maximaal 5 graden Celsius mag bedragen. Als de warmtewisselaar in het water wordt geplaatsgeplaatst, zijn er normaal gesproken geen negatieve effecten van koude of warmte te verwachten. Daarom zijn er voor warmtewisselaars in oppervlaktewater geen temperatuur eisen opgenomen.
WWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indien het thermische vermogen van de installatie niet meer bedraagt dan 30 kilowatt (kW) kan volstaan worden met een melding mits voldaan wordt aan de algemene regels. Vaak zijn ook andere regels van toepassing. Denk hierbij aan de algemene regels voor uitstroomvoorzieningen of het werk dat nodig is voor het plaatsen van een warmtewisselaar in oppervlaktewater.
Veel kleine lozingen van warmte of koude kunnen gezamenlijk een negatieve invloed hebben op het aquatischaquatisch milieu systeem van het ontvangende oppervlaktewater. Om deze reden registreert het waterschap de lozingen van warmte en koude en legt zo nodig met aanvullende voorschriften dan wel in de verordening beperkingen op. Om te voorkomen dat vele kleine lozingen tegelijk gaan plaats vinden zonder goede beoordeling vooraf zijn lozingen die deel uitmaken van een project dat bestaat uit met meerdere afzonderlijke lozingen van koude en warmte bij aquathermie vergunningplichtig. Hierbij kan gedacht worden aan de projectmatige aanleg van meerdere woningen die allemaal beschikken over een eigen warmtepomp waarbij de warmte/koude wordt gewonnen uit oppervlaktewater. Deze lozingen zijn vergunningplichtig. Het is echter wenselijk dat de projectleiding voor zo’n project één vergunningaanvraag indient. De verleende vergunningen zijn, nadat het project is gerealiseerd, overdraagbaar aan de uiteindelijke bewoners.
XXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYY
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.38: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van koude of warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
ZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het lozen bij werkzaamheden aan bouwwerken in de buurt van oppervlaktewater. Hierbij kan gedacht worden aan (spoor)bruggen, sluizen, steigers, kadewanden of panden die grenzen aan het oppervlaktewater.
BBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (paragraaf 3.1.6) en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen (paragraaf 3.5) schreven voor dat bij het reinigen en conserveren maatregelen getroffen dienden te worden om het op het oppervlaktewaterlichaam lozen van stoffen te voorkomen. Deze regels betroffen gedetailleerde instructies waaraan de lozer moest voldoen. Hierdoor mag slechts afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd bij het afwassen met water en het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar. Voor andere reinigings- en conserveringswerkzaamheden zijn regels gesteld in artikel 2.402.44.
EEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGG
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.44: Werkinstructie bij bouwen, renoveren en slopen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Voor het lozen van afvalwater bij het reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken op een oppervlaktewaterlichaam is een omgevingsvergunning vereist, indien niet wordt voldaan aan de voorschriften of voorwaarden uit deze afdeling. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
HHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het overslaan van inerte goederen. Inerte goederen zijn goederen die niet bodembedreigend zijn. Inerte goederen geven bij overslag geen significante milieubelasting.
JJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
Overslaan is te beschouwen als een handeling binnen het transportproces tussen een onderneming en een andere partij (onderneming of particulier). Bij overslaan gaat het om «het van en naar een transportmiddel verplaatsen van goederen of materialen». Onder overslaan vallen bijvoorbeeld het lossen, (be)laden, overladen of (over)hevelen van goederen of materialen. De paragraafafdeling heeft geen betrekking op «opslaan». Het opslaan van goederen is al uitputtend geregeld in het Bal.
KKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMM
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.48: Toestemmingsvrij bij lozen van afvalwater bij overslaan van inerte goederen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan of overslaan van inerte goederen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij wordt voldaan aan de voorschriften of voorwaarden die in deze afdeling zijn opgenomen. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
NNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het lozen van stoffen afkomstig van het opslaan en overslaan van niet-inerte goederen. niet-inerte goederen zijn goederen die bodembedreigend zijn. niet-inerte goederen geven bij opslag of overslag milieubelasting.
PPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Dit artikel met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijft niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in artikel 2.522.59 emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I bij deze verordening.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse.
Aangezien de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
QQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUU
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.54: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het opslaan of overslaan van niet-inerte goederen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij wordt voldaan aan de voorschriften of voorwaarden die in deze afdeling zijn opgenomen. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
VVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels, openbare hemelwaterstelsels en openbare vuilwaterriolen.
XXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor lozingen vanuit «overheids-IBA’s» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.552.65.
ZZZZZ
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.57: Toestemmingsvrij bij lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van afvalwater uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
AAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op baggerwerkzaamheden, ontgravingen en andere werkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam (anders dan ontgravingen of baggerwerkzaamheden) die door of in opdracht van de waterbeheerder plaatsvinden in het kader van oppervlaktewaterbeheer.
CCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHH
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.63: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden voor de waterbeheerder, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
IIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op de kwaliteit van het te lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van leidingen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater, warm tapwater en huishoudwater.
KKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMM
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.66: Toestemmingsvrij' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
NNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf 2.14 heeft betrekking op het lozen van afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening. Calamiteitenoefeningen worden uitgevoerd om bij brand of een andere calamiteit de schade tot een minimum te beperken. Het testen van een brandbestrijdingsinstallatie valt binnen het begrip «calamiteitenoefening».
Deze afdeling 2.13 heeft betrekking op de kwaliteit van het te lozen afvalwater afkomstig van een calamiteitenoefening. Het testen van een brandbestrijdingsinstallatie valt binnen het begrip «calamiteitenoefening».
PPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij calamiteitenoefeningen kan afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden, gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in het oppervlaktewater stroomt. Om de gevolgen voor het milieu tot een minimum te beperken, wordt daarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt van oefenblusschuimen die geen slecht-afbreekbare organische fluorverbindingen of andere halogeenverbindingen bevatten. Deze oefenblusschuimen hebben vergelijkbare uitvloei-eigenschappen als echt blusschuim, maar bevatten niet de schadelijke werkzame stof van blusschuimen.
Om overlap met regels uit het BalBesluit activiteiten leefomgeving te voorkomen, is een afstemmingsbepaling opgenomen in dit artikel. Het artikel heeft geen betrekking op afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.
QQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRR
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.69: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen op een oppervlaktewaterlichaam van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
SSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater, zoals dit artikel, schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Met het toevoegen van «NEN-ISO 15705-ISO 15705» wordt deze regel gelijkgetrokken met andere regels in deze verordening, die voor het analyseren van het chemisch zuurstofverbruik niet alleen NEN 6633 van toepassing verklaren maar ook NEN-ISO 15705.
UUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het afvalwater dat vrijkomt bij het telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, moet op grond van artikel 4.795 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden of worden geloosd in een vuilwaterriool. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter vanaf de perceelsgrens waar het afvalwater vrijkomt. Deze uitzondering is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelsgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing
VVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het afvalwater dat vrijkomt bij het sorteren van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.761 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter (m) vanaf de perceelsgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelsgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.
WWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het afvalwater dat vrijkomt bij het wassen van biologisch geteeld fruit moet op grond van artikel 4.773 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving gelijkmatig worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in een vuilwaterriool of, als er geen vuilwaterriool aanwezig is binnen 40 meter (m) vanaf de perceelsgrens waar het afvalwater vrijkomt, in het oppervlaktewater. De alternatieve lozingsroute naar het vuilwaterriool is opgenomen in het omgevingsplan. De alternatieve lozingsroute naar het oppervlaktewater is in dit artikel voortgezet. Bij lozingen die voor 2013 al plaatsvonden, wordt de afstand berekend vanaf de plek waar het vrijkomt in plaats van de perceelsgrens. De afstand wordt berekend over de kortste lijn waarlangs aansluiting daadwerkelijk kan plaatsvinden. Dit is niet altijd hemelsbreed de kortste lijn. Privaatrechtelijke belemmeringen of de aanwezigheid van bijvoorbeeld een waterkering kunnen een reden zijn waarom de aansluitleiding langs een andere route moet worden aangelegd dan hemelsbreed de kortste lijn.
Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden die gelden voor deze lozing.
XXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van de artikelen 4.801 en 4.804 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving mag brijn, afkomstig van de bereiding van gietwater of drinkwater voor landbouwhuisdieren, niet worden geloosd. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater wel toegestaan. In dit artikel wordt deze lozingsroute weer mogelijk gemaakt. Het tweede lid bevat de emissiegrenswaarden voor dit afvalwater.
YYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAA
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.77: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
BBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het lozen van afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en het uitwassen van beton.
DDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Volgens de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het BalBesluit activiteiten leefomgeving moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel en het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.
Maar in sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in het omgevingsplan opgenomen dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. Maar de gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in de genoemde artikelen van het BalBesluit activiteiten leefomgeving is opgenomen, op te heffen. Daarom bepaalt dit artikel dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
FFFFFFF
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.80: Toestemmingsvrij' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij het maken van betonmortel en uitwassen van beton, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
GGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling is van toepassing op de kwaliteit van afvalwater bij lozingen afkomstig van (kleinschalige) voedselbereiding, ongeacht of die lozing afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving of niet. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca. Deze paragraafafdeling is niet van toepassing op grootschalige voedselbereiding als bedoeld in artikel 3.128 van het BalBesluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.
IIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKK
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.83: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam bij niet-industriële voedselbereiding, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
LLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPP
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.86: Indieningsvereisten melding' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers op een oppervlaktewaterlichaam, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
QQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op hetde kwaliteit van afvalwater bij lozen van een tweetal afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig.
SSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTT
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.88: Toestemmingsvrij' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het lozen van afvalwater vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij het spoelen of scheiden van zand of grind op een oppervlaktewaterlichaam, indien niet wordt voldaan aan de in deze afdeling opgenomen voorschriften of voorwaarden. Dit sluit aan op de systematiek van artikel 6.2 van de Waterwet: voor alle lozingen is een omgevingsvergunning vereist, tenzij voor de lozing een vrijstelling geldt.
De vergunningplicht geldt niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die lozingen is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist. De vergunningplicht geldt ook niet voor water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. De vergunningplicht geldt ook niet voor lozingen afkomstig van wonen.
UUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling heeft betrekking op het verstrooien van as op een oppervlaktewaterlichaam. Deze paragraafafdeling heeft geen betrekking op bedrijfsmatig georganiseerd verstrooien.
WWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXX
Na sectie 'Toelichting op artikel 2.90: Toestemmingsvrij' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning is vereist voor het verstrooien van as op een oppervlaktewaterlichaam als niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toestemming zonder vergunning. Dit sluit aan bij de regels in artikel 6.2 van de Waterwet: voor elke lozing is een vergunning nodig, behalve als er een vrijstelling geldt.
YYYYYYY
Na sectie 'Toelichting op paragraaf 2.20: Asverstrooiing' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Dit artikel bepaalt in welke gevallen het lozen op een zuiveringtechnisch werk toestemmingsvrij is op grond van deze waterschapsverordening.
Het uitgangspunt daarbij is dat het ontvangende zuiveringstechnisch werk voldoende beschermd moet worden tegen verontreiniging. Dit kan bijvoorbeeld door grenzen te stellen aan de omvang van de lozing, de aard en hoeveelheid van de te lozen stoffen, of de eigenschappen van het te lozen water.
In sommige gevallen is lozing op een zuiveringtechnisch werk toestemmingsvrij. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer de aard en hoeveelheid van het te lozen water geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de werking van het zuiveringstechnisch werk, en aan de voorwaarden uit deze verordening wordt voldaan.
Let op: hoewel een lozing op een zuiveringtechnisch werk in bepaalde gevallen toestemmingsvrij is voor wat betreft de kwaliteit van het te lozen water, betekent dit niet dat er geen andere toestemming nodig is. Voor de fysieke aansluiting van het lozingswerk op een zuiveringtechnisch werk is vaak toestemming van de beheerder van dat werk vereist. Deze toestemming valt buiten de reikwijdte van deze waterschapsverordening.
Daarnaast geldt dat het toestemmingsvereiste uit deze verordening niet van toepassing is op het lozen van warmte of stoffen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor dergelijke lozingen is in dat besluit bepaald of een omgevingsvergunning of melding is vereist. Die regeling gaat boven de bepalingen in deze waterschapsverordening.
Voor het lozen van water, warmte of stoffen op een zuiveringtechnisch werk, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit vereist. Voor lozingen die wel afkomstig zijn van zo’n milieubelastende activiteit is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist.
ZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onverlet de betreffende bepalingen uit deze waterschapsverordening ten aanzien van diverse lozingen, zoals bijvoorbeeld huishoudelijk afvalwater, wordt in het eerste lid van dit artikel een opsomming gegeven van lozingen waarvoor geen voorafgaande toestemming nodig is van het waterschap mits aan de criteria van dit artikel wordt voldaan. Achtergrond hierbij is dat het ontvangende oppervlaktewater of zuiveringtechnisch werk in voldoende mate moet worden beschermd, bijvoorbeeld door eisen aan de omvang van de lozing, aard en hoeveelheid van te lozen stoffen of het ontvangende oppervlaktewater. Zo is er geen toestemming nodig voor lozen van water dat afkomstig is uit het oppervlaktewaterlichaam waarop het wordt geloosd, als daaraan geen stoffen zijn toegevoegd. Er zijn dan immers geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten. Let wel dat bij lozing op een zuiveringtechnisch werk de lozing voor wat betreft de kwaliteit van het te lozen water toestemmingsvrij kan zijn, maar dat voor aansluiting van een lozingswerk op een zuiveringtechnisch werk veelal toestemming van de beheerder daarvan nodig is. Het toestemmingsvereiste op grond van deze waterschapsverordening geldt ook niet voor het lozen van warmte of stoffen afkomstig van milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Voor die lozingen is in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning of melding voor een lozingsactiviteit is vereist.
Het tweede lid geeft aan dat géén vrijstelling geldt voor de lozingsactiviteiten zoals bedoeld in de paragrafen 2.2 tot en met 2.20 van de waterschapsverordening.
Voor het lozen van water, warmte of stoffen op een zuiveringtechnisch werk, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, is een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit vereist. Voor lozingen die wel afkomstig zijn van zo’n milieubelastende activiteit is al in dat besluit bepaald in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit is vereist.
[Vervallen]
AAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
BBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam. Het onttrekken van grote hoeveelheden water of het onttrekken van water in kwetsbare gebieden kan negatieve invloed hebben op waterpeilen in sloten met de nodige nadelige effecten tot gevolg. Denk hierbij aan verdroging van landbouwgronden of natuurgebieden, schade aan bouwwerken door zettingen en veel inzet door de waterbeheerder om peilen weer op orde te krijgen.
Zolang de hoeveelheid te onttrekken oppervlaktewater geen nadelige gevolgen heeft voor bijvoorbeeld de waterpeilen is het onttrekken van oppervlaktewater veelal vrijgesteld van meldingsplicht of vergunningplicht. Meldingsplicht geldt als er grote hoeveelheden water worden onttrokken die weliswaar geen negatieve effecten hebben, maar wel relevant zijn voor het beheer en onderhoud. Mocht er bijvoorbeeld veel water worden onttrokken uit een watersysteem zonder dat dit weer terug vloeit dan kan de beheerder het tekort aanvullen door extra water in te laten. Voor onttrekkingen in kwetsbare gebieden is een omgevingsvergunning nodig. Het gaat dan om gebieden waar weliswaar een evenwicht is in de waterbalans, maar die waterbalans kan door het onttrekken van water uit die watersystemen makkelijk worden verstoord. Om die reden moeten dergelijke onttrekkingen worden beoordeeld in een vergunningprocedure.
In geval van bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld grote droogte, of dreiging daarvan, kan het nodig zijn om speciale maatregelen te treffen. Concreet betekent dit dat het waterschap een verbod kan instellen om water aan een oppervlaktewaterlichaam te onttrekken.
CCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het onttrekken van grondwater. De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder de bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen zoveel als mogelijk te voorkomen. Wanneer de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, moet degene die water onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen nemen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder moet degene die grondwater onttrekt het waterschap zo spoedig mogelijk informeren over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen, of getroffen maatregelen.
De meetverplichtingen van het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit en het voormalige artikel 6.5 van de Waterregeling wordt voortgezet. De meetverplichting geldt voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen.
De impact van kleinere grondwateronttrekkingen en grondwaterinfiltraties is in de regel verwaarloosbaar en kunnen doorgaans zonder nadelige gevolgen en daarom zonder melding of omgevingsvergunning plaatsvinden. Dit is wel afhankelijk van de locatie en doel waarvoor grondwater wordt onttrokken. Zo geldt op de Waddeneilanden een strenger regime als op de vaste wal. Voor agrarische activiteiten geldt, weer gezien onder meer de locatie en doel van deze activiteiten, een ruimere vrijstelling. Voor een grondwateronttrekking of infiltratie is een omgevingsvergunning nodig als de grondwateronttrekking of infiltratie een dusdanige omvang heeft dat niet kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een meldingsplicht. De beoordelingsregel van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor omgevingsvergunningen voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem is van overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten. Dit sluit aan bij de wijze waarop dit in de Waterwet was geregeld.
In geval van bijzondere omstandigheden, zoals grote droogte, of dreiging daarvan, kan het nodig zijn om het onttrekken van water uit de bodem te verbieden.
Aangezien uitwisseling van grondwater uit diverse watervoerende pakketten ongewenst is, moet bij retourbemaling het grondwater in hetzelfde watervoerende pakket worden teruggebracht waaruit het afkomstig is. Om uitwisseling van grondwater uit verschillende pakketten tegen te gaan, dient tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van deze voorziening(en) en na beëindiging van de onttrekking, worden voorkomen dat uitwisseling van water kan plaatsvinden. In de praktijk wordt bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer) heeft hiervoor een protocol 'mechanisch boren' opgesteld (protocol 2101). Het protocol is te raadplegen via www.sikb.nl.
Indien er sprake is van een bronbemaling heeft het SIKB (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer) twee protocollen opgesteld die gevolgd moeten worden. Dit zijn het protocol 'voorbereiden melding of vergunningaanvraag' (protocol 12010) en het protocol 'voorbereiden technische uitvoering' (protocol 12020). Deze protocollen zijn te raadplegen via www.sikb.nl.
Aangezien bij relatief kleine onttrekkingen het plaatsen van een peilbuis of meetput in beginsel niet noodzakelijk is, wordt dit alleen voorgeschreven bij spanningsbemaling.
Op de Waddeneilanden moet worden voorkomen dat onnodig zoet water naar zee wordt gepompt. Daarom is ook daar het uitgangspunt dat opgepompt grondwater terug wordt gebracht in hetzelfde watervoerend pakket. Gezien de bodemopbouw van de eilanden, zal lozen van het opgepompte grondwater op de bodem aldaar ook voldoende zijn om aan dit uitgangspunt te voldoen; het water vloeit door de zandige bodem terug.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van ondiepe grondwaterlichamen waar het waterschap bevoegd gezag is.
DDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het in de bodem brengen van water. Onder het brengen van water in de bodem wordt verstaan het brengen van water in de bodem met als doel het voorkomen of beperken van verlaging van de grondwaterstand of de stijghoogte of het lozen van overtollig water. Het veranderen van de grondwaterstand heeft effect op de omgeving en kan negatieve gevolgen hebben. Retourbemaling wordt niet geregeld in deze paragraafafdeling. Onder retourbemaling wordt verstaan onttrokken grondwater terugbrengen in hetzelfde watervoerend pakket. Retourbemalen wordt geregeld in de paragraafafdeling voor het onttrekken van grondwater.
De meetverplichtingen van het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit en het voormalige artikel 6.5 van de Waterregeling wordt voortgezet. De meetverplichting geldt voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen.
Het in de bodem brengen van water kan niet generiek in de Waterschapsverordening geregeld worden daarvoor is een aparte beoordeling nodig. Om deze reden geldt voor het in de bodem brengen van water de vergunningplicht. De beoordelingsregel van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor omgevingsvergunningen voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem is van overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige wateronttrekkingsactiviteiten. Dit sluit aan bij de wijze waarop dit in de Waterwet was geregeld. Ook de voorschriften die volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aan een omgevingsvergunning voor het infiltreren van water in de bodem moeten worden verbonden, zijn van overeenkomstige toepassing. Dit sluit eveneens aan bij de regeling op grond van de Waterwet.
In geval van bijzondere omstandigheden, zoals een overvloed van water, of dreiging daarvan, kan het nodig zijn om het in de bodem brengen van water te verbieden.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van ondiepe grondwaterlichamen waar het waterschap bevoegd gezag is.
EEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Opslag van afval maar ook materialen, stoffen en goederen op waterstaatswerken kunnen waterbeheer en waterveiligheid in de weg staan en schade aan waterstaatswerken veroorzaken. Wanneer afval, materialen, stoffen en goederen bijvoorbeeld geplaatst worden in een beschermingszone van een hoofdwatergang, kan dit het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de watergang bemoeilijken of onmogelijk maken. Afval op een (primaire) waterkering kan door afdekking schade veroorzaken aan de grasmat hetgeen een verzwakking van de waterkering is.
Daarom geldt dat het deponeren of opslaan van afval, materialen, stoffen en goederen op waterstaatswerken of bijbehorende beschermingszones verboden is, tenzij hiervoor een omgevingsvergunning is verleend of dit voldoet aan de voorwaarden voor toestemmingsvrij.
FFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het aanbrengen of verwijderen van (water)planten en struiken of bomen op waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Het aanbrengen of verwijderen van (water)planten en struiken of bomen op waterstaatswerken kan invloed hebben op de aanwezige ecologie, maar ook op het functioneren van het waterstaatswerk. Het planten of verwijderen van een boom of beplanting op een waterkering of talud kan bijvoorbeeld de stabiliteit van het dijklichaam of het talud negatief beïnvloeden waarmee de veiligheid afneemt. Daarnaast moet het mogelijk blijven om doelmatig onderhoud uit te voeren, terwijl tegelijkertijd ook dat de overige functies, met name natuur, behouden kunnen blijven. Bereikbaarheid met en toegankelijkheid van onderhoudsmaterieel is van groot belang.
Plantengroei in water is meestal gewenst, omdat het de ecologische waarde vergroot. Echter overvloedige plantengroei kan hinderlijk zijn voor waterdoorstroming. Ook kan dit waterrecreatie hinderen en kunnen bestaande vaarroutes niet meer bevaarbaar zijn. De spanning tussen enerzijds ecologie en anderzijds bevaarbaarheid wordt mede in deze paragraafafdeling geregeld.
Voor hoofdwateren geldt dat deze een essentiële functie hebben in het totale watersysteem. Het waterschap onderhoudt de hoofdwateren met als uitgangspunt dat water in voldoende mate kan doorstromen waarbij rekening wordt gehouden met ecologische waarden. In sommige gevallen kan het wenselijk zijn om tijdens het vaarseizoen dichtgegroeide sloten bevaarbaar te houden. Het waterschap houdt de in de legger aangewezen wateren bevaarbaar, daarvoor geldt een inspanningsverplichting. Het bevaarbaar houden van andere wateren door derden wordt toegestaan mits men zich houdt aan de algemene regels. Deze regels zijn opgesteld met het doel de bestaande ecologie zoveel mogelijk te beschermen.
Onderstaande afbeelding toont hoe de waterbreedte en de middenstrook gemeten moeten worden wanneer zich aan één zijde van de watergang riet bevindt.
Onderstaande afbeelding toont hoe de waterbreedte en de middenstrook gemeten moeten worden wanneer zich aan beide zijden van de watergang riet bevindt.
GGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het uitvoeren van boringen voor een bodemenergiesysteem of het exploreren of winnen van gas, vloei- of delfstoffen op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Indien boorwerkzaamheden plaatsvinden in of op waterstaatswerken en/of bijbehorende beschermingszones, kunnen deze activiteiten daar schade aan toebrengen en/of een belemmering vormen voor waterbeheer en waterveiligheid. Daarom is, vanuit een oogpunt van waterbeheer en waterveiligheid, voor deze activiteit een specifieke toetsing vereist.
HHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor bouwwerken, civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Het oprichten, uitbreiden, vervangen of verwijderen van bouwwerken , civiele kunstwerken, overige werken en voorzieningen op waterstaatswerken en/of bijbehorende beschermingszones kunnen het waterbeheer, zoals regulier- of bijzonder onderhoud, in de weg staan en schade aan waterstaatswerken en beschermingszones veroorzaken. Vanuit het oogpunt van waterbeheer en waterveiligheid zijn deze activiteiten in beginsel ongewenst en vereisen die een specifieke toetsing. Enkele voorzieningen of aanlegactiviteiten kunnen echter op voorhand goed en op uniforme wijze worden gereguleerd met algemene regels of een meldingsplicht.
Uitwisseling van grondwater uit diverse watervoerende pakketten is niet gewenst. Daarom worden daar voorschriften voor gesteld bij de aanleg en verwijdering van een brandblusvoorziening waarvoor grondwater wordt onttrokken. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer) heeft hiervoor een protocol 'mechanisch boren' opgesteld (protocol 2101). Het protocol is te raadplegen via www.sikb.nl.
IIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het aanleggen, verwijderen en wijzigen van een brug of viaduct in, op of over waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk.
Een brug of viaduct wordt gezien als werk over of in een oppervlaktewaterlichaam met als doel het ontsluiten van een perceel of om openbare wegen over oppervlaktewaterlichamen te verbinden. Het aanleggen of verwijderen van deze werken over of in waterstaatswerken of bijbehorende beschermingszones, heeft gevolgen voor onder andere de bereikbaarheid en mogelijkheid van doelmatig onderhoud van deze waterstaatswerken. Ook kan de doorstroombaarheid van het oppervlaktewaterlichaam beïnvloedt worden.
Het watervoerende profiel en de doorstroombaarheid van de watergang mag door het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct geen nadelige effecten ondervinden. Het materiaal waaruit de brug of viaduct bestaat kan van invloed zijn op de waterkwaliteit. Het gebruik van milieubezwaarlijke materialen is daarom niet toegestaan.
Voor het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct is geen toestemming nodig van het waterschap als dit plaatsvindt in of bij schouw- of overige wateren en de pijlers niet in het water komen te staan, zodat er geen vuilophoping en/of nadelige effecten voor doorstroming ontstaan. Voor het aanleggen of verwijderen van een brug of viaduct in of op een waterkering of de beschermingszone van een waterkering is een omgevingsvergunning vereist, omdat de werkzaamheden de stabiliteit van de waterkering negatief kunnen beïnvloeden.
Het kan voorkomen dat voor de aanleg van een brug of viaduct een tijdelijke stremming nodig is. Een stremming kan een negatief effect hebben op de doorstroming van een oppervlaktewaterlichaam en de bemaling van een watersysteem in zijn geheel. Een hogere stroomsnelheid kan bovendien ook het profiel van een watergang verdiepen of verondiepen waardoor aanwezige beschoeiing of waterkering kan verzakken. De impact van een stremming zal daarom altijd worden beoordeeld door het waterschap. Indien nodig worden er in de omgevingsvergunning voorschriften opgenomen die het mogelijk maken om de stremming op eerste aanzegging van het waterschap op te heffen. Bijvoorbeeld door onvoorziene omstandigheden zoals hevige regenval en het daardoor optreden van wateroverlast. Andere aspecten die in beoordeling in ieder geval worden meegenomen, hebben betrekking op onderhoud en stabiliteit.
Bij een brug of viaduct over een oppervlaktewaterlichaam is het belangrijk dat de brug of viaduct het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet belemmert. Er worden daarom eisen gesteld aan de hoogte van de brug of viaduct ten opzichte van het zomerpeil en de afstand tussen de eventuele pijlers.
Bij het plaatsen van een brug of viaduct moet rekening worden gehouden met de stabiliteit van taluds en oevers. Een brug of viaduct kan een aanzienlijk gewicht en belasting hebben als er niet sprake is van een goede ondersteuning, dat zou kunnen leiden tot het verzakken van de oevers of het talud. Er worden daarom eisen gesteld aan de constructie en positie van de brug of viaduct ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een brug.
JJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het aanleggen, verwijderen en wijzigen van een duikerdam zonder duiker op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Een dam zonder duiker maakt doorstroming van water onmogelijk en heeft om die reden forse impact op een watersysteem. Het aanleggen van een dam zonder duiker kan stuwing en peilwijzigingen tot gevolg hebben. Het verwijderen van een dam kan het omgekeerde effect tot gevolg hebben.
Een perceel mag slechts één keer zonder vergunning ontsloten worden. Door het plaatsen van een dam wordt een wateroppervlak door grond ingenomen. Hierdoor neemt het bergend vermogen van dat oppervlaktewater af. Als het slechts om één enkele dam per perceel gaat is de afname van het bergend vermogen te overzien. Daarom wordt dit toestemmingsvrij toegestaan. Meerdere dammen per perceel vraagt om een inhoudelijkinhoudelijke beoordeling en is om deze reden vergunningplichtig.
Er gelden regels gericht op het netjes afwerken van het talud en behoud van het profiel van de watergang. Daarnaast zijn er beperkingen qua afmetingen opgenomen. Reden hiervan is dat de dam geen verkapte vorm van demping moet wordenmag zijn, maar functioneel moet zijn in perceelsontsluiting.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een dam zonder duiker.
KKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het aanleggen, verwijderen en wijzigen van een duiker of dam met duiker op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk.
Een duiker of een dam met duiker wordt meestal geplaatst om een perceel te ontsluiten of om openbare wegen over watergangen te verbinden. Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt een vernauwing op van het oppervlaktewater waardoor de doorstroming van het water vermindert. Afhankelijk van de breedte van de dam en de diameter van de duiker treedt er verlies aan berging en opstuwing op. De regels zijn bedoeld om de doorstroming en de ecologie te beschermen.
Een perceel slechts één keer zonder vergunning ontsloten worden. Door het plaatsen van een dam met duiker wordt een wateroppervlak door grond ingenomen. Hierdoor neemt het bergend vermogen van dat oppervlaktewater af. Als het slechts om één enkele dam met duiker per perceel gaat is de afname van het bergend vermogen te overzien. Daarom wordt dit toestemmingsvrij toegestaan. Meerdere dammen per perceel vraagt om een inhoudelijk beoordeling en is om deze reden vergunningplichtig.
In het stedelijk gebied is altijd de vergunningplicht van toepassing, omdat in stedelijk gebied meer diversiteit is in de gewenste diameter van de duiker. Ook is het belang van derden vaak sneller in het geding. Voor stedelijk gebied is het gewenst dat elke situatie apart beoordeeld wordt. Ook in hoofdwateren is de grootte van de duiker niet standaard en afhankelijk van het achterliggende gebied en moet elk geval apart berekend en beoordeeld worden.
Er gelden regels gericht op het netjes afwerken van het talud en behoud van het profiel van de watergang. Daarnaast zijn er beperkingen qua afmetingen opgenomen. Reden hiervan is dat de dam geen verkapte demping moet worden, maar functioneel moet zijn in perceelsontsluiting.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een dam met duiker.
LLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het houden van dieren op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Het houden van dieren op gronden grenzend aan waterstaatswerken, op een regionale waterkering in hoge gronden of in de beschermingszone van een regionale waterkering in hoge gronden, kan het waterbeheer belemmeren of schade veroorzaken. De regels bevatten een aantal voorschriften om dit tegen te gaan. Hierbij speelt ook de lokale situatie een rol, bijvoorbeeld de ligging van een hoofdwater, de grondsoort ter plaatse en het gegeven dat de dieren geen schade (kunnen) veroorzaken.
In veel gevallen zullen waterstaatswerken moeten worden beschermd door een voldoende kerende afrastering zodat de dieren de waterstaatswerken niet kunnen bereiken of anderszins kunnen beschadigen. De afrastering mag niet te dicht bij het water of te ver van het water staan en mag ook niet te hoog zijn. Een afrastering te dicht bij het water maakt dat de dieren te dicht bij het water kunnen komen, waardoor het talud onstabiel kan worden. Een afrastering te ver van het water of te hoog vormt een belemmering voor het efficiënt uitvoeren van onderhoud.
Een afrastering dwars over een onderhoudspad of beschermingszone moet, ten behoeve van onderhoud, met de hand en zonder gebruik van hulpmiddelen kunnen worden weggenomen of opengemaakt. Een afrastering van prikkeldraad is bijvoorbeeld voorzien van een handvat en als de afrastering is voorzien van een schrikdraadapparaat is de handgreep geïsoleerd. In voorkomende gevallen moeten aanwijzingen door of namens het waterschap stipt worden opgevolgd.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van hoe dieren gehouden kunnen worden als er geen sprake is van voorland.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van hoe dieren gehouden kunnen worden als er wel sprake is van voorland.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van hoe dieren gehouden kunnen worden als er sprake is van een waterkering in hoge gronden.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van afrastering nabij een watergang.
MMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het houden van evenementen op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Evenementen kunnen impact hebben op waterstaatswerken zoals waterkeringen en daarmee op de waterveiligheid. De regels zijn er op gericht om schade aan waterstaatswerken en met name waterkeringen te voorkomen. Voor grotere evenementen gelden vaak extra aanvullende voorschriften.
Evenementen op hoofdwateren en waterkeringen of de bijbehorende beschermingszones moeten worden gemeld. De beheerder kan dan rekening houden met het evenement in het kader van beheer en onderhoud van het betreffende waterstaatswerk en zo nodig toezicht houden.
NNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor graven, vergraven van, of baggerwerkzaamheden in, een oppervlaktewaterlichaam. Het komt regelmatig voor dat oppervlaktewaterlichamen worden gebaggerd, gegraven of vergraven ten behoeve van bijvoorbeeld een perceelscheiding, als landschappelijk element of ter compensatie van een demping van oppervlaktewater. Het (ver)graven of baggeren van een oppervlaktewaterlichaam heeft impact op het watersysteem. Toename van oppervlaktewater is vanuit waterstaatkundig oogpunt over het algemeen gewenst, omdat daarmee het bergend vermogen toeneemt.
Hoofdwateren zijn in beheer en onderhoud bij het waterschap en najaarsonderhoud wordt door het waterschap uitgevoerd mocht dit nodig is voor voldoende waterafvoer. Indien een derde baggerwerkzaamheden wil uitvoeren, dient dit met het waterschap besproken te worden. Na het bespreken kan de initiatiefnemer een melding doen. Indien extra bescherming van het aquatisch milieu nodig is, kan het waterschap aanvullende maatwerkvoorschriften opleggen. Het waterschap kan desgewenst ook aangeven welk materieel is toegestaan. Om de ecologie te beschermen mag alleen in de periode van 15 september tot 30 november worden gebaggerd. Ter bescherming van talud en toegankelijkheid mag gebaggerd materiaal niet op het talud van de oever of in de beschermingszone van een waterkering worden gezet.
Onderstaande afbeelding toont onder andere het talud, oever, waterlijn, waterbodem en insteek.
Onderstaande afbeelding toont onder andere de beschermingszone van een waterkering.
Onderstaande afbeelding toont hoe de waterbreedte en de middenstrook gemeten moeten worden wanneer zich aan één zijde van de watergang riet bevindt.
Onderstaande afbeelding toont hoe de waterbreedte en de middenstrook gemeten moeten worden wanneer zich aan beide zijden van de watergang riet bevindt.
Bij graven van oppervlaktewater mag in ieder geval geen peilscheiding worden doorkruist. Watersystemen met verschillend peilniveau mogen niet met elkaar in verbinding worden gebracht.
Als het graven of vergraven plaatsvindt ter compensatie van een demping gelden nadere voorschriften hoe dit dient te worden berekend. Teven gelden voorschriften waaraan, voor een doelmatige uitvoering van de regels en de bescherming van het watersysteem, moet worden voldaan. Zo mogen geen milieubezwaarlijke materialen worden toegepast. Ook het gebruik van stortsteen, voor bijvoorbeeld afscherming van ondiepe waterzonesondiepwaterzones, is niet toegestaan in verband met het tegengaan van leefgebied/vestigingsplaatsen voor exoten.
OOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor grond aanbrengen, grond en baggerspecie toepassen, baggerspecie verspreiden en dempen op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. De regels in de waterschapsverordening betreffen enkel het kwantitatieve deel. Er zijn ook overige regels van toepassing, onder andere in het Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit bodemkwaliteit. Het dempen van watergangen kan een negatieve invloed hebben op de werking van het watersysteem. Het algemene uitgangspunt is dat de waterhuishouding niet onevenredig negatief mag worden beïnvloed. Zo mag de afvoercapaciteit van een oppervlaktewaterlichaam niet verminderen en peilscheidingen mogen niet worden doorgraven. Daarnaast mag een demping niet leiden tot een afname van de bergingscapaciteit van het watersysteem. Hierbij wordt uitgegaan van het zogeheten “stand-still” principe. Daarom moet ingeval van een demping de afname van de waterberging worden gecompenseerd.
Het door demping verdwijnende wateroppervlak of ondiepwaterzones dient, voorafgaand aan de demping, te worden gecompenseerd. Het gebruik van stortsteen is niet toegestaan om onder andere het leefgebied/vestigingsplaatsen voor exoten tegen te gaan.
Dempen of verondiepen heeft veelal negatieve gevolgen voor de werking van het watersysteem door bijvoorbeeld vermindering van de aan- en afvoercapaciteit en mogelijke gevolgen voor peilscheidingen. De afname van waterberging zal, voorafgaand aan de demping, moeten worden gecompenseerd. De berekening van het aantal m2 dat gecompenseerd moet worden is afhankelijk de wijze waarop de compensatie plaatsvindt (nieuw graven van een oppervlaktewaterlichaam of vergraven van een bestaand oppervlaktewaterlichaam). Dit staat beschreven in afdeling 4.10.
Wanneer baggerspecie wordt verspreid in oppervlaktewater binnen het beheergebied van het waterschap gelden voorwaarden voor de herkomst, transportafstand en kwaliteit van te verspreiden baggerspecie, die voldoet aan de Maximale waarden voor verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater. Deze voorwaarden zijn uitgewerkt voor drie verschillende gebiedstypen.
Binnen een natuurgebied mag uitsluitend baggerspecie, die voldoet aan de Maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater, in oppervlaktewater verspreid worden als de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden binnen de begrenzing van hetzelfde natuurgebied.
Binnen een natuurgebied mag baggerspecie afkomstig van buiten het natuurgebied in oppervlaktewater als bodem toegepast worden als de baggerspecie voldoet aan de Achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit.
Binnen een KRW-waterlichaam, dat geen onderdeel uitmaakt van een natuurgebied, mag uitsluitend baggerspecie, die voldoet aan de Maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater, verspreid worden als de baggerspecie vrijkomt bij baggerwerkzaamheden binnen de begrenzing van het KRW-waterlichaam of binnen een hiermee in open verbinding staand KRW-waterlichaam. Binnen een KRW-waterlichaam mag baggerspecie afkomstig van buiten het KRW-waterlichaam in oppervlaktewater als bodem toegepast worden als de baggerspecie voldoet aan de Achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit.
Verspreiden van baggerspecie in overig oppervlaktewater zal zich over het algemeen voordoen in overgedimensioneerde wateren, omdat vrijwel alle meren en plassen in het beheergebied van het waterschap deel uitmaken van een natuurgebied of van een KRW-waterlichaam. In overig oppervlaktewater mag baggerspecie, die voldoet aan de Maximale waarden verspreiden baggerspecie in zoet oppervlaktewater, verspreid worden, als de specie vrijkomt bij baggerwerken op maximaal 15 km afstand van de locatie, waar de baggerspecie verspreid wordt. Voor het in overig oppervlaktewater verspreiden of als bodem toepassen van baggerspecie, die voldoet aan de Achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit, gelden geen beperkingen qua herkomst of maximale afstand.
Voor het verspreiden van baggerspecie die voldoet aan de Maximale waarden voor het verspreiden baggerspecie, stellen het waterschap een maximum afstand van 15 km tussen de locatie waar het baggerwerk plaatsvindt en de locatie waar de vrijgekomen baggerspecie verspreid wordt. Hiermee wordt voorkomen dat lokale verontreinigingen (tot aan de Maximale waarden) tot ver buiten het betreffende gebied worden verspreid. Tevens worden hierdoor lange transportafstanden vermeden en het verspreiden van gebiedseigen baggerspecie binnen het eigen beheergebied bevorderd. Voor bagger die voldoet aan de Achtergrondwaarden geldt geen afstandscriterium.
Het waterschap geeft met gebiedsspecifiek beleid invulling aan de zorgplicht vanuit het Besluit Bodemkwaliteit. Er worden aanvullende eisen gesteld ten aanzien van de gehalten fosfor en chloride. Fosfor en chloride zijn opgenomen in de stoffenlijst van het Besluit bodemkwaliteit, maar (nog) niet genormeerd. Voor fosfor en chloride zijn namelijk geen eenduidige generieke eisen voor baggerspecie te geven, die in alle situaties toepasbaar zijn. Dit heeft te maken met de locatie specifieke omstandigheden die voor deze stoffen kunnen gelden. De voorwaarden, die aan de te verspreiden baggerspecie gesteld worden, hebben als doel om onomkeerbare en ongewenste effecten ten aanzien van de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk te voorkomen.
De genoemde gemiddelde waarden (voor fosfor (P) en ijzer/fosfor (Fe/P)) zijn richtwaarden voor de gehele partij te verspreiden baggerspecie, onderzocht op de locatie van herkomst (in situ) in de te ontgraven waterbodem. Veiligheidshalve dient de maximum waarde voor fosfor per onderzochte partij niet meer te bedragen dan twee maal de gestelde norm voor het gemiddelde. Als dit wel het geval is, dan is er geen sprake van een homogene partij bagger en is nader onderzoek nodig.
Grond aanbrengen in boezemland heeft mogelijk negatieve gevolgen voor de werking van het watersysteem door bijvoorbeeld vermindering van de aan- en afvoercapaciteit en mogelijke gevolgen voor peilscheidingen. De afname van waterberging zal, voorafgaand aan het aanbrengen van grond, moeten worden gecompenseerd.
Dempen of verondiepen heeft veelal negatieve gevolgen voor de werking van het watersysteem door bijvoorbeeld vermindering van de aan- en afvoercapaciteit en mogelijke gevolgen voor peilscheidingen. De afname van waterberging zal, voorafgaand aan de demping, moeten worden gecompenseerd.
PPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het aanleggen van een inlaat voor vernatting van een perceel op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Een inlaat is een pijp met een afsluiter in een waterkering waardoor water van de hoger gelegen boezem op een lager gelegen stuk land kan vloeien. Hierdoor wordt de bodem aantrekkelijker voor weidevogels. Het is niet de bedoeling dat er inlaten worden aangelegd die een ander doel hebben dan een bijdrage leveren aan het weidevogelbestand. Kansrijke locaties worden veelal aangewezen door agrarische collectieven.
Bij veel van dit soort inlaten gaat het om eenduidige en eenvoudig te reguleren activiteiten. Dat neemt niet weg dat de aanleg zorgvuldig moet worden uitgevoerd. Onzorgvuldigheid kan leiden tot dijkbreuk en een forse toestroom van boezemwater in de polder met de nodige nadelige effecten tot gevolg. Het waterschap wil voorkomen dat de beheerlast voor het waterschap door initiatieven van derden toeneemt en daarom is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het aanleggen, beheren en verwijderen van de inlaat. De rayonbeheerder ziet hier op toe en kan als dat nodig is daartoe aanwijzingen geven aan de initiatiefnemer die opgevolgd moeten worden.
Het aanleggen van een inlaat in een waterkering van veen of met veen als ondergrond vraagt om zwaardere beoordeling. Dit geldt ook voor de aanleg van een inlaat in hoge slappe waterkeringen en voor waterkeringen met een kerende hoogte van meer dan 1 meter.
Tijdens de aanleg van een inlaat mag nooit een openverbinding zijn tussen boezem en polder waar water doorheen kan vloeien. Er mag wel een sleuf worden gegraven, maar deze mag niet leiden tot een open verbinding naar de boezem. Aan de waterzijde moet 1 meter van de waterkering behouden blijven waar de duiker doorheen geperst moet worden.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een inlaat en de wijze waarop de hoogte van 1 meter en de afstand van 1 meter bepaald moet worden.
Om te voorkomen dat inlaten in waterkeringen blijven, terwijl ze niet meer worden gebruikt, heeft de melding een geldigheidstermijn van 6 jaar. Deze termijn sluit aan bij de duur van subsidiering door de provincie. Mocht een initiatiefnemer na 6 jaar door willen gaan met het vernatten van het perceel ten behoeve van weidevogels dan moet daarvoor een nieuwe melding worden gedaan
QQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het aanleggen, verwijderen of onderhouden van kabels en leidingen in, op, over of onder een waterstaatswerk en in, op, over of onder de beschermingszones van een waterstaatswerk. De aanleg en het verwijderen van kabels en leidingen kan grote impact hebben op de staat en stabiliteit van waterstaatswerken. Ook in de gebruiksfase kan een kabel of leiding invloed hebben op het functioneren van de waterkering of beperkend zijn in het onderhoud van een watergang.
Het waterschap stelt eisen aan het soort kabel en leiding en er gelden voorwaarden voor de wijze van aanleggen en onderhouden. Het springen van leidingen bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen en indien zich dit onverhoopt wel voordoet, direct en volledig worden hersteld.
Daarnaast kan het nodig zijn dat er een kruising plaatsvindt ten opzichte van een hoofdwater of kunstwerk. Om het aantal kruisingen te beperken dient er zoveel mogelijk aangesloten te worden op bestaande tracés. Een gepland tracé dient noodzakelijk te zijn. Een redelijk alternatief zonder kruising met een waterstaatswerk heeft de voorkeur. De doorstroming van een hoofdwater mag niet worden gehinderd. Dit geldt ook voor de mogelijkheid tot het uitvoeren van onderhoud. Daarom mogen kabels en leidingen niet in het doorstroomprofiel van de hoofdwatergang lopen. Er zijn voorschriften waarop kabels en leidingen ten opzichte van het (legger)profiel dienen te worden aangebracht. Tijdens de uitvoering van de werken dient de waterafvoer te allen tijde te zijn gegarandeerd. Eventueel noodzakelijke hulpconstructies (damwanden, omleidingen, etc.) dienen vooraf goedgekeurd te worden door het waterschap. Verder is van belang dat kabels en leidingen niet kunnen worden beschadigd als onderhoudswerkzaamheden aan het hoofdwater worden uitgevoerd.
Kabels en leidingen worden veelal geplaatst door middel van een open ontgraving en/of een gestuurde boring. Wanneer deze werkzaamheden te dicht op de insteek van een hoofdwater worden uitgevoerd kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oever. Wanneer een kabel of leiding eenmaal wordt ingegraven of geboord, is het niet wenselijk dat de oever beschadigd raakt. Voor de stabiliteit is niet zozeer de kabel of leiding, maar de uitvoeringsmethode voor het leggen van de kabel of leiding bepalend. Mogelijk leidt dit tot aanvullende maatwerkvoorschriften. Tevens kunnen hoofdwateren voorzien zijn van kademuren/damwanden of een andere vorm van oeverbescherming. Ook in die gevallen kunnen aanvullende maatwerkvoorschriften gesteld worden. Kabels en leidingen, of de aanleg/verwijdering daarvan, mogen geen belemmering vormen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeelden van een open ontgraving langs en een gestuurde boring onder een watergang.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een open ontgraving langs een waterkering.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van het kruisen van een waterkering door middel van een gestuurde boring.
RRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het innemen van een ligplaats op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. In het beheergebied van het waterschap is veel waterrecreatie met vaartuigen. Om te voorkomen dat vaartuigen schade veroorzaken aan waterkeringen of de beschermingszones van waterkeringen is het alleen toegestaan om een ligplaats in te nemen op een speciaal daarvoor ingerichte plek.
SSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor oeverbeschermende voorzieningen in een oppervlaktewaterlichaam. Een oeverbeschermende voorziening is een voorziening die dient om het talud of de oever te beschermen tegen afkalving of afschuiving, dan wel om bij een verbreding of versmalling van het oppervlaktewaterlichaam het talud op te vangen. Deze voorzieningen hebben veel impact op de staat en hoedanigheid van waterstaatswerken en gevolgen voor onderhoudsmogelijkheden van watergangen etc. De oeverbeschermende voorziening mag de doorstroming niet belemmeren, de bergingscapaciteit niet verkleinen, geen beperking vormen voor het uitvoeren van onderhoud, het materiaal mag geen nadelig effect hebben op de waterkwaliteit (geen uitloging dankzij gebruik van verduurzaamd materiaal).
De toepassing van een oeverbeschermende voorziening verdraagt zich in het algemeen niet met een natuurfunctie, omdat de voorziening geen natuurlijke overgang creëert tussen oever en water. De voorziening wordt daarom niet toegestaan waar een natuurfunctie is toegekend.
Voor de aanleg van een oeverbeschermende voorziening in een hoofdwatergang of aan een waterkering is een specifieke toetsing vereist. Het waterschap kan eisen stellen aan de constructie van de beschoeiing indien deze wordt toegepast in een watergang met een belangrijke aan- en afvoerfunctie voor het watersysteem. De constructie zal ook worden getoetst door een specialist van het waterschap. Indien door het plaatsen van beschoeiing het bergend vermogen van de watergang substantieel verkleind wordt dan dient het verlies aan bergingscapaciteit te worden gecompenseerd. De compensatie dient plaatst te vinden in het zelfde peilgebied.
Indien er sprake is van vervanging van een bestaande oeverbeschermende voorziening dan is het uitgangspunt dat deze herplaatst wordt op de oorspronkelijke positie. Het plaatsen van de oeverbeschermende voorziening voor een bestaande oeverbeschermende voorziening wordt alleen toegestaan indien deze zo dicht mogelijk tegen de bestaande oeverbeschermende voorziening geplaatst wordt.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een oeverbeschermende voorziening.
TTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het recreatief verblijven op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Het recreatief verblijven door het plaatsen van tenten, campers, caravans, woonwagens en dergelijke op waterstaatswerken en/of bijbehorende beschermingszones kan het waterbeheer belemmeren en schade veroorzaken aan waterstaatswerken. Vanuit het oogpunt van waterbeheer en waterveiligheid is voor deze activiteit veelal een specifieke toetsing vereist. Een specifieke toetsing niet nodig als het recreatief verblijven, door het tijdelijk plaatsen van tenten, campers, caravans, woonwagens en dergelijk, plaatsvindt op een voor recreatief verblijf specifiek ingerichte plaats.
UUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor seismisch onderzoek op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Bij seismisch onderzoek, bijvoorbeeld in het kader van onderzoeken voor delfstoffenwinning, wordt veelal gebruik gemaakt van schotgatseismiek, vibroseismiek of aquagunseismiek. Daarmee worden de voor seismisch onderzoek benodigde bodemtrillingen opgewekt. Deze activiteit kan het waterbeheer belemmeren of schade veroorzaken aan waterstaatswerken zoals waterkeringen en/of de bijbehorende beschermingszones. Vanuit een oogpunt van waterbeheer en waterveiligheid is voor deze activiteit een specifieke toetsing vereist.
VVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor sonderingsonderzoek op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Bij sonderingsonderzoek om de mechanische weerstand van de grond te meten wordt veelal gemaakt van zwaar materieel. Waterkeringen dienen daarom beschermd te worden tegen de nadelige gevolgen van deze activiteit. Daarom is een specifieke toetsing nodig.
WWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor spitten, ploegen of andere ondiepe grondroeringen op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Werkzaamheden als spitten, ploegen of andere ondiepe grondroeringen in of op waterstaatswerken en/of bijbehorende beschermingszones kunnen gevolgen hebben voor het waterbeheer en de staat van waterstaatswerken.
In het beheergebied van het waterschap zijn door de provincie lager gelegen gebieden aangewezen waar overstroming vanuit de boezem moet worden voorkomen. Deze gebieden worden beschermd door regionale waterkeringen. Met het oog op de waterveiligheid zijn veel activiteiten op waterkeringen of in de beschermingszones van waterkeringen niet toegestaan zonder beoordeling door het waterschap.
Op veel plaatsen zijn waterkeringen duidelijk herkenbare en kunstmatig opgeworpen kades. Op een aantal locaties wordt de bescherming echter geboden door hogere gronden. Veel hoge gronden zijn in gebruik als landbouw- of weidegrond en daar leiden landbouwgerelateerde activiteiten zelden tot gevaar op doorbraak of overstroming. Bij ploegen wordt de bovenste 30 centimeter (cm) van de grond weliswaar losgewoeld, maar door de geringe of zelfs afwezige golfwerking is er geen gevaar voor erosie van het materiaal. Op waterkeringen in hoge gronden wordt daarom meer toegestaan dan op andere waterkeringen. Daarnaast is het bemesten op een primaire waterkering toegestaan mits er geen zodebemesting wordt toegepast. Andere grondberoeringen in de regionale waterkeringen in hoge gronden en beschermingszones (zoals graven) hebben mogelijk wel impact op de stabiliteit van de waterkering en de waterveiligheid en dienen eerst beoordeeld te worden.
XXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het aanbrengen, verplaatsen of verwijderen van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Het aanbrengen, verplaatsen of verwijderen van een steiger, vlonder, visstoep, meerpaal of overhangend bouwwerk betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk met een geringe impact op het watersysteem en het beheer daarvan. De voorschriften waaraan moet worden voldaan dienen ter bescherming en/of waarborging van de waterkwaliteit, doelmatig onderhoud, oeverbescherming, het talud, het profiel van de betreffende watergang en het belang van een aanliggende eigenaar.
Schouwwateren moeten snel en efficiënt te inspecteren zijn en daarom mag het werk het schouwprofiel niet onzichtbaar maken. Als bijvoorbeeld een vlonder zo groot is dat deze een deel van het schouwprofiel “overdekt” waardoor inspectie van het profiel niet mogelijk is, is dat niet toegestaan.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een steiger.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een woning met een vlonder.
YYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling bevat regels aangaande het versneld afvoeren van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Dit beperkt zich niet tot enkel het verharden van oppervlak. Ook andere manieren van het versneld afvoeren van water, zoals onder andere het afkoppelen van verhard oppervlak, vallen onder deze regels. Daarnaast bevat deze afdeling regels voor het aanleggen, vervangen of verwijderen van een uitstroomvoorziening op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk.
Gevolgen van verharding en lozing
Steeds vaker willen overheden, bedrijven en particulieren hemelwater niet langer op het riool lozen, maar rechtstreeks op oppervlaktewater. Dit kan gevolgen hebben voor:
het waterbeheer (oppervlaktewaterlichamen raken sneller vol);
de waterveiligheid; en
de staat van waterstaatswerken.
Daarom mag afvoer alleen plaatsvinden naar een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor voldoende capaciteit heeft. Voor de kwaliteit en kwantiteit van het geloosde water gelden aanvullende regels in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 1. Een lozingswerk of verharding op een waterkering is ongewenst, omdat dit de constructie kan verzwakken. Aanleg is alleen mogelijk na toetsing door het waterschap. Bij risico op erosie is een uitstroomvoorziening verplicht om schade te voorkomen.
Compensatieplicht
Wanneer verhard oppervlak wordt aangelegd of afgekoppeld, geldt een compensatieplicht: het betreffende watersysteem waarop wordt geloosd moet dezelfde hoeveelheid extra berging krijgen. Dit gebeurt meestal door het graven of vergroten van oppervlaktewater. In overleg met het waterschap zijn ook andere vormen van compensatie mogelijk.
Binnen stedelijk gebied geldt een strengere norm dan buiten stedelijk gebied. Buiten stedelijk gebied is de norm ruimer, omdat het watersysteem daar vaak meer bergend vermogen heeft.
Mogelijk is in de afgelopen vijf jaar verhard oppervlak verwijderd of afgekoppeld waarvoor al is gecompenseerd. Die compensatie mag worden verrekend met nieuw verhard of afgekoppeld oppervlak, mits dit binnen hetzelfde peilgebied plaatsvindt. Daaruit volgt de netto toename in vierkante meter (m2).
In onderstaande voorbeelden wordt gerekend met de grenswaarde van een netto toename kleiner dan of gelijk aan 1.500 m². In gevallen waarin een andere grenswaarde geldt (bijvoorbeeld kleiner dan of gelijk aan 200 m²), is dezelfde berekeningswijze van toepassing met die ruimere grens.
Voorbeelden
Situatie A: voorgenomen realisatie van 1.600 m2
Uitgangssituatie (H0, vijf jaar geleden): 480 m2
Verwijderd: 250 m2
Nieuw aangelegd: 475 m2 (waarvan 225 m2 gecompenseerd; wordt niet meegerekend)
Afgekoppeld: 100 m2
Nog te realiseren: 1.600 m2
→ Netto toename = −250 + (475 − 225) + 100 + 1.600 = 1.700 m2
→ Voor deze situatie geldt een compensatieplicht voor 1.700 m2.
Situatie B: voorgenomen realisatie van 1.600 m2
Uitgangssituatie (H0, vijf jaar geleden): 480 m2
Verwijderd: 250 m2
Nieuw aangelegd: 350 m2
Afgekoppeld: 100 m2
Nog te realiseren: 1.600 m2
→ Netto toename = −250 + 350 + 100 + 1.600 = 1.800 m2
→ Voor deze situatie geldt een compensatieplicht voor 1.800 m2.
Situatie C: voorgenomen realisatie van 1.350 m2
Uitgangssituatie (H0, vijf jaar geleden): 480 m2
Verwijderd: 100 m2
Nieuw aangelegd: 200 m2
Afgekoppeld: 50 m2
Nog te realiseren: 1.350 m2
→ Netto toename = −100 + 200 + 50 + 1.350 = 1.500 m2
→ Voor deze situatie geldt geen compensatieplicht.
Situatie D: voorgenomen realisatie van 1.500 m2 – grens overschreden na historische toename
Uitgangssituatie (H0, vijf jaar geleden): 480 m2
Verwijderd: 50 m2
Nieuw aangelegd: 100 m2
Afgekoppeld: 100 m2
Nog te realiseren: 1.500 m2
→ Netto toename = −50 + 100 + 100 + 1.500 = 1.650 m2
→ Voor deze situatie geldt een compensatieplicht voor 1.650 m2.
Situatie E: verwijdering ouder dan 1.826 dagen (wordt niet meegerekend)
Uitgangssituatie (H0, vijf jaar geleden): 480 m2
Verwijderd: 40 m2 (ouder dan 1.826 dagen; wordt niet meegerekend)
Nieuw aangelegd: 90 m2
Afgekoppeld: 70 m2
Nog te realiseren: 1.360 m2
→ Netto toename = 90 + 70 + 1.360 = 1.520 m2
→ Voor deze situatie geldt een compensatieplicht voor 1.520 m2.
Situatie F: verwijdering in ander peilgebied (wordt niet meegerekend)
Uitgangssituatie (H0, vijf jaar geleden): 480 m2
Verwijderd: 50 m2 (ander peilgebied; wordt niet meegerekend)
Nieuw aangelegd: 90 m2
Afgekoppeld: 80 m2
Nog te realiseren: 1.370 m2
→ Netto toename = 90 + 80 + 1.370 = 1.540 m2
→ Voor deze situatie geldt een compensatieplicht voor 1.540 m2.
Uitleg per situatie (wel/niet meenemen van historische posten)
Situatie A laat zien dat bij historische aanleg waarvan een deel al gecompenseerd is, alleen het niet-gecompenseerde deel moet worden meegenomen. In dit voorbeeld heffen 250 m2 verwijderd en 250 m2 (van de 475 m2) elkaar op; met +100 m2 afkoppeling en +1.600 m2 voorgenomen resteert een netto toename van 1.700 m2 → compensatieplicht.
Situatie B toont hetzelfde uitgangspunt, maar zonder die uitzondering: alle historische meters tellen mee. De som komt uit op 1.800 m2 netto toename → compensatieplicht.
Situatie C geeft het grensgeval: netto toename precies 1.500 m2 (≤ 1.500) → geen compensatieplicht.
Situatie D laat zien hoe historische optelling werkt: eerst 150 m2 onder de grens, met +1.500 m2 voorgenomen kom je op 1.650 m2 → compensatieplicht.
Situatie E illustreert dat verwijdering ouder dan 1.826 dagen niet meetelt; daardoor resteert 1.520 m2 netto toename → compensatieplicht.
Situatie F laat zien dat verwijdering in een ander peilgebied niet meetelt; daardoor resteert 1.540 m2 netto toename → compensatieplicht.
Deze paragraaf bevat regels voor het aanleggen, vervangen of verwijderen van een uitstroomvoorziening, ten behoeve van het versneld afvoeren van hemelwater, op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Uitstroomvoorzieningen
Het aanleggen, vervangen of verwijderen van een uitstroomvoorziening voor het lozen van bijvoorbeeld grond- of hemelwater van verhard oppervlak op het oppervlaktewater, kan gevolgen hebben voor waterbeheer, waterveiligheid en de staat van waterstaatswerken. Hierbij kan ook de omvang van de afwaterende verharde oppervlakken, zoals daken en terreinverhardingen, een rol spelen. De via een uitstroomvoorziening te lozen hoeveelheid water moet in een daarvoor toereikende watergang kunnen worden geloosd. Regels met betrekking tot de kwaliteit van te lozen water of stoffen zijn bijvoorbeeld onderdeel van hoofdstuk 2 van deze waterschapsverordening.
Om de waterhuishoudkundige infrastructuur, zoals de goede staat en het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, maar ook de uitstroomvoorzieningen zelf te beschermen, zijn een aantal algemene voorschriften opgenomen. Doel is dat de uitstroomvoorzieningen in goede staat worden onderhouden en in het kader van doelmatig onderhoud aan (de oever van) de watergang of de voorziening zelf, te allen tijde herkenbaar of zichtbaar zijn. Bijvoorbeeld door het plaatsen van een paal met witte kop bij het uiteinde van de uitstroomvoorziening. Schade door uitspoelingerosie vanuit de uitstroomvoorziening is , evenals gebruik van milieubezwaarlijk materiaal bij aanleg, vervanging of verwijdering, niet toegestaan. Ook moet in het kader van doelmatig onderhoud de beschermingszone van een waterstaatswerk vrij zijn van obstakels en vrij bereikbaar blijven.
Een lozingswerk in een waterkering is ongewenst, want daardoor kan de constructie van de waterkering en de veiligheid van het achterliggende gebied negatief beïnvloedt worden. Voor de aanleg van een uitstroomvoorziening in een waterkering is daarom een specifieke toetsing vereist.
Door het verharden van oppervlakken komt hemelwater sneller in oppervlaktewater terecht. De ontvangende sloten worden daardoor ook sneller gevuld. Om deze reden wordt in een wateradvies aan de gemeente(n) door het waterschap vaak geadviseerd om het verharden van een oppervlak te compenseren door het graven van nieuw oppervlaktewater zodat sloten niet te snel gevuld raken. Voor verharding buiten de bebouwde kom geldt een ruimere vrijstelling, omdat het verharden van oppervlakken kleiner dan 1500 m2, buiten de bebouwde kom veelal geen merkbare invloed heeft op het bergend vermogen van het watersysteem.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een gesloten verharding met goot en buis als uitstroomvoorziening die uitmondt in een watergang en een voorbeeld van een dakgoot die via een regenpijp rechtstreeks uitstroomt in een watergang.
Illustratie
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van verhard oppervlak met goot en buis waarbij water versneld wordt afgevoerd. Dit kan rechtstreeks van het verhard oppervlak plaatsvinden of via een uitstroomvoorziening of regenpijp die rechtstreeks uitmondt in een oppervlaktewaterlichaam.

ZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het uitzetten van vis of onttrekken van vis op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Het uitzetten van vis en het onttrekken van vis met vaste vistuigen wordt door het waterschap getoetst op ecologische effecten, inclusief de effecten op de visstand. Deze toetsing leidt in beginsel tot schriftelijk afspraken van het waterschap met (de vertegenwoordiging van) visrechthebbenden. Meestal bestaan deze afspraken uit een door het waterschap goedgekeurd visplan. Vaste vistuigen kunnen bovendien een belemmering vormen voor onderhoud aan bijvoorbeeld hoofdwateren en is mede reden van regulering door het waterschap. Het uitzetten van glas- of pootaal is toegestaan. Dit geldt ook wanneer een en ander plaatsvindt conform de met het waterschap gemaakte afspraken.
AAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor het stoken van vuur op of in waterstaatswerken en de beschermingszones van een waterstaatswerk. Het stoken van vuur kan schade toebrengen aan de bekleding , zoals de grasmat van een waterkering. Een waterkering met beschadigde bekleding kan makkelijker uitspoeleneroderen waardoor de stabiliteit van de waterkering afneemt. Daarom is het stoken van vuur op waterkeringen uitsluitend toegestaan op daarvoor ingerichte plaatsen.
BBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling bevat regels voor een warmtewisselaar die wordt toegepast voor het lozen van koude of warmte bij aquathermie op of in een oppervlaktewaterlichaam.
Bij het lozen van koude of warmte bij aquathermie wordt oppervlaktewater via een warmtewisselaar geleid. Daar kan de warmte of koude worden overgedragen om vervolgens te worden gebruikt voor verwarming of verkoeling van een woning of gebouw. De warmtewisselaar kan afhankelijk van de te gebruiken installatie “op de wal” maar ook in het water worden geplaatst. Indien de warmtewisselaar op de wal staat wordt oppervlaktewater ingenomen, over de warmtewisselaar geleid en vervolgens weer geloosd. In dat geval is het ingenomen oppervlaktewater bij lozing opgewarmd of juist afgekoeld.
De warmtewisselaar mag de doorstroming niet belemmeren, de bergingscapaciteit niet verkleinen, geen beperking vormen voor het uitvoeren van onderhoud, het materiaal en medium mag geen nadelig effect hebben op de waterkwaliteit of aquatisch milieu zoals vissen, waterplanten en ander onderwaterleven. Dit betekent geen uitloging dankzij gebruik van verduurzaamd materiaal en ook geen lekkage. Ook de waterveiligheid mag niet in het geding komen.
Het waterschap kan eisen stellen aan de plaatsing van een warmtewisselaar. Wanneer de warmtewisselaar geplaatst wordt buiten het stedelijk gebied in een overig water is de impact op het watersysteem en het beheer daarvan gering. De plaatsing van een warmtewisselaar in een hoofdwatergang, schouwwatergang of vaarweg of aan een waterkering kan echter een grotere impact hebben op het watersysteem en het beheer daarvan. De toepassing van een warmtewisselaar verdraagt zich daarnaast in het algemeen niet met een natuurfunctie, omdat de voorziening een natuurlijke overgang tussen oever en water in de weg kan staan. De plaatsing van de warmtewisselaar zal in die gevallen worden getoetst door een specialist van het waterschap.
Onderstaande afbeelding toont een voorbeeld van een warmtewisselaar die gebruikt wordt bij aquathermie.
CCCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2025-30500.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.