Waterschapsblad van Waterschap Rivierenland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Waterschap Rivierenland | Waterschapsblad 2025, 29907 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Waterschap Rivierenland | Waterschapsblad 2025, 29907 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Rivierenland 2026
Het algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland;
Op voordracht van het college van dijkgraaf en heemraden van 30 september 2025;
Overwegende dat de ontwerp-kostentoedelingsverordening watersysteembeheer met toelichting van 16 juli tot en met 26 augustus 2025 voor eenieder ter inzage heeft gelegen;
Overwegende dat gedurende voornoemde periode geen zienswijzen zijn ingediend met betrekking tot het Ontwerpbesluit kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Rivierenland 2026;
Overwegende dat door het achterwege blijven van ingediende zienswijzen de ontwerp-kostentoedelingsverordening en de bijbehorende toelichting ongewijzigd kunnen worden vastgesteld;
Gelet op de artikelen 120 en 122 van de Waterschapswet;
Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Rivierenland 2026, luidend als volgt:
In deze verordening wordt verstaan onder:
wateraanvoerproject: project dat door of vanwege het algemeen bestuur van het waterschap tot stand is of wordt gebracht in een bepaald gedeelte van het gebied van het waterschap dat is aangegeven op de <kaart die bij de verordening behoort> waarin ongebouwde onroerende zaken liggen waarnaar water wordt aangevoerd;
Artikel 4 Tariefdifferentiatie buitendijks gelegen onroerende zaken
Voor buitendijks gelegen ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, voor buitendijks gelegen natuurterreinen en voor buitendijks gelegen gebouwde onroerende zaken geldt een tariefdifferentiatie als bedoeld in artikel 122, eerste lid, van de Waterschapswet. Het tarief na toepassing van de tariefdifferentiatie is 50% lager dan het tarief dat blijkens de verordening op de watersysteemheffing voor elk van deze categorieën geldt.
Artikel 5 Tariefdifferentiatie verharde openbare wegen
Voor verharde openbare wegen geldt een tariefdifferentiatie als bedoeld in artikel 122, derde lid, onder b, van de Waterschapswet. Het tarief na toepassing van de tariefdifferentiatie is 100% hoger dan het tarief dat blijkens de verordening op de watersysteemheffing geldt voor ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn.
Artikel 6 Cumulatie van tariefdifferentiaties
De tariefdifferentiatie voor verharde openbare wegen, genoemd in artikel 5, wordt, naast de tariefdifferentiatie voor ongebouwde onroerende zaken die liggen in buitendijkse gebieden als bedoeld in artikel 4, toegepast.
Artikel 7 Inwerkingtreding en citeertitel
De Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Rivierenland 2022, laatstelijk gewijzigd bij besluit van het algemeen bestuur van 15 november 2024, Waterschapsblad 2024, 25901, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van Waterschap Rivierenland van 21 november 2025 te Tiel.
De secretaris-directeur,
Ir. Z.C. Vonk
de dijkgraaf
drs. T.J.A.M. Cuppen MBA
Bijlage 1 Kaart behorende bij de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Rivierenland 2026 (tariefdifferentiatiekaart)
Bijlage 2 Toelichting op de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Rivierenland 2026
Artikel 120, eerste lid, van de Waterschapswet bepaalt dat het algemeen bestuur van een waterschap ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening vaststelt, waarin voor elk van de categorieën van heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is opgenomen. Deze verordening wordt in de praktijk de kostentoedelingsverordening watersysteembeheer genoemd. In deze kostentoedelingsverordening is opgenomen welke heffingplichtige categorie welk deel van de kosten verbonden aan het beheer van watersystemen opbrengt. De Waterschapswet onderscheidt in artikel 117, eerste lid, de volgende vier heffingplichtige categorieën:
Hoe hoog de kosten van het watersysteembeheer precies zijn, blijkt uit de begroting van het waterschap. In beginsel worden deze kosten tezamen genomen en volgens de verdeling die in de kostentoedelingsverordening is vastgelegd aan de heffingplichtige categorieën toegedeeld. Op deze wijze draagt elke categorie een deel van de totale kosten van de taakuitoefening van het waterschap.
Op deze regel heeft de wetgever twee uitzonderingen toegestaan:
Toepassing van deze uitzonderingen leidt ertoe dat de bedoelde kosten van de kosten van het watersysteembeheer worden afgezonderd en rechtstreeks in rekening kunnen worden gebracht bij de categorie ten behoeve van wie deze kosten worden gemaakt. In de toelichting bij de betrokken artikelen wordt hierop nader ingegaan.
Het waterschap kan op grond van artikel 122 van de Waterschapswet gebruik maken van de mogelijkheid om belastingtarieven hoger of lager vast te stellen, oftewel te differentiëren. Op grond van de wet moet een eventuele keuze voor een of meer tariefdifferentiaties in de kostentoedelings-verordening worden opgenomen. In de kostentoedelingsverordening moet ook worden opgenomen wat de omvang van de tariefdifferentiatie in procenten is. Buiten de in de wet genoemde gevallen is het niet mogelijk om tarieven te differentiëren. Het onderscheid in tarieven tussen woningen en niet-woningen binnen de categorie gebouwd wordt in het spraakgebruik weliswaar ‘de tariefdifferentiatie gebouwd’ genoemd, maar is geen tariefdifferentiatie als bedoeld in artikel 122. Deze tariefdifferentiatie wordt dus niet in de kostentoedelingsverordening van het waterschap geregeld.
De kostentoedelingsverordening wordt op grond van artikel 120, vijfde lid, van de Waterschapswet ten minste eenmaal in de vijf jaren herzien. Bij de herziening worden de kostenaandelen op basis van nieuw onderzoek naar de inwonerdichtheid, de ongebouwde dichtheid, de natuurdichtheid en eventuele overige gebiedskenmerken in het gebied van het waterschap opnieuw bepaald en wordt er een nieuwe verordening vastgesteld. Waterschappen hoeven de vijfjaarstermijn niet af te wachten, maar kunnen desgewenst ervoor kiezen om de verordening eerder te herzien.
De model-kostentoedelingsverordening is gebaseerd op de tekst van de Waterschapswet, zoals deze komt te luiden na de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten en de inwerkingtreding van het aangepaste Waterschapsbesluit. De kostentoedelingsmethode die in deze wet wordt geregeld, wordt de methode Gebiedskenmerken genoemd.
De kostentoedelingsverordening is aan inspraak onderhevig. De verordening kan in een procedure over een belastingaanslag marginaal door de belastingrechter worden getoetst. Bij een marginale toetsing beoordeelt de rechter of het waterschapsbestuur in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het gaat dan om besluiten (of keuzes) waarbij het waterschapsbestuur gebruik heeft gemaakt van door de wet geboden beleidsruimte of beoordelingsruimte (bestuurlijke ruimte). Het is dan ook van belang dat de kostentoedelingsverordening zorgvuldig is voorbereid en dat gemaakte keuzes deugdelijk zijn gemotiveerd, zodat de bestuursrechter dit in voorkomende gevallen kan toetsen.
Het vervolg van deze toelichting heeft betrekking op de toedeling van de zogenaamde taakgebonden kosten aan de belastingplichtige categorieën. Onder taakgebonden kosten moeten kosten worden verstaan die niet rechtstreeks aan de betrokken categorieën worden toegedeeld. De rechtstreekse toerekening van kosten is in artikel 3 van deze verordening geregeld.
Kostentoedeling gebaseerd op gebiedskenmerken; de methode Gebiedskenmerken
De Waterschapswet schrijft in het tweede tot en met zevende lid van artikel 120 voor op welke wijze de kosten verbonden aan het beheer van watersystemen over de vier heffingplichtige categorieën worden verdeeld. Deze kostentoedelingsmethode wordt de methode Gebiedskenmerken genoemd. De wet bepaalt over deze kostentoedelingsmethode het volgende.
A Kostenaandeel van de categorie ingezetenen (artikel 120, lid 2)
Het profijt dat de categorie ingezetenen bij de watersysteemtaak heeft, bestaat uit het kunnen wonen, werken en recreëren in het waterschapsgebied. De toedeling van het kostendeel aan de categorie ingezetenen gebeurt aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De gedachte achter deze verdeelmaatstaf is dat in een dichtbevolkt beheergebied de ingezetenen een groter profijt bij de watersysteemtaak hebben dan in een dun- of dunnerbevolkt gebied. Een dichtbevolkt gebied leidt dan ook tot een hoger kostenaandeel ten opzichte van gebieden die minder inwoners hebben. De toedeling is als volgt:
Schematisch ziet dit er als volgt uit:
Het behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschapsbestuur om binnen de gegeven bandbreedte van 10% te bepalen wat het initiële ingezetenenaandeel wordt. Een motivering op basis van gebiedskenmerken (die bij het verhogen van het ingezetenenaandeel boven het maximum van een bandbreedte wel is vereist, zie hiervoor het vervolg van deze toelichting) is hierbij niet vereist, maar kan wel.
Bij het bepalen van de inwonerdichtheid wordt gehanteerd voor:
de oppervlakte van het beheergebied: het aantal vierkante kilometer zoals blijkt uit het door provinciale staten vastgestelde reglement voor het waterschap. Als rijkswater onderdeel vormt van het beheergebied van het waterschap en het waterschap ten aanzien van dit rijkswater belast is met het waterstaatkundig beheer als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Omgevingsregeling, behoort de oppervlakte van het rijkswater tot de oppervlakte van het beheergebied van het waterschap. Voor het bepalen van de oppervlakte van het beheergebied kan soms gebruik gemaakt worden van de digitale kaart die bij het provinciale reglement behoort. In andere gevallen kan gebruik gemaakt worden van een GIS-bestand waarin de beheergrens van het waterschap is opgenomen en welke is gebaseerd op (de kaart behorende bij) het reglement.
Verhogen kostenaandeel ingezetenen (artikel 120, lid 3)
Waterschappen hebben op grond van artikel 120, derde lid, van de Waterschapswet de mogelijkheid om de genoemde maximale percentages van het kostenaandeel van de ingezetenen met 10% te verhogen tot respectievelijk 40%, 50% of 60%. De verhoging moet op basis van gebiedskenmerken van het waterschap (dit zijn karakteristieken van het gebied en/of van de taakuitoefening) worden gemotiveerd. De motivering van de verhoging is onderdeel van de motivering van de kostentoedelingsverordening.
Anders dan onder de kostentoedelingsmethode Delfland is het onder de methode Gebiedskenmerken niet de bedoeling dat het algemeen bestuur van het waterschap het kostenaandeel van de categorie ingezetenen helemaal afwikkelt (dus inclusief de bestuurlijke afweging voor het eventueel toepassen van de verhoging aan de hand van gebiedskenmerken) om daarna tot de kostenaandelen van de overige categorieën te komen. In de methode Gebiedskenmerken wordt in de laatste, bestuurlijke, fase van het kostentoedelingsproces een integrale afweging voor alle categorieën gemaakt waarin het waterschapsbestuur de belangen van alle categorieën, dus ook die van de ingezetenen, afweegt. In deze fase worden, ook voor de ingezetenen, de definitieve kostenaandelen bepaald.
B Toedeling van kosten aan de categorie zakelijk gerechtigden ongebouwd, niet zijnde natuur (artikel 120, lid 4)
Het vierde lid van artikel 120 bepaalt hoe het kostendeel voor de categorie ongebouwd, niet zijnde natuur, wordt vastgesteld. De wet bepaalt dat dit volgens de volgende formule gebeurt,
Kostenaandeel = 0,0029317*(A0,7414854)
waarbij A staat voor het aantal hectaren ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen, per 1000 inwoners in het gebied van het waterschap.
Het aantal hectaren ongebouwd per 1000 inwoners, de ongebouwde dichtheid, is dus het gebiedskenmerk dat het rekenkundige kostenaandeel van de categorie bepaalt.
Bij het bepalen van de areaaldichtheid ongebouwde onroerende zaken wordt gehanteerd voor:
aantal hectaren ongebouwde onroerende zaken: het aantal hectares van de categorie ongebouwd op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de kostentoedeling van kracht wordt. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), waarbij er rekening moet worden gehouden met het feit dat er door de gemeenten soms oppervlakte ongebouwd die in de BGT als ongebouwd wordt gekwalificeerd wordt meegetaxeerd met een gebouwd object. Deze meegetaxeerde oppervlakte ongebouwd behoort niet tot de belastingcategorie ongebouwd, maar tot gebouwd, en behoort dus ook niet in de kostentoedeling bij deze categorie te worden meegenomen. Om deze reden bepalen verschillende waterschappen de oppervlakte ongebouwd door eerst de oppervlakten van natuur en gebouwd te bepalen, waarbij de oppervlakte gebouwd de getaxeerde bebouwde oppervlakte én de meegetaxeerde oppervlakte ongebouwd is, waarbij ook sluimerende WOZ-objecten moeten worden meegenomen. De oppervlakten van gebouwd en natuur worden dan afgetrokken van de totale oppervlakte van het beheergebied en aldus resulteert de oppervlakte ongebouwd. De oppervlakte ongebouwd kan ook worden bepaald op basis van de oppervlakte ongebouwd die is betrokken in de belastingheffing in het jaar waarin de kostentoedeling wordt vastgesteld, waarbij ook de oppervlakte van de vrijgestelde objecten (waaronder vaak eigen ongebouwde gronden van het waterschap) wordt meegerekend.
C Toedeling van kosten aan de categorie natuur (artikel 120, lid 5)
Het vijfde lid van artikel 120 bepaalt hoe het kostenaandeel voor de categorie natuurterreinen wordt vastgesteld. De wet bepaalt dat dit volgens de volgende formule gebeurt,
Kostenaandeel = 0,0000224*(B1,1938609)
waarbij B staat voor het aantal hectaren natuurterrein per 1000 inwoners in het gebied van het waterschap.
Het aantal hectaren natuur per 1000 inwoners, de natuurdichtheid, is dus het gebiedskenmerk dat het rekenkundige kostenaandeel van de categorie bepaalt.
Bij het bepalen van de areaaldichtheid natuurterreinen wordt gehanteerd voor:
aantal hectare natuurterreinen: het aantal hectares van de categorie natuur op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de kostentoedeling van kracht wordt. Bij het bepalen van de oppervlakte natuur kan de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) als basis worden gebruikt, maar de ervaring leert dat er veelal ook andere bronnen noodzakelijk zijn om tot een zo goed mogelijke afbakening van het areaal natuur te komen. In de praktijk worden SNL, de natuurbeheertypenkaart van de provincies, het kadastraal eigendom van de natuurbeherende organisatie, het CBS-bestand Bodemgebruik en de categorie ‘weids water’ uit de Top10NL gebruikt. Een waterschap kan ook het areaal natuur hanteren dat in de watersysteemheffing wordt aangeslagen in het jaar waarin de kostentoedeling wordt vastgesteld, waarbij ook de oppervlakte van de vrijgestelde objecten (waaronder wellicht eigen natuurterreinen van het waterschap) wordt meegerekend. Als rijkswater onderdeel vormt van het beheergebied van het waterschap en het waterschap daar een beheertaak heeft en in verband daarmee belasting heft, wordt ook oppervlakte van het rijkswater tot de oppervlakte natuur gerekend.
D Toedeling van kosten aan de categorie gebouwd (artikel 120, lid 6)
Het kostendeel voor de categorie gebouwd is ingevolge artikel 120, zesde lid, het kostendeel dat resteert na bepaling van de kostendelen van de categorieën ingezetenen, ongebouwd niet zijnde natuur en natuur. Omdat er voor de kostenaandelen voor ingezetenen, ongebouwd en natuur een bandbreedte mogelijk is, is er ook automatisch een bandbreedte voor de categorie gebouwd mogelijk.
E Mogelijkheid om de kostenaandelen van de categorieën ongebouwd en natuur te verhogen of te verlagen (artikel 120, lid 7)
Artikel 120, zevende lid, onder a, Waterschapswet bepaalt dat het algemeen bestuur van een waterschap bij de kostentoedelingsverordening de kostenaandelen van de categorieën ongebouwd en natuur kan verhogen of verlagen met maximaal 30% per kostendeel. Het afwijkingspercentage van maximaal 30% geldt alleen voor de jaren 2026 en 2027. Daarna bedraagt de afwijkingsmogelijkheid maximaal +/- 25% per kostendeel.
De afwijkingspercentages geven de bestuurlijke bandbreedte, de bestuurlijke afwegingsruimte, weer. Waterschapsbesturen kunnen deze ruimte benutten als ze van mening zijn dat de rekenkundige uitkomst van de kostentoedeling het profijt dat de categorieën bij de taakuitoefening hebben, niet goed representeert.
De bestuurlijke afweging vormt als het ware een vervolgstap bij de kostentoedeling.
De methode Gebiedskenmerken nader toegelicht
De methode Gebiedskenmerken vervangt de kostentoedelingsmethode Delfland die sinds 2009 heeft gegolden. De nieuwe kostentoedelingsmethode hanteert gebiedskenmerken als verdeelmaatstaf. In de methode Delfland vormde de waarde in het economische verkeer van de categorieën ongebouwd, gebouwd en natuur de verdeelmaatstaf tussen deze categorieën.
Gebiedskenmerken zijn karakteristieken van het gebied en karakteristieken van de taakuitoefening. Zij zijn essentieel in de kostentoedelingsmethode en vormen het uitgangspunt voor het profijt en het startpunt van de kostentoedeling. In de wet zijn drie gebiedskenmerken verankerd: inwonerdichtheid, ongebouwde dichtheid en natuurdichtheid. Naast deze gebiedskenmerken zijn er nog andere gebiedskenmerken die in de kostentoedeling, bij het bepalen van het definitieve kostenaandeel, een rol spelen.
Gebiedskenmerken spelen bij de kostentoedeling op twee momenten een rol:
het eerste moment is wanneer de waterschappen op basis van de drie in de wet verankerde gebiedskenmerken inwonerdichtheid (aantal inwoners per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap), ongebouwde dichtheid (aantal hectaren ongebouwd per 1000 inwoners in het gebied van het waterschap) en natuurdichtheid (aantal hectaren natuur per 1000 inwoners in het gebied van het waterschap) tot een modelmatige bepaling van de kostenaandelen en de bandbreedtes van de heffingplichtige categorieën komen. Het gaat hier om de technische/ambtelijke fase van de kostentoedeling.
het tweede het moment waarop gebiedskenmerken in beeld komen is het moment waarop waterschapsbesturen in een integrale afweging de definitieve kostenaandelen bepalen. Hierbij kunnen diverse gebiedskenmerken (andere dan de gebiedskenmerken die in de wet zijn verankerd) in aanmerking worden genomen. Bijvoorbeeld: pleegt het waterschap veel of weinig inzet op het gebied van stedelijk waterbeheer, is er veel of weinig gebied dat door het waterschap direct wordt beschermd door primaire waterkeringen, pleegt het waterschap veel of weinig inspanningen gericht op natuurontwikkeling of voor waterkwaliteit, etc.
De inzet en afweging van deze gebiedskenmerken vindt in de laatste fase van de kostentoedeling, de bestuurlijke fase, plaats. In de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat de waterschapsbesturen in hun motivering van de kostenaandelen geacht worden expliciet de gebiedskenmerken en de taakuitoefening van het waterschap mee te wegen.
Nadere toelichting kostentoedelingssystematiek
Voor de categorie ingezetenen is de inwonerdichtheid het gebiedskenmerk dat het startpunt voor de kostentoedeling vormt. Voor de heffingplichtige categorie ongebouwd niet zijnde natuur is dit de ongebouwde dichtheid en voor de categorie natuurterreinen gaat het om de natuurdichtheid. De wet geeft in het vierde en het vijfde lid van artikel 120 formules waarmee respectievelijk het kostenaandeel van de categorie ongebouwd niet zijnde natuurterreinen en het kostenaandeel van de categorie natuurterreinen wordt vastgesteld. In het zesde lid van artikel 120 is bepaald dat het kostenaandeel voor de categorie gebouwd het kostendeel uitgedrukt in procenten is dat resteert na bepaling van de kostendelen van de categorieën ingezetenen, ongebouwd niet zijnde natuur en natuurterreinen.
De kostenaandelen die ingevolge de genoemde bepalingen worden verkregen, komen als het ware modelmatig tot stand. Waterschappen verschillen echter wat betreft de kenmerken van het gebied, opgaves en de wijze van taakuitoefening onderling van elkaar. De wetgever heeft de waterschapsbesturen daarom wettelijk de ruimte gegeven om bij de categorie ongebouwd niet zijnde natuurterreinen en bij de categorie natuurterreinen met maximaal 30% gemotiveerd naar boven of naar beneden af te wijken van de uitkomst van de modelmatige berekening. De afwijking moet zijn gebaseerd op gebiedskenmerken.
De wetgever heeft niet aangegeven om welke gebiedskenmerken het hier gaat, maar het spreekt voor zich dat het niet weer om gebiedskenmerken in de zin van ongebouwde dichtheid en natuurdichtheid kan gaan. In de handreiking methode Gebiedskenmerken heeft de Unie van Waterschappen voorbeelden van andere relevante gebiedskenmerken gegeven.
Omdat er in de methode Gebiedskenmerken een bandbreedte is voor de categorieën ingezetenen, ongebouwd en natuur, ontstaat er automatisch ook een bandbreedte voor de categorie gebouwd. In de handreiking methode Gebiedskenmerken zijn ook voor deze categorie enkele gebiedskenmerken genoemd die het waterschapsbestuur in zijn afweging kan meenemen. De bandbreedtes geven de waterschapsbesturen de ruimte om de kostenaandelen die uit de modelmatige berekening voortvloeien bij te stellen, zodat een kostenaandeel wordt verkregen dat zo goed mogelijk aansluit bij het profijt dat de categorie van het werk van het waterschap heeft. Uiteindelijk komt het waterschapsbestuur in een integrale afweging, waarin alle categorieën worden betrokken, tot de definitieve kostenaandelen. Bij het maken van de integrale afweging kan het waterschapsbestuur ook meewegen dat voorkomen moet worden dat sprake zal zijn van grote tariefsprongen bij de overgang van het bestaande naar het nieuwe belastingstelsel.
De afwijkingsruimte van 30% geldt alleen voor de eerste twee jaar van de kostentoedeling (2026-2027). Daarna bedraagt de afwijkingsruimte maximaal +/- 25%. Waterschappen die in de eerste twee jaar van de kostentoedelingsperiode de maximale afwijkingsmogelijkheid van +/- 30% benutten, zullen hun kostentoedelingsverordening na deze twee jaren dus moeten herzien.
In de (toelichting op de) kostentoedelingsverordening worden de benutte bestuurlijke ruimte (voorzien van een motivering) en de definitieve kostenaandelen vermeld.
Overige elementen kostentoedeling
Waterschappen hebben de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel. In verband hiermee hebben zij onder andere het beheer van watersystemen als taak (artikel 1, tweede lid, Waterschapswet). Het watersysteembeheer omvat de zorg voor de waterkering (droge voeten)en de zorg voor de waterhuishouding (niet te veel en niet te weinig water), waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit valt. De verschillende deelaspecten van het watersysteembeheer hangen nauw met elkaar samen en worden als één integrale taak uitgevoerd.
Tot het beheer van watersystemen behoort op grond van artikel 1, derde lid, van de Waterschapswet ook het voorkomen dat muskus- en beverratten schade aan waterstaatswerken veroorzaken. Het muskus- en beverrattenbeheer is per 1-7-2011 van de provincies naar de waterschappen overgegaan.
Relatie kostentoedeling en begroting waterschap
In het traject van belastingheffing (kostentoedeling-tariefbepaling-aanslagoplegging-heffing-inning -invordering) zijn de kosten die voor het waterschap zijn verbonden aan het beheer van watersystemen bepalend. Tot deze kosten behoort op grond van artikel 117, tweede lid van de Waterschapswet de bijdrage van het waterschap aan het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Op grond van artikel 117, derde lid, Waterschapswet kunnen tot de kosten van de taakuitoefening ook kosten van maatregelen voor het opwekken van hernieuwbare energie ter compensatie van de onvermijdbare uitstoot van broeikasgassen, behoren.
De kosten worden in de begroting van het waterschap geraamd en in de jaarverslaggeving verantwoord. Gelet op het belang van de belastingheffing voor de waterschappen en gelet op het feit dat inzicht moet bestaan in de lasten voor de belastingplichtigen, vormt een specificatie van de bedragen die uiteindelijk tot lasten van de belastingplichtigen leiden, een apart onderdeel van de begroting (de raming van de belastingopbrengsten). Een en ander is in de verslaggevingsvoorschriften van het Waterschapsbesluit vastgelegd. Het gaat in deze modelverordening om de kostendrager watersysteembeheer.
De verslaggevingsvoorschriften geven eveneens aan hoe de totstandkoming van het te heffen bedrag inzichtelijk moet worden gemaakt in de raming van belastingopbrengsten, die onderdeel is van de begroting van het waterschap. In dit geval zijn de netto-kosten van de watersysteemtaak van de waterschappen het vertrekpunt. Bij de netto-kosten worden opgeteld het bedrag voor onvoorzien en de bedragen die voor kwijtschelding en oninbare vorderingen worden geraamd. Afgetrokken worden de verwachte dividenden en overige algemene opbrengsten die aan de watersysteemtaak worden toegerekend (tot deze laatste opbrengsten behoort ook de verwachte heffingsopbrengst van de verontreinigingsheffing). Deze berekening leidt tot een saldo, het ‘begrote resultaat’ van de watersysteemtaak. Daarna wordt aangegeven hoe het begrote resultaat zal worden gedekt of bestemd. In de regel wordt er eerst onttrokken of toegevoegd aan reserves en ontstaat daarna het bedrag dat het waterschap door middel van belastingheffing zal moeten ontvangen. Dit laatste bedrag is het startpunt voor de kostentoedeling.
Tariefdifferentiaties (algemeen)
Artikel 122 van de Waterschapswet geeft aan de algemene besturen van de waterschappen de mogelijkheid om de heffing in een aantal gevallen lager of hoger vast te stellen. Dit wordt de mogelijkheid van tariefdifferentiatie genoemd. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel heeft de wetgever deze regeling opgenomen omdat zij niet voorbij heeft willen gaan aan het feit dat het belang bij de watersysteemtaak voor bepaalde onroerende zaken duidelijk anders kan liggen dan dat van andere onroerende zaken. De wetgever heeft nadrukkelijk aangegeven dat waterschappen in dergelijke gevallen de mogelijkheid, maar niet de verplichting hebben om de tarieven te differentiëren. Zie hiervoor de memorie van toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel (TK 2005-2006, 30 601, nr. 3, blz. 26). Tariefdifferentiatie kan in een aantal in de wet genoemde gevallen worden toegepast voor de tarieven van ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, voor natuurterreinen en voor gebouwde onroerende zaken. Het tarief van de ingezetenenheffing kan niet worden gedifferentieerd.
Uitgangspunt bij de watersysteemheffing is dat het tarief per eenheid van de heffingsmaatstaf gelijk is (zie artikel 121, eerste lid, onder b, c en d, van de Waterschapswet). Indien voor tariefdifferentiatie wordt gekozen, is dit niet langer het geval en zal het tarief voor bepaalde onroerende zaken binnen een categorie hoger of lager zijn. De situaties waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, zijn limitatief in de wet genoemd. De wet geeft ook aan wat de maximale omvang (lees: verhoging of verlaging in procenten) van de differentiatie is.
Tariefdifferentiatie is ingevolge artikel 122 uitsluitend in de volgende gevallen en tot de volgende maxima mogelijk:
De Unie van Waterschappen heeft een Handreiking tariefdifferentiaties watersysteemheffing uitgebracht, waarin nader op de tariefdifferentiaties genoemd onder 1 tot en met 5 is ingegaan. Over de tariefdifferentiatie wegens wateraanvoerprojecten is een aparte handreiking uitgebracht.
Tariefdifferentiatie wateraanvoerprojecten
De tariefdifferentiatie onder punt 6 hiervoor is de tariefdifferentiatie voor wateraanvoerprojecten. Met ingang van 1 januari 2026 bepaalt artikel 122, derde lid, onderdeel c, van de Waterschapswet dat het algemeen bestuur van een waterschap de watersysteemheffing in de kostentoedelings-verordening maximaal 100% hoger kan vaststellen voor ongebouwde onroerende zaken die zijn gelegen in een bepaald gedeelte van het gebied van het waterschap waarin door of vanwege het algemeen bestuur van het waterschap een wateraanvoerproject tot stand wordt of is gebracht. Aan de instelling van deze tariefdifferentiatie gaat een aantal voorwaarden vooraf: er moet een door tenminste één belanghebbende om het wateraanvoerproject zijn verzocht, de potentiële heffingplichtigen moeten in een draagvlakmeting in de gelegenheid zijn gesteld om kenbaar te maken of zij het wateraanvoerproject wenselijk achten en de uitkomst van deze draagvlakmeting moet positief zijn. Pas als aan deze voorwaarden is voldaan, kan het bestuur van het waterschap de tariefdifferentiatie instellen.
De Unie van Waterschappen heeft een handreiking Tariefdifferentiatie plusvoorzieningen wateraanvoerprojecten uitgebracht waarin onder andere nader op de tariefdifferentiatie, de draagvlakmeting en de vaststelling van de kostentoedelingsverordening is ingegaan.
Het hanteren van verschillende tarieven tussen woningen en niet-woningen binnen de categorie gebouwd
Met ingang van 1 januari 2026 gelden binnen de categorie gebouwd twee aparte tarieven: een tarief voor gebouwde onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen (de zogenaamde woningen) en een tarief voor gebouwde onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen (de zogenaamde niet-woningen). Deze tariefdifferentiatie is in artikel 121, eerste lid, onderdeel d, van de Waterschapswet geregeld. Deze tariefdifferentiatie wordt niet in de kostentoedelingsverordening vastgelegd, maar wordt elk jaar opnieuw bepaald in de verordening op de watersysteemheffing (de heffingsverordening). Om deze reden wordt in de voorliggende modelverordening niet inhoudelijk op de ‘tariefdifferentiatie gebouwd’ ingegaan.
De tariefdifferentiatie van artikel 121, eerste lid, onderdeel d, heeft wel gevolgen voor de tariefdifferentiaties van artikel 122, voor zover die uiteraard betrekking hebben op gebouwde onroerende zaken. Als een waterschap op grond van artikel 122, tweede lid, bijvoorbeeld een tariefdifferentiatie van 100% instelt voor gebouwde onroerende zaken die in bemalen gebieden liggen, zal het waterschap de tariefdifferentiatie moeten toepassen op twee basistarieven, te weten het basistarief voor woningen en het basistarief voor niet-woningen.
2. Kostentoedeling watersysteembeheer bij Waterschap Rivierenland
De Waterschapswet wordt met ingang van 1 januari 2026 op een aantal onderdelen aangaande de waterschapsbelasting gewijzigd. Een van de wijzigingen is een nieuwe kostentoedelingsmethode voor de watersysteemheffing. Dit betekent dat per 1 januari 2026 een nieuwe kostentoedelings-verordening watersysteembeheer in werking moet treden.
De afgelopen periode is een proces doorlopen met de commissie Middelen en het Algemeen Bestuur om hen te informeren over het nieuwe belastingstelsel in het algemeen en de nieuwe kostentoedelingsmethode in het bijzonder. Tijdens diverse bijeenkomsten is het bestuur geïnformeerd over de opzet en werking van het nieuwe stelsel, het effect van de aanpassing van de tariefdifferentiatie Wegen, de effecten van technische toepassing van het nieuwe stelsel op de lastenverdeling bij Waterschap Rivierenland en de bestuurlijke mogelijkheden, om de lasten binnen het nieuwe stelsel te verdelen over de categorieën gebouwd, ongebouwd, natuur en ingezetenen.
Op basis van technische gebiedscriteria als hectaren en inwonerdichtheid, is de lastenverdeling voor de categorieën gebouwd, ongebouwd, natuur en ingezetenen inzichtelijk gemaakt. De uitkomst van deze technische exercitie dient als basis voor de bestuurlijke afweging. Het bestuur heeft in het nieuwe belastingstelsel de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van de uitkomsten van de technische exercitie binnen vaste bandbreedtes per categorie.
Op 22 april 2025 zijn de bestuurlijke mogelijkheden besproken, om de lasten op een andere wijze te verdelen over de categorieën. Aan de hand van een rekenmodel zijn op interactieve wijze diverse scenario’s doorgenomen. Ter voorbereiding op de extra commissievergadering van 1 mei 2025 heeft het College van Dijkgraaf en Heemraden aan de commissie meerdere varianten voorgelegd om de bestuurlijke richting voor de kostentoedeling watersysteem 2026 te bepalen.
Naar aanleiding van de behandeling in de commissie Middelen van 1 mei 2025 is een variant voor de kostentoedeling voorgesteld, waarin aanvullend een verlaging van het kostenaandeel voor natuur van 0,125% naar 0,12% is opgenomen. Daarmee wordt zowel voor het aandeel ongebouwd als het aandeel natuur gebruik gemaakt van de bestuurlijke bandbreedte en wordt het rekenkundige aandeel van beide categorieën met circa 3% verlaagd.
Voornoemde variant is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
Het algemeen bestuur heeft tijdens de vergadering van 20 juni 2025 ingestemd met bovenstaande variant, die in het ontwerpbesluit Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap Rivierenland 2026. De bij deze verordening behorende kaart is eveneens bij dit voorstel gevoegd.
Ter bepaling van de aandelen in de kosten van de verschillende categorieën is uitgegaan van de volgende kerngegevens:
In de gekozen variant is het ingezetenenaandeel verlaagd naar 38,00%. Het kostenaandeel voor ongebouwd is met 0,313% verlaagd tot 9,75%, het kostenaandeel van natuur is verlaagd van 0,125% naar 0,12%. Tot slot vindt toerekening plaats van de zogenaamde taakgebonden kosten.
Het ingezetenenaandeel ligt op basis van de inwonerdichtheid tussen 31% en 40%. Binnen deze bandbreedte mag ongemotiveerd het ingezetenenaandeel vastgesteld worden. Rekenkundig bedraagt het ingezetenenaandeel 32,1%. Vanaf de invoering van het huidige belastingstelsel in 2009 is het ingezetenenaandeel altijd hoger vastgesteld:
In alle gevallen was hierbij de voornaamste overweging de wens van het algemeen bestuur om te komen tot een gelijkmatige lastenontwikkeling voor alle categorieën. Mede als gevolg hiervan is het ingezetenentarief van Waterschap Rivierenland in 2025 het op drie na hoogste tarief van Nederland.
Bestuurlijk is aandacht gevraagd voor de in de afgelopen kalenderjaren ontstane scheefgroei van de ontwikkeling van de WOZ-waarde voor woningen en niet-woningen (de WOZ-waardeverhouding tussen woningen en niet woningen is per 1 januari 2024 circa 90% - 10%, daar waar de waardeverhouding in WOZ-waarde per 1 januari 2016 nog 85%-15% was) en de doorgevoerde verhoging van het ingezetenenaandeel. Hierdoor zijn huishoudens ten opzichte van bedrijven in verhouding steeds meer gaan bijdragen aan de watersysteemheffing.
Een mogelijkheid om dit te corrigeren is door het ingezetenenaandeel naar beneden bij te stellen.
Binnen de aangegeven bandbreedte voor ingezetenen (31%-40%) heeft het bestuur de vrijheid om een percentage te kiezen. Hoewel daarvoor geen motivering op basis van gebiedskenmerken is vereist, maakt Waterschap Rivierenland veel kosten en verricht het waterschap veel inspanningen om het watersysteem en de waterkeringen in stand te houden om iedereen droge voeten te bezorgen. De ingezetenen zijn daarom voor hun wonen, werken en recreëren sterk afhankelijk van de taakuitvoering door Waterschap Rivierenland. Tevens worden belangrijke verkeersaders in het taakgebied van het waterschap (zoals de A15 en de Betuweroute) door de inspanningen van het waterschap beschermd. Transport is een algemeen belang en komt in hoofdzaak uiteindelijk ten goede aan de categorie ingezetenen.
Verlaging kostenaandeel ongebouwd
Als gevolg van de wettelijke verlaging van de tariefdifferentiatie voor wegen per 1 januari 2026 van voorheen maximaal 400% naar maximaal 100% neemt binnen de categorie Ongebouwd de bijdrage van wegeigenaren af met circa € 2,5 miljoen. Hiervan wordt circa € 2,1 miljoen reeds gecompenseerd door de verlaging van het kostenaandeel ongebouwd op basis van het rekenkundig berekende kostentoedelingspercentage van 10,063%. Om het verschil volledig te compenseren is een verdere verlaging van het aandeel ongebouwd benodigd van 0,313% tot 9,75%.
Het gebruik van de bandbreedte voor ongebouwd dient in belangrijke mate te worden gerechtvaardigd door fysieke kenmerken van het beheergebied en/of kenmerken van de taakuitoefening van het waterschap. Dit vereist een zorgvuldige motivering.
De categorie ongebouwd levert een wezenlijke bijdrage aan de instandhouding en het functioneren van het watersysteem binnen het beheergebied van het waterschap. Deze bijdrage gaat verder dan louter financieel: eigenaren van ongebouwde gronden nemen actief deel aan het waterbeheer door fysieke medewerking en het beschikbaar stellen van hun eigendom. Een aantal concrete voorbeelden hiervan zijn:
Ontvangstplicht voor maaisel en bagger: Wanneer het waterschap onderhoud uitvoert aan watergangen, zijn agrariërs vaak verplicht het vrijgekomen maaisel en baggerspecie op hun percelen te ontvangen. Dit betekent dat zij niet alleen ruimte beschikbaar stellen, maar ook mogelijke lasten ondervinden, zoals extra werk of verminderde benutbaarheid van hun grond.
NB: De eigenaren ongebouwd ontvangen van het waterschap weliswaar een geldelijke bijdrage als tegemoetkoming voor gewas en perceelschade als gevolg van het ontvangen van bagger uit watergangen waarvan het onderhoud geschiedt door het waterschap. Deze bijdrage dekt echter niet de totale schade en kosten voor het verwijderen van baggerspecie en maaisel).
Gezien voornoemde inspanningen leveren eigenaren van ongebouwd een indirecte, maar significante bijdrage aan het werk van het waterschap. Deze structurele betrokkenheid bij het dagelijks waterbeheer rechtvaardigt een verlaging van het kostenaandeel voor deze categorie.
Verlaging kostenaandeel natuurterreinen
Natuurterreinen vervullen een waardevolle functie binnen het watersysteem. Natuurterreinen worden veelal beheerd met het oog op ecologie, biodiversiteit en landschapskwaliteit. Dit zijn functies die bijdragen aan de doelen die het waterschap heeft. De volgende argumenten onderbouwen waarom de categorie natuurterreinen in aanmerking zou moeten komen voor een lagere waterschapsbelasting:
Waterbergend vermogen en vertraagde afvoer: Natte natuurterreinen – zoals moerassen, natte graslanden, veengebieden en bossen – bufferen regenwater en geven dit vertraagd af. Hierdoor wordt piekafvoer bij hevige neerslag beperkt, wat direct bijdraagt aan het voorkomen van wateroverlast in omliggende gebieden.
Bijdrage aan waterkwaliteit en ecologie: Veel natuurterreinen hebben een waterzuiverende werking door natuurlijke filtratie in bodem en vegetatie. Daarnaast dragen zij bij aan het ecologisch functioneren van het watersysteem door het bieden van leefgebied voor water- en oevergebonden soorten, wat van belang is voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Natura 2000-doelen.
Samenvattend geldt dat natuurterreinen het watersysteem ondersteunen zonder het zwaar te belasten. Daarmee dragen ze bij aan maatschappelijke doelen die parallel lopen aan de verantwoordelijkheden van het waterschap. Het verlagen van de belastingdruk voor deze categorie erkent deze bijdrage.
Voordat de kosten worden toegedeeld aan de vier belastingcategorieën, mag het algemeen bestuur een aantal kosten rechtstreeks toerekenen aan de categorieën waarvoor deze kosten worden gemaakt. Het betreft de volgende kosten:
Op dit moment worden de kosten van kwijtschelding al rechtstreeks in rekening gebracht bij de categorie ingezetenen. Vanuit het principe dat de kostenveroorzaker de kosten moet opbrengen, worden in de voorkeursvariant alle taakgebonden kosten rechtstreeks toegerekend aan de betreffende categorieën.
Het algemeen bestuur van een waterschap kan besluiten de belastingtarieven, zoals die voor de categorieën ongebouwd, natuur en gebouwd in de verordening op de watersysteemheffing zijn vastgesteld, te differentiëren. Het gaat hier om een facultatieve bevoegdheid van het waterschapsbestuur en niet om een verplichting. Tariefdifferentiatie is slechts toegestaan in een beperkt aantal gevallen, die in de Waterschapswet (artikel 122) met zoveel woorden zijn genoemd. Ook de maximale omvang van de tariefdifferentiaties (de verhogingen en verlagingen) is in de wet geregeld. De hoofdregel die uit artikel 121 van de Waterschapswet voortvloeit, is dat het tarief van de belasting per eenheid van de heffingsmaatstaf binnen de verschillende categorieën gelijk is. De regeling van de tariefdifferentiatie maakt het mogelijk om van deze hoofdregel af te wijken. Indien tarieven worden gedifferentieerd, zal voor de betreffende belastingcategorieën geen sprake meer zijn van gelijke tarieven per heffingsmaatstaf. De wet schrijft in artikel 122 van de Waterschapswet voor dat de tariefdifferentiatie in de kostentoedelingsverordening moet worden geregeld.
Een logische interpretatie daarvoor is dat de wetgever heeft gewild dat de waterschappen in hun kostentoedelingsverordening de situaties aangeven, waarin tariefdifferentiatie zal plaatsvinden alsook de mate waarin dit zal geschieden. Dit wordt in de kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht.
Ingevolge artikel 122 van de Waterschapswet kunnen tariefdifferentiaties naast elkaar worden toegepast. Deze zogenoemde cumulatie van tariefdifferentiatie is een bevoegdheid van het waterschap en geen verplichting. De gekozen tariefdifferentiaties voor buitendijkse gebieden en voor wegen worden dan ook cumulatief toegepast, waarbij geldt dat deze tariefdifferentiaties worden vermenigvuldigd.
Buitendijks gelegen onroerende zaken
Waterschap Rivierenland kent binnen zijn gebied een duidelijk onderscheid tussen buitendijks gelegen en binnendijks gelegen gebieden. In de buitendijks gelegen gebieden heeft het waterschap een beperkter taak, die zich met name richt op waterbeheer en waterkering in de buitenpolders. Ook met betrekking tot de rivieren zelf heeft Waterschap Rivierenland slechts een beperkte taak - deze vallen onder het beheer van Rijkswaterstaat. Toch behoren de rivieren tot het taakgebied van Waterschap Rivierenland en heeft Rijkswaterstaat, als beheerder van de rivier, wel degelijk een belang bij de taakuitvoering door Waterschap Rivierenland. Het waterschap doet bijvoorbeeld investeringen in de binnendijks gelegen gebieden om de piekafvoer op de rivieren te beperken. Ook heeft Rijkswaterstaat er belang bij dat Waterschap Rivierenland water loost van een goede kwaliteit. Ten slotte zijn de waterkeringen van Waterschap Rivierenland in de eerste plaats bedoeld ter bescherming van het binnendijks gelegen gebied, maar zij zijn wel degelijk ook van belang voor Rijkswaterstaat: door kanalisering van de rivieren, onder andere met behulp van primaire waterkeringen, is een veilige scheepvaart op de rivieren mogelijk.
Het onderscheid in taakuitvoering tussen binnendijks en buitendijks gelegen gebieden rechtvaardigt een tariefdifferentiatie. Op de bij de verordening behorende kaart wordt aangegeven op welk gebied deze tariefdifferentiatie van toepassing is. Deze kaart vraagt om een nadere toelichting. De wetgever hanteert geen strikte definitie van buitendijks gelegen gebieden, maar laat het afhangen van de lokale situatie over wat als buitendijks moet worden beschouwd. In het geval van Waterschap Rivierenland zou het bestuur kunnen besluiten de grens van het buitendijks gelegen gebied op de zomerkaden te leggen. Vanwege de veiligheidstaak van Waterschap Rivierenland, die zich met name richt op de primaire waterkeringen, ligt dit echter niet voor de hand. Er bestaat een duidelijk verschil in taakuitvoering - en daarmee in het belang bij de taken van het waterschap - tussen de buitenpolders en het gebied dat achter de bandijk is gelegen. De buitenpolders kennen een beperkt beschermingsniveau tegen hoogwater; het is juist in de procedures van het waterschap besloten om water in de buitenpolders in te laten ter bescherming van de zomerkaden. De buitenpolders behoren, behoudens enkele uitzonderingen, tot het stroomprofiel van de rivier.
Op de bij de verordening behorende kaart is de grens tussen het binnendijks en buitendijks gelegen gebied gesteld op de buitenkruinlijn van de primaire waterkering, met dien verstande dat in hiervan in drie gevallen is afgeweken. Het betreft de polder Nieuwland en het buitendijks gelegen bedrijventerrein Ruigenhil te Alblasserdam en het gebied Buitenstad te Vianen. Deze gebieden, waarvan de exacte grenzen op de kaart zijn vastgesteld, kennen een beschermingsniveau tegen hoogwater dat vergelijkbaar of zelfs gelijkwaardig is aan het binnendijkse gebied. Deze gebieden zijn aan het stroomprofiel van de rivier onttrokken. Om die reden is het belang van de zakelijk gerechtigden van gebouwde en ongebouwde eigendommen in dit gebied gelijk aan het belang dat zakelijk gerechtigden van binnendijkse gebieden hebben.
Besloten is een differentiatie te hanteren dat 50 % lager is dan het tarief dat blijkens de Verordening op de watersysteemheffing voor elk van deze categorieën geldt. Het is wettelijk mogelijk om deze tariefdifferentiatie te stellen op een maximaal 75 % lager tarief.
Waterschap Rivierenland heeft echter een duidelijke taak ten aanzien van de waterkering (zomerkaden) en ten aanzien van het waterbeheer in de buitenpolders en ook voor de buiten de zomerkaden gelegen gebieden geldt een duidelijk belang, zoals hiervoor is aangegeven.
Besloten is om geen tariefdifferentiatie toe te passen op waterbergingsgebieden. Het waterschap kent niet of nauwelijks aangewezen waterbergingsgebieden die niet in eigendom zijn van het waterschap zelf.
Waterschap Rivierenland bestaat voor het grootste deel uit bemalen gebieden. Dit zijn namelijk alle gebieden, die niet tot het winterbed van de rivier behoren en waarvan de afvoer van hemelwater plaatsvindt via een uitlaatgemaal. Ook enkele buitenpolders, die wel tot het winterbed behoren, worden bemalen.
Het onbemalen gebied van Waterschap Rivierenland bestaat uit: de rivieren (zomerbedding), de onbemalen buitenpolders en ten slotte een deel van het hooggelegen gebied van Nijmegen en omgeving. Het ligt niet voor de hand om een tariefdifferentiatie voor bemalen gebieden toe te passen. De mogelijkheid van tariefdifferentiatie voor bemalen gebieden is vooral bedoeld voor waterschappen in hoger gelegen gebieden met een in hoofdzaak natuurlijke afwatering en een relatief gering oppervlak aan bemalen gebied. Waterschap Rivierenland bestaat echter voor een groot deel uit bemalen gebieden.
Daarnaast is het onderscheid tussen bemalen gebied en onbemalen gebied ook niet maatgevend voor de taakuitoefening van het waterschap. De taken van het waterschap beperken zich immers niet tot het bemalen van gebieden. In tegendeel: het past juist in het landelijke beleid, zoals onder meer verwoord in de Nota Waterbeheer in de 21e eeuw - en in het daaruit voortvloeiende waterschappelijke beleid - om het afvoeren van water te beperken en water zoveel mogelijk bovenstrooms vast te houden en te bergen. Ter uitvoering van dit beleid investeert Waterschap Rivierenland nadrukkelijk in het onbemalen gebied ten behoeve van de aanleg en beheer van waterberging.
Ten slotte is er een praktische reden om af te zien van tariefdifferentiatie voor bemalen gebieden. De begrenzing van bemalen gebieden is namelijk niet in alle gevallen scherp aan te geven. Wanneer sprake is van het zomerbed van de rivier of van onbemalen buitenpolders, is de grens tussen bemalen en onbemalen gebied wél duidelijk aan te geven. Maar voor het gebied van Nijmegen-Groesbeek-Heumen kan niet scherp worden bepaald op welke wijze de afvoer van water plaatsvindt: een deel van het hemelwater wordt afgevoerd, bijvoorbeeld via het Duitse grondgebied naar het Hollandsch-Duitsch gemaal in de Ooijpolder, een ander deel infiltreert in de bodem en ten slotte zal met name in stedelijke gebieden een deel van het water via de riolering worden afgevoerd, waarna het water via het rioolzuiveringsgemaal wordt uitgemalen op het binnendijkse watersysteem (r.w.z.i. Groesbeek) of op Rijkswater (r.w.z.i. Weurt en r.w.z.i. Millingen).
Besloten is om geen tariefdifferentiatie toe te passen voor glasopstanden, omdat de relatieve omvang van glasopstanden te gering is.
Bij wegen is sprake van verharde oppervlakken, die een hogere piekafvoer kunnen veroorzaken, waardoor mogelijk een relatief grotere capaciteit van het watersysteem wordt gevraagd.
Daarnaast vormen wegen één van de belangrijkste bronnen van diffuse verontreiniging van het oppervlaktewater. Deze omstandigheden kunnen aanleiding vormen voor wegen een hoger tarief toe te passen.
Daarnaast geldt dat de omvang van wegen relatief van zodanige omvang is dat het gerechtvaardigd is om een tariefdifferentiatie toe te passen. Besloten is dan ook een tariefdifferentiatie vast te stellen van 100 %.
3. Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 geeft een omschrijving van enkele essentiële begrippen die in de verordening vaker voorkomen. De omschrijvingen geven aan hoe de betreffende begrippen in het kader van deze verordening moeten worden geduid. De opsomming van de begrippen is in alfabetische volgorde.
Buitendijks gelegen onroerende zaken
Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn in de modelverordening omschreven als onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn gelegen. In de praktijk wordt het buitendijks gebied veelal ook aangegeven op een kaart die bij de verordening behoort. In de begripsomschrijving is hiermee rekening gehouden. Het is in verband met de tariefdifferentiatie van artikel 122, eerste lid, van de Waterschapswet van belang om te weten of onroerende zaken buitendijks zijn gelegen. Voor onroerende zaken die buitendijks liggen kan het algemeen bestuur van het waterschap de heffing maximaal 75% lager vaststellen.
Het gebied van het waterschap is in de modelverordening omschreven als “het gebied dat is aangegeven op de bij het provinciale reglement behorende kaart waarin het beheer van watersystemen aan het waterschap is opgedragen. Deze omschrijving sluit aan bij de omschrijving die in provinciale reglementen aan het gebied van het waterschap, in combinatie met de taak van het waterschap, pleegt te worden gegeven.
Uit de omschrijving blijkt dat niet alleen het waterschap, maar ook andere overheden taken kunnen hebben op het gebied van het beheer van watersystemen. In het verleden was niet altijd duidelijk of waterschappen, tot wier gebied op grond van het provinciale reglement ook rijkswateren behoorden, deze wateren (of in de wateren liggende percelen) in de watersysteemheffing konden betrekken. In 2018 heeft de Hoge Raad bepaald dat waterschappen deze mogelijkheid niet hebben als het Rijk de exclusieve watersysteembeheerder van dit rijkswater is. Tot een vergelijkbare conclusie kwam ook het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een procedure over het IJsselmeer.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet inwerking getreden. In deze wet en de onderliggende Omgevingsregeling is over het waterstaatkundig beheer van de rijkswateren meer duidelijkheid gekomen. In het tweede lid van artikel 2.3 van de Omgevingsregeling (deze bepaling is gebaseerd op artikel 2.20, lid 3, van de Omgevingswet) is bepaald dat het waterstaatkundig beheer van de rijkswateren, voor zover het gaat om de zorg voor het voorkomen van schade veroorzaakt door muskus- en beverratten aan waterstaatswerken berust bij het waterschapsbestuur waarvan de geometrische begrenzing gelijk is aan de oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterstaatkundig beheer bij het Rijk berust, bedoeld in artikel 2.2, vierde lid.
Uit deze bepaling blijkt dat het waterstaatkundig beheer van de rijkswateren, voor zover het gaat om de zorg voor het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten, bij het waterschapsbestuur berust. Hierbij geldt dat de geometrische begrenzing gelijk is aan de oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterstaatkundig beheer bij het Rijk berust. De bedoelde geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage III bij de Omgevingsregeling. De begrenzing omvat al het rijkswater.
De Waterschapswet zegt zelf niet wat onder een glasopstand moet worden verstaan, maar verwijst in artikel 122, derde lid, onderdeel a, naar glasopstanden als bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet. Deze bepaling ziet op glasopstanden, ongeacht of de teelt in open grond of op basis van substraatteelt plaatsvindt. De omschrijving van wat een glasopstand is, is van belang in verband met de tariefdifferentiatie voor glasopstanden van artikel 122, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet. De tariefdifferentiatie voor glasopstanden bedraagt maximaal 100%. Glasopstanden zijn gebouwde objecten.
Op grond van de Waterschapswet moet de onroerende zaak, wil de tariefdifferentiatie worden toegepast, in hoofdzaak uit glasopstanden bestaan. Dit betekent dat het voor de toepassing van de tariefdifferentiatie dus niet nodig is dat de onroerende zaak in zijn geheel een glasopstand is. Aan de term ‘in hoofdzaak’ wordt in het fiscale recht de betekenis toegekend van 70% of meer.
Onder heffingplichtige categorieën worden de groepen verstaan die de kosten van de watersysteemtaak via de watersysteemheffing opbrengen. De Waterschapswet onderscheidt in artikel 117, eerste lid, onderdelen a tot en met d, de volgende vier heffingplichtige categorieën:
De omschrijving van het begrip ingezetene is ontleend aan artikel 116, onder a, van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te worden, moet aan twee cumulatieve voorwaarden zijn voldaan: de persoon moet blijkens de basisregistratie personen woonplaats hebben in het gebied van het waterschap én hij of zij moet in het gebied van het waterschap een zelfstandige woonruimte gebruiken. De situatie bij het begin van het kalenderjaar is bepalend.
‘Blijkens de basisregistratie personen woonplaats hebben in het gebied van het waterschap’ betekent dat de persoon in de basisregistratie moet zijn ingeschreven op een adres dat tot het beheergebied van het waterschap behoort.
Een woonruimte is ingevolge artikel 116, onderdeel b, van de Waterschapswet een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. Dit betekent dat de gebruiker van de ruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn van voorzieningen elders in het gebouw; de ruimte moet met andere woorden zelfstandig bruikbaar zijn. Bij voorzieningen moet hier worden gedacht aan voorzieningen die voor de woonfunctie van wezenlijk belang zijn, zoals keuken, douche en toilet. Deze voorzieningen moeten de gebruiker van de ruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot zijn of haar huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Als dit niet het geval is, is geen sprake van een woonruimte in de zin van de wet en kan het waterschap geen aanslag in de ingezetenenheffing aan de gebruikers van die ruimte opleggen. Bewoners van verpleeg-, verzorgings- en studentenhuizen waarin voor bewoning essentiële voorzieningen worden gedeeld, kunnen om deze reden veelal niet als ingezetenen in de zin van artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt.
Als sprake is van een gezamenlijke huishouding wordt de belastingaanslag aan een lid van het huishouden opgelegd. Wie dat is, wordt door de ambtenaar belast met de heffing van het waterschap of, indien het waterschap de belastingheffing heeft ondergebracht bij een gemeenschappelijk belastingkantoor, door de ambtenaar belast met de heffing van het belastingkantoor bepaald. De ambtenaar wijst de belastingplichtige aan. Dit gebeurt op basis van een vaste lokale beleidsregel.
Kosten verbonden aan het beheer van watersystemen
Om te weten wat de kosten verbonden aan het beheer van watersystemen zijn, wordt gekeken naar de belastingopbrengst die op grond van de begroting van het waterschap met behulp van de watersysteemheffing wordt gerealiseerd.
De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116, onder c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving van het begrip natuurterreinen, waarbij de nadruk ligt op de duurzame inrichting en het beheer van de onroerende zaak als natuurterrein: de inrichting en het beheer moeten geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Bij de beoordeling van de vraag of van een natuurterrein sprake is, zijn volgens de memorie van toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel ook de feitelijke of uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. In de regel zullen ook stadsparken, plantsoenen en dergelijke vanwege hun overwegende recreatieve functie niet als een natuurterrein kunnen worden betiteld.
Over de vraag wanneer de inrichting en het beheer van een terrein geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur, heeft de Hoge Raad in 2014 een richtinggevende uitspraak gedaan. In dit arrest heeft de Hoge Raad ook invulling gegeven aan het begrip ‘geheel of nagenoeg geheel’ in relatie tot de definitie van het begrip natuurterreinen uit de Waterschapswet. Volgens de Hoge Raad is voor een oordeel op de vraag of sprake is van een natuurterrein slechts relevant of de beheeractiviteiten die op het betreffende terrein plaatsvinden, er al dan niet op zijn gericht dat het natuurtype zich kan ontwikkelen of wordt behouden. Zijn de activiteiten hierop gericht/vinden de activiteiten ten behoeve van de gegeven natuurdoelstelling plaats, dan zijn de inrichting en het beheer van het terrein naar het oordeel van de Hoge Raad geheel of nagenoeg geheel afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur en is dus van een natuurterrein sprake. Het arrest van de Hoge Raad komt er kort weergegeven op neer dat de vraag of sprake is van een natuurterrein, vanuit het perspectief van de eigenaar van het terrein, moet worden beoordeeld. Het arrest heeft ook duidelijk gemaakt dat de Hoge Raad het voor een antwoord op de vraag of sprake is van een natuurterrein, niet relevant acht of met de beheeractiviteiten eventueel ook agrarische opbrengsten worden gegenereerd. Ook is niet relevant wat de omvang van de eventuele agrarische opbrengst is. In het door de Hoge Raad beoordeelde geval was sprake van een resterend agrarisch opbrengstvermogen van meer dan 10%, maar dit belette niet dat van een natuurterrein sprake was. De term geheel of nagenoeg geheel (die in het fiscale recht voor 90% of meer staat), moet in het kader van de watersysteemheffing voor natuurterreinen met andere woorden niet rekenkundig worden benaderd.
Met het begrip ‘duurzaam’ wordt tot uitdrukking gebracht dat geen sprake mag zijn van een situatie die tijdelijk is bedoeld.
Onder natuurterreinen worden op grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet ook bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare verstaan. Voor deze onroerende zaken geldt niet het vereiste dat zij geheel of nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Ook bossen die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd vallen onder het begrip natuurterreinen. De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat het onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen enerzijds en bossen die wel als zodanig worden geëxploiteerd anderzijds, in de praktijk moeilijk is te maken.
Bij open wateren kan worden gedacht aan meren, vennen en plassen die geen functie hebben in het kader van het scheepvaartverkeer.
Op grond van de overweging dat deze gebieden ook een agrarische functie hebben worden natte veenweidegebieden door de wetgever overigens niet als natuurterrein maar als agrarische grond aangemerkt. Ook openbare waterwegen (dit zijn oppervlaktewateren die voor vaarverbindingen zijn bestemd) behoren niet tot de categorie natuurterreinen maar tot de categorie ongebouwd niet zijnde natuur.
De definitie van het begrip verharde openbare wegen is van belang in verband met de tariefdifferentiatie van artikel 122, lid 3, onderdeel b, die het mogelijk maakt om voor verharde openbare wegen het tarief maximaal 100% hoger vast te stellen dan het basistarief van de categorie ongebouwd, niet zijnde natuur. Het verhoogde tarief kan alleen worden toegepast op het verharde deel van de openbare weg en op de verharde delen van functies die dienstbaar zijn aan het verkeer over de weg, zoals verharde bermen.
Een wateraanvoerproject is gedefinieerd als een project dat door of vanwege het waterschap tot stand is of wordt gebracht en waarbij het waterschap water toevoert naar ongebouwde onroerende zaken die in een bepaald gedeelte van het waterschapsgebied liggen. De wateraanvoer kan zowel betrekking hebben op ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn als op natuurterreinen. Relevant is steeds wat de aard van de onroerende zaken is waarnaar het water wordt aangevoerd. Als een wateraanvoerproject specifiek is aangelegd voor bijvoorbeeld de bestrijding van verdroging van een of meer landbouwgebieden, zullen alleen de agrarische onroerende zaken uit het betreffende gebied onder de tariefdifferentiatie vallen. Is het wateraanvoerproject specifiek aangelegd voor de bestrijding van verdroging van een of meer natuurgebieden, zullen alleen de betreffende natuurgebieden onder de tariefdifferentiatie vallen. De tariefdifferentiatie bedraagt maximaal 100% van het basistarief dat voor de betrokken onroerende zaken geldt. Het waterschap kan binnen het betrokken gebiedsdeel een gelijk of een verschillend percentage van de tariefdifferentiatie hanteren.
Waterbergingsgebieden zijn gedefinieerd als gebieden waarin onroerende zaken liggen die als waterberging worden gebruikt. De gebieden maken integraal onderdeel uit van het watersysteem en zijn als zodanig in de legger van het waterschap, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, opgenomen. De gebieden zijn ook aangegeven op een kaart die bij de verordening behoort. Het is relevant om te weten wat onder een waterbergingsgebied wordt verstaan, omdat het waterschap voor onroerende zaken die in zodanige gebieden liggen een tariefdifferentiatie kan instellen. Voor onroerende zaken die als waterberging worden gebruikt, kan het algemeen bestuur van het waterschap de heffing maximaal 75% lager vaststellen. Dat de onroerende zaken als waterberging worden gebruikt, moet uit de legger van het waterschap, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, blijken.
Zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, zakelijk gerechtigden van natuurterreinen en zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken
Omschreven is wat respectievelijk onder zakelijk gerechtigden van ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, zakelijk gerechtigden van natuurterreinen en zakelijk gerechtigden van gebouwde onroerende zaken moet worden verstaan. Het gaat in alle drie de gevallen om degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van onroerende zaken die in de artikelonderdelen zijn genoemd. De onroerende zaken moeten in het gebied van het waterschap liggen. De zakelijk gerechtigden zijn heffingplichtig (vgl. artikel 117, eerste lid, onderdelen b tot en met d, Waterschapswet). Eigendom is het meest volledige zakelijke recht op een onroerende zaak.
De beperkte rechten die tot belastingplicht leiden, zijn:
Op grond van artikel 119, eerste lid, van de Waterschapswet moet voor het antwoord op de vraag wie heffingplichtig is voor de categorieën ongebouwd, natuur en gebouwd, van de basisregistratie kadaster worden uitgegaan: heffingplichtig is degene die bij het begin van het jaar als rechthebbende in deze basisregistratie is vermeld, tenzij het tegendeel blijkt.
Indien er naast eigendom ook sprake is van een beperkt recht of indien sprake is van meer dan één beperkt recht op een onroerende zaak, is de vraag aan de orde wie van de zakelijk gerechtigden in de heffing moet worden betrokken. Het tweede en derde lid van artikel 119 van de Waterschapswet geven voor deze situaties de rangorde aan.
Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer
In artikel 2 van de verordening is aangegeven wat het aandeel van iedere heffingplichtige categorie in de kosten van de taakuitoefening is. Het aandeel wordt uitgedrukt in procenten. Artikel 2 vormt hiermee het kernartikel van de verordening. Het toedelen van de kosten aan de categorieën bij Waterschap Rivierenland is hiervoor (onder 2. Kostentoedeling watersysteembeheer bij Waterschap Rivierenland) nader beschreven.
In het tweede lid van artikel 2 is aangegeven naar welke datum het waterschap de ongebouwde dichtheid en de natuurdichtheid bepaalt.
De Waterschapswet geeft waterschappen in artikel 120, eerste lid, tweede volzin de mogelijkheid om kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing en kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur (dit zijn de zogenaamde verkiezingskosten) bij de kostentoedeling rechtstreeks aan de betrokken categorieën toe te delen. Onder ‘de betrokken categorieën’ moeten de categorieën worden verstaan voor wie het waterschap de betreffende kosten maakt. Het waterschap is in geen geval tot rechtstreekse kostentoedeling verplicht. Indien een waterschap niet van de mogelijkheid van rechtstreekse kostentoerekening gebruik maakt, worden de bedoelde kosten via de reguliere kostentoedeling door alle belastingplichtige categorieën gedragen.
De mogelijkheid om kosten rechtstreeks aan de betrokken categorieën toe te delen, is in de Memorie van Toelichting bij de Wet tot wijziging van enige bepalingen van de Waterschapswet (TK 1998-1999, 26 235, nr. 3), als volgt toegelicht:
“Een concreet probleem vormt de kostentoedeling binnen waterschappen wier gebied zich voor een substantieel deel uitstrekt over stedelijk gebied, met als gevolg dat het aantal omslagplichtigen respectievelijk kiesgerechtigden in verband met het aantal woonruimten en ingezetenen aanmerkelijk groter is dan dat van de gerechtigden tot het ongebouwd. Dit betekent dat bij een aantal waterschappen de uitkomst van de toedeling (…) van het kostendeel aan categorieën van belanghebbenden nogal ver afstaat van de per categorie daadwerkelijk veroorzaakte en deswege te maken kosten.
Dit verschijnsel doet zich voor bij de kosten van heffing en invordering en bij kosten van het houden van verkiezingen”.
In artikel 3 van de verordening is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om kosten rechtstreeks aan de betrokken categorie toe te rekenen. Zo is ervoor gekozen om de kosten van kwijtschelding en de kosten voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur rechtstreeks toe te rekenen aan de categorie ingezetenen. Daarnaast is ervoor gekozen om de kosten voor de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) rechtstreeks toe te rekenen aan de categorie gebouwde onroerende zaken.
Artikel 4 Tariefdifferentiatie buitendijks gelegen onroerende zaken
In dit artikel is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een tariefdifferentiatie voor buitendijks gelegen onroerende zaken op te nemen, omdat het onderscheid in taakuitvoering tussen binnendijks en buitendijks gelegen gebieden een dergelijke tariefdifferentiatie rechtvaardigt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar hetgeen hiervoor daaromtrent onder 2. Kostentoedeling watersysteembeheer bij Waterschap Rivierenland is beschreven.
Artikel 5 Tariefdifferentiatie verharde openbare wegen
In dit artikel is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een tariefdifferentiatie voor verharde openbare wegen op te nemen, omdat bij wegen sprake is van verharde oppervlakken, die een hogere piekafvoer kunnen veroorzaken, waardoor mogelijk een relatief grotere capaciteit van het watersysteem wordt gevraagd. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar hetgeen hiervoor daaromtrent onder 2. Kostentoedeling watersysteembeheer bij Waterschap Rivierenland is beschreven.
Artikel 6 Cumulatie van tariefdifferentiatie
De in artikel 4 en artikel 5 opgenomen tariefdifferentiaties, kunnen naast elkaar worden toegepast. Het laten cumuleren van tariefdifferentiaties is een bevoegdheid van het waterschap en niet een verplichting. Van deze bevoegdheid is in dit artikel gebruik gemaakt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar hetgeen hiervoor daaromtrent onder 2. Kostentoedeling watersysteembeheer bij Waterschap Rivierenland is beschreven.
Artikel 7 Inwerkingtreding en citeertitel
In dit artikellid is bepaald dat de kostentoedelingsverordening die tot nu toe heeft gegolden, wordt ingetrokken met ingang van het belastingjaar dat in het derde lid van de verordening is genoemd. De verordening die is ingetrokken, blijft echter gelden voor de belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden.
Op grond van artikel 8 van de Bekendmakingswet treedt een algemeen verbindend voorschrift niet in werking voordat het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Deze bepaling is ook op de kostentoedelingsverordening watersysteembeheer van toepassing. Bekendmaking geschiedt in het Waterschapsblad. De datum van inwerkingtreding van de verordening is 1 januari 2026.
De onderhavige kostentoedelingsverordening wordt voor het eerst toegepast op het belastingjaar dat op 1 januari 2026 aanvangt. Dit jaartal is onderdeel van de citeertitel van de verordening.
In dit artikellid van de verordening is de officiële citeertitel van de verordening opgenomen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2025-29907.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.