Waterschapsblad van Waterschap Zuiderzeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Waterschap Zuiderzeeland | Waterschapsblad 2025, 28528 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Waterschap Zuiderzeeland | Waterschapsblad 2025, 28528 | beleidsregel |
Beleidsregels Waterkeringen Waterschap Zuiderzeeland
De dijken binnen het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland zijn aangelegd vanaf eind jaren dertig van de vorige eeuw, toen als eerste de Noordoostpolder werd drooggelegd. Waterschap Zuiderzeeland heeft 200 km primaire waterkeringen, 30 km regionale waterkeringen en 33 km overige waterkeringen, waaronder de Knardijk. Dankzij deze waterkeringen zijn bewoners, bedrijven en hun bezittingen in het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland veilig.
Waterschap Zuiderzeeland heeft de taak om deze waterkeringen te beheren en onderhouden. Daarnaast beoordeelt het waterschap of de waterkeringen voldoen aan de veiligheidsnormen en versterken ze als dat nodig is. De veiligheid van de waterkeringen en de mogelijkheid voor toekomstige dijkversterkingen kan negatief worden beïnvloed door activiteiten of de aanwezigheid van werken in de beperkingengebieden, zoals bebouwing, windmolens en kabels en leidingen. Ook beplantingen en medegebruik kunnen de veiligheid van de waterkeringen en de mogelijkheid voor versterkingen negatief beïnvloeden.
De unieke plek en het mooie uitzicht vanaf de waterkeringen van Waterschap Zuiderzeeland worden steeds populairder: de ruimtelijke druk op de waterkeringen neemt daardoor toe. Er wordt steeds vaker een beroep gedaan op het waterschap om activiteiten toe te staan op, in en nabij de waterkeringen. Het waterschap zoekt daarbij naar ruimtelijke oplossingen die hand in hand gaan met waterveiligheid. Het waterschap biedt met beleidsregels handvatten voor deze afweging.
Dit beleidsdocument gaat over de beoordeling van en besluitvorming over vergunningplichtige activiteiten rondom de waterkeringen van Waterschap Zuiderzeeland. Het doel van de Beleidsregels Waterkeringen Waterschap Zuiderzeeland is om:
• een nadere invulling te geven aan de gebods- en verbodsbepalingen uit de Waterschapsverordening.
• met beleidsregels vooraf duidelijkheid te geven over wat wel en niet is toegestaan en mogelijk is ten aanzien van activiteiten op, in of nabij de primaire, regionale en overige waterkeringen. Op deze wijze kunnen initiatiefnemers bij hun planvorming tijdig met deze regels rekening houden.
• het kader te geven voor advies bij de weging van het waterbelang en/of beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning.
1.3. Type keringen, taken en verantwoordelijkheden
Er worden drie typen waterkeringen onderscheiden; primaire waterkeringen, regionale waterkeringen en overige waterkeringen. De normering, het toezicht, het beheer en de risico’s van activiteiten op en rondom de kering verschillen per type kering.
Primaire waterkeringen zijn keringen die het achterliggende land beschermen tegen overstromingen vanuit de grote wateren, zoals de zee, grote rivieren en grote meren. De veiligheidsnormen waaraan een primaire waterkering moet voldoen zijn vastgesteld door het Rijk. Deze normen zijn als omgevingswaarden opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (par. 2.1.1 en bijlage II, onder A). Als beheerder van primaire waterkeringen heeft het waterschap een algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet) en specifieke zorgplicht voor primaire waterkeringen (artikel 2.17 Omgevingswet) om de waterkeringen aan de omgevingswaarden te laten voldoen en voor het noodzakelijke preventieve beheer en onderhoud te zorgen. Daarbij heeft het waterschap een eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid om invulling te geven aan de zorgplicht. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft hierbij de toezichthoudende rol, die wordt uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport. Om invulling te geven aan de zorgplicht hebben de keringenbeheerders en het Rijk afspraken gemaakt en vastgelegd in het Kader Zorgplicht primaire waterkeringen.
Regionale waterkeringen zijn waterkeringen die door een provincie zijn aangewezen in de omgevingsverordening. De veiligheidsnormen waaraan regionale waterkeringen moeten voldoen, zijn als omgevingswaarden opgenomen in de provinciale omgevingsverordeningen. De toezichthoudende rol voor regionale keringen is belegd bij de provincie. De provincie is verantwoordelijk voor het aanwijzen en normeren van de regionale keringen en het toezicht op de toetsing en uitvoering van de zorgplicht regionale keringen door de beheerders.
Overige waterkeringen zijn niet aangewezen als primaire waterkering door het Rijk of regionale waterkering door de provincie, maar door het waterschap zelf. Het waterschap heeft deze waterkeringen aangewezen in de Waterschapsverordening. De functie varieert van een compartimenteringskering die zorgt voor evacuatietijd tot keringen die significante economische schade als gevolg van wateroverlast voorkomen of beperken.
Bijlage 5 bevat de overzichtskaart van de primaire, regionale en overige waterkeringen Waterschap Zuiderzeeland.
1.4. Toepassingsgebied beleidsregels waterkeringen
Voor de toepassing van de Beleidsregels Waterkeringen maakt het waterschap een verder onderverdeling binnen de drie typen waterkeringen. Binnen de regionale waterkeringen wordt onderscheid gemaakt tussen regionale waterkeringen en regionale waterkeringen buitendijks. Binnen het type overige waterkeringen is er apart beleid voor de overige waterkering Knardijk. Daarbij gaat het specifiek over het deel van de Knardijk dat niet waterkerend is en als overige kering is aangewezen. Voor het deel van de Knardijk dat als primaire kering is aangewezen, geldt het beleid voor de primaire keringen.
Zo zijn de Beleidsregels Waterkeringen geldig voor vijf waterkeringen: primaire waterkeringen, regionale waterkeringen, regionale waterkeringen buitendijks, overige waterkeringen en de overige waterkering Knardijk. Wanneer op een locatie het beleid voor meerdere typen waterkering geldig is, bijvoorbeeld op een locatie nabij een primaire en een regionale waterkering, dan is het zwaarste regime maatgevend. Een uitgebreide uitleg hoe deze beleidsregels gekoppeld zijn aan de werkingsgebieden uit de Waterschapsverordening staat in bijlage 3 “Wettelijk kader”.
In bijlage 6 bevat de detailkaart met de regionale waterkeringen, regionale waterkeringen buitendijks en de overige waterkeringen in het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland.
1.5. Waarom apart beleid voor de Knardijk?
Waterschap Zuiderzeeland is beheerder en eigenaar van de 18 kilometer lange Knardijk, gelegen op de grens tussen Zuidelijk en Oostelijk Flevoland. Voorheen was de Knardijk een zogenaamde compartimenteringskering. Wanneer de primaire kering aan de rand van de polder zou falen, zou de Knardijk het water permanent moeten kunnen keren. Zo zou één van de twee compartimenten (Zuidelijk of Oostelijk Flevoland) niet overstromen. Met het wettelijk van kracht worden van de normering voor de primaire keringen in 2017 werd het uitgangspunt dat de veiligheid in Flevoland wordt geborgd via de voordeur: de primaire keringen. Deze primaire keringen voldoen aan een strenge norm, waardoor de faalkans van de kering erg klein is. De Knardijk is daarom niet meer nodig om de veiligheid van de inwoners van Flevoland te borgen. Provincie Flevoland en Waterschap Zuiderzeeland besloten in 2016 om de Knardijk wel in stand te houden, omdat het een vertragend element is in geval van falen van de primaire kering én omdat de dijk cultuurhistorische waarde heeft. De Knardijk hoeft, wanneer de primaire kering faalt, niet meer permanent, maar tijdelijk het water te keren. Zo kan het niet overstroomde compartiment van de polder geëvacueerd worden. Na de evacuatieperiode hoeft de Knardijk geen stand meer te houden. Hiermee veranderde ook de status van de Knardijk, van een regionale kering (waarvoor de provincie de norm bepaalde) naar een overige kering (waarvoor het waterschap de norm bepaalt). Het waterschap heeft de eisen die het vanuit waterveiligheid aan de Knardijk stelde ook aangepast. Hierdoor biedt de Knardijk meer ruimte voor ruimtelijke ontwikkelingen.
Hoofdstuk 2 ‘Het juridisch kader’ introduceert de verschillende beleidsdocumenten van het waterschap en de borging daarvan in de Waterschapsverordening en in beleidsregels. In hoofdstuk 3 ‘Samen werken aan waterveiligheid’ wordt uitgewerkt hoe het waterschap invulling geeft aan zijn taken en verantwoordelijkheden voor de waterveiligheid en op welke manier de omgeving daarin betrokken is. Vervolgens staan in hoofdstuk 4 t/m 7 de beleidsregels, uitgangspunten en voorwaarden voor vergunningverlening voor respectievelijk de onderwerpen bouwen, windmolens, kabels en leidingen en beplantingen. In hoofdstuk 8 zijn de beleidsregels, uitgangspunten en voorwaarden opgenomen voor overige activiteiten, die niet onder voorgaande activiteiten vallen, maar waarvoor wel omgevingsvergunningen voor nodig zijn. Tot slot bevat hoofdstuk 9 de aanvullende beleidsregels voor de overige kering Knardijk.
Waterschap Zuiderzeeland geeft in twee beleidsdocumenten op hoog abstractieniveau aan wat zijn plannen zijn: de Watervisie en het Waterbeheerprogramma. Zo kan het waterschap laten zien welke doelen het wil bereiken, welke middelen het daarvoor wil gebruiken en binnen welke tijd het de doelen wil bereiken. De Watervisie is specifiek gericht op het waterbeheer en de watergerelateerde doelstellingen van het waterschap, hier stelt het waterschap zijn ambities en beleidskeuzes op. In de watervisie staat het langetermijnperspectief voor het beheergebied van het waterschap. De Watervisie wordt nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma. Daarin staan de doelen voor de komende planperiode. Het Waterbeheerprogramma beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen genomen worden om deze doelen te halen.
2.2. De waterschapsverordening
De doelen en maatregelen in het Waterbeheerprogramma worden juridisch geborgd in de Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening bevat gebod- en verbodsbepalingen ter waarborging van de waterstaatkundige functie van watergangen en waterkeringen in het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. In de Waterschapsverordening zijn alle regels, vergunningplichten en meldingen geregeld over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen zijn beheergebied. Ook de ligging en begrenzing van het beperkingengebied vindt plaats in de Waterschapsverordening. De wijze waarop het waterschap omgaat met de bevoegdheid om vergunningen te verlenen, worden neergelegd in beleid en beleidsregels. Bij vergunningverlening behoort in alle gevallen een belangenafweging. Een uitgebreide uitleg hoe deze beleidsregels zich verhouden tot de Waterschapsverordening staat in bijlage 3 “wettelijk kader” opgenomen.
De beleidsregels zijn een verdere uitwerking van de bepalingen uit de Waterschapsverordening. Met de beleidsregels geeft het waterschap invulling aan zijn bevoegdheden die volgen uit de Waterschapsverordening.
In een beleidsregel geeft het waterschap aan hoe het belangen tegen elkaar afweegt, feiten vaststelt of wettelijke voorschriften uitlegt (zie ook artikel 1.3, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht). Het waterschap stelt beleidsregels vast om vooraf duidelijk te maken hoe het omgaat met zijn bevoegdheden en de beslisruimte die het daarbinnen heeft. De Beleidsregels Waterkeringen vormen het toetsingskader voor het beoordelen van activiteiten op, in of nabij waterkeringen. Beleidsregels zorgen voor een eenduidige beoordeling bij het in behandeling nemen van een initiatief en voorkomen dat er telkens een volledige belangenafweging moet worden gemaakt. Beleidsregels dragen daarmee bij aan een consistente en consequente ofwel betrouwbare besluitvorming door het waterschap.
Beleidsregels scheppen geen nieuwe bevoegdheden ten opzichte van derden, maar hebben betrekking op de wijze waarop een bestaande bevoegdheid zal worden uitgeoefend door het dagelijks bestuur van het Waterschap Zuiderzeeland.
Voorliggend document stelt de beleidsregels op voor de waterkerende functie van waterstaatswerken in het beheergebied van het waterschap. De beleidsregels zijn niet uitputtend. Andere (separate) beleidsregels anders dan hierin opgenomen kunnen van toepassing zijn.
2.3.1. Afwijking van beleidsregels
De Algemene wet bestuursrecht (artikel 4:84) stelt dat een bestuursorgaan moet handelen conform zijn beleidsregels. Afwijking van een beleidsregel is alleen mogelijk wanneer de beleidsregel voor een belanghebbende onevenredige gevolgen zou hebben in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84, Awb).
Als een omgevingsvergunning wordt verleend terwijl beleidsregels de activiteit niet toestaan, moet het waterschap expliciet motiveren waarom in dit specifieke geval van de beleidsregel wordt afgeweken. Dit vraagt om een concrete uitwerking van:
Doel en strekking van de beleidsregel: Er moet worden afgewogen of de afwijking van de beleidsregel inpasbaar is binnen het onderliggende belang voor de waterveiligheid. Als het belang voor de waterveiligheid aantoonbaar niet wordt geschaad, is afwijking van een beleidsregel eerder te rechtvaardigen.
Het dagelijks bestuur van het Waterschap Zuiderzeeland is bevoegd af te wijken van de Beleidsregels Waterkeringen.
Omgevingsvergunningen binnen het beperkingengebied van de waterkeringen van het waterschap worden alleen verleend indien belangen van waterstaatkundige aard zich daartegen niet verzetten. Bij vergunningverlening behoort aan afweging volgens de beoordelingsregel omgevingsvergunning voor wateractiviteiten uit de Waterschapsverordening (artikel 1.15). Als uitgangspunt voor de beoordeling van waterveiligheid geldt hierbij dat de veilige waterkering voorop staat, met oog voor de beheerbaarheid, inspecteerbaarheid en versterkbaarheid van de kering.
De Waterschapsverordening en de Beleidsregels Waterkeringen vormen het toetsingskader voor het beoordelen van activiteiten op, in of nabij waterkeringen. De initiatiefnemer dient aan te tonen dat het initiatief geen negatieve effecten heeft op de waterstaatkundige aard van de kering.
2.5. De legger van Waterschap Zuiderzeeland
De legger beschrijft waaraan waterstaatswerken moeten voldoen. Het gaat daarbij om de ligging, vorm, afmeting en constructie (artikel 2.39 Omgevingswet). De legger in de zin van artikel 2.39 Omgevingswet bevat geen regels die bindend zijn voor derden. Er staat dus geen bezwaar of beroep open tegen vaststelling van de legger. Regelmatig wordt getoetst of de waterstaatswerken nog voldoen aan de legger. In de onderhoudslegger, conform artikel 78 Waterschapswet, worden de onderhoudsplichtigen en/of onderhoudsverplichtingen aangewezen.
Door het samenvoegen van de toewijzing van de onderhoudsplicht aan het waterstaatswerk aan de legger volgens de Omgevingswet wordt beide leggers gecombineerd tot één legger: De Legger van Waterschap Zuiderzeeland.
3. Samen werken aan waterveiligheid
3.1. De maatschappelijke opgave
Waterveiligheid is in een delta als Nederland een belangrijke en uitdagende maatschappelijke opgave. Waterschap Zuiderzeeland heeft de zorgplicht om de waterkeringen in het beheergebied in stand te houden. Ontwikkelingen zoals klimaatverandering, energietransitie, de woningbouwopgave en natuuropgaven maken het een grote uitdaging om voldoende aandacht en ruimte te blijven vragen voor het veilig houden van de waterkeringen. Tegelijkertijd zijn het ook deze ontwikkelingen die het belang van het werken aan waterveiligheid extra benadrukken.
Waterschap Zuiderzeeland heeft oog voor andere maatschappelijke opgaven, maar stelt vanuit zijn taak als keringbeheerder dat waterveiligheid sturend is in de keuzes die gemaakt worden. Daarbij waarborgt het waterschap veilige waterkeringen én staat het waterschap open voor initiatieven op, in of nabij de waterkeringen. Dit kan betekenen dat het waterschap bepaalde initiatieven niet kan toestaan. In andere gevallen denkt het waterschap mee of en hoe bepaalde initiatieven op, in of nabij de waterkering gerealiseerd kunnen worden, zonder dat waterveiligheid daarbij in het geding komt. De waterkerende functie van het waterstaatswerk is van primair belang; alle andere functies zijn ondergeschikt aan het belang van de waterkerende functie.
3.2. De veilige kering verloop
Een veilige waterkering betekent dat het waterkerend vermogen van de kering op orde is, en nu en in de toekomst voldoet aan de wettelijk vastgestelde veiligheidsnormen en daarvan afgeleide eisen. De belangrijkste voorwaarde voor initiatieven in de beperkingsgebieden van de waterkeringen is dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of de versterking van de waterkering. Daarnaast geldt dat het huidige waterkerend vermogen niet verminderen mag als gevolg van initiatieven, met als uitgangspunt dat de ligging, vorm, afmeting en constructie van de kering behouden blijft. En om de veiligheid van de waterkering te kunnen borgen moet de waterkering ook toetsbaar zijn. Dit betekent dat het waterkerend vermogen van de kering beoordeeld kan worden. Bij de beoordeling van het waterkerend vermogen wordt gebruik gemaakt van het wettelijke beoordelings- en ontwerpinstrumentarium (BOI) en de vigerende (technische) leidraden van het Expertisenetwerk Waterkeringen (ENW) en de Stichting Toegepast Onderzoek Water (STOWA) voor de primaire respectievelijk de regionale waterkeringen.
Waterschap Zuiderzeeland wil daarbij waarborgen dat de waterkering te allen tijde toegankelijk blijft voor doelmatig en efficiënt keringbeheer, voor inspecties op schade en stabiliteit en voor calamiteitenbestrijding. Het waterschap wil daarom voorkomen dat initiatieven leiden tot slechtere bereikbaarheid of tot hogere kosten voor het beheer. Daarnaast wil het waterschap kunnen anticiperen op toekomstige ontwikkelingen. Het waterschap reserveert daarom ruimte voor toekomstige dijkversterkingen.
Op deze manier vormen zich de belangrijkste voorwaarden voor initiatieven in de beperkingsgebieden van de waterkeringen; dat de kering veilig, beheerbaar, inspecteerbaar en versterkbaar blijft. Deze criteria liggen ten grondslag aan het waterkeringenbeleid en zijn de essentie waarop beleidskeuzes zijn gemaakt en op grond waarvan omgevingsvergunningen kunnen worden verleend.
Waterkeringen hebben als primaire functie om het water te keren en de veiligheid van een gebied te garanderen. In bepaalde gevallen is dat te combineren met andere maatschappelijke functies. Waterschap Zuiderzeeland wil graag meedenken en meewerken aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving voor inwoners, ondernemers en recreanten in het beheergebied van het waterschap. Dit betekent dat bij het uitoefenen van de kerntaken, waaronder waterkeringbeheer, het waterschap een brede kijk hanteert, waarbij rekening wordt gehouden met andere belangen en kansen worden geboden aan initiatieven. De waterkeringen worden ook nu al benut voor functies als recreatie, cultuur, transport, natuur en landbouw.
Het waterschap staat open voor initiatieven van derden, die voor een activiteit tijdelijk of langdurig gebruik willen maken van de waterkering. Dat betekent dat in het geval van medegebruiksfuncties het waterschap adviseert in het kader van de weging van het waterbelang (voorheen: watertoets) en als vergunningverlener het initiatief toetst aan de gestelde randvoorwaarden, vastgelegd in de Waterschapsverordening en beleidsregels.
Daarnaast worden initiatiefnemers te allen tijde uitgenodigd specifieke wensen omtrent medegebruik kenbaar te maken bij het waterschap. Wanneer een dijktraject vervolgens in aanmerking komt voor (groot) onderhoud of een dijkversterking, kan het waterschap in overleg bekijken of en hoe deze wensen eventueel in samenhang met het waterveiligheidsbelang kunnen worden gerealiseerd. Uitgangspunt is en blijft echter dat het onderhoud of de dijkversterking resulteert in voldoende veiligheid van de waterkering.
3.3.1. Ruimtelijke initiatieven
Bij gebiedsontwikkelingen streeft het waterschap ernaar om al in het voortraject te adviseren over hoe de onderwerpen waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteem meegenomen kunnen worden in ruimtelijke initiatieven. Het waterschap wil zo samen met initiatiefnemers werken aan vergunbare voorkeursalternatieven. Voor een toekomstbestendig en veilig watersysteem, is het gewenst dat het waterschap vanaf het begin van ontwikkelingen het waterbelang in kan brengen. Binnen de kerntaak waterveiligheid gaat dit om ruimtelijke initiatieven op of in de waterkeringen, of in een enkel geval om een ontwikkeling aangrenzend aan de waterkering. De algemene rol die het waterschap inneemt is die van vergunningverlener, toezichthouder en handhaver, maar het waterschap kan bij grote initiatieven ook bijdragen vanuit de rol van adviseur.
Het waterschap zelf is hoofdzakelijk initiatiefnemer van activiteiten op, in of bij de kering die zich primair richten op waterveiligheid. Door het waterschap geplande werkzaamheden aan de kering kunnen in sommige gevallen worden gecombineerd met initiatieven van derden om zo synergievoordelen te behalen. In dat geval is het waterschap ook uitvoeringspartner en/of trekker van het proces.
Het waterschap bepaalt op basis van de aard, fase en complexiteit van het initiatief welke rol het inneemt.
Waterschap Zuiderzeeland staat voor een kostenefficiënte invulling van zijn zorgtaak. Bij medegebruik zullen in veel gevallen de belangen van derden worden gediend, soms in combinatie met een waterveiligheidsbelang. Het waterschap neemt daarom in het geval van medegebruik een zakelijke houding aan, dit betekent dat het waterschap:
In de praktijk betekent dit dat uitvoeringskosten bij de initiatiefnemer worden neergelegd. In het algemeen geldt dat medefinanciering door het waterschap alleen bespreekbaar is wanneer er een aantoonbaar waterveiligheidsbelang is. Maar het waterschap kan wel medewerking verlenen (bijvoorbeeld door penvoerder te zijn) aan het aanspraak maken op mogelijke regionale/landelijke subsidies. Afhankelijk van de situatie kan voor medegebruik door het waterschap een financiële vergoeding aan de initiatiefnemer worden gevraagd. Bij commerciële activiteiten zal het waterschap, in het kader van de rechtmatigheidstoets, marktconforme vergoedingen in rekening brengen. Hoe het waterschap dit doet is vastgelegd in het grondzakenbeleid van het waterschap.
Voor grote ruimtelijke opgaven vraagt het waterschap aan de initiatiefnemer te kijken naar de kosten van de gehele levensduur van de waterkering, de zogenoemde Life-Cycle-Cost-benadering (LCC). Hierdoor kunnen initiatieven met relatief hoge aanlegkosten, maar relatief lage onderhouds- en saneringskosten interessanter blijken voor het waterschap dan in eerste instantie gedacht.
3.5. Waterkeringen in eigendom
De kernzone van de primaire waterkeringen, de waterkering langs de randmeren in de Noordoostpolder (tussen Kadoelersluis en Blokzijl) en de Knardijk zijn nagenoeg geheel in eigendom van Waterschap Zuiderzeeland. Delen van de kernzone van de primaire kering die niet in eigendom zijn tracht het waterschap in eigendom te verkrijgen, met uitzondering van de sluizen en enkele delen in de kern van Urk. Het waterschap houdt deze gebieden ook in de toekomst in eigendom. Voor deze waterkeringen geldt dat de verantwoordelijkheid voor beheer en onderhoud bij het waterschap ligt. Voor de regionale waterkeringen buitendijks, welke rondom een beschermd buitendijks gebied liggen, is het uitgangspunt dat deze geen eigendom zijn van het waterschap. Het waterschap heeft geen beleid dat de waterkeringen die reeds in eigendom van het waterschap zijn afstoot. Tevens wordt er ook geen actief grondverwervingsbeleid voor de regionale keringen buitendijks gevoerd.
Voor medegebruik van een waterkering in eigendom van het waterschap is een privaatrechtelijke overeenkomst met het waterschap nodig. Dit geldt ook indien voor het medegebruik reeds een omgevingsvergunning is verleend. Indien Waterschap Zuiderzeeland gronden wil uitgeven of rechten wil vestigen kan het de locatie openbaar in de markt zetten. Dit geldt voor verpachting, verhuur, erfpacht, opstalrecht of erfpacht afhankelijk opstalrecht van (delen) van de waterkering in eigendom. Dit volgt uit een uitspraak van de Hoge Raad op 26 november 2021, het zogenaamde Didam-arrest, waarin vastgelegd is dat eenieder een gelijke kans verdiend een overeenkomst te sluiten met het waterschap over gronden in eigendom van het waterschap. De voorwaarden hiervoor zijn vastgelegd in het grondzakenbeleid van het waterschap.
In veel gevallen zijn de waterkeringen verpacht of verhuurd. Ook de openstelling van de keringen voor andere vormen van medegebruik wordt geregeld via een overeenkomst. In deze overeenkomst wordt opgenomen dat de waterkering te allen tijde beschikbaar blijft voor waterstaatkundige werkzaamheden.
3.6. De Knardijk: een unieke waterkering
De Knardijk speelt een belangrijke rol in de nog jonge geschiedenis van Flevoland. De Knardijk heeft in de periode 1957-1968 het buitenwater gekeerd, waardoor Oostelijk Flevoland in cultuur kon worden gebracht. In die tijd lag op de Knardijk ook de verbindingsweg tussen het oude land en Lelystad. Nadat ook Zuidelijk Flevoland was drooggevallen heeft de dijk een kleine 50 jaar de functie van compartimenteringskering gehad. In deze periode is de steenbekleding uit het talud van de dijk verwijderd en is de Knardijk ingericht als ecologische verbindingszone. De doorgaande weg is verwijderd, alleen stukken klinkerweg aan de uitersten van de dijk en nabij de werkhaven zijn overgebleven. Een fietspad over de Knardijk vormt nu een verbinding tussen het randmeer (Wolderwijd) en het Markermeer.
Waterschap Zuiderzeeland wil dat de Knardijk ook in de toekomst bescherming blijft bieden aan de inwoners van Flevoland door tijdelijk water te keren op het moment dat de dijken aan de rand van de polder mochten bezwijken. Met deze nieuwe functie kan het waterschap vanuit waterveiligheid minder strenge eisen stellen aan de Knardijk. Het waterschap wil initiatiefnemers ruimte bieden door vormen van medegebruik en ruimtelijke ontwikkelingen toe te staan op de Knardijk, die eerst niet mogelijk waren. Tegelijkertijd blijft het waterschap vanuit waterveiligheid eisen stellen aan de Knardijk, zodat de vertragende werking die de Knardijk nu heeft, behouden blijft. De waterveiligheid van de overige kering Knardijk is vastgelegd in hoofdstuk 9 ‘Aanvullende beleidsregels Knardijk’.
3.6.2. Cultuurhistorische waarde
Het waterschap kent grote cultuurhistorische waarde toe aan de Knardijk. Zonder Knardijk was er geen Flevoland en de dijk maakt de geschiedenis van Flevoland zichtbaar. De Knardijk is uniek voor het waterschap, Nederland en de rest van de wereld. De cultuurhistorische waarde van de Knardijk is, naast de vertragende werking die de dijk heeft, mede reden geweest voor het waterschap om de Knardijk te behouden.
Kenmerkend voor de Knardijk zijn de Hoge en Lage Knarsluis, de oude werkhaven bij de Vogelweg en de klinkerwegen bij de werkhaven en aan de uitersten van de dijk. Het waterschap is bereid tot een extra financiële inspanning (bij onderhoud en beheer) om het cultuurhistorische karakter van de Knardijk als geheel en van de hierboven genoemde objecten in stand te houden. Voor de klinkerwegen, die niet in eigendom zijn van het waterschap, geldt dit niet.
De Knardijk vormt ook het leefgebied voor verschillende dier- en plantsoorten en is een belangrijke ecologische verbinding tussen de randmeren en het Markermeer/ IJsselmeer. Ten behoeve van deze ecologische functie is het profiel van de Knardijk in de jaren ’90 aangepast. Hierbij is de Knardijk tussen de Lage Vaart en de Zeewolderdijk, behoudens de wegkruisingen en de klinkerwegen, 1 meter verhoogd. Tot slot is de Knardijk ook een duidelijk herkenbaar zelfstandig element in het Flevolandse landschap. De dijk scheidt Oostelijk en Zuidelijk Flevoland, die elk hun eigen inrichting hebben, van elkaar.
Initiatiefnemers moeten ook met deze cultuurhistorische, natuur- en landschappelijke waarden rekening houden. Deze waarden hebben het waterschap, de gemeenten en de provincie vertaald in eigen beleidskaders voor de Knardijk op gebied van cultuurhistorie, natuur en landschap. Dit betekent dat het waterschap nooit alleen, maar altijd in samenspraak met provincie en /of gemeenten, initiatieven zal beoordelen.
4. Bouwwerken en Bouwwerkzaamheden
Artikel 3.22 van de Waterschapsverordening stelt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning heiwerkzaamheden te verrichten of werken te plaatsen, wijzigen of verwijderen bij een primaire waterkering (kernzone en binnenbeschermingszone), bij een regionale waterkering (kernzone en beschermingszone), bij een regionale waterkering buitendijks (kernzone en beschermd buitendijks gebied) en bij een overige waterkering (kernzone en beschermingszone).
Artikel 3.32 van de Waterschapsverordening stelt daarnaast dat het verboden is zonder omgevingsvergunning werkzaamheden, die tot gevolg kunnen hebben dat verandering wordt gebracht in de staat van waterkeringen, te verrichten bij een primaire waterkering (kernzone en binnenbeschermingszone), bij een regionale waterkering (kernzone en beschermingszone), bij een regionale waterkering buitendijks – kernzone en in de kernzone van een overige waterkering. Hieronder vallen verschillende bouwwerkzaamheden, zoals aanleggen; boren; bouwen; graven; herstellen; onderhouden; repareren; slopen; uitbreiden; verbouwen en herbouwen; of gelijksoortige werkzaamheden (vergelijk artikel 3.30, tweede lid van de Waterschapsverordening).
4.1.1. Bijkomende werken of werkzaamheden
Bij werken is vrijwel altijd sprake van bijkomende werken of werkzaamheden, denk aan kabels, leidingen, beplantingen, heiwerkzaamheden of het plaatsen, wijzigen of verwijderen van werken zoals ontsluitingswegen. In de Waterschapsverordening zijn hier specifieke vergunningplichten voor opgenomen die in dit beleid zijn uitgewerkt. Het kan dus zijn dat voor het uitvoeren van een project meerdere vergunningplichten gelden. Een overzicht van vergunningplichten is te vinden in bijlage 3 “wettelijk kader”.
Het waterschap kan werken (of bijkomende werken en bouwwerkzaamheden) niet zonder meer toestaan vanwege de nadelige gevolgen die bouwwerken en bouwwerkzaamheden kunnen hebben op de waterkeringen. Het waterschap kan in bijzondere gevallen een omgevingsvergunning voor werken en bouwwerkzaamheden verlenen als aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan.
In de navolgende paragrafen wordt telkens specifiek verwezen naar bouwwerken of gebouwen.
4.1.2. Relevante faalmechanismen
Als onderdeel van de vergunningverlening worden onder andere de gevolgen van bovenstaande werkzaamheden beoordeeld op het waterkerend vermogen van de kering. Hiervoor worden relevante faalmechanismen beschouwd. Enkele relevante faalmechanismen die kunnen leiden tot het bezwijken van een waterkering zijn:
4.2. Beleidsregels primaire waterkeringen
Binnen de kernzone hebben gebouwen een zodanig negatieve invloed op de veiligheid, de mogelijkheden voor toekomstige versterkingen en/of de beheermogelijkheden dat het waterschap gebouwen en bouwwerkzaamheden ten behoeve van nieuwbouw in de kernzone niet toestaat. Voor bestaande bebouwing is in het verleden in uitzonderlijke gevallen een ontheffing of vergunning op grond van de Keur verleend. Voor normaal gebruik van bestaande bebouwing kan verbouw, aanbouw of het plaatsen van een bijgebouw nodig zijn. Voor die gevallen kan het waterschap bouwwerkzaamheden onder voorwaarden toestaan.
Bouwwerkzaamheden ten behoeve van bestaande bebouwing
Het waterschap kan een omgevingsvergunning voor bouwwerkzaamheden in de kernzone een primaire waterkering verlenen, mits;
de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor normaal gebruik van het bestaande gebouw; voor gebouwen waarvoor in het verleden een ontheffing of vergunning is verleend, dient het waterschap normaal gebruik toe te staan. Voor het normale gebruik van bestaande gebouwen kan het noodzakelijk zijn dat veranderingen worden aangebracht. In dat geval kan het waterschap verbouw, aanbouw en/of het plaatsen van een bijgebouw toestaan;
Voor aanbouw en het plaatsen van een bijgebouw geldt, in aanvulling op bovenstaande voorwaarden, dat;
Het waterschap kan een omgevingsvergunning verlenen voor tijdelijke bouwwerken, mits;
Verwijderen van bouwwerken zonder functie
Als het gaat om bouwwerken die geen functie meer vervullen, geldt in aanvulling op bovenstaande voorwaarde dat;
bouwwerken inclusief fundering door de vergunninghouder op verzoek van het waterschap worden verwijderd. Hierbij dient de vergunninghouder de waterkering ter plaatse te herstellen. Bij het verwijderen van de heipalen moeten waterafsluitende lagen in de ondergrond behouden blijven. Heipalen in de kernzone blijven achter in de ondergrond. De heipalen dienen op 1,5m onder het maaiveld afgeknipt te worden.
Bij werkzaamheden zijn vrijwel altijd bijkomende werken aanwezig, zoals kabels en leidingen, ontsluitingswegen en beplantingen. Voor deze werken gelden de hiervoor geformuleerde beperkingen en beleidsregels zoals beschreven in de Waterschapsverordening en voorliggend beleidsdocument.
In de binnenbeschermingszone hebben gebouwen een zodanige negatieve invloed op de veiligheid, de mogelijkheden voor toekomstige versterkingen en/of de beheermogelijkheden dat het waterschap gebouwen en bouwwerkzaamheden ten behoeve van nieuwbouw in de binnenbeschermingszone niet toestaat. Voor bestaande bebouwing is in het verleden in uitzonderlijke gevallen een ontheffing of vergunning op grond van de Keur verleend. Het waterschap kan onder voorwaarden en in uitzonderlijke gevallen een omgevingsvergunning verlenen voor nieuwbouw of voor de aanbouw, verbouw of herbouw van bestaande bebouwing in de binnenbeschermingszone. Dit geldt ook voor tijdelijke bebouwing.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning voor nieuwbouw, aanbouw en bouwwerkzaamheden bij een primaire kering in de binnenbeschermingszone verlenen, mits;
het gaat om het opvullen van open ruimtes tussen bestaande bebouwing. Dit beperkt zich tot bouwwerken en bouwwerkzaamheden tussen en/of gedeeltelijk achter bestaande bebouwing. Daarbij gaat het waterschap uit van het zichtpunt vanaf de waterkering en voor een open ruimte die maximaal 100 meter breed is. Als de bouwactiviteit plaatsvindt in het verlengde van de bestaande bebouwing, geldt een maximum afstand van 25 meter tussen de bestaande en nieuwe bebouwing;
Het waterschap kan een omgevingsvergunning verlenen voor tijdelijke bouwwerken, mits;
4.3. Beleidsregels regionale waterkeringen
4.3.1. Kernzone en beschermingszone
Binnen de kernzone en de beschermingszone hebben gebouwen een zodanig negatieve invloed op de veiligheid, de mogelijkheden voor toekomstige versterkingen en/of de beheermogelijkheden dat het waterschap gebouwen en bouwwerkzaamheden ten behoeve van nieuwbouw in de kernzone en de beschermingszone niet toestaat. Voor bestaande bebouwing is in het verleden in uitzonderlijke gevallen een ontheffing of vergunning op grond van de Keur verleend. Voor normaal gebruik van bestaande bebouwing kan verbouw, aanbouw of het plaatsen van een bijgebouw nodig zijn. Voor die gevallen kan het waterschap bouwactiviteiten onder voorwaarden toestaan.
Voor een omgevingsvergunning voor bouwwerken en bouwwerkzaamheden in de regionale waterkering – kernzone gelden dezelfde voorwaarden als voor de primaire waterkering – kernzone.
Voor een omgevingsvergunning voor bouwwerken en bouwwerkzaamheden in de regionale waterkering – beschermingszone gelden dezelfde voorwaarden als voor de primaire waterkering – beschermingszone.
Voor de regionale waterkeringen buitendijks zijn beleidsregels opgenomen in de onderstaande paragraaf.
4.4. Beleidsregels regionale waterkeringen buitendijks
Volgens artikel 3.32 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten, die de staat van waterstaatswerken mogelijk veranderen. De vergunningplicht geldt voor ook voor werkzaamheden in de kernzone van regionale waterkeringen. Het waterschap kan in deze zone in uitzonderlijke gevallen een omgevingsvergunning verlenen voor bouwwerkzaamheden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de zone 5 meter uit de buitenkruinlijn (richting beschermd buitendijks gebied) en de zone daarop aansluitend. De 5 meter zone is ingegeven met het oog op inspectie, monitoring, beheer en onderhoud en calamiteitenbescherming. Het waterschap is verantwoordelijk voor inspectie en toetsing en moet ook bij extreme weersomstandigheden toegang hebben tot de regionale waterkering. Onderhoud wordt uitgevoerd door de eigenaar. Het waterschap ziet vanuit zijn expertise en ervaring een taak om de daarvoor benodigde ruimte zoveel mogelijk te borgen.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning voor bouwwerken en bouwwerkzaamheden in de kernzone van regionale waterkeringen buitendijks verlenen, mits;
Vanaf 5 meter uit de buitenkruinlijn richting beschermd buitendijks gebied
Voor het gebied vanaf 5 meter uit de buitenkruinlijn (richting beschermd buitendijks gebied, zie de legger) geldt aanvullend op de hiervoor genoemde voorwaarden, dat;
geanticipeerd wordt op eventuele toekomstige versterkingen (ontwerplevensduur tot 100 jaar, gebaseerd op integrale versterking vanaf de buitenkruinlijn). Hiertoe zijn verschillende mogelijkheden:
achter de bouwlijn van gebouwen die maximaal 25 meter uit elkaar staan geldt deze voorwaarde niet. In deze situatie moet in geval van versterkingen toch al naar maatwerkoplossingen worden gezocht. Bebouwing op deze locaties moet minimaal op hetzelfde veiligheidsniveau worden aangelegd als naastgelegen bebouwing
Bij bestaande bebouwing binnen 5 meter buiten de buitenkruinlijn
Als binnen 5 meter uit de buitenkruinlijn richting beschermd buitendijks gebied reeds bestaande bebouwing aanwezig is, geldt aanvullend op de hiervoor genoemde voorwaarden, dat;
4.5. Beleidsregels overige waterkeringen
Voor overige waterkeringen zijn geen beleidsregels vastgesteld, met uitzondering van de overige kering Knardijk. Daarvoor zijn beleidsregels opgenomen in de onderstaande paragraaf.
4.6. Beleidsregels overige waterkering knardijk
Volgens artikel 3.22 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning werken plaatsen, wijzigen of verwijderen in de kernzone en beschermingszone van een overige waterkering. Dat betekent dat het plaatsen, wijzigen en verwijderen van een bouwwerk (ook wanneer het gaat om een bouwwerk in/op de overhoogte of de beschermingszone) in de kernzone en de beschermingszone van de overige kering Knardijk vergunningplichtig is. Dit geldt ook voor bijkomende (bouw)werken, zoals nutsvoorzieningen, verhardingen en hekwerk.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning verlenen, mits;
• de initiatiefnemer maatregelen neemt om de sterkte van de grasbekleding ter hoogte van het kernprofiel te behouden of zorgt voor vervangende bekleding met vergelijkbare sterkte.
verwijderen van bouwwerken zonder functie
Als het gaat om bouwwerken die geen functie meer vervullen, geldt in aanvulling op bovenstaande voorwaarde dat
• bouwwerken inclusief fundering door de vergunninghouder op verzoek van het waterschap worden verwijderd. Hierbij dient de vergunninghouder de waterkering ter plaatse te herstellen. Bij het verwijderen van de heipalen moeten waterafsluitende lagen in de ondergrond behouden blijven. Heipalen in de kernzone blijven achter in de ondergrond. De heipalen dienen op 1,5m onder het maaiveld afgeknipt te worden. Bij verwijdering van heipalen buiten de kernzone dient de oorspronkelijke bodemopbouw hersteld te worden.
Bouwwerken op of boven de overhoogte A en B in de beschermingszone
Voor bouwwerken, eventueel gefundeerd op staal of op palen, op of boven het kernprofiel, op, in of boven de overhoogte A en B in de beschermingszone (zie ook paragraaf 9.3), geldt aanvullend op bovenstaande voorwaarden dat
• de initiatiefnemer door middel van grondmechanisch onderzoek en stabiliteitsberekeningen aantoont dat het kernprofiel stabiel is. Hierbij mogen de heipalen het kernprofiel doorsnijden. Dit geldt zowel voor de realisatiefase als voor de definitieve fase na aanleg van het bouwwerk.
In paragraaf 3.2.15 van de Waterschapsverordening staan regels over het plaatsen, wijzigen en verwijderen van windmolens in een beperkingengebied. Voor de kabels en leidingen van windmolens gelden aparte beleidsregels. Deze staan in hoofdstuk 6 van deze beleidsregels. Bij de beoordeling van vergunningaanvragen houdt het waterschap rekening met de Stowa – Handreiking windturbines en waterkeringen. Techniek.
5.1.1. Relevante faalmechanismen
Als onderdeel van de vergunningverlening worden onder andere de gevolgen van het plaatsen, wijzigen en verwijderen van windmolens beoordeeld op het waterkerend vermogen van de kering. Hiervoor worden relevante faalmechanismen beschouwd. Enkele relevante faalmechanismen die kunnen leiden tot het bezwijken van een waterkering zijn:
5.2. Beleidsregels primaire waterkeringen
5.2.1. Kernzone en Binnenbeschermingszone
Het waterschap is verantwoordelijk voor de waterveiligheid en stelt daarom: de plaatsing van nieuwe windmolens in de kernzone en binnenbeschermingszone is niet toegestaan. Voor herbouw of sloop van een windmolen kan het waterschap onder voorwaarden een omgevingsvergunning verlenen. Een omgevingsvergunning voor het plaatsen, wijzigen of verwijderen van windmolens is verplicht op grond van artikel 3.74 van de Waterschapsverordening.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning verlenen voor het verwijderen van een windmolen, mits;
de gehele fundering exclusief de palen wordt verwijderd. Hierbij dient de vergunninghouder de waterkering ter plaatse te herstellen. Bij het verwijderen van de heipalen moeten waterafsluitende lagen in de ondergrond behouden blijven. Heipalen in de kernzone blijven achter in de ondergrond. De heipalen dienen op 1,5m onder het maaiveld afgeknipt te worden;
Het waterschap kan een omgevingsvergunning verlenen voor herbouw van een windmolen, mits;
Voor het plaatsen, wijzigen of verwijderen van een windmolen is een omgevingsvergunning vereist in de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering (artikel 3.74 Waterschapsverordening). Voor het plaatsen van een windmolen is ook een omgevingsvergunning nodig voor het verrichten van ontgrondingen of afgravingen, het verrichten van seismische onderzoeken en het hebben explosiegevaarlijke inrichtingen (artikelen 3.13 en 3.18 van de Waterschapsverordening).
Het waterschap kan een omgevingsvergunning voor het plaatsen, wijzigen of verwijderen van windmolens verlenen, mits;
Het waterschap kan een omgevingsvergunning verlenen voor het verrichten van ontgrondingen, afgravingen of seismisch onderzoek, mits;
5.3. Beleidsregels regionale waterkeringen
De beleidsregels voor het bouwen, wijzigen, slopen en/of verwijderen van windmolens in de regionale waterkeringen – kernzone zijn gelijk aan de beleidsregels zoals hierboven geformuleerd voor de primaire waterkeringen – kernzone.
De beleidsregels voor het bouwen, wijzigen, slopen en/of verwijderen van windmolens in de regionale waterkeringen – beschermingszone zijn gelijk aan de beleidsregels zoals hierboven geformuleerd voor de primaire waterkeringen – binnenbeschermingszone.
5.4. Beleidsregels regionale waterkeringen buitendijks
Voor het bouwen, wijzigen, slopen en/of verwijderen van windmolens in de regionale waterkering buitendijks – kernzone of de regionale waterkering buitendijks – beschermd buitendijks gebied de gelden de beleidsregels uit Hoofstuk 4 ‘Bouwwerken en bouwwerkzaamheden’ voor regionale waterkering buitendijks.
5.5. Beleidsregels overige waterkeringen
Voor het bouwen, wijzigen, slopen en/of verwijderen van windmolens in de overige waterkering – kernzone of de overige kering – beschermingszone, met uitzondering van de overige kering Knardijk, gelden de beleidsregels uit Hoofstuk 4 ‘Bouwwerken en bouwwerkzaamheden’ voor overige waterkeringen. Voor overige waterkering Knardijk zijn beleidsregels opgenomen in de onderstaande paragraaf.
5.6. Beleidsregels overige waterkeringen Knardijk
Voor het bouwen, wijzigen, slopen en/of verwijderen van windmolens op, in of nabij de overige waterkering Knardijk gelden de beleidsregels uit Hoofstuk 4 ‘Bouwwerken en bouwwerkzaamheden’ voor de overige waterkering Knardijk.
Voor het plaatsen, houden of verwijderen van kabels, drukleidingen of drukvaten in de kernzone en binnenbeschermingszone van primaire waterkeringen en de beperkingengebieden van regionale en overige waterkeringen, is een omgevingsvergunning nodig (artikel 3.28 Waterschapsverordening). Het initiatief moet voldoen aan de NEN-normen:
Bij de eisen is onderscheid gemaakt tussen kabels, lage drukleidingen en hoge drukleidingen en de manier waarop deze door of langs de kering worden aangelegd. Dit onderscheid is gemaakt omdat kabels en leidingen niet per definitie dezelfde risico’s vormen voor de stabiliteit van de keringen.
Waterschap Zuiderzeeland is zich ervan bewust dat de aanleg van kabels en leidingen van maatschappelijk belang kan zijn en dat zonder kabels en leidingen een aantal gebruiks- en gemaksfuncties niet kan functioneren. Op grond van de Telecommunicatiewet is een grondeigenaar of beheerder verplicht een kabel in zijn terrein te ontvangen indien er geen reëel alternatief tracé mogelijk is. De polder is geheel omsloten door water, waardoor kruisingen van kabels en leidingen met de kering onvermijdelijk zijn. Voorbeelden van kruisingen zijn de aanlevering van nutsvoorzieningen van buiten het gebied. Buitendijkse woongebieden en voorzieningen zoals restaurants, havens, campings en windmolens vereisen aansluiting op nutsvoorzieningen waarbij een kruising met de waterkering onvermijdelijk is. Daarom heeft het waterschap de maatschappelijke plicht om, als er geen alternatief tracé buiten de kernzone of beschermingszone mogelijk is, de aanleg van kabels en leidingen onder strikte voorwaarden toe te staan. De beleidsregels zijn van toepassing op elk type kabel of leiding die door de kering loopt of het tracé van de kering volgt binnen de grenzen van het beperkingengebied. Het waterschap heeft uitgangspunten en criteria waaraan een vergunningaanvraag moet voldoen (zie bijlage 10.1).
6.1.1. Relevante faalmechanismen
Als onderdeel van de vergunningverlening worden onder andere de gevolgen van het plaatsen, houden of verwijderen van kabels, drukleidingen of drukvaten beoordeeld op het waterkerend vermogen van de kering. Hiervoor worden relevante faalmechanismen beschouwd. Enkele relevante faalmechanismen die kunnen leiden tot het bezwijken van een waterkering zijn:
6.2. Beleidsregels primaire waterkeringen
6.2.1. Kernzone en binnenbeschermingszone
Er gelden verschillende voorwaarden voor verschillende typen kabels en leidingen in de kernzone en binnenbeschermingszone. Hieronder volgen de algemene uitgangspunten en voorwaarden. Daarna volgen aanvullende voorwaarden per type kabel/leiding.
Het is verboden om binnen de kernzone en binnenbeschermingszone bij een primaire waterkering kabels, drukleidingen en drukvaten te plaatsen, te houden of verwijderen zonder omgevingsvergunning (artikel 3.28 Waterschapsverordening). De aanleg van kabels en leidingen is in bepaalde gevallen, zoals hierboven beschreven, onvermijdelijk. Daarom kan het waterschap onder voorwaarden een omgevingsvergunning verlenen.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning voor het houden, plaatsen of verwijderen van kabels, drukleidingen of drukvaten verlenen, mits;
de waterkering op eenvoudige wijze bereikbaar blijft en de doelmatige uitvoering van reguliere inspecties, monitoring en onderhoud aan de waterkering mogelijk blijft. Indien onderhoudswerkzaamheden en/of dijkversterkingen worden uitgevoerd, is de kans reëel dat het medegebruik tijdelijk niet mogelijk is;
Als er een alternatief tracé aanwezig is, moeten kabels en leidingen in principe buiten de kernzone en binnenbeschermingszone worden gehouden of, als de gelegenheid zich voordoet, daarnaar worden verlegd;
het waterschap voor de aanleg van lokale voorzieningen van het openbare verlichtingsnet op, in of nabij de binnenkruinlijn van de waterkering alleen onder hoge uitzondering een omgevingsvergunning kan verlenen, mits de voorzieningen vanwege de verkeersveiligheid noodzakelijk zijn en er verlichtingstechnisch geen alternatief is; en
In aanvulling op bovenstaande voorwaarden geldt dat;
Indien onderhoudswerkzaamheden en/of dijkversterkingen worden uitgevoerd, is de kans reëel dat het medegebruik tijdelijk niet mogelijk is.
6.2.1.2. Aanvullende voorwaarden voor typen leidingen
Een drukloze leiding door de waterkering vormt een open verbinding tussen binnen- en buitendijks gebied en is daarom niet toegestaan.
Lage drukleidingen (maximale bedrijfsdruk van 10 Bar)
Lage drukleidingen met een diameter van minder dan 50 mm en een druk van maximaal 3 Bar veroorzaken bij explosie geen erosiekrater. Voor deze leidingen is geen sterkteberekening nodig en volstaan de algemene voorwaarden. Wel moet rekening worden gehouden met verwekingzones bij vloeistof transporterende leidingen. Voor de lage drukleidingen met een diameter van maximaal 300 mm kan worden volstaan met een vereenvoudigde sterkteberekening.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning voor de aanleg, het houden of verwijderen van lage drukleidingen, verlenen als voldaan is aan de volgende aanvullende voorwaarden;
Hoge drukleidingen vormen een groter risico voor de stabiliteit van de kering dan lage drukleidingen. De leidingen transporteren een medium dat bij breuk, als gevolg van lekkage of explosie het dijklichaam kan verweken of zelfs geheel kan wegslaan. Om dit gevaar te voorkomen stelt het waterschap vanuit het waterveiligheidsbelang aanvullende voorwaarden. Bij de vergunningaanvraag is een sterkteberekening nodig waarin de toelaatbare spanningen worden getoetst.
de noodzaak voor het plaatsen van de vervangende damwand en de breedte daarvan is afhankelijk van de druk en het te vervoeren product. Bij hoge drukleidingen is de breedte van het scherm 25 meter. Bij lage drukleidingen is de breedte afhankelijk van de druk en het te transporteren product. (Indien een hoge drukgasleiding een uit zand bestaande primaire kering (met kleibekleding) kruist, kan een vervangende waterkering achterwege blijven (NEN 3651, art. 8.1.7.1.5);
er moet een test- en sluitingsprotocol met de leidingbeheerder worden vastgesteld voor afsluiters, zodat deze bij (dreigende) calamiteiten gebruikt kunnen worden. De leidingbeheerder moet op afroep de afsluiters bedienen. De leidingbeheerder moet garanderen dat de afsluiters binnen een door het waterschap gestelde termijn gesloten kunnen worden.
Waterschap Zuiderzeeland staat het gebruik van mantelbuizen niet toe, omdat er een holle ruimte aanwezig is tussen de kabel/leiding en de mantelbuis. Het nadeel van een mantelbuis is de kans op lekkage tussen de mantelbuis en de mediumvoerende kabel/leiding. Een mantelbuis is niet nodig als het leidingdeel in de waterkering van een hogere sterkteklasse is dan de aanwezige leiding buiten de waterkering.
In enkele gevallen kan het waterschap mantelbuizen toestaan. Dat is het geval, wanneer;
Als het waterschap mantelbuizen toestaat, dan gelden de aanvullende voorwaarden;
6.2.1.3. Aanvullende voorwaarden voor dijkkruisingen
Er zijn verschillende methoden voor de aanleg van dijkkruisingen van kabels en leidingen: door een open sleufontgraving of een horizontale gestuurde boring (HDD). Het spuiten, boren of persen van kabels en leidingen door de waterkering is niet toegestaan. Zowel bij gestuurde boringen als bij open ontgravingen moet de stabiliteit tijdens de uitvoering gewaarborgd zijn.
Dijkkruising middels open sleuf
De gegraven sleuf moet het verloop van het dijkprofiel volgen waarbij de ontgravingdiepte maximaal 0,90 meter bedraagt. De onderzijde van de kabel of leiding onder de kruin van de dijk, mag niet lager dan de Maatgevend Hoogwaterstand (MHW) uitkomen, vermeerderd met de verwachte zakking van de kabel/leiding en 0,1 meter reserve. Als de onderkant van de kabel of leiding nergens in de kruising boven MHW reikt, moeten één of meerdere kwelschermen worden voorgeschreven.
Dijkkruising middels horizontaal gestuurde boring (HDD boringen)
Een gestuurde boring of HDD-methode (Horizontal Directional Drilling) is een sleufloze boortechniek waarbij waterkeringen diep onder het maaiveld worden gekruist. Met deze methode is men in staat over honderden meters nauwkeurige boringen te verrichten. Hierbij ontstaat de mogelijkheid om persleidingen of kabeldoorvoerbuizen onder keringen te leggen zonder het dijkprofiel te verstoren.
De voorwaarden voor een gestuurde boring zijn afhankelijk van de boring, de druk in de leiding, het te transporteren medium, de dijkhoogte, de plaatselijke geologische omstandigheden, enzovoort.
Het waterschap kan onder voorwaarden een omgevingsvergunning verlenen voor een gestuurde boring. Daarbij gelden de volgende aanvullende voorwaarden;
6.2.1.4. Aanvullende voorwaarden voor beheer
De aanwezigheid van kabels en leidingen op, in of nabij primaire waterkeringen brengt onderhoud met zich mee. Wanneer onderhoud aan kabels of leidingen uitgevoerd moet worden kan dit betekenen dat de sleuf opnieuw open gegraven moet worden. Voor dit onderhoud is een omgevingsvergunning nodig (artikel 3.32 Waterschapsverordening).
De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het veilig functioneren van de leiding en overige voorzieningen in de waterkering en moet het waterschap de gelegenheid geven zich daarvan op de hoogte te stellen. De vergunninghouder moet van stalen leidingen jaarlijks aantonen dat de kathodische bescherming naar behoren functioneert.
Het waterschap voert minimaal iedere 12 jaar de wettelijke beoordeling voor de primaire waterkeringen uit. De kabel/leidingbeheerder dient hiervoor de benodigde informatie aan te leveren en/of daarvoor onderzoeken te doen en jaarlijks de ligging en de onderhoudstoestand van de leiding door te geven. Het waterschap neemt deze onderzoeks- en informatieplicht als vergunningvoorschrift op in de omgevingsvergunning (artikel 1.9, lid 3 Waterschapsverordening).
6.3. Beleidsregels regionale waterkeringen
De beleidsregels voor het plaatsen, houden of verwijderen van kabels en leidingen op, in of nabij regionale waterkeringen – kernzone zijn gelijk aan de beleidsregels zoals hierboven geformuleerd voor de primaire waterkeringen – kernzone.
De beleidsregels voor het plaatsen, houden of verwijderen van kabels en leidingen op, in of nabij regionale waterkeringen – beschermingszone zijn gelijk aan de beleidsregels zoals hierboven geformuleerd voor de primaire waterkeringen – binnenbeschermingszone.
6.4. Beleidsregels regionale waterkeringen buitendijks
Op grond van art. 3.28 Waterschapsverordening is het plaatsen, houden of verwijderen van kabels en drukleidingen of drukvaten in de kernzone en het beschermd buitendijks gebied van regionale waterkeringen buitendijks verboden zonder omgevingsvergunning.
Het waterschap kan in sommige gevallen onder voorwaarden een omgevingsvergunning verlenen voor kabels en leidingen binnen de kernzone van regionale waterkeringen buitendijks. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor kabels en leidingen in de kernzone van primaire waterkeringen.
6.5. Beleidsregels overige waterkeringen
Voor het plaatsen, houden of verwijderen van kabels en leidingen op, in of nabij overige waterkeringen zijn geen beleidsregels vastgesteld, met uitzondering van de overige waterkering Knardijk. Daarvoor zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf 6.6.
6.6. Beleidsregels overige waterkering Knardijk
Op grond van art. 3.28 van de Waterschapsverordening is het plaatsen, houden of verwijderen van kabels en leidingen vergunningplichtig in de kernzone en beschermingszone van de Knardijk. (De aanleg van) kabels en leidingen kunnen namelijk een effect hebben op de stabiliteit van het kernprofiel, ook wanneer deze in de overhoogte of de beschermingszone worden aangelegd (zie ook paragraaf 9.3).
Waterschap Zuiderzeeland kan kabels en leidingen toestaan in de Knardijk, mits de initiatiefnemer aantoont dat het kernprofiel in stand blijft. Dit geldt ook als de kabels/leidingen geplaatst worden in de lengterichting en in het kernzoneprofiel.
Het waterschap beoordeelt vergunningaanvragen aan de hand van de voorwaarden voor kabels en leidingen in de kernzone en binnenbeschermingszone van primaire waterkeringen. Na vooroverleg met de initiatiefnemer bepaalt het waterschap welke voorwaarden en vereisten van toepassing zijn. Hierbij houdt het waterschap er rekening mee dat de Knardijk niet permanent water hoeft te kunnen keren.
Vanuit zijn wettelijke taak als waterkeringbeheerder is het waterschap verplicht de invloed van beplantingen op de waterkering in beeld te brengen en te reguleren. De aanwezigheid van beplanting kan het waterkerend vermogen van de waterkering negatief beïnvloeden. Zo kan de beplanting de erosiebestendigheid van de kering aantasten, beschaduwing en bladval kunnen de kwaliteit van de grasbekleding aantasten. Ook kan de beplanting de stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloeden. Daarnaast kan de beplanting het beheer en onderhoud van de waterkering bemoeilijken. Het waterschap is om deze redenen zeer terughoudend met het toestaan van beplanting op, in of nabij de waterkering. Hierbij wordt zowel de huidige als ook de toekomstige situatie beschouwd. De aanvrager van een omgevingsvergunning moet aantonen dat de beplanting geen negatief effect heeft op de waterkering.
7.1.1. Relevante faalmechanismen
Beplanting op waterkeringen kan een effect hebben op het waterkerend vermogen van de kering. Als onderdeel van de vergunningverlening wordt de bestaande beplanting, nieuwe beplanting en herplant van beplanting beoordeeld op het waterkerend vermogen van de kering. Hiervoor worden relevante faalmechanismen beschouwd. Enkele relevante faalmechanismen die kunnen leiden tot het bezwijken van een waterkering zijn:
Bekleding: Onjuist beheer van beplanting kan de erosiebestendigheid van de bekleding negatief beïnvloeden. Denk hierbij aan bladval, schaduwwerking en dierlijke graverij. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat de grasbekleding erosiebestendig blijft en dat de waterkering toegankelijk blijft voor inspectie.
7.2. Beleidsregels primaire waterkeringen
7.2.1. Kernzone en binnenbeschermingszone
In de kernzone en binnenbeschermingszone is het plaatsen, behouden of verwijderen van beplanting alleen toegestaan met een omgevingsvergunning (artikel 3.50 Waterschapsverordening). Het waterschap maakt onderscheid tussen nieuwe beplanting, bestaande beplanting en herplant.
Het plaatsen van nieuwe (duurzame) beplanting in de kernzone en binnenbeschermingszone wordt niet toegestaan. Binnen de kernzone heeft beplanting een zodanig negatieve invloed op de stabiliteit of de beheermogelijkheden, en daarmee de waterveiligheid, dat het waterschap nieuwe beplanting in de kernzone niet toestaat. Afwijking van het verbod is alleen mogelijk indien er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Het waterschap beoordeelt in dat geval of en in welke mate er van het verbod wordt afgeweken. Het waterveiligheidsbelang staat daarbij altijd boven andere medegebruiksfuncties.
Bestaande beplanting is alleen toelaatbaar indien er een omgevingsvergunning is verleend en de beplanting gezond is. Gezonde beplanting betekent dat deze is goedgekeurd in de meest recente boomveiligheidscontrole (BVZ). Voor zover bestaande beplanting zonder vergunning of ontheffing is geplaatst en wordt behouden, hanteert het waterschap gedoogbeleid. Daarbij dient aan onderstaande voorwaarden te worden voldaan.
Waterschap Zuiderzeeland hanteert een uitsterfbeleid voor duurzame beplantingen in de kernzone en binnenbeschermingszone. Herplant van duurzame beplanting binnen de deze zones is daarom niet toegestaan. Het waterschap kan herplant alleen onder voorwaarden en in bijzondere situaties toestaan.
Een omgevingsvergunning voor nieuwe beplanting kan worden verleend, mits;
In aanvulling op bovenstaande voorwaarden, geldt dat;
indien de waterkering ter plaatse van de nieuwe beplanting veel breder is dan het standaardprofiel en/of er sprake is van een hoog voor- of achterland, dient getoetst te worden of de nieuwe beplanting inclusief eventuele ontgrondingskuil, zich buiten het ontwerpprofiel bevindt. Het is toelaatbaar dat de nieuwe beplanting buiten dit profiel valt. Indien een tuimeldijk aanwezig is dient een strook van 10 meter voor bomen en 5 meter voor struikbeplanting uit de binnenteen van de tuimeldijk vrij te blijven. Bomen zijn niet toegestaan indien deze in geval van windworp de toegang tot de waterkering belemmeren;
Het waterschap gedoogt bestaande beplanting waarvoor geen omgevingsvergunning is verkregen, zolang het waterveiligheidsbelang niet in het geding is. Daarbij geldt dat;
de waterkering door een onderhoudsstrook goed toegankelijk moet zijn voor werkzaamheden in het kader van beheer en onderhoud. Deze onderhoudsstrook dient een minimale breedte te hebben van 5 meter uit de buitenteen van de dijk en 5 meter uit de insteek aan de polderzijde van de kwelsloot. Dit betekent een onderhoudsstrook aan weerszijden van het dijklichaam. Afhankelijk van de bestaande situatie wordt naar een passende oplossing gezocht;
het waterschap tijdens de wettelijke 12-jaarlijkse veiligheidsbeoordeling op basis van het Beoordelings- en Ontwerpinstrumentarium (BOI) periodiek bepaalt of beplanting een negatieve invloed heeft op de overstromingskans. Wanneer de overstromingskansanalyse een negatieve invloed van de beplanting op de veiligheid van de kering aantoont, moeten maatregelen getroffen worden om de waterkering te versterken. De afweging welke maatregelen getroffen worden, is afhankelijk van de aanwezigheid en haalbaarheid van alternatieven. Dit verschilt per situatie. De intrekking van de gedoogconstructie voor de betrokken beplanting hoort tot een van de mogelijkheden waarmee het waterschap de waterkerende functie van de waterkering kan behouden;
bij verwijdering van een boom de stobbe verwijderd moet worden. Het ontstane gat moet worden opgevuld met klei, in de samenstelling: lutumfractie 20-25%, zandfractie maximaal 40%. Daarbij gaat het waterschap uit van het verwijderen van wortels e.d. binnen een straal van 2 meter vanuit de stam tot een diepte van 1 meter. Opvulling met klei is nodig om te voorkomen dat bij de kap van houtbeplanting een gat ontstaat in de afdekkende kleilaag waardoor de kwelweg kan worden verkort;
Indien de beplanting niet aan de voorgaande voorwaarden voldoet maar wel gezond is en een hoge LNC-waarde (landschap, natuur en cultureelerfgoed) heeft, kan eventueel toch vergunning worden verleend. Er dient dan door een waterveiligheidstoets te worden aangetoond dat de beplanting toch veilig is en/of er dienen maatregelen te worden getroffen die de veiligheid van de waterkering garanderen en dat de beplanting beheerbaar is.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning voor herplant verlenen, mits;
Voor drie bijzondere situaties gelden aparte beleidsregels.
Als er voorlanden aanwezig zijn en er is geen begraven (steen)bekleding aanwezig onder het voorland dan dient er tussen de buitenteen van de waterkering en de bomen een boomvrije strook van minimaal 10 meter in acht te worden genomen. Als er onder het voorland een begraven steenbekleding aanwezig is (zie figuur 1), zijn er op het gedeelte van het voorland dat binnen de kernzone is gelegen geen bomen toegestaan. Indien er sprake is van een lage (struik)beplanting (niet hoger dan 2,5 meter) dan dient de beplantingsvrije strook een minimale breedte te hebben van 5 meter. Als er onder het voorland een begraven steenbekleding aanwezig is, moet het verschil tussen de steenbekleding en het maaiveld groter zijn dan 1 meter.
Figuur 1: Schematisatie kering met voorland en begraven steenbekleding
Als er geen herkenbaar benedenbeloop met kwelsloot aanwezig is en er is tevens geen drainage aanwezig dan dient een strook met een minimale breedte van 15 meter uit de binnenteen vrij te blijven van bomen. Indien er sprake is van een struikbeplanting met een maximale hoogte van 2,5 meter dient de beplantingsvrije strook een minimale breedte te hebben van 5 meter.
Bij gemalen en sluizen is de waterkering in de regel breder dan het standaardprofiel. Een strook van 10 meter uit de binnenteen van de tuimeldijk dient vrij te blijven van bomen. In geval van struikbeplanting is de strookbreedte 5 meter. Een tuimeldijk is een dijk op een dijklichaam, zie Figuur 2. Indien bomen in geval van windworp de toegang tot de dijk belemmeren, worden deze niet toegestaan. In geval er geen tuimelijkdijk aanwezig is, zal een afweging op basis van ligging van de buitenkruinlijn gemaakt worden.
Figuur 2: Schematisatie tuimeldijk
7.3. Beleidsregels regionale waterkeringen
Op grond van artikel 3.50 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting te plaatsen, behouden of verwijderen in de kernzone van regionale keringen.
De beleidsregels voor beplantingen op, in of nabij regionale waterkeringen – kernzone zijn gelijk aan de beleidsregels zoals hierboven geformuleerd voor de primaire waterkeringen – kernzone.
Op grond van artikel 3.50 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting te plaatsen, behouden of verwijderen in de beschermingszone van regionale keringen.
De beleidsregels voor beplantingen op, in of nabij regionale waterkeringen – beschermingszone zijn gelijk aan de beleidsregels zoals hierboven geformuleerd voor de primaire waterkeringen – binnenbeschermingszone.
7.4. Beleidsregels regionale waterkeringen buitendijks
Op grond van artikel 3.50 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting te plaatsen, behouden of verwijderen in de kernzone van de regionale keringen buitendijks.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning voor het plaatsen, behouden of verwijderen van beplanting afgeven. Het waterschap gedoogt bestaande beplanting waarvoor geen omgevingsvergunning is verkregen, zolang het waterveiligheidsbelang niet in het geding is. Daarbij geldt dat;
het waterschap tijdens de 6-jaarlijkse toetsing regionale keringen periodiek bepaalt of beplanting een negatieve invloed heeft op de overstromingskans. Wanneer de overstromingskansanalyse een negatieve invloed van de beplanting op de veiligheid van de kering aantoont, moeten maatregelen getroffen worden om de waterkering te versterken. De afweging welke maatregelen getroffen worden, is afhankelijk van de aanwezigheid en haalbaarheid van alternatieven. Dit verschilt per situatie. De intrekking van de gedoogconstructie voor de betrokken beplanting hoort tot een van de mogelijkheden waarmee het waterschap de waterkerende functie van de waterkering kan behouden; en
7.5. Beleidsregels overige waterkeringen
Voor het plaatsen, behouden of verwijderen van beplanting op, in of nabij overige waterkeringen zijn geen beleidsregels vastgesteld, met uitzondering van de overige waterkering Knardijk. Daarvoor zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf 7.6.
7.6. Beleidsregels overige waterkering Knardijk
Beplanting kan effect hebben op de stabiliteit van het kernprofiel tijdens de levensduur van de beplantingen en daarna. Voor het plaatsen, behouden en verwijderen van beplanting is daarom een omgevingsvergunning nodig (artikel 3.50 van de Waterschapsverordening). De vergunningplicht is van toepassing voor beplanting in de kernzone van de Knardijk.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning voor het plaatsen, behouden of verwijderen van beplanting verlenen, mits;
In aanvulling op bovenstaande voorwaarde geldt voor bomen in de overhoogte van de Knardijk dat;
Als het waterschap een omgevingsvergunning verleent, worden daarin de volgende randvoorwaarden opgenomen;
beplanting die, bijvoorbeeld vanwege de omvang of staat, een risico vormt voor het kernprofiel moet op aangeven van het waterschap door de vergunninghouder worden verwijderd. Ook dient de vergunninghouder de waterkering ter plaatse te herstellen. Hierbij moeten wortels binnen een straal van 2 meter vanuit de stam tot een diepte van 1 meter worden verwijderd; en
Voor zover activiteiten op grond van de Waterschapsverordening verboden zijn zonder omgevingsvergunning en waarop de beleidsregels uit de hoofdstukken 4 tot en met 7 niet van toepassing zijn, gelden de beleidsregels voor overige activiteiten. Bij beoordeling van een omgevingsvergunning voor overige activiteiten geldt dat de kerntaken van het waterschap altijd voorrang hebben op het medegebruik. Waterveiligheid heeft altijd de hoogste prioriteit.
8.2. Beleidsregels primaire waterkeringen
Volgens artikel 3.56, 3,66, 3.96 en 3.97 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten te houden op andere dan daartoe aangewezen plaatsen in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Uit deze artikelen volgt dat medegebruik in de kernzone, de binnenbeschermingszone en de buitenbeschermingszone van een primaire waterkering niet is toegestaan zonder een omgevingsvergunning.
Dat betekent dat een omgevingsvergunning in elk geval nodig is voor de volgende activiteiten;
Waterschap Zuiderzeeland kan een omgevingsvergunning voor medegebruik verlenen, mits;
de waterkering op eenvoudige wijze bereikbaar blijft en de doelmatige uitvoering van reguliere inspecties, monitoring en onderhoud aan de waterkering mogelijk blijft. Indien onderhoudswerkzaamheden en/of dijkversterkingen worden uitgevoerd, is de kans reëel dat het medegebruik tijdelijk niet mogelijk is; en
medegebruik voor het waterschap kostenneutraal is; medegebruik mag niet leiden tot substantieel hogere kosten voor beheer en onderhoud van de waterkering dan vanuit waterveiligheidsbelang nodig is. Als dit wel het geval is, zal het waterschap met de initiatiefnemer afspraken maken over de meerkosten. Voor de uitvoeringskosten of bij schade door medegebruik geldt het veroorzakersprincipe: de initiatiefnemer betaalt. Medefinanciering is alleen bespreekbaar wanneer het waterschap hierbij aantoonbaar belang heeft.
Het beheer en onderhoud van eventuele medegebruiksvoorzieningen ligt in handen van de eigenaar/ vergunninghouder. Als het waterschap een omgevingsvergunning verleent, maakt het waterschap hierover afspraken met de vergunninghouder.
8.3. Beleidsregels regionale waterkeringen
Volgens artikel 3.56, 3.96 en 3.97 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten te houden op andere dan daartoe aangewezen plaatsen in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Uit deze artikelen volgt dat medegebruik in de kernzone en de beschermingszone van een regionale waterkering niet is toegestaan zonder een omgevingsvergunning.
De voorwaarden voor overige activiteiten op, in of nabij regionale waterkeringen zijn gelijk aan de voorwaarden zoals hierboven geformuleerd voor primaire waterkeringen.
8.4. Beleidsregels regionale waterkeringen buitendijks
Volgens artikel 3.56, 3.96 en 3.97 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten te houden op andere dan daartoe aangewezen plaatsen in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Uit deze artikelen volgt dat medegebruik in de kernzone en het beschermd buitendijks gebied van een regionale waterkering buitendijks niet is toegestaan zonder een omgevingsvergunning.
De voorwaarden voor overige activiteiten op, in of nabij regionale waterkeringen buitendijks zijn gelijk aan de voorwaarden zoals hierboven geformuleerd voor primaire waterkeringen.
8.5. Beleidsregels overige waterkeringen
Volgens artikel 3.56, 3.96 en 3.97 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten te houden op andere dan daartoe aangewezen plaatsen in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Uit deze artikelen volgt dat medegebruik in de kernzone en de beschermingszone van een overige waterkering niet is toegestaan zonder een omgevingsvergunning.
De voorwaarden voor overige activiteiten op, in of nabij overige waterkeringen zijn gelijk aan de voorwaarden zoals hierboven geformuleerd voor primaire waterkeringen, met uitzondering van de overige waterkering Knardijk. Daarvoor zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf 8.6.
8.6. Beleidsregels overige waterkering Knardijk
Volgens artikel 3.56, 3.96 en 3.97 van de Waterschapsverordening is het verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten te houden op andere dan daartoe aangewezen plaatsen in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering. Uit deze artikelen volgt dat medegebruik in de kernzone en de beschermingszone van de overige waterkering Knardijk niet is toegestaan zonder een omgevingsvergunning.
De voorwaarden voor overige activiteiten op, in of nabij de overige waterkering Knardijk zijn gelijk aan de voorwaarden zoals hierboven geformuleerd voor primaire waterkeringen. Aanvullende voorwaarden zijn uitgewerkt in hoofdstuk 9 ‘Aanvullende beleidsregels Knardijk’.
9. Aanvullende regels Knardijk
9.1.1. Behoud profiel met bekleding
De Knardijk heeft een vertragende functie bij het falen van de primaire waterkering aan de rand van de Flevopolder, zodat er voldoende tijd is (5 dagen) om het niet overstroomde compartiment te evacueren. Het handhaven van het huidige grondlichaam van de Knardijk met de bijbehorende bekleding is de meest eenvoudige oplossing om deze functie te borgen. Het waterschap verkiest deze oplossing boven het werken met ingewikkelde kunstwerken en constructies en legt daarom vanuit het aspect van waterveiligheid vast welk profiel (grondlichaam) en bekleding vereist is, om bovengenoemde functie te kunnen vervullen. Het waterschap sluit hiermee het plaatsen van kunstwerken en constructies op de Knardijk op voorhand niet uit, mits er zwaarwegende argumenten zijn om deze oplossing te verkiezen boven een grondlichaam met bekleding en met deze alternatieve oplossing voldoende tijd voor evacuatie is geborgd.
Waterschap Zuiderzeeland heeft voor de Knardijk in beeld laten brengen aan welke eisen de Knardijk moet voldoen, zodat deze stand houdt gedurende de evacuatie van het niet overstroomde deel van de Flevopolder. Hierbij is uitgegaan van een pessimistische uitvoering van de evacuatie (de evacuatie duurt lang) en het slechtst denkbare overstromingsscenario (er staat snel een hoge waterstand tegen de Knardijk).
Berekend is dat het maximaal 4 dagen duurt om alle mensen uit de niet overstroomde polder te evacueren via de bestaande infrastructuur. De Knardijk zelf is geen evacuatieroute. Bij het bepalen van de benodigde periode voor evacuatie is rekening gehouden met de verwachte groei van Almere tot 2100. Evacuatie van Zuidelijk Flevoland
Figuur 3: Schematisatie profiel Knardijk met beschermingszone
duurt vanwege het grotere inwoneraantal het langst. Daarnaast is 1 extra dag gereserveerd voor het voorbereiden van het evacuatieproces en om rekening te houden met een periode van hoge windsnelheden waarin evacuatie niet mogelijk is. Dit betekent dat de Knardijk minimaal 5 dagen stand moet houden, nadat de primaire kering aan de rand van de polder heeft gefaald.
Vervolgens is bepaald wat de maximale waterstand tegen de Knardijk is gedurende de evacuatieperiode van 5 dagen. Om de in die periode optredende waterstanden te kunnen keren, moet de Knardijk een minimale hoogte hebben van -0,4 meter NAP. Dit is circa 3,5 meter boven maaiveld. Hierbij is rekening gehouden met golfwerking en is een robuustheidstoeslag van 0,50 meter aangehouden. De minimaal benodigde breedte van de Knardijk wordt bepaald door piping (water dat zich een weg vindt onder de dijk door). De vereiste breedte om piping te voorkomen, is kleiner of ongeveer even groot als de aanwezige breedte. Daarom moet de huidige breedte worden behouden.
In figuur 3 is het profiel van de Knardijk weergegeven zoals dat in de huidige situatie op het grootste deel van de dijk aanwezig is. Het onderste rode deel in figuur 3, het kernprofiel, is het minimaal te handhaven (en te onderhouden) profiel op basis van de benodigde tijd voor evacuatie. Het huidige profiel is groter dan het profiel dat nodig is om 5 dagen het water tegen te houden. Boven het kernprofiel bevindt zich dan ook ”overhoogte” (A en B), dat is extra vertragende werking t.o.v. hetgeen vereist is vanuit de nieuwe functie van de dijk. Overhoogte B (groen gekleurd) betreft de overhoogte die aangelegd is als gevolg van de ecologische herprofilering van de Knardijk. Deze overhoogte beschermt het waterschap, vanuit het perspectief van waterveiligheid, niet. Overhoogte A (geel gekleurd) beschermt het waterschap voorlopig nog wel. In elk geval totdat de versterkingsopgave van de primaire keringen is afgerond. Paragraaf 9.3.1.1 beschrijft welke aanpassingen aan het profiel van de overhoogte A en B zijn toegestaan.
Na doorbraak van de primaire kering komt er, afhankelijk van de doorbraaklocaties, mogelijk al na 1 dag water tegen de Knardijk te staan. Gedurende de periode die nodig is voor evacuatie (maximaal 5 dagen), kan de Knardijk aangevallen worden door golven. De huidige bekleding (gras en klei) op het talud van de Knardijk is sterk genoeg om directe golfaanval door zogenaamde golfklappen te kunnen weerstaan gedurende de periode van evacuatie. Wanneer de huidige grasbekleding en de onderliggende klei/kleileemlaag niet behouden blijven, omdat bijvoorbeeld een taludverflauwing wordt toegepast, moeten de grasbekleding en de onderliggende klei/kleileemlaag bij het kernprofiel (rode stippellijn in figuur 3) worden teruggeplaatst. De dikte van deze teruggeplaatste laag moet in de golfklapzone (tot hoogte -0,4 m NAP) minimaal 0,25 m zijn. In Zuidelijk Flevoland ter hoogte van de Oostvaardersplassen moet deze laag minimaal 0,5 m dik zijn, omdat dit stuk mogelijk zwaarder belast wordt door golfklappen. Ter hoogte van het kernprofiel is een gesloten (erosiebestendige) grasmat met bijbehorend maaibeheer vereist.
Om de overhoogte (het grondlichaam boven -0,4 m NAP) doelmatig te kunnen beheren en om schade aan het onderliggende kernprofiel te voorkomen is op de overhoogte (zowel A als B) een vorm van bekleding (gras of steenbekleding) met bijbehorend (maai)beheer nodig.
De Knardijk is een zogenaamde “overige waterkering”. Dat betekent dat het waterschap zelf een norm vast kan stellen voor de Knardijk. Het waterschap kiest voor een instandhoudingsnorm voor het kernprofiel en de overhoogte A van de Knardijk. Dat is iets anders dan een norm die aangeeft welke maatgevende omstandigheden de dijk moet kunnen keren of bij welke omstandigheden de dijk mag falen. Wanneer het waterschap onderliggende beleidsregel bij nieuwe ontwikkelingen en activiteiten op de Knardijk toepast, is het uitgangspunt dat het kernprofiel en overhoogte A behouden blijven. Het waterschap hoeft dan nu en in de toekomst geen versterkingsmaatregelen te nemen.
9.2.1. Relatie met de waterschapsverordening en legger
In de Waterschapsverordening is aangegeven welke handelingen in een bepaalde zone van de Knardijk vergunningplichtig zijn. De ligging van de zones (kernzone en beschermingszone) is opgenomen in bijlage II van de Waterschapsverordening. In deze beleidsregel is uitgewerkt onder welke voorwaarden het waterschap een omgevingsvergunning verleent voor activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van de Waterschapsverordening. In de legger Knardijk zijn de breedtes en ligging van de kernzone en beschermingszone aangegeven (bovenaanzicht). Voor het huidige profiel is in dwarsdoorsnedes aangegeven welk deel minimaal behouden moet blijven: het kernprofiel. Ook is de overhoogte B en indien aanwezig overhoogte A weergegeven (zie figuur 3). Tot slot zijn in de legger de onderhoudsplichtigen aangewezen.
De kernzone van de Knardijk sluit aan op de legger watergangen. Dit betekent dat wanneer de watergang naast de Knardijk opgenomen is in de legger watergangen, de kernzone van de Knardijk begint/ eindigt bij de insteek van deze watergang (aan de kant van de dijk). Wanneer de watergang niet opgenomen is in de legger watergangen, dan wordt deze watergang onderdeel van de kernzone van de legger Knardijk.
9.2.2. Relatie met cultuurhistorie, natuur en landschap
Initiatieven voor handelingen op, in, boven, over of onder de Knardijk toetst het waterschap aan het beleid voor de Knardijk. Daarnaast toetsen de provincie en de gemeenten Lelystad en Zeewolde initiatieven aan de bestaande beleidskaders op het gebied van ruimtelijke ordening, cultuurhistorie, natuur en landschap. Mogelijk zijn naast een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, ook nog andere (omgevings)vergunningen vereist.
9.3.1. Aanpassing van het profiel
Omdat er een instandhoudingsnorm is voor het kernprofiel en overhoogte A, is deze activiteit altijd vergunningplichtig (artikelen 3.13 en 3.32 van de Waterschapsverordening).
Het waterschap wil het huidige profiel van de Knardijk zo veel mogelijk behouden vanwege de cultuurhistorische waarde. Om medegebruik ruimtelijk in te passen, kan een incidentele aanpassing van het profiel nodig zijn.
Uitzondering op de wens tot behoud van het huidige profiel vormt overhoogte B, die als gevolg van de ecologische herprofilering in de jaren’90 bovenop de oorspronkelijke aanleghoogte is aangelegd. Deze overhoogte is op een aantal plekken niet aanwezig, zoals bij de wegkruisingen (A6, Gooise Weg en Vogelweg) en bij de klinkerwegen aan de uitersten van de dijk.
Het waterschap wil de kruin van de Knardijk niet verder verlagen dan overhoogte B of tot onder de oorspronkelijke aanleghoogte.
Het waterschap kan een omgevingsvergunning verlenen voor activiteiten die leiden tot aanpassing van het profiel van de Knardijk, mits de vergunningaanvraag voldoet aan de volgende voorwaarden;
Beschermingszone: aan een waterstaatswerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens de Waterschapsverordening van toepassing zijn. De exacte ligging van de beschermingszones staat in bijlage II van de Waterschapsverordening. De beschermingszones worden overgenomen in de legger.
Binnenbeschermingszone: strook met een breedte van 20 meter, direct aan weerszijden van de kernzone van een primaire waterkering, waarop krachtens de Waterschapsverordening voorschriften van toepassing zijn. De exacte ligging van de binnenbeschermingszones staat in bijlage II van de Waterschapsverordening.
Buitenbeschermingszone: strook direct aan weerszijden van, en aansluitend op de binnenbeschermingszone van een primaire waterkering met een breedte van 80 meter binnendijks en 155 meter buitendijks, waarop krachtens de Waterschapsverordening voorschriften van toepassing zijn. De exacte ligging van de buitenbeschermingszones staat in bijlage II van de Waterschapsverordening.
Dubbelregime: Daar waar de kernzone van een regionale waterkering buitendijks en het beschermd buitendijks gebied elkaar overlappen is sprake van het dubbelregime. Binnen het dubbelregime liggen twee werkingsgebieden, namelijk de kernzone van de regionale waterkering buitendijks en beschermd buitendijks gebied. Voor het kernprofiel geldt het regime voor de kernzone. Voor de aangeheelde grond, bovenop het kernprofiel, geldt het regime voor beschermd buitendijks gebied.
Kernprofiel: het profiel in dwarsdoorsnede van de regionale waterkering, regionale waterkering buitendijk of overige waterkering zoals vastgesteld in de legger. Het kernprofiel bestaat uit het buitentalud, de kruin en het binnentalud, en indien aanwezig de kwelsloot. Het kernprofiel van een regionale kering buitendijks omvat ook een 10 meter brede zone buitendijks.
Primaire waterkering: waterkering die bescherming biedt tegen overstroming door water van een oppervlaktewaterlichaam, waarvan de waterstand direct invloed ondergaat van hoge stormvloed, hoog opperwater van een van de grote rivieren, hoog water van het IJsselmeer of het Markermeer, of een combinatie daarvan, en van het Volkerak-Zoommeer, het Grevelingenmeer, het getijdedeel van de Hollandsche IJssel en de Veluwerandmeren. De landkaarten waarop de primaire waterkeringen staan aangeduid, staan in bijlage II van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Tijdelijke bouwwerken: bouwwerken met een niet-permanent karakter en zonder paalfundering. In de omgevingsvergunning wordt de tijdelijkheid nader gedefinieerd, waarbij de randvoorwaarden voortkomen uit de noodzaak tot werkzaamheden van het waterschap aan de waterkering. Uitgangspunt van tijdelijke bebouwing is een termijn van maximaal 5 jaar.
Bijlage 2 – Kenmerkende elementen van een waterkering
Waterschap Zuiderzeeland heeft in de Waterschapsverordening (voorheen ‘de Keur’) regels opgenomen die zijn gericht op de volgende doelen (zie artikel 1.3 Waterschapsverordening):
In de Waterschapsverordening kan het waterschap verschillende soorten regels opnemen die binnen zijn beheergebied gelden:
Regels voor vergunningvrije activiteiten (bijvoorbeeld het plaatsen, hebben of verwijderen van oeverconstructies, artikel 3.40 Waterschapsverordening). Deze activiteiten mogen zonder vergunning uitgevoerd worden als ze aan bepaalde uitvoeringsregels voldoen. Er moet bovendien vaak eerst een melding gedaan worden en/of informatie aangeleverd worden bij het waterschap.
Regels met een verbod om zonder vergunning een activiteit te verrichten (bijvoorbeeld het plaatsen, behouden of verwijderen van beplanting of bomen, artikel 3.50 Waterschapsverordening). Om aanvragen in behandeling te nemen moet een aanvraag voldoen aan de aanvraagvereisten. Bij een volledige aanvraag beoordeelt het waterschap de vergunning aan de hand van de beoordelingsregels die ook zijn opgenomen in de Waterschapsverordening. Met beleidsregels kan het waterschap helderheid bieden over hoe zij deze voorschriften uitlegt, feiten vaststelt en belangen afweegt.
Met name de regels uit Hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) en Hoofdstuk 3 (Activiteiten met betrekking tot waterstaatswerken) van de Waterschapsverordening zijn van belang voor waterkeringen.
Hoofdstuk 1 – Waterschapsverordening (Algemene bepalingen)
Aanwijzing Beperkingengebieden en werkingsgebieden
Uit dit hoofdstuk volgt de aanwijzing en begrenzing van specifieke gebieden waar de regels uit de verordening gelden, dit heet werkingsgebieden. Voor waterkeringen zijn er gebieden aangewezen waar beperkingen gelden voor activiteiten (beperkingengebieden). Binnen dit beperkingengebied kunnen de regels afhankelijk van de locatie verschillen omdat de waterkering op sommige plekken beter beschermd moet worden om het water goed te kunnen blijven keren. Daarom is het beperkingengebied verdeeld in verschillende werkingsgebieden (bijvoorbeeld primaire waterkering – kernzone en primaire waterkering – binnenbeschermingszone).
Schema uitwerking beperkingengebied waterstaatswerken
Hieronder is een schematische weergave van het beperkingengebied waterstaatswerken voor de waterveiligheid weergeven. Voor elk type waterkering (primair, regionaal of overig) is er een werkingsgebied aangewezen waar specifieke regels voor gelden (zoals kernzone, beschermingszone, etc.).
|
Uitwerking beperkingengebied waterkeringen in artikel 1.6 en 1.7 van de Waterschapsverordening |
||
|
||
|
||
|
Regionale waterkering buitendijks – beschermd buitendijks gebied |
||
Het eerste hoofdstuk bevat ook een algemene zorgplicht. Dit is een basisregel die altijd en voor iedereen geldt. Het komt er in het kort op neer dat iedereen een plicht heeft om schade aan waterkeringen en het watersysteem te voorkomen, en indien dat redelijkerwijs gevergd kan worden deze ook te beperken en ongedaan te maken.
Deze zorgplicht geldt ook als er al een vergunning is verleend of een maatwerkvoorschrift is gesteld. Als handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht kan het dagelijks bestuur hierop handhaven.
Algemene beoordelingsregel voor vergunningen
Ten slotte bevat het eerste hoofdstuk een algemene beoordelingsregel voor vergunningen. Vergunningverleners toetsten elke vergunningaanvraag aan deze regel. Deze beoordelingsregel staat in artikel 1.15 van de Waterschapsverordening. Het dagelijks bestuur van Waterschap Zuiderzeeland beoordeeld of de activiteiten verenigbaar zijn met een drietal belangen (lid 1). Met name het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste zijn bij dit beleid over waterkeringen van belang. Desondanks zijn ook de andere twee belangen van toepassing bij de beoordeling van een aanvraag. Daarnaast regelt artikel 1.15 Waterschapsverordening dat het verlenen van een vergunning niet in strijd mag zijn met nationale programma’s en Europeesrechtelijke verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water.
Artikel 1.15 Beoordelingsregel omgevingsvergunning voor wateractiviteiten
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, regionale waterprogramma's, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
c. motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
Hoofdstuk 3 – Waterschapsverordening (Activiteiten met betrekking tot waterstaatswerken)
In hoofdstuk 3 van de Waterschapsverordening (Wsv) worden algemene regels gesteld en zijn vergunningplichten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot waterstaatswerken. In de Beleidsregels Waterkeringen wordt in een beoordelingskader voorzien voor de beoordeling van de volgende vergunningen:
Schema werkingsgebieden vergunningplichten
In de onderstaande tabel wordt schematisch weergeven welke vergunningplicht geldt in welk werkingsgebied. In navolging van de uitwerkingen in artikel 1.6 en 1.7 van de Waterschapsverordening zijn negen werkingsgebieden onderscheiden in de tabel. Voor de type waterkering zijn de volgende afkortingen gebruikt. Pwk staat voor primaire waterkering, Rwk staat voor regionale waterkering, Rwkb staat voor regionale waterkering buitendijks en Owk staat voor overige waterkering.
Naast de algemene beoordelingsregel die in artikel 1.15 van de Waterschapsverordening is opgenomen, kent de Waterschapsverordening voor waterstaatswerken een specifieke beoordelingsregel in artikel 3.9. Deze beoordelingsregel ziet op het niet verlenen van een omgevingsvergunning gedurende het stormseizoen voor activiteiten die plaatsvinden in de kernzone van de primaire waterkering, de regionale waterkering en de regionale waterkering buitendijks. Hierop zijn een tweetal uitzonderingen gemaakt.
Artikel 3.9 Beoordelingsregel omgevingsvergunning waterstaatswerken
Een omgevingsvergunning voor een activiteit in de kernzone van een primaire waterkering, regionale waterkering of regionale waterkering buitendijks, waarbij werkzaamheden worden uitgevoerd in de periode van 15 oktober tot 15 maart, wordt niet verleend, tenzij:
Verschil beperkingengebieden, onderhoudslegger en technische legger
Het waterschap heeft regels en gegevens over waterkeringen in verschillende documenten staan: (1) aangewezen beperkingengebieden in de Waterschapsverordening; en de legger, welke bestaat uit twee onderdelen: (2) een onderhoudslegger en (3) een technische legger. Niet al deze documenten bevatten regels die verplichtingen in het leven roepen voor derden. Hieronder zijn de verschillende documenten nader uitgelegd:
Een beperkingengebied is een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. In de Waterschapsverordening is een beperkingengebied voor waterstaatswerken aangewezen, hier vallen waterkeringen ook onder. In het beperkingengebied waterstaatswerken gelden bepaalde regels als een activiteit gevolgen heeft of kan hebben voor een waterkering (denk bijvoorbeeld aan bouwen op de waterkering). Het beperkingengebied waterstaatswerken is vindbaar op www.omgevingswet.overheid.nl (via de vergunningcheck en regels op de kaart). Binnen dit beperkingengebied kunnen de regels afhankelijk van de locatie verschillen omdat de waterkering op sommige plekken beter beschermd moet worden om het water goed te kunnen blijven keren.
Zo geldt er een vergunningplicht voor het brengen en houden van voorwerpen in de kernzone van een regionale waterkering, terwijl daar geen vergunningplicht voor geldt in de kernzone van een regionale waterkering buitendijks.
De regels die binnen deze beperkingengebieden gelden werken richting derden en worden in dit beleid nader uitgewerkt
De onderhoudslegger maakt deel uit van de legger van Waterschap Zuiderzeeland en regelt samen met de onderhoudsverordening de aanwijzing van degene die onderhoudsplichtig is en wat die onderhoudsverplichting inhoudt. De grondslag voor de onderhoudslegger en de onderhoudsverordening is artikel 78, tweede lid van de Waterschapswet. Beiden roepen verplichtingen in het leven voor derden.
Zo kan bijvoorbeeld aan een perceeleigenaar de verplichting worden opgelegd om schadelijk wild te bestrijden, geringe beschadigingen te herstellen en begroeiingen en materialen in stand te houden die dienstig zijn aan de waterkering op diens perceel.
De technische legger is onderdeel van de legger van Waterschap Zuiderzeeland en beschrijft waaraan waterstaatswerken moeten voldoen. Zo zijn regels gesteld over ligging, vorm, afmeting en constructie. De grondslag van de legger is artikel 2.39 van de Omgevingswet. Deze legger roept geen verplichtingen in het leven voor derden. Het dagelijks bestuur gebruikt deze legger wel voor de toetsing van vergunningen en eigen projecten of werkzaamheden.
Een legger bevatte onder de Waterwet (voor 1-1-2024) beschermingszones voor waterstaatswerken. Onder de Omgevingswet is dat veranderd, de beschermingszone is onderdeel geworden van het beperkingengebied in de Waterschapsverordening.
Bijlage 4 – Eisen vergunningaanvraag kabels en leidingen
Een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van kabels en leidingen op, in of nabij waterkeringen dient vergezeld te gaan van een uitgebreide beschrijving van het werk en tekeningen.
Hierin moet in ieder geval aangegeven worden:
Primaire, regionale en overige waterkeringen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2025-28528.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.