Treasurystatuut 2025

De verenigde vergadering van Schieland en de Krimpenerwaard;

 

gelet op artikel 108 en 109 van de Waterschapswet en artikel 20 van de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2025;

 

op voordracht van het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard van 20 mei 2025

 

B E S L U I T :

 

  • 1.

    Het Treasurystatuut 2025 vast te stellen.

  • 2.

    Het statuut met terugwerkende kracht in werking te laten treden op 1 januari 2025.

  • 3.

    Het Treasurystatuut 2019 gelijktijdig in te trekken.

1. INLEIDING

1.1 Aanleiding

In de Wet FIDO zijn kaders gesteld voor een verantwoorde, prudente en professionele inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie van decentrale overheden. De belangrijkste doelstellingen van deze wet zijn: het bevorderen van een solide financiering en kredietwaardigheid van de decentrale overheden, het beheersen van renterisico's en het vergroten van transparantie.

De bepalingen in de Wet FIDO zijn uitgewerkt in twee regelingen:

  • a.

    In de Regeling uitzetting derivaten decentrale overheden (RUDDO) zijn de normen met betrekking tot kredietwaardigheid vastgelegd, waaraan de partijen waar de decentrale overheden middelen willen uitzetten moeten voldoen.

  • b.

    In de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden zijn regels opgenomen ter uitvoering van de verplichting dat de middelen die decentrale overheden (tijdelijk) niet nodig hebben voor de uitoefening van hun taken en verantwoordelijkheden in de schatkist van het rijk moeten storten.

Het treasurybeleid kent een tweetal kwalitatieve randvoorwaarden waaruit volgt dat zogenaamd bankieren door decentrale overheden, niet is toegestaan. De eerste voorwaarde is dat het aangaan van leningen en het uitzetten van middelen evenals het verlenen van garanties, alleen zijn toegestaan voor de uitoefening van de publieke taak. De tweede houdt in dat uitzettingen en het gebruik van derivaten een prudent karakter dienen te hebben en niet gericht behoren te zijn op het genereren van inkomen door het lopen van risico's.

 

In verband met de vereisten van de Wet FIDO zijn er twee instrumenten op het gebied van treasury; allereerst het onderhavige treasurystatuut. In het statuut worden de kaders van de treasuryfunctie aangegeven. Het treasurystatuut maakt een objectieve en transparante verantwoording vooraf en achteraf mogelijk. Naast het treasurystatuut wordt jaarlijks een treasuryparagraaf in zowel de begroting, meerjarenraming als in de jaarrekening opgenomen. Hierin worden de specifieke beleidsvoornemens en de uitvoering van het beleid op het gebied van treasury opgenomen.

 

Met de actualisatie en vaststelling van dit treasurystatuut wordt voldaan aan de verplichting zoals die is opgenomen in artikel 108 en 109 van de Waterschapswet.

 

1.2 Leeswijzer

In het treasurystatuut worden allereerst het begrippenkader en de doelstellingen van de treasuryfunctie van HHSK geformuleerd. Het treasurybeleid wordt vervolgens beschreven voor de onderdelen voorbereiding en vaststelling. Deze worden vervolgens nader uitgewerkt in de organisatie en procedures waarbij rekening gehouden wordt met de voorgeschreven limieten.

 

Daarna komen de administratieve organisatie en interne controle van de treasuryfunctie aan de orde.

2. BEGRIPPENKADER

Ten behoeve van de leesbaarheid van het treasurystatuut is geprobeerd om het aantal technische termen in dit statuut te beperken. Om misverstanden te voorkomen over de gehanteerde begrippen is het gebruik van jargon onafwendbaar.

Daarom worden specifieke begrippen in de onderstaande begrippenlijst verklaard.

 

Derivaten: Derivaten zijn afgeleide beleggingsproducten: financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico's te sturen en financieringskosten te minimaliseren.

 

Drempelbedrag: het maximale bedrag aan overtollige middelen dat een decentrale overheid niet hoeft aan te houden bij ‘s Rijksschatkist (artikel 7.2 van de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden).

 

DSL-rente: de dagelijks door een door de minister van Financiën aangewezen elektronisch handelsplatform vastgestelde rentes voor Nederlandse staatsleningen (Dutch State Loans) van verschillende looptijden.

 

DTC-rente: de dagelijks door een door de minister van Financiën aangewezen elektronisch handelsplatform vastgestelde rentes voor Nederlands schatkistpapier (Dutch Treasury Certificates) van verschillende looptijden.

 

Kasgeldlening: een kortlopende lening, meestal voor 1, 2, 3 en maximaal 12 maanden waarbij de rente gedurende de looptijd vast staat.

 

Kasgeldlimiet: Het gaat bij de kasgeldlimiet om het beperken van de renterisico's op de korte schuld (netto vlottende schuld). Daarom wordt de kasgeldlimiet gekoppeld aan het begrotingstotaal (= de totale lasten van de begroting), zoals vastgesteld in artikel 2.1c van de Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden.

 

Kredietrisico: De risico's op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij.

 

Limiet: Een type richtlijn die de (uiterste) grens aangeeft van een bepaalde handeling, verantwoordelijkheid en/of bevoegdheid.

 

Liquiditeitsprognose: Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en tijdseenheid.

 

Marktrisico: Het gevaar van schommelingen in de waarde van financiële activa door marktbewegingen.

 

Netto vlottende schuld: Het gezamenlijke bedrag van:

  • De opgenomen gelden met een oorspronkelijk rentetypische looptijd korter dan 1 jaar;

  • De schuld in rekening courant;

  • De voor een termijn van korter dan 1 jaar ter bewaking in kas gestorte gelden van derden en;

  • Overige geldleningen die geen onderdeel uitmaken van de van de vaste schuld, verminderd met het gezamenlijk bedrag van contante gelden, tegoeden in rekening-courant, en de overige uitstaande gelden met een rentetypische looptijd van korter dan 1 jaar.

Rekening-courant: de rekening-courant bij het Ministerie van Financiën ten behoeve van schatkistbankieren.

 

Rekening-courant NWB: de rekening- courant bij NWB ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening.

 

Renterisico: Het gevaar van onvoorziene veranderingen van de (financiële) resultaten van het waterschap door rentewijzigingen.

 

Renterisiconorm: De renterisiconorm heeft als doel om het renterisico bij herfinanciering van vaste schuld (looptijd van 1 jaar of langer) te beheersen. Hoe meer de aflossing van de schuld in de tijd wordt gespreid, hoe minder de begroting gevoelig wordt voor renteschokken bij herfinanciering. De renterisiconorm houdt voor HHSK in dat de jaarlijks verplichte aflossingen en renteherzieningen niet meer mogen bedragen dan 30% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar, conform de 'Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden'.

 

Rentetypische looptijd: Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de leningsvoorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare constante rentevergoeding (rentevaste periode).

 

Rentegevoeligheidsanalyse: Een analyse van de gevoeligheid van de begroting van een waterschap voor rentewijzigingen.

 

Rentevisie: Toekomstverwachting over de renteontwikkeling.

 

Richtlijn: Een bindend voorschrift c.q. aanwijzing met betrekking tot een te volgen handelswijze.

 

Risicoprofiel: Dit geeft aan in welke mate een organisatie risico's loopt.

 

Schatkistbankieren: het aanhouden van alle overtollige middelen in de schatkist van het Ministerie van Financiën.

 

Toezichthouder: De provincie die op grond van het reglement van het waterschap is belast met het toezicht op de begroting.

 

Treasurybeheer: Dit omvat de daadwerkelijke uitvoering van het treasurybeleid, binnen de kaders van het treasurystatuut. De uitvoering vindt zijn weerslag in specifieke beleidsplannen.

 

Treasurybeleid: Dit beleid bestaat uit de uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en voorwaarden, de organisatorische en administratieve kaders, de informatievoorziening en de administratieve organisatie ter uitvoering van de treasuryfunctie.

 

Treasuryfunctie: Alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico's.

 

Treasuryparagraaf: Deze is in de programmabegroting en in de jaarrekening opgenomen waarbij het geplande c.q. gerealiseerde treasurybeheer weergegeven wordt.

 

Treasurystatuut: Het document waarin het treasurybeleid is vastgelegd.

 

Trekkingsrecht: het recht van een derde partij om op eerste afroep te kunnen beschikken over een maximaal overeengekomen bedrag van een openbaar lichaam die middelen in rekening-courant bij ’s Rijks schatkist aanhoudt.

 

Uitgezonderde middelen: middelen die niet verplicht in ’s Rijksschatkist behoeven te worden aangehouden.

 

Uitzetting: Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen.

Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van een jaar of langer.

 

Vaste schuld: Het gezamenlijk bedrag van de schuld uit hoofde van de geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van 1 jaar of langer, en de voor een termijn van 1 jaar of langer ontvangen waarborgsommen.

 

Vermogenswaarde: Het geheel van de in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen aan goederen en vorderingen.

 

Zero-balancing: de aanzuivering dan wel de afroming van de tussenrekening ten laste dan wel ten gunste van de rekening- courant.

3. DOEL TREASURYSTATUUT

3.1 Doel

Het treasurystatuut (hierna: statuut) heeft tot doel een formeel kader te scheppen waar binnen de financiering- en beleggingsactiviteiten van HHSK dienen plaats te vinden. In het statuut moeten de vier elementen ‘sturen’, ‘beheersen’, ‘verantwoorden’ en ‘toezicht houden’ in hun samenhang, duidelijkheid en transparantie garanderen. Het statuut is een "levend" document waarbij regelmatig moet worden gecontroleerd of de inhoud nog aansluit bij de omstandigheden. Bij sterk veranderde omstandigheden kan het statuut aanpassingen vereisen.

 

3.2 Missie HHSK

HHSK werkt vanuit de missie ‘Droge voeten en schoon water’ en spant zich in voor tevreden burgers en bedrijven. HHSK streeft ernaar de publieke taak zo optimaal mogelijk uit te voeren. Het financieel beleid dient hieraan bij te dragen. Meer specifiek zal de financiële continuïteit op korte en lange termijn gewaarborgd dienen te worden.

 

3.3 Treasurybeleid

Het treasurybeleid is erop gericht toegang te verkrijgen en te behouden tot de geld- en kapitaalmarkt om zo, binnen de financiële mogelijkheden van HHSK, een optimaal rendement te verkrijgen dan wel de lasten zo veel mogelijk te reduceren.

Hierbij moeten de risico's zo goed mogelijk worden beheerst. Investeringen, deelnemingen en beleggingen die worden gedaan in het kader van de publieke taak, waarbij bewust risico's worden aanvaard vallen buiten de kaders van dit statuut. In de voorkomende gevallen dient hiervoor steeds afzonderlijke besluitvorming plaats te vinden.

 

Meer gedetailleerd zijn de doelstellingen van het treasurybeleid:

  • het verkrijgen en handhaven van toegang tot de geld- en kapitaalmarkten tegen de scherpst mogelijke condities;

  • het beschermen van de organisatie tegen ongewenste financiële risico's, zoals rente-, koers,- liquiditeits-, en kredietrisico's;

  • het minimaliseren van de interne (verwerkingskosten) en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities;

  • het realiseren van een efficiënte en controleerbare treasuryfunctie binnen de organisatie;

  • het tijdig beschikbaar hebben van betrouwbare informatie aangaande de treasury;

  • het continu voldoen aan de wettelijke vereisten aangaande treasury, zoals onder meer opgenomen in de Wet FIDO en de daarbij behorende uitvoeringsregelingen.

3.4 Risico-attitude

De attitude van HHSK ten aanzien van financiële risico’s is risicomijdend. Dit houdt het volgende in:

  • Het beleid ten aanzien van financieringen is er op gericht een spreiding van toekomstige renterisico's te bevorderen zodat ook in de toekomst kan worden ingespeeld op ontwikkelingen op het gebied van het aantrekken en uitzetten van financieringen. Hiermee wordt voldaan aan de renterisiconorm conform de eisen uit de wet FIDO en wordt voorkomen dat er overmatige blootstelling aan rentebewegingen optreedt.

  • Het beleid ten aanzien van beleggingen is zodanig dat alleen beleggingen kunnen worden gedaan van tijdelijke overschotten en gericht op de beheersing van daaraan verbonden risico's. Dit wordt ingekaderd door de regeling schatkistbankieren.

4. ORGANISATIE TREASURYFUNCTIE

4.1 Treasury-organisatie

De plaats van treasury binnen HHSK is als volgt aan te geven: de vaststelling van het statuut geschiedt door het algemeen bestuur. De wijze waarop de bevoegdheden en verantwoordelijkheden in de ambtelijke organisatie worden geconcretiseerd, zijn opgenomen in het Algemeen bevoegdhedenbesluit en het daarop gebaseerde bevoegdhedenregister.

 

4.2 Procedures

In het kader van dit statuut is een interne procedure ‘Aangaan van leningen’ opgesteld, de bijbehorende bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn opgenomen in het besluit en register genoemd onder paragraaf 4.1 hierboven.

 

4.3 Functiescheiding

Binnen HHSK wordt het 4-ogen principe gehanteerd bij het aangaan van geldleningen en het uitzetten van gelden. Door functiescheiding te creëren tussen besluitvormende, registrerende en controlerende functies wordt misbruik zoveel mogelijk voorkomen. Naast de externe controle aan het einde van het proces vindt ook tijdens de processen controle plaats naar de juistheid en legitimiteit. Het belangrijkste deel van de controle vindt dan ook intern plaats. De invulling hiervan is in artikel 109 Waterschapswet en de bijbehorende HHSK-verordening neergelegd.

5. INSTRUMENTEN EN LIMIETEN

5.1 Instrumenten

Voor het uitvoeren van transacties zijn in het kader van de treasury de volgende instrumenten ter beschikking:

  • Rekening-courant faciliteiten;

  • Kasgeldleningen;

  • Vaste geldleningen;

  • Uitzettingsvormen (zoals deposito's);

  • Specifieke rente-instrumenten (zoals derivaten).

Specifieke rente-instrumenten mogen alleen gebruikt worden voor het beheersen of verminderen van renterisico's. Voor het gebruik van specifieke rente-instrumenten dient vooraf een apart mandaat te zijn afgegeven door het algemeen Bestuur.

 

5.2 Limieten

Bij het gebruik van de bovenstaande instrumenten moet men in ieder geval voldoen aan de onderstaande richtlijnen:

5.2.1 Algemeen

  • Geld wordt uitsluitend uitgezet of opgenomen op basis van een recente liquiditeits-prognose en een actuele rentevisie;

  • De renterisiconorm mag in principe niet worden overschreden;

  • De rentevisie/ rentescenario's van HHSK zijn gebaseerd op informatie opgevraagd bij gezaghebbende instanties;

  • Deelnemingen zijn uitgesloten behalve voor zover deze samenhangen met de uitoefening van de publieke taak;

  • Bij leningen met een looptijd van 1 jaar of langer worden minimaal twee offertes opgevraagd;

  • Het lenen van gelden geschiedt alleen bij geldverstrekkers met minimaal een rating AA.

5.2.2 Opnemen

  • Renterisico's op de netto vlottende schuld zijn begrensd tot de normen van de kasgeldlimiet van de Wet FIDO;

  • Renterisico's op de vaste schuld zijn begrensd tot de normen van de renterisiconorm van de Wet FIDO;

  • Het gebruik van specifieke rente- instrumenten dient te geschieden conform de ministeriële regeling uit hoofde van de Wet FIDO en de daarop gebaseerde regelingen.

Het aantrekken van leningen geschiedt conform de procedure “aangaan van leningen” zoals opgenomen in het bevoegdhedenregister.

 

Op grond van de Wet FIDO dienen middelen van decentrale overheden in principe in de schatkist van het Rijk aangehouden te worden. Deelname van de decentrale overheden aan schatkistbankieren draagt bij aan een lagere EMU-schuld van de collectieve sector (Rijk en decentrale overheden gezamenlijk). Iedere euro die decentrale overheden eventueel aanhouden in de schatkist, vermindert de externe financieringsbehoefte van het Rijk en daarmee de staatschuld.

 

Als alternatief voor het aanhouden van overtollige middelen in de schatkist kunnen decentrale overheden ervoor kiezen deze middelen in te zetten om aan elkaar leningen te verstrekken. Voor dergelijke onderlinge kredietverlening geldt wel de voorwaarde dat er geen (verticale) toezichtrelatie mag bestaan tussen de betrokken decentrale overheden.

 

De belangrijkste uitzondering op het aanhouden van middelen in de schatkist van het Rijk is het drempelbedrag. Het drempelbedrag is bedoeld om te voorkomen dat decentrale overheden tot op de laatste euro hun overtollige middelen bij de schatkist zouden moeten aanhouden. De omvang van het drempelbedrag is gebaseerd op het begrotingstotaal van de decentrale overheid en wordt per kwartaal getoetst. Voor HHSK wordt het drempelbedrag bepaald conform artikel 7.2 van de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden

 

Het drempelbedrag is gedefinieerd als een gemiddeld bedrag per kwartaal. Dat betekent dat het gemiddelde van het bedrag aan overtollige middelen dat een decentrale overheid gedurende het kwartaal elke kalenderdag buiten de schatkist heeft aangehouden niet boven het drempelbedrag mag liggen.

 

5.2.2.1 Uitzetten beneden drempelwaarde Schatkistbankieren

 

Tot aan het drempelbedrag mag HHSK middelen buiten de schatkist aanhouden. Voor het uitzetten van middelen tot het drempelbedrag gelden de volgende richtlijnen:

  • risico's bij uitzettingen worden beperkt doordat minimaal de hoofdsom is gegarandeerd.

  • valutarisico’s op de uitzettingen worden beperkt door alleen gelden uit te zetten in euro’s.

  • HHSK treedt bij het uitzetten van gelden op als een niet-professionele belegger.

  • gelden worden alleen uitgezet bij geldverstrekkers met bij voorkeur een rating AAA, maar met minimaal een rating AA.

  • bij het uitzetten van gelden wordt bij minimaal twee banken (waaronder de huisbankier) of (gecertificeerde) tussenpersonen een offerte opgevraagd. De gelden worden vervolgens uitgezet bij de bank of tussenpersoon met de beste condities qua rente en kosten.

  • het uitzetten van gelden geschiedt conform de procedure uitzetten van gelden.

5.2.3.2 Uitzetten boven drempelwaarde Schatkistbankieren

 

Overtollige middelen worden alleen uitgezet bij ’s Rijksschatkist. 

6. VOORBEREIDING EN VASTSTELLING VAN BELEID

6.1 Financiële beleidscyclus en rapportages

HHSK gebruikt de jaarlijkse financiële beleidscyclus voor het vaststellen van het treasurybeleid, voor het afleggen van verantwoording over dat beleid en voor bijstelling van het beleid door het jaar heen. De beleidscyclus kent een aantal sturings- en rapportagedocumenten, die gedurende het jaar opgesteld worden door medewerkers van de afdeling Bedrijfsvoering. Deze documenten zijn:

 

  • 1.

    Meerjarenraming: bij de vaststelling van de begroting behandelt het algemeen bestuur de meerjarenraming, waarin de lange termijn ontwikkelingen worden geanalyseerd en doorgerekend. Dit analyseren en doorrekenen dient ook te gebeuren voor de liquiditeitsplanning en de risicoanalyse.

  • 2.

    Begroting: in het najaar wordt de begroting opgesteld waarin de treasuryparagraaf wordt opgenomen. Het treasurybeleid zoals dit in de begroting wordt opgenomen wordt voorbereid door de afdeling Bedrijfsvoering en na behandeling door het management en het dagelijks bestuur, vastgesteld door het algemeen bestuur. In, of op basis van, de treasuryparagraaf kunnen mandaten worden vastgesteld om de daadwerkelijke transacties te laten uitvoeren. Naast de treasuryparagraaf kent de begroting een liquiditeitsprognose en een rentevisie.

  • 3.

    Jaarrekening: in de jaarrekening, die gezien moet worden als de verantwoording van de uitvoering van het beleid, wordt wederom een treasuryparagraaf opgenomen. Hierin wordt het beleid zoals het voorgenomen was in de treasuryparagraaf in de begroting getoetst aan het werkelijk uitgevoerde beleid. Verschillen dienen daarbij verklaard te worden.

Met name de treasuryparagraaf in de programmabegroting wordt gebruikt om het treasurybeleid te formuleren en de treasuryparagraaf van de jaarrekening wordt gebruikt om te toetsen. De treasuryparagrafen kennen minimaal de volgende onderwerpen:

  • De algemene interne en externe ontwikkelingen die van invloed zijn op de treasuryfunctie;

  • De ontwikkeling in de financierings-, beleggings- en vermogensbehoefte;

  • De ontwikkeling in de renterisiconorm en de kasgeldlimiet;

  • Het risicobeleid: analyse van de risico’s m.b.t. treasury;

  • Het cashmanagement: de plannen, c.q. realisatie van het beleid inzake het kasbeheer;

  • Het financierings- en beleggingsbeleid: de plannen c.q. realisatie van het beleid voor de waterschapsfinanciering en belegging van overschotten;

  • Relevante ontwikkelingen in de treasury- organisatie;

  • Relevante ontwikkelingen in de informatievoorziening en systeembeheer voor de treasuryfunctie;

  • Een rentevisie en een rentegevoeligheidanalyse;

  • Een liquiditeitsprognose.

De hierboven genoemde documenten worden als onderdeel van de programmabegroting of jaarrekening vastgesteld door het algemeen Bestuur.

 

6.2 Mandaten

In dit kader wordt verwezen naar het Algemeen bevoegdhedenbesluit en het daarop gebaseerde bevoegdhedenregister van HHSK.

7 TOETSING EN CONTROL

7.1 Verslaglegging

Essentieel onderdeel van de planning- en control cyclus is, dat zowel tijdens als na uitvoering van het beleid verantwoording afgelegd wordt middels verantwoordingsinformatie.

 

7.2 Interne controle

Controle op de uitvoering van het beleid vindt plaats middels de procedures van de administratieve organisatie (onderdeel van de financiële beheersverordening zoals bedoeld in artikel 108 lid 1 en 2 van de Waterschapswet) en de beleidsrapportagecyclus zoals eerder beschreven in 6.1. De uitvoering van het beleid wordt getoetst en verantwoord in de treasuryparagraaf van de jaarrekening.

 

De afdeling Bedrijfsvoering zal van alle plannen, nota's en besluiten dossiers aanleggen. Dit dossier staat op verzoek ter beschikking voor een interne- en externe controle. Om een correcte wijze van interne controle zeker te stellen, zullen de medewerkers van de afdeling Bedrijfsvoering, welke belast zijn met de treasury-activiteiten, niet betrokken zijn bij het feitelijk administratief vastleggen van transacties en posities (zie tekst onder 4.3 Functiescheiding).

 

7.3 Externe controle

HHSK zal alle maatregelen treffen die noodzakelijk zijn voor het (doen) uitvoeren van een effectieve externe controle, door een registeraccountant (artikel 109 lid 2 van de Waterschapswet). De toetsing van de rechtmatigheid van de uitvoering van het treasurybeleid behoort met ingang van het verslagjaar 2025 niet meer tot de directe controle van de accountant. De rechtmatigheidsverantwoording is sindsdien een taak van het dagelijks bestuur. Wel betrekt de accountant deze rechtmatigheidsverantwoording bij zijn oordeel of de jaarstukken een getrouw beeld geven. Opdrachtgever voor de externe controle is het algemeen Bestuur.

 

Daarnaast verstrekt HHSK aan verschillende partijen de volgende informatie:

 

  • 1.

    Toezichthouder (Provincie Zuid-Holland): Jaarlijks de jaarrekening waarin opgenomen:

    • Het begrotingstotaal bij aanvang van het verslagjaar;

    • De kasgeldlimiet bij aanvang van het verslagjaar;

    • De gemiddelde netto vlottende schuld in elk van de kalenderkwartalen van het verslagjaar;

    • De stand van de vaste schuld bij aanvang van het verslagjaar;

    • De renterisiconorm bij aanvang van het verslagjaar;

    • Het renterisico op de vaste schuld over het verslagjaar.

  • 2.

    Centraal Bureau voor de Statistiek: Driemaandelijks een opgave van de stand van het EMU-saldo op een voor het Centraal Bureau voor de Statistiek te bepalen wijze, zodat zij de informatie aan het Ministerie van Financiën kan presenteren.

8. BESTUURLIJKE VASTSTELLING

Artikel 108 en artikel 109 van de Waterschapswet bepalen dat het Algemene Bestuur bij verordening regels vaststelt met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van de vermogenswaarden en de controle. Met de vaststelling van dit statuut wordt voldaan aan de verplichting zoals die is opgenomen in artikel 108 en 109 van de Waterschapswet.

9. SLOTBEPALING

Dit statuut treedt in werking met ingang van 1 januari 2025. Hierbij komt het oude statuut te vervallen.

Rotterdam, 9 juli 2025

de verenigde vergadering voornoemd,

secretaris,

voorzitter,

Naar boven