Nota Waardering en afschrijvingsbeleid van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2025

De verenigde vergadering van Schieland en de Krimpenerwaard;

 

gelet op artikel 108 lid 2 onder a van de Waterschapswet en artikel 17 van de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2025;

 

op voordracht van het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard van 20 mei 2025

 

B E S L U I T :

 

  • 1.

    De nota Waardering en afschrijvingsbeleid van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2025 vast te stellen.

  • 2.

    De nota met terugwerkende kracht in werking te laten treden op 1 januari 2025.

  • 3.

    De nota Afschrijvingsbeleid 2023 gelijktijdig in te trekken.

1. Inleiding

In deze nota is het beleid met betrekking tot het activeren van investeringen en het afschrijven daarvan opgenomen. Dit beleid is gebaseerd op artikel 108 tweede lid onder a, van de Waterschapswet. Hierin is bepaald dat bij verordening regels moeten worden opgenomen voor waardering en afschrijving. Daaraan is uitvoering gegeven in de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie zoals vastgesteld door het algemeen bestuur op 9 juli 2025.

In de artikelen 4.65 t/m 4.71 van het Waterschapsbesluit zijn nadere bepalingen opgenomen over waardering, activeren en afschrijvingen.

 

De Nota waardering en afschrijvingsbeleid is op 9 juli 2025 door de verenigde vergadering vastgesteld en met terugwerkende kracht per 1 januari 2025 ingegaan. Hiermee komt de nota Afschrijvingsbeleid van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (vastgesteld door het algemeen bestuur op 27 maart 2023 met kenmerk 2022.10884) te vervallen.

2. Begrippenkader

  • a.

    Vast actief.

    Alle uitgaven voor zaken die langer dan een jaar ten dienste van het hoogheemraadschap staan, worden geactiveerd. Dit heeft tot gevolg dat de betreffende uitgaven niet in hun totaliteit als kosten in de exploitatierekening worden verantwoord, maar op de balans worden gebracht. Dit worden ook investeringen genoemd. Alleen de rente en afschrijvingslasten die met de uitgaven samenhangen worden gedurende de gebruiksduur ten laste van de exploitatie gebracht. Uit praktische overwegingen wordt een ondergrens gehanteerd voor te activeren bedragen, dit is een bestuurlijke keuze en vastgesteld op €50.000,-. Binnen de vaste activa worden drie balansposten onderscheiden: immateriële, materiële en financiële vaste activa.

  • b.

    Immateriële vaste activa.

    Dit zijn activa die niet stoffelijk zijn en evenmin als financiële vaste activa kunnen worden aangemerkt. Een andere omschrijving van het begrip is kapitaaluitgaven waar tegenover geen bezittingen staan. Dit zijn met name uitgaven in verband met het afsluiten van geldleningen en bijdragen aan activa in eigendom van derden, onderzoek en ontwikkelkosten.

  • c.

    Materiële vaste activa.

    Dit zijn kapitaaluitgaven waar tegenover bezittingen staan.Tot de materiële vaste activa behoren onder andere: gronden, gebouwen, inventaris, waterkeringen, watergangen, zuiveringstechnische werken en overige duurzame bedrijfsmiddelen.

  • d.

    Financiële vaste activa.

    Tot de financiële vaste activa van het hoogheemraadschap behoren de aan derden beschikbaar gestelde financiële middelen met een looptijd van één jaar en langer. Het gaat met name om aan derden verstrekte langlopende geldleningen en langlopende deelnemingen.

  • e.

    Waarderingsgrondslag.

    De waarderingsgrondslag is de wijze van waarderen van de activa. In artikel 4.69 lid 1 van het Waterschapsbesluit worden de verkrijgings- en vervaardigingsprijs genoemd als waarderingsgrondslagen.

  • f.

    Verkrijgingsprijs.

    De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten (artikel 4.69 lid 2 van Waterschapsbesluit). De bijkomende kosten zijn alle kosten die direct kunnen worden toegerekend aan de verwerving van het actief.

  • g.

    Vervaardigingsprijs.

    De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van grond- en hulpstoffen en de overige kosten (artikel 4.69 lid 3 van het Waterschapsbesluit) die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend (inclusief bijhorende directe en indirecte personeelslasten)

  • h.

    Technische levensduur.

    Periode waarin activa in technische zin bruikbaar en operationeel blijft

  • i.

    Economische levensduur.

    Periode waarin activa naar schatting economische rendabele manier gebruikt kunnen worden (voorbeelden van gehanteerde criteria: activum voldoet niet meer aan eisen van de tijd /veroudering (technologische vooruitgang), te hoge onderhoudskosten).

  • j.

    Onderzoek en ontwikkelingskosten.

    Kosten die voor de fase ‘besteksgereed maken en aanbesteden’ worden gemaakt, gericht op het realiseren van een bepaald materieel vast actief. Denk hierbij aan variantenstudies. Onderzoek en ontwikkelingskosten vallen onder immateriële vaste activa. Tenzij het gaat om een vervangingsinvestering. Dan vallen onderzoek en ontwikkelingskosten onder het materieel actief.

  • k.

    Voorbereidingskosten.

    Kosten die worden gemaakt voor het realiseren van een bepaald materieel vast actief. Kosten voor het besteksgereed maken en het aanbesteden van het project behoren tot de voorbereidingskosten en zijn onderdeel van het materiële vaste actief. Deze kosten worden pas geactiveerd op het moment dat het totale project is afgerond.

  • l.

    Afschrijven.

    Door middel van afschrijvingen wordt aangegeven op welke wijze een vast actief in waarde vermindert als gevolg van het gebruik. De voorschriften geven dan ook aan dat op de vaste activa jaarlijks moet worden afgeschreven. De categorie ‘grond’ is de enige categorie waar niet op hoeft te worden afgeschreven, op alle andere investeringen moet worden afgeschreven.

  • m.

    Lineaire afschrijvingsmethode.

    Bij deze afschrijvingsmethode wordt een jaarlijks gelijkblijvend bedrag afgeschreven.

  • n.

    Afschrijvingstermijn.

    Van elke investering moet worden bepaald in hoeveel termijnen (jaren) deze wordt afgeschreven. De afschrijvingstermijnen moeten worden gebaseerd op de verwachte gebruiksduur van het actief.

  • o.

    Boekwaarde.

    Dit is de aanschafwaarde van een actief verminderd met de afschrijvingen.

  • p.

    Restwaarde.

    Een investering kan aan het eind van de gebruiksduur nog een bepaalde waarde vertegenwoordigen, dit wordt de restwaarde genoemd.

  • q.

    Financiële lease.

    Financiële lease is een leaseovereenkomst waarbij de lessee (degene die het activum huurt) het economisch risico en de voordelen van het eigendom van een activum draagt. Dit betekent dat de lessee gedurende de leaseperiode de meeste risico's en opbrengsten die gepaard gaan met het bezit van het activum overneemt, zelfs als het juridische eigendom bij de lessor (degene die het activum verhuurt) blijft.

  • r.

    Operationele lease.

    Bij operationele leasecontracten blijft de kredietverstrekker (lessor) juridisch en economisch eigenaar van het geleasede object.

  • s.

    Nominale waarde.

    De oorspronkelijke waarde het activum van een op het moment van activeren zonder inachtneming van inflatie en andere factoren die (financiële) impact hebben.

3. Het afschrijvingsbeleid

3.1 Activeren

Artikel 1. Investeringen

  • 1.

    Investeringen worden geactiveerd, ze worden dan als vaste activa gepresenteerd op de balans van het hoogheemraadschap.

  • 2.

    Onderhoudskosten mogen niet worden geactiveerd. Onderhoud is erop gericht een actief in goede staat te houden en ervoor te zorgen dat dit gedurende de looptijd goed blijft functioneren.

  • 3.

    Renovaties die de gebruiksduur van het object verlengen na afloop van de looptijd (zogenaamd levensduur-verlengend) kunnen wel worden geactiveerd.

Artikel 2. Het drempelbedrag

  • 1.

    Er zijn geen wettelijke voorschriften omtrent een minimum activeringsbedrag.

  • 2.

    Uitgaven die langer dan één jaar ten dienste van het hoogheemraadschap staan (meerjarig nut) mogen worden geactiveerd. Er wordt daarbij een drempelbedrag gehanteerd. Deels om de schuldenpositie beperkt te houden en deels uit een oogpunt van administratieve doelmatigheid.

  • 3.

    Het hoogheemraadschap hanteert een drempelbedrag van € 50.000, uitgezonderd gronden en terreinen. Het drempelbedrag wordt toegepast op het totaal aangevraagde investeringskrediet.

  • 4.

    In voorkomende gevallen mag het dagelijks bestuur afwijken van het onder lid 3 genoemde grensbedrag en ook uitgaven van een lager bedrag activeren.

Artikel 3. De waarderingsgrondslag

  • 1.

    Vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs- en vervaardigingsprijs (conform artikel 4.69 van het Waterschapsbesluit).

  • 2.

    Het hanteren van de actuele waarde is niet toegestaan (conform Waterschapsbesluit).

  • 3.

    In de vervaardigingsprijs wordt geen rente opgenomen over het tijdvak van vervaardiging van het actief.

Artikel 4. Activeren van personeelslasten

  • 1.

    Het hoogheemraadschap voert een terughoudend beleid ten aanzien van het activeren van personeelslasten. De reden hiervoor is de wens om de schuldpositie beperkt te houden.

  • 2.

    Voor het activeren van personeelskosten worden de volgende voorwaarden gesteld:

    • a.

      in het kredietvoorstel staat expliciet dat het te voteren bedrag inclusief personeelskosten is;

    • b.

      in de raming van het krediet wordt rekening gehouden met de (interne) kosten van voorbereiding en toezicht;

    • c.

      er moet sprake zijn van een materieel vast actief; uren besteed aan immateriële activa of financiële activa worden niet geactiveerd;

    • d.

      het betreft uren van medewerkers (zowel inhuurkrachten als eigen personeel) die direct aan de totstandkoming van het actief zijn toe te rekenen. De volgende limitatieve lijst met functies wordt gehanteerd: Programmamanager, projectleider, integraal projectmanagement-rollen (IPM-rollen), projectondersteuner, medewerker projectadministratie, coördinator projectadministratie, projectcontroller, technisch manager dijkversterking, senior technisch specialist, technisch specialist en trainees. Van deze opsomming kan worden afgeweken als functies specifiek in de subsidieregeling vermeld worden.

    In het (interne) uurtarief wordt rekening gehouden met een toeslag voor ondersteunende kosten zoals kosten van huisvesting, geo-informatie, automatisering en dergelijke.

  • 3.

    Personeelslasten mogen niet afzonderlijk worden geactiveerd (dan zou immers een immaterieel actief ontstaan), maar zij mogen wel worden meegenomen in de kosten van de vervaardiging van een materieel actief. Er moet een aanwijsbare relatie zijn tussen de personeelslasten en de vervaardiging van het actief.

  • 4.

    Wanneer de personeelslasten voor investeringen in het kader van een subsidieregeling door een derde partij worden vergoed, dan worden, in afwijking van lid 2, deze kosten altijd meegenomen in de kosten van de investering en geactiveerd.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur kan ervoor kiezen uitzonderingen toe te staan en ook andere personele kosten te activeren mits deze expliciet in het investeringsvoorstel zijn meegenomen en worden onderbouwd. Zo kan bij investeringen met een hoge omgevingsgevoeligheid of andere risico’s bijvoorbeeld worden gekozen ook juridische kosten, kosten voor communicatie en kosten voor omgevingsmanagement te activeren.

Artikel 5. Bijdragen van derden

Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief worden daarop in mindering gebracht (artikel 4.68 lid 2 van het Waterschapsbesluit). Over het investeringsbedrag minus de bijdragen wordt afgeschreven.

Artikel 6. Gebruik van reserves bij investeringen

  • 1.

    Het is niet toegestaan om middelen uit een reserve in mindering te brengen op de investering, het bruto bedrag wordt geactiveerd.

  • 2.

    Voor zover er reserves zijn ten behoeve van investeringen, dan worden de kapitaallasten van de investering gedurende de looptijd geheel of gedeeltelijk gedekt door jaarlijkse onttrekkingen aan deze reserves.

Artikel 7. Leasecontracten

  • 1.

    Leasecontracten kunnen worden onderscheiden in financiële lease en operationele lease.

  • 2.

    Objecten die op grond van een financiële leasecontract worden geleased worden als reguliere activa beschouwd en gewaardeerd tegen nominale waarde.

  • 3.

    Objecten die op grond van een operationele leasecontract worden geleased worden jaarlijks uit de exploitatie gefinancierd. De daarmee verband houdende verplichtingen worden in de toelichting op de balanspost vermeld. Tenzij het contract aangeeft dat het economisch eigendom bij de lessee (gebruiker) ligt. In dat geval worden de objecten ook als activa beschouwd.

     

3.2 Rente

Artikel 8. Voorzien in de financieringsbehoefte

  • 1.

    De vaste activa worden gefinancierd met diverse financieringsmiddelen (kort en lang vreemd vermogen, reserves en voorzieningen). Deze middelen worden aangewend voor het geheel van de investeringsportefeuille. Er worden dus geen financieringsmiddelen geoormerkt voor bepaalde investeringen (geen projectfinanciering).

  • 2.

    Voor het toerekenen van de rentelasten aan de programma’s en producten wordt gebruikt gemaakt van de rente-omslagmethode. Daarvoor wordt een rente-omslagpercentage vastgesteld dat is gebaseerd op de verwachte gemiddelde rente van de lening-portefeuille.

Artikel 9. Grondslag van de renteverrekening

  • 1.

    De rente, die in enig jaar aan de producten wordt toegerekend, is gebaseerd op de boekwaarde per 1 januari van dat jaar.

  • 2.

    Er wordt slechts rente toegerekend voor zover de objecten zijn opgeleverd en in gebruik zijn genomen. Er wordt geen rente toegerekend over objecten in aanbouw.

     

3.3 Afschrijven

Artikel 10. Startmoment van afschrijven

  • 1.

    Indien een investeringsproject is afgerond, het actief in gebruik is genomen, het proces-verbaal van oplevering is ondertekend en de fase van de nazorg is ingegaan wordt het project gereed gemeld en deels geactiveerd.

  • 2.

    De afschrijving start in de maand volgend op de eerste oplevering van het actief.

  • 3.

    De afschrijving van de kosten van de nazorgfase start in de maand volgend op de maand van afronding van de nazorgfase.

  • 4.

    In de jaarrekening wordt gerapporteerd over alle investeringskredieten die in het betreffende boekjaar zijn afgesloten.

Artikel 11. Afschrijvingsmethode

  • 1.

    Door middel van afschrijvingen wordt aangegeven in welke mate een actief in waarde vermindert als gevolg van het gebruik.

  • 2.

    De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar (artikel 4.70 lid 1 van het Waterschapsbesluit).

  • 3.

    Versneld of vertraagd afschrijven louter op basis van financiële argumenten is niet toegestaan.

  • 4.

    De investeringen worden volgens de lineaire methode afgeschreven.

  • 5.

    Het hoogheemraadschap hanteert geen restwaarden, investeringen worden volledig afgeschreven.

  • 6.

    Indien in een specifiek geval de voorkeur uitgaat naar een andere wijze van afschrijven (bijvoorbeeld op basis van annuïteiten), dan dient dit gemotiveerd ter besluitvorming worden voorgelegd aan het algemeen bestuur.

  • 7.

    Bij de bepaling van de afschrijvingsduur wordt gebruik gemaakt van de tabel in de bijlage. De tabel is leidend, afwijken van de tabel kan uitsluitend met toestemming van algemeen bestuur.

  • 8.

    De economische levensduur is leidend voor de bepaling van de afschrijvingsduur.

  • 9.

    De maximale afschrijvingsduur die we hanteren is 40 jaar.

  • 10.

    In de gevallen, waarin deze tabel niet voorziet, of in wanneer het wenselijk is om af te wijken van de tabel, legt het dagelijks bestuur dit in het kredietvoorstel ter besluitvorming voor aan de verenigde vergadering.

Artikel 12. Toepassing van de componentenmethode

Indien de verschillende samenstellende delen van een actief een heel verschillende technische of economische levensduur hebben en afzonderlijk kunnen worden vervangen, wordt de componentenmethode toegepast. De componentenmethode houdt in dat verschillende samenstellende delen van een materieel afzonderlijk worden afgeschreven op basis van de afschrijvingsduur, die voor dat deel geldt. Omdat de componentenmethode in principe heel ver kan worden doorgevoerd, wordt de methode te beperkt tot een aantal specifieke componenten te weten: grond, bouwkundig werk, mechanisch-elektrische installaties en elektrotechnische voorzieningen. Deze componenten hebben allemaal een eigen afschrijvingsduur. Als een investering bestaat uit twee of meer van deze componenten dan wordt de componentenmethode toegepast. In alle andere gevallen wordt de investering naar de aard van het object afgeschreven. De afschrijvingstermijn per object of component is in de afschrijvingstabel in de bijlage terug te vinden.

Artikel 13. Latere aanpassing van de afschrijvingsduur

  • 1.

    De afschrijvingstermijn kan worden verlengd, indien de feitelijke economische of technische levensduur gebruiksduur bij nader inzicht langer is dan de eerder bepaalde afschrijvingsduur.

  • 2.

    De afschrijvingstermijn moet worden verkort, indien de feitelijke economische of technische levensduur gebruiksduur bij nader inzicht korter is dan de eerder bepaalde afschrijvingsduur.

  • 3.

    Besluiten tot een aanpassing van een afschrijvingsduur worden genomen door de Verenigde vergadering, tot uiterlijk het einde (31 december) van het begrotingsjaar waarin de wijziging ingaat.

  • 4.

    Wanneer een dergelijk besluit wordt genomen, dan worden de bestaande (restant)boekwaarden niet herrekend, maar over de langere dan wel kortere gebruiksduur afgeschreven.

Artikel 14. Desinvesteringen

  • 1.

    Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde (artikel 4.71 lid 3 van het Waterschapsbesluit).

  • 2.

    Als een investering wordt verkocht en de opbrengstwaarde is hoger/lager dan de boekwaarde, wordt er een boekwinst/boekverlies gegenereerd. Deze boekwinst/boekverlies mag niet worden verrekend met de kosten van de vervangingsinvestering, maar dient in het jaar van de verkoop als bate/last in de exploitatie te worden verantwoord.

  • 3.

    Indien besloten wordt om een object buiten gebruik te stellen en af te stoten dan moet afwaardering plaatsvinden indien de marktwaarde naar verwachting lager is dan de boekwaarde. Wanneer een actief daadwerkelijk wordt bestemd voor verkoop dan moet overboeking plaatsvinden naar de voorraden. Een eventueel verkregen opbrengst wordt als incidentele bate verantwoord in de jaarrekening.

Artikel 15. Financiële vaste activa

  • 1.

    Financiële vaste activa zijn uitzettingen (uitgeleende bedragen) met een oorspronkelijke looptijd van één jaar of langer (leningen, deelnemingen en effecten).

  • 2.

    Financiële activa worden op de balans opgenomen tegen de nominale waarde of (in geval van effecten) de verkrijgingsprijs.

  • 3.

    Op financiële vaste activa wordt in principe niet afgeschreven, alleen aflossingen verminderen de waarde van het actief.

Artikel 16. Immateriële vaste activa

  • 1.

    Immateriële vaste activa zijn evenals de materiële activa niet financieel van aard. In tegenstelling tot materiële vaste activa zijn ze echter niet stoffelijk (niet tastbaar).

  • 2.

    De volgende immateriële activa worden onderscheiden:

    • a.

      bijdragen aan activa in eigendom van derden;

    • b.

      kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen zoals provisies, kosten van notariële akten en het saldo van agio en disagio.

    • c.

      de kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief.1

  • 3.

    Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, mits de uitgaven uitgaan boven de activeringsgrens (€ 50.000) en met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.70 lid 6 van het Waterschapsbesluit.

    Dit betekent dat op straffe van terugvordering verzekerd dient te worden dat de derde daadwerkelijk een actief realiseert dat bijdraagt aan de publieke taak, zoals dat door de verstrekker en de ontvanger van de bijdrage is overeengekomen. Dit dient dan ook als harde voorwaarde in de overeenkomst tot bijdrage opgenomen te worden.

  • 4.

    Bijdragen aan gemeenten voor het realiseren van activa, die van belang zijn voor de uitvoering van waterschapstaken (zoals rioolgemalen en persleidingen) worden (maximaal) afgeschreven in de periode, die bij de betrokken overheid wordt gehanteerd.

  • 5.

    De kosten voor de opstelling van beleidsplannen en beleidsverkenningen (programmakosten) worden niet geactiveerd.

  • 6.

    De kosten voor het onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief mogen worden geactiveerd wanneer:

    • a.

      de investering naar verwachting technisch uitvoerbaar is;

    • b.

      de investering in de toekomst nut zal genereren;

    • c.

      de uitgaven die aan de investering zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld;

    • d.

      er sprake is van innovatie.

  • 7.

    Indien er uit onderzoek en ontwikkelingskosten of uit specifieke voorbereidingskosten geen materieel actief ontstaat, worden deze kosten alsnog ten laste van de exploitatie gebracht.

Artikel 17. Administratieve verwerking

  • 1.

    De staat van activa (een onderliggende toelichting bij de balans) geeft aan welke activa in gebruik zijn. Het gaat daarbij zowel om de objecten, die nog een boekwaarde hebben (waarop dus nog afgeschreven wordt) als om de afgeschreven objecten.

  • 2.

    De informatie in de staat van activa moet juist en volledig zijn. Er moet op basis van de staat van activa kunnen worden geconstateerd, of de activa nog aanwezig zijn en of zij in goede staat zijn. Een heldere omschrijving is een voorwaarde om dit te kunnen doen.

  • 3.

    Een splitsing naar locatie kan voorkomen. Wanneer een investering op meerdere locaties wordt gedaan, dan zijn er meerdere vermeldingen in de staat van activa.

  • 4.

    Een uitzondering kan worden gemaakt voor verzamelobjecten in de sfeer van de roerende activa, waarbij alle bestedingen uit een bepaald jaar in de staat van activa als één object worden staan vermeld (bijvoorbeeld computers).

    In dat geval zorgt de organisatie ervoor, dat er een specificatie van de afzonderlijke objecten beschikbaar is.

Rotterdam, 9 juli 2025

de verenigde vergadering voornoemd,

secretaris,

voorzitter,

BIJLAGE: De afschrijvingstabel

 

In onderstaande tabel staan de afschrijvingstermijnen voor de meest voorkomende type investeringen binnen het hoogheemraadschap. De weergegeven termijnen zijn bedoeld als richtlijn. Indien de daadwerkelijk voorgenomen investering vraagt om een afwijkende afschrijvingstermijn, dan is het de bedoeling dat deze afwijkende termijn in het kredietvoorstel wordt onderbouwd en voorgelegd aan het algemeen bestuur. Dit is vooral van belang wanneer de verwachte economische levensduur van de voorgenomen investering korter is dan de afschrijvingstermijn in de tabel.

 

Uitgangspunt voor het bepalen van de afschrijvingstermijn is de economische levensduur.

 

De maximale afschrijvingsduur die wij als hoogheemraadschap hanteren is 40 jaar.

 

Omschrijving activa

Materieel / immaterieel

Afschrijvingsduur in jaren

Bijdragen aan activa in eigendom derden

Bijdrage activa in eigendom van openbare lichamen

I

5

Bijdrage activa in eigendom van overigen

I

5

Bijdragen aan gemeenten voor rioolgemalen *

I

25

Bijdragen aan gemeenten voor persleidingen *

I

30

 

Grond en terreinen

Gronden

M

0

Terreinen

M

15

Waterberging (incl. grond)

M

40

Zonnepanelen

M

15

 

Bedrijfsmiddelen

Vervoermiddelen

M

7

Machines en vaartuigen

M

8

Apparaten en werktuigen

M

5

 

Huisvesting

Bedrijfsgebouwen bouwkundig

M

40

Bedrijfsgebouwen mechanisch-elektrisch

M

15

Bedrijfsgebouwen meubilair, elektrisch en veiligheidsvoorzieningen

M

10

Woonruimten bouwkundig

M

40

Woonruimten mechanisch-elektrisch

M

15

Woonruimten meubilair, elektrisch en veiligheidsvoorzieningen

M

10

Bedrijfsrestaurant en doucheruimte

M

20

 

Grond-, Weg- en waterbouwkundige werken

Primaire waterkeringen **

M

40

Overige waterkeringen **

M

30

Watergangen en duikers

M

40

Gemalen bouwkundig

M

40

Gemalen mechanisch-elektrisch

M

15

Gemalen elektrisch

M

10

Beschoeiingen

M

20

Stuwen (hout)

M

25

Rioolgemalen bouwkundig

M

40

Rioolgemalen mechanisch-elektrisch

M

15

Rioolgemalen elektrisch

M

10

Persleidingen

M

40

Zuiveringsinstallaties bouwkundig

M

40

Zuiveringsinstallaties mechanisch-elektrisch

M

15

Zuiveringsinstallaties elektrisch

M

10

Slibverwerkingsinstallaties bouwkundig

M

40

Slibverwerkingsinstallaties mechanisch-elektrisch

M

15

Slibverwerkingsinstallaties elektrisch

M

10

Wegen

M

20

Wegen (vervanging deklaag)

M

10

Wegbruggen

M

40

Overige bruggen

M

30

Vaarwegen en havens

M

40

Molens (bouwkundig)

M

40

Molens (mechanisch)

M

25

Phoslock-maatregelen

M

15

 

Overig

Software (excl. Saas) ***

M

5

Hardware

M

5

Onderzoek en ontwikkelingskosten

I

5

 

*De afschrijvingstermijnen van de bijdragen aan gemeenten voor rioolgemalen en persleidingen wijken af met onze eigen afschrijvingstermijn. Dit komt omdat elke overheidsinstantie zelf de afschrijvingstermijn mag bepalen. Afschrijvingstermijnen tussen gemeentes en waterschappen maar ook tussen waterschappen onderling kunnen daardoor verschillen.

 

** Voor primaire en overige waterkeringen is de afschrijvingstermijn afhankelijk van het type toepassing. Indien een toepassing wordt gebruikt waarvan de technische levensduur korter is dan aangegeven in de tabel, dan is de kortere afschrijvingstermijn leidend.

 

*** Software as a service ( Saas ) kosten mogen niet worden geactiveerd.

 

N.B.: Indien geen materieel vast actief ontstaat gaan de kosten naar de exploitatie. Tevens worden bij vervangingsinvesteringen de kosten als materiele vaste activa geactiveerd en wordt de afschrijvingstermijn van het materiële vaste actief gevolgd.

Naar boven