Gedragscode integriteit van het college van dijkgraaf en heemraden en de dijkgraaf van waterschap Vallei en Veluwe

Het algemeen bestuur van het waterschap Vallei en Veluwe;

 

Gelet op artikel 33, derde lid, van de Waterschapswet;

 

Gelezen de voordracht van het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Vallei en Veluwe, d.d. 27 mei 2025;

 

BESLUIT:

 

voor het college van dijkgraaf en heemraden en de dijkgraaf van het waterschap;

 

de navolgende gedragscode integriteit vast te stellen:

 

INLEIDING

 

Goed bestuur is integer bestuur. Daarmee is integriteit niet alleen een verantwoordelijkheid van de individuele politieke ambtsdragers, maar een gezamenlijk belang dat de hele organisatie en het hele bestuur in al zijn geledingen aangaat. De gedragscode richt zich daarom zowel tot de individuele politieke ambtsdragers als tot de bestuursorganen. Ons democratische systeem en de democratische processen kunnen niet zonder integer functionerende organen en functionarissen. Integriteit van politieke ambtsdragers verwijst naar de zorgvuldigheid die politieke ambtsdragers moeten betrachten bij het invullen van hun rol in de democratische rechtsstaat. Dat betekent de verantwoordelijkheid nemen die met de functie samenhangt en bereid zijn verantwoording af te leggen, aan collega-bestuurders en/of (leden van) de volksvertegenwoordiging en bovenal aan de burger.

 

In de democratische rechtsstaat dient eenieder zich te houden aan de wetten en regels die op democratische wijze zijn vastgesteld. Dat geldt zeker voor de politieke ambtsdragers die (mede) verantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van die wetten en regels. Deze plicht is voor de politieke ambtsdrager neergelegd in de eed of gelofte die de politieke ambtsdrager bij de ambtsaanvaarding aflegt: hij/zij zweert/beloof getrouw te zullen zijn aan de Grondwet, de wetten te zullen nakomen en zijn/haar plichten die uit het politieke ambt voortvloeien naar eer en geweten te zullen vervullen.

 

De volksvertegenwoordiging stelt zowel voor de eigen leden als voor het college van dijkgraaf en heemraden en de dijkgraaf in zijn/haar hoedanigheid als voorzitter een gedragscode vast. Dat is zo vastgelegd in de Waterschapswet. De gedragscode is een richtsnoer voor het handelen van individuele politieke ambtsdragers en heeft tot doel hen te ondersteunen bij de invulling van hun verantwoordelijkheid voor de integriteit van het openbaar bestuur. Onderhavige gedragscode heeft betrekking op het college van dijkgraaf en heemraden en de dijkgraaf in zijn/haar hoedanigheid als voorzitter.

 

Veel bepalingen zijn gelijk aan de bepalingen voor de leden van het algemeen bestuur. Er zijn ook verschillen. Die hebben te maken met de staatsrechtelijke posities en met de voor hen geldende wettelijke (integriteits)regels.

 

Het rechtskarakter van de gedragscode is dat van een interne regeling, als nadere invulling en concretisering van de wettelijke regels. De gedragscode bevat in aanvulling op wettelijke regels gedragsnormen en regels over procedures die de transparantie van het handelen van politieke ambtsdragers evenals van de besluitvorming over en de naleving van de normen vergroten. Zij vormt een beoordelingskader en leidraad bij twijfel, vragen en discussies. Het voorschrijven van een gedragsregel die afwijkt of verder gaat dan een dwingendrechtelijke wettelijke regeling is niet mogelijk. Nemen provincies, gemeenten of waterschappen contra-legem constructies op in de gedragscode dan kunnen die gemakkelijk weer zelf aanleiding zijn voor integriteitsproblemen.

 

Een gedragscode heeft dus niet de juridische status van een algemeen verbindend voorschrift zoals een provinciale, gemeentelijke of waterschapsverordening waaruit rechten en verplichtingen voortvloeien. Er is sprake van zelfbinding. De regels worden in gezamenlijk debat vastgesteld door de politieke ambtsdragers zelf. In dit licht moeten de regels in de code worden gezien. Dat maakt de gedragscode evenwel niet vrijblijvend. De bestuurders en volksvertegenwoordigers kunnen daarop worden aangesproken en zij dienen zich over de naleving ervan te verantwoorden. Het niet naleven van de gedragscode kan dus wel onderdeel worden van politiek debat en kan ook politieke gevolgen hebben. De gedragscodes bieden politieke ambtsdragers een handvat om andere politieke ambtsdragers aan te spreken op hun gedrag en hieruit wellicht (politieke) consequenties te trekken.

 

Integriteit is een thema dat betekenis krijgt in het handelen. Een integriteitsbeleid dat alleen op papier bestaat is slechts een dode letter. Daarom moet het handelen van politieke ambtsdragers regelmatig onderwerp van gesprek zijn, juist ook onderling, en ook daarbij geef de gedragscode ondersteuning. De code en de voorgestelde registraties zijn instrumenten. Integriteit is uiteindelijk niet in regels te vangen. In de woorden van de schrijver C.S. Lewis gaat het om ‘doingthe right thing, even when no one is watching.

 

Politieke ambtsdragers hebben een voorbeeldfunctie. Een politiek ambt wordt verricht in een glazen huis. Een bestuurder gedraagt zich zoals een goed ambtsdrager betaamt. Een politieke ambtsdrager onthoudt zich van gedragingen die de goede uitoefening of het aanzien van het ambt of het openbaar bestuur schaden. Een politiek ambt gewetensvol vervullen gebeurt in de dagelijkse praktijk en strekt zich ook uit tot de privésfeer. In de huidige digitale wereld is zeker sprake van een dunne scheidslijn tussen werk en privé. Daarom is het in ieder geval het downloaden van illegale software, het bekijken, downloaden of verspreiden van pornografische, racistische, discriminerende, beledigende, aanstootgevende of (seksueel) intimiderende teksten en afbeeldingen, of het versturen van berichten die (kunnen) aanzetten tot haat en/of geweld uit den boze.

 

Integriteit is niet alleen een kwestie van regels, maar ziet ook toe op de onderlinge omgangsvormen. Een respectvolle omgang, met burgers en organisaties, tussen politieke ambtsdragers onderling en tussen politieke ambtsdragers en medewerkers, met behoud van eigen politieke inhoud en stijl, is van belang. In de omgang met burgers, ambtenaren, externe partijen en andere politieke ambtsdragers wordt van een politieke ambtsdrager correct, fatsoenlijk, en respectvol gedrag verwacht dat vrij is van ongewenste omgangsvormen en grensoverschrijdend en (seksueel) intimiderend gedrag zoals hinderlijk gedrag, intimidatie, dubbelzinnige opmerkingen, handtastelijkheden, agressie, pesten en discriminatie.

 

Politieke ambtsdragers opereren vaak in diverse (boven)lokale netwerken. Deze netwerken dragen bij aan het geworteld zijn van de politieke ambtsdrager. Tegelijkertijd ontstaat hierdoor het risico dat politieke ambtsdragers vanuit het gevoel van sympathie en loyaliteit, de belangen van de eigen netwerken vooropstellen ten koste van het algemeen belang. De schijn van oneigenlijke beïnvloeding kan snel gewekt zijn. Dit maakt duidelijk dat het nadenken over de eigen integriteit verder gaat dan het beoordelen van individuele handelingen. Het vraagt ook dat politieke ambtsdragers zich bewust zijn dat zij altijd verbonden zijn met professionele en persoonlijke netwerken. En dat deze netwerken ‘onbewust’ een invloed kunnen hebben op de keuzes en acties van de politieke ambtsdrager, die mogelijk tot een schending leiden. Dit risico van ‘netwerkcorruptie’ kan de integriteit en de kwaliteit van het lokaal bestuur onder druk zetten1. Netwerken vermijden is geen optie, omdat deze van groot belang zijn voor het effectief functioneren van het openbaar bestuur. Echter kan het risico van beïnvloeding wel worden beperkt door bewuste en transparante keuzes te maken. De gedragscode kan hierbij een waardevol hulpmiddel zijn. Daarnaast kan het opzoeken van onderling gesprek bijdragen aan het bevorderen van integriteit, met medebestuurders of met de aangewezen contactpersoon. Het bespreekbaar maken van dilemma’s helpt om transparantie en vertrouwen te bevorderen en om gezamenlijk te komen tot verantwoorde keuzes. Door actief stil te staan bij de invloed die netwerken potentieel kunnen hebben, kunnen politieke ambtsdragers bijdragen aan het versterken van hun eigen integriteit, maar ook die van het bestuur.

Het bovenstaande is vervat in de onderstaande gedragscode. De basis van deze gedragscode komt voort uit het Handboek integriteit voor politieke ambtsdragers van decentrale overheden van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en is daarmee het vertrekpunt voor de bepalingen. Deze bepalingen zijn waar nodig vertaald en aangevuld naar de waterschapspraktijk van Waterschap Vallei en Veluwe.

 

1 Algemene bepalingen

Wettelijke grondslag

Het algemeen bestuur stelt een gedragscode vast voor de voorzitter en overige leden van het dagelijks bestuur (artikelen 33, derde lid, en 45 Waterschapswet).

1.1

In deze gedragscode wordt onder leden van het college van dijkgraaf en heemraden ook de dijkgraaf als instituut in zijn/haar hoedanigheid als voorzitter bedoeld, tenzij expliciet anders vermeldt.

1.2

De gedragscode geldt voor de leden van het college van dijkgraaf en heemraden en de dijkgraaf van het Waterschap, maar richt zich ook tot de bestuursorganen.

1.3

De gedragscode is openbaar en via internet beschikbaar.

2 Voorkomen van belangenverstrengeling

Wettelijk kader

Afleggen eed of belofte (artikelen 34 en 50 Waterschapswet). Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen legt de waterschapvoorziter en het lid van het dagelijks bestuur de volgende eed (verklaring en belofte) af: “Ik zweer (verklaar) dat ik om tot het ambt benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gif of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer(beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten uit het ambt naar eer en geweten zal vervullen.

 

  • Een bestuurder neemt niet deel aan de stemming over:

    • een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

    • de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij hoort.

      (artikel 45 jo artikel 38a Waterschapswet).

Incompatibiliteiten en nevenfuncties:

  • Verboden overeenkomsten/handelingen: bestuurders mogen in geschillen, waar de waterschap(sbestuur) partij is, niet als advocaat, adviseur of gemachtigde werkzaam zijn. Zij mogen bepaalde overeenkomsten, waar de het waterschap bij betrokken is, niet rechtstreeks of middellijk aangaan. Van verboden overeenkomsten kan ontheffing worden verleend (artikelen 45 en 47, derde lid, jo artikel 33, eerste en tweede lid, Waterschapswet).

  • Onverenigbaarheid van functies: het zijn van een bestuurder sluit het hebben van een aantal andere functies uit (artikel 45 jo artikel 31, tweede lid, en artikel 47, eerste lid, Waterschapswet).

  • Op overtreding van de incompatibiliteitenregeling staat uiteindelijk de sanctie van ontslag (artikel 45 jo artikelen 31, derde lid, en 33, vierde lid, Waterschapswet).

  • Vervulling nevenfuncties: voor bestuurders is bepaald dat zij geen nevenfuncties hebben die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van hun ambt. Voor burgemeesters, commissarissen van de Koning en waterschap-voorzitters is daaraan toegevoegd dat zij evenmin nevenfuncties hebben die ongewenst zijn met het oog op de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. Bestuurders melden het voornemen tot aanvaarding van de nevenfunctie aan de volksvertegenwoordiging. Voor de commissaris van de Koning, de burgemeester en de waterschapvoorziter geldt deze meldverplichting niet voor ambtshalve nevenfuncties (artikelen 44k en 48 Waterschapswet).

  • Openbaarmaking nevenfuncties: bestuurders maken openbaar welke nevenfuncties zij vervullen. Voor commissarissen van de Koning, burgemeesters en waterschap-voorzitters zijn ambtshalve nevenfuncties daarvan uitgezonderd. De lijst met nevenfuncties ligt ter inzage op het waterschaphuis (artikelen 44k en 48 Waterschapswet).

  • Openbaarmaking inkomsten nevenfuncties: fulltime bestuurders maken hun inkomsten uit nevenfuncties openbaar; de opgave van neveninkomsten wordt ter inzage gelegd op het waterschaphuis, uiterlijk 1 april na het jaar waarin de inkomsten zijn genoten (artikelen 44k en 48 Waterschapswet).

  • Verrekening inkomsten nevenfuncties: bestuurders mogen geen vergoedingen ontvangen voor ambtshalve nevenfuncties; die worden in de waterschapkas gestort. Voor fulltime bestuurders is geregeld dat de inkomsten uit andere nevenfuncties voor een deel worden verrekend, volgens dezelfde verrekenings-systematiek als voor leden van de Tweede Kamer (artikelen 44 en 48 Waterschapswet).

2.1
  • 1.

    De dijkgraaf en collegeleden leveren de secretaris-algemeen directeur de informatie aan over de nevenfuncties die openbaar gemaakt moeten worden, bij aanvang van het ambt, dan wel binnen één maand na aanvaarding van de nevenfunctie en geven hem de wijzigingen daarin door.

  • 2.

    De informatie van de dijkgraaf betreft in ieder geval de omschrijving van de nevenfunctie, de organisatie voor wie de nevenfunctie wordt verricht, wat het (verwachte) tijdsbeslag is en wat de inkomsten daaruit zijn.

  • 3.

    De informatie van de heemraden betreft in ieder geval de omschrijving van de nevenfunctie, de organisatie voor wie de nevenfunctie wordt verricht, of het al dan niet een nevenfunctie uit hoofde van het ambt betreft, wat het (verwachte) tijdsbeslag is, of de nevenfunctie bezoldigd of onbezoldigd is, dan wel – voor zover die openbaar gemaakt moeten worden – wat de inkomsten daaruit zijn.

  • 4.

    De secretaris-algemeen directeur legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.

2.2
  • 1.

    De leden van het college van dijkgraaf en heemraden handelen in de uitoefening van hun ambt niet zodanig dat zij vooruitlopen op een functie na aftreden.

  • 2.

    Een heemraad bespreekt het voornemen tot tussentijdse aanvaarding van een functie na aftreden met de dijkgraaf.

  • 3.

    De dijkgraaf van het waterschap bespreekt de tussentijdse aanvaarding van een functie na aftreden met de commissaris van de Koning, de commissaris van de Koning bespreekt een dergelijke situatie met de minister.

2.3
  • 1.

    Het college van dijkgraaf en heemraden sluit de leden van het college van dijkgraaf en heemraden gedurende een jaar na aftreden uit van het tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het waterschap.

  • 2.

    Het college van dijkgraaf en heemraden vraagt meerdere offertes aan als bij een offerteaanvraag ook oud-bestuurders en bevriende relaties zijn betrokken.

2.4
  • 1.

    Het college van dijkgraaf en heemraden draagt een lid van het college van dijkgraaf en heemraden niet eerder dan een jaar na aftreden voor als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

  • 2.

    Onder verbonden partij wordt verstaan hetgeen hieronder wordt verstaan in artikel 4.1 van het Waterschaps-besluit.

     

    Toelichting

    2.1 Zoals uit het opgenomen wettelijk kader blijkt zijn er enkele verschillen in de wetgeving ten aanzien van de openbaarmaking van (inkomsten uit) nevenfuncties tussen waterschapvoorzitters enerzijds en overige leden van het college van dijkgraaf en heemraden anderzijds. De nadere invulling daarvan in 2.1 is in lijn hiermee dan ook niet exact gelijk. De bepalingen betreffen een uitwerking van de wettelijke verplichting om nevenfuncties openbaar te maken. De informatie wordt neergelegd in een openbaar register. De ambtsdrager is zelf verantwoordelijk voor de tijdige aanlevering van de informatie en voor de actualiteit daarvan. Hoewel aan het ambt gerelateerde nevenfuncties (q.q.-functies) wettelijk niet openbaar gemaakt hoeven te worden, verdient het aanbeveling deze wel op te nemen in het overzicht van nevenfuncties. Met de bepaling ‘tussentijds’ wordt bedoeld gedurende de termijn dat de bestuurder is aangesteld in de functie.

     

    2.3 en 2.4 In deze bepalingen is de zogenaamde draaideurconstructie geregeld. De draaideurconstructie geldt niet bij aanvaarding van het lidmaatschap van het algemeen bestuur. In 2.3 gedurende 1 jaar na afreden is de uitsluiting geregeld van betaalde werkzaamheden ten behoeve van het waterschap en in 2.4 de uitsluiting van benoeming als commissaris of bestuurslid van een ‘verbonden partij’, ofwel, kort samengevat, van een organisatie waarin het waterschap een bestuurlijk en financieel belang heeft.

     

    Het begrip ‘verbonden partij’ is ontleend aan het Waterschapsbesluit. Daarin staat dat een verbonden partij een privaatrechtelijk of publiekrechtelijke organisatie is waarin de provincie of gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft. En onder bestuurlijk belang wordt verstaan: zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht.

     

    Een financieel belang wordt gedefinieerd als een aan de betrokken organisatie ter beschikking gesteld bedrag dat niet die organisatie failliet gaat, dan wel het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat, indien de organisatie haar verplichtingen niet nakomt. Hiermee wordt mogelijke vriendjespolitiek voorkomen en het risico op verstrengeling van persoonlijke en functionele belangen vermeden. Wees extra voorzichtig als je oud-bestuurders bevriende relaties werf. Aanvaarding van een dienstbetrekking bij het voormalige waterschap, is niet uitgesloten. Dat kan van belang zijn in het kader van de re-integratie van de voormalige bestuurder en ter voorkoming van uitkeringslasten voor het waterschap. Uiteraard dienen daarbij de regels van werving en selectie en aanstelling te gelden die er voor iedereen zijn die bij het waterschap gaat solliciteren. In het eerste jaar na afreden kunnen in elk geval oud-bestuurders niet worden aangetrokken om tegen beloning activiteiten voor de eigen waterschap te verrichten.

     

    Na één jaar verdient het aanbeveling om bij opdracht-verlening de gebruikelijke aanbestedingsvereisten met meerdere offertes te hanteren als een voormalige bestuurder of een relatie van de huidige bestuurders meedingt naar een opdracht.

     

    Het bepaalde in 2.2, eerste lid, (vooruitlopen op een nieuwe functie na afreden) geldt uiteraard evenzeer voor een functie bij de/het voormalige waterschap.

3 Informatie

Wettelijk kader

Informatieplicht Het dagelijks bestuur van het waterschap en elk van zijn leden zijn verplicht alle inlichtingen te geven die de volksvertegenwoordiging nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het betref zowel een actieve als een passieve informatieplicht. Ook als individuele volksvertegenwoordigers informatie vragen zal die informatie aan de volksvertegenwoordiging moeten worden verstrekt. De informatie kan alleen worden geweigerd als die in strijd is met het openbaar belang (artikelen 89 en artikel 97 Waterschapswet).

Geheimhouding

  • 1.

    Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit (artikel 2:5 Algemene wet bestuursrecht).

  • 2.

    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en een commissie van het waterschap kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Wet open overheid, een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van informatie die bij dat orgaan berust.

  • 3.

    Een verplichting tot geheimhouding duurt voort totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd haar opheft. Indien de verplichting tot geheimhouding is opgelegd door een commissie, kan die verplichting tevens worden opgeheven door het orgaan dat de commissie heeft ingesteld. Indien informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding geldt aan het algemeen bestuur is verstrekt, duurt die verplichting in afwijking voort totdat het algemeen bestuur haar opheft.

  • 4.

    Een verplichting tot geheimhouding wordt in acht genomen door allen die van de informatie kennis dragen. Een lid van het algemeen bestuur dat in strijd handelt met het tweede lid kan bij besluit van het algemeen bestuur ten hoogste drie maanden worden uitgesloten van het ontvangen van informatie ten aanzien waarvan een verplichting tot geheimhouding geldt.

  • 5.

    Het schenden van de geheimhoudingsplicht is een misdrijf (artikel 272 Wetboek van Strafrecht).

3.1

Het lid van het college van dijkgraaf en heemraden zorgt ervoor dat vertrouwelijke en geheime informatie waarover hij/zij beschikt veilig wordt bewaard.

3.2

Het lid van het college van dijkgraaf en heemraden maakt niet ten eigen bate of ten bate van derden gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen (nog) niet-openbare informatie.

 

Toelichting

3.1 Het is belangrijk de juiste maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden vertrouwelijke en/of geheime gegevens kunnen bezitten, raadplegen of beschadigen. Daarbij moet in de digitale setting worden gedacht aan de beveiliging van de computer, smartphones e.d. met wachtwoorden en het niet onbeheerd achterlaten van USB-sticks met vertrouwelijke/geheime informatie. Ook is bij deze bepaling te denken aan zorgvuldige omgang met informatie die niet geheim is verklaard, maar die wel zorgvuldige omgang behoeft, zoals persoonsgegevens.

 

4 Geschenken, faciliteiten, diensten, excursies, evenementen en andere uitnodigingen

Wettelijk kader

Afleggen eed of belofte

De eed of belofte die op grond van de artikelen 34 en 50 van de Waterschapswet moet worden afgelegd heeft onder meer betrekking op het geven, aannemen of beloven van giften, gunsten of geschenken.

4.1
  • 1.

    Het lid van het college van dijkgraaf en heemraden accepteert geen geschenken, faciliteiten en diensten aan als zijn onafhankelijke positie hierdoor kan worden beïnvloed.

  • 2.

    Het lid van het college van dijkgraaf en heemraden kan, tenzij het eerste lid van toepassing is, incidentele geschenken die een geschatte waarde van € 50 of minder vertegenwoordigen, behouden.

  • 3.

    Geschenken die het lid van het college van dijkgraaf en heemraden uit hoofde van zijn ambt ontvangt en die een geschatte waarde van meer dan € 50 vertegenwoordigen worden, indien zij niet worden teruggestuurd, geregistreerd en eigendom van het waterschap.

  • 4.

    De secretaris-directeur legt een register aan van de geschenken met een geschatte hogere waarde dan € 50. In het register is aangegeven welke bestemming het waterschap hieraan heeft gegeven. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.

  • 5.

    Het lid van het college van dijkgraaf en heemraden ontvangt geen geschenken op het woon/huisadres die verband houden of kunnen houden met zijn of haar functie als dijkgraaf of heemraad.

4.2
  • 1.

    Een lid van het college van dijkgraaf en heemraden accepteert en geeft geen lunches, diners, recepties en andere uitnodigingen die door anderen betaald of georganiseerd worden als zijn onafhankelijke positie hierdoor kan worden beïnvloed, tenzij dat behoort tot de uitoefening van de functie en de aanwezigheid beschouwd kan worden als functioneel.

  • 2.

    Bij twijfel legt het lid van het college van dijkgraaf en heemraden de uitnodiging ter bespreking voor aan het college van dijkgraaf en heemraden.

4.3
  • 1.

    Invitaties voor excursies, evenementen en buitenlandse reizen op rekening van anderen dan het waterschap legt het lid van het college van dijkgraaf en heemraden vooraf ter bespreking voor aan het college van dijkgraaf en heemraden.

  • 2.

    Het lid van het college van dijkgraaf en heemraden maakt de excursies en evenementen die hij/zij heeft aanvaard openbaar binnen één week nadat de excursie, dan wel het evenement heeft plaatsgevonden, onder vermelding van wie deze kosten voor zijn/hun rekening heeft/hebben genomen. De secretaris-directeur legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.

  • 3.

    De informatie over buitenlandse reizen voor rekening van derden wordt binnen één week na terugkeer in Nederland opgenomen in het register, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid.

     

    Toelichting

    4.1 Met onafhankelijk wordt bedoeld dat de bestuurder niet vatbaar wordt gemaakt voor beïnvloeding. In de gedragscode is het uitgangspunt dat geschenken, faciliteiten en diensten niet worden geaccepteerd als hiermee de onafhankelijke positie van de bestuurder kan worden beïnvloed. Dat is in ieder geval aan de orde in onderhandelingssituaties. Is daarvan geen sprake dan kunnen om praktische redenen incidentele kleine geschenken (met een geschatte waarde van €50 of minder) door de bestuurder worden aanvaard, echter nooit op het huisadres. Dit is een in de praktijk ontstaan gebruikelijk richtbedrag maar is geen scherpe grens. Er zijn omstandigheden denkbaar waar elk geschenk, ongeacht de waarde, onacceptabel is. Duurdere geschenken worden in elk geval niet aanvaard. Zij worden teruggestuurd of worden eigendom van de provincie/de gemeente/het waterschap die/dat zorgt voor een goede bestemming van het geschenk. In een openbaar register wordt opgenomen welke geschenken van meer dan €50 de het waterschap heeft aanvaard en welke bestemming daaraan is gegeven.

     

    4.2 Dit geldt ook voor werkbezoeken. Toch is het in het kader van het relatiebeheer van het waterschap niet ongebruikelijk dat geschenken worden gegeven en ontvangen. Het kan daarbij ook gaan om het uitnodigen van relaties voor een evenement, een excursie of diner, dan wel het aanvaarden van zodanige uitnodigingen van derden. Dat hoeft geen probleem te zijn zolang de onafhankelijkheid van de bestuurders niet in het geding is. Als uitgangspunt kan gelden, dat een geschenk, dat men in een bepaalde situatie (bijvoorbeeld een onderhandelingsfase) zelf niet zou geven, ook niet geaccepteerd behoort te worden. Timing en openheid zijn hier van belang.

     

    4.3 Het gaat hier om excursies en evenementen die betrokkene als lid van het college van dijkgraaf en heemraden aanvaardt. Excursies en evenementen in de hoedanigheid van lid van een politieke partij vallen hier niet onder. Bij 4.2 en 4.3. dienen eveneens als afwegingskader voor de motieven van de uitnodigende partij beoordeeld te worden. Het mag er niet om gaan de onafhankelijke positie van de bestuurders te beïnvloeden.

5 Gebruik van voorzieningen van het waterschap

Wettelijk kader

Geen andere inkomsten

Een bestuurder geniet geen andere vergoedingen ten laste van het waterschap dan die bij of krachtens de wet zijn toegestaan (artikelen 44 en 48 Waterschapswet).

5.1
  • 1.

    Het college van dijkgraaf en heemraden richt de financiële en administratieve organisatie zodanig in dat er een getrouw beeld mogelijk is van de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven, met heldere procedures over de wijze waarop functionele uitgaven rechtstreeks in rekening worden gebracht of kunnen worden gedeclareerd bij het waterschap.

  • 2.

    De leden van het college van dijkgraaf en heemraden verantwoorden zich over hun gebruik van de voorzieningen volgens de in het eerste lid vastgestelde regels en procedures.

5.2
  • 1.

    Een lid van het college van dijkgraaf en heemraden meldt het voornemen tot een buitenlandse dienstreis of een uitnodiging daartoe aan het college van het dagelijks bestuur. Hij/zij geef daarbij informatie over het doel en de duur van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap dat meereist, de geraamde kosten en de wijze waarop van de reis verslag wordt gedaan.

  • 2.

    Het lid van het college van dijkgraaf en heemraden meldt daarbij tevens als hij/zij voornemens is om de buitenlandse dienstreis voor privédoeleinden te verlengen. De extra kosten van de verlenging komen daarbij volledig voor eigen rekening.

5.3
  • 1.

    Een lid van het college van dijkgraaf en heemraden legt verantwoording af over afgelegde buitenlandse dienstreizen. Hij/zij maakt in ieder geval openbaar wat het doel, de bestemming en de duur van de buitenlandse dienstreis is geweest en wat daarvan de kosten waren voor het waterschap.

  • 2.

    De secretaris-directeur legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is opvraagbaar bij het waterschap.

5.4

Voor de toepassing van de artikelen 5.2 en 5.3 wordt onder buitenlandse dienstreis niet verstaan een dienstreis naar een Europese overheidsinstelling of een dienstreis naar een buurwaterschap in het buitenland.

5.5

Een lid van het college van dijkgraaf en heemraden declareert geen kosten die al op andere wijze worden vergoed.

5.6

Gebruik van voorzieningen en eigendommen van het waterschap ten eigen bate of ten bate van derden is niet toelaatbaar, tenzij dit wettelijk of volgens interne regels is toegestaan.

 

Toelichting

5.1 Aan bestuurders worden de voorzieningen, vergoedingen en andere verstrekkingen in bruikleen geboden die een goed functioneren van de bestuurders mogelijk maken. Wat betref de uitwerking van de principes van dit stelsel zou kunnen worden aangesloten bij de werkwijze in het Voorzieningenbesluit dat geldt voor ministers en staatssecretarissen:

  • a)

    in beginsel worden voorzieningen en verstrekkingen in bruikleen ter beschikking gesteld;

  • b)

    indien een voorziening of verstrekking niet in bruikleen ter beschikking kan worden gesteld, wordt de factuur direct ten laste van de begroting van het bestuursorgaan betaald;

  • c)

    het vergoeden van voorzieningen en verstrekkingen achteraf door het indienen van declaraties, wordt tot een minimum beperkt;

  • d)

    voorzieningen, verstrekkingen en declaraties worden maandelijks openbaar gemaakt op internet.

Uitgangspunt is hier dat zo weinig mogelijk uitgaven door de bestuurder zelf worden gedaan via zijn of haar privérekening. Geldstromen tussen de rekening van het bestuursorgaan en de persoonlijke rekening van de bestuurder maken een zwaardere controle op de uitgaven noodzakelijk. De bestuurder zal zich nauwgezet moeten houden aan de regels en procedures die er met het oog hierop voor hem/haar gelden.

 

5.2 en 5.3 Uitgangspunten zijn hier eigen verantwoordelijkheid, transparantie en bereidheid om verantwoording af te leggen. De beoordeling van de noodzaak van de buitenlandse dienstreis ligt bij het dagelijks bestuur. Ingevolge 5.4 gelden de bepalingen van 5.2 en 5.3 niet voor de meer reguliere (buitenlandse) dienstreizen naar een Europese instelling of een dienstreis naar een buurwaterschap in het buitenland. Voor dergelijke (buitenlandse) reizen vormen deze bepalingen wel een belangrijk richtsnoer.

 

Buitenlandse reizen die worden gemaakt ten behoeve van de politieke partij zijn geen ‘dienstreizen’ en vallen dus niet onder 5.2 en 5.3 en komen niet ten laste van het waterschap.

 

Zie paragraaf 5.3lid 1. voor een uitgebreide toelichting over de regels met betrekking tot verlenging van dienstreizen. Hierbij kan worden aangesloten hetgeen voor rijksambtenaren in de CAO-Rijk is afgesproken over verlengen van een buitenlandse dienstreis wegens privéomstandigheden. De verlenging bedraagt maximaal 72 uur, de meerkosten voor reis en verblijf worden zelf betaald en eventuele besparingen zijn voor het waterschap. Het verlengen van uw dienstreis voor privédoeleinden aan het begin van uw dienstreis is niet toegestaan als u eerder dan noodzakelijk vertrekt om te herstellen van de reis of om te acclimatiseren aan de lokale omstandigheden.

5.6 Stelregel is dat privégebruik van waterschappelijke voorzieningen niet is toegestaan. Wel hebben organisaties mogelijk een specifieke regeling die privégebruik van bedrijfsmiddelen reguleert.

6 Uitvoering gedragscode

6.1

Het algemeen bestuur bevordert de eenduidige interpretatie van de gedragscode. Ingeval van leemtes en onduidelijkheden in de gedragscode voorziet het algemeen bestuur daarin.

6.2
  • 1.

    Het dagelijks bestuur bespreekt periodiek het onderwerp integriteit en streeft ernaar dat minimaal eens per jaar te doen.

  • 2.

    Leden van het dagelijks bestuur dragen zelf de verantwoordelijkheid voor de actualiteit van het overzicht van hun nevenfuncties en neveninkomsten. Nevenfuncties en wijzigingen daarin geven zij onverwijld door aan de secretaris-directeur, zodat het openbare overzicht actueel blijft.

6.3
  • 1.

    Op voorstel van de dijkgraaf maakt het algemeen bestuur afspraken over de processtappen die worden gevolgd in geval van een vermoeden van een integriteitsschending van een politieke ambtsdrager van het waterschap.

  • 2.

    In het geval van een integriteitsonderzoek door een extern bureau wordt alleen gebruik gemaakt van gecertificeerde onderzoeksbureaus en wordt erop toegezien dat de onderzoekers onbevooroordeeld en niet verbonden zijn aan de betrokken actoren.

     

    De afspraken als bedoeld onder 1, worden vastgelegd in een bijlage die onderdeel uitmaakt van de gedragscode.

     

    Toelichting

     

    Het algemeen bestuur is het hoogste bestuursorgaan en als zodanig verantwoordelijk voor de inhoud van de gedragscode en voor een eenduidige interpretatie daarvan. En voor wijziging/aanvulling daarvan bij leemtes of onduidelijkheden.

     

    De Waterschapswet verplicht het algemeen bestuur om voor zichzelf en voor de bestuurders een gedragscode vast te stellen. Aanvullend op de wettelijke regels die gelden voor politieke ambtsdragers, bevat de gedragscode een aantal materiële normen waaraan de politieke ambtsdragers zich committeren. De dijkgraaf heeft de wettelijke taak om de bestuurlijke integriteit van zijn of haar waterschap te bevorderen (Art. 94 lid 2 Waterschapswet). Hiermee is de verantwoordelijkheid voor de portefeuille ‘integriteit’ duidelijk belegd. De wettelijke bepalingen bieden de ruimte om naar gelang de situatie handelend op te treden, waarbij niet alleen gedacht moet worden aan het optreden bij incidenten. Belangrijk onderdeel is ook de preventie: ervoor zorgen dat integriteit en integriteitsbewustzijn in de bestuurlijke gremia besproken blijven en daarbij afspraken maken over een regelmatige bespreking, bijvoorbeeld een of twee keer per jaar, van het thema integriteit, zowel met de volksvertegenwoordiging als binnen het bestuur

     

    De dijkgraaf hoef hier niet alleen voor te staan. Een daartoe aangewezen contactpersoon of vertrouwenspersoon kan hier in relatie tot het algemeen bestuur eveneens een belangrijke rol in spelen. Goed denkbaar is ook dat het algemeen bestuur met dijkgraaf nadere afspraken maakt over de werkwijze die wordt gevolgd ingeval zich een incident of een vermoeden van een integriteitsschending voordoet. Dat geef houvast en rust op het moment dat er gehandeld dient te worden. Het algemeen bestuur van het waterschap kan zelf onderling ook afspraken maken over hoe je elkaar aanspreekt.

     

    Al deze processuele en procedurele afspraken zijn terug te vinden in de bijlage die onderdeel uitmaakt van de gedragscode.

Naar boven