Waterschapsblad van Waterschap Noorderzijlvest
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
---|---|---|---|---|
Waterschap Noorderzijlvest | Waterschapsblad 2024, 15676 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
---|---|---|---|---|
Waterschap Noorderzijlvest | Waterschapsblad 2024, 15676 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het dagelijks bestuur,
Overwegende dat,
- de juridische regels in de Waterschapsverordening zijn gebaseerd op in de Waterschapswet en Omgevingswet opgenomen functionele taken van het waterschap en de daaruit afgeleide doelen;
- de juridische regels in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) worden ontsloten via ‘Regels op de Kaart’;
- de juridische regels niet in strijd mogen zijn met het Nederlands of internationaal recht;
- onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de juridische regels voorkomen dienen te worden;
- omissies in de juridische regels hersteld dienen te worden;
- juridische regels in de Waterschapsverordening geactualiseerd dienen te worden wanneer nieuwe of verbeterde regels nodig zijn vanuit het oogpunt van het watersysteem- en/of zuiveringsbeheer;
Maakt, na beraadslaging tijdens zijn vergadering d.d. 16 juli 2024 bekend de hiernavolgende onderdelen van de Waterschapsverordening te wijzigen:
De regeling 'Waterschapsverordening waterschap Noorderzijlvest 2023 ' wordt gewijzigd zoals aangegeven in Bijlage A.
Deze wijziging treedt in werking op de eerste dag nadat die bekend is gemaakt in het Waterschapsblad van waterschap Noorderzijlvest op officielebekendmakingen.nl.
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze verordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
de activiteit waarbij een initiatiefnemer overgaat tot het aanbrengen, plaatsen, maken, bouwen, realiseren, construeren of (significant) wijzigen van een (waterstaats)werk of object, niet zijnde wijzigingen die plaatsvinden ten behoeve van het beheer en onderhoud van het werk of het object
een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk bij het waterschap ingediend verzoek om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een activiteit
een bepaalde werkzaamheid of verrichting
uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de Waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten
door het waterschap algemeen bepaalde verplichtingen van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige geldend voor het gehele beheergebied ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
een geometrisch begrensd gebied, dat bij Waterschapsverordening is aangewezen, waar (algemene) regels en plichten gelden voor activiteiten die in deze gebieden plaatsvinden (en) voor de instandhouding en ter bescherming van de in of nabij deze gebieden aanwezige waterstaatswerken, zuiveringtechnische werken en grondwaterlichamen
een door de provincie aangewezen gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat in tijden van hoge waterstanden ingezet kan worden ter verruiming van de waterbergingscapaciteit van het watersysteem
aan een waterstaats- of zuiveringtechnisch werk grenzende zone, aan te wijzen als beperkingengebied, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden
het algemeen of dagelijks bestuur van waterschap Noorderzijlvest
een gebied van tenminste 250 m2 dat van nature binnen de invloedssfeer ligt van een oppervlaktewaterlichaam, dat niet onder water staat, maar bij verhoogde waterstanden kan inunderen en water kan bergen
al het water dat zich onder het bodemoppervlak bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat
een afzonderlijke grondwatermassa in één of meer watervoerende lagen
de verplichting om het waterschap op de hoogte te brengen van een aangelegenheid die het waterschap aangaat
degene die een activiteit uitvoert of laat uitvoeren
het gebied dat gerekend wordt tot de waterkering, zijnde een dijklichaam, dat wordt begrensd door de binnenteen en de buitenteen van het dijklichaam
openbaar register van door het waterschap aangewezen onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen, gepubliceerd als een digitale kaart
openbaar register van waterstaatswerken in beheer van het waterschap, gepubliceerd als een digitale kaart
het brengen van (afval)water of andere stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk
een kunstmatige of natuurlijke afvoer van (afval)water of andere stoffen
een neerslagsituatie die 1 à 2 keer per jaar voorkomt waarbij een afvoer ontstaat waarop het watersysteem is ingericht
een via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk ingediende mededeling van een initiatief om een activiteit uit te voeren
de verplichting om van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschap melding te doen
een beschikking inhoudende een besluit met daarin toestemming voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten in een beperkingengebied van het waterschap
een civiel technisch werk of grondlichaam dat in zijn functie ten dienste staat van het watersysteembeheer
het vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen
een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, en de bijbehorende bodem en oevers, alsmede flora en fauna
een door het waterschap aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
een begrensd gebied waarbinnen eenzelfde waterpeil geldt
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning
een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam met een belangrijke functie in de aan- en afvoer van water en in de waterberging dat:
in een maatgevende situatie een afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde; of
voorziet in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat.
een door het Rijk aangewezen, door mensen aangelegde verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door zeewater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
de vrij te houden ruimte bij een waterstaatwerk, aan te wijzen als beperkingengebied, die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen
een door de provincie aangewezen, door mensen aangelegde of van nature aanwezige verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen door boezemwater, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; kademuren; of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam, dat direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de:
activiteitgebonden uitvoeringsvoorschriften of -voorwaarden die gelden voor de in de waterschapsverordening opgenomen toestemmingsvrije, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten
door het waterschap bepaalde activiteitgebonden verplichtingen van een initiatiefnemer geldend voor de uitvoering van een activiteit in de daartoe aangewezen beperkingengebieden ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
de na te streven waterstand in een peilgebied, al dan niet met een bandbreedte, waarvoor een peilbesluit is genomen of een omgevingsvergunning is verleend
een door het waterschap aangewezen oppervlaktewaterlichaam dat:
direct of indirect in verbinding staat met andere oppervlaktewaterlichamen en een functie heeft in de afvoer van water van percelen van één belanghebbende; of
geen functie heeft in de aan- en afvoer van water en in de waterberging, maar wel van enig substantiële omvang is voor een doelmatige bescherming en verbetering van de fysisch-chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem.
een activiteit die mag worden uitgevoerd zonder melding of omgevingsvergunning
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand die jaarrond hetzelfde is, zijnde een streefpeil of praktijkpeil
de verplichting om voordat tot uitvoering van een activiteit in een beperkingengebied van het waterschap wordt overgegaan, hiervoor toestemming te verkrijgen van het waterschap in de vorm van een omgevingsvergunning
een door mensen aangelegde of een natuurlijke verhoging in het landschap, die het achterliggende land beschermt tegen overstromingen, in de vorm van: een dijk, zijnde een grondlichaam; van nature aanwezige hoge gronden; damwanden; coupures; kademuren of andere bouwwerken die dienst kunnen doen als waterkering
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand al dan niet met een bandbreedte, zijnde een streefpeil dat is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning of een praktijkpeil dat in de dagelijkse praktijk heerst en niet is vastgesteld in een peilbesluit of in een omgevingsvergunning, nader te onderscheiden in een zomer- of winterpeil of in een vast peil
openbaar lichaam welke de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel heeft
de (waterschaps)verordening van het waterschap Noorderzijlvest die op grond van de Waterschapswet en Omgevingswet is vastgesteld
oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk
samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken
samenstel van aan watersystemen verbonden taken, gericht op het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van die watersystemen en de vervulling van de op grond van deze wet aan die watersystemen toegekende maatschappelijke functies
alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of lichamen met eventuele toebehoren
het gebied, zoals dat geometrisch wordt begrensd, waar een regel of plicht uit deze verordening werking heeft
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagoverschot
de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand gedurende een bepaalde periode van het jaar wanneer doorgaans sprake is van een neerslagtekort
verplichting van een initiatiefnemer of onderhoudsplichtige tot handelen of nalaten ter borging van de doelen van het watersysteem- of zuiveringsbeheer
de exploitatie van zuiveringtechnische werken, die in beheer zijn van het waterschap, gericht op het zuiveren van stedelijk afvalwater
een werk voor het transport van of het zuiveren van afvalwater, dat in beheer is bij het waterschap
In bijlage 1 van deze verordening is, voor de toepassing van deze verordening, de uitleg van het specifieke begrippenkader opgenomen.
Voor de regels in deze verordening geldt dat het begrip ‘’waterschap’’ betekent: waterschap Noorderzijlvest, het dagelijks bestuur en/of het algemeen bestuur van waterschap Noorderzijlvest.
B
Artikel 2.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of bij (omgevings)vergunning, bij projectplan, bij (project)besluit, bij overeenkomst of bij andere onderhoudsregelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10:
het gewoon en buitengewoon onderhoud van ondersteunende (kunst)werken, die zijn aangelegd in beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen, in beperkingengebied I van bergingsgebieden, in beperkingengebied I van primaire waterkeringen en in beperkingengebied I van regionale waterkeringen of in beperkingengebied I van overige waterkeringen en voor zover daarvan sprake is, in het dijktalud in beperkingengebied II van regionale en overige waterkeringen, bij het waterschap;
het gewoon en buitengewoon onderhoud van ondersteunende (kunst)werken, die zijn aangelegd in beperkingengebied I van secundaire oppervlaktewaterlichamen en in beperkingengebied I van tertiaire oppervlaktewaterlichamen, bij de (aangrenzend) eigenaar of (aangrenzend) eigenaren van de kadastrale percelen waar het werk gelegen is of de daartoe gerechtigde(n), uitgezonderd de ondersteunende (kunst)werken die zijn aangelegd in beperkingengebied I van de in beperkingengebied I van bergingsgebieden voorkomende secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen.
In afwijking van het eerste lid en tenzij in de legger, bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet of bij (omgevings)vergunning, bij projectplan, bij (project)besluit, bij overeenkomst of bij andere onderhoudsregelingen een ander als onderhoudsplichtige is aangewezen, berust(en), met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.10:
het gewoon onderhoud van duikers, die zijn aangelegd in beperkingengebied I van primaire oppervlaktewaterlichamen, bij de onderhoudsplichtige van het primaire oppervlaktewaterlichaam;
het gewoon onderhoud van duikers, die zijn aangelegd in beperkingengebied I van secundaire oppervlaktewaterlichamen en tertiaire oppervlaktewaterlichamen, bij de eigenaar van het kadastraal perceel van het oppervlaktewaterlichaam of de daartoe gerechtigden.
het buitengewoon onderhoud van duikers die zijn aangelegd in beperkingengebied I van: primaire oppervlaktewaterlichamen, bij de belanghebbende(n).
primaire oppervlaktewaterlichamen, bij de belanghebbende(n);
secundaire oppervlaktewaterlichamen en tertiaire oppervlaktewaterlichamen, bij de eigenaar van het kadastraal perceel van het oppervlaktewaterlichaam of de daartoe gerechtigden.
C
Artikel 2.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In geval van schaarste of een overvloed aan oppervlakte- of grondwater, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in het ongerede raken van een waterstaatswerk of zuiveringtechnisch werk, dan wel indien een zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het waterschap, overeenkomstig artikel 19.15, van de Omgevingswet, voor een bepaalde periode, mogelijk in afwijking van door het waterschap verleende (omgevings)vergunningen, door het waterschap vastgestelde projectplannen, projectbesluiten en peilbesluiten, de in hoofdstuk 3, van deze verordening bedoelde algemene (uitvoerings)regels en specifieke uitvoeringsregels en de in hoofdstuk 2, van deze verordening bedoelde regels voor het beheer en onderhoud:
verbieden: water af te voeren naar of water aan te voeren uit oppervlaktewaterlichamen; (afval)water te lozen op of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen; grondwater te onttrekken aan of water te infiltreren in grondwaterlichamen; afvalwater te lozen op zuiveringtechnische werken;
oppervlaktewaterlichamen stremmen voor het vaarverkeer;
waterkeringen afsluiten;
instellingen van peilregulerende werken zodanig aanpassen dat het bijdraagt aan het beheersen van de calamiteit;
ondersteunende (kunst)werken, overige (kunst)werken of zuiveringtechnische werken buiten gebruik stellen;
bergingsgebieden, noodoverloopgebieden, droge oevergebieden en buitendijks gelegen gebieden laten inunderen;
werken realiseren, maatregelen treffen of werkzaamheden uitvoeren op of nabij waterstaatswerken of zuiveringtechnische werken.
D
Artikel 3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor alle activiteiten die plaatsvinden in een beperkingengebied, bedoeld in artikel 1.10, die het waterschap op grond van algemene regels toestemmingsvrij, na een melding of middels een omgevingsvergunning toestaat dan wel hiervoor een projectbesluit heeft vastgesteld, geldt, tenzij anders wordt vermeld, dat:
de initiatiefnemer, die een melding heeft gedaan, een omgevingsvergunning of een projectbesluit heeft voor een activiteit:
ten minste 5 dagen voor de datum waarop de activiteit aanvangt, het waterschap informeert over de start van de activiteit;
het waterschap informeert over hulpconstructies en hulpwerken die ten behoeve van de activiteit worden aangelegd of geplaatst;
direct na afronding van de activiteit, het waterschap informeert over de afronding van de activiteit;
het waterschap direct informeert over schade aan waterstaatswerken of zuiveringtechnische werken als gevolg van zijn handelen of nalaten;
direct na afronding van de activiteit, zorgt voor het opruimen en afvoeren van alle gebruikte werktuigen, materialen, (hulp)werken en afval;
het waterschap informeert over ongewone voorvallen, bedoeld in artikel 2.27;
die, door ongewone voorvallen, calamiteiten of bijzondere omstandigheden, niet aan de door het waterschap gestelde algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels en voorschriftenmaatwerk- of vergunningvoorschriften kan voldoen, het waterschap direct hierover informeert.
ingeval een omgevingsvergunning is verleend of een projectbesluit is vastgesteld, een exemplaar van de vergunning of het projectbesluit, voor zover mogelijk, aanwezig is op de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd;
de initiatiefnemer die een (ondersteunend) (kunst)werk aanlegt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, primaire, regionale- of overige waterkering of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, het risico aanvaart dat het werk op aanzegging van het waterschap (tijdelijk) aangepast of verwijderd moet worden indien dit nodig is in het belang van het watersysteem- of zuiveringsbeheer.
Voor de activiteiten, bedoeld in titel 3.5, geldt ingeval van bemonstering dat:
op het bemonsteren van afvalwater, waarbij het monster niet is gefiltreerd, NEN 6600-1 van toepassing is of de NEN-uitgave die deze vervangt;
op het conserveren van een monster NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing is of de NEN-uitgave die deze vervangt;
bij het analyseren van een monster de volgende NEN-EN en/of ISO-normen van toepassing zijn of de NEN-uitgaven die deze vervangen:
voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor biochemische zuurstofverbruik ISO 5815-1/2 of NEN- EN 1899-1/2; en
voor chemische zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.
voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN- ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923;
voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en
voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.
voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN- EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN- ISO 15587-2;
voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.;
voor totale organische koolstof: NEN-EN-ISO 20236.
voor zover het een lozing van effluent afkomstig van een rioolwaterzuiveringsinstallatie op beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam betreft, dat bij het analyseren van het monster, in afwijking van artikel 4.608 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de emissiegrenswaarde voor chemisch zuurstofverbruik, bedoeld in Tabel 4.608a van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelijkgesteld wordt aan drie keer de gemeten waarde van totale organische koolstof;
ingeval het afvalwater is gezuiverd door middel van een Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA), afhankelijk van de IBA Klasse, NEN-EN 12566-1 of NEN-EN 12566-3 is gebruikt of de NEN-uitgaven die deze vervangen;
ingeval van het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie NEN-EN 13284-1 is gebruikt of de NEN-uitgaven die deze vervangen.
E
Artikel 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift is een besluit met daarin één of meerdere aanvullende of afwijkende algemene (uitvoerings)regelsspecifieke uitvoeringsregels voor de uitvoering van deeen activiteit.
Een vergunningvoorschrift is een algemene (uitvoerings)regelspecifieke uitvoeringsregel die in een omgevingsvergunning wordt opgenomen ter aanvulling op of in afwijking van de in hoofdstuk 1, titel 1.4, opgenomen algemene zorgplichten, de in titel 3.23.1 tot en met titel 3.6 en de in bijlage 5 opgenomen specifieke zorgplichten, algemene of algemene (uitvoerings)regelsspecifieke uitvoeringsregels.
In aanvulling op of in afwijking van de in hoofdstuk 1, titel 1.4, opgenomen algemene zorgplichten, de in titel 3.23.1 tot en met titel 3.6 en de in bijlage 5 opgenomen specifieke zorgplichten, algemene of algemene (uitvoerings)regelsspecifieke uitvoeringsregels, kan het waterschap, ambtshalve of op aanvraag van een initiatiefnemer, met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 1.4 tot en met artikel 1.8, van deze verordening, een maatwerkvoorschrift opleggen of vergunningvoorschriften opnemen in een te verlenen omgevingsvergunning.
In een maatwerkvoorschrift of in een omgevingsvergunning kan voor bepaalde specifieke of algemene (uitvoerings)regelsuitvoeringsregels een uitvoeringstermijn worden opgenomen.
F
Artikel 3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor een andere activiteit dan waarvoor in dit hoofdstuk en in bijlage 5 regels zijn gesteld, die plaatsvindt in beperkingengebied B of beperkingengebied C geldt een vergunningplicht.
De vergunningplicht, bedoeld in het eerste lid geldt niet voor:
het lozen van stoffen of een warmtevracht op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
het lozen van stoffen of een warmtevracht afkomstig van wonen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit, bedoeld in het eerste lid:
zijn de artikelen: 3.1, 3.2, 3.5 en 3.6 onverkort van toepassing;
worden de in artikel 3.4, eerste lid, onder a tot en met j, opgenomen gegevens en bescheiden verstrekt;
voor zover die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een waterkering worden de in artikel 3.4, tweede lid, onder a tot en met c, opgenomen gegevens en bescheiden verstrekt;
voor zover het een lozingsactiviteit betreft, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, in beperkingengebied C-I van rioolwaterzuiveringsinstallaties, in beperkingengebied C-II van rioolgemalen, of in beperkingengebied C-III van persleidingen worden de volgende aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt:
het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater;
de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden;
een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;
een riooltekening;
de locaties van de lozingspunten;
de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;
een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;
de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd;
de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.
De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in titel 1.4 niet geschonden worden;
de activiteit niet buiten de in artikel 1.10 bedoelde beperkingengebieden kan plaatsvinden;
voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan.
Het waterschap kan voor een activiteit, bedoeld in titels 3.2 tot en met 3.6 en in bijlage 5, en voor een andere dan de hierin bedoelde activiteiten, die plaatsvindt in een door het waterschap in artikel 1.10 aangewezen beperkingengebied, een algeheel verbod opleggen, dat geldt voor één of meerdere beperkingengebieden of specifiek aangewezen gebieden binnen één of meerdere beperkingengebieden.
Het opleggen van een algeheel verbod, bedoeld in het vijfde lid, geschiedt bij deze verordening, mits sprake is van een calamiteit, bedoeld in artikel 2.28.
G
Artikel 3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.8, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, geldt dat er geen uitlogende materialen gebruikt worden die kunnen leiden tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit of vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.8, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
H
Artikel 3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.13, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.13, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
I
Artikel 3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.18, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.18, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
J
Artikel 3.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.23, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.23, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, geldt dat er geen uitlogende materialen gebruikt worden die kunnen leiden tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit of vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.23, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
K
Artikel 3.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
de reden waarom de activiteit niet buiten de beperkingengebieden kan plaatsvinden;
een constructietekening met een opgave van de afmetingen van het bouwwerk.
L
Artikel 3.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.28, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
de brug of de overkluizing zo wordt aangelegd dat die niet kan vervormen of verzakken;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die kunnen leiden tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit of vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem
ingeval het oppervlaktewaterlichaam, waarvan het waterschap geen vaarwegbeheerder is, een maatschappelijke functie vervult, de brug of overkluizing een doorvaarthoogte en doorvaartbreedte heeft die passend zijn voor de maatschappelijke functie van het oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.28, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
M
Artikel 3.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.33, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
een constructietekening met een opgave van de afmetingen en de constructie van het werk;
voor oppervlaktewaterlichamen waarvan het waterschap geen vaarwegbeheerder is, informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de voor deze functie vereiste minimale doorvaarthoogte en doorvaartbreedte van de brug of overkluizing.
N
Artikel 3.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
voor zover een bestaande dam zonder duiker verbreed wordt, dat een duiker wordt aangelegd die voldoet aan de in deze paragraaf opgenomen regels;
voor zover een bestaande dam met duiker verbreed wordt, dat de duiker voldoet aan de in deze paragraaf opgenomen regels;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die kunnen leiden tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit of vermindering van de ecologische waarde van het watersysteem;
ingeval beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam wordt doorkruist en onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam vanaf de kant plaatsvindt:
de dam een minimale bovenbreedte heeft van 4 meter;
de kruinhoogte van de dam overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen;
de duiker een gronddekking heeft van tenminste 0,50 meter.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de duiker zonder knikpunten of bochten wordt aangelegd of verlengd;
de duiker zo wordt aangelegd of verlengd dat deze niet kan vervormen of verzakken;
de as van de duiker in het midden van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd;
ter hoogte en binnen 5 meter aan weerszijden van de dam, de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie tot aan de vaste bodem wordt verwijderd of bij afwezigheid daarvan, voor zover de stabiliteit van het nieuwe talud, de dam en duiker van het oppervlaktewaterlichaam voldoende geborgd is;
in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen aangepast worden om vrije lozing te waarborgen;
ingeval de dam breder wordt dan 12 meter, het verlies aan waterbergingscapaciteit ten gevolge van het deel breder dan 12 meter wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor;
ingeval de activiteit leidt tot één of meerdere extra dammen naar een aaneengesloten perceel dat reeds door een dam ontsloten wordt, de door de aanleg van de extra dam of dammen verloren gegane waterbergingscapaciteit wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor;
ingeval de activiteit leidt tot een dam ten behoeve van een ander doel dan het ontsluiten van een perceel, de door de aanleg van de dam verloren gegane waterbergingscapaciteit wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.35, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de afstand tussen twee duikers gemeten in de lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 5 meter bedraagt.
O
Artikel 3.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.42, voor zover het dempen van beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam betreft, geldt dat:
vis wordt verplaatst als de vis vanwege de demping geen uitweg heeft of als het watersysteem vanwege de demping de hoeveelheid en samenstelling van de vispopulatie niet meer kan dragen;
het dempen niet leidt tot het afsluiten van andere oppervlaktewaterlichamen;
een doodlopend oppervlaktewaterlichaam vanaf de kopse kant wordt gedempt;
binnen 5 meter van de als gevolg van de demping ontstane nieuwe taluds de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie wordt verwijderd.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.42, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair of in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, geldt dat direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de demping, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor.
P
Artikel 3.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.51, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
een situatietekening waaropconstructietekening van het gemaal zelf, met de afmetingen en, de hoogten ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen van het gemaal zijn weergegeven;
een opgave en onderbouwing van de pompcapaciteit van het gemaal;
ingeval van het aanleggen van een afvoergemaal, een opgave van het waterpeil aan de laagwaterzijde van het gemaal of ingeval van het aanleggen van een opmalingsgemaal een opgave van het waterpeil aan de hoogwaterzijde van het gemaal;
een overzicht van het bemalingsgebied;
een objectbedieningsplan;
ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;
ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en een tekening van een andere geschikte maatregel om het gemaal vispasseerbaar te maken;
een opgave van de wijze waarop het gemaal visveilig zal zijn.
Q
Artikel 3.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.53, geldt dat:
ingeval het nieuwe oppervlaktewater een functie heeft in de aan- en afvoer van water van percelen van één of meerdere belanghebbenden en in de waterberging:
de bodembreedte minimaal 0,50 meter is;
ingeval van een bodembreedte tot 1,50 meter, de waterdiepte minimaal 0,50 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;
ingeval van een bodembreedte vanaf 1,50 meter tot 3 meter, de waterdiepte minimaal 0,75 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;
ingeval van een bodembreedte vanaf 3 meter, de waterdiepte minimaal 1 meter bedraagt ten opzichte van het winterpeil of vast peil;
taluds zo worden aangelegd dat ze robuust zijn.
ingeval het nieuwe oppervlaktewater een functie heeft om tenminste 50 liter water per seconde af te voeren in een maatgevende situatie of gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, de taluds een hoogte-breedte verhouding hebben van 1:1,5 of flauwer.
ingeval het nieuwe oppervlaktewater in verbinding wordt gebracht met beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam en voor zover beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam wordt doorkruist, waarbij onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam vanaf de kant plaatsvindt, een dam met duiker of een peilscheidende dam wordt aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 meter en een minimale kruinhoogte van de dam die overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen.
bij een vergroting van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam en beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam:
ter plaatse aanwezige (kunst)werken worden verplaatst of aangepast en buiten functie geraakte (kunst)werken uit het oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd;
in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort worden om vrije lozing te waarborgen.
ingeval van verbreding ter compensatie van verloren gegane waterbergingscapaciteit, het oppervlaktewaterlichaam met tenminste 25 centimeter wordt verbreed.
bij een vergroting van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam:
de taluds een hoogte-breedte verhouding hebben van 1:1,5 of flauwer;
de taluds die reeds een hoogte-breedte verhouding van 1:1,5 hebben of flauwer zijn, niet steiler worden;
in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen ingekort worden om vrije lozing te waarborgen.
bij een vergroting van beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam:
ter hoogte van de aansluiting op beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, er een graduele overgang ofwel een nette en geleidelijke aansluiting op het bestaande oppervlaktewaterlichaam wordt gerealiseerd.
R
Artikel 3.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.53, die plaatsvindt in:
beperkingengebied A, voor zover het betreft:
het aanleggen van nieuw oppervlaktewater dat binnen hetzelfde peilgebied in verbinding wordt gebracht met beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, waarbij het nieuwe oppervlaktewater een beoogd afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde in een maatgevende situatie of gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat; of
het aanleggen van nieuw oppervlaktewater, waarbij door de grens van een peilgebied wordt gegraven; of
het aanleggen van nieuw oppervlaktewater, waarbij beperkingengebieden I van oppervlaktewaterlichamen van verschillende peilgebieden met elkaar in verbinding worden gebracht.
beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het betreft het vergroten van beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.54, niet geschonden worden;
ingeval in afwijking van artikel 3.54, aanhef en onder b, de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil of de activiteit in overeenstemming is met een maatregel uit een peilbesluit;
dat een nieuw oppervlaktewater, dat een beoogd afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde in een maatgevende situatie of dat gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, voldoende doorstroomoppervlak en de juiste bodemhoogteligging heeft om de door het waterschap gewenste doorstroming te waarborgen;
de taluds robuust worden aangelegd;
ingeval van het graven door de grens van een peilgebied, dit past binnen de kaders van het waterbeheerbeleid van het waterschap;
ingeval van een nieuw oppervlaktewater dat een beoogd afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde in een maatgevende situatie of dat gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, machinaal onderhoud vanaf de kant kan plaatsvinden of, als dit niet mogelijk is, voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan;
ingeval van een potentieel nieuw oppervlaktewater dat een beoogd afvoerdebiet heeft van tenminste 50 liter per seconde in een maatgevende situatie of dat gaat voorzien in de primaire wateraanvoer vanaf of naar een inlaat, dat van insteek tot insteek tenminste 16 meter breedte is, het onderhoud varend kan worden uitgevoerd;
een ten gevolge van de activiteit te wijzigen begrenzing van de beperkingengebieden niet tot onacceptabele situaties leidt.
S
Artikel 3.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de omvang van ontgravingen en grondroeringen tot een minimum wordt beperkt;
ontstane gaten na afronding van de activiteit volledig worden gevuld;
geperforeerde slecht doorlatende grondlagen worden hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.60, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
T
Artikel 3.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.67, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
een weergave van het gebied dat onder invloed is van de inlaat;
een situatietekeningconstructietekening waarop de inlaat, de afmetingen van de inlaat, de hoogtematen van de constructie ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen van de inlaat zijn weergegeven;
ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een onderbouwing van de toe te passen doorstroomcapaciteit van de inlaat;
ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;
een opgave van de wijze waarop de inlaat visveilig zal zijn.
U
Artikel 3.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de afstand van de kabel of leiding tot duikers tenminste een halve meter bedraagt;
de afstand van de kabel of leiding tot kunstwerken anders dan duikers, inclusief eventueel aanwezige fundering, tenminste vijf meter bedraagt tenzij de kabel of leiding ten behoeve van het betreffende kunstwerk wordt aangelegd;
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
voor zover de activiteit middels een boring plaatsvindt, bij opbarsting of kwelvorming, het waterschap onmiddellijk wordt geïnformeerd en maatregelen worden getroffen om de opbarsting of kwelvorming direct en zoveel mogelijk teniet te doen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.69, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een tertiair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat kabels en leidingen bij het kruisen van het oppervlaktewaterlichaam tenminste een halve meter onder de vaste bodem worden gelegd.
V
Artikel 3.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
het object zo wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen, verzakken of op drift raakt.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied geldt dat:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.74, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
W
Artikel 3.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de uiteinden van de lozingsvoorzieningen in dezelfde hoek als het talud afgezaagd worden;
ingeval de activiteit kan leiden tot aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht;
de lozingsvoorziening wordt verwijderd als deze geen functie meer heeft;.
ingeval van niet-continue lozing van water op dezelfde lozingslocatie die bij herhaling plaatsvindt, de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat feitelijk geloosd wordt, geïnformeerd wordt over de locatie van de lozing, de hoeveelheid te lozen water in m3 per uur en de periode van het jaar waarin de lozing van water plaatsvindt.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld;
ingeval van het plaatsen van een separate bemonsteringsvoorziening, dit geen obstakel vormt voor het machinaal onderhoud van beperkingengebied I van het primair oppervlaktewaterlichaam.
X
Artikel 3.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.81, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, waarbij 30 m3 water per uur of meer wordt geloosd.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat ingeval van niet-continue lozing van water op dezelfde lozingslocatie die bij herhaling plaatsvindt, de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat feitelijk geloosd wordt, geïnformeerd wordt over de locatie van de lozing, de hoeveelheid te lozen water in m3 per uur en de periode van het jaar waarin de lozing van water plaatsvindt.
Y
Artikel 3.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
voor de aansluiting van de natuurvriendelijke oever op bestaande oppervlaktewaterlichamen een graduele overgang wordt aangelegd;
niet door een peilgrens wordt gegraven.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.86, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
als de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam dat aansluit op een primair oppervlaktewaterlichaam, waarbij beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam wordt doorkruist en onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam vanaf de kant plaatsvindt, een dam met duiker of een peilscheidende dam wordt aangelegd met een bovenbreedte van minimaal 4 meter en een minimale kruinhoogte van de dam die overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen;
ter plaatse aanwezige oeververdedigingswerken uit het oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd of naar beneden geduwd.
Z
Artikel 3.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, geldt dat:
de aanleg van een natuurvriendelijke oever of verflauwing van het talud in plaats van een oeververdedigingswerk onwenselijk of onmogelijk is;
geen verkleining van het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt;
ingeval een bestaand oeververdedigingswerk vervangen dient te worden:
het bestaande oeververdedigingswerk wordt verwijderd; of
wanneer verwijdering van het bestaande oeververdedigingswerk, vanwege zwaarwegende belangen, onmogelijk is, het nieuwe oeververdedigingswerk mogelijk in afwijking van het bepaalde onder b, direct tegen het bestaande oeververdedigingswerk wordt aangelegd.
ingeval een nieuw oeververdedigingswerk direct tegen het bestaande oeververdedigingswerk wordt aangelegd, de bestaande gordingen zoveel mogelijk worden verwijderd;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
ter plaatse van het oeververdedigingswerk in het oppervlaktewaterlichaam uitkomende lozingsvoorzieningen aangepast worden om vrije lozing te waarborgen.
AA
Artikel 3.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.93, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.94, niet geschonden worden;
in plaats van een oeververdedigingswerk een natuurvriendelijke oever of een flauw talud met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ of flauwer onmogelijk of onwenselijk is; en
de activiteit noodzakelijk is ter ondersteuning van waterstaatswerken; of
substantiële en niet te herstellen afkalving van oever of talud heeft plaatsgevonden; of
een risico op versnelde afkalving van oever of talud bestaat; of
ingeval de activiteit niet noodzakelijk is ter ondersteuning van waterstaatswerken, er geen substantiële en niet te herstellen afkalving van oever of talud heeft plaatsgevonden en er geen risico op versnelde afkalving van oever of talud bestaat, het doorstroomprofiel ruim genoeg is, beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet buitensporig worden belemmerd en voor het waterschap geen buitenproportionele meerkosten ontstaan; of
ingeval het een te vervangen oeververdedigingswerk betreft waarbij wordt beoogd deze niet te verwijderen, de verwijdering voor de gestelde doelen van het watersysteembeheer onwenselijk of buitenproportioneel is en het natte profiel, in afwijking van artikel 3.943.95, aanhef en onder b, verkleind kan worden.
ingeval sprake is van een situatie, bedoeld onder b, het aan te leggen oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, de beoogde constructie van het oeververdedigingswerk voldoet.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat:
het oeververdedigingswerk, met inachtneming van artikel 3.95dit lid, aanhef en onder gd, zoveel mogelijk aansluit op andere in de lengterichting van het oppervlaktewaterlichaam aanwezige oeververdedigingswerken;
oever en talud mechanisch worden verdicht en afgewerkt, zodat geen ingesloten laagten ontstaan;
ingeval het aan te leggen oeververdedigingswerk tevens een weg of bouwwerk ondersteunt, de activiteit met toepassing van een adequate techniek wordt uitgevoerd;
ingeval oeververdedigingswerken op zichzelf of in combinatie met andere oeververdedigingswerken 100 meter of langer zijn, voor elke 100 meter oeververdedigingswerk een fauna-uitstapplaats wordt aangelegd.
BB
Artikel 3.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.98, die plaatsvindt in beperkingengebied A, waarbij de totale hoeveelheid te verharden of af te koppelen oppervlak 500 m2 of groter is en kleiner is dan 200.000 m2 geldt dat de daardoor ontstane negatieve effecten van versnelde afvoer van hemelwater worden opgeheven door:
hemelwater, al dan niet met een voorziening, in de bodem te infiltreren; of
hemelwater, al dan niet met een voorziening, vertraagd in een oppervlaktewaterlichaam te lozen; of
ingeval hemelwater direct middels een voorziening in een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, oppervlaktewater van tenminste 10% van het toegenomen verharde of af te koppelen oppervlak wordt gegraven of een bestaand oppervlaktewaterlichaam wordt vergroot in het peilgebied binnen een straal van 2,5 kilometer van waar op het oppervlaktewaterlichaam geloosd wordt, tenzij dit al aantoonbaar is uitgevoerd in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of
compenserende afname van verharding plaatsvindt of dat dit al aantoonbaar heeft plaatsgevonden in de drie jaren voorafgaand aan de activiteit; of
een geschikte combinatie van de onder a tot en met d genoemde maatregelen wordt toegepast.
CC
Artikel 3.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
in gestuwde peilgebieden, alleen water wordt onttrokken wanneer er water over de dichtstbijzijnde benedenstroomse stuw stroomt;
de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan iedere feitelijke onttrekking van oppervlaktewater, die gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, wordt geïnformeerd over de locatie van de onttrekking en de tijdsvensters van de onttrekking.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
een onttrekkingslocatie wordt gemarkeerd;
na afronding van de activiteit en verwijdering van de wateronttrekkingsvoorziening, de locatie waar de wateronttrekkingsvoorziening was geplaatst, wordt hersteld.
DD
Artikel 3.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.105, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, dat is aangewezen als een ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam, waarbij 1 m³ per uur of meer wordt onttrokken vanaf een nieuwe of opnieuw te gebruiken onttrekkingslocatie.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.14, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.106, niet geschonden worden;
de activiteit niet kan plaatsvinden in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, die niet zijn aangewezen als een ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam;
de ecologische effecten acceptabel zijn of ingeval van negatieve effecten in voldoende mate zijn ondervangen door beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat: de wateronttrekkingsvoorziening zodanig wordt geplaatst en het onttrekkingsdebiet zodanig wordt ingesteld dat het risico op schade aan het ecologische watersysteem wordt geminimaliseerd.
de wateronttrekkingsvoorziening zodanig wordt geplaatst en het onttrekkingsdebiet zodanig wordt ingesteld dat het risico op schade aan het ecologische watersysteem wordt geminimaliseerd;
ingeval uit een ecologische analyse blijkt dat er negatieve effecten (kunnen) worden verwacht, deze gemonitord worden.
EE
Artikel 3.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.110, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
een onderbouwing waarom niet uit een niet ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam onttrokken kan worden;
ingeval van het gebruik van een pompvoorziening, de maximale pompcapaciteit in m3 per uur;
een ecologische analyse en ingeval van te verwachten negatieve effecten, een opgave van de maatregelen die getroffen worden om de negatieve effecten te ondervangen en een monitoringsplan;
als de activiteit plaatsvindt ten behoeve van beregening, een kaart met de percelen waar het water wordt toegediend;
een aanduiding of de feitelijke onttrekking tijdelijk of permanent plaatsvindt;
ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een aanduiding of de activiteit eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt of bij herhaling plaatsvindt gedurende meerdere toekomstige periodes;
ingeval van tijdelijke onttrekking van oppervlaktewater die bij herhaling plaatsvindt vanaf dezelfde onttrekkingslocatie, een opgave van de regelmaat waarop het feitelijk onttrekken van oppervlaktewater plaatsvindt;
ingeval van een tijdelijke onttrekking die eenmalig gedurende een bepaalde periode plaatsvindt, de verwachte einddatum van de activiteit;
informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een (andere) maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.
FF
Artikel 3.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, geldt dat:
ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een vispassage wordt aangelegd of een andere geschikte maatregel wordt getroffen om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de peilscheiding zodanig wordt aangelegd dat deze niet kan vervormen of verzakken;
de peilscheiding zodanig wordt aangelegd dat er geen onder- of achterloopsheid kan optreden;
een peilscheidende dam een minimale bovenbreedte heeft van 4 meter;
de minimale kruinhoogte van een peilscheidende dam overeenkomt met de maaiveldhoogte van de aangrenzende percelen;
de kruinhoogte van een houten, betonnen of stalen peilscheiding minimaal 25 cm hoger is dan het waterpeil aan de hoogwaterzijde van de peilscheiding;
een betonnen peilscheiding bestaat uit een massieve (niet doorlatende) plaat;
ter hoogte en binnen 5 meter aan weerszijden van een peilscheidende dam, de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige baggerspecie tot aan de vaste bodem wordt verwijderd of bij afwezigheid daarvan, voor zover de stabiliteit van de peilscheidende dam voldoende geborgd is;
ingeval een peilscheidende dam breder wordt dan 12 meter, het verlies aan waterbergingscapaciteit ten gevolge van het deel breder dan 12 meter wordt gecompenseerd, waarbij direct voorafgaand aan de activiteit, binnen hetzelfde peilgebied en binnen een straal van 2,5 kilometer van de activiteit, minimaal dezelfde oppervlakte aan oppervlaktewater wordt aangelegd, tenzij dit al aantoonbaar gecompenseerd is in de drie jaar ervoor;
ingeval een tijdelijke peilscheiding bij herhaling op dezelfde locatie wordt aangelegd, de initiatiefnemer telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan het aanleggen van de peilscheiding wordt geïnformeerd over de locatie van de peilscheiding en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat indien het een tijdelijke peilscheiding betreft, het oppervlaktewaterlichaam en eventueel aangepaste kunstwerken direct na afloop van het tijdelijk gebruik van de peilscheiding worden hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.113, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
GG
Artikel 3.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.118, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
een situatietekening waarop zijn weergegeven:constructietekening met de locatie van de werkzaamheden, de afmetingen van de peilscheiding, de hoogten van de peilscheiding ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen;
ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en eventuele tekening van een andere geschikte maatregel om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen;
ingeval van een tijdelijke peilscheiding in een primair oppervlaktewaterlichaam, een aanduiding of de tijdelijke peilscheiding eenmalig of bij herhaling op dezelfde locatie wordt aangelegd en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden;
ingeval verloren gegane waterbergingscapaciteit moet worden gecompenseerd, bedoeld in artikel 3.115, tweede lid, onder h, een opgave van het aantal vierkante meters verloren gegane waterbergingscapaciteit, gemeten op de waterlijn onder normale omstandigheden;
informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.
HH
Artikel 3.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, geldt dat er geen afval wordt achtergelaten.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.120, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
vaartuigen enkel ligplaats innemen op plekken die daarvoor zijn ingericht;
na afloop van de activiteit het oppervlaktewaterlichaam wordt hersteld.
II
Artikel 3.127 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
de in artikel 3.125 bedoelde werken zo worden aangelegd dat die niet kunnen vervormen of verzakken;
ingeval van het aanleggen van een fauna-uitstapplaats, dat deze doelmatig wordt ontworpen en aangelegd.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.125, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat ingeval van herstel van graafwerkzaamheden tot een jaar na afronding van de activiteit het maaiveld wordt hersteld.
JJ
Artikel 3.129 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De melding, bedoeld in artikel 3.128, bevat in aanvulling op de meldingsvereisten, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, tevens:
een ontwerptekening van het werk;
een constructietekening met een opgave van de afmetingen en het te gebruiken materiaal, inclusief afmetingen;
ingeval van een fauna-uitstapplaats, een toelichting op de werking van deze voorziening;
informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.
KK
Artikel 3.132 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.130, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
vis wordt verplaatst als de vis vanwege de stremming geen uitweg heeft of als het watersysteem vanwege de stremming de hoeveelheid en samenstelling van de vispopulatie niet meer kan dragen;
voor stremmingsvoorzieningen er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
het oppervlaktewaterlichaam direct na afloop van de activiteit weer in oorspronkelijke staat wordt hersteld.
LL
Artikel 3.140 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.139, bevat in aanvulling op de aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, tevens:
een weergave van het gebied dat onder invloed is van de stuw;
een situatietekening waaropconstructietekening met de stuw, de afmetingen van de stuw, de hoogten ten opzichte van NAP en de toe te passen materialen van de stuw zijn weergegeven;
ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een opgave en onderbouwing van de bandbreedte van het in te stellen waterpeil;
ingeval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, een onderbouwing van de toe te passen overstortbreedte van de stuw;
ingeval een bodembeschermingsvoorziening wordt aangebracht, een omschrijving van het type voorziening en een tekening waarop de locatie en afmetingen van de voorziening inzichtelijk wordt gemaakt;
ingeval een prioritaire vismigratieroute wordt doorkruist, een tekening van de vispassage of een opgave en eventuele tekening van een andere geschikte maatregel om de negatieve effecten van de doorkruising van de migratieroute op te heffen
informatie waaruit blijkt of het oppervlaktewaterlichaam een maatschappelijke functie vervult en zo ja, een opgave van de wijze waarop met deze functie rekening gehouden wordt.
MM
Artikel 3.143 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.141, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
de voorziening(en) of kunstwerk(en) benodigd voor de uitvoering van de activiteit zodanig worden ingesteld, gebruikt of bediend dat de wijziging van het waterpeil geleidelijk plaatsvindt;
voor de voor deze activiteit benodigde voorzieningen of kunstwerken er geen uitlogende materialen gebruikt worden die tot verslechtering van de fysisch-chemische waterkwaliteit kunnen leiden of vermindering van de waarde van het ecologisch watersysteem;
ingeval van een tijdelijke peilwijziging die herhaaldelijk plaatsvindt op dezelfde locatie, de feitelijke wijziging van het waterpeil ten opzichte van het door het waterschap gevoerde winterpeil of vast peil telkens gelijk is aan de wijziging die reeds gemeld is of waarvoor een vergunning is afgegeven;
ingeval van een tijdelijke peilwijziging die al dan niet herhaaldelijk plaatsvindt, de initiatiefnemer bij het wijzigen van het waterpeil telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat het waterpeil feitelijk wordt gewijzigd, geïnformeerd wordt over de begintijd en de locatie van de activiteit, de mate van wijziging en de periode waarin de wijziging van het waterpeil in stand wordt gehouden;
ingeval van een tijdelijke peilwijziging die al dan niet herhaaldelijk plaatsvindt, de initiatiefnemer bij het terugbrengen van het waterpeil op het oorspronkelijke niveau telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat het waterpeil wordt teruggebracht op het oorspronkelijke niveau, geïnformeerd wordt over de locatie en de begintijd van het terugbrengen van het waterpeil op het oorspronkelijke niveau;
ingeval de activiteit plaatsvindt middels een stuw, het verschil tussen de kruin- en overstorthoogte van de stuw tenminste 25 centimeter bedraagt;
ingeval uit een geohydrologische analyse blijkt dat negatieve geohydrologische effecten worden verwacht, beheersmaatregelen worden getroffen die nodig zijn om de negatieve geohydrologische effecten te ondervangen.
NN
Artikel 3.154 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I van een bergingsgebied, geldt dat:
het werk in zijn geheel wordt verwijderd;
verwijderde werken buiten deze beperkingengebieden worden gelegd.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, geldt dat:
het profiel van het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse van de activiteit in overeenstemming wordt gebracht met het aangrenzende profiel;
ingeval van een tijdelijke peilscheiding, die al dan niet herhaaldelijk in stand wordt gehouden, de initiatiefnemer bij het verwijderen telkens een informatieplicht heeft, waarbij het waterschap tenminste 48 uur voorafgaand aan elke keer dat de tijdelijke peilscheiding feitelijk wordt verwijderd, geïnformeerd wordt over het tijdstip en de locatie van de activiteit.
In geval de activiteit plaatsvindt in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
OO
Artikel 3.155 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.152, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een secundair oppervlaktewaterlichaam of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primair oppervlaktewaterlichaam, voor zover het drukleidingenafrasteringen, hekwerken, schuttingen, kabels, leidingen, kleine objecten, bouwwerken, steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen, fauna-uitstapplaatsen en oeververdedigingswerken die geen ondersteunend kunstwerk zijn, betreft.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
PP
Artikel 3.161 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding, de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat:
de constructie van de afrastering, de schutting of het hekwerk die aangelegd wordt aan de buitenzijde van de waterkering, bestand is tegen golfbelasting en ophopend drijfvuil en aanspoelsel;
de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.159, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
Artikel 3.166 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding, de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.164, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
RR
Artikel 3.171 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
gerooide beplanting buiten deze beperkingengebieden worden gelegd;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot drie jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.169, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
SS
Artikel 3.178 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
het bouwwerk zo wordt aangelegd dat het niet kan vervormen of verzakken;
materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.176, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
TT
Artikel 3.183 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
(peil)buizen zonder gebruik van een spuitlans worden aangebracht;
(peil)buizen één week na plaatsing worden gecontroleerd en bij constatering van opkomend water daarvan melding wordt gemaakt bij het waterschap en beheersmaatregelen worden getroffen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt, ingeval van het aanvullen van een ontgraving ten behoeve van een proefsleuf of een groot boorgat, dat:
de vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
ingeval van een grasbekleding, de grasmat wordt aangelegd door het leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat ontstane gaten, uitgezonderd proefsleuven en grote gaten die met de uitkomende grond aangevuld kunnen worden, na afronding van de activiteit volledig worden gevuld met bentoniet of een vergelijkbaar middel.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat (peil)buizen worden verwijderd ingeval ze geen functie hebben.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.181, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
UU
Artikel 3.188 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat taluds zodanig worden aangelegd, dat ze robuust zijn.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
ingeval van het aanbrengen van grond, de grond, mits geschikt, wordt aangebracht in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
de ophoging of ontgraving wordt voorzien van een erosiebestendige bekleding;
in geval van grasbekleding:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
VV
Artikel 3.195 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat beheersmaatregelen worden getroffen tegen uitspoeling van de waterkering.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat beheersmaatregelen worden getroffen ingeval van een risico op uitspoeling van de waterkering.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de inlaat of lozingsvoorziening met toepassing van een adequate techniek wordt aangelegd;
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
de constructie van de inlaat of de lozingsvoorziening tegen schade als gevolg van machinaal onderhoud van de waterkering wordt beschermd;
materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.193, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
WW
Artikel 3.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, geldt dat leidingen met toepassing van een adequate techniek worden aangelegd.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
voordat de ontgraving wordt aangevuld, drukleidingen aangelegd in een open sleuf worden afgeperst;
bij opbarsting of kwelvorming ingeval van een boring, onmiddellijk telefonisch melding wordt gedaan bij het waterschap en maatregelen worden getroffen om de opbarsting of kwelvorming direct en zoveel mogelijk teniet te doen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;
de activiteit zonder gebruik van een spuitlans wordt uitgevoerd;
als die plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat ingeval van kruising van de waterkering, mantelbuizen na het invoeren van de kabel of leiding aan de uiteinden worden voorzien van een waterdichte afsluiting.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.198, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
XX
Artikel 3.207 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding, de grasmat wordt hersteld door het (terug)leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.205, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
YY
Artikel 3.212 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
deze werken zo worden aangelegd dat deze niet kunnen vervormen of verzakken en voor zover nodig worden gefundeerd;
materiaal en materieel niet worden opgeslagen op de waterkering;
bij het aanbrengen van bevestigingspalen, grondverdringende palen zonder verzwaarde voet worden gebruikt;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding, de grasmat wordt hersteld door het (terug)leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.210, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
ZZ
Artikel 3.219 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering, geldt dat (rijwiel)voertuigen enkel zijn toegestaan op de daartoe ingerichte verharde wegen en paden.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering, geldt dat:
dieren zijn toegestaan, mits het hulp- en werkhonden betreffen;
dieren in de door het waterschap daartoe aangewezen gebieden zijn toegestaan, mits het huisdieren betreffen die zijn aangelijnd;
dieren zijn toegestaan tussen 15 november en 15 maart, mits het huisdieren betreffen die zijn aangelijnd.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
bereden dieren enkel zijn toegestaan op de verharde wegen en paden;
dieren zijn toegestaan, mits het huisdieren, hulp- of werkhonden betreffen, die zijn aangelijnd en de waterkering niet in opdracht van het waterschap wordt beweid.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
er niet gegraven wordt;
de bekleding van de waterkering zoveel mogelijk wordt ontzien;
het aanbrengen van voorwerpen in de waterkering tot een minimum wordt beperkt;
na afloop van de activiteit, indien nodig, het profiel en de bekleding van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.217, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat er geen afval wordt achtergelaten.
AAA
Artikel 3.223 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.15, die betrekking hebben op de activiteit, bedoeld in artikel 3.222, houden in elk geval in dat:
de stabiliteit van de waterkering wordt geborgd;
de bekleding van de waterkering erosiebestendig is of blijft;
het functioneren van kunstwerken niet negatief wordt beïnvloed;
de grondwaterspanning niet buitensporig toeneemt door verhoging van de stand van het grondwater of door overdruk in het grondwater;
er geen onaanvaardbare vervorming of zetting van omliggende gronden optreedt;
de toe te passen materialen geen negatief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische waarde van het watersysteem;
werkzaamheden door of namens het waterschap niet worden belemmerd;
de bereikbaarheid van de beperkingengebieden voor werkzaamheden van het waterschap wordt geborgd of niet wordt belemmerd;
de afwatering van de waterkering wordt geborgd of niet wordt belemmerd.
BBB
Artikel 3.228 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving langs de weg of het pad dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding, de grasmat wordt hersteld door het (terug)leggen van graszoden of bij een gebrek daaraan wordt ingezaaid met een geschikt graszaadmengsel;
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.226, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
CCC
Artikel 3.235 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II of in beperkingengebied III van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
het werk, met uitzondering van funderingspalen, in zijn geheel wordt verwijderd;
de eventueel aanwezige funderingspalen tot een diepte van anderhalve meter onder het bestaande maaiveld of profiel van de waterkering verwijderd worden.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat:
de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt;
verwijderde werken buiten deze beperkingengebieden worden gelegd;
als deze plaatsvindt in de periode van 1 oktober tot 1 april, direct voorafgaand aan de activiteit en daarnaast, als de activiteit langer duurt dan een week, wekelijks wordt gerapporteerd aan het waterschap over de waterveiligheid. De rapportage bevat in elk geval de weersverwachting, de buitenwaterstandsverwachting als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering en een opgave van de te nemen beheersmaatregelen.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een primaire waterkering of in beperkingengebied I van een regionale waterkering of in beperkingengebied I van een overige waterkering of voor zover de activiteit plaatsvindt in een dijktalud, in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat ingeval van het aanvullen van een ontgraving dat:
de door ontgraving vrijgekomen grond, mits geschikt, wordt teruggeplaatst in de oorspronkelijke laagopbouw in lagen van maximaal 0,3 meter waarbij elke laag afzonderlijk wordt verdicht tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond;
een tekort aan materialen wordt aangevuld door materiaal van tenminste gelijke kwaliteit;
het profiel van de waterkering wordt afgewerkt zodat het aansluit op het profiel aan weerszijden van de ontgraving;
de bekleding van de waterkering wordt hersteld;
in geval van grasbekleding:
direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het profiel van de waterkering wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat direct na afronding van de activiteit en ingeval van nazakkingen tot een jaar na afronding van de activiteit, het maaiveld wordt hersteld.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als de buitenwaterstandsverwachting in Delfzijl 3 meter ten opzichte van NAP of hoger is of als de stormvloedwaarschuwingsdienst een waarschuwing heeft gegeven voor hoog water op zee. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat gebracht.
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.233, die plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een overige waterkering, geldt dat de activiteit onmiddellijk wordt opgeschort als het waterschap dat aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden. Als de activiteit al in uitvoering is, wordt het werkterrein zo snel mogelijk in passende staat gebracht.
DDD
Artikel 3.242 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.240, geldt dat:
ingeval van het aanleggen van een put, geperforeerde slecht doorlatende grondlagen worden hersteld met bentoniet;
een overbodig geworden put volledig wordt gevuld met bentoniet.;
ingeval van het onttrekken van grondwater, elke week de onttrokken hoeveelheid grondwater met een nauwkeurigheid van ten minste 95% wordt gemeten, tenzij de pompcapaciteit kleiner dan of gelijk is aan 1 m3 per uur.
EEE
Artikel 3.249 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.247, geldt dat:
alternatieve lozingsroutes voor het lozen van het afvalwater of de zuivering van het afvalwater zijn uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk;
het te lozen afvalwater afkomstig is van een wasplaats waar werktuigen en voertuigen worden gewassen die niet in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
het afvalwater door een goed onderhouden bemonsteringsvoorziening stroomt;
mits biologisch afbreekbaar, het te lozen afvalwater geen wasmiddelen bevat die een emulgerende werking hebben;
ingeval het te lozen afvalwater overige stoffen of preparaten bevat, de activiteit enkel uitgevoerd wordt, wanneer kan worden aangetoond dat de aanwezigheid van die stoffen of preparaten in het afvalwater middels algemene regels of een omgevingsvergunning is toegestaan;
het lozingspunt inclusief bemonsteringsvoorziening te allen tijde toegankelijk zijn voor het waterschap;
ingeval de lozingsactiviteit wijzigt, de gewijzigde gegevens terstond worden verstrekt aan het waterschap.
FFF
Artikel 3.250 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.247, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam dat door het waterschap niet is aangewezen als:
oppervlaktewaterlichaam waar geen wateraanvoer mogelijk is;
ecologische waardevol oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een melding vereist.
De melding, bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk 4 weken voor start van de activiteit ingediend via het Digitaal Stelsel Omgevingswet of schriftelijk aan het waterschap toegezonden.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat het te lozen afvalwater, gemeten in de bemonsteringsvoorziening en ter plaatse van het lozingspunt, voldoet aan de grenswaarden van de in de tabel genoemde stoffen/parameters:
Stof/Parameter | Grenswaarde in enig steekmonster |
Minerale oliën | 20 mg/l |
Onopgeloste stoffen | 60 mg/l |
Zuurgraad (pH) | 6,5 – |
Gewasbeschermingsmiddelen (totaal) | 150 μg/l |
Gewasbeschermingsmiddelen: Cypermethrin, Deltamethrin, Dichloorvos, Esfenvaleraat, Fenpropathrin, Fipronil, Imidacloprid, Lambda-cyhalothrin, Methylpirimifos, Teflubenzuron | 0,1 μg/l |
GGG
Artikel 3.252 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op de activiteit, bedoeld in artikel 3.247, die plaatsvindt in beperkingengebied I van een oppervlaktewaterlichaam, dat door het waterschap is aangewezen als:
oppervlaktewaterlichaam waar geen wateraanvoer mogelijk is;
ecologische waardevol oppervlaktewaterlichaam.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, is een omgevingsvergunning vereist.
De omgevingsvergunning wordt verleend als op basis van de aanvraag tenminste vaststaat dat:
de algemene zorgplichten, bedoeld in artikel 1.13 en in artikel 1.16, en de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 3.248, niet geschonden worden;
alternatieve lozingsroutes zijn uitgesloten of redelijkerwijs onmogelijk;
de activiteit niet kan plaatsvinden in een ander oppervlaktewaterlichaam, dan het oppervlaktewaterlichaam bedoeld in het eerste lid;
ingeval er geen overige stoffen of preparaten voorkomen in het afvalwater waarvoor geen toestemming is om die te, deze lozen in het oppervlaktewater geloosd mogen worden.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geldt dat de noodzakelijke beheersmaatregelen worden getroffen om (te verwachten) negatieve effecten op de waarde van het ecologische watersysteem te ondervangen.
HHH
Artikel 3.260 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.258, voor zover die het verplaatsen van vis betreft die lijdt aan visflauwte, geldt dat:
zo spoedig mogelijk contact wordt opgenomen met het waterschap;
het waterschap, voor zover mogelijk, wordt geïnformeerd over:
de locatie waar de vis is aangetroffen;
welke soort of soorten het betreft;
de hoeveelheid vis en de samenstelling van de vispopulatie;
op welk tijdstip en naar welke locatie de vis wordt verplaatst.
vis die alsnog sterft, wordt verwijderd uit het oppervlaktewaterlichaam.
III
Artikel 3.265 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.263, geldt dat:
de datum en het tijdstip van uitvoering van de activiteit is afgestemd met het waterschap;
de buffercapaciteit van een nieuwe aansluiting bij droog weer tenminste acht uur bedraagt;
na uitvoering van de activiteit, de locatie van aansluiting wordt ingemeten volgens de rijksdriehoekmeting en de meetgegevens binnen twee weken aan het waterschap worden verstrekt.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied C-I van een rioolwaterzuiveringsinstallatie of in beperkingengebied C-II van een rioolgemaal, geldt dat de aansluiting afsluitbaar wordt gemaakt middels een deugdelijke dienstafsluiter.
Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, die plaatsvindt in beperkingengebied C-III van een persleiding, in beperkingengebied C-IV van een persleiding of in beperkingengebied C-V van een persleiding, geldt dat:
de activiteit wordt uitgevoerd overeenkomstig de door het waterschap opgestelde ‘Technische Voorwaarden voor het aanleggen en/of verleggen van persleidingen’;
voordat de aansluiting plaatsvindt, het aan te sluiten openbaar riool of de afvalwaterleiding wordt afgeperst;
voor het inprikpunt de aansluiting afsluitbaar wordt gemaakt middels een deugdelijke dienstafsluiter;
na afronding van de activiteit en wanneer er geen lekkages zijn geconstateerd, de persleiding weer voldoende gronddekking bevat en het maaiveld wordt hersteld.
JJJ
Artikel 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een onherroepelijk geworden vergunning, die door het waterschap is verleend op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt op het moment van inwerkingtreding van deze verordening als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening.
Een onherroepelijk geworden vergunning, bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen voor zover het de daarin opgenomen voorschriften betreft die in strijd zijn met de in deze verordening opgenomen algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten.
Het vervallen van de vergunning, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats op de eerste dag nadat deze verordening een jaar in werking is getreden.
Een onherroepelijk geworden maatwerkbeschikking, die door het waterschap is verleend op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt op het moment van inwerkingtreding van deze verordening als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.
Een onherroepelijk geworden maatwerkbeschikking, bedoeld in het vierde lid, komt te vervallen voor zover het de daarin opgenomen voorschriften betreft die in strijd zijn met de in deze verordening opgenomen algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten.
Het vervallen van de maatwerkbeschikking, bedoeld in het vijfde lid, vindt plaats op de eerste dag nadat deze verordening een jaar in werking is getreden.
Voor een activiteit waarvoor op grond van het recht dat gold voor de inwerkingtreding van deze verordening bij het waterschap een melding is gedaan, door het waterschap een maatwerkbeschikking of een vergunning is verleend of die enkel wordt uitgevoerd op grond van algemene regels, geldt dat voor zover die activiteit op het moment van inwerkingtreding van deze verordening wordt uitgevoerd op grond van de toentertijd van toepassing zijnde algemene regels of voorschriften die vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening in strijd zijn met de in deze verordening opgenomen algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels of zorgplichten, dat tot de eerste dag nadat deze verordening een jaar in werking is getreden geen sprake is van een overtreding in de zin van artikel 5:1, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de activiteit onevenredige waterveiligheidsrisico’s oplevert, onevenredig waterbezwaarlijk is of de doelmatige werking van zuiveringtechnische werken in gevaar wordt gebracht.
KKK
Bijlage 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze bijlage van de verordening wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
toereikende techniek, telkens gedefinieerd in de toelichting
verwijderen van bodemlagen van een stuk grond
kunstmatig opdelingobjecten ten behoeve van scheiding van vastgoedobjecten of virtuele gebieden
het transport van water uit een bepaald (stroom-)gebied
het afgraven van grond ten behoeve van kleiwinning voor steenfabrieken
de hoogste afvoer die onder bepaalde omstandigheden een waterloop of kunstwerk kan passeren
afvoer van gezuiverd afvalwater naar oppervlaktewater OF: het door middel van een werk of langs natuurlijke weg brengen of laten stromen van water uit een oppervlaktewater naar een ander oppervlaktewater
bezonken sediment boven gewenste bodemhoogte
het gehele proces van ontgraven, transport en storten van materiaal onder water met als doel het verdiepen of winnen van mineralen
door uitgraven of baggeren verkregen grond
werksoort waarbij het gaat om de verkeersbeheersing in de verkeerbeheersingcentrales, de bediening en controle van tunnels en bruggen in rijkswegen en de bediening van objecten (bruggen, stuwen, stormvloedkeringen en sluizen)
het plantenkleed van een locatie (concreet)
werksoort waarbij het functioneren van het watersysteem, zuiveringtechnische werken en overige werken in kwalitatieve en kwantitatieve zin in stand wordt gehouden
plan met maatregelen voor herstel, inrichting en onderhoud van een object
gebied waarvoor geldt dat één organisatie dit beheert
een strategisch plan voor een watersysteem waarop de wijze waarop beheerd wordt inzichtelijk gemaakt wordt, zowel voor de eigen organisatie als voor derden
de bovenlaag eventueel in combinatie met een filter en de onderlaag van de waterkering ter hoogte van en onder het maatgevende hoogwaterpeil
het verwijderen van overtollig water door middel van een gemaal
het verkrijgen van een representatief monster ten behoeve van het analyseren van het afvalwater of slib
een monsterafnamevoorziening of monsternemingstoestel om hetzij met tussenpozen, hetzij continu een monster te verkrijgen met het doel een aantal duidelijk omschreven eigenschappen van het afvalwater of slib te kunnen onderzoeken
kleimineraal met hoog zwel- en absorptievermogen en een zeer lage doorlatendheid
gewassen, beplanting en struiken OF: natuurlijke vastgoedobjecten in lijnvormig en/of puntvormig voorkomen
bereikbaarheid is één van de vier thema’s binnen Wegbeheer. De mate waarin een bepaald gebied bereikbaar is vanuit andere gebieden. De voornaamste kenmerken hebben betrekking op de verplaatsingen (relaties) tussen de gebieden, de snelheid en betrouwbaarheid van die relaties en de toegankelijkheid. De kwaliteit van de bereikbaarheid wordt bepaald met het criterium trajectsnelheid
de hoeveelheid oppervlaktewater die maximaal in de boezem of in de polder kan worden geborgen tussen het peil en de maximaal toelaatbare waterstand
horizontale of licht hellende strook grond langs een weg, spoorweg, sloot of dijk
een oeververdedigingswerk in de vorm van materiaal dat is aangebracht op de grens van water en land, of langs de waterkant, om de oever tegen afkalving te beschermen, of om te voorkomen dat door afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmerd wordt
een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling
bestemming van gronden zoals opgenomen in een bestemmingsplan. Onder grond valt ook (oppervlakte-)water
gemeentelijk plan voor de ruimtelijke ordening, waarin de bestemming, ofwel de toegestane wijze van gebruik (en inrichting), van land (en water) wettelijk bindend zijn of kunnen worden vastgelegd
doorbraak van dijk of duin (einde waterkerende functie)
de overgang (snijlijn) van de taludhelling van een waterkering (dijklichaam) naar het maaiveld aan de binnendijkse- (binnenteen) en aan de buitendijkse (buitenteen) kant van de waterkering
aanwijzing voor de (streef)breedte op bodemniveau
daling van het grondoppervlak door oxidatie van veen, zetting of geologische processen
onderzoek en studie van de bodem die in het veld (ter plekke) worden uitgevoerd
het stelsel van met elkaar in open verbinding staande waterlopen en meren waarop het water van lager gelegen polders wordt uitgeslagen dat dient voor eventueel tijdelijke berging en lozing op het buitenwater
(water in) een stelsel van gemeen liggende, met elkaar in openverbinding staande waterlopen en meren waarop het water van lager gelegen polders wordt uitgeslagen en dienend voor eventueel tijdelijke berging en lozing op het buitenwater
het onttrekken van grondwater met als doel het kunnen uitvoeren van werkzaamheden in de bodem
voorziening die permanent in de fysieke leefomgeving aanwezig is voor noodsituaties en is aangelegd in combinatie met een put waaruit grondwater wordt onttrokken. Als een brandblusvoorziening ook voor andere doeleinden wordt gebruikt, wordt de voorziening niet als een brandblusvoorziening aangemerkt
het uit de bodem of bouwputten onttrekken van grondwater door middel van een pomp
het wegpompen van grondwater om een stuk grond droger te maken
een civielkundige constructie, zijnde een vaste of beweegbare verbinding van de ene kant van het water naar de andere kant van het water, aangelegd boven obstakels of tussen twee punten op een hoogte boven de grond, die doorgang verschaft voor voetgangers, dieren, voertuigen en diensten
omstandigheden waaronder de goede staat van één of meer waterstaatswerken onmiddellijk en ernstig in het ongerede is of dreigt te komen
het al dan niet met hemelwater gemengde afvalwater afkomstig van huishoudens, bedrijven en instellingen, dat met behulp van het communale afvalwatersysteem (riolering, persleidingen, rioolgemalen, rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi)) ingezameld, getransporteerd, behandeld en op het oppervlaktewater wordt geloosd
bestuursorgaan waarvan de leden worden gekozen uit het algemeen bestuur (het hoogste, democratisch gekozen bestuursorgaan van het waterschap) en dat onder voorzitterschap staat van de dijkgraaf
een wal in een watergang die het water tegenhoudt OF: in en dwars over een water opgeworpen aarden wal die dient om het water te keren, te leiden of te verdelen (in tegenstelling tot dijk: die langs het water ligt)
dam in een primair, secundair of tertiair oppervlaktewaterlichaam met een buis of koker, waar water doorheen kan stromen
een oeververdedigingswerk bestaande uit verticale constructiedelen die in een opeenvolgende rij in de grond worden gedreven, meestal om weerstand te bieden tegen zijkrachten
het volume van een vloeistof of een gas dat per tijdseenheid door een doorsnede stroomt
de onder de waterspiegel gelegen dwarsdoorsnede van een watergang
de kleinste breedte onder een brug of in een sluis die bij de maatgevende waterstand volledig door het maatgevende schip kan worden benut, gemeten loodrecht op de vaarwegas
de verticale afstand tussen de maatgevende hoogwaterstand en de onderkant van een overspanning boven de vaarweg bij volbelasting die te allen tijde beschikbaar is voor de scheepvaart
afvoer van water over en door de grond om de grondwaterstand kunstmatig te beïnvloeden
water bestemd of mede bestemd om te drinken, te koken of voedsel te bereiden dan wel voor andere huishoudelijke doeleinden, met uitzondering van warm tapwater, dat door middel van leidingen ter beschikking wordt gesteld aan consumenten of andere afnemers
het hoogteverschil tussen de waterspiegel in een waterloop en het aangrenzende grondoppervlak
een kokervormige constructie met als doel de wederzijdse verbinding tussen oppervlaktewater te waarborgen, waarbij in principe de bodem van de waterloop, in tegenstelling tot die van de brug, wordt onderbroken
bodemprofiel in een dwarsdoorsnede van een kust, rivier of dijk
de gewenste ecologische toestand van een water wordt bepaald door het watertype en de gewenste levensgemeenschap van planten en dieren die daarbij hoort, en de factoren die hiervoor bepalend zijn, zoals de inrichting, de wijze van onderhoud, het doorzicht en zuurstofgehalte en de gewenste concentraties van bepaalde stoffen die van nature in het water aanwezig zijn, zoals (onder meer) zuurstof, stikstof- en fosfaatverbindingen, chloride, bicarbonaat en sulfaat
kwaliteit van het water die voldoet aan de eisen van de plaatselijke flora en fauna
het proces waarbij grond, gesteente en dergelijke verplaatst worden door c.q. wegspoelen onder invloed van wind, stromend water of bewegende ijsmassa's
een georganiseerde gebeurtenis of groepsactiviteit zoals roei-, vis- en zwemwedstrijden, survivals, triatlons en fiets- en schaatstoertochten
de opeenvolging van gebeurtenissen die leidt tot falen
de dierenwereld van een regio
een voorziening langs een steile oever van een waterweg, waar (te water geraakte) dieren aan land kunnen komen
de plantenwereld van een regio
het stijgen en dalen van de grondwaterstand. Soms wordt deze term in kwantitatieve zin gebruikt als het verschil tussen GLG en GHG
een gemaal dient in principe om water van een laag peil naar een hoog peil te brengen, waarvan de noodzaak kan liggen in wateroverschot aan de lage kant (afvoer) of in waterbehoefte in het gebied aan de hoge kant (aanvoer)
op basis van de wetenschap die het grondwater onderzoekt
de oppervlakte van de gesloten verharding van het afvoerend oppervlak dat op de vrijvervalleiding loost
smal en meestal diep water, smal kanaal
een balk of ligger, aangebracht in de lengterichting van een oeververdedigingswerk met als doel de stabiliteit van het oeververdedigingswerk te verhogen
aanduiding die betrekking heeft op in de bodem aanwezig materiaal, waarvan de naam afhankelijk is van de onderlinge verhouding tussen de verschillende korrelfracties en eventueel aanwezige bijmengsels als kalk en humus
het verplaatsen van grond OF: het geheel van ontgraven, transport, inrijden/spuiten, spreiden en onder profiel brengen van grond
het verwijderen van verontreinigende componenten uit een grondwaterlichaam door middel van onttrekking (en zuivering) van verontreinigd grondwater
de hoogte van een punt waar het grondwater een drukhoogte gelijk nul heeft (de absolute waterdruk is dan gelijk aan de druk van de atmosfeer) ten opzichte van een referentieniveau
aaneengesloten rij struiken met als doel het scheiden van ruimte
afscheiding met vrij doorzicht
het intreden van water aan het grondoppervlak OF: de voeding door middel van infiltratiebassins of andere kunstmatige middelen OF: de voeding vanuit het oppervlaktewater, opgewekt door onttrekking in de omgeving OF: de aanvulling van water onder het grondoppervlak door middel van een slotenstelsel of buizenstelsel
houdt in dat grond trapsgewijs wordt ontgraven met treden waarvan zowel de hoogte als diepte doorgaans tussen de 0,3 en 0,5 meter ligt. Op deze manier wordt bij het terugplaatsen van grond een robuuste aansluiting van geroerde en ongeroerde grond gerealiseerd
constructie toegang gevend tot het ondergrondse leidingenstelsel
snijlijn van het talud van een oppervlaktewaterlichaam met het maaiveld
het laten overstromen OF: het via een waterkering binnendringen van water in een dijkring in een zodanige hoeveelheid dat het gebied de functie(s) waarvoor het is ingericht niet meer kan vervullen OF: het onder water zetten van lage gronden, (als middel tot verdediging)
zwaar driestrengtouw
omlaaggerichte wrijvingskracht op een paal door zetting van omringende grond, waardoor het nuttig draagvermogen van een paal wordt verkleind
natuurlijk door of in water afgezet materiaal dat is ontstaan door verwering van gesteenten, behorende tot de fijnste groep afzettingsgesteenten
door verwering en ontleding van gesteenten en de mineralen waaruit deze bestaan, vallen vooral door de invloed van water, deze uiteen in elementaire zouten, hydroxiden en kiezelzuur
verzameling korrels die de grootste van twee nader aangeduide zeven (nominale fractiegrenzen) passeert en blijft liggen op de kleinste. De ondergrens kan daarbij ook nul zijn
daling van het grondoppervlak veroorzaakt door uitdroging van de grond OF: de relatieve vermindering van het volume van de grond, veroorzaakt door uitdroging eventueel met scheurvorming, uitgedrukt in het huidige volume grond ten opzichte van het oorspronkelijke volume grond
strook tussen buitenkruinlijn en binnenkruinlijn OF: het hoogst gelegen deel van een waterkering
hoogte van de waterkering OF: de momentane hoogte van het waterkerende element in een kunstwerk waar het water overheen stroomt bij een hogere waterstand
civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf
in het algemeen: het diffuus uittreden van grondwater. In het bijzonder: het uittreden van grondwater onder invloed van grotere stijghoogten elders in het hydrologische systeem OF: water dat door een drukverschil vanuit de bodem omhoog komt
alle gebieden die gelegen zijn buiten stedelijke en glastuinbouwgebieden
overgang van een grondlichaam naar een brug OF: steunpunt van een brug in oever of talud
door de waterbeheerder vastgestelde dwarsdoorsnede waarop de minimale vereiste afmeting van een waterkering is aangegeven
buis of kabel bestemd voor voortgeleiding van energie, materie of data
lozingen van afvalwater vanuit een huishouden
een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen
hoogteligging van het grondoppervlak in een gebied, met uitzondering van taluds en bermen of andere (kunstmatige) verhogingen dan wel verlagingen
beschermingsbuis
een paal in het water, die meestal gebruikt wordt voor het aanmeren van vaartuigen
(niet) natuurlijke rechtspersoon of instantie die een mededeling doet omtrent een gebeurtenis
maatregel die negatieve effecten vermindert of wegneemt
een plan waarin beschreven is hoe bijvoorbeeld de geohydrologische effecten gemonitord worden
onder de waterspiegel gelegen oppervlakte van de dwarsdoorsnede van een oppervlaktewaterlichaam
oever die ten behoeve van de ecologisch toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht met een ondiepe 'natte' zone die oever- en watervegetatie de kans bieden zich te ontwikkelen
NEN is een zelfstandige, onafhankelijke stichting die voor verschillende maatschappelijke thema’s aan de hand van een normalisatieproces op basis van consensus tussen belanghebbenden op nationaal en internationaal niveau afspraken (normen/’best practices’) vastlegt in documenten en in richtlijnen
water in vaste of vloeibare vorm dat uit de atmosfeer op het aardoppervlak valt
het Nederlands standaard vergelijkingsvlak voor de hoogteligging
door de mens geproduceerd of gerealiseerd voorwerp, constructie, bouwwerk
het gebied op de grens van water en land waar het dynamisch samenspel van land en water plaatsvindt
materiaal dat aangebracht is op de grens van water en land, ofwel langs de waterkant, om ofwel de oever tegen afkalving te beschermen, dan wel te voorkomen dat door afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmerd wordt
civiel technische kunstwerken zoals (paalschot)beschoeiingen, damwanden en kade- en keermuren met een grondkerende en/of waterkerende functie, die bedoeld zijn om afkalving en afschuiving van talud en oever te voorkomen
het plaatselijk lager houden van het waterpeil, dan het waterpeil dat het waterschap voor het betreffende peilgebied heeft vastgesteld of hanteert
de laag bestaande uit moedermateriaal die direct onder het gedeelte ligt wat bodem heet
dam met of zonder duiker die gelegen is haaks op een primair oppervlaktewaterlichaam en die door het waterschap gebruikt wordt voor het beheer en onderhoud van het primaire oppervlaktewaterlichaam
vorm van hydraulische grondbreuk waarbij een cohesieve afdekkende laag wordt opgelicht ten gevolge van wateroverspanning in de onderliggende watervoerende laag
het door middel van een onttrekkingsvoorziening kunstmatig halen van water uit een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater uit een grondwaterlichaam
locatie waar water gewonnen wordt uit het oppervlaktewater of grondwater
de afvoer van water uit percelen over en door de grond en eventueel door drainbuizen en greppels naar een stelsel van grotere waterlopen
de druk die maximaal in de leiding zal optreden
bezwijken van de grond, door het ontbreken van verticaal evenwicht in de grond, onder invloed van wateroverdrukken
voorziening voor de inzameling en het transport van communaal afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast, die is aangesloten op een zuiveringtechnisch werk
afmetingen van een tweedimensionaal gebied
levend biologisch wezen
het passeren van watermoleculen door een semi-permeabel membraan die twee waterige oplossingen met verschillende concentratie scheidt
civielkundige constructie waarmee een weg, plein of waterloop (waterweg) wordt overwelfd
een inzamelknooppunt, uitgevoerd als voorziening met drempel, van waaruit onder bepaalde omstandigheden afvalwater uit het rioleringsnetwerk wordt geloosd naar een ander rioleringsnetwerk of op het oppervlaktewater
onder water raken van ofwel de begrenzingen van een stroom of een ander oppervlaktewaterlichaam, ofwel van gebieden die normaal niet onder water staan
vaststellen en handhaven van waterstanden in rivieren, beken en sloten
bestuurlijk besluit met betrekking tot de te handhaven waterhoogte in waterlopen
gegradueerde schaal die gebruikt wordt voor het aangeven van de waterstand in een waterlichaam
een stuk grond bedoeld om op te wonen of voor het uitoefenen van een (landbouw)bedrijf of een combinatie daarvan
een kolom of steunpilaar met een dragende functie in een bouwwerk of een onderdeel van een brug dat voor ondersteuning van de brug zorgt
een gebied, dat door een waterkering beschermd is tegen water van buiten en waarbinnen het peil beheerst kan worden
werktuig dat door middel van een verschil in druk vloeistoffen of gassen verplaatst
verzameling van individuen van dezelfde soort, die in een bepaalde omschreven ruimte woont
het onttrekken van grondwater met als doel het onderzoeken van de hoeveelheid grondwater dat tijdens toekomstige werkzaamheden moet worden onttrokken. Een proefbemaling is veelal kortdurend
doorsnede van een object in lengterichting, in dwarsrichting of langs een verticaal, waarbij kenmerken van het object langs de doorsnede worden vastgelegd
groep van personen of een organisatievorm die volgens de wet bevoegd is om zelf rechtshandelingen te verrichten, zoals bijvoorbeeld het sluiten van een contract
recreatieve activiteiten zoals wandelen, fietsen, varen en schaatsen, al dan niet in de vorm van een evenement
waterrecreatie of watersport met gebruikmaking van een pleziervaartuig
afvalwater dat met een rioolstelsel is verzameld
een bedrijf waar het rioolwater wordt gezuiverd tot effluentkwaliteit dat geloosd mag worden op een oppervlaktewaterlichaam
het verwijderen van de vervuilingsbron om ecologische redenen en/of volksgezondheid
verzamelnaam voor het verkeer te water
elk vaartuig met inbegrip van vaartuigen zonder waterverplaatsing en watervliegtuigen, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer over water
perceelscheidende constructie bestaande uit overwegend dichte delen OF het geheel van handelingen, die verricht moeten worden om een vaartuig van het vaarwater aan de ene kant van de sluis, naar de andere kant te brengen
onderzoek naar de bodemopbouw door kunstmatig opgewekte trillingen
dicht bebouwd gebied; het kan gaan om woongebieden en bedrijventerreinen of een mengvorm daarvan
een constructie boven het water, meestal langs een oever, die dient voor het afmeren van schepen of woonschepen
doorstroming van het vaarwegverkeer plaatselijk geblokkeerd als gevolg van een incident
de gemiddelde stroomsnelheid van het water, zijnde het quotiënt van de cumulatieve aanvoerhoeveelheid en de natte oppervlakte
een houtige plant, die zich onmiddellijk boven of al in de grond vertakt
vaste of beweegbare constructie die dient om het peil bovenstrooms van de constructie te verhogen c.q. te regelen
een stuk kanaal of rivier tussen minimaal één stuw en een volgend kunstwerk
onder helling gelegen vlak
de bij deze verordening horende toelichting
uitholling door spoeling ontstaan OF: transport van materiaal vanuit tussenlaag of ondergrond door de toplaag naar buiten OF: het weglopen via het grondwater in het oppervlaktewater van bepaalde stoffen, zoals fosfaat en stikstof
een aansluiting van een perceel op de openbare weg. Ook wel in-, op-, af-, toe- of uitrit genoemd
het deel van de (breedte van de) bodem van de vaarweg dat voor de scheepvaart door baggeren op een bepaalde minimale diepte gehouden moet worden OF: een relatief smal gebaggerd en/of betond vaarwater
een zee- of binnenvaartuig, tot de vaart gebruikt of bestemd, daaronder begrepen drijvende werktuigen, zoals baggerwerktuigen, kranen, bokken, elevators, alsmede woonschepen, glijboten, jachten, kano's en veerponten
een aaneengesloten stuk oppervlaktewater, dat als vaarweg in de Wegwijzer voor de binnenscheepvaart is gedefinieerd
de zorg voor het in stand houden van de scheepvaartwegen, de daartoe behorende kunstwerken en de daarlangs gelegen oevers en oeverwerken
de overheid of instantie die is belast met het op het vereiste profiel houden van de vaargeul voor het gebruik door vaartuigen
het plantenkleed van een bepaalde locatie
daken, bestrating, kassen etc., waarvan het regenwater wordt afgevoerd naar de riolering en/of het oppervlaktewater
in de afvoer hydraulica, de stroming waarvan de snelheid toeneemt in de stroomrichting
het toenemen van het zoutgehalte in oppervlaktewater, in de grond of het grondwater
aangewezen vissen + delen + kuit en broed, aangewezen schaal-, schelp- en weekdieren + delen + broed en zaad, zeesterren, zee- of koraalmos
het stroomopwaarts trekken van vissen om zich voort te planten
een vervoermiddel dat zich over het land verplaatst
de meest algemene, over de gehele aarde verbreide vloeistof die, als zij zuiver is, geen kleur, reuk of smaak heeft en waarvan de moleculen uit twee atomen waterstof en één atoom zuurstof bestaan (H2O)
het geheel van onderzoekingen, plannen, technische werken en bestuurlijke maatregelen, dat dient om te komen tot een zo doelmatig mogelijk integraal beheer van het aanwezige grond- en oppervlaktewater
de instantie die verantwoordelijk is voor de zorg om (een deel van) een watersysteem
als functie van wateren: het tijdelijk of langdurig bergen van (regen)wateroverschotten uit de omgeving
verticale afstand tussen waterspiegel en waterbodem
zie oppervlaktewater
een langgerekte verlaging in het terrein van natuurlijke of kunstmatige oorsprong met permanent of periodiek stromend water
de wijze waarop water in een bepaald gebied wordt opgenomen, zich verplaatst, en gebruikt, verbruikt en afgevoerd (enz.) wordt
de kwaliteit van water in sloten en rivieren wordt bepaald door de stoffen die in het water zitten
verzamelterm voor schade, ongemak en ontreddering door hoge waterstanden ten gevolge van overvloedige neerslag en/of onvoldoende ontwatering
de snijlijn van het watervlak ter hoogte van het waterpeil met de aangrenzende gronden, tevens het grensvlak tussen oppervlaktewaterwater en lucht
bodemdaling als gevolg van inklinking, krimp en door het aanbrengen van een bovenbelasting
LLL
Binnen bijlage 5 wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 1.2, gemeten in een steekmonster.
Tabel 1.2 Emissiegrenswaarden in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam
Stof | Emissiegrenswaarde in μg/l of mg/l |
Naftaleen | 0,2 μg/l |
PAK’s | 1 μg/l |
Minerale olie | 50 μg/l |
Cadmium | 0,4 μg/l |
Kwik | 0,1 μg/l |
Koper | 1,1 μg/l |
Nikkel | 4,1 μg/l |
Lood | 5,3 μg/l |
Zink | 12 μg/l |
Chroom | 2,4 μg/l |
Onopgeloste stoffen | 20 mg/l |
Benzeen | 2 μg/l |
Tolueen | 7 μg/l |
Ethylbenzeen | 4 μg/l |
Xyleen | 4 μg/l |
Tetrachlooretheen | 3 μg/l |
Trichlooretheen | 20 μg/l |
1,2-dichlooretheen | 20 μg/l |
1,1,1-trichloorethaan | 20 μg/l |
Vinylchloride | 8 μg/l |
Som van de vijf hier bovenstaande stoffen | 20 μg/l |
Monochloorbenzeen | 7 μg/l |
Dichloorbenzenen | 3 μg/l |
Trichloorbenzenen | 1 μg/l |
MMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.4 – doelen
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten, algemene en algemene (uitvoerings)regelsspecifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
NNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.5 – doelen oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten en, algemene en algemene (uitvoerings)regelsspecifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
OOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.6 – doelen waterkeringen
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten en, algemene en algemene (uitvoerings)regelsspecifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
PPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.7 – doelen grondwater
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten en, algemene en algemene (uitvoerings)regelsspecifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
QQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.8 – doelen zuiveringtechnische werken
Deze bepaling bevat een hele algemene omschrijving van de doelen die het waterschap stelt bij de regels die zijn opgenomen in deze verordening. De juridische- en toepasbare regels die gelden voor het uitvoeren van activiteiten in het beheergebied van het waterschap zijn daardoor te herleiden aan de doelen die het waterschap zich zelf stelt. Deze doelen, die onder meer zijn afgeleid uit de Blauwe Omgevingsvisie 2021 van het waterschap, geven daarnaast een brede basis voor verdere uitwerking van zorgplichten, onderhoudsplichten en, algemene en algemene (uitvoerings)regelsspecifieke uitvoeringsregels, zoals opgenomen in de hoofdstukken 1 t/m 3 en in bijlage 5 van deze verordening en de uitvoering die daaraan wordt gegeven.
RRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.11 – nadere uitwerking beperkingengebied B
Beperkingengebied A, dat het beheergebied en de grondlichamen in het beheergebied omvat, behoeft geen nadere uitwerking. Dit geldt wel voor de beperkingengebieden B, de waterstaatswerken en C, de zuiveringtechnische werken. In deze bepaling is beperkingengebied B nader uitgewerkt, waarbij de geometrische begrenzing wordt gespecificeerd. De geometrische begrenzing is bepaald door de fysieke kenmerken en de feitelijke ligging of de normatieve afmeting van de waterstaatswerken. Dit is inclusief de ruimte die in ieder geval nodig is om ingeval van activiteiten in de fysieke leefomgeving te borgen dat risico’s op schade aan deze werken verkleind kunnen worden en negatieve effecten op deze werken kunnen worden voorkomen met het stellen van algemene regels en plichten. De specifieke begrenzing van de verschillende waterstaatswerken zal terug te vinden zijn in de digitaal ontsloten werkingsgebieden (kaarten) van deze beperkingengebieden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Voor een aantal waterstaatswerken zijn in bijlage 2 bij deze verordening een aantal visualisaties opgenomen om de in artikel 1.11 gespecificeerde begrenzingen visueel inzichtelijk te maken. Opvallende keuzes voor de aanwijzing van deze beperkingengebieden zijn de volgende:
Voor oppervlaktewaterlichamen, beperkingengebied I, wordt voor de begrenzing een feitelijk voorkomende insteek (doorgaans bij watergangen/waterlopen) gehanteerd aan weerszijden van het oppervlaktewaterlichaam plus de mogelijk daarbij aangewezen droge oevergebieden. Voor de wateren zonder duidelijke insteek (zoals meren, vennen, plassen en pingoruïnes) geldt voor de begrenzing het oppervlaktewater plus de daarbij door het waterschap aangewezen droge oevergebieden. Het droge oevergebied is in artikel 1.1 gedefinieerd als: “een gebied van tenminste 250 m2 dat van nature binnen de invloedssfeer ligt van een oppervlaktewaterlichaam, dat niet onder water staat, maar bij verhoogde waterstanden kan inunderen en water kan bergen”. Onder de Omgevingswet maken droge oevergebieden geen onderdeel meer uit van het waterstaatswerk, het oppervlaktewaterlichaam. Aangezien de aangewezen droge oevergebieden een vergelijkbare beschermingsstatus nodig hebben als de oppervlaktewaterlichamen, vanwege de mogelijkheid van inundatie en de bergingsfunctie, wijst het waterschap, daar waar in het beheergebied sprake is van substantieel voorkomende droge oevergebieden, deze aan als onderdeel van beperkingengebied I van het oppervlaktewaterlichaam.
Ondersteunende kunstwerken kennen geen eigen beperkingengebied, omdat er doorgaans enkel onderhouds- of vervangingswerkzaamheden plaatsvinden. De functionele werking van ondersteunende kunstwerken dient echter wel beschermd te worden. Ze maken daarom onderdeel uit van de meest relevante beperkingengebieden van de andere waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en bergingsgebieden).
De beschermingszones zoals die onder de Waterwet onderdeel uitmaakten van de legger zijn in de Waterschapsverordening als beperkingengebied opgenomen. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen geldt een beschermingszone van 5 meter (beperkingengebied II), die het waterschap tevens kan gebruiken voor het beheer en onderhoud.
Voor primaire waterkeringen wordt het feitelijk voorkomend profiel van de waterkering als uitgangspunt genomen voor beperkingengebied I. De specifieke begrenzing is afhankelijk van de locatie van de binnen- en buitenteen van de waterkering (de kernzone), behalve daar waar sprake is van een binnendijks en/of buitendijks liggende dijksloot. In het laatste geval wordt voor beperkingengebied l de insteek van de dijksloot aangehouden voor de begrenzing van het beperkingengebied. In tegenstelling tot de primaire waterkeringen worden voor de regionale- en overige waterkeringen de normatieve uitgangspunten genomen voor het bepalen van het beperkingengebied. Hierdoor kan het voorkomen dat de begrenzing van beperkingengebied I ligt op het feitelijk (in het veld) voorkomende dijktalud. Automatisch ligt dan in die gevallen een deel van beperkingengebied II van de regionale- en overige waterkeringen ook nog (gedeeltelijk) in het dijktalud. Daar waar nodig zullen regels in deze verordening, die primair zien op bescherming van het feitelijk aanwezige dijklichaam naast het feit dat ze van toepassing zullen zijn in beperkingengebied I van de regionale- en overige waterkeringen ook van toepassing zijn in beperkingengebied II van deze keringen, voor zover dit het dijktalud betreft.
De regionale- en overige waterkeringen kennen een beschermingszone van 4 meter (beperkingengebied II), die primair dient ter bescherming van beperkingengebied l, daarnaast gebruikt kan worden om beheer en onderhoud van beperkingengebied l uit te voeren en die tevens als ruimtelijke reserveringszone dient om de waterkering in de toekomst te versterken. Door de gekozen begrenzing van beperkingengebied I, gebaseerd op het normatieve profiel van de waterkering, kan deze zone gedeeltelijk op het feitelijk voorkomend dijktalud gelegen zijn.
De regionale- en overige waterkeringen kennen een nieuwe beschermingszone (beperkingengebied III) van 25 meter, gemeten vanaf beperkingengebied I van de waterkering. De zone van 25 meter dient twee doelen:
Het bewustmaken van initiatiefnemers dat er vlakbij de locatie waar een activiteit wordt uitgevoerd een waterkering ligt, waarvan de primaire functie (het keren van water) niet in gevaar mag komen. Waar mogelijk kunnen initiatiefnemers, die buiten de 4 meter zone een activiteit uitvoeren hier rekening mee houden.
Daarnaast is er bij keringen die een hoog waterstandsverschil keren ook buiten de 4 meter-zone een risico op piping. Bijvoorbeeld bij het heien of het aanleggen van parkeergarages, hoge drukleidingen of kelders. In de praktijk zijn er voorbeelden bekend waarbij het waterschap tijdens werkzaamheden gevraagd is om opborrelend water te onderzoeken. Door deze zone aan te wijzen, kan het waterschap regels en plichten aan activiteiten in die zone opleggen, waardoor de waterkering beter beschermd kan worden. N.B. Voor alle in deze verordening gereguleerde activiteiten, die plaatsvinden in beperkingengebied III gelden enkel algemene en specifieke zorgplichten en in voorkomende gevallen een enkele algemene uitvoeringsregel. Er zijn geen meldings- en vergunningplichten opgelegd voor activiteiten in dit beperkingengebied.
De primaire waterkeringen hebben beschermingszones (beperkingengebieden II en III) die voor de omvang afhankelijk zijn van de ligging in stedelijk (bebouwd) of landelijk (buiten) gebied. Voor de geometrische begrenzing van die beperkingengebieden wordt gebruik gemaakt van de door de Provincie Groningen gemaakte kaart met de aangewezen stedelijke- en landelijke gebieden, die bij de Provinciale Omgevingsverordening is gevoegd.
Voor zuiveringtechnische werken is een differentiatie aangebracht in de typen persleidingen, waarbij geldt dat hoe groter de persleiding, hoe groter het gebied waar de regels van het waterschap van toepassing zullen zijn. Dit omdat bij grotere persleidingen er grotere risico’s zijn. Schade aan die leidingen kan namelijk verstrekkende gevolgen hebben.
N.B. Voor alle in deze verordening gereguleerde activiteiten, die plaatsvinden in beperkingengebied III gelden enkel algemene en specifieke zorgplichten en in voorkomende gevallen een enkele algemene en specifieke uitvoeringsregel. Er zijn geen meldings- en vergunningplichten opgelegd voor activiteiten in dit beperkingengebied.
De primaire waterkeringen hebben beschermingszones (beperkingengebieden II en III) die voor de omvang afhankelijk zijn van de ligging in stedelijk (bebouwd) of landelijk (buiten) gebied. Voor de geometrische begrenzing van die beperkingengebieden wordt gebruik gemaakt van de door de Provincie Groningen gemaakte kaart met de aangewezen stedelijke- en landelijke gebieden, die bij de Provinciale Omgevingsverordening is gevoegd.
Voor zuiveringtechnische werken is een differentiatie aangebracht in de typen persleidingen, waarbij geldt dat hoe groter de persleiding, hoe groter het gebied waar de regels van het waterschap van toepassing zullen zijn. Dit omdat bij grotere persleidingen er grotere risico’s zijn. Schade aan die leidingen kan namelijk verstrekkende gevolgen hebben.
SSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.7, eerste lid, artikel 2.10, artikel 2.13, eerste lid, artikel 2.16 en artikel 2.19 – onderhoudsplichtige waterstaatswerken, overige (kunst)werken en zuiveringtechnische werken
In deze bepalingen wordt de onderhoudsplichtige aangewezen van primaire, secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen (artikel 2.7), van bergingsgebieden (artikel 2.7), van primaire, regionale en overige waterkeringen (artikel 2.10), van ondersteunende (kunst)werken (artikel 2.13), van overige (kunst)werken (artikel 2.16) en van zuiveringtechnische werken (artikel 2.19). Met “(kunst)werken” worden zowel civieltechnische constructies bedoeld als grondlichamen. Beide typen werken kunnen een voor het watersysteem ondersteunend karakter hebben. Zo zijn ondersteunende kunstwerken: gemalen, stuwen en inlaten. En zo zijn ondersteunende werken (c.q. ondersteunende grondlichamen): schermdijken en strekdammen. Met de ondersteunende (kunst)werken die zijn aangelegd in bergingsgebieden worden enkel de werken bedoeld die een ondersteunende functie hebben voor het bergingsgebied en niet de werken die voorkomen in de oppervlaktewaterlichamen die in bergingsgebieden zijn gelegen.
In al deze bepalingen is geregeld dat deze aanwijzingen bij verordening enkel van toepassing zijn, wanneer de onderhoudsplichtige niet al in de Onderhoudslegger is opgenomen en er geen andere besluiten, overeenkomsten of andere (onderhouds)regelingen zijn waaruit blijkt wie de onderhoudsplichtige is. Daarbij wordt voor de waterstaatswerken, die opgenomen zijn in de Legger waterstaatswerken van het waterschap, een onderscheid gemaakt tussen gewoon en buitengewoon onderhoud. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat met het buitengewoon onderhoud het grootschalig onderhoud wordt bedoeld, waarbij mogelijk wijziging van de ligging, vorm, afmeting of constructie (zoals opgenomen in de Legger waterstaatswerken) kan plaatsvinden. Indien dat laatste het geval is, zijn de regels uit hoofdstuk 3 van toepassing (zie artikel 2.5). Een andere reden voor het onderscheid is dat voor deze waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken) geldt, dat die voor het waterschap het meest van belang zijn voor en van invloed zijn op het beheer van het watersysteem. Vanwege die reden is vaak het waterschap onderhoudsplichtige voor in ieder geval het buitengewoon onderhoud omdat het waterschap met het oog op de mogelijke effecten op het watersysteembeheer in de hand wil houden wat het buitengewoon onderhoud in gaat houden en hoe dit uitgevoerd gaat worden. Voor andere werken dan waterstaatswerken wordt het onderscheid tussen gewoon en buitengewoon onderhoud niet gemaakt, omdat die werken doorgaans een geringe betekenis hebben voor het beheer van het watersysteem en daarom ook niet als waterstaatswerk op de Legger waterstaatswerken voorkomen. De onderhoudsplichtige van die werken is daarom verantwoordelijk voor het onderhoud in algemene zin (tenzij dit bij besluit anders is geregeld) en dat betekent feitelijk, zowel het uitvoeren van het gewone onderhoud als het buitengewoon onderhoud, zoals vervanging van het werk.
TTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.7, eerste lid, artikel 2.10, artikel 2.13, eerste lid, artikel 2.16 en artikel 2.19 – onderhoudsplichtige waterstaatswerken, overige (kunst)werk en zuiveringtechnische werken
In deze bepalingen wordt de onderhoudsplichtige aangewezen van primaire, secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen (artikel 2.7), van bergingsgebieden (artikel 2.7), van primaire, regionale en overige waterkeringen (artikel 2.10), van ondersteunende (kunst)werken (artikel 2.13), van overige (kunst)werk (artikel 2.16) en van zuiveringtechnische werken (artikel 2.19). Met “(kunst)werken” worden zowel civieltechnische constructies bedoeld als grondlichamen. Beide typen werken kunnen een voor het watersysteem ondersteunend karakter hebben. Zo zijn ondersteunende kunstwerken: gemalen, stuwen en inlaten. En zo zijn ondersteunende werken (c.q. ondersteunende grondlichamen): schermdijken en strekdammen. Met de ondersteunende (kunst)werken die zijn aangelegd in bergingsgebieden worden enkel de werken bedoeld die een ondersteunende functie hebben voor het bergingsgebied en niet de werken die voorkomen in de oppervlaktewaterlichamen die in bergingsgebieden zijn gelegen.
In al deze bepalingen is geregeld dat deze aanwijzingen bij verordening enkel van toepassing zijn, wanneer de onderhoudsplichtige niet al in de Onderhoudslegger is opgenomen en er geen andere besluiten, overeenkomsten of andere (onderhouds)regelingen zijn waaruit blijkt wie de onderhoudsplichtige is. Daarbij wordt voor de waterstaatswerken, die opgenomen zijn in de Legger waterstaatswerken van het waterschap, een onderscheid gemaakt tussen gewoon en buitengewoon onderhoud. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat met het buitengewoon onderhoud het grootschalig onderhoud wordt bedoeld, waarbij mogelijk wijziging van de ligging, vorm, afmeting of constructie (zoals opgenomen in de Legger waterstaatswerken) kan plaatsvinden. Indien dat laatste het geval is, zijn de regels uit hoofdstuk 3 van toepassing (zie artikel 2.5). Een andere reden voor het onderscheid is dat voor deze waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken) geldt, dat die voor het waterschap het meest van belang zijn voor en van invloed zijn op het beheer van het watersysteem. Vanwege die reden is vaak het waterschap onderhoudsplichtige voor in ieder geval het buitengewoon onderhoud omdat het waterschap met het oog op de mogelijke effecten op het watersysteembeheer in de hand wil houden wat het buitengewoon onderhoud in gaat houden en hoe dit uitgevoerd gaat worden. Voor andere werken dan waterstaatswerken wordt het onderscheid tussen gewoon en buitengewoon onderhoud niet gemaakt, omdat die werken doorgaans een geringe betekenis hebben voor het beheer van het watersysteem en daarom ook niet als waterstaatswerk op de Legger waterstaatswerken voorkomen. De onderhoudsplichtige van die werken is daarom verantwoordelijk voor het onderhoud in algemene zin (tenzij dit bij besluit anders is geregeld) en dat betekent feitelijk, zowel het uitvoeren van het gewone onderhoud als het buitengewoon onderhoud, zoals vervanging van het werk.
UUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.7, eerste lid, artikel 2.10, artikel 2.13, eerste lid, artikel 2.16 en artikel 2.19 – onderhoudsplichtige waterstaatswerken, overige (kunst)werk en zuiveringtechnische werken
In deze bepalingen wordt de onderhoudsplichtige aangewezen van primaire, secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen (artikel 2.7), van bergingsgebieden (artikel 2.7), van primaire, regionale en overige waterkeringen (artikel 2.10), van ondersteunende (kunst)werken (artikel 2.13), van overige (kunst)werk (artikel 2.16) en van zuiveringtechnische werken (art 2.19). Met “(kunst)werk” worden zowel civieltechnische constructies bedoeld als grondlichamen. Beide typen werken kunnen een voor het watersysteem ondersteunend karakter hebben. Zo zijn ondersteunende kunstwerken: gemalen, stuwen en inlaten. En zo zijn ondersteunende werken (c.q. ondersteunende grondlichamen): schermdijken en strekdammen.
In al deze bepalingen is geregeld dat deze aanwijzingen bij verordening enkel van toepassing zijn, wanneer de onderhoudsplichtige niet al in de Onderhoudslegger is opgenomen en er geen andere besluiten, overeenkomsten of andere (onderhouds)regelingen zijn waaruit blijkt wie de onderhoudsplichtige is. Daarbij wordt voor de waterstaatswerken, die opgenomen zijn in de Legger waterstaatswerken van het waterschap, een onderscheid gemaakt tussen gewoon en buitengewoon onderhoud. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat met het buitengewoon onderhoud het grootschalig onderhoud wordt bedoeld, waarbij mogelijk wijziging van de ligging, vorm, afmeting of constructie (zoals opgenomen in de Legger waterstaatswerken) kan plaatsvinden. Indien dat laatste het geval is, zijn de regels uit hoofdstuk 3 van toepassing (zie artikel 2.5). Een andere reden voor het onderscheid is dat voor deze waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken) geldt, dat die voor het waterschap het meest van belang zijn voor en van invloed zijn op het beheer van het watersysteem. Vanwege die reden is vaak het waterschap onderhoudsplichtige voor in ieder geval het buitengewoon onderhoud omdat het waterschap met het oog op de mogelijke effecten op het watersysteembeheer in de hand wil houden wat het buitengewoon onderhoud in gaat houden en hoe dit uitgevoerd gaat worden. Voor andere werken dan waterstaatswerken wordt het onderscheid tussen gewoon en buitengewoon onderhoud niet gemaakt, omdat die werken doorgaans een geringe betekenis hebben voor het beheer van het watersysteem en daarom ook niet als waterstaatswerk op de Legger waterstaatswerken voorkomen. De onderhoudsplichtige van die werken is daarom verantwoordelijk voor het onderhoud in algemene zin (tenzij dit bij besluit anders is geregeld) en dat betekent feitelijk, zowel het uitvoeren van het gewone onderhoud als het buitengewoon onderhoud, zoals vervanging van het werk.
Artikel 2.13, tweede lid – onderhoudsplichtigen van duikers
In het tweede lid van artikel 2.13 is een afwijkende regel opgenomen voor duikers, omdat duikers enerzijds functioneel gezien ondersteunend zijn voor het beheer van het watersysteem, maar anderzijds doorgaans niet zijn aangelegd in het belang van het waterschap. Dammen met duikers liggen er meestal in het belang van een derde om een perceel te ontsluiten. Voor duikers geldt dan ook dat de belanghebbende onderhoudsplichtige is van de duiker, met uitzondering van het gewoon onderhoud van duikers, die aangelegd zijn in primaire oppervlaktewateren. Aangezien het waterschap meestal onderhoudsplichtige is voor het gewoon en buitengewoon onderhoud van primaire wateren, maar doorgaans geen belang heeft gehad bij de aanleg van de duiker wordt het buitengewoon onderhoud van de duiker niet neergelegd bij het waterschap, maar bij de belanghebbende van de duiker. Het gewone onderhoud van de duiker (bijv. het verwijderen van ophopende beplanting of afval) wordt dan nog wel door het waterschap uitgevoerd, omdat het waterschap in primaire wateren de doorstroming moet borgen.
Artikel 2.7, eerste lid, artikel 2.10, artikel 2.13, eerste lid, artikel 2.16 en artikel 2.19 – onderhoudsplichtige waterstaatswerken, overige (kunst)werk en zuiveringtechnische werken
In deze bepalingen wordt de onderhoudsplichtige aangewezen van primaire, secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen (artikel 2.7), van bergingsgebieden (artikel 2.7), van primaire, regionale en overige waterkeringen (artikel 2.10), van ondersteunende (kunst)werken (artikel 2.13), van overige (kunst)werk (artikel 2.16) en van zuiveringtechnische werken (art 2.19). Met “(kunst)werk” worden zowel civieltechnische constructies bedoeld als grondlichamen. Beide typen werken kunnen een voor het watersysteem ondersteunend karakter hebben. Zo zijn ondersteunende kunstwerken: gemalen, stuwen en inlaten. En zo zijn ondersteunende werken (c.q. ondersteunende grondlichamen): schermdijken en strekdammen. Met de ondersteunende (kunst)werken die zijn aangelegd in bergingsgebieden worden enkel de werken bedoeld die een ondersteunende functie hebben voor het bergingsgebied en niet de werken die voorkomen in de oppervlaktewaterlichamen die in bergingsgebieden zijn gelegen.
In al deze bepalingen is geregeld dat deze aanwijzingen bij verordening enkel van toepassing zijn, wanneer de onderhoudsplichtige niet al in de Onderhoudslegger is opgenomen en er geen andere besluiten, overeenkomsten of andere (onderhouds)regelingen zijn waaruit blijkt wie de onderhoudsplichtige is. Daarbij wordt voor de waterstaatswerken, die opgenomen zijn in de Legger waterstaatswerken van het waterschap, een onderscheid gemaakt tussen gewoon en buitengewoon onderhoud. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat met het buitengewoon onderhoud het grootschalig onderhoud wordt bedoeld, waarbij mogelijk wijziging van de ligging, vorm, afmeting of constructie (zoals opgenomen in de Legger waterstaatswerken) kan plaatsvinden. Indien dat laatste het geval is, zijn de regels uit hoofdstuk 3 van toepassing (zie artikel 2.5). Een andere reden voor het onderscheid is dat voor deze waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken) geldt, dat die voor het waterschap het meest van belang zijn voor en van invloed zijn op het beheer van het watersysteem. Vanwege die reden is vaak het waterschap onderhoudsplichtige voor in ieder geval het buitengewoon onderhoud omdat het waterschap met het oog op de mogelijke effecten op het watersysteembeheer in de hand wil houden wat het buitengewoon onderhoud in gaat houden en hoe dit uitgevoerd gaat worden. Voor andere werken dan waterstaatswerken wordt het onderscheid tussen gewoon en buitengewoon onderhoud niet gemaakt, omdat die werken doorgaans een geringe betekenis hebben voor het beheer van het watersysteem en daarom ook niet als waterstaatswerk op de Legger waterstaatswerken voorkomen. De onderhoudsplichtige van die werken is daarom verantwoordelijk voor het onderhoud in algemene zin (tenzij dit bij besluit anders is geregeld) en dat betekent feitelijk, zowel het uitvoeren van het gewone onderhoud als het buitengewoon onderhoud, zoals vervanging van het werk.
Artikel 2.13, tweede lid – onderhoudsplichtigen van duikers
In het tweede lid van artikel 2.13 is een afwijkende regel opgenomen voor duikers, omdat duikers enerzijds functioneel gezien ondersteunend zijn voor het beheer van het watersysteem, maar anderzijds doorgaans niet zijn aangelegd in het belang van het waterschap. Dammen met duikers liggen er meestal in het belang van een derde om een perceel te ontsluiten. Voor duikers geldt dan ook dat de belanghebbende onderhoudsplichtige is van de duiker, met uitzondering van het gewoon onderhoud van duikers, die aangelegd zijn in primaire oppervlaktewateren. Aangezien het waterschap meestal onderhoudsplichtige is voor het gewoon en buitengewoon onderhoud van primaire wateren, maar doorgaans geen belang heeft gehad bij de aanleg van de duiker wordt het buitengewoon onderhoud van de duiker niet neergelegd bij het waterschap, maar bij de belanghebbende van de duiker. Het gewone onderhoud van de duiker (bijv. het verwijderen van ophopende beplanting of afval) wordt dan nog wel door het waterschap uitgevoerd, omdat het waterschap in primaire wateren de doorstroming moet borgen.
VVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.7, eerste lid, artikel 2.10, artikel 2.13, eerste lid, artikel 2.16 en artikel 2.19 – onderhoudsplichtige waterstaatswerken, overige (kunst)werken en zuiveringtechnische werken
In deze bepalingen wordt de onderhoudsplichtige aangewezen van primaire, secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen (artikel 2.7), van bergingsgebieden (artikel 2.7), van primaire, regionale en overige waterkeringen (artikel 2.10), van ondersteunende (kunst)werken (artikel 2.13), van overige (kunst)werk (artikel 2.16) en van zuiveringtechnische werken (artikel 2.19). Met “(kunst)werk” worden zowel civieltechnische constructies bedoeld als grondlichamen. Beide typen werken kunnen een voor het watersysteem ondersteunend karakter hebben. Zo zijn ondersteunende kunstwerken: gemalen, stuwen en inlaten. En zo zijn ondersteunende werken (c.q. ondersteunende grondlichamen): schermdijken en strekdammen. Met de ondersteunende (kunst)werken die zijn aangelegd in bergingsgebieden worden enkel de werken bedoeld die een ondersteunende functie hebben voor het bergingsgebied en niet de werken die voorkomen in de oppervlaktewaterlichamen die in bergingsgebieden zijn gelegen.
In al deze bepalingen is geregeld dat deze aanwijzingen bij verordening enkel van toepassing zijn, wanneer de onderhoudsplichtige niet al in de Onderhoudslegger is opgenomen en er geen andere besluiten, overeenkomsten of andere (onderhouds)regelingen zijn waaruit blijkt wie de onderhoudsplichtige is. Daarbij wordt voor de waterstaatswerken, die opgenomen zijn in de Legger waterstaatswerken van het waterschap, een onderscheid gemaakt tussen gewoon en buitengewoon onderhoud. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat met het buitengewoon onderhoud het grootschalig onderhoud wordt bedoeld, waarbij mogelijk wijziging van de ligging, vorm, afmeting of constructie (zoals opgenomen in de Legger waterstaatswerken) kan plaatsvinden. Indien dat laatste het geval is, zijn de regels uit hoofdstuk 3 van toepassing (zie artikel 2.5). Een andere reden voor het onderscheid is dat voor deze waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken) geldt, dat die voor het waterschap het meest van belang zijn voor en van invloed zijn op het beheer van het watersysteem. Vanwege die reden is vaak het waterschap onderhoudsplichtige voor in ieder geval het buitengewoon onderhoud omdat het waterschap met het oog op de mogelijke effecten op het watersysteembeheer in de hand wil houden wat het buitengewoon onderhoud in gaat houden en hoe dit uitgevoerd gaat worden. Voor andere werken dan waterstaatswerken wordt het onderscheid tussen gewoon en buitengewoon onderhoud niet gemaakt, omdat die werken doorgaans een geringe betekenis hebben voor het beheer van het watersysteem en daarom ook niet als waterstaatswerk op de Legger waterstaatswerken voorkomen. De onderhoudsplichtige van die werken is daarom verantwoordelijk voor het onderhoud in algemene zin (tenzij dit bij besluit anders is geregeld) en dat betekent feitelijk, zowel het uitvoeren van het gewone onderhoud als het buitengewoon onderhoud, zoals vervanging van het werk.
WWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 2.7, eerste lid, artikel 2.10, artikel 2.13, eerste lid, artikel 2.16 en artikel 2.19 – onderhoudsplichtige waterstaatswerken, overige (kunst)werken en zuiveringtechnische werken
In deze bepalingen wordt de onderhoudsplichtige aangewezen van primaire, secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen (artikel 2.7), van bergingsgebieden (artikel 2.7), van primaire, regionale en overige waterkeringen (artikel 2.10), van ondersteunende (kunst)werken (artikel 2.13), van overige (kunst)werken (artikel 2.16) en van zuiveringtechnische werken (artikel 2.19). Met “(kunst)werken” worden zowel civieltechnische constructies bedoeld als grondlichamen. Beide typen werken kunnen een voor het watersysteem ondersteunend karakter hebben. Zo zijn ondersteunende kunstwerken: gemalen, stuwen en inlaten. En zo zijn ondersteunende werken (c.q. ondersteunende grondlichamen): schermdijken en strekdammen. Met de ondersteunende (kunst)werken die zijn aangelegd in bergingsgebieden worden enkel de werken bedoeld die een ondersteunende functie hebben voor het bergingsgebied en niet de werken die voorkomen in de oppervlaktewaterlichamen die in bergingsgebieden zijn gelegen.
In al deze bepalingen is geregeld dat deze aanwijzingen bij verordening enkel van toepassing zijn, wanneer de onderhoudsplichtige niet al in de Onderhoudslegger is opgenomen en er geen andere besluiten, overeenkomsten of andere (onderhouds)regelingen zijn waaruit blijkt wie de onderhoudsplichtige is. Daarbij wordt voor de waterstaatswerken, die opgenomen zijn in de Legger waterstaatswerken van het waterschap, een onderscheid gemaakt tussen gewoon en buitengewoon onderhoud. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat met het buitengewoon onderhoud het grootschalig onderhoud wordt bedoeld, waarbij mogelijk wijziging van de ligging, vorm, afmeting of constructie (zoals opgenomen in de Legger waterstaatswerken) kan plaatsvinden. Indien dat laatste het geval is, zijn de regels uit hoofdstuk 3 van toepassing (zie artikel 2.5). Een andere reden voor het onderscheid is dat voor deze waterstaatswerken (oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken) geldt, dat die voor het waterschap het meest van belang zijn voor en van invloed zijn op het beheer van het watersysteem. Vanwege die reden is vaak het waterschap onderhoudsplichtige voor in ieder geval het buitengewoon onderhoud omdat het waterschap met het oog op de mogelijke effecten op het watersysteembeheer in de hand wil houden wat het buitengewoon onderhoud in gaat houden en hoe dit uitgevoerd gaat worden. Voor andere werken dan waterstaatswerken wordt het onderscheid tussen gewoon en buitengewoon onderhoud niet gemaakt, omdat die werken doorgaans een geringe betekenis hebben voor het beheer van het watersysteem en daarom ook niet als waterstaatswerk op de Legger waterstaatswerken voorkomen. De onderhoudsplichtige van die werken is daarom verantwoordelijk voor het onderhoud in algemene zin (tenzij dit bij besluit anders is geregeld) en dat betekent feitelijk, zowel het uitvoeren van het gewone onderhoud als het buitengewoon onderhoud, zoals vervanging van het werk.
XXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.1 – algemene uitvoeringsregels voor toegestane activiteiten in beperkingengebieden
In het eerste lid, onder a, van deze bepaling staan zeven voorschriften die te allen tijde van toepassing zijn op de activiteiten die via een melding of vergunning zijn toegestaan in de beperkingengebieden van het waterschap. De toelichting bij deze zeven voorschriften is als volgt:
Ad1. Het waterschap wil op tijd worden geïnformeerd over de start van de activiteit zodat er eventueel toezicht tijdens de werkzaamheden kan worden ingepland en zodat rekening kan worden gehouden met werkzaamheden die het waterschap zelf uitvoert.
Ad 2. Met hulpconstructies en hulpwerken zijn tijdelijke constructies of werken die tijdens de werkzaamheden nodig blijken om de activiteit uit te voeren, bijvoorbeeld: pontons, slootschotten, bouwsteigers en rijplaten. Het waterschap wil beoordelen of hulpconstructies en hulpwerken passen binnen de algemene regels en zorgplichten van de toegestane activiteit. Naar aanleiding van de beoordeling kan het waterschap extra (maatwerk)voorschriften opleggen.
Ad 3. Het waterschap wil worden geïnformeerd over de afronding van de activiteit zodat vervolgens een oplevercontrole kan worden ingepland of zodat werkzaamheden die het waterschap ter plaatse zelf uitvoert kunnen worden ingepland.
Ad 4. Het waterschap wil hierover direct worden geïnformeerd om te weten wat de omvang van de schade is en om daarmee te kunnen beoordelen hoe snel de schade hersteld moet worden.
Ad 5. Dit voorschrift is in feite een fatsoensnorm. Het voorkomt daarnaast dat het functioneren van het waterstaatswerk kan worden belemmerd en borgt tevens de bereikbaarheid van waterstaatwerken voor inspectiedoeleinden of onderhoud.
Ad 6. Het waterschap wil hierover worden geïnformeerd om te kunnen beoordelen of en zo ja wanneer en welke maatregelen genomen moeten worden.
Ad 7. Het waterschap wil hierover worden geïnformeerd om de gevolgen te kunnen beoordelen zodat kan worden bepaald of en zo ja wanneer en welke maatregelen moeten worden genomen.
Met de regel die is opgenomen in het eerste lid, onder b, beoogt het waterschap te bewerkstelligen dat degene die het werk uitvoert, over het besluit beschikt en kennis heeft kunnen nemen van de regels die worden gesteld aan de uitvoering van de activiteit. Het waterschap stelt deze regel ook zodat in geval van ad-hoc toezicht door het waterschap, ter plaatse kan worden vastgesteld of de activiteit toegestaan is.
Voor de in titel 3.5 en bijlage 5 opgenomen lozingsactiviteiten geldt in sommige gevallen dat het nodig zal zijn om het te lozen afvalwater te bemonsteren. In deze bepaling is in het tweede lid opgenomen welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren en conserveren. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze afdeling emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN-EN-ISO 5667-3 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
In subonderdeel d is een maatwerkregel opgenomen. Hierin wordt voor het analyseren van monsters van effluent afkomstig van rioolwaterzuivingsinstallaties (RWZI’s) in afwijking van het Besluit activiteiten leefomgeving het analyseren van totale organische koolstof (TOC) gelijkgesteld met het analyseren van chemisch zuurstofverbruik. Hiervoor is gekozen omdat de CZV-analysemethode gebruik maakt van schadelijke milieuvervuilende stoffen (kwik en chroom 6). Het voordeel van de TOC-analyse is dat het geen gebruik maakt van de schadelijke stoffen en daardoor milieuvriendelijker is. Een ander voordeel van TOC is dat hiermee betrouwbaar kan worden geanalyseerd in afvalwater met hoge zoutconcentraties in tegenstelling tot CZV. Vanaf 1 januari 2026 wordt de CZV-analyse met deze vervuilende stoffen verboden. Hierop wordt met deze maatwerkregel geanticipeerd. Om het zuurstofverbruik van een monster te bepalen met de TOC-methode moet een CZV/TOC-omrekenfactor worden geïntroduceerd omdat beide methoden niet hetzelfde meten. Tussen TOC en CZV bestaat een vaste theoretische verhouding die echter stofafhankelijk is. Voor mengsels van verschillende stoffen zoals in afvalwater is deze verhouding afhankelijk van de samenstelling van het mengsel. Uit vergelijkende onderzoeken bij de RWZI’s blijkt over het algemeen dat de resultaten van drievoudige TOC-analyse gelijkwaardig zijn aan die van CZV-analyse.
YYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.7 – vangnetvergunning en algehele verboden
In titel 3.2 tot en met titel 3.6 en bijlage 5 zijn voor de meeste voorkomende activiteiten in het beheergebied van het waterschap algemene regels, zorg-, meldings-, en vergunningplichten opgesteld. Voor de activiteiten die niet zijn gereguleerd in deze Waterschapsverordening geldt de vangnetvergunningplicht, opgenomen in artikel 3.7. Voor deDeze vergunningplicht aanvraag om eengeldt niet omgevingsvergunning voor een andere activiteit, dan die geregeld zijn in de titels 3.2 t/m 3.6 en bijlage 5gevallen, gelden de indieningsvereisten opgenomen in artikel 3.4 en aanvullende indieningsvereisten afhankelijk vanhet tweede lid. Niettemin gelden wel de specifiekedoor activiteit diehet waterschap wordt verrichtin titel 1.4 opgenomen zorgplichten.
Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, dan die geregeld zijn in de titels 3.2 t/m 3.6 en bijlage 5, gelden de indieningsvereisten opgenomen in artikel 3.4 en aanvullende indieningsvereisten afhankelijk van de specifieke activiteit die wordt verricht.
Deze bepaling regelt, tot slot, ook de bevoegdheid van het waterschap (ontleend uit de Waterschapswet en Omgevingswet) om in hoofdstuk 3 algehele verboden op te leggen voor specifieke activiteiten in bepaalde beperkingengebieden of in specifiek aangewezen gebieden binnen deze beperkingengebieden. Zo geldt er voor de activiteit ‘’onttrekken van oppervlaktewater’’ een algeheel verbod om water te onttrekken uit oppervlaktewaterlichamen waarnaar geen wateraanvoer mogelijk is.
ZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.10 – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van afrasteringen, schuttingen en hekwerken. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
AAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met deze paragraaf is beoogd doorstroming, beheer en onderhoud van het watersysteem te waarborgen door regels te stellen voor het aanplanten van beplanting (zoals bomen, struiken en heggen) in en nabij oppervlaktewaterlichamen en in bergingsgebieden.
Oppervlaktewaterlichamen kunnen op allerlei manieren worden beïnvloed door beplanting. Doorstroming, beheer en onderhoud kunnen belemmerd worden. Graafwerkzaamheden kunnen de grasbekleding beschadigen waardoor het talud mogelijk instabiel wordt. In bergingsgebieden kan sommige beplanting door overwoekering (en nalatig onderhoud) (op termijn) zorgen voor een afname van de bergingscapaciteit.
In bergingsgebieden, secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen gelden de algemene en specifieke zorgplichten. Omdat primaire oppervlaktewaterlichamen van groter belang zijn voor het watersysteem als geheel, is daar gekozen voor een vergunningplicht. Een algemenespecifieke uitvoeringsregel die overal geldt, houdt in dat de omvang van ontgravingen tot een minimum wordt beperkt.
Met de behandeling van de vergunningaanvraag wordt beoordeeld wat de korte- en langetermijneffecten zijn op de ecologische toestand van het water en op beheer en onderhoud.
BBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.21, vierde lid, onder a en b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – wijze van rooien
Om verzakking van de onderhoudsstroken en schade aan onderhoudsmaterieel te voorkomen, moeten stronken en wortels ook worden verwijderd. Om onnodig grote ontgravingen te voorkomen, variëren de regels hiervoor naargelang de hoogte van de beplanting.
Artikel 3.21, vierde lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – inzaaien graszaad
Als uitvoeringsregel is opgenomen dat taluds worden ingezaaid met graszaad. Dit is om de stabiliteit van het talud te waarborgen.
CCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat regels over het plaatsen van bouwwerken zoals woningen, schuren en andere constructies, zoals sluizen, in en nabij oppervlaktewaterlichamen of in bergingsbieden. Onder aanleggen vallen ook bouwkundige wijzigingen waarmee de bestemming, de vorm of het eigen gewicht van het bouwwerk wordt gewijzigd.
Vanwege het grote belang en de risico’s ter plaatse geldt een vergunningplicht in en nabij primaire oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. Het is namelijk van belang dat de gevolgen van dit type activiteit worden beoordeeld en maatwerk wordt geleverd waar nodig. Het waterschap gaat terughoudend om met het verstrekken van vergunningen voor bouwwerken. Voor secundaire en tertiaire oppervlaktewaterlichamen gelden enkel de zorgplichten en algemene uitvoeringsregelsen specifieke uitvoeringsregels.
Bouwwerken die dichtbij het talud staan, kunnen leiden tot inzakkingen of het onderhoud bemoeilijken. Om de bereikbaarheid voor onderhoud te waarborgen, is afstemming met de eigenaar van het aangrenzende perceel nodig. Van groot belang is ook dat de doorvoer van water niet onder het bouwwerk lijdt. Daarom worden door het waterschap gestelde aan- en afvoernormen en de wijze van onderhoud beoordeeld in het vergunningentraject.
DDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.25, tweede lid – algemene uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van bouwwerken. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.25, tweede lid – specifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van bouwwerken. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
EEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat de regels voor het aanleggen van bruggen en overkluizingen in oppervlaktewaterlichamen. Met overkluizingen wordt hier bedoeld: constructies (kunstwerken) waarmee een oppervlaktewater wordt overwelfd waarbij de overwelving meerdere maatschappelijke functies kan dienen en waarbij het profiel van het water doorgaans onaangetast blijft. Met bruggen wordt hier bedoeld: constructies (kunstwerken) die oppervlaktewater overbruggen, ter ontsluiting van wegen om doorgang te verschaffen aan voetgangers, dieren, voertuigen en diensten.
Onder aanleggen wordt tevens bedoeld significante wijzigingen. De regels borgen onder meer het minimale doorstroomprofiel en het beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam. De voorschriften over doorvaarthoogte- en breedte zijn gesteld specifiek ten behoeve van de vaarwegfunctie, maatschappelijke functie en varend onderhoud van oppervlaktewaterlichamen.
Voor tertiaire oppervlaktewaterlichamen volstaan de zorgplichten en de algemenespecifieke uitvoeringsregels. Voor secundaire oppervlaktewaterlichamen gelden meldingsplicht, zorgplicht en algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen is een vergunningplicht opgenomen omdat de belangen en risico’s op belemmering van de primaire functies van het oppervlaktewaterlichaam het grootst zijn en vanwege de behoefte aan de mogelijkheid om maatwerk toe te passen.
Als de brug of overkluizing wordt aangelegd in of nabij een waterkering, is de paragraaf met regels over het aanleggen van bouwwerken in en nabij waterkeringen eveneens van toepassing.
FFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.30, eerste lid en onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van bruggen en overkluizingen. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.30, eerste lid en onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – maatschappelijke functievervulling
Bruggen en overkluizingen moeten breed en hoog genoeg zijn voor de eventuele maatschappelijke functie van het oppervlaktewater. De melder onderzoekt zelf of de te overbruggen of overkluizen watergang een maatschappelijke functie heeft. In het kader van deze regels kan bijvoorbeeld worden gedacht aan recreatie in de vorm van schaatsen en varen maar ook aan beroepsvaart.
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat regels voor het aanleggen en verbreden van dammen met duikers in of nabij oppervlaktewaterlichamen. Dammen met duikers zijn er doorgaans om percelen te ontsluiten. In sommige gevallen worden dammen met duikers die in of nabij primaire oppervlaktewateren zijn gelegen door het waterschap gebruikt voor het beheer en onderhoud van het water. Dit zijn de zogenaamde onderhoudsdammen. Dammen met een peilscheidende functie vallen niet onder deze activiteit. Voor peilscheidende dammen zijn de regels uit de paragraaf voor het aanleggen van peilscheidingen van toepassing.
In tertiaire wateren gelden alleen de zorgplicht en enkele algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels vanwege het feit dat het waterschap minder belang hecht aan activiteiten die plaatsvinden in tertiaire wateren. Voor primaire en secundaire oppervlaktewaterlichamen is dat anders. Een meldingsplicht of vergunningplicht is daar van toepassing omdat waterberging en waterdoorstroming een grotere rol spelen in deze wateren.
Voor de meldingsplichtige activiteiten gelden zeer specifieke regels voor duikers. Dit is het geval omdat het waterschap meldingen niet standaard beoordeelt, zoals in het vergunningentraject. De voorgeschreven diameters zijn afhankelijk van de lengte van de duiker. De minimale afmetingen beogen optimalisatie van de waterhuishouding, verbetering van aan- en afvoer en het voorkomen van verstoppingen. De diepteligging van de duiker is afhankelijk van de waterstand bij het winterpeil of vast peil. In sommige gevallen is de minimaal voorgeschreven diameter niet toereikend. Maatwerk is dan mogelijk en dan kan het waterschap een grotere duikerdiameter voorschrijven.
Anders dan voor de meldingsplichtige activiteiten, zijn de uitvoeringsregels voor de duikerdiameter bij vergunningplichtige activiteiten niet vastgelegd. Het waterschap bepaalt namelijk aan de hand van de vergunningaanvraag welke voorschriften nodig zijn en voert daarvoor zo nodig een hydrologische berekening uit. Op basis van deze berekening worden bijvoorbeeld eisen gesteld aan de doorstroomcapaciteit en de hoogteligging van de duiker. Onder andere de locatie en het materiaal van de duiker en de breedte van de dam spelen hier een rol.
Ingeval voor de aanleg van de dam met duiker het oppervlaktewater tijdelijk gestremd moet worden, zijn de regels uit de paragraaf over het stremmen van het oppervlaktewater van toepassing. Dit kan betekenen dat ten tijde van de aanleg van de dam een tijdelijke pompinstallatie moet worden gebruikt of dat een watergang tijdelijk moet worden verlegd. Hiermee wordt de doorstroming geborgd.
IIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.37, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – bestaande dam zonder duiker verbreden
Het beleidsuitgangspunt van het waterschap is dat alle dammen niet zijnde peilscheidingen een duiker bevatten. Dus bij verbreding van bestaande dammen vereist het waterschap dat tevens een duiker wordt aangelegd conform de in deze paragraaf opgenomen regels. Hiermee wordt de doorstroming verbeterd en blijft de ecologische waarde van het watersysteem in stand.
Artikel 3.37, eerste lid, onder c - algemene uitvoeringsregelspecifieke uitvoeringsregel – bestaande dam met duiker verbreden
Ingeval een dam met duiker verbreed wordt en de bestaande duiker heeft bijvoorbeeld een diameter die kleiner is dan 300 millimeter, dan moet die vervangen worden door een duiker waarvan de diameter voldoet aan de daarvoor opgestelde specifieke regels voor duikers opgenomen in deze paragraaf.
Artikel 3.37, eerste lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van dammen met duiker. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.37, eerste lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – bovenbreedte, kruinhoogte dam en gronddekking duiker bij doorkruising beperkingengebied II van primair oppervlaktewater
De minimale bovenbreedte van 4 meter en de voorgeschreven kruinhoogte zijn vereist vanwege door het waterschap uit te voeren beheer en onderhoud van het primair oppervlaktewater. De halve meter gronddekking op de duiker is doorgaans voldoende om schade aan de duiker bij het overrijden van de dam te voorkomen.
KKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.37, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – robuuste dam en duiker
Een dam moet robuust zijn. Bij een slappe grondsoort is een taludhelling van 1:2 wenselijk vanwege de kans op vervorming of verzakking. Een steilere taludhelling (tot maximaal 1:1) is mogelijk als de grondsoort het toelaat. In het geval van een slappe grondsoort wordt versteviging aanbevolen, bijvoorbeeld in de vorm van damwandplanken of het bekleden van de taluds van de dam middels stapelzoden. In plaats van natuurlijke taluds kunnen ook damleggers worden toegepast. Voor beide ondersteunde onderdelen zijn de regels uit de paragrafen voor voorzieningen en oeververdedigingswerken niet van toepassing. Ook de duiker moet robuust zijn. Robuust houdt bijvoorbeeld in dat het materiaal waarvan de duiker is gemaakt, voldoet aan één van de volgende eisen:
pvc (tenminste kwaliteitsklasse 41); of
gegolfd plaatstaal (voorzien van coating met 1,2 mm minimale wanddikte); of
beton (bestaande uit betonnen kraagbuizen met 50 mm minimale wanddikte). Indien de dam verbreed wordt, moeten de eventueel aanwezige duikerelementen uit hetzelfde materiaal bestaan en waterdicht met elkaar worden verbonden.
Artikel 3.37, tweede lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – baggerspecie verwijderen
Het waterschap legt de initiatiefnemer op dat bij de uitvoering van de aanleg van de dam en duiker, ter plaatse van de aan te leggen dam en duiker en aan weerszijden daarvan, de aanwezige bagger wordt verwijderd. Hiermee wordt een goede fundatie van de duiker geborgd en daarmee de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.37, tweede lid, onder f – algemenespecifieke uitvoeringsregel – aanpassen lozingsvoorzieningen
Door het aanleggen of verbreden van een dam met duiker kan het noodzakelijk zijn om bestaande lozingsvoorzieningen, zoals drainage- of hemelwaterafvoeren, aan te passen. Hiervoor kunnen tevens de regels uit de paragraaf voor het lozen van een hoeveelheid water van toepassing zijn.
Artikel 3.37, tweede lid, onder g – algemenespecifieke uitvoeringsregel – compensatieplicht verloren waterbergingscapaciteit voor dammen breder dan 12 meter
Voor dammen breder dan 12 meter geldt een compensatieplicht voor het deel breder dan 12 meter vanwege verloren waterbergingscapaciteit. Vanwege het risico op wateroverlast mag het waterbergend vermogen van het watersysteem niet achteruitgaan. Dit betekent dat er in het betreffende peilgebied een minstens even groot wateroppervlak moet worden gegraven. Dit mag gepaard gaan met de aanleg van een natuurvriendelijke oever. Voor het graven gelden de regels uit de paragraaf voor het graven van oppervlaktewater en vergroten van oppervlaktewaterlichamen. Voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever gelden de regels uit de paragraaf voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.
De benodigde locatie voor de compensatie van de verloren gegane waterbergingscapaciteit in het hetzelfde peilgebied is sterk gerelateerd aan de locatie van de benodigde bergingscapaciteit. Het compenseren van de verloren gegane waterbergingscapaciteit dient daarom zo dicht mogelijk plaats te vinden bij de locatie waar de bergingscapaciteit is afgenomen. De waterbergingscapaciteit ter plaatse blijft hiermee zo goed mogelijk in stand. Soms valt de compensatie niet binnen de vereiste 2,5 kilometer te realiseren of is het fysiek onmogelijk om binnen hetzelfde peilgebied te compenseren. In dergelijke gevallen kan het waterschap, mits goed onderbouwd door de initiatiefnemer, via een maatwerkvoorschrift van deze uitvoeringsregels afwijken, bijvoorbeeld door compensatie toe te staan in een benedenstrooms gelegen peilgebied binnen hetzelfde bemalingsgebied/stroomgebied.
Om te bepalen hoeveel waterberging moet worden gecompenseerd, zijn de oppervlakten op de waterlijn leidend. Voor het te compenseren oppervlaktewater geldt als uitgangspunt dat de taluds robuust worden aangelegd of in ieder geval niet steiler dan het bestaande talud (afhankelijk van het type oppervlaktewaterlichaam). Doorgaans wordt een robuust talud gerealiseerd door uit te gaan van een hoogte-breedteverhouding van 1:1,5. Echter, wanneer ter compensatie oppervlaktewateren worden aangelegd met flauwere taluds van 1:3 of nog flauwer, bijvoorbeeld ingeval van een natuurvriendelijke oever, dan kan de initiatiefnemer voor het te compenseren water, anders dan hiervoor aangegeven, uitgaan van een fictief waterpeil dat 25 centimeter hoger is dan de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand. Het wateroppervlak dat bij die fictieve waterstand zou kunnen worden gemeten, mag dan worden opgevoerd als compenserende waterbergingscapaciteit.
Als het compenseren in de drie jaar voorafgaand aan de activiteit al aantoonbaar is gebeurd, kan de compensatieplicht vervallen. De termijn van drie jaar is gekozen vanwege wijzigingen die, onder meer door klimaatveranderingen en tussentijdse beheertechnische veranderingen, kunnen optreden in het watersysteem waardoor het opvoeren van compenserende maatregelen van voor die periode redelijkerwijs niet meer doelmatig is.
Artikel 3.37, tweede lid, onder h – algemenespecifieke uitvoeringsregel – compensatieplicht verloren waterberging bij meerdere dammen naar een aaneengesloten perceel
Als de aanleg van een dam leidt tot de aanwezigheid van meerdere dammen naar een aaneengesloten perceel, is compensatie voor de door de aanleg verloren bergingscapaciteit verplicht. Onder een aaneengesloten perceel wordt verstaan, een perceel dat niet door oppervlaktewaterlichamen wordt doorsneden. Als percelen wél worden doorsneden door oppervlaktewaterlichamen, dan kunnen meer dammen met duikers worden toegestaan als dit voor een goede bedrijfsvoering of andere belangen redelijkerwijs noodzakelijk is. Om niet teveel negatieve effecten op de waterbergingscapaciteit te krijgen, is alleen de eerste perceelsontsluiting toegestaan zonder compensatieplicht. Indien gecompenseerd moet worden zal, ongeacht de breedte van de dam, in het betreffende peilgebied een wateroppervlak moeten worden gegraven dat even groot is als het oppervlak van de gehele nieuwe dam. Zie verder de toelichting bij ‘Artikel 3.37, tweede lid, onder g – algemenespecifieke uitvoeringsregel – compensatieplicht verloren waterbergingscapaciteit voor dammen breder dan 12 meter’.
Artikel 3.37, tweede lid, onder i – algemenespecifieke uitvoeringsregel – compensatieplicht verloren waterberging bij ander doel dan perceelsontsluiting
Middels het meldingsvereiste dat opgenomen is in het artikel 3.3, eerste lid, waarbij de initiatiefnemer wordt gevraagd de reden voor de activiteit aan te geven, wordt helder met welk doel de dam met duiker wordt aangelegd. De vraag is of de dam aangelegd wordt om een perceel te ontsluiten of voor een andere doeleinde, zoals voor het aanleggen van een dam ten behoeve van een voldoende gronddekking van een aangelegde leiding die een oppervlaktewaterlichaam kruist. In het laatste geval dient de initiatiefnemer de verloren gegane waterberging te compenseren. Het waterschap wil daarmee ontmoedigen dat dammen ook voor andere doelen worden aangelegd dan het ontsluiten van een perceel omdat voor andere doelen, zoals het aanleggen van kabels en leidingen, minder watersysteembelastende oplossingen voorhanden zijn. Ingeval een initiatiefnemer toch een dam met duiker wil aanleggen, dient er in hetzelfde peilgebied een wateroppervlak te worden gegraven dat even groot is als het oppervlak van de gehele dam. Zie verder de toelichting bij ‘Artikel 3.37, tweede lid, onder g - algemenespecifieke uitvoeringsregel – compensatieplicht verloren waterbergingscapaciteit voor dammen breder dan 12 meter’.
LLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.38, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – minimaal inwendige diameter duiker bij kruisen (spoor)weg
Duikers onder (spoor)wegen zijn doorgaans langer dan gebruikelijk. Door een grotere diameter voor te schrijven wordt voor de lange termijn de goede doorstroming geborgd en vervanging op korte termijn voorkomen.
Artikel 3.38, vierde lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – hoogteligging van de duiker
Het waterschap schrijft voor dat de duiker bij winterpeil of vast peil 90% onder de waterlijn moet liggen en dus 10% lucht moet bevatten. Dit betekent dat de duiker in de lengterichting een inwendige luchtspleet bevat. Dit om te voorkomen dat kroos, takken en ander drijfvuil zich vóór een duiker ophopen, waardoor de duiker verstopt kan raken. De binnenbovenkant van een duiker moet doorgaans een beetje boven de waterlijn uitsteken. Dus bij een duikerdiameter van 500 millimeter ligt hiervan maximaal 450 millimeter onder water en minimaal 50 millimeter meter boven water. Daarnaast zorgt deze luchtspleet van 10% ervoor dat bij een verhoogd peil door neerslag de duiker nog voldoende kan afvoeren zonder teveel opstuwing. Bovendien biedt de luchtspleet een inspectiemogelijkheid van de duiker zonder deze ‘droog’ te hoeven zetten.
Ingeval een grotere duikerdiameter wordt toegepast dan de minimaal vereiste inwendige diameter van de duiker mag de hoogteligging, in afwijking hiervan, ook zodanig worden aangepast dat de duiker meer lucht bevat dan 10%, mits de doorstroomcapaciteit niet wordt aangetast.
Als het plaatsen van de duiker op 90% onder de waterlijn niet mogelijk is, omdat er sprake is van een beperkte waterdiepte, moet de duiker zodanig worden aangelegd dat de binnenonderkant van de duiker op dezelfde hoogte ligt als de vaste bodem. Dit kan betekenen dat de duiker enigszins dient te worden ingegraven.
MMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.43, aanhef en onder a en b – specifieke zorgplicht – geen onaanvaardbare afname waterbergingscapaciteit watersysteem
Gelet op het uitgangspunt van het waterschap dat de bergingscapaciteit van het watersysteem niet mag afnemen, moet ingeval daar wel sprake van is, dit elders gecompenseerd worden. Dit is nader geregeld via uitvoeringsregels zowel in het geval van een meldingsplichtige- als vergunningplichtige activiteit. Niet onaanvaardbare afname van bergingscapaciteit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij tijdelijke dempingen. Er is dan weliswaar sprake van een mogelijk verlies van waterbergingscapaciteit, maar dit wordt niet altijd beschouwd als onaanvaardbaar. Dit is afhankelijk van de omvang, de duur van de tijdelijktijdelijke demping en de omstandigheden van de situatie ter plaatse. Ook ingeval van het aanleggen van dammen met duiker, gronddammen die als peilscheiding fungeren en oeververdedigingswerken kan er sprake zijn van een kleine afname van het bergend vermogen. Dit wordt echter in de regel niet als onaanvaardbaar beschouwd. Dit is ook afhankelijk van de omvang, de locatie en de omstandigheden van de situatie ter plaatse.
Artikel 3.43, aanhef en onder c – specifieke zorgplicht – doorstroming omliggende oppervlaktewaterlichamen
Demping kan leiden tot het wegzakken en uitspoelen van grond (dat gebruikt is voor de demping) naar omliggende wateren waardoor de doorstroming van deze wateren negatief wordt beïnvloed. De initiatiefnemer dient in te grijpen als door het wegzakken van grond substantiële belemmering van de doorstroming ontstaat.
Artikel 3.43, aanhef en onder d – specifieke zorgplicht – borgen passende doorstroming bij versmalling
Met ‘’passende doorstroming’’ wordt bedoeld dat de activiteit niet mag leiden tot dat er (op termijn) zodanige opstuwing van het water plaatsvindt waardoor het waterpeil wordt beïnvloed.
Artikel 3.43, aanhef en onder f – specifieke zorgplicht – voorkomen (grond)wateroverlast en (grond)waterschaarste
Naast de risico’s voor het ontstaan van wateroverlast of waterschaarste kan het dempen van drainerende of infiltrerende oppervlaktewateren leiden tot wijziging van de grondwaterstand. Hierdoor kunnen negatieve effecten optreden, zoals grondwaterschaarste of grondwateroverlast. Dit moet worden voorkomen. Het kan bijvoorbeeld betekenen dat een oppervlaktewaterlichaam dat dichtbij een natuurgebied of waterkering ligt niet mag worden gedempt. Als de activiteit plaatsvindt in het beperkingengebied van een waterkering kunnen de regels in de paragraaf over grondverzet van toepassing zijn. In voorkomende gevallen kan het waterschap een initiatiefnemer vragen middels een geohydrologische analyse de geohydrologische effecten in kaart te brengen en een monitoringsplan op te stellen.
Artikel 3.43, aanhef en onder i en j – specifieke zorgplicht – maatschappelijke functievervulling en vaarwegverkeer niet hinderen
In het kader van deze regels kan bijvoorbeeld worden gedacht aan recreatie in de vorm van schaatsen en varen maar ook aan beroepsvaart. Het dempen van een oppervlaktewaterlichaam kan de eventuele maatschappelijke functievervulling van het watersysteem hinderen. Met ‘’onaanvaardbaar’’ wordt bedoeld dat de initiatiefnemer ervoor dient te zorgen dat, als er enige hinder is, de hinder niet buitensporig van aard zal zijn en tot een minimum beperkt blijft. De initiatiefnemer onderzoekt zelf of het betreffende water een maatschappelijke functie heeft en op welke wijze rekening gehouden kan worden met de maatschappelijke functievervulling van het betreffende oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.43, aanhef en onder k en l – specifieke zorgplicht – fysisch–chemische kwaliteit en ecologische waarde
Een demping of het opbrengen van grond kan een ongewenst effect hebben op de fysisch-chemische en ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam. De waterkwaliteit kan afnemen waardoor de leefomstandigheden van planten en dieren zodanig wijzigen dat hun voortbestaan wordt bedreigd. Daarom geldt het ‘stand-still principe’. Dempingen en het opbrengen van grond zijn alleen toegestaan als de waterkwaliteit na de activiteit gelijk blijft of verbeterd wordt.
NNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.44, eerste lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verplaatsen van vis
De initiatiefnemer moet zich ervan vergewissen dat eventueel aanwezige vis de demping overleeft. Vis moet namelijk worden verplaatst als deze vanwege de demping geen uitweg heeft of te lijden heeft onder een beperktere leefomgeving. Met ‘samenstelling’ wordt bedoeld, de samenstelling van de in het oppervlaktewater aanwezige vispopulatie naar lengte, levensstadium en gewicht van de soort. De regels uit de paragraaf over het uitzetten en verplaatsen van vis zijn hier van toepassing.
Artikel 3.44, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – afsluiten van andere oppervlaktewaterlichamen
De aanvoer en afvoer van water in omliggende oppervlaktewaterlichamen moeten worden geborgd. Om die reden mag de activiteit niet leiden tot het afsluiten van andere oppervlaktewaterlichamen en daarmee ook het opsluiten van water.
Artikel 3.44, eerste lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – dempen kopse kant
Doodlopende watergangen moeten vanaf de doodlopende kant worden gedempt zodat dieren (meestal vis) in het oppervlaktewaterlichaam zich altijd kunnen verplaatsen naar een ander deel van het watersysteem.
Artikel 3.44, eerste lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – baggerspecie verwijderen
In zijn algemeenheid verdient het de voorkeur dat voordat de activiteit wordt verricht alle bagger uit het oppervlaktewaterlichaam wordt verwijderd. Het waterschap legt de initiatiefnemer op dat bij de uitvoering van de demping, in ieder geval ter plaatse van aan te leggen nieuwe taluds, de aanwezige bagger wordt verwijderd. Hiermee wordt beoogd dat er robuuste taluds worden aangelegd omdat ze daarmee direct aansluiten op de stabiele ondergrond van het oppervlaktewaterlichaam.
PPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.44, tweede lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – compensatie waterbergend vermogen
Vanwege het risico op wateroverlast mag het waterbergend vermogen van het watersysteem niet achteruitgaan. Omdat demping in de meeste gevallen leidt tot een afname van de waterbergingscapaciteit, is compensatie doorgaans verplicht. Dit betekent dat er in het betreffende peilgebied waar de demping of versmalling van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvindt, een minstens even groot wateroppervlak moet worden gegraven. Dit mag gepaard gaan met de aanleg van een natuurvriendelijke oever. Voor het graven gelden de regels uit de paragraaf voor het graven van oppervlaktewater en vergroten van oppervlaktewaterlichamen. Voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever gelden de regels uit de paragraaf voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.
De benodigde locatie voor de compensatie van demping in het hetzelfde peilgebied is sterk gerelateerd aan de locatie van de benodigde bergingscapaciteit. Het compenseren van de verloren gegane waterbergingscapaciteit dient daarom zo dicht mogelijk plaats te vinden bij de locatie waar gedempt is. De waterbergingscapaciteit ter plaatse blijft hiermee zo goed mogelijk in stand. Soms valt de compensatie niet binnen de vereiste 2,5 kilometer te realiseren of is het fysiek onmogelijk om binnen hetzelfde peilgebied te compenseren. In dergelijke gevallen kan het waterschap, mits goed onderbouwd door de initiatiefnemer, via een maatwerkvoorschrift van deze uitvoeringsregels afwijken, bijvoorbeeld door compensatie toe te staan in een benedenstrooms gelegen peilgebied binnen hetzelfde bemalingsgebied/stroomgebied.
Om te bepalen hoeveel waterberging moet worden gecompenseerd, zijn de oppervlakten op de waterlijn leidend. Voor het te compenseren oppervlaktewater geldt als uitgangspunt dat de taluds robuust worden aangelegd of in ieder geval niet steiler dan het bestaande talud (afhankelijk van het type oppervlaktewaterlichaam). Doorgaans wordt een robuust talud gerealiseerd door uit te gaan van een hoogte-breedteverhouding van 1:1,5. Echter, wanneer ter compensatie oppervlaktewateren worden aangelegd met flauwere taluds van 1:3 of nog flauwer, bijvoorbeeld ingeval van een natuurvriendelijke oever, dan kan de initiatiefnemer voor het te compenseren water, anders dan hiervoor aangegeven, uitgaan van een fictief waterpeil dat 25 centimeter hoger is dan de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand. Het wateroppervlak dat bij die fictieve waterstand zou kunnen worden gemeten, mag dan worden opgevoerd als compenserende waterbergingscapaciteit.
Ingeval sprake is van het opbrengen van grond in een droge oevergebied of in een bergingsgebied, zal het aantal kubieke meters grond dat in een maatgevende situatie zou leiden tot verlies van bergingscapaciteit moeten worden gecompenseerd. Dit kan door het verlagen van het maaiveld (afgraven van grond) in de betreffende bergings- of droge oevergebieden waarmee nieuwe bergingscapaciteit ontstaat of eventueel door het graven van nieuw oppervlaktewater of vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen binnen hetzelfde peilgebied.
Als het compenseren in de drie jaar voorafgaand aan de activiteit al aantoonbaar is gebeurd, kan de compensatieplicht vervallen. De termijn van drie jaar is gekozen vanwege wijzigingen die, onder meer door klimaatveranderingen en tussentijdse beheertechnische veranderingen, kunnen optreden in het watersysteem waardoor het opvoeren van compenserende maatregelen van voor die periode redelijkerwijs niet meer doelmatig is.
QQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.45, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – bodembreedte van minimaal 0,50 meter
Wanneer het oppervlaktewater wordt versmald, wordt voor de borging van de goede doorstroming (aan- afvoer) van het oppervlaktewater een minimaal profiel gehanteerd.
Artikel 3.45, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – robuuste taluds
Een talud moet robuust worden aangelegd waarbij een taludhelling met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ in de meeste gevallen volstaat. Bij een slappe grondsoort, bijvoorbeeld veen, is een taludhelling van 1:2 wenselijk vanwege de kans op vervorming of verzakking. Een steilere taludhelling (tot maximaal 1:1) is mogelijk als de grondsoort het toelaat.
Artikel 3.45, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – aanpassen lozingsvoorzieningen
Door het versmallen van oppervlaktewater kan het noodzakelijk zijn om bestaande lozingsvoorzieningen, zoals drainage- of hemelwaterafvoeren te verlengen. Hiervoor kunnen tevens de regels uit de paragraaf voor het lozen van een hoeveelheid water van toepassing zijn.
RRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.47, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – taludhellingen
Voor vergunningplichtige activiteiten die zien op primaire oppervlaktewaterlichamen is de eis van robuuste taluds verder aangescherpt vanwege het door het waterschap uit te voeren beheer en onderhoud. Daar geldt dat een talud moet zijn aangelegd met een hoogte-breedte verhouding van 1:1,5 of flauwer.
Artikel 3.47, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – horizontale afwerking beperkingengebied II
Deze uitvoeringsregel borgt de bereikbaarheid van beperkingengebied II voor beheer- en onderhoudsdoeleinden, met name voor het machinaal onderhoud van het oppervlaktewater.
Artikel 3.47, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – herstel van het maaiveld en talud
Bij het aanleggen van een nieuw talud in een bestaande watergang moet voorkomen worden dat het dempingsmateriaal (grond) in het nieuwe natte profiel zakt. Het waterschap vereist daarom dat ingeval van een versmalling van het primair oppervlaktewater het maaiveld en talud tot drie jaar na afronding van de activiteit in stand wordt gehouden. Het waterschap kiest hier voor een termijn van drie jaar omdat binnen die periode voldoende gelegenheid is om tot herstel over te gaan. Na deze periode zal de kans op inzakkingen nog minimaal zijn doordat er een natuurlijk proces van zetting is opgetreden.
Artikel 3.47, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – aanpassen lozingsvoorzieningen
Door het versmallen van oppervlaktewater kan het noodzakelijk zijn om bestaande lozingsvoorzieningen, zoals drainage- of hemelwaterafvoeren te verlengen en schuin af te zagen overeenkomstig de taludhelling. Het laatste waarborgt het voorkomen van schade aan de lozingsvoorzieningen en aan machines die ingezet worden voor het beheer en onderhoud van het oppervlaktewater. Hiervoor kunnen tevens de regels uit de paragraaf voor het lozen van een hoeveelheid water van toepassing zijn.
SSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.51, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – bodembeschermende voorziening aanbrengen
Ingeval de activiteit leidt tot mogelijke aantasting van het profiel van het oppervlaktewater dient als mitigerende maatregel een bodembeschermende voorziening (stortebed) te worden geplaatst. Voorbeelden van bodembeschermende voorzieningen zijn: een blokken- of bentonietmat en stortstenen (zoals basaltblokken).
Artikel 3.51, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van gemalen. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.51, vierde lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – telemetrisch bedienbaar
Het gemaal dient telemetrisch bediend te kunnen worden door het waterschap en moet daarom geschikt gemaakt worden voor bediening via Aquaview. Dat is een telemetrisch systeem dat door het waterschap wordt gebruikt.
TTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.55, aanhef en onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – onderhoudsdam
Deze regel borgt doelmatig en efficiënt onderhoud van het primair oppervlaktewater als het secundaire of tertiaire water dat wordt aangelegd daarop aansluit. Door aanleg van een dam zal de onderhoudsstrook langs het primaire water niet worden doorbroken. Afhankelijk van de situatie is het nodig om een dam met duiker of een dam als peilscheiding aan te leggen. Voor het aanleggen van een dam met duiker of de peilscheiding zijn de regels uit de desbetreffende paragrafen van toepassing.
Artikel 3.55, aanhef en onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – (kunst)werken verwijderen of verplaatsen
(Kunst)werken aan de zijden van waar het oppervlaktewater wordt vergroot c.q. verbreed moeten uit het oppervlaktewater worden verwijderd, verplaatst of aangepast. Met deze regel wordt beoogd dat (kunst)werken die buiten functie geraken niet in het nieuwe (aangepaste) watervoerende profiel achterblijven of dat (kunst)werken die in functie blijven functioneel blijven. Voor het verwijderen zijn de regels uit de paragraaf voor het verwijderen van werken in of nabij oppervlaktewaterlichamen van toepassing. Voor het her- of verplaatsen zijn de regels uit de desbetreffende paragrafen voor het aanleggen van deze werken eveneens van toepassing.
Door het verbreden van oppervlaktewater kan het noodzakelijk zijn om bestaande lozingsvoorzieningen, zoals drainage- of hemelwaterafvoeren te verkorten en schuin af te zagen overeenkomstig de taludhelling. Het laatste waarborgt het voorkomen van schade aan de lozingsvoorzieningen en voor primaire oppervlaktewateren aan machines die ingezet worden voor het beheer en onderhoud van het oppervlaktewater. Hiervoor kunnen tevens de regels uit de paragraaf voor het lozen van een hoeveelheid water van toepassing zijn.
Bij het compenseren van verloren gegane waterbergingscapaciteit dient een opgave te worden gedaan van de vierkante meters aan wateroppervlak, gemeten op de waterlijn, dat als compensatie wordt gegraven. Als compensatie plaatsvindt door verbreding van een watergang, stelt het waterschap doorgaans de minimale eis dat de verbreding tenminste 25 cm is ten opzichte van de bestaande breedte van de watergang. Zo kan aangetoond, vastgesteld, gecontroleerd en gemeten worden of voldaan is aan de compensatieomvang en/of -opgave.
Artikel 3.55, aanhef en onder f – algemenespecifieke uitvoeringsregel – robuuste taluds
Een talud moet robuust worden aangelegd waarbij een taludhelling met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ in de meeste gevallen volstaat. Bij een slappe grondsoort (bijvoorbeeld veen) is een taludhelling van 1:2 wenselijk vanwege de kans op vervorming of verzakking. Een steilere taludhelling (tot bijvoorbeeld 1:1) is mogelijk als de grondsoort het toelaat.
Artikel 3.55, aanhef en onder g – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graduele overgang
Een dergelijke overgang zorgt voor een nette en geleidelijke aansluiting van het nieuwe talud of bodem van het oppervlaktewater op het talud of bodem van het bestaande oppervlaktewaterlichaam en daarmee een stabielere aansluiting op de al aanwezige slootprofielen. Door een graduele overgang te realiseren worden beheer, onderhoud en een goede doorstroming geborgd.
UUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.58, derde lid, onder b – beoordelingsregel – wijzigen waterpeil
Het aanleggen en vergroten van oppervlaktewater mag in principe niet leiden tot wijziging van het winterpeil of vast peil. Indien het waterschap een initiatief moet beoordelen waarbij door verschillende peilgebieden wordt gegraven, wordt dit alleen toegestaan:
ingeval het waterpeil niet wijzigt;
er een vergunning is verleend voor het wijzigen van het waterpeil; of
het initiatief gebaseerd is op een uitvoeringsmaatregel uit een peilbesluit. De initiatiefnemer moet hier bewust van zijn en bij het waterschap, indien de activiteit leidt tot wijziging van het waterpeil, tijdig een vergunning aanvragen voor het wijzigen van het waterpeil, tenzij de wijziging van het waterpeil verdisconteerd is in een maatregel voortvloeiend uit een peilbesluit.
Artikel 3.58, derde lid, onder c – beoordelingsregel – voldoende doorstroomoppervlak en juiste bodemhoogteligging
Bij nieuwe primaire oppervlaktewaterlichamen worden doorstroomoppervlak en bodemhoogteligging bepaald via een toetsing door het waterschap. De overige voor het profiel relevante minimale afmetingen zijn opgenomen in de algemenespecifieke uitvoeringsregels.
Artikel 3.58, derde lid, onder d – beoordelingsregel – robuustheid taluds
Het waterschap beoordeelt of het ontwerp van aan te leggen of te vergroten oppervlaktewater zodanig is dat de taluds voldoende stabiel zijn. Hiervoor worden afhankelijk van het type oppervlaktewater gewenste profielen voorgeschreven.
Artikel 3.58, derde lid, onder e – beoordelingsregel – graven door grens peilgebied
Voor deze beoordelingsregels maakt het waterschap gebruik van het (waterbeheer)beleid voor peilbeheer en peilbesluiten. Het waterschap toetst hier onder andere of de droogleggingsnormen niet worden aangetast. Drooglegging is het verschil tussen het waterpeil en het maaiveld. Afhankelijk van de situatie volstaat doorgaans een drooglegging van een halve tot anderhalve meter.
Artikel 3.58, derde lid, onder f – beoordelingsregel – machinaal onderhoud van het oppervlaktewater
Primair oppervlaktewater met een (van insteek tot insteek) bovenbreedte tot 16 meter wordt in beginsel machinaal onderhouden vanaf een onderhoudsstrook die in beperkingengebied II is gelegen. Er wordt onder andere beoordeeld of vanwege de activiteit machinaal onderhoud kan blijven plaatsvinden en wat voor het waterschap daarbij de meest doelmatige kant van het oppervlaktewaterlichaam is voor het machinaal onderhoud. Als machinaal onderhoud niet mogelijk is, wordt bezien of varend onderhoud kan worden uitgevoerd en de kosten ervan binnen de perken kunnen blijven. In dat geval kan ook ingestemd worden met de activiteit. De activiteit mag immers niet leiden tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Ontwerpkeuzes voor nieuwe of te wijzigen oppervlaktewateren moeten zo gemaakt worden dat beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam voor nu en in de toekomst zo kostenefficiënt mogelijk kunnen plaatsvinden.
Voor oppervlaktewateren met een bovenbreedte vanaf 16 meter geldt dat onderhoud, indien nodig, sowieso varend wordt uitgevoerd. Voor varend onderhoud is dan een trailerhelling of vergelijkbare voorziening ter plaatse vereist. In het geval er geen trailerhelling aanwezig is, wordt een dergelijke voorziening als voorwaarde in de vergunning aan de initiatiefnemer voorgeschreven. Hiervoor zijn de regels uit de paragraaf over het aanleggen van steigers, meerpalen, vlonders, remmingswerken, trailerhellingen en fauna-uitstapplaatsen van toepassing.
VVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze paragraaf zijn grondboringen en het maken van proefsleuven in en nabij oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden geregeld, inclusief handmatig en mechanisch geotechnisch bodemonderzoek, bijvoorbeeld sonderingen en grondwateronderzoek dat plaatsvindt met behulp van peilbuizen.
De impact van het uitvoeren van grondboringen en het maken van proefsleuven, bijvoorbeeld ten behoeve van bodem- en grondwateronderzoek is over het algemeen gering op het functioneren, beheren en onderhouden van oppervlaktewaterlichamen. Niettemin gelden er voor tertiaire en secundaire oppervlaktewaterlichamen en voor bergingsgebieden zorgplichten en algemene uitvoeringsregelsspecifieke uitvoeringsregel om in acht te nemen. Om zicht te houden op de activiteiten in en nabij primaire oppervlaktewaterlichamen, waar de watersysteembeheerbelangen voor het waterschap groter zijn, wordt vereist dat grondboringen, het plaatsen van peilbuizen en het maken van proefsleuven gemeld worden.
WWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.62, eerste lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – herstellen van slecht doorlatende grondlagen
Onder het freatisch grondwater kunnen slecht doorlatende grondlagen aanwezig zijn. Deze bevinden zich over het algemeen dieper dan anderhalve meter onder het maaiveld. Ingeval de initiatiefnemer diepe grondroeringen zoals sonderingen of boringen verricht is de kans vrij aannemelijk dat hij slecht doorlatende grondlagen perforeert. Na de boring dienen deze lagen hersteld te worden. Dit kan in geval van grotere gaten met de uitkomende grond of in geval van kleiner gaten met bentoniet of een vergelijkbaar middel. Bentoniet is zwelklei die zorgt voor afdichting van de geboorde gaten, zodat uitwisseling van grondwater tussen verschillende watervoerende pakketten wordt voorkomen.
YYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.63, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verwijderen peilbuizen
Objecten in en nabij primaire oppervlaktewaterlichamen vormen een risico voor het beheer en onderhoud van het oppervlaktewater. Voor het verwijderen van de peilbuizen zijn de regels uit de paragraaf over het verwijderen van werken van toepassing.
Artikel 3.63, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – proefsleuven op minimaal anderhalve meter vanaf insteek
Ingeval de initiatiefnemer proefsleuven wil graven, moeten deze op minimaal anderhalve meter afstand van de insteek gegraven worden. Met deze regel wordt de stabiliteit van oever en talud geborgd.
ZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.67, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van inlaten. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.67, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – lekkage
Voorkomen moet worden dat langs de inlaat water stroomt. De inlaatzijde wordt doorgaans in een damwand of andere waterdichte constructie aangelegd. De eventuele damwand maakt daarmee deel uit van de inlaatconstructie waardoor de regels in de paragraaf over oeververdedigingswerken niet van toepassing zijn.
Artikel 3.67, vierde lid, onder g – algemenespecifieke uitvoeringsregel – damwand aan instroomzijde inlaat
De initiatiefnemer dient aan de instroomzijde van de inlaat een damwand te plaatsen om daarmee ervoor te zorgen dat de bediening en onderhoud van de inlaat op een doelmatige wijze kan plaatsvinden en de inlaat zijn functie kan behouden. Een damwand draagt bij aan een robuuste constructie van de inlaat, waarmee onder meer kan worden voorkomen dat door onderhoudswerkzaamheden aan de inlaat schade ontstaat.
Artikel 3.67, vierde lid, onder h – algemenespecifieke uitvoeringsregel – beschermen profiel uitstroomzijde inlaat
De uitstroomzijde van de doorlaatconstructie kan op verschillende manieren worden beschermd. Zo kan bijvoorbeeld de duiker overeenkomstig de taludhelling worden afgezaagd en kan een bodembeschermende voorziening (stortebed), zoals een blokkenmat of steenbestorting, aangebracht worden om uitspoeling van de waterbodem te voorkomen.
AAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf beoogt het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebieden te waarborgen door het aanleggen van kabels en leidingen te regelen. Onder het aanleggen van kabels en leidingen wordt mede het verleggen of wijzigen van kabels en leidingen verstaan. Hiervoor zijn de regels voor de in deze titel opgenomen paragraaf over verwijderen van werken ook van toepassing. Kabels en leidingen kunnen de watergang kruisen en parallel aan de watergang worden aangelegd. Leidingen die worden aangelegd voor het lozen van water (lozingsvoorzieningen) vallen onder de regels van de in deze titel opgenomen paragraaf over het lozen van een hoeveelheid water. Ingeval bij de aanleg van kabels en leidingen watergangen worden gekruist en daarbij tijdelijk drooggelegd moeten worden, zijn de regels uit de paragraaf voor het stremmen van oppervlaktewater van toepassing.
De specifieke zorgplichten zien onder meer op behoud en eventueel verbetering van de bestaande situatie en het voorkomen van nazakkingen en erosie van oever en talud. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen geldt een meldingsplicht vanwege het belang van deze wateren. Het waterschap kan zo inzichtelijk houden waar primaire oppervlaktewaterlichamen gekruist worden. De bijbehorende regels voor bijvoorbeeld diepteligging en afstand dienen om beheer- en onderhoudswerkzaamheden zoals herprofileren, maaien, baggeren en het functioneren van (kunst)werken te waarborgen.
Voor alle oppervlaktewaterlichamen gelden algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels naast de zorgplicht. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen gelden daarnaast strengere algemene regels vanwege het grotere belang van instandhouding ervan en het beheer en onderhoud van het oppervlaktewater.
BBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.72, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – adequate techniek voor vaarwegen
Voor meldingsplichtige activiteiten die plaatsvinden in of nabij een door de provincie aangewezen vaarweg waarvan het waterschap vaarwegebeheerder is, geldt dat de activiteit met toepassing van een adequate techniek moet worden uitgevoerd. Dit heeft veelal gevolgen voor de diepteligging. Van een adequate techniek is sprake als aan de NEN3650-serie of aan een andere tenminste gelijkwaardige methodiektechniek wordt voldaan. De keuze voor een andere tenminste gelijkwaardige methodiektechniek moet uitgebreid onderbouwd worden door de initiatiefnemer.
CCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat regels over het plaatsen van kleine objecten in en nabij oppervlaktewaterlichamen en in bergingsgebieden. Kleine objecten zijn bijvoorbeeld meetapparatuur, zonnepanelen, boeien (betonning), fuiken, eendenkooieneendenkorven en peilschalen. En ook andere kleine, drijvende objecten die op een eenvoudige manier uit het water kunnen worden gehaald. Het significant wijzigen van een klein object valt ook onder ‘’aanleggen’’. Kleine objecten kunnen van invloed zijn op doorstroming, waterkwaliteit, beheer, onderhoud en vaarverkeer. Vanwege de beperkte afmetingen zijn de effecten van objecten in het water meestal klein. Voor objecten in en nabij het water geldt dat ze het beheer en onderhoud kunnen belemmeren. In de regel moeten primaire wateren en onderhoudsstroken van deze wateren dan ook obstakelvrij blijven. Voor kleine objecten, niet zijnde zonnepanelen, geldt vanwege het voorgaande een meldingsplicht in en nabij primaire oppervlaktewateren. In secundaire en tertiaire wateren gelden alleen de zorgplichten en enkele algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels. Voor zonnepanelen in alle typen wateren en in bergingsgebieden is een vergunningenstelsel van toepassing. Voor kabels en leidingen die nodig zijn voor het functioneren van zonnepanelen zijn de regels uit de paragraaf over kabels en leidingen van toepassing.
DDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.75, aanhef en onder a – specifieke zorgplicht – borgen passende doorstroming
Met ‘’passende doorstroming’’ wordt bedoeld dat de activiteit niet mag leiden tot dat er (op termijn) zodanige opstuwing van het water plaatsvindt waardoor het waterpeil wordt beïnvloed.
Artikel 3.75, aanhef en onder e – specifieke zorgplicht – maatschappelijke functievervulling niet hinderen
In het kader van deze regels kan bijvoorbeeld worden gedacht aan recreatie in de vorm van schaatsen en varen maar ook aan beroepsvaart. Kleine objecten kunnen de eventuele maatschappelijke functievervulling van het watersysteem hinderen. Met ‘’onaanvaardbaar’’ wordt bedoeld dat de initiatiefnemer ervoor dient te zorgen dat, als er enige hinder is, de hinder niet buitensporig van aard zal zijn en tot een minimum beperkt blijft. De initiatiefnemer onderzoekt zelf of het betreffende water een maatschappelijke functie heeft en op welke wijze rekening gehouden kan worden met de maatschappelijke functievervulling van het betreffende oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.75, aanhef en onder f – specifieke zorgplicht – niet hinderen van scheep– en recreatievaart
Initiatiefnemers dienen ervoor te zorgen dat een klein object niet wordt geplaatst op een locatie waar de scheep- en recreatievaart kan worden belemmerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor peilschalen, eendenkooieneendenkorven en fuiken.
EEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.76, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen materialen worden toegepast in de constructies van de in deze paragraaf bedoelde objecten die in het water kunnen uitlogen. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
GGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.76, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – functie van objecten
In primaire wateren en in bergingsgebieden geldt dat objecten functioneel moeten zijn. Als een object zijn functie verliest, moet het worden verwijderd, waarbij de regels voor het verwijderen van werken van toepassing zijn.
Artikel 3.76, tweede lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – markering en verankering van objecten
In primaire wateren en in bergingsgebieden geldt dat objecten blijvend en duidelijk moeten worden gemarkeerd. Op die manier zijn de objecten zichtbaar voor beheer, onderhoud, scheep- en recreatievaart. Bovendien geldt dat objecten zo verankerd moeten worden dat ze niet richting een vaargeul of kunstwerk kunnen drijven.
HHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.79, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – maatregelen ter voorkoming van vermindering ecologische waarde
Enkel voor de aanleg van zonnepanelen geldt een vergunningplicht. Reden hiervoor is dat het aanleggen van ‘zon op water’ een grotere impact kan hebben op het watersysteem dan andere kleine objecten. Het blokkeren van zonlicht in het water kan het ecologisch milieu namelijk beïnvloeden. Het waterschap wil dit goed kunnen beoordelen. Initiatiefnemers wordt daarom gevraagd een rapportage te overleggen waarin onder meer de mogelijke effecten op de ecologische waarde van het watersysteem worden beschreven en eventuele maatregelen om vermindering van de ecologische waarde te voorkomen. Op basis van het rapport kan het waterschap in de vergunning nadere voorschriften, waaronder een monitoringsverplichting, opleggen.
IIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf beoogt het waterpeil en de doorstroming van het watersysteem te waarborgen door regels te stellen over het, middels een lozingsvoorziening (al dan niet voorzien van een bemonsteringsvoorziening), lozen van water, zoals: grondwater, hemelwater, spoelwater, koelwater, koud water (na onttrekking van een warmtevracht uit het oppervlaktewater) en afvalwater. Deze regels zien op de kwantiteit (een hoeveelheid) van de lozing. De regels over kwaliteit van het te lozen water zijn ondergebracht in titel 3.5 van deze verordening over activiteiten in oppervlaktewaterlichamen die effecten hebben op de waterkwaliteit. Met de regels uit deze paragraaf voor het lozen van water wordt niet bedoeld het aan- en afvoeren van water, bijvoorbeeld via een inlaat, ten behoeve van het op peil houden van het oppervlaktewater.
Deze activiteit kan enkel worden uitgevoerd door middel van een lozingsvoorziening. Dit zijn bijvoorbeeld leidingen zoals (hemelwater)afvoerleidingen, uitlaten en drainage. Ook mobiele voorzieningen (bijvoorbeeld een pompvoorziening) kunnen beschouwd worden als lozingsvoorziening. De lozingsvoorziening kan tevens dienst doen als bemonsteringsvoorziening of aan de lozingsvoorziening kan een bemonsteringsvoorziening worden aangesloten, die gebruikt wordt voor de bemonstering van het te lozen water met het oog op de waterkwaliteit (zie hiervoor de regels in titel 3.5, van de verordening). Als een lozingsvoorziening in een waterkering wordt aangelegd, zijn de regels uit de paragraaf over inlaten en lozingsvoorziening die aangelegd worden in en nabij waterkeringen (ook) van toepassing.
Het lozen van water is een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit. De specifieke zorgplicht en enkele algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregel voldoen voor kleine lozingen en voor lozingen op tertiaire wateren, omdat de effecten op het watersysteem doorgaans gering zijn. Lozingen van 30 m3 of meer per uur kunnen eerder aanleiding geven tot wateroverlast, bijvoorbeeld wanneer het ontvangende oppervlaktewaterlichaam te klein is voor een lozing van deze omvang. Voor deze lozingen geldt dan ook een meldingsplicht voor enkel secundaire en primaire oppervlaktewateren. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen gelden extra algemenespecifieke uitvoeringsregels, die voornamelijk op beheer en onderhoud zijn gericht.
JJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.83, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – uiteinden lozingsvoorziening schuin afzagen
Deze uitvoeringsregel borgt dat er geen uitspoeling van oever en talud plaats kan vinden. Daarnaast zorgt deze regel ervoor dat het onderhoud van het oppervlaktewater, in het bijzonder het maaien van taluds, niet wordt belemmerd.
Artikel 3.83, tweede lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – bodembeschermende voorziening aanbrengen
Ingeval de activiteit leidt tot mogelijke aantasting van het profiel van het oppervlaktewater dient als mitigerende maatregel een bodembeschermende voorziening (stortebed) te worden geplaatst. Voorbeelden van bodembeschermende voorzieningen zijn: een blokken- of bentonietmat en stortstenen (zoals basaltblokken).
Artikel 3.83, tweede lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verwijderen lozingsvoorziening
Om eventuele toekomstige hinder voor het beheer en onderhoud aan het oppervlaktewatersysteem te voorkomen, moeten initiatiefnemers de lozingsvoorzieningen die niet meer gebruikt worden, verwijderen. Voor het verwijderen is de paragraaf met regels over het verwijderen van werken van toepassing.
Artikel 3.83, tweede lid, onder d – algemene uitvoeringsregel – informatieplicht bij herhaaldelijk lozen
Deze regel voorziet in een informatieplicht voor de initiatiefnemer, die geheel los staat van de meldingsplicht. De informatieplicht houdt in dat elke feitelijke lozing van water waarbij telkens 30 m3 water per uur of meer wordt geloosd, moet worden afgestemd met het waterschap. Deze is tijdens kantooruren telefonisch te bereiken via 050-304 8911. De initiatiefnemer voldoet aan de informatieplicht als hij de begintijd, de periode van de lozing (tijdsvensters) en de lozingslocatie doorgeeft aan het waterschap. Wanneer hij na de doorgegeven periode opnieuw vanaf dezelfde lozingslocatie water wil lozen, zal hij wederom aan de informatieplicht moeten voldoen. Voor een wijziging van de lozingslocatie zal opnieuw aan de meldingsplicht moeten worden voldaan als die locatie nog niet eerder gemeld of in het verleden vergund is.
LLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.83, derde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – bemonsteringsvoorziening
Indien de initiatiefnemer afvalwater loost, waarvoor tevens waterkwaliteitsregels van toepassing zijn, zal de lozingsvoorziening, ten behoeve van het monitoren van de waterkwaliteit, tevens dienst doen als bemonsteringsvoorziening. Een andere mogelijkheid is dat er naast een lozingsvoorziening een separate bemonsteringsvoorziening wordt geplaatst. Ingeval dit in beperkingengebied II gebeurt, zal het werk zodanig moeten worden geplaatst dat het geen belemmering vormt voor het beheer en onderhoud van het primaire oppervlaktewaterlichaam.
MMMMM
Na sectie 'Toelichting op artikel 3.83: Algemene uitvoeringsregels' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 3.84, vierde lid – specifieke uitvoeringsregel – informatieplicht bij herhaaldelijk lozen
Deze regel voorziet in een informatieplicht voor de initiatiefnemer, die geheel los staat van de meldingsplicht. De informatieplicht houdt in dat elke feitelijke lozing van water waarbij telkens 30 m3 water per uur of meer wordt geloosd, moet worden afgestemd met het waterschap. Deze is tijdens kantooruren telefonisch te bereiken via 050-304 8911. De initiatiefnemer voldoet aan de informatieplicht als hij de begintijd, de periode van de lozing (tijdsvensters) en de lozingslocatie doorgeeft aan het waterschap. Wanneer hij na de doorgegeven periode opnieuw vanaf dezelfde lozingslocatie water wil lozen, zal hij wederom aan de informatieplicht moeten voldoen. Voor een wijziging van de lozingslocatie zal opnieuw aan de meldingsplicht moeten worden voldaan als die locatie nog niet eerder gemeld of in het verleden vergund is.
NNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf regelt de aanleg van natuurvriendelijke oevers (NVO) in oppervlaktewaterlichamen. Een natuurvriendelijke oever is een oever met een flauw talud die ten behoeve van de ecologisch toestand en (natte) natuurwaarden is ingericht met een ondiepe 'natte' zone die oever- en watervegetatie de kans bieden zich te ontwikkelen. De regels in de paragraaf over het aanplanten van beplanting in en nabij oppervlaktewaterlichamen zijn niet van toepassing op de vegetatie (zoals riet, biezen en lisdodde) die onderdeel uitmaakt van een natuurvriendelijke oever.
Het waterschap gaat uit van twee verschillende typen natuurvriendelijke oevers waarvoor verschillende eisen gelden. Enerzijds oevers die, overeenkomstig het beleidsuitgangspunt van het waterschap, zo natuurlijk mogelijk worden ingericht. Anderzijds natuurvriendelijke oevers die worden aangelegd in primaire oppervlaktewaterlichamen die met het oog op de doelstellingen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn aangewezen om de waterkwaliteit te verbeteren. Vanuit de KRW heeft het waterschap de verplichting om te streven naar gezond en schoon water. Dit streven leidt tot maatregelen om voor bepaalde primaire oppervlaktewaterlichamen de waterkwaliteit te verbeteren. Natuurvriendelijke oevers dragen daaraan bij. Er zijn daarom eisen gesteld aan de vormgeving van die natuurvriendelijke oevers. Deze eisen zien met name op het profiel, betreffende de breedte en taludhelling. Voor de natuurlijk ingerichte oevers gelden deze eisen niet, maar kan de voor de KRW-NVO’s voorgeschreven vormgeving wel als uitgangspunt genomen worden.
Aangezien voor het watersysteembeheer tertiaire wateren een ondergeschikte rol hebben, zullen initiatieven van eigenaren om natuurvriendelijke oevers aan te leggen, toestemmingsvrij worden toegestaan op grond van de zorgplichten en de algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels. Voor secundaire oppervlaktewaterlichamen geldt een meldingsplicht in aanvulling op de zorgplichten en algemene uitvoeringsregels. De uitvoeringsregels bij de meldingsplicht hebben betrekking op waterdoorstroming, waterberging en een gezond watermilieu. Voor primaire oppervlaktewaterlichamen geldt een vergunningplicht. Het waterschap beoordeelt het ontwerp van de natuurvriendelijke oever, waarbij van belang is dat de natuurvriendelijke oever niet leidt tot belemmering van het onderhoud van het primaire oppervlaktewater.
Natuurvriendelijke oevers hebben naast een positief effect op de waterkwaliteit ook een bijkomende positieve uitwerking op de waterkwantiteit. Nieuwe natuurvriendelijke oevers leiden namelijk vaak, doordat het oppervlaktewaterlichaam wordt verbreed, tot een toename van de waterbergingscapaciteit. Ook als een natuurvriendelijke oever met een plas-draszone of vooroever wordt aangelegd, wordt dit in de meeste gevallen als extra waterberging gezien. Voor het verbreden c.q. vergroten van het oppervlaktewater door het verflauwen van het talud zijn de regels uit de paragraaf voor het aanleggen en vergroten van het oppervlaktewaterlichaam niet van toepassing omdat de van toepassing zijnde regels voor het vergroten van het oppervlaktewater verdisconteerd zijn in deze paragraaf. Indien echter met deze activiteit tevens wordt beoogd de bodem van het oppervlaktewater te verbreden, zijn de regels uit de paragraaf voor het aanleggen en vergroten van oppervlaktewaterlichamen wel van toepassing.
OOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.88, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in constructies van natuurvriendelijke oevers. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.88, eerste lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graduele overgang
Een dergelijke overgang zorgt voor een nette en geleidelijke aansluiting van het nieuwe talud of bodem van het oppervlaktewater op het talud of bodem van het bestaande oppervlaktewaterlichaam en daarmee een stabielere aansluiting op de al aanwezige slootprofielen. Door een graduele overgang te realiseren worden beheer, onderhoud en een goede doorstroming geborgd.
QQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.88, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – onderhoudsdam
Deze regel borgt doelmatig en efficiënt onderhoud van het primair oppervlaktewater dat aansluit op het secundaire of primaire water waarin de NVO wordt aangelegd. Door aanleg van een dam zal de onderhoudsstrook langs het primaire water niet worden doorbroken. Afhankelijk van de situatie is het nodig om een dam met duiker of een dam als peilscheiding aan te leggen. Voor het aanleggen van een dam met duiker of de peilscheiding zijn de regels uit de desbetreffende paragrafen van toepassing.
Artikel 3.88, tweede lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – oeververdedigingswerk verwijderen of wegdrukken
Oeververdedigingswerken aan de zijde van de natuurvriendelijke oever moeten uit de oever worden verwijderd. Hiervoor zijn de regels uit de paragraaf voor het verwijderen van werken van toepassing. Ook het ‘wegdrukken in het talud’ van het oeververdedigingswerk is toegestaan. Hiermee behoudt het talud zijn stabiliteit maar veroorzaakt het oeververdedigingswerk geen barrière voor fauna.
RRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.89, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – profiel van de natuurvriendelijk ingerichte oever
Voor natuurvriendelijk ingerichte oevers geldt een profiel dat afwijkt van het standaardprofiel dat gehanteerd wordt bij het aanleggen of vergroten c.q. verbreden van een oppervlaktewaterlichaam. Een oever wordt op een natuurvriendelijke wijze ingericht wanneer deze wordt aangelegd met een hoogte-breedteverhouding die flauwer is dan 1:1½. Voor NVO’s die in primaire oppervlaktewateren, die aangewezen zijn als KRW-oppervlaktewateren, worden aangelegd, gelden andere uitgangspunten (zie ‘Vergunningplicht – algemene uitvoeringsregel – profiel van de natuurvriendelijke oever (in KRW water)).
Artikel 3.89, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – aanpassen lozingsvoorzieningen
Door het aanleggen van een NVO kan het noodzakelijk zijn om bestaande lozingsvoorzieningen, zoals drainage- of hemelwaterafvoeren te verkorten. Hiervoor kunnen tevens de regels uit de paragraaf voor het lozen van een hoeveelheid water van toepassing zijn.
SSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.91, derde lid, onder b – beoordelingsregel – profiel van natuurvriendelijke oever
Het waterschap beoordeelt, afhankelijk van het doel dat beoogd wordt met de activiteit, welk profiel van de natuurvriendelijke oever kan worden toegestaan. Ingeval de natuurvriendelijke oever niet wordt aangelegd met het oog op de verbetering van de waterkwaliteit in de zin van de KRW, dan geldt dat de hoogte-breedteverhouding van het talud flauwer is dan 1:1½. Bij natuurvriendelijke oevers die worden aangelegd met het doel om de waterkwaliteit te verbeteren gelden andere eisen die aan het profiel worden gesteld, zie hiervoor ‘Artikel 3.91, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – profiel van de natuurvriendelijke oever (in KRW water)’.
Artikel 3.91, derde lid, onder c – beoordelingsregel – geschikt voor ontstaan van vegetatie
Wanneer een oever goed is ontworpen en goed is aangelegd, is er direct na de aanleg een talud aanwezig dat de potentie heeft om begroeid te raken met diverse oeverbegroeiing. Bij oplevering van het werk moet de oever begroeibaar zijn, maar hoeft deze nog niet begroeid te zijn. De vegetatie kan op verschillende manieren tot stand komen:
afwachten spontane ontwikkeling; of
aanplanten van water- en oeverplanten; en/of
inzaaien van oeverplanten, kruiden en graslandsoorten op de droge oever. Bij voorkeur wordt de spontane ontwikkeling van oevervegetatie en watervegetatie afgewacht. Aanplanten of inzaaien is in beginsel onwenselijk. Voordelen van spontane ontwikkeling van de vegetatie zijn namelijk dat er een grotere diversiteit in plantensoorten zal ontstaan dan bij inzaaien of aanplanten, de kans op het ontstaan van een monocultuur wordt beperkt en de begroeiing aangepast is aan de plaatselijke omstandigheden. Ter bevordering van de spontane ontwikkeling van vegetatie kunnen vaak hulpconstructies, zoals opgestapelde wilgentakken tussen houten paaltjes, rietworsten en wiepenschermen worden toegepast. Het waterschap beoordeelt of het ontwerp van de NVO uitgaat van deze uitgangspunten en kan nadere voorschriften stellen om de spontane ontwikkeling van vegetatie te bevorderen.
Artikel 3.91, derde lid, onder d – beoordelingsregel – verbetering waterkwaliteit als doel
Het waterschap, als waterkwaliteitsbeheerder, heeft als één van zijn kerntaken als doel om de waterkwaliteit in KRW-oppervlaktewaterlichamen te verbeteren. Ingeval een natuurvriendelijke oever wordt beoogd in een KRW-oppervlaktewaterlichaam beoordeelt het waterschap aan de hand van de Handreiking natuurvriendelijke oevers van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) of de natuurvriendelijke oever doelmatig zal worden aangelegd. De Handreiking is bedoeld als een hulpmiddel bij het gehele proces van ontwerp tot definitieve aanleg van een natuurvriendelijke oever. De handreiking is een verzameling en structurering van de huidige beschikbare kennis hierover. De kennis is aangevuld met tips en adviezen vanuit de praktijk.
Artikel 3.91, derde lid, onder e – beoordelingsregel – machinaal onderhoud van het oppervlaktewater en geen buitenproportionele meerkosten
Bij aanleg van een natuurvriendelijke oever in een beperkingengebied van het primaire oppervlaktewater (onderhoudsstrook) vindt in feite een verbreding van het oppervlaktewaterlichaam plaats. Daardoor kan het machinaal onderhoud vanaf de kant worden belemmerd. Het waterschap beoordeelt dan of het onderhoud nog steeds vanaf de kant kan plaatsvinden of dat onderhoud op een andere manier, bijvoorbeeld varend, moet worden uitgevoerd. Onderhoudskosten voor het waterschap kunnen door de aanleg van een natuurvriendelijke oever toenemen. Het belang van de natuurvriendelijke oever wordt daarom afgezet tegen eventuele meerkosten van het waterschap.
De activiteit mag namelijk niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Ontwerpkeuzes voor natuurvriendelijke oevers moeten zo gemaakt worden dat beheer en onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam voor nu en in de toekomst zo kostenefficiënt mogelijk kunnen plaatsvinden. Bepaalde ontwerpkeuzes kunnen namelijk leiden tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap.
TTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.91, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – profiel van de natuurvriendelijke oever (in KRW water)
In de onderstaande afbeeldingen wordt uitdrukking gegeven aan de bepaling van artikel 3.91, vierde lid, onder a, voor wat betreft het profiel van een natuurvriendelijke oever in KRW wateren. Dit zijn de natuurvriendelijke oevers die als doel hebben om de waterkwaliteit te verbeteren in de zin van de KRW.
Artikel 3.91, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geschikte vegetatie
Onder geschikte vegetatie verstaat het waterschap inheemse en gebiedseigen soorten. Hieraan wordt doorgaans voldaan bij het afwachten van de spontane ontwikkeling van vegetatie, tenzij in de omgeving veel uitheemse soorten (exoten) aanwezig zijn. Bij de aanleg van de NVO dient de initiatiefnemer daar bedacht op te zijn.
Artikel 3.91, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – aanpassen lozingsvoorzieningen
Door het aanleggen van een NVO kan het noodzakelijk zijn om bestaande lozingsvoorzieningen, zoals drainage- of hemelwaterafvoeren te verkorten en schuin af te zagen overeenkomstig de taludhelling. Het laatste waarborgt het voorkomen van schade aan de lozingsvoorzieningen en aan machines die ingezet worden voor het beheer en onderhoud van het oppervlaktewater. Hiervoor kunnen tevens de regels uit de paragraaf voor het lozen van een hoeveelheid water van toepassing zijn.
UUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat regels over het aanleggen van oeververdedigingswerken zoals paalschotbeschoeiing, damwanden en kade- en keermuren. Oeververdedigingswerken zijn bedoeld om afkalving en afschuiving van talud en oever te voorkomen. Oeververdedigingswerken hebben veelal een grondkerende functie in het belang van de eigenaar van het aangrenzend perceel. Daarnaast kunnen ze geheel of gedeeltelijk een rol spelen in het beheer van het watersysteem ter bescherming van het doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam en direct langs de oever liggende waterkeringen.
Het waterschap heeft als beleidsuitgangspunt dat er zo min mogelijk oeververdedigingswerken in het watersysteem aanwezig zijn. Het beleidsuitgangspunt om nieuwe beschoeiingen niet zonder meer toe te staan, komt voort uit het streven van het waterschap om zoveel mogelijk natuurlijk ingerichte oevers en taluds te behouden of te realiseren. Hiermee beoogt het waterschap vanuit de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) dat de ecologische waarde van het omliggende water behouden blijft of wordt verbeterd. Een bijkomende factor is dat ook het doelmatig beheer en onderhoud van het watersysteem hiermee wordt geborgd. Daarnaast wordt een mogelijk toekomstig risico op bezwijken van het werk - en daarmee een potentiële belemmering van de waterdoorvoer - geminimaliseerd. Het voorgaande betekent dat het waterschap terughoudend omgaat met het toestaan van het aanleggen van oeververdedigingswerken in het watersysteem. Dit betekent dat voor elke nieuwe of bestaande situatie waarbij er een mogelijke noodzaak is om een oever te verdedigen, initiatiefnemers eerst zullen moeten nagaan of ter plaatse het talud niet verflauwd kan worden of dat er een natuurvriendelijke oever kan worden aangelegd, om te voorkomen dat er een nieuw werk aangelegd moet worden of een bestaand werk moet worden vervangen.
Als de activiteit plaatsvindt in tertiaire of secundaire wateren dan kan dat toestemmingsvrij uitgevoerd worden met inachtneming van de algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels en zorgplichten. Voor primaire wateren geldt een vergunningplicht omdat de activiteit risico’s kan meebrengen voor het watersysteembeheer. Voor vergunningverlening voor het aanleggen van een oeververdedigingswerk om een oever en talud te verdedigen, moet sprake zijn van één van de volgende factoren:
Het oeververdedigingswerk wordt aangelegd als ondersteunend kunstwerk; of
Er heeft substantiële niet te herstellen afkalving plaatsgevonden; of
Er is een risico op versnelde afkalving; of
Als hier geen sprake van is, is het doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam ruim genoeg en wordt het beheer en onderhoud niet buitensporig belemmerd.
Het vernieuwen of vervangen van bestaande oeververdedigingswerken in primair oppervlaktewater is op grond van artikel 2.5, vrijgesteld van de vergunningplicht, tenzij de ligging, vorm, afmeting en/of constructie van het oeververdedigingswerk wijzigt.
VVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.95, aanhef en onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – NVO of taludverflauwing mogelijk in plaats van oeververdedigingswerk
Initiatiefnemers moeten aan het waterschap kunnen uitleggen waarom er gekozen wordt voor de aanleg of vervanging van een oeververdedigingswerk. Voor primaire wateren geldt dat het waterschap deze alternatieven beoordeelt bij de aanvraag om een vergunning. Ingeval gekozen wordt voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever of taludverflauwingen met een natuurlijke inrichting zijn de regels uit de paragraaf voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers van toepassing. Voor ‘gewone’ taludverflauwingen zijn de regels uit de paragraaf voor het graven van oppervlaktewater en vergroten van oppervlaktewaterlichamen van toepassing.
Artikel 3.95, aanhef en onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen verkleining natte profiel
Oeververdedigingswerken moeten worden geplaatst buiten het natte profiel waarbij het natte profiel wordt bepaald door het winterpeil of vast peil. Dat wil zeggen, dat oeververdedigingswerken in principe niet in het water mogen worden aangelegd, omdat daarmee de waterbergingscapaciteit wordt aangetast tenzij de initiatiefnemer toestemming heeft verkregen om de watergang ten dele te dempen (te verkleinen), waarvoor de regels voor het dempen van oppervlaktewaterlichamen van toepassing zijn.
Artikel 3.95, aanhef en onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – nieuw oeververdedigingswerk tegen bestaand werk
De waterlijn van het oppervlaktewaterlichaam mag met het oog op behoud van de waterbergingscapaciteit niet verkleind worden. Dit betekent dat (nieuwe) oeververdedigingswerken niet in het water worden geplaatst. Bestaande werken die vervangen moeten worden door nieuwe werken dienen in principe dus verwijderd te worden. Hiervoor zijn de regels in de paragraaf over het verwijderen van werken van toepassing. Hiervan kan afgeweken worden indien sprake is van een uitzondering. In dat geval moet de initiatiefnemer een zwaarwegend belang kunnen aantonen. Enkel wanneer hiervan sprake is, mag een nieuw werk tegen een bestaand werk worden geplaatst. Van een zwaarwegend belang kan sprake zijn als het voor de gestelde doelen van het watersysteembeheer onwenselijk is of gelet op de belangen die een rol spelen bij het vervangen van het werk, het buitenproportioneel is om tot verwijdering over te gaan. Voor primaire wateren wordt dit beoordeeld bij de aanvraag van een vergunning. Voor tertiair en secundair water dient de initiatiefnemer hierin zelf een goede afweging te maken. Bij twijfel kan contact opgenomen worden met het waterschap. Het waterschap kan hiervoor, indien gewenst, een maatwerkvoorschrift opstellen.
Artikel 3.95, aanhef en onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verwijderen bestaande gording
Ingeval een nieuw werk tegen een bestaand werk mag worden geplaatst, zal een eventueel aanwezige gording van het bestaande werk zoveel mogelijk verwijderd moeten worden om het verlies van waterbergingscapaciteit zo klein mogelijk te houden.
Artikel 3.95, aanhef en onder e – specifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen materialen worden toegepast in de constructies van oeververdedigingswerken die in het water kunnen uitlogen. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.95, aanhef en onder f – algemenespecifieke uitvoeringsregel – aanpassen lozingsvoorzieningen
Door het aanleggen van een oeververdedigingswerk kan het noodzakelijk zijn om bestaande lozingsvoorzieningen, zoals drainage- of hemelwaterafvoeren, aan te passen om de vrije lozing te blijven waarborgen. Hiervoor kunnen tevens de regels uit de paragraaf voor het lozen van een hoeveelheid water van toepassing zijn.
WWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.96, derde lid, onder b – beoordelingsregel – natuurvriendelijke oever of verflauwen van talud
Vanuit het hiervoor genoemde streven ter verbetering van de waterkwaliteit en in het kader van doelmatig beheer en onderhoud van het watersysteem beoordeelt het waterschap in alle gevallen:
of in plaats van een oeververdedigingswerk een natuurvriendelijke oever aangelegd kan worden;
of oever en talud aangelegd kunnen worden met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ of flauwer. Door toepassing van deze alternatieven zou een oeververdedigingswerk niet meer nodig zijn. Deze alternatieven krijgen voorrang boven de aanleg van een oeververdedigingswerk tenzij ze onmogelijk en/of onwenselijk zijn.
Artikel 3.96, derde lid, onder b 1º. – beoordelingsregel – ondersteuning van waterstaatswerken
Voor het beheer van het watersysteem kan het noodzakelijk zijn om oeververdedigingswerken aan te leggen ter ondersteuning van oppervlaktewateren, waaronder vaarwegen en waterkeringen. Voor oppervlaktewaterlichamen geldt dat dit het geval kan zijn wanneer het doorstroomprofiel krap is en het waterschap wil voorkomen dat door afkalving van een talud het doorstroomprofiel nog krapper wordt. Ingeval het waterschap aangewezen is als vaarwegbeheerder kan een oeververdedigingswerk noodzakelijk zijn om een vaarwegprofiel, het profiel dat minimaal voor de vaarweg benodigd is ten behoeve van de vaarwegfunctie, in stand te houden. Tot slot kan een oeververdedigingswerk voor het waterschap nodig zijn als het oeververdedigingswerk een waterkering in stand moet houden.
Artikel 3.96, derde lid, onder b, 2º. – beoordelingsregel – substantiële niet te herstellen afkalving
Onder afkalving wordt verstaan het instorten, afschuiven of uitspoelen van oevers en taluds van een oppervlaktewaterlichaam. Substantiële afkalving ontstaat door een combinatie van natuurlijke erosie met factoren die te maken hebben met risico’s op versnelde afkalving (zie hieronder) en met het gebruik en de belasting van aangrenzende percelen. Het waterschap beoordeelt aan de hand van de door initiatiefnemer ingediende beeldende weergave en eventueel een bezoek ter plaatse (een schouw) of sprake is van substantiële niet herstelbare afkalving.
Artikel 3.96, derde lid, onder b, 3º. – beoordelingsregel – risico op versnelde afkalving
Van een risico op versnelde afkalving kan sprake zijn als onder meer één of een combinatie van de volgende factoren in een bepaalde mate aan de orde zijn:
bij taluds met een hoogte-breedteverhouding van 1:1½ of steiler;
bij onbeklede/onbegroeide taluds;
bij taluds die hiervoor vanwege de grondsoort extra vatbaar zijn, zoals in het geval van loopzand in het boven- en/of onderwatertalud;
als een oppervlaktewaterlichaam gedurende langere tijd te maken krijgt met bovengemiddelde doorstroomsnelheden;
als oever of talud zich al in gevorderde staat van afkalving bevinden.
Artikel 3.96, derde lid, onder b, 4º. – beoordelingsregel – ruim doorstroomprofiel, geen buitensporige belemmering van het beheer en onderhoud, geen buitenproportionele meerkosten
In veel gevallen bestaat er een wens bij initiatiefnemers om een oeververdedigingswerk aan te leggen, terwijl er geen sprake is van substantiële afkalving of een risico op versnelde afkalving. Bijvoorbeeld in het geval van gebiedsinrichtingsinitiatieven van overheden of in het geval van particulieren die voor hun tuininrichting (wonen aan water) een oeververdedigingswerk wensen. Voor deze initiatieven speelt vaak enkel het belang om de grond te keren: ten behoeve van het gebruik van het aangrenzende perceel, om het onderhoud van het aangrenzende perceel te beperken of om esthetische redenen. Dergelijke initiatieven kunnen alleen worden toegestaan als het doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam ter plaatse ruim genoeg is en het beheer en onderhoud ter plaatse niet onaanvaardbaar wordt belemmerd. Het waterschap dat in de meeste gevallen het primair water, inclusief oevers en taluds van insteek tot insteek, in onderhoud heeft, moet goed bij oever en talud kunnen om het onderhoud te kunnen uitvoeren. De activiteit mag niet leiden tot buitensporige bemoeilijking van het onderhoud van primaire oppervlaktewateren, want dit leidt mogelijk tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap. Dit betekent in principe dat deze activiteit niet mag leiden tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Door de onderhoudsplichtige van het oeververdedigingswerk ook aan te wijzen als onderhoudsplichtige van de oever en bovenwatertalud, bedoeld in artikel 2.9, van deze verordening, zou buitensporige belemmering van het beheer en onderhoud en daarmee buitenproportionele meerkosten voor het waterschap ondervangen kunnen worden, waardoor de vergunning verleend kan worden.
Artikel 3.96, derde lid, onder b, 5º – beoordelingsregel – vervanging oeververdedigingswerken zonder verwijdering
Het natte profiel van het oppervlaktewater mag niet worden verkleind. Alleen ingeval de initiatiefnemer kan aantonen dat het onwenselijk is vanuit doelmatig watersysteembeheer of, gelet op de aan de orde zijnde belangen, buitenproportioneel is dat het bestaande werk bij vervanging wordt verwijderd, kan afgeweken worden van deze regel. Dit wordt bij de aanvraag van de vergunning beoordeeld door het waterschap. Zie ook ‘Artikel 3.95, aanhef en onder c - algemenespecifieke uitvoeringsregel – nieuw oeververdedigingswerk tegen bestaand werk’.
Artikel 3.96, derde lid, onder c – beoordelingsregel – ondersteuning van weg of bebouwing
Het waterschap beoordeelt of het beoogde oeververdedigingswerk voldoende sterk en stabiel is om de potentiële belasting van de naastgelegen percelen aan te kunnen. De initiatiefnemer moet dit middels een sterkteberekening van de constructie aantonen. Zie ook ‘Artikel 3.96, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – adequate techniek’.
XXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.96, vierde lid, onder a – specifieke uitvoeringsregel – zoveel mogelijk in lengterichting aansluiten
Een nieuw of een te vervangen oeververdedigingswerk dient zoveel mogelijk aangelegd worden tegen al in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige oeververdedigingswerken. Hiervoor dienen soms afspraken gemaakt te worden met eigenaren van aangrenzende percelen. Of het aan te leggen oeververdedigingswerk voldoende aansluit, wordt beoordeeld door het waterschap bij de vergunningaanvraag (op basis van de overgelegde tekeningen). Het waterschap stelt deze regel met het oog op het onderhoud van het primair oppervlaktewaterlichaam. In voorkomende gevallen kan, indien een oeververdedigingswerk onvoldoende aangesloten wordt op een reeds aanwezig oeververdedigingswerk, het waterschap, op grond van artikel 2.9, tweede lid, van deze verordening, het onderhoud van de oever en het bovenwatertalud bij de onderhoudsplichtige van het oeververdedigingswerk neerleggen indien het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam dat door het waterschap uitgevoerd dient te worden, belemmerd wordt.
Artikel 3.96, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – adequate techniek
De belasting van langs primaire watergangen aangelegde wegen en bouwwerken heeft in meer of mindere mate invloed op het minimaal benodigde type constructie van oeververdedigingswerken. Het waterschap beschouwt als adequate techniek de oeververdedigingswerken die conform de CUR 166, tabel 2.2A en 2.2B aangegeven geldende normen voor geotechniek en damwanden worden aangelegd. De keuze voor een andere, tenminste gelijkwaardige methodiektechniek moet onderbouwd worden door de initiatiefnemer om als adequate techniek te kunnen worden beschouwd.
Artikel 3.96, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – fauna–uitstapplaats
Om te voorkomen dat in het watersysteem, door menselijk toedoen, dieren te water geraken en verdrinken, vereist het waterschap dat initiatiefnemers die in primaire wateren een oeververdedigingswerk aanleggen, een fauna-uitstapplaats aanleggen bij aaneengesloten delen van oeververdedigingswerken van meer dan 100 meter in lengte. Daarmee wordt voldaan aan de zorgplicht opgenomen in artikel 1.11, van de Wet natuurbescherming. Voor het waterschap hebben fauna-uitstapplaatsen ook een belang bij verbetering van de waterkwaliteit. Uit onderzoek van Wanink en Gorter uit 2011 blijkt immers dat fauna-uitstapplaatsen een positief ecologisch effect hebben op de waarde van het ecologisch watersysteem (Zie: J.H. Wanink en G. Wolters, Visonderzoek bij twintig fauna uittreedplaatsen (FUP’s) in het Oranjekanaal, Rapport 2011-090,https://www.researchgate.net/publication/337823710_Visonderzoek_bij_twintig_fauna_uittreedplaatsen_FUP's_in_het_Oranjekanaal). Voor de aanleg van fauna-uitstapplaatsen zijn de regels uit de paragraaf voor het aanleggen van, onder meer, fauna-uitstapplaatsen van toepassing.
De volgende varianten zijn onder meer toegestaan:
Begroeide fauna-uitstapplaats:
Dit is een ‘mini’-natuurvriendelijke oever. Over een breedte van enkele meters wordt een flauw talud aangelegd (met een hoogte-breedteverhouding van minimaal 1:3) met daarachter beplanting van bomen en struiken. Te water geraakte dieren zullen naar de behulpzame begroeiing toe zwemmen. Als de aanplant van bomen en struiken niet mogelijk is, kan er ook gekozen worden voor riet of lisdodde. Hoe breder hoe beter, maar een breedte van 1 meter voldoet meestal.
Naar beneden duwen van bestaande oeververdedigingswerken:
Door de ontstane laagte kunnen dieren in- en uitstappen. Het oeververdedigingswerk moet onder de laagste waterstand worden geduwd (bij winterpeil of vast peil).
Aanleggen van een voorziening in de vorm van houten, stalen en/of betonnen constructies:
Dit kunnen bijvoorbeeld stalen u-vormige bakken zijn van tenminste 50 centimeter breed met stortsteen of beton gevuld die hellend zijn aangelegd tegen de bestaande constructie.
Bij voorkeur worden fauna-uitstapplaatsen op een doeltreffende en logische positie in het oeververdedigingswerk aangelegd. Rekening houdend met de plekken waar de grootste kans is dat dieren te water raken, bijvoorbeeld bij houtwallen of bosranden. Overleg hierover met de lokale wildbeheereenheden wordt aanbevolen. De wildbeheereenheden weten bijvoorbeeld waar wildwissels lopen.
Soms is er aan de overkant van het oppervlaktewaterlichaam al een oeververdedigingswerk aanwezig. Het verdient dan de voorkeur om, indien mogelijk, ook daar een fauna-uitstapplaats te maken. Dieren kunnen in het water springen om over te steken. Ze zoeken dan aan de overkant naar een plek om uit het water te komen en zwemmen niet snel terug naar waar ze vandaan komen.
Voorbeelden van een voorziening in de vorm van houten, stalen en betonnen constructies:
Voorbeelden van een voorziening in de vorm van houten, stalen en betonnen constructies:
YYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.100, aanhef en onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – infiltratie als maatregel om versnelde afvoer te voorkomen
Het waterschap heeft een voorkeur voor deze maatregel. Deze maatregel betreft het in de bodem infiltreren van hemelwater (vertraagde afvoer). Dat zou op een natuurlijke manier kunnen, met of zonder een IT-riool (infiltratie- en transportriool) of infiltratiekrat. In het geval van wegen (zie hiervoor ook de regels uit de paragraaf over het aanleggen van wegen en paden) gaat het waterschap ervan uit dat een berm van drie meter aan weerszijden van de weg voldoende is om hemelwater vertraagd af te voeren. Een bijkomend voordeel van deze maatregel is dat infiltratie in de bodem een zuiverende werking heeft die de mogelijke verontreiniging van het oppervlaktewater kan voorkomen. Infiltratie kan ook op een niet-natuurlijke manier plaatsvinden, via een put met infiltratie- en hemelwateropslagvoorziening. Dit is meestal een pompinstallatie die zorgt voor infiltratie van het in de opslagvoorziening verzamelde afgestroomde hemelwater. Bij infiltratie via een put zijn de regels uit de paragraaf over het onttrekken en infiltreren van grondwater van toepassing.
Artikel 3.100, aanhef en onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – vertraagd lozen als maatregel om versnelde afvoer te voorkomen
De tweede maatregel betreft het vertraagd lozen (vertraagde afvoer). Ook hier wordt het afstromend hemelwater eerst verzameld in een buffervoorziening, zoals een wadi, en op een later moment (dus vertraagd) gedeeltelijk in het oppervlaktewater geloosd. Op het lozen zijn de regels uit de paragraaf over het lozen van een hoeveelheid water in een oppervlaktewaterlichaam van toepassing.
Artikel 3.100, aanhef en onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – compenserende maatregelen vanwege versnelde afvoer middels voorziening direct in het oppervlaktewater
Indien versnelde afvoer niet (middels een maatregel) wordt voorkomen, wordt een compenserende maatregel vereist. Ingeval de initiatiefnemer ervoor kiest om direct middels een voorziening (zoals een hemelwaterafvoerleiding) op een oppervlaktewaterlichaam te lozen, zal een compenserende maatregel getroffen moeten worden. Ook binnen drie jaar voorafgaand aan de activiteit aangelegde of vergrote oppervlaktewateren kunnen ingezet worden als compenserende maatregel. Dit moet de initiatiefnemer middels documenten aantonen. Op deze maatregelen zijn naast de regels uit de paragraaf over het lozen van water ook de regels uit de paragraaf over het aanleggen van oppervlaktewater en vergroten van een oppervlaktewaterlichaam van toepassing en mogelijk ook de regels voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever wanneer geheel of gedeeltelijk (ook) gekozen wordt voor het ter compensatie aanleggen van een natuurvriendelijke oever.
Artikel 3.100, aanhef en onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – compenserende maatregel door (eerdere) afname van verhard oppervlak
Naast de hierboven genoemde maatregel is het mogelijk om een (eerdere) afname van verharding in te zetten ter compensatie van de beoogde activiteit. Voor het inzetten van een eerdere afname van verharding, moet de afname hebben plaatsgevonden binnen een periode van drie jaar voorafgaand aan de activiteit en in het peilgebied waar de activiteit plaatsvindt. Dit moet middels documenten worden aangetoond, zodat kan worden beoordeeld of de afname van verharding terecht kan worden ingezet als compenserende maatregel.
Artikel 3.100, aanhef en onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – combinatie van maatregelen
De compenserende maatregelen zijn afzonderlijk of tezamen inzetbaar. Bij de melding wordt inzichtelijk gemaakt welke maatregelen op welke manier en in welke verhouding worden ingezet.
ZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.103, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – waterhuishoudingsplan
Vanaf 200.000 m2 aan verharding is een reeds door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudingsplan vereist als basis voor de te treffen maatregelen. Zo’n plan bevat een gedetailleerde modellering van het watersysteem. Ook de mogelijke maatregelen zijn in het plan beschreven. De uitgangspunten en de opzet van het waterhuishoudingsplan worden met het waterschap voorafgaand aan de vergunningaanvraag besproken. De kosten voor het opstellen van een dergelijk waterhuishoudingsplan komen voor rekening van de initiatiefnemer.
AAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat regels voor het, middels een (meestal tijdelijke) wateronttrekkingsvoorziening, onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen. Bij een tekort aan neerslag is het onttrekken van water uit oppervlaktewateren een veelvoorkomende activiteit, met name bij agrarische bedrijven die het water gebruiken voor beregeningsdoeleinden. Daarmee vervult het watersysteem een maatschappelijk functie. De meeste wateronttrekkingsactiviteiten vinden tijdelijk, doch herhaaldelijk plaats, waarbij het water niet continu uit het oppervlaktewaterlichaam wordt onttrokken. In sommige gevallen, bijvoorbeeld voor industriële doeleinden, vindt continue onttrekking permanent plaats.
Onder wateronttrekkingsvoorzieningen worden verstaan: pompvoorzieningen of mogelijke andere type voorzieningen die worden gebruikt voor deze activiteit. Met de regels uit deze paragraaf voor het onttrekken van oppervlaktewater wordt niet bedoeld het aan- en afvoeren van water ten behoeve van het op peil houden van het oppervlaktewater.
De specifieke zorgplicht, algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels en meldmeldings- en vergunningplicht borgen onder meer de instandhouding van het waterpeil van oppervlaktewaterlichamen. Het waterschap staat in beginsel het onttrekken van oppervlaktewater toe uit oppervlaktewaterlichamen waar wateraanvoer naar deze oppervlaktewateren mogelijk is. Voor wateren waar geen wateraanvoer mogelijk is geldt een algeheel verbod.
Voor het onttrekken van oppervlaktewater geldt een meldingsplicht bij onttrekkingen van 10 m3 of meer per uur ingeval de onttrekking plaatsvindt in primaire en secundaire wateren, niet zijnde ecologisch waardevolle wateren, om zo inzichtelijk te krijgen waar en hoeveel water onttrokken wordt. Kleinere onttrekkingen van onder de 10 m3 per uur, die enkel leiden tot marginale fluctuaties in het waterpeil zijn toestemmingsvrij. Hiervoor gelden wel de zorgplichten en de algemene regel dat er niet onttrokken mag worden wanneer het waterpeil van het oppervlaktewater waaruit onttrokken wordt te laag staat. De meldingsplicht geldt daarentegen niet wanneer de initiatiefnemer oppervlaktewater wenst te onttrekken uit een door het waterschap aangewezen ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam. In dat geval dient bij onttrekkingen van 1 m3 per uur of meer een vergunning aangevraagd te worden. Deze vergunningen worden conform het vergunningenbeleid slechts tijdelijk verleend, doorgaans voor een jaar. Dit doet het waterschap om zicht te houden op de effecten van de activiteit op oppervlaktewateren die als ecologisch waardevol zijn aangewezen.
Initiatiefnemers die oppervlaktewater willen onttrekken dienen een melding te doen of in voorkomende gevallen een vergunning aan te vragen voor een nieuwe of opnieuw te gebruiken onttrekkingslocatie waarvoor nog geen melding is gedaan of vergunning is verleend. Dit betekent dat de meldingsplicht of vergunningplicht niet geldt voor initiatiefnemers die in het verleden al eerder een formele melding hebben gedaan of vergunning hebben verkregen voor de betreffende onttrekkingslocatie, tenzij de vergunning is verlopen. De meldingsplicht staat los van de informatieplicht want die rust op alle initiatiefnemers die herhaaldelijk tot feitelijke onttrekking van oppervlaktewater willen overgaan.
BBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.107, eerste lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – in gestuwde gebieden alleen onttrekking mogelijk wanneer water over benedenstroomse stuw stroomt
Een deel van het beheergebied van het waterschap betreft gestuwd gebied. Dit betekent dat door een stuw het water in een bepaald peilgebied op hoogte wordt gehouden. Via www.noorderzijlvest.nl/waterschapskaart kan een kaart worden ingezien waarop de peilgebieden staan en ook de locaties van de peilregulerende kunstwerken, zoals stuwen. Enkel wanneer er voldoende water is (aangevoerd), zal het water over de dichtst bij de onttrekkingslocatie aanwezige benedenstroomse stuw stromen en is onttrekking mogelijk, waarbij de waterstand op het gewenste niveau blijft.
Artikel 3.107, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – informatieplicht bij herhaaldelijk onttrekken uit secundair en primair water
Deze regel voorziet in een informatieplicht voor de initiatiefnemer, die geheel los staat van de meldingsplicht. De informatieplicht houdt in dat elke, gedurende een bepaalde periode, feitelijke onttrekking van water moet worden afgestemd met (de peilbeheerder van) het waterschap. Deze is tijdens kantooruren telefonisch te bereiken via 050-304 8911. De initiatiefnemer voldoet aan de informatieplicht als hij de begintijd, de periode van de onttrekking (tijdsvensters) en de onttrekkingslocatie doorgeeft aan het waterschap. Wanneer hij na de doorgegeven periode opnieuw vanaf dezelfde onttrekkingslocatie water wil onttrekken, zal hij wederom aan de informatieplicht moeten voldoen. Voor een wijziging van de onttrekkingslocatie zal opnieuw aan de meldingsplicht moeten worden voldaan als die locatie nog niet eerder gemeld of in het verleden vergund is.
DDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.107, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – markering onttrekkingslocatie
Ter bescherming van de wateronttrekkingsvoorziening, om schade te voorkomen, wordt van initiatiefnemers verwacht dat de locatie in primaire wateren waar de onttrekking plaatsvindt goed zichtbaar is. Zo zal voor het waterschap dat het onderhoud uitvoert van primaire wateren goed zichtbaar zijn dat er voor deze activiteit een voorziening is geplaatst. Als markering kan worden gedacht aan een markeringspaal met geverfde kop.
EEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.110, derde lid, onder b – beoordelingsregel – geen ander niet ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam beschikbaar
Het waterschap beoordeelt op basis van de aanvraag of de initiatiefnemer mogelijk ook de activiteit kan uitvoeren in een niet ecologisch waardevol oppervlaktewaterlichaam. Indien daarvan sprake is, dient in beginsel de locatie van de activiteit gewijzigd te worden en zou een melding volstaan.
Artikel 3.110, derde lid, onder c – beoordelingsregel – acceptabele ecologische effecten
De initiatiefnemer dient bij de aanvraag een ecologische analyse te overleggen waarbij wordt ingegaan op de verwachte effecten van de activiteit op de waarde van het ecologisch watersysteem. Ingeval van negatieve effecten dient de initiatiefnemer tevens aan te geven welke beheersmaatregelen hij treft om de negatieve effecten te ondervangen. Deze analyse wordt door het waterschap beoordeeld. Het waterschap zal ook het monitoringsplan beoordelen dat overgelegd dient te worden bij te verwachten negatieve effecten. Het waterschap toetst of de effecten en eventueel getroffen beheersmaatregelen acceptabel zijn met het oog op de bescherming van de ecologische waarde van het watersysteem.
Artikel 3.110, derde lid, onder c – beoordelingsregel – acceptabele ecologische effecten
Het waterschap toetst of de effecten van de activiteit acceptabel zijn met het oog op de bescherming van de ecologische waarde van het watersysteem. Ingeval van mogelijke negatieve ecologische effecten kan het waterschap in de vergunning nadere voorschriften stellen, die bijvoorbeeld zien op bepaalde beheersmaatregelen die getroffen moeten worden bij uitvoering van de activiteit.
FFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.110, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – zorgvuldige plaatsing en instelling van de wateronttrekkingsvoorziening
Het waterschap vereist bij de uitvoering van de activiteit dat de onttrekkingsvoorziening dusdanig wordt geplaatst en ingesteld dat door het onttrekken van oppervlaktewater de risico’s op schade aan de waarde van het ecologisch watersysteem zo minimaal mogelijk blijven. Immers, verstoring van de faunahuishouding van het watersysteem dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Dit betekent dat de initiatiefnemer voordat hij de activiteit uitvoert een zorgvuldige afweging moet maken waar hij de voorziening plaatst en op welk debiet de voorziening wordt ingesteld.
GGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.111, aanhef en onder b – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – opgave maximale onttrekkingscapaciteit van een pompvoorziening
Zie ‘Artikel 3.109, aanhef en onder a – specifiek meldingsvereiste – opgave maximale onttrekkingscapaciteit van een pompvoorziening’.
Artikel 3.111, aanhef en onder c – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – ecologische analyse, beheersmaatregelen en monitoringsplan
De initiatiefnemer dient in kaart te brengen wat de gevolgen van de activiteit kunnen zijn op de waarde van het ecologische watersysteem ter plaatse van waar de activiteit wordt uitgevoerd. Hiervoor dient hij eerst de waarde van het ecologische watersysteem ter plaatse te beschrijven, waarna vervolgens ingegaan wordt op de verwachte effecten van de activiteit op de waarde van het ecologisch watersysteem. Ingeval dit negatieve effecten zijn, zal de initiatiefnemer ook moeten aangeven welke beheersmaatregelen hij zal treffen om de negatieve effecten te kunnen ondervangen. Ingeval van negatieve effecten dient er tevens een monitoringsplan overgelegd te worden waarin wordt aangegeven op welke wijze en met welke regelmaat de negatieve effecten worden gemonitord, wat de grenswaarden zijn voor bepaalde negatieve effecten en welke acties ondernomen worden ingeval de grenswaarden dreigen overschreden te worden.
Artikel 3.111, aanhef en onder ed, fe en gf – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – eenmalig of bij herhaling onttrekken van water en de regelmaat van herhaling
Zie ‘Artikel 3.109, aanhef en onder c, d en e - meldingsvereiste – eenmalig of bij herhaling onttrekken van water en de regelmaat van herhaling’.
Artikel 3.111, aanhef en onder ih – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – effecten op maatschappelijke functievervulling van het watersysteem
Zie ‘Artikel 3.109, aanhef en onder g – specifiek meldingsvereiste – effecten op maatschappelijke functievervulling van het watersysteem’.
HHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.115, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van peilscheidingen. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.115, tweede lid, onder b – algemene uitvoeringsregel – onder– en achterloopsheid
Lekkage onder en langs een peilscheiding moet worden voorkomen. Om die reden moeten de stalen, houten en betonnen peilscheidingen diep genoeg worden aangebracht en ver genoeg in het naastgelegen maaiveld doorlopen. Het waterschap kan voorschriften opnemen over de afmetingen van de constructie.
Artikel 3.115, tweede lid, onder c en d – algemene uitvoeringsregel – peilscheidende dammen
Peilscheidende dammen zijn dammen zonder duiker (niet zijnde de dammen met duiker als bedoeld in de desbetreffende paragraaf) die dienst doen als peilscheiding. Er gelden minimale afmetingen voor peilscheidende dammen. De hoogte van een peilscheidende dam is gelijk aan aangrenzende percelen. Dit zorgt voor een degelijke scheiding en als de dam gebruikt wordt door onderhoudsmachines of beweid wordt, is de hoogte en daarmee de peilscheidende functie geborgd. De minimale breedte van een dam maakt het ook mogelijk de dam te gebruiken als onderhoudsdam en borgt dat de dam waterdicht zal zijn.
JJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.115, tweede lid, onder b – specifieke uitvoeringsregel – onder– en achterloopsheid
Lekkage onder en langs een peilscheiding moet worden voorkomen. Om die reden moeten de stalen, houten en betonnen peilscheidingen diep genoeg worden aangebracht en ver genoeg in het naastgelegen maaiveld doorlopen. Het waterschap kan voorschriften opnemen over de afmetingen van de constructie.
Artikel 3.115, tweede lid, onder c en d – specifieke uitvoeringsregel – peilscheidende dammen
Peilscheidende dammen zijn dammen zonder duiker (niet zijnde de dammen met duiker als bedoeld in de desbetreffende paragraaf) die dienst doen als peilscheiding. Er gelden minimale afmetingen voor peilscheidende dammen. De hoogte van een peilscheidende dam is gelijk aan aangrenzende percelen. Dit zorgt voor een degelijke scheiding en als de dam gebruikt wordt door onderhoudsmachines of beweid wordt, is de hoogte en daarmee de peilscheidende functie geborgd. De minimale breedte van een dam maakt het ook mogelijk de dam te gebruiken als onderhoudsdam en borgt dat de dam waterdicht zal zijn.
Artikel 3.115, tweede lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – kruinhoogte peilscheidingen van hout, beton of staal
Een peilscheiding van hout, staal of beton dient enkel tot begrenzing van een peilgebied. Om een robuust watersysteem te garanderen hanteert het waterschap een minimale kruinhoogte van de peilscheiding van 25 cm hoger dan het hoogste nabijgelegen waterpeil.
Artikel 3.115, tweede lid, onder g – algemenespecifieke uitvoeringsregel – baggerspecie verwijderen
Het waterschap legt de initiatiefnemer op dat bij de uitvoering van de aanleg van een peilscheidende dam, ter plaatse van de aan te leggen dam en aan weerszijden daarvan, de aanwezige bagger wordt verwijderd. Hiermee wordt een goede fundatie van de dam geborgd.
Artikel 3.115, tweede lid, onder h – algemenespecifieke uitvoeringsregel – compensatieplicht verloren waterbergingscapaciteit voor dammen breder dan 12 meter
Voor dammen breder dan 12 meter geldt een compensatieplicht voor het deel breder dan 12 meter vanwege verloren gegane waterbergingscapaciteit. Vanwege het risico op wateroverlast mag het waterbergend vermogen van het watersysteem niet achteruitgaan. Dit betekent dat er in het betreffende peilgebied een minstens even groot wateroppervlak moet worden gegraven. Dit mag gepaard gaan met de aanleg van een natuurvriendelijke oever. Voor het graven gelden de regels uit de paragraaf voor het graven van oppervlaktewater en vergroten van oppervlaktewaterlichamen. Voor het aanleggen van een natuurvriendelijke oever gelden de regels uit de paragraaf voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.
De benodigde locatie voor de compensatie van de verloren gegane waterbergingscapaciteit in het hetzelfde peilgebied is sterk gerelateerd aan de locatie van de benodigde bergingscapaciteit. Het compenseren van de verloren gegane waterbergingscapaciteit dient daarom zo dicht mogelijk plaats te vinden bij de locatie waar de bergingscapaciteit is afgenomen. De waterbergingscapaciteit ter plaatse blijft hiermee zo goed mogelijk in stand. Soms valt de compensatie niet binnen de vereiste 2,5 kilometer te realiseren of is het fysiek onmogelijk om binnen hetzelfde peilgebied te compenseren. In dergelijke gevallen kan het waterschap, mits goed onderbouwd door de initiatiefnemer, via een maatwerkvoorschrift van deze uitvoeringsregels afwijken, bijvoorbeeld door compensatie toe te staan in een benedenstrooms gelegen peilgebied binnen hetzelfde bemalingsgebied/stroomgebied.
Om te bepalen hoeveel waterberging moet worden gecompenseerd, zijn de oppervlakten op de waterlijn leidend. Voor het te compenseren oppervlaktewater geldt als uitgangspunt dat de taluds robuust worden aangelegd of in ieder geval niet steiler dan het bestaande talud (afhankelijk van het type oppervlaktewaterlichaam). Doorgaans wordt een robuust talud gerealiseerd door uit te gaan van een hoogte-breedteverhouding van 1:1,5. Echter, wanneer ter compensatie oppervlaktewateren worden aangelegd met flauwere taluds van 1:3 of nog flauwer, bijvoorbeeld ingeval van een natuurvriendelijke oever, dan kan de initiatiefnemer voor het te compenseren water, anders dan hiervoor aangegeven, uitgaan van een fictief waterpeil dat 25 centimeter hoger is dan de onder normale omstandigheden voorkomende waterstand. Het wateroppervlak dat bij die fictieve waterstand zou kunnen worden gemeten, mag dan worden opgevoerd als compenserende waterbergingscapaciteit.
Als het compenseren in de drie jaar voorafgaand aan de activiteit al aantoonbaar is gebeurd, kan de compensatieplicht vervallen. De termijn van drie jaar is gekozen vanwege wijzigingen die, onder meer door klimaatveranderingen en tussentijdse beheertechnische veranderingen, kunnen optreden in het watersysteem waardoor het opvoeren van compenserende maatregelen van voor die periode redelijkerwijs niet meer doelmatig is.
Artikel 3.115, tweede lid, onder i – algemenespecifieke uitvoeringsregel – informatieplicht bij herhaaldelijk aanbrengen peilscheiding
Deze regel voorziet in een informatieplicht voor de initiatiefnemer, die geheel los staat van de meldingsplicht. De informatieplicht houdt in dat het waterschap dient te worden geïnformeerd over de locatie en de periode waarin de peilscheiding in stand wordt gehouden. Het waterschap is tijdens kantooruren telefonisch te bereiken via 050-304 8911. Wanneer de initiatiefnemer in de toekomst opnieuw op dezelfde locatie de tijdelijke peilscheiding wil aanleggen, zal hij wederom aan de informatieplicht moeten voldoen. Voor een wijziging van de locatie waar de peilscheiding wordt aangelegd, zal opnieuw aan de meldingsplicht moeten worden voldaan als die locatie nog niet eerder gemeld of in het verleden vergund is. Ingeval de instandhouding van de peilscheiding langer wordt beoogd dan een half jaar dient sowieso een vergunning aangevraagd te worden.
KKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.122, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – ligplaats innemen door vaartuigen
Vaartuigen mogen alleen een ligplaats innemen op daartoe aangewezen of ingerichte locaties. Dit zijn onder meer kademuren, loswallen, aanmeerpalen en steigers. Hiermee borgt het waterschap dat er geen schade kan ontstaan aan oevers en taluds, dat onderhoudswerkzaamheden van het waterschap niet worden belemmerd en/of er geen negatieve effecten optreden op het ecologisch watersysteem.
MMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.123, vijfde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I van een bergingsgebied
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort omdat het waterschap het bergingsgebied kan inzetten om water te bergen. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het evenemententerrein zo snel mogelijk in passende staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat het bergingsgebied wordt ontruimd zodat spullen, zoals tenten, niet kunnen wegspoelen en wegwaaien.
NNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over het aanleggen van (aanmeer)voorzieningen zoals steigers, meerpalen, verankerde vlonders, trailerhellingen, remmingswerken en fauna-uitstapplaatsen. De regels beogen hierbij met name de doorstroming en het beheer en onderhoud van het oppervlaktewater te waarborgen. De specifieke zorgplichten en algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels zijn in het leven geroepen om tevens hinder voor vaarverkeer te voorkomen en stabiliteit van oever en talud te garanderen. Ook zien de regels op het voorkomen van achteruitgang van de waterkwaliteit.
Voor secundaire en primaire wateren wordt een melding vereist. Het waterschap wil daarmee zicht houden op welke voorzieningen in en nabij deze wateren worden aangelegd om zo te kunnen borgen dat er geen ongewenste effecten optreden in het watersysteem. Voor tertiaire wateren zijn de risico’s op negatieve effecten op het watersysteem dusdanig minimaal dat vanwege deze reden de activiteit toestemmingsvrij uitgevoerd kan worden. Hiervoor gelden nog wel de zorgplichten en algemene uitvoeringsregels.
OOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.127, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van de in deze paragraaf bedoelde werken. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.127, eerste lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – doelmatige fauna–uitstapplaatsen
Fauna-uitstapplaatsen zijn als voorziening vereist in primaire oppervlaktewaterlichamen ingeval oeververdedigingswerken op zichzelf of in combinatie met andere oeververdedigingswerken 100 meter of langer zijn (zie de paragraaf over de regels voor het aanleggen van oeververdedigingswerken). Voor elke 100 meter oeververdedigingswerk moet een fauna-uitstapplaats worden gerealiseerd, waarvoor de regels uit deze paragraaf van toepassing zijn. Een fauna-uitstapplaats moet doelmatig zijn. Dat wil zeggen dat de voorziening ervoor moet zorgen dat daarmee kan worden voorkomen dat, door menselijk toedoen, te water geraakte dieren verdrinken. Door het aanleggen van een fauna-uitstapplaats wordt voldaan aan de zorgplicht opgenomen in artikel 1.11, van de Wet natuurbescherming. Voor het waterschap hebben fauna-uitstapplaatsen ook een belang bij verbetering van de waterkwaliteit. Uit onderzoek van Wanink en Gorter uit 2011 blijkt immers dat fauna-uitstapplaatsen een positief ecologisch effect hebben op de waarde van het ecologisch watersysteem (Zie: J.H. Wanink en G. Wolters, Visonderzoek bij twintig fauna uittreedplaatsen (FUP’s) in het Oranjekanaal, Rapport 2011-090, https://www.researchgate.net/publication/337823710_Visonderzoek_bij_twintig_fauna_uittreedplaatsen_FUP's_in_het_Oranjekanaal).
De volgende varianten zijn onder meer toegestaan:
Begroeide fauna-uitstapplaats:
Dit is een ‘mini’-natuurvriendelijke oever. Over een breedte van enkele meters wordt een flauw talud aangelegd (met een hoogte-breedteverhouding van minimaal 1:3) met daarachter beplanting van bomen en struiken. Te water geraakte dieren zullen naar de behulpzame begroeiing toe zwemmen. Als de aanplant van bomen en struiken niet mogelijk is, kan er ook gekozen worden voor riet of lisdodde. Hoe breder hoe beter, maar een breedte van 1 meter voldoet meestal.
Naar beneden duwen van bestaande oeververdedigingswerken:
Door de ontstane laagte kunnen dieren in- en uitstappen. Het oeververdedigingswerk moet onder de laagste waterstand worden geduwd (bij winterpeil of vast peil).
Aanleggen van een voorziening in de vorm van houten, stalen en/of betonnen constructies:
Dit kunnen bijvoorbeeld stalen u-vormige bakken zijn van tenminste 50 centimeter breed met stortsteen of beton gevuld die hellend zijn aangelegd tegen de bestaande constructie.
Bij voorkeur worden fauna-uitstapplaatsen op een doeltreffende en logische positie in het oeververdedigingswerk aangelegd. Rekening houdend met de plekken waar de grootste kans is dat dieren te water raken, bijvoorbeeld bij houtwallen of bosranden. Overleg hierover met de lokale wildbeheereenheden wordt aanbevolen. De wildbeheereenheden weten bijvoorbeeld waar wildwissels lopen.
Voorbeelden van een voorziening in de vorm van houten, stalen en/of betonnen constructies:
Voorbeelden van een voorziening in de vorm van houten, stalen en/of betonnen constructies:
QQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.128, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – beperkte inname van de watergang
In de regels voor primair en secundair water, waarvoor de meldingsplicht geldt, is geregeld dat een voorziening als bedoeld in deze paragraaf inclusief eventueel aan te meren vaartuig niet meer dan een derde van de waterbreedte van het oppervlaktewaterlichaam mag innemen. Deze beperking is nodig om de doorvaart te borgen, ook als een vergelijkbaar werk ter plaatse aan de overkant aanwezig is of op termijn wenselijk is. De waterbreedte wordt gemeten tussen de oorspronkelijke oeverlijnen (dus eventueel reeds aanwezige steigers, meerpalen, vlonders of remmingswerken niet meegerekend).
Artikel 3.128, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – voldoende afstand tot peilregulerende kunstwerken en voorzieningen
Om de functie van nabij gelegen kunstwerken te waarborgen, moet voldoende afstand worden gehouden tot deze kunstwerken. Teveel voorzieningen bij een peilregulerend kunstwerk, zoals een stuw of een inlaat, kan teveel stromingsweerstand opleveren. De bepaalde afstand borgt ook dat machinaal onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam of het kunstwerk niet wordt belemmerd. In bijzondere gevallen kan het waterschap met een maatwerkvoorschrift afwijken van deze afstandseis waardoor de voorziening op kleinere of grotere afstand dan 25 meter van het peilregulerend kunstwerk kan worden toegestaan.
RRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.132, aanhef en onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verplaatsen van vis
Een stremming mag niet leiden tot vissterfte. Ingeval een stremming een risico vormt voor vissen dient de initiatiefnemer de vis te verplaatsen, bijvoorbeeld als deze vanwege de stremming geen uitweg heeft of te lijden heeft onder een beperktere leefomgeving. Met ‘samenstelling’ wordt bedoeld de samenstelling van de in het oppervlaktewater aanwezige vispopulatie naar lengte, levensstadium en gewicht van de soort. Voor het verplaatsen van vis zijn de regels uit de paragraaf voor het uitzetten en verplaatsen van vis van toepassing.
Artikel 3.132, aanhef en onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de voorzieningen die worden gebruikt om een stremming te realiseren. Wanneer bepaalde gebruikte materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
SSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.135, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – beschikbaarheid pompvoorziening en opschorting in de periode van 1 oktober tot 1 april
In deze periode van grotere wateraan- en afvoer wil het waterschap borgen dat maatregelen getroffen kunnen worden ter voorkoming van wateroverlast. Wanneer de activiteit in deze periode wordt uitgevoerd dient de initiatiefnemer er rekening mee te houden dat een pompvoorziening op het werkterrein beschikbaar is en dat het waterschap te allen tijde de stremming kan opschorten als de (verwachte) weersomstandigheden daar aanleiding toe geven.
Artikel 3.135, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – in kennis stellen waterschap 48 uur voorafgaand aan activiteit
Met deze regel borgt het waterschap dat de peilbeheerder en/of vaarwegbeheerder van het waterschap zo nodig kunnen anticiperen op de activiteit. Deze zijn tijdens kantooruren telefonisch te bereiken via 050-304 8911.
Artikel 3.135, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – publieke bekendmaking stremming van vaarwegen tenminste vier weken voorafgaand aan de activiteit
Met publiekelijk kenbaar maken, wordt bedoeld dat bijvoorbeeld in regionale en/of landelijke bladen of online platforms/websites en zo nodig met (matrix)borden de stremming wordt aangekondigd. Dit dient tijdig te gebeuren zodat negatieve effecten van de activiteit voorkomen kunnen worden of tot een minimum kunnen worden beperkt. Met tijdig bedoelt het waterschap tenminste vier weken voorafgaand aan de activiteit.
TTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.139, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – onder– en achterloopsheid
Lekkage onder en langs een stuw moet worden voorkomen. Om die reden moeten stuwen diep genoeg worden aangebracht en ver genoeg in het naastgelegen maaiveld doorlopen. Het waterschap kan voorschriften opnemen over de afmetingen van de constructie.
Artikel 3.139, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – kruinhoogte van de stuw
Het waterschap vereist dat de stuw dusdanig wordt ontworpen dat de constructiehoogte van de stuw, daar waar het water alleen overheen stroomt bij extreme wateroverlast, minimaal 25 centimeter hoger is dan het winterpeil of vast peil aan de hoogwaterzijde van de stuw. Hierdoor blijft er bovenstrooms voldoende ruimte om water vast te houden en te bergen.
Artikel 3.139, vierde lid , onder f – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de constructies van stuwen. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.139, vierde lid, onder g – algemenespecifieke uitvoeringsregel – bodembeschermende voorziening aanbrengen
Ingeval de activiteit leidt tot mogelijke aantasting van het profiel van het oppervlaktewater dient als mitigerende maatregel een bodembeschermende voorziening (stortebed) te worden geplaatst. Voorbeelden van bodembeschermende voorzieningen zijn: een blokken- of bentonietmat en stortstenen (zoals basaltblokken).
UUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.143, aanhef en onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – instellen voorziening en/of kunstwerk om geleidelijk waterpeil te wijzigen
Indien het wijzigen van het waterpeil niet geleidelijk verloopt, kan dit leiden tot te hoge stroomsnelheden waardoor wateroverlast en uitspoeling van oever en talud kan ontstaan.
Artikel 3.143, aanhef en onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen uitlogende waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen uitlogende materialen worden toegepast in de voorzieningen en kunstwerken die mogelijk in het natte profiel zijn aangelegd, die gebruikt worden om deze activiteit uit te voeren. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit. Ingeval hout wordt toegepast, zal het gebruik van niet-verduurzaamd hout niet leiden tot waterbezwaarlijke uitloging. Dit is hout dat niet met potentieel milieubelastende stoffen is bewerkt om langer mee te gaan.
Artikel 3.143, aanhef en onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – tijdelijke herhaaldelijke peilwijziging van telkens gelijke omvang
Ingeval de beoogde wijziging van het waterpeil van andere omvang is dan de reeds gemelde of vergunde wijziging van het waterpeil, dan dient de initiatiefnemer een nieuwe melding te doen van de activiteit of een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen.
Artikel 3.143, aanhef en onder d en e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – informatieplicht bij tijdelijke waterpeilwijziging die herhaaldelijk plaatsvindt
Het waterschap wil op de hoogte zijn van elke feitelijke wijziging van het waterpeil en het terugbrengen van het waterpeil op het oorspronkelijke niveau. Het is dan mogelijk hierop te anticiperen en zo problemen te voorkomen. Deze regel voorziet in een informatieplicht voor de initiatiefnemer, die geheel los staat van de meldingsplicht. De informatieplicht houdt in dat elke feitelijke wijziging van het waterpeil en het terugbrengen daarvan op het oorspronkelijke niveau moet worden afgestemd met het waterschap. Het waterschap is tijdens kantooruren telefonisch te bereiken via 050-304 8911. De initiatiefnemer voldoet aan de informatieplicht als hij het waterschap informeert over de begintijd, de locatie en ingeval van het feitelijk wijzigen van het waterpeil de mate van wijziging en de periode waarin de wijziging van het waterpeil in stand wordt gehouden. Wanneer hij na de doorgegeven periode opnieuw op dezelfde locatie het waterpeil in dezelfde mate wil wijzigen, zal hij wederom aan de informatieplicht moeten voldoen. Voor een wijziging van de locatie waar de wijziging van het waterpeil plaatsvindt, zal opnieuw aan de meldingsplicht moeten worden voldaan als die locatie nog niet eerder gemeld of vergund is.
Artikel 3.143, aanhef en onder f – algemenespecifieke uitvoeringsregel – kruin– en overstorthoogte en –breedte van de stuw bij waterpeil verhogen
Deze regels geven de instellingen voor een stuw ingeval deze wordt gebruikt voor het verhogen van het waterpeil. Deze instellingen zorgen ervoor dat de stuw als een knijpende constructie functioneert. Het waterschap heeft ten behoeve van het vasthouden van water en om water te bergen (door veel neerslag) een voorkeur voor een stuw met een v-vormige overstort. De knijpconstructie moet zodanig worden aangelegd dat er nog een laag water van tenminste 25 cm in het peilgebied geborgen kan worden, ter voorkoming van wateroverlast in omliggende peilgebieden.
Artikel 3.143, aanhef en onder g – algemenespecifieke uitvoeringsregel – maatregelen ingeval van negatieve geohydrologische effecten
Ingeval uit de geohydrologische analyse of de beschouwing van de effecten van de activiteit op kwel, wegzijging of verzilting, volgt dat er negatieve effecten te verwachten zijn door de uitvoering van deze activiteit, dient de initiatiefnemer maatregelen te treffen om die te ondervangen. Hiervoor kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwelsloten die aangelegd worden om kwel af te vangen of een bufferzone. Voor het aanleggen van een kwelsloot gelden de regels uit de paragraaf over het aanleggen en vergroten van oppervlaktewaterlichamen.
VVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.146, vierde lid, onder b, 1º. – algemenespecifieke uitvoeringsregel – peilschaal bij onderbemalingsinstallatie
Het waterschap vereist dat de initiatiefnemer bij de onderbemalingsinstallatie een peilschaal plaatst zodat inzichtelijk is welk peil in het betreffende onder te bemalen gebied wordt gehanteerd. De peilschaal kan tegen een vergoeding bij het waterschap opgehaald worden en door het waterschap op de juiste hoogte worden opgehangen.
WWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.150, vierde lid , onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen waterbezwaarlijke materialen
Het waterschap wenst bij voorkeur dat er geen materialen worden toegepast in wegen die verhard worden aangelegd, die bij mogelijke uitloging of erosie, door afstroming in het oppervlaktewater, schadelijk kunnen zijn voor de waterkwaliteit. Wanneer bepaalde materialen mogelijk wel uitlogen, moet de initiatiefnemer op grond van de zorgplicht zich ervan vergewissen dat de uitloging niet leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit.
XXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat regels over het verwijderen van verschillende soorten werken uit beperkingengebieden van oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. Met werken worden ook voorzieningen bedoeld, zoals pompinstallaties en lozingsvoorzieningen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt. Aan de ene kant geldt een vergunningplicht voor het verwijderen van met name ondersteunende kunstwerken (zoals gemalen, stuwen, inlaten en peilscheidingen die langer dan een half jaar zijn gelegen in een beperkingengebied), maar ook andere werken die bij verwijdering negatieve impact kunnen hebben op het watersysteembeheer, zoals bruggen en dammen. Voor de peilscheidingen wordt een onderscheid gemaakt, omdat de peilscheidingen die slechts tijdelijk worden gebruikt voor een tijdelijke waterpeilwijziging (en vaak bij herhaling worden verwijderd) niet langer dan een half jaar gebruikt zullen worden en toestemmingsvrij verwijderd mogen worden.
Onder ondersteunende kunstwerken wordt verstaan, de kunstwerken die een ondersteunende functie hebben in het watersysteem. Voor dammen geldt, dat het verwijderen van dammen die door het waterschap gebruikt worden voor het beheer en onderhoud in principe niet is toegestaan. Dit worden ook wel de onderhoudsdammen (ofwel maaipaddam, schouwdam of waterschapsdam) genoemd. Dit zijn (grond)dammen met of zonder duiker, soms tevens functionerend als peilscheiding. Dankzij deze dammen heeft het waterschap een voor het onderhoud van de watergang doorgaande route langs het primaire oppervlaktewaterlichaam.
Deze paragraaf bevat regels over het verwijderen van verschillende soorten werken uit beperkingengebieden van oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. Met werken worden ook voorzieningen bedoeld, zoals pompinstallaties en lozingsvoorzieningen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt.
Aan de ene kant geldt een vergunningplicht voor het verwijderen van met name ondersteunende kunstwerken (zoals gemalen, stuwen, inlaten en peilscheidingen die langer dan een half jaar zijn gelegen in een beperkingengebied), maar ook andere werken die bij verwijdering negatieve impact kunnen hebben op het watersysteembeheer, zoals bruggen en dammen. Onder ondersteunende kunstwerken wordt verstaan, de kunstwerken die een ondersteunende functie hebben in het watersysteem.
Voor de peilscheidingen wordt een onderscheid gemaakt, omdat de peilscheidingen die slechts tijdelijk worden gebruikt voor een tijdelijke waterpeilwijziging (en vaak bij herhaling worden verwijderd) niet langer dan een half jaar gebruikt zullen worden en toestemmingsvrij verwijderd mogen worden. Voor de tijdelijke peilscheidingen geldt nog wel een informatieplicht omdat deze tijdelijke werken vaak herhaaldelijk op dezelfde locatie worden geplaatst en verwijderd (zie hierover ook de toelichting bij de regels in de paragraaf voor het aanleggen van peilscheidingen). Voor dammen geldt, dat het verwijderen van dammen die door het waterschap gebruikt worden voor het beheer en onderhoud in principe niet zal worden toegestaan. Dit worden ook wel de onderhoudsdammen (ofwel maaipaddam, schouwdam of waterschapsdam) genoemd. Dit zijn (grond)dammen met of zonder duiker, soms tevens functionerend als peilscheiding. Dankzij deze dammen heeft het waterschap een voor het onderhoud van de watergang doorgaande route langs het primaire oppervlaktewaterlichaam.
Aan de andere kant volstaat een meldingsplicht voor andere type werken, c.q. voorzieningen, die geen of slechts geringe rol hebben in het watersysteem en die verwijderd worden uit primaire wateren. De werken die hier bedoeld worden, zijn onder meer steigers en oeververdedigingswerken (niet zijnde oeververdedigingswerken die een voor het watersysteembeheer ondersteunende functie hebben). De meldingsplicht wordt vereist omdat het waterschap in sommige gevallen toezicht wil houden op de uitvoering van de activiteit om de doelstellingen van het waterbeheer te borgen, zoals het beheer en onderhoud en de aan- en afvoer van water. Het verwijderen van al deze werken uit secundaire, tertiaire wateren en bergingsgebieden heeft weinig invloed op het integrale beheer van het watersysteem. Daarom kan de activiteit die plaatsvindt in secundaire, tertiaire wateren en in bergingsgebieden toestemmingsvrij plaatsvinden, waarvoor enkel de zorgplichten en specifiek voor bergingsgebieden nog enkele algemene en specifieke uitvoeringsregels van toepassing zijn.
Het verwijderen van al deze werken uit tertiaire wateren en bergingsgebieden heeft weinig invloed op het integrale beheer van het watersysteem. Daarom kan de activiteit die plaatsvindt in tertiaire wateren en in bergingsgebieden toestemmingsvrij plaatsvinden, waarvoor enkel de zorgplichten en specifiek voor bergingsgebieden nog enkele algemene uitvoeringsregels van toepassing zijn. Dit geldt ook voor andere type werken, zoals kabels en leidingen (met uitzondering van drukleidingen), bouwwerken, kleine objecten, afrasteringen, hekwerken, schuttingen, voorzieningen voor het onttrekken van oppervlaktewater, lozingsvoorzieningen, voorzieningen voor het wijzigen van het waterpeil, onderbemalingsinstallaties en tijdelijke peilscheidingen, die slechts voor tijdelijke waterpeilwijzigingen zijn aangelegd. Voor de tijdelijke peilscheidingen geldt nog wel een informatieplicht omdat deze tijdelijke werken vaak herhaaldelijk op dezelfde locatie worden geplaatst en verwijderd (zie hierover ook de toelichting bij de regels in de paragraaf voor het aanleggen van peilscheidingen).
Als met het verwijderen van de werken het waterpeil wijzigt, dan kunnen de regels uit de paragraaf over het wijzigen van het waterpeil ook van toepassing zijn. Als een stremming van het oppervlaktewaterlichaam nodig is voor het verwijderen van een werk, gelden ook de regels opgenomen in de paragraaf over het stremmen van een oppervlaktewaterlichaam. Dit kan betekenen dat ten tijde van het verwijderen van het werk het oppervlaktewaterlichaam tijdelijk dient te worden omgeleid of dat er een tijdelijke pompinstallatie moet worden gebruikt om de doorstroming te borgen.
YYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.154, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geheel verwijderen
Met het geheel verwijderen van het werk wordt bedoeld dat ook de eventueel aanwezige fundering wordt verwijderd. Funderingspalen mogen tot tenminste anderhalve meter onder het maaiveld, dan wel de vaste bodem van de watergang, verwijderd worden, omdat beneden deze diepte er geen hinder van de restanten hoeft te worden verwacht.
AAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.154, derde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verwijderen van tijdelijke peilscheidingen
Tijdelijke peilscheidingen worden vaak aangelegd ten behoeve van een tijdelijke peilwijziging in het kader van weidevogelbeheer. Overeenkomstig de regels uit de paragrafen voor het aanleggen van tijdelijke peilscheidingen en het tijdelijk wijzigen van het waterpeil zullen deze werken vaak herhaaldelijk worden aangelegd, dus ook herhaaldelijk worden verwijderd. Hiervoor geldt voor de initiatiefnemer, naast de zorgplichten, enkel een informatieplicht. Het waterschap is dan op de hoogte van het feit dat er door verwijdering van de peilscheiding een peilfluctuatie kan plaatsvinden.
BBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.158, aanhef en onder c – specifiek aanvraagvereiste omgevingsvergunning – opgave wijziging van waterpeil bij verwijdering peilregulerende werken of peilscheidingen
De initiatiefnemer die een stuw (inclusief stuwende duikers), inlaat of gemaal (dit zijn peilregulerende werken) wil verwijderen, zal ter plaatse te maken krijgen met een wijziging van het waterpeil. Voor het wijzigen van het waterpeil dient toestemming te zijn verleend middels een vergunning of een peilbesluit. Het waterschap ontvangt daarom graag een opgave van de nieuwe waterpeilen die gaan heersen na verwijdering van deze werken.
CCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met deze paragraaf is beoogd de waterveiligheid te waarborgen door regels te stellen voor het aanleggen van afrastering (bijvoorbeeld om vee te keren), schuttingen of hekwerken (hierna: werken) op en nabij waterkeringen. Deze regels worden gesteld omdat deze werken het doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering kunnen belemmeren en het waterkerend vermogen van de waterkering kunnen aantasten.
Aangezien belemmering van het beheer en onderhoud en aantasting van het waterkerend vermogen met name aan de orde is op de waterkering geldt er een meldingsplicht voor het aanleggen van deze werken in de beperkingengebieden I van de primaire, regionale of overige waterkeringen. Voor de overige beperkingengebieden gelden enkel de zorgplichten en algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels.
Onder afrastering wordt verstaan: een eenvoudige constructie bestaande uit houten palen met draad of gaas ten behoeve van bijvoorbeeld het keren van vee. Onder een schutting wordt verstaan: een constructie bestaande uit overwegend dichte delen. Onder een hekwerk wordt verstaan: een constructie bestaande uit overwegend open delen.
Voor deze activiteit is van belang dat onderhoudspaden op en langs waterkeringen toegankelijk zijn voor inspectie en onderhoud. Middels de gestelde zorgplichten en algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels worden de risico’s voor de waterkering, vanwege de beperkte grondroering en geringe afmetingen van deze werken, tot een minimum beperkt. Ingeval de beoogde activiteit niet helemaal past binnen de gestelde regels uit deze paragraaf, kan het waterschap een maatwerkvoorschrift opleggen.
DDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.161, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.161, tweede lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengselDeDeze algemene uitvoeringsregelsspecifieke uitvoeringsregel bevattenbevat eisen met betrekking tot graszaad. Afhankelijk van de situatie kan in overleg met het waterschap worden bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen.
FFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.161, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – constructie werk bestand tegen golven en drijfvuil
Het waterschap stelt deze eis aan afrasteringen, schuttingen en hekwerken die worden aangelegd in het buitentalud van de primaire waterkering om te voorkomen dat door het achterblijven van vuil (en toename van gewicht) en door golven de werken kunnen gaan kantelen en mogelijk schade aan (de bekleding van) de waterkering kunnen aanrichten.
Artikel 3.161, vierde lid, onder b – specifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
GGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.161, vijfde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I regionale en overige waterkering
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
HHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.162, derde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – maximale diepte van de werken
Het waterschap stelt een maximale diepte vast om de grondroering die nodig is voor de aanleg van de werken te beperken en daarmee de stabiliteit van de waterkering niet onnodig in gevaar te brengen.
Artikel 3.162, derde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen verzwaarde voet aanbrengen in beperkingengebied I van een waterkering
Onder de bevestigingspalen mag geen verzwaarde voet worden aangebracht omdat dit extra grondroeringen meebrengt die beperkt dienen te worden.
Artikel 3.162, derde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid in beperkingengebied I van een waterkering
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
IIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met deze paragraaf is beoogd de waterveiligheid te waarborgen door regels te stellen voor het aanplanten van beplanting zoals bomen, struiken en heggen in, op en nabij waterkeringen. De waterveiligheid kan worden aangetast als gevolg van de aanwezigheid van bomen, voorbeelden hiervan zijn: het ontstaan van een ontgrondingskuil door het omwaaien van een boom; het ontstaan van holten en gangen door wortels, met name na het afsterven daarvan waardoor piping kan ontstaan; overdracht van windkracht op het grondlichaam waardoor de stabiliteit van de waterkering kan worden aangetast; (gravende) dieren die worden aangetrokken door bepaalde beplanting vanwege geboden beschutting of voedsel; het belemmeren van de ontwikkeling van goede grasbekleding door schaduwwerking of bladafval met het verlies van erosiebestendigheid tot gevolg; door wortelgroei c.q. bovengronds uitstekende wortels die de bekleding kan beschadigen. Tenslotte kan de aanwezigheid van beplanting het beheer en onderhoud van de waterkering belemmeren.
Gezien het voorgaande is het waterschap zeer terughoudend met het toestaan van beplanting op en nabij waterkeringen. Er geldt een (strenge) zorgplicht aangevuld met algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels in gebieden waar de invloed op het functioneren van de waterkering in algemene zin afwezig of klein is. Kortom, in de meeste gevallen is een vergunning vereist.
JJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.166, eerste lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.166, eerste lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengsel
De algemene uitvoeringsregels bevatten eisen met betrekking tot graszaad. Afhankelijk van de situatie kan in overleg met het waterschap worden bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen.
LLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.166, derde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
MMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.166, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I regionale en overige waterkering
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
NNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.167, derde lid, onder b – beoordelingsregel – meer geschikte locatie
Niet waterkerende objecten (NWO’s) in of nabij een waterkering zorgen in principe voor een afname van de sterkte en een toename van de kans van falen van de waterkering. Het waterschap wil daarom het liefst dat de activiteit niet in of nabij de waterkering wordt uitgevoerd vanwege de risico’s voor de waterveiligheid, maar ook omdat bepaalde beplanting een belemmering kan vormen bij eventuele dijkversterkingsopgaven. Om die reden beoordeelt het waterschap of er andere, meer geschikte locaties zijn om de activiteit uit te voeren.
Artikel 3.167, derde lid, onder c – beoordelingsregel – waterkerend vermogen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, zoals het type beplanting (hoogte, worteling etc.) en locatie (binnen- of buitendijks), het type, vorm en constructie van de waterkering, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. In de beoordeling van de aanvraag van een vergunning speelt de afstand van de beplanting tot het leggerprofiel tevens een rol waarbij in het bijzonder voor beplanting in beperkingengebied I wordt beoordeeld of er sprake is van voldoende overhoogte. Afhankelijk van aard, omvang en locatie, kan de activiteit er immers onder meer toe leiden dat de volgende faalmechanismen optreden:
er kan afschuiving optreden waardoor de waterkering instabiel kan worden (macrostabiliteit);
de bekleding van de waterkering kan worden aangetast of moet worden verwijderd waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt;
er kan een verminderde weerstand tegen piping of kwel ontstaan;
er kan een hoogtetekort ter plaatse van de kruin van de waterkering ontstaan waardoor overloop kan plaatsvinden.
Artikel 3.167, derde lid, onder d – beoordelingsregel – geen negatieve beoordeling toetsing veiligheid
Het waterschap moet borgen dat de waterveiligheid voor de korte en lange termijn gegarandeerd is en blijft. Waterkeringen moeten door het waterschap periodiek worden getoetst. Bij de beoordeling van aanvragen voor activiteiten in en nabij waterkeringen moet daarom rekening gehouden worden met de toetsingscriteria voor het toetsen van waterkeringen, waarvoor in principe geldt dat een negatieve beoordeling moet worden voorkomen. Voor regionale en overige waterkeringen worden daarvoor leidraden van het STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) gebruikt en voor de primaire keringen geldt een landelijk wettelijk beoordelingsinstrumentarium.
Artikel 3.167, derde lid, onder e – beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Omdat beplanting een risico kan vormen voor belemmering van beheer en onderhoud wordt dit aspect nadrukkelijk meegenomen in de beoordeling. Het waterschap wil voorkomen dat door deze activiteit er meerkosten ontstaan voor het onderhoud van de waterkering. Het aanplanten van beplanting kan ertoe leiden dat de toegang voor onderhoudsmachines (op termijn) belemmerd wordt. In sommige gevallen worden specifieke voorschriften opgelegd in de vergunning om het uit te voeren onderhoud mogelijk te maken.
Artikel 3.167, derde lid, onder f – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder ‘Artikel 3.166, derde lid -– algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I primaire waterkering’.
OOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.167, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
PPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.171, eerste lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
RRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.171, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.171, tweede lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengsel en weefseldoek
De algemene uitvoeringsregels bevatten eisen met betrekking tot graszaad en weefseldoek. Afhankelijk van de situatie kan in overleg met het waterschap worden bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen. De periode tussen 1 oktober en 1 april is gekozen omdat de grasmat dan niet voldoende tot ontwikkeling kan komen waardoor de waterkering onvoldoende erosiebestendig is.
Artikel 3.171, tweede lid, onder f – algemenespecifieke uitvoeringsregel – tot drie jaar na afronding activiteit het profiel van de waterkering herstellen
Anders dan bij andere activiteiten geldt bij het rooien van beplanting de eis dat niet tot één jaar, maar tot drie jaar na afronding van de activiteit, ingeval nazakkingen van de waterkering optreden vanwege het wegrotten van achtergebleven wortels, het profiel van de waterkering wordt hersteld. Dit omdat het rottingsproces van achtergebleven wortels pas na verloop van tijd tot eventuele nazakkingen leidt.
SSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.171, derde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
TTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.171, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I regionale en overige waterkering
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
UUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.174, derde lid, onder b – beoordelingsregel – waterkerend vermogen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, zoals het type beplanting (hoogte, worteling etc.) en locatie (binnen- of buitendijks), het type, vorm en constructie van de waterkering, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Afhankelijk van aard, omvang en locatie, kan de activiteit er onder meer toe leiden dat de volgende faalmechanismen optreden:
er kan afschuiving optreden waardoor de waterkering instabiel kan worden (macrostabiliteit);
de bekleding van de waterkering dient mogelijk te worden verwijderd waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt;
er kan mogelijk een verminderde weerstand tegen piping of kwel ontstaan;
er kan een hoogtetekort ter plaatse van de kruin van de waterkering ontstaan waardoor overloop kan plaatsvinden. In de vergunning kunnen nadere voorschriften verbonden worden aan de benodigde afmetingen van de ontgraving, bijvoorbeeld ingeval van beplanting van 5 meter of hoger, dat deze gerooid wordt inclusief stronken en wortels binnen een afstand van 2 meter rondom de stam en tot een diepte van 1 meter en ingeval van beplanting lager dan 5 meter, dat deze gerooid wordt inclusief stronken en wortels binnen een afstand van 1 meter rondom de stam en tot een diepte van 0,5 meter.
Artikel 3.174, derde lid, onder d – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder ‘Artikel 3.171, derde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel -– opschorten activiteit in beperkingengebied I primaire waterkering’.
VVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.178, eerste lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid in beperkingengebied I of II primaire waterkering of in beperkingengebied I of II regionale of overige waterkering
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
XXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.178, tweede lid , onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.178, tweede lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengsel en weefseldoek
De algemene uitvoeringsregels bevatten eisen met betrekking tot graszaad en weefseldoek. Afhankelijk van de situatie wordt in overleg met het waterschap bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen. De periode tussen 1 oktober en 1 april is gekozen omdat de grasmat dan niet voldoende tot ontwikkeling kan komen waardoor de waterkering onvoldoende erosiebestendig is.
YYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.178, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkeringen
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
ZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.178, vijfde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II regionale en overige waterkeringen
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
AAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.179, derde lid, onder b – beoordelingsregel – meer geschikte locatie
Niet waterkerende objecten (NWO’s) in of nabij een waterkering zorgen in principe voor een afname van de sterkte en een toename van de kans van falen van de waterkering. Het waterschap wil daarom het liefst dat de activiteit niet in of nabij de waterkering wordt uitgevoerd vanwege de risico’s voor de waterveiligheid, maar ook omdat bouwwerken een belemmering kunnen vormen bij eventuele dijkversterkingsopgaven. Om die reden beoordeelt het waterschap of er andere, meer geschikte locaties zijn om de activiteit uit te voeren.
Artikel 3.179, derde lid, onder c – beoordelingsregel – waterkerend vermogen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Afhankelijk van aard, omvang en locatie, kan de activiteit er onder meer toe leiden dat de volgende faalmechanismen kunnen optreden:
de stabiliteit van de waterkering kan verminderen als gevolg van grondverzet of het eigen gewicht van het bouwwerk;
de regenwaterafvoer van de waterkering kan worden belemmerd waardoor waterplassen op de waterkering kunnen leiden tot verweking, instabiliteit en aantasting van de erosiebestendigheid;
waterstromen kunnen zich langs de bebouwing concentreren waardoor uitspoeling ter plaatse de stabiliteit van de waterkering in het geding kan brengen en de erosiebestendigheid aan kan tasten;
als de bekleding van de waterkering moeten worden verwijderd wordt de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd;
een verminderde weerstand tegen piping of kwel kan ontstaan als wanden, vloeren, leidingen, funderingen en kelders in ‘zetting’ verschillen ten opzichte van de dijk en de ondergrond. Daarbij kunnen holle ruimtes ontstaan of watervoerende lagen worden kortgesloten. De ‘lekwegen’ die zo ontstaan, kunnen leiden tot piping;
een hoogtetekort kan ontstaan door ontgravingen ter plaatse van de kruin waardoor overloop kan plaatsvinden;
piping en instabiliteit van de waterkering kunnen optreden bij het funderen van bouwwerken, ook als deze niet in de waterkering maar er vlakbij worden aangelegd.
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.
Artikel 3.179, derde lid, onder d – beoordelingsregel – geen negatieve beoordeling toetsing veiligheid
Het waterschap moet borgen dat de waterveiligheid voor de korte en lange termijn gegarandeerd is en blijft. Waterkeringen moeten door het waterschap periodiek worden getoetst. Bij de beoordeling van aanvragen voor activiteiten in en nabij waterkeringen moet daarom rekening gehouden worden met de toetsingscriteria voor het toetsen van waterkeringen, waarvoor in principe geldt dat een negatieve beoordeling moet worden voorkomen. Voor regionale en overige waterkeringen worden daarvoor leidraden van het STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) gebruikt en voor de primaire keringen geldt een landelijk wettelijk beoordelingsinstrumentarium. Verder wordt uitgegaan van de ontwerprandvoorwaarden, waarbij voor kunstwerken, zoals bouwwerken, in of op primaire en regionale waterkeringen een ontwerphorizon geldt van 50 of 100 jaar, tenzij de initiatiefnemer aantoont dat het bouwwerk gedurende de levensduur buiten het voor het toetsen geldende beoordelingsprofiel zal staan. In veel gevallen geldt als tijdshorizon voor de onderbouw dat deze technisch constructief ten minste 100 jaar moet voldoen en volstaat voor het constructieve deel van de bovenbouw een tijdshorizon van 50 jaar. De onderbouw moet dus een eventuele verzwaring van de bovenbouw kunnen dragen. Indien geen sprake is van een bouwwerk in de waterkering maar van een bouwwerk op enige afstand ervan, kan het voldoende zijn om met een tijdsvenster van 50 jaar te rekenen, rekening houdend met het feit of een waterkering net versterkt is of zal worden.
Artikel 3.179, derde lid, onder e – beoordelingsregel – buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Een voorbeeld waarbij doorgaans geen sprake zal zijn van meerkosten die als buitenproportioneel worden beschouwd, is wanneer het waterschap bij het maaien van de waterkering in plaats van rechtdoor ergens omheen moet rijden. Dit kan immers leiden tot marginale toename van kosten voor het onderhoudsmaterieel. Een andere voorbeeld is dat overheadkosten voor het waterschap enigszins kunnen toenemen in verband met het periodiek toetsen van objecten die zijn aangelegd in de waterkering. Een voorbeeld van kosten die door het waterschap doorgaans wel als buitenproportioneel worden beschouwd, zijn de meerkosten die ontstaan doordat het maaien van gras op een waterkering niet meer met groot materieel kan worden uitgevoerd door de aanwezigheid van een werk of object, waardoor het waterschap het maaien gedeeltelijk handmatig zou moeten uitvoeren. Eventueel te verwachten meerkosten voor het waterschap kunnen ook door de initiatiefnemer ondervangen worden door beheersmaatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld het aanleggen van een verharding rondom een werk of object om handmatig maaien te voorkomen.
Artikel 3.179, derde lid, onder f – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder ‘Artikel 3.178, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkeringen’.
BBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.179, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – funderingspalen
Grondverdringende palen tasten de stabiliteit van het dijklichaam minder aan dan palen met een verzwaarde voet. Het heien van funderingspalen met verzwaarde voet leidt tot holle ruimtes rondom de palen. Trillingen door het heien kunnen leiden tot verzakking van een waterkering. Daarom worden funderingspalen bij voorkeur trillingsvrij aangebracht, bijvoorbeeld door de palen te boren.
Artikel 3.179, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – negatieve kleef en horizontale gronddruk
Negatieve kleef ontstaat als zakkende grond aan een fundering kleeft en de fundering hierdoor extra belast wordt. Als de extra belasting te hoog is, kan de fundering beschadigd worden. Horizontale gronddruk kan bijvoorbeeld ontstaan door het extra gewicht van een dijkversterking.
CCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.183, eerste lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – (peil)buizen zonder spuitlans
(Peil)buizen mogen in geboorde gaten of in sondeergaten worden geplaatst. Het gebruikmaken van een spuitlans is niet toegestaan omdat dit de bodem ongecontroleerd en onherstelbaar verstoort en kortsluiting kan ontstaan tussen verschillende watervoerende lagen.
Artikel 3.183, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – controle op opkomend water in beperkingengebied I, II, of III primaire waterkering of in beperkingengebied I of II regionale of overige waterkering
(Peil)buizen moeten circa een week na plaatsing worden gecontroleerd op opkomend water. Dit is van groot belang om verweking van de waterkering door lekkage door of langs de buis te voorkomen. Als er lekkage is, wordt het waterschap op de hoogte gebracht en worden beheersmaatregelen getroffen om het opkomende water een halt toe te roepen.
EEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.183, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – terugplaatsen en verdichten van grond
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.183, tweede lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – herstellen bekleding waterkering
Harde gesloten bekleding van de waterkering, zoals asfalt of beton, wordt bij voorkeur hersteld met hetzelfde materiaal. In sommige gevallen kan in overleg met het waterschap (snel)beton worden toegepast. Het is van belang dat gaten waterdicht worden hersteld zodat de waterkering erosiebestendig blijft en uitspoeling wordt voorkomen.
Artikel 3.183, tweede lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengselDeDeze algemene uitvoeringsregelsspecifieke uitvoeringsregel bevattenbevat eisen met betrekking tot graszaad. Afhankelijk van de situatie kan in overleg met het waterschap worden bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen.
FFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.183, derde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – ontstane gaten volledig vullen
Om te voorkomen dat er holle ruimtes in de waterkering achterblijven en om eventueel aanwezige waterremmende lagen te herstellen, worden ontstane gaten volledig gevuld met de uitkomende grond, bentoniet (zwelklei) of een vergelijkbaar middel.
GGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.183, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verwijderen peilbuizen
Objecten in de waterkering vormen een risico voor de waterveiligheid. Ongebruikte (peil)buizen in beperkingengebied I moeten daarom worden verwijderd. Onder omstandigheden geeft het waterschap er de voorkeur aan dat de (peil)buizen in de grond achter blijven of worden ingekort. Bijvoorbeeld als verwijdering zou leiden tot een zeer grote ontgraving en daardoor de waterveiligheid juist in gevaar zou komen. In zulke gevallen wordt een maatwerkvoorschrift opgelegd. Voor het verwijderen van (peil)buizen zijn de regels in de paragraaf over het verwijderen van werken met betrekking tot waterkeringen van toepassing.
HHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.183, zesde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
IIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.183, zevende lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I regionale en overige waterkering
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
JJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.184, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – markering en bescherming peilbuizen
Om de bekleding van de waterkering goed te laten herstellen en om beschadiging van de peilbuis tijdens onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering te voorkomen, stelt het waterschap dit voorschrift. Doorgaans wordt een gekleurde schutkoker toegepast die duidelijk boven het maaiveld uitsteekt. Peilbuizen kunnen ook worden gemarkeerd en beschermd met een straatpot.
Artikel 3.184, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
KKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.185, aanhef en onder a – specifiek meldingsvereiste – verwachte negatieve effecten op het waterkerend vermogen
Het waterschap vraagt aan de initiatiefnemer of hij bij deze activiteit een opgave wil doen van eventuele te verwachten effecten op het waterkerend vermogen van de waterkering. Afhankelijk van de periode, de aard en omvang van de activiteit en het te gebruiken materieel, kan het voorkomen dat een uitgebreide analyse onnodig is en dat een (korte) beschouwing voldoet.
LLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.188, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verdichten van grond
Bij het aanbrengen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.188, tweede lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – erosiebestendige bekleding
Hieronder verstaat het waterschap een goede grasmat of een harde bekleding zoals asfalt of bestrating.
Artikel 3.188, tweede lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel) – graszaadmengsel en weefseldoekDeDeze algemene uitvoeringsregelsspecifieke uitvoeringsregel bevattenbevat eisen met betrekking tot graszaad en weefseldoek. Afhankelijk van de situatie kan in overleg met het waterschap worden bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen. De periode tussen 1 oktober en 1 april is gekozen omdat de grasmat dan niet voldoende tot ontwikkeling kan komen waardoor de waterkering onvoldoende erosiebestendig is.
NNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.188, derde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkeringen
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
OOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.188, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II regionale en overige waterkering
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
PPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.191, derde lid, onder b – beoordelingsregel – meer geschikte locatie
Het waterschap wil het liefst dat de activiteit niet in of nabij de waterkering wordt uitgevoerd vanwege de risico’s voor de waterveiligheid. Om die reden beoordeelt het waterschap of er andere, meer geschikte locaties zijn om de activiteit uit te voeren.
Artikel 3.191, derde lid, onder c – beoordelingsregel – waterkerend vermogen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Het waterkerend vermogen van een waterkering kan, afhankelijk van aard, omvang en locatie, leiden onder het verzetten van grond, waardoor de volgende faalmechanismen kunnen optreden:
verzakkingen door grondverzet in de buurt van de waterkering;
beschadigde leidingen, door ontgraving of vanwege extra belasting door ophoging van de grond erboven;
verweken van de waterkering aan de teen of voet door laagte(n) tussen waterkering en ophoging van het maaiveld in de buurt van de waterkering, bijvoorbeeld doordat de regenwaterafvoer van de waterkering wordt belemmerd;
de bekleding van de waterkering kan worden aangetast waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt;
minder weerstand tegen piping of kwel bij omvangrijk grondverzet. Bij ontgravingen dieper dan 1,0 meter in of vlakbij een waterkering kan het nodig zijn dat met stabiliteitsberekeningen wordt aangetoond dat de ontgraving geen negatieve invloed heeft op de stabiliteit van de waterkering en de hoeveelheid kwel of de kans op piping niet stijgt;
vervormingen of extra zettingen van omliggende gronden vanwege ophogingen. In sommige gevallen, met name als de ondergrond minder draagkrachtige lagen bevat, kan het nodig zijn dat met berekeningen wordt aangetoond dat een ophoging niet tot dit probleem leidt;
een hoogtetekort ter plaatse van de kruin ontstaat waardoor overloop kan plaatsvinden. Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.
Artikel 3.191, derde lid, onder d – beoordelingsregel – geen negatieve beoordeling toetsing veiligheid
Het waterschap moet borgen dat de waterveiligheid voor de korte en lange termijn gegarandeerd is en blijft. Waterkeringen moeten door het waterschap periodiek worden getoetst. Bij de beoordeling van aanvragen voor activiteiten in en nabij waterkeringen moet daarom rekening gehouden worden met de toetsingscriteria voor het toetsen van waterkeringen, waarvoor in principe geldt dat een negatieve beoordeling moet worden voorkomen. Voor regionale en overige waterkeringen worden daarvoor leidraden van het STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) gebruikt en voor de primaire keringen geldt een landelijk wettelijk beoordelingsinstrumentarium.
Artikel 3.191, derde lid, onder f – beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Omdat het uitvoeren van grondverzet een risico kan vormen voor belemmering van beheer en onderhoud wordt dit aspect nadrukkelijk meegenomen in de beoordeling. Het waterschap wil voorkomen dat door deze activiteit er meerkosten ontstaan voor het onderhoud van de waterkering. In sommige gevallen worden specifieke voorschriften opgelegd in de vergunning om het uit te voeren onderhoud mogelijk te maken.
Artikel 3.191, derde lid, onder g – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder ‘Artikel 3.188, derde lid - algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkeringen’.
QQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.191, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
RRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.195, eerste en tweede lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – beschermen waterkering tegen uitspoeling
Als gevolg van de ingebruikname van een inlaat of een lozingsvoorziening die door een waterkering is aangelegd, kan de waterkering uitspoelen. De initiatiefnemer moet zich daarvan bewust zijn. Als de activiteit plaatsvindt in of nabij de primaire waterkering dient te allen tijde een bodem- of taludbeschermende maatregel getroffen te worden. Indien de activiteit in of nabij een regionale of overige waterkering plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een risicoafweging te maken. Wanneer sprake kan zijn van een risico op gronduitspoeling van de waterkering dient een bodem- of taludbeschermende maatregel getroffen te worden. Voorbeelden van beheersmaatregelen zijn: een steenbestorting, een blokkenmat of een taludgoot.
TTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.195, eerste en tweede lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – beschermen waterkering tegen uitspoeling
Als gevolg van de ingebruikname van een inlaat of een lozingsvoorziening die door een waterkering is aangelegd, kan de waterkering uitspoelen. De initiatiefnemer moet zich daarvan bewust zijn. Als de activiteit plaatsvindt in of nabij de primaire waterkering dient te allen tijde een bodem- of taludbeschermende maatregel getroffen te worden. Indien de activiteit in of nabij een regionale of overige waterkering plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een risicoafweging te maken. Wanneer sprake kan zijn van een risico op gronduitspoeling van de waterkering dient een bodem- of taludbeschermende maatregel getroffen te worden. Voorbeelden van beheersmaatregelen zijn: een steenbestorting, een blokkenmat of een taludgoot.
UUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.195, derde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – adequate techniek
Inlaten en lozingsvoorzieningen dienen middels een adequate techniek worden aangelegd. Voor de waterkeringkruisende leidingen van de inlaten en lozingsvoorzieningen geldt de NEN3650-serie of een andere geschikte techniek. De keuze voor een andere gelijkwaardige techniek moet uitgebreid door de initiatiefnemer onderbouwd worden. Met het toepassen van een adequate techniek wordt onder meer geborgd dat er geen lekkage langs de constructie kan optreden en dat het werk zodanig wordt aangelegd dat het niet kan vervormen of verzakken.
Artikel 3.195, derde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – constructie inlaat of lozingsvoorziening beschermen tegen schade door machinaal onderhoud
De onderhoudsplichtige van de waterkering zal de waterkering doorgaans machinaal onderhouden. Hierdoor zou schade kunnen ontstaan aan de constructie van de inlaat of de lozingsvoorziening waardoor tevens schade aan de waterkering kan optreden. De initiatiefnemer dient daarom de constructie te markeren, bijvoorbeeld met een markeringspaal of de constructie op een andere manier te beschermen.
Artikel 3.195, derde lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
VVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.195, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.195, vierde lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengsel en weefseldoek
De algemene uitvoeringsregels bevatten eisen met betrekking tot graszaad en weefseldoek. Afhankelijk van de situatie wordt in overleg met het waterschap bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen. De periode tussen 1 oktober en 1 april is gekozen omdat de grasmat dan niet voldoende tot ontwikkeling kan komen waardoor de waterkering onvoldoende erosiebestendig is.
WWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.195, zesde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I primaire waterkeringen
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
XXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.195, zevende lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I regionale en overige waterkeringen
Deze uitvoeringsregel geldt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
YYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.196, derde lid, onder b – beoordelingsregel – waterkerend vermogen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Afhankelijk van aard, omvang en locatie, kan de activiteit er onder meer toe leiden dat de volgende faalmechanismen optreden:
de stabiliteit van de waterkering wordt verminderd als gevolg van een ontgraving ten behoeve van de aanleg van de inlaat of de lozingsvoorziening;
de regenwaterafvoer van de waterkering wordt belemmerd;
ingeval van een ontgraving, de bekleding van de waterkering moeten worden verwijderd waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt;
er geen deugdelijke afsluiting van het kunstwerk is, waardoor de waterkering niet voldoet omdat deze niet-sluitend is.
gronduitspoeling kan ontstaan als er geen bodem- of taludbeschermende voorziening wordt geplaatst of wanneer dit niet op deugdelijke wijze wordt aangebracht. Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.
Artikel 3.196, derde lid, onder c – beoordelingsregel – geen negatieve beoordeling toetsing veiligheid
Het waterschap moet borgen dat de waterveiligheid voor de korte en lange termijn gegarandeerd is en blijft. Waterkeringen moeten door het waterschap periodiek worden getoetst. Bij de beoordeling van aanvragen voor activiteiten in en nabij waterkeringen moet daarom rekening gehouden worden met de toetsingscriteria voor het toetsen van waterkeringen, waarvoor in principe geldt dat een negatieve beoordeling moet worden voorkomen. Voor regionale en overige waterkeringen worden daarvoor leidraden van het STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) gebruikt en voor de primaire keringen geldt een landelijk wettelijk beoordelingsinstrumentarium. Verder wordt uitgegaan van de ontwerprandvoorwaarden, waarbij voor kunstwerken, zoals inlaten, in of op primaire en regionale waterkeringen een ontwerphorizon geldt van 50 of 100 jaar. In veel gevallen geldt als tijdshorizon voor de onderbouw dat deze technisch constructief ten minste 100 jaar moet voldoen en volstaat voor het constructieve deel van de bovenbouw een tijdshorizon van 50 jaar. De onderbouw moet dus een eventuele verzwaring van de bovenbouw kunnen dragen.
Artikel 3.196, derde lid, onder d – beoordelingsregel – deugdelijke keermiddelen
Het waterschap beoordeelt of in de inlaat of lozingsvoorziening een deugdelijk keermiddel wordt geplaatst. Een dubbel keermiddel is altijd noodzakelijk bij inlaten en lozingsvoorzieningen die door de primaire waterkering worden aangelegd. Een enkel keermiddel volstaat bij inlaten die door de regionale of overige waterkering worden aangelegd. Ingeval van lozingsvoorzieningen die door een regionale of overige waterkering worden aangelegd is een (enkel) keermiddel alleen noodzakelijk wanneer de lozingsvoorziening wordt aangelegd onder het maatgevende hoogwaterpeil (MHW-peil inclusief waakhoogte).
Artikel 3.196, derde lid, onder e – beoordelingsregel – geen lekkage langs de constructie
Het waterschap beoordeelt op basis van het ontwerp van de constructie dat er geen waterstromen langs de constructie kunnen optreden. Immers, dergelijke waterstromen kunnen leiden tot lekkage. Om lekkage te voorkomen kan het plaatsen van een kwelscherm noodzakelijk zijn. Hiermee moet de initiatiefnemer bij het ontwerp rekening houden.
Artikel 3.196, derde lid, onder f – beoordelingsregel – geen wateroverlast bij verhoogde oppervlaktewaterstanden
Het waterschap beoordeelt met name ten aanzien van de lozingsvoorziening de uitstroomhoogte ten opzichte van het maatgevend hoogwaterpeil. Het moet worden voorkomen dat bij een hoogwatersituatie water vanuit de boezem terugstroomt naar het lager gelegen peilgebied.
Artikel 3.196, derde lid, onder g – beoordelingsregel – buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Een voorbeeld waarbij doorgaans geen sprake zal zijn van meerkosten die als buitenproportioneel worden beschouwd, is wanneer het waterschap bij het maaien van de waterkering in plaats van rechtdoor ergens omheen moet rijden. Dit kan immers leiden tot marginale toename van kosten voor het onderhoudsmaterieel. Een andere voorbeeld is dat overheadkosten voor het waterschap enigszins kunnen toenemen in verband met het periodiek toetsen van objecten die zijn aangelegd in de waterkering. Een voorbeeld van kosten die door het waterschap doorgaans wel als buitenproportioneel worden beschouwd, zijn de meerkosten die ontstaan doordat het maaien van gras op een waterkering niet meer met groot materieel kan worden uitgevoerd door de aanwezigheid van een werk of object, waardoor het waterschap het maaien gedeeltelijk handmatig zou moeten uitvoeren. Eventueel te verwachten meerkosten voor het waterschap kunnen ook door de initiatiefnemer ondervangen worden door beheersmaatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld het aanleggen van een verharding rondom een werk of object om handmatig maaien te voorkomen.
Artikel 3.196, derde lid, onder h – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder ‘Artikel 3.195, zesde lid - algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I primaire waterkeringen’.
ZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.196, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – plaatsen van tweede afsluiter
De aanwezigheid van een waterdoorlatend kunstwerk in een waterkering is in eerste instantie altijd ten behoeve van een andere functie dan water keren. De primaire functie van een inlaat of lozingsvoorziening is om water de waterkering te laten passeren. Door deze primaire functie dient het kunstwerk een opening te bieden in de waterkering. Echter, in geval van een waterkering dient om hoogwater te kunnen keren de opening en daarmee het kunstwerk gesloten te kunnen worden. Hiertoe moeten, ingeval van primaire keringen, twee verschillende keermiddelen worden gebruikt, zoals een schuif en een terugslagklep of wakerdeur. In regionale waterkeringen volstaat meestal één klep of schuif die daarmee enkelkerend is. Een extra schuif of klep bij een inlaat of lozingsvoorzieningen is in een regionale kering in de meeste gevallen niet nodig. Een inlaat bijvoorbeeld zal immers vaak gesloten zijn in de periodes (herfst en winter) waarin hoog water op de boezem voorkomt.
AAAAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.200, eerste lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – leidingen aanleggen door middel van een adequate techniek
De enige uitvoeringsregel die in elk beperkingengebied geldt, houdt in dat leidingen, inclusief mantelbuizen, met toepassing van een adequate techniek worden aangelegd. Van een adequate techniek is sprake als aan de NEN3650-serie of aan een andere tenminste gelijkwaardige methodiektechniek wordt voldaan. De verplichting geldt alleen waar de betreffende norm dit voorschrijft. De keuze voor een andere tenminste gelijkwaardige methodiektechniek moet echter uitgebreid onderbouwd worden door de initiatiefnemer.
CCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.200, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – afpersen drukleiding
Deze algemenespecifieke uitvoeringsregel beoogt tijdig signaleren en herstellen van lekkage door montagefouten.
Artikel 3.200, tweede lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – geen gebruik maken van spuitlans
Het gebruikmaken van een spuitlans is niet toegestaan omdat dit de bodem ongecontroleerd en onherstelbaar verstoord waardoor er mogelijk kortsluiting kan ontstaan tussen verschillende watervoerende pakketten.
DDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.200, derde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
EEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.200, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – waterdichte afsluiting in beperkingengebied I van een waterkering
De waterdichte afsluiting is nodig omdat lekkage door een mantelbuis leidt tot ongewenste waterverbindingen tussen de gebieden aan weerszijden van de waterkering. Hiermee zou de primaire functie van de waterkering worden aangetast.
FFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.200, vijfde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.200, vijfde lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengsel en weefseldoekDeDeze algemene uitvoeringsregelsspecifieke uitvoeringsregel bevattenbevat eisen met betrekking tot graszaad en weefseldoek. Afhankelijk van de situatie wordt in overleg met het waterschap bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen. De periode tussen 1 oktober en 1 april is gekozen omdat de grasmat dan niet voldoende tot ontwikkeling kan komen waardoor de waterkering onvoldoende erosiebestendig is.
GGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.200, zevende lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkeringen
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
HHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.200, achtste lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II regionale en overige waterkeringen
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
IIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.203, derde lid, onder b – beoordelingsregel – meer geschikte locatie
Niet waterkerende objecten (NWO’s) in of nabij een waterkering zorgen in principe voor een afname van de sterkte en een toename van de kans van falen van de waterkering. Het waterschap wil daarom het liefst dat de activiteit niet in of nabij de waterkering wordt uitgevoerd vanwege de risico’s voor de waterveiligheid, maar ook omdat kabels en leidingen een belemmering kunnen vormen bij eventuele dijkversterkingsopgaven. Om die reden beoordeelt het waterschap of er andere, meer geschikte locaties zijn om de activiteit uit te voeren.
Artikel 3.203, derde lid, onder c – beoordelingsregel – waterkerend vermogen bij open ontgravingen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Afhankelijk van aard, omvang en locatie, kan de activiteit, waarbij het aanleggen van kabels en leidingen een open ontgraving wordt toegepast, er onder meer toe leiden dat de volgende faalmechanismen kunnen optreden:
de stabiliteit van de waterkering wordt verminderd als het werk niet middels een adequate techniek wordt uitgevoerd;
ingeval van een ontgraving, de bekleding van de waterkering moeten worden verwijderd waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt;
er lekkage door of langs de leidingen optreedt doordat er geen deugdelijke maatregelen, zoals een manchetafdichting of toepassing van een kwelscherm, worden getroffen om dit te ondervangen;
er verweking en/of gronduitspoeling van de waterkering kan ontstaan door het falen van een drukleiding. Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.
Artikel 3.203, derde lid, onder d – beoordelingsregel – geen negatieve beoordeling toetsing veiligheid
Het waterschap moet borgen dat de waterveiligheid voor de korte en lange termijn gegarandeerd is en blijft. Waterkeringen moeten door het waterschap periodiek worden getoetst. Bij de beoordeling van aanvragen voor activiteiten in en nabij waterkeringen moet daarom rekening gehouden worden met de toetsingscriteria voor het toetsen van waterkeringen, waarvoor in principe geldt dat een negatieve beoordeling moet worden voorkomen. Voor regionale en overige waterkeringen worden daarvoor leidraden van het STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) gebruikt en voor de primaire keringen geldt een landelijk wettelijk beoordelingsinstrumentarium. De initiatiefnemer moet aantonen dat het initiatief niet op termijn leidt tot aftoetsing van de waterkering. Hiervan is reeds sprake wanneer de initiatiefnemer voornemens is een adequate techniek toe te passen.
Artikel 3.203, derde lid, onder e – beoordelingsregel – buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Een voorbeeld waarbij doorgaans geen sprake zal zijn van meerkosten die als buitenproportioneel worden beschouwd, is wanneer het waterschap bij het maaien van de waterkering in plaats van rechtdoor ergens omheen moet rijden. Dit kan immers leiden tot marginale toename van kosten voor het onderhoudsmaterieel. Een andere voorbeeld is dat overheadkosten voor het waterschap enigszins kunnen toenemen in verband met het periodiek toetsen van objecten die zijn aangelegd in de waterkering. Een voorbeeld van kosten die door het waterschap doorgaans wel als buitenproportioneel worden beschouwd, zijn de meerkosten die ontstaan doordat het maaien van gras op een waterkering niet meer met groot materieel kan worden uitgevoerd door de aanwezigheid van een werk of object, waardoor het waterschap het maaien gedeeltelijk handmatig zou moeten uitvoeren. Eventueel te verwachten meerkosten voor het waterschap kunnen ook door de initiatiefnemer ondervangen worden door beheersmaatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld het aanleggen van een verharding rondom een werk of object om handmatig maaien te voorkomen. Voor kabels en leidingen geldt dat die niet aan het oppervlak worden aangelegd en daardoor geen belemmering zullen vormen voor het waterschap, maar dat geldt mogelijk wel voor de hulpwerken, zoals ontluchters en aanduidingsbordjes, die bovengronds aangelegd worden.
Artikel 3.203, derde lid, onder f – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder ‘Artikel 3.200, zevende lid - algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkeringen’.
JJJJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.207, eerste lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.207, eerste lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengselDeDeze algemene uitvoeringsregelsspecifieke uitvoeringsregel bevattenbevat eisen met betrekking tot graszaad. Afhankelijk van de situatie wordt in overleg met het waterschap bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen.
LLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.207, derde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I van primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
MMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.207, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I regionale en overige waterkeringen
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
NNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.208, derde lid, onder b – beoordelingsregel – meer geschikte locatie
Niet waterkerende objecten (NWO’s) in of nabij een waterkering zorgen in principe voor een afname van de sterkte en een toename van de kans van falen van de waterkering. Het waterschap wil daarom het liefst dat de activiteit niet in of nabij de waterkering wordt uitgevoerd vanwege de risico’s voor de waterveiligheid, maar ook omdat kleine objecten een belemmering kunnen vormen bij eventuele dijkversterkingsopgaven. Om die reden beoordeelt het waterschap of er andere, meer geschikte locaties zijn om de activiteit uit te voeren.
Artikel 3.208, derde lid, onder c – beoordelingsregel – waterkerend vermogen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Afhankelijk van aard, omvang en locatie, kan de activiteit er onder meer toe leiden dat de volgende faalmechanismen kunnen optreden:
de bekleding van de waterkering moeten worden verwijderd waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt;
een aangrijpingspunt voor golfaanval of -overloop ontstaat. Kleine objecten kunnen zich manifesteren als ‘aangrijpingspunt’, waardoor golven ter plaatse breken in plaats van uitdempen. Een golfaanval leidt daardoor eerder tot erosie van de waterkering. Bij golfoverloop en bij hevige neerslag kan een klein object, zoals een paaltje of een trap, ook leiden tot erosie. Langs het kleine object ontstaat dan een meer geconcentreerde stroming. Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.
Artikel 3.208, derde lid, onder d – beoordelingsregel – geen negatieve beoordeling toetsing veiligheid
Het waterschap moet borgen dat de waterveiligheid voor de korte en lange termijn gegarandeerd is en blijft. Waterkeringen moeten door het waterschap periodiek worden getoetst. Bij de beoordeling van aanvragen voor activiteiten in en nabij waterkeringen moet daarom rekening gehouden worden met de toetsingscriteria voor het toetsen van waterkeringen, waarvoor in principe geldt dat een negatieve beoordeling moet worden voorkomen. Voor regionale en overige waterkeringen worden daarvoor leidraden van het STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) gebruikt en voor de primaire keringen geldt een landelijk wettelijk beoordelingsinstrumentarium.
Artikel 3.208, derde lid, onder e – beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Een voorbeeld waarbij doorgaans geen sprake zal zijn van meerkosten die als buitenproportioneel worden beschouwd, is wanneer het waterschap bij het maaien van de waterkering in plaats van rechtdoor ergens omheen moet rijden. Dit kan immers leiden tot marginale toename van kosten voor het onderhoudsmaterieel. Een andere voorbeeld is dat overheadkosten voor het waterschap enigszins kunnen toenemen in verband met het periodiek toetsen van objecten die zijn aangelegd in de waterkering. Een voorbeeld van kosten die door het waterschap doorgaans wel als buitenproportioneel worden beschouwd, zijn de meerkosten die ontstaan doordat het maaien van gras op een waterkering niet meer met groot materieel kan worden uitgevoerd door de aanwezigheid van een werk of object, waardoor het waterschap het maaien gedeeltelijk handmatig zou moeten uitvoeren. Eventueel te verwachten meerkosten voor het waterschap kunnen ook door de initiatiefnemer ondervangen worden door beheersmaatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld het aanleggen van een verharding rondom een werk of object om handmatig maaien te voorkomen.
Artikel 3.208, derde lid, onder f – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder het kopje ‘Artikel 3.207, derde lid -– algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I van primaire waterkering’. Aangezien een klein object vaak binnen een dag wordt aangelegd, zal het in praktijk niet regelmatig voorkomen dat het relevant is dat tijdens de werkzaamheden het werkterrein in passende of stormbestendige staat moet worden gebracht.
OOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.208, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – klein object wordt voor zover nodig gefundeerd
Sommige objecten zijn zonder fundering niet stabiel, waardoor mogelijk holle ruimten in de ondergrond kunnen ontstaan.
Artikel 3.208, vierde lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
PPPPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.212, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – bepaalde werken worden voor zover nodig gefundeerd
Sommige van de in deze paragraaf bedoelde werken zijn zonder fundering niet stabiel, waardoor mogelijk holle ruimten in de ondergrond kunnen ontstaan.
Artikel 3.212, eerste lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – grondverdringende bevestigingspalen
Voor sommige van de in deze paragraaf bedoelde werken waarvoor bevestigingspalen worden gebruikt voor de constructie vereist het waterschap dat dit grondverdringende palen zijn. Die tasten de stabiliteit van het dijklichaam minder aan dan bijvoorbeeld palen met een verzwaarde voet. Verzwaarde paalvoeten leiden immers tot holle ruimtes rondom de palen.
Artikel 3.212, eerste lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
RRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.212, tweede lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.212, tweede lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengselDeDeze algemene uitvoeringsregelsspecifieke uitvoeringsregel bevattenbevat eisen met betrekking tot graszaad. Afhankelijk van de situatie kan in overleg met het waterschap worden bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen.
SSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.212, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
TTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.212, vijfde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II regionale en overige waterkeringen
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
UUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.215, derde lid, onder b – beoordelingsregel – meer geschikte locatie
Niet waterkerende objecten (NWO’s) in of nabij een waterkering zorgen in principe voor een afname van de sterkte en een toename van de kans van falen van de waterkering. Het waterschap wil daarom het liefst dat de activiteit niet in of nabij de waterkering wordt uitgevoerd vanwege de risico’s voor de waterveiligheid, maar ook omdat bepaalde voorzieningen een belemmering kunnen vormen bij eventuele dijkversterkingsopgaven. Om die reden beoordeelt het waterschap of er andere, meer geschikte locaties zijn om de activiteit uit te voeren.
Artikel 3.215, derde lid, onder c – beoordelingsregel – waterkerend vermogen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Afhankelijk van aard, omvang en locatie, kan de activiteit er onder meer toe leiden dat de volgende faalmechanismen kunnen optreden:
de stabiliteit van de waterkering wordt verminderd als gevolg van een ontgraving voor een trailerhelling of het aanbrengen van bevestigingspalen;
waterstromen zich langs bevestigingspalen kunnen concentreren waardoor ter plaatse de erosiebestendigheid afneemt;
de bekleding van de waterkering moet worden verwijderd waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt;
een verminderde weerstand tegen piping of kwel ontstaat door het aanbrengen van bevestigingspalen. Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht.
Artikel 3.215, derde lid, onder d – beoordelingsregel – geen negatieve beoordeling toetsing veiligheid
Het waterschap moet borgen dat de waterveiligheid voor de korte en lange termijn gegarandeerd is en blijft. Waterkeringen moeten door het waterschap periodiek worden getoetst. Bij de beoordeling van aanvragen voor activiteiten in en nabij waterkeringen moet daarom rekening gehouden worden met de toetsingscriteria voor het toetsen van waterkeringen, waarvoor in principe geldt dat een negatieve beoordeling moet worden voorkomen. Voor regionale en overige waterkeringen worden daarvoor leidraden van het STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) gebruikt en voor de primaire keringen geldt een landelijk wettelijk beoordelingsinstrumentarium.
Artikel 3.215, derde lid, onder e – beoordelingsregel – constructie moet bestand zijn tegen horizontale gronddruk
Sommige werken worden verankerd in de grond waardoor de constructie bestand moet zijn tegen horizontale gronddruk van de waterkering. Extra horizontale gronddruk kan bijvoorbeeld ontstaan door het extra gewicht van een toekomstige dijkversterking. Het waterschap beoordeelt, gelet op een eventuele toekomstige dijkversterking of, gezien het ontwerp van de constructie, de constructie voldoende bestand is tegen extra horizontale gronddruk. De initiatiefnemer moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat hij grondverdringende palen toepast in de constructie die voldoende robuust is uitgevoerd.
Artikel 3.215, derde lid, onder f – beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Een voorbeeld waarbij doorgaans geen sprake zal zijn van meerkosten die als buitenproportioneel worden beschouwd, is wanneer het waterschap bij het maaien van de waterkering in plaats van rechtdoor ergens omheen moet rijden. Dit kan immers leiden tot marginale toename van kosten voor het onderhoudsmaterieel. Een andere voorbeeld is dat overheadkosten voor het waterschap enigszins kunnen toenemen in verband met het periodiek toetsen van objecten die zijn aangelegd in de waterkering. Een voorbeeld van kosten die door het waterschap doorgaans wel als buitenproportioneel worden beschouwd, zijn de meerkosten die ontstaan doordat het maaien van gras op een waterkering niet meer met groot materieel kan worden uitgevoerd door de aanwezigheid van een werk of object, waardoor het waterschap het maaien gedeeltelijk handmatig zou moeten uitvoeren. Eventueel te verwachten meerkosten voor het waterschap kunnen ook door de initiatiefnemer ondervangen worden door beheersmaatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld het aanleggen van een verharding rondom een werk of object om handmatig maaien te voorkomen.
Artikel 3.215, derde lid, onder g – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder ‘Artikel 3.212, vierde lid -– algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkering’.
VVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze paragraaf is het recreatief gebruik van waterkeringen geregeld. Het waterschap staat open voor recreatie op en nabij waterkeringen zolang het functioneren, het beheer en onderhoud van de waterkering niet in het geding komt.
Voor recreatie zoals wandelen, fietsen en/of recreëren met dieren gelden de zorgplichten en algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels. Met ‘’dieren’’ wordt bedoeld: huisdieren, zoals honden, of bereden dieren, zoals paarden. Het verplaatsen van dieren, zoals vee, over de waterkering wordt met deze regels niet geborgd.
Voor georganiseerde recreatie (evenementen) zoals tochten, wedstrijden en festivals geldt een meldingsplicht omdat evenementen potentieel een hoger risico vormen voor aantasting van de waterkering. Denk aan evenementen waarvoor kramen, masten en hekken nodig zijn, maar ook aan de toestroom van bezoekers en voertuigen. In de algemenespecifieke uitvoeringsregels zijn duidelijke voorschriften opgenomen ter bescherming van de waterkering. Vanwege de meldingsplicht is het waterschap op de hoogte van het plaatsvinden van een evenement en kan het waar nodig toezicht houden en een maatwerkvoorschrift opleggen.
WWWWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.219, eerste lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – (rijwiel)voertuigen op de waterkering
Vervoermiddelen die zich over het land verplaatsen zijn buiten de verharde delen van de waterkering niet toegestaan omdat ze de bekleding van de waterkering kunnen beschadigen. Voor het gebruik van de verharde delen op de primaire waterkering geldt dat er vaak een (privaatrechtelijke) toestemming van het waterschap nodig is om de waterkering te betreden.
YYYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.219, tweede lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – recreëren met huisdieren op de primaire waterkering
In beperkingengebied I van primaire waterkeringen gelden specifieke regels voor het recreëren met huisdieren, zoals honden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen huisdieren, hulp- en werkhonden (zoals blindengeleide honden en politiehonden). Er is onderscheid gemaakt tussen het toestaan van huisdieren gedurende het gehele jaar op de locaties die het waterschap aanwijst en de huisdieren die enkel buiten het beweidingsseizoen (tussen 15 maart en 15 november) zijn toegestaan. Immers, als er beweiding plaatsvindt door middel van schapen in het kader van beheer en onderhoud van de waterkering, zijn huisdieren niet toegestaan op de waterkering vanwege het risico op verstoring van de kudde en daarmee belemmering van het onderhoud. Het waterschap stelt aanlijning verplicht om schade aan de waterkering te voorkomen, bijvoorbeeld doordat honden in de waterkering kunnen gaan graven. Deze regels zal het waterschap inzichtelijk maken door middel van bebording.
ZZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.219, derde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – recreëren met dieren op de regionale en overige waterkering
Voor de regionale en overige waterkeringen geldt dat het recreëren met dieren is toegestaan, voor zover bereden dieren enkel op verharde wegen en paden worden getolereerd. Voor huisdieren, hulp- en werkhonden geldt dat ze aangelijnd moeten worden en dat de waterkering niet wordt beweid door schapen in opdracht van het waterschap in het kader van het beheer en onderhoud van de waterkering. Het waterschap stelt aanlijning verplicht om schade aan de waterkering te voorkomen, bijvoorbeeld doordat honden in de waterkering kunnen gaan graven. Deze regels zal het waterschap op sommige locaties inzichtelijk maken door middel van bebording.
AAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.219, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – niet graven, zo min mogelijk voorwerpen en herstel van profiel en bekleding
Onder voorwerpen wordt onder meer verstaan: paaltjes, stokken, bebording en tentharingen. Het waterschap staat ontgravingen ten behoeve van recreatie niet toe. Ook het plaatsen van voorwerpen moet tot een minimum worden beperkt zodat de bekleding zo min mogelijk wordt aangetast. Mocht het profiel en de bekleding toch zijn aangetast, dat wil zeggen dat er schade is ontstaan aan de waterkering, dan dienen het profiel en de bekleding zoveel mogelijk hersteld te worden.
BBBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.220, vijfde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid bij evenementen
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
CCCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.220, zesde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het evenemententerrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen, zoals tenten, niet kunnen wegspoelen en wegwaaien.
DDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.220, zevende lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II regionale en overige waterkering
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
EEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.223, aanhef en onder a – borgen stabiliteit van de waterkering
De activiteit kan een negatieve invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering, bijvoorbeeld bij een forse toename van de bovenbelasting, veroorzaakt door materieel of materiaal (toepassen van grond). Bij gebruik van materieel dient rekening gehouden te worden met de aslast van het materieel. Dit om te voorkomen dat door een toename van de bovenbelasting schade aan de waterkering kan optreden en de stabiliteit van de waterkering in het geding kan komen. Ten tijde van hoogwater zijn de risico’s hierop groter en is daarom extra voorzichtigheid geboden.
Artikel 3.223, aanhef en onder b – specifieke zorgplicht – erosiebestendige bekleding
Met deze zorgplicht wordt niet bedoeld dat de bestaande bekleding in stand gehouden wordt. Dat is bij deze activiteit onmogelijk. Wel wordt hier bedoeld dat de initiatiefnemer ervoor zorgt dat een nieuwe waterkering of aan te passen waterkering een erosiebestendige bekleding krijgt en dat er in tijden van slecht weer maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat de grond en nog niet volgroeide of gezette bekleding van de waterkering niet uitspoelt (bijvoorbeeld door het toepassen van een weefseldoek). Ook dient de initiatiefnemer ervoor te zorgen dat tijdens het uitvoeren van werkzaamheden schade aan de bestaande bekleding zoveel mogelijk wordt voorkomen. Zo kunnen rijplaten worden toegepast als met materieel over de bekleding wordt gereden. Met name bij natte omstandigheden is de grasmat van waterkeringen extra kwetsbaar. Ook de slijtlaag van asfaltbekleding kan beschadigen, bijvoorbeeld als hier bij hoge temperaturen met materieel overheen gereden wordt.
Artikel 3.223, aanhef en onder d – specifieke zorgplicht – grondwaterspanning
Het aanleggen van een waterkering kan als gevolg van grondaanvullingen resulteren in een verandering van de grondwaterspanning direct onder dan wel nabij de werkzaamheden. Na verloop van tijd komt de waterspanning weer tot het oorspronkelijke niveau. De wisseling van grondwaterspanning heeft dan tijdelijk geleid tot negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering. Ingeval van een extreme toename van de grondwaterspanning kan de stabiliteit van de waterkering (tijdelijk) in het geding komen. Om dat te voorkomen kan het nodig zijn dat grondophoging of grondafgraving gefaseerd in lagen plaatsvindt, afhankelijk van het type ondergrond en de omvang van de activiteit. Daarnaast kan het nodig zijn om de stabiliteit van de waterkering tijdens de uitvoering te monitoren. Dit kan aan de hand van het gebruik van peilbuizen en/of waterspanningsmeters dan wel inzet van meetapparatuur waarmee eventuele vervorming van de waterkering wordt gesignaleerd. Hiertoe kan het waterschap een maatwerkvoorschrift opleggen of een specifiek vergunningvoorschrift over opnemen.
Artikel 3.223, aanhef en onder e – specifieke zorgplicht – geen onaanvaardbare vervorming of zetting omliggende gronden
In sommige gevallen, met name als de ondergrond minder draagkrachtige lagen bevat, kan het nodig zijn dat de initiatiefnemer ervoor zorgt dat er bijvoorbeeld bij een ophoging van het maaiveld of een bestaande waterkering, dit niet tot onaanvaardbare vervorming of zetting van omliggende gronden leidt. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat hiernaar onderzoek wordt gedaan voorafgaand aan de uitvoering van de activiteit. Dit onderzoek kan leiden tot een ander alternatief ontwerp van de waterkering of in voorkomende gevallen tot beheersmaatregelen die bij de uitvoering toegepast moeten worden om onaanvaardbare vervorming of zetting van omliggende gronden te voorkomen.
Artikel 3.223, aanhef en gh – specifieke zorgplicht – bereikbaarheid van beperkingengebieden
Zowel voor de aanleg van nieuwe waterkeringen of de aanpassing van bestaande keringen zal de initiatiefnemer moeten borgen dat de waterkering te allen tijde bereikbaar is voor de inspectie van de waterkering.
Artikel 3.223, aanhef en onder hi – specifieke zorgplicht – afwatering niet belemmeren
De initiatiefnemer moet ervoor zorgen dat bij het opbrengen van grond de afwatering niet wordt belemmerd. Dit betekent dat er te allen tijde rekening gehouden dient te worden met de afvoer van hemelwater van de waterkering naar bijvoorbeeld het oppervlaktewatersysteem. Het hemelwater kan bijvoorbeeld afgevoerd worden via ontwateringsgreppels.
FFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.224, derde lid, onder b – beoordelingsregel – waterkerend vermogen bestaande waterkeringen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van bestaande waterkeringen, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Het waterkerend vermogen van een bestaande waterkering kan, afhankelijk van aard, omvang en locatie, als gevolg van deze activiteit negatief worden beïnvloed. Met deze beoordelingsregel wordt getoetst of een bestaand tracé gedurende de geplande uitvoering van deze activiteit zijn waterkerend vermogen in voldoende mate behoudt. Hiertoe wordt onder meer beoordeeld:
de stabiliteit van de waterkering: bijvoorbeeld vanwege ontgravingen ter plaatse van de aansluiting van een nieuw waterkeringstracé op een bestaande waterkering of vanwege een te hoge verkeersbelasting door werkverkeer tijdens de uitvoering. Ingeval van ophoging van een bestaande waterkering kan verweking van de ondergrond van de waterkering plaatsvinden als de ontwatering van de grond van de waterkering niet goed geborgd is;
de erosiebestendigheid van de waterkering: vanwege de uitvoering kan het nodig zijn een deel van de bestaande bekleding te verwijderen waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt. Veelal dienen passende maatregelen te worden toegepast om voldoende bescherming te bieden tegen het eroderen van de waterkering;
een verminderde weerstand tegen piping of kwel (minder waterdichtheid) kan bijvoorbeeld ontstaan als grondmassa’s (tijdelijk) verplaatst worden en hiermee de kwelweglengte wordt verkleind. Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de bestaande waterkering niet in gevaar wordt gebracht.
Artikel 3.224, derde lid, onder c – beoordelingsregel – waterkerend vermogen nieuwe en gewijzigde waterkering
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van een nieuwe of te wijzigen waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Een nieuwe of gewijzigde waterkering moet gedurende de levensduur over voldoende waterkerend vermogen beschikken. Bij het toetsen van ontwerpen van nieuwe waterkeringen wordt vooruit gekeken. Daarom moet bij het ontwerp rekening worden gehouden met (in meer of mindere mate moeilijk te kwantificeren) onzekere aspecten als klimaatverandering, degradatie, veroudering en zettingen binnen de gekozen ontwerplevensduur. Het waterschap toetst deze aspecten op meerdere punten, zoals:
kruinhoogte: deze moet voldoen aan de normen opgenomen in de regelingen van rijk en provincie;
overdimensionering: in geval van een grondlichaam moet de aanleghoogte zodanig zijn dat het profiel gedurende de beoogde levensduur (na zettingen), dat is doorgaans 50 jaar, boven het leggerprofiel blijft. De inschatting van de zettingssnelheid kan worden bepaald met een zettingsberekening op basis van lokaal grondonderzoek. Mogelijk is de paragraaf met regels voor het uitvoeren van grondboringen ook van toepassing;
voldoende waterdicht: de toplaag, doorgaans bestaande uit een kleidek, dient voldoende dik te zijn;
robuuste taluds (voorkomen afschuiving): daarvoor zullen minimale profielafmetingen van de waterkering toegepast moeten worden;
weerstand belasting voertuigen van het waterschap: in verband met beheer en onderhoud is het van belang dat de waterkering geschikt is voor voertuigen van het waterschap. Bij het waterschap kan worden nagevraagd waar en met welke voertuigen de waterkering wordt onderhouden en geïnspecteerd;
voldoende bestand tegen bodembeweging: in grote delen van het beheergebied van het waterschap zijn grote risico’s op bodembeweging (aardbevingen en bovengemiddelde bodemdaling door gaswinning).
Artikel 3.224, derde lid, onder d – beoordelingsregel – waterkering geschikt voor voertuigen waterschap
Het waterschap zal beoordelen of een te wijzigen waterkering of nieuwe waterkering die door het waterschap onderhouden wordt, geschikt is voor voertuigen van het waterschap. Dit betekent dat het waterschap toetst of er voldoende ruimte is voor voertuigen en of de ruimte die beschikbaar is voldoende draagkracht heeft. Een kruinbreedte van tenminste 4 meter breed wordt als voldoende geschikt geacht.
Artikel 3.224, derde lid, onder e – beoordelingsregel – gewijzigde ligging beperkingengebieden
Het waterschap wijst in deze Waterschapsverordening de beperkingengebieden aan waar regels gelden om de waterkering te beschermen. Bij het aanleggen en wijzigen van waterkeringen kunnen beperkingengebieden ontstaan en veranderen. Bij de beoordeling van een aanvraag toetst het waterschap daarom vooraf of de activiteit geen problemen oplevert in relatie tot de ligging en begrenzing van huidige en toekomstige beperkingengebieden.
Artikel 3.224, derde lid, onder f – beoordelingsregel – buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Ontwerpkeuzes voor waterkeringen moeten zo gemaakt worden dat beheer en onderhoud van de waterkering zo kostenefficiënt mogelijk kunnen plaatsvinden. Bepaalde ontwerpkeuzes, bijvoorbeeld wanneer waterkerende kunstwerken of harde constructies als waterkering worden toegepast, kunnen namelijk leiden tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap.
Een waterkering moet zo zijn ontworpen dat tijdens de geplande levensduur geen ingrijpende of kostbare aanpassingen noodzakelijk zijn. Zo moeten keringen in de vorm van grondlichamen overgedimensioneerd zijn en moeten stalen damwanden als constructief onderdeel van waterkeringen in voldoende mate tegen corrosie bestand zijn.
De voorkeur gaat er naar uit om - waar dat mogelijk is - een groene waterkering te realiseren. Een groene waterkering (grondlichaam, grotendeels bekleed met gras) is namelijk het meest duurzaam en is tegen de laagst mogelijke kosten te beheren. Onder omstandigheden kan de keuze voor een ander type waterkering dan een groene leiden tot buitenproportionele meerkosten. Een groene waterkering wordt bij voorkeur zo ontworpen dat deze tenminste 50 jaar voldoet aan het minimaal benodigde profiel. Voor waterkerende kunstwerken en harde waterkerende constructies wordt bij voorkeur uitgegaan van een ontwerplevensduur van tenminste 100 jaar.
Als initiatieven, waarbij het waterschap vanuit zijn kerntaken geen belang heeft, leiden tot meerkosten voor het beheer en onderhoud van de waterkering, dan kunnen deze meerkosten als buitenproportioneel worden beoordeeld. Zo is het bijvoorbeeld niet zonder meer toegestaan om het tracé van een waterkering te verleggen voor een ander belang dan dat van het waterschap als dit leidt tot verlenging van de waterkering. Verlenging leidt namelijk tot een toename van de beheer- en onderhoudskosten voor het waterschap.
Artikel 3.224, derde lid, onder g – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in stormbestendige staat brengen is hieronder toegelicht onder ‘Artikel 3.224, zevende lid -– algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkering’.
GGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.224, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verdichten van grond
Bij het toepassen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot een proctordichtheid van minimaal 97%. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.224, vierde lid, onder e, 5º. – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaad en weefseldoekDeDeze algemene uitvoeringsregelsspecifieke uitvoeringsregel bevattenbevat eisen met betrekking tot graszaad en weefseldoek. Afhankelijk van de situatie wordt in overleg met het waterschap bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen. De periode tussen 1 oktober en 1 april is gekozen omdat de grasmat dan niet voldoende tot ontwikkeling kan komen waardoor de waterkering onvoldoende erosiebestendig is.
Artikel 3.224, vierde lid, onder f, g en h – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verwijderen van een vervangen waterkering, gereedmelding nieuwe waterkering en melding verwijdering vervangen waterkering
Het waterschap beoordeelt nieuwe waterkeringen voordat ze in gebruik en in beheer worden genomen. Daarom moet ruim voor het gereed zijn van het werk contact worden opgenomen met het waterschap. Een vervangen waterkering mag pas verwijderd worden als het waterschap groen licht heeft gegeven. Het waterschap controleert of de nieuw aangelegde waterkering voldoet aan het bij de aanvraag overgelegde ontwerp en/of is voldaan aan de in deze paragraaf opgenomen voorschriften. Het waterschap kan naar aanleiding van een opleveringscontrole aanwijzingen geven voor de ingebruikname.
HHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.224, zesde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in passende of stormbestendige staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
IIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.224, zevende lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
JJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.224, achtste lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II regionale en overige waterkering
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
KKKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze paragraaf zijn regels opgenomen voor het aanleggen van wegen en paden in, op en nabij waterkeringen. Het significant wijzigen (vergroten, verkleinen of andere type bekleding) van een weg of een pad valt hier ook onder. Onder paden of wegen wordt verstaan een voor het verkeer geschikt gemaakte strook grond. Hieronder vallen onverharde wegen, half verharde wegen en verharde wegen. Voorbeelden van wegen en paden zijn asfaltwegen, klinkerwegen en schelpenpaden die voor meerdere doeleinden gebruikt kunnen worden zoals wandelen, fietsen en gemotoriseerd verkeer. Dit zijn vaak wegen en paden die door wegbeheerders worden aangelegd.
Wegen en paden die bij primaire waterkeringen worden aangelegd, zullen vaak als onderhoudsweg of onderhoudspad door het waterschap worden gebruikt. Ook zullen in enkele gevallen die wegen en paden voor recreatieve doeleinden kunnen worden gebruikt. Dit laatste geldt ook voor de wegen en paden die bij regionale of overige waterkeringen worden aangelegd. Daarnaast zullen die wegen en paden veelal gebruikt worden voor ontsluitingsdoeleinden.
De keuze voor zorgplichten, algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels, meldingsplicht en vergunningplicht is gemaakt met het oog op de waterveiligheidsbelangen die ter plaatse gelden. Hoe zwaarder de belangen, hoe strenger het regime. Zo gelden de strengste regels in, op en vlakbij waterkeringen.
LLLLLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.228, eerste lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.228, eerste lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengsel
De algemene uitvoeringsregels bevatten eisen met betrekking tot graszaad. Afhankelijk van de situatie kan in overleg met het waterschap worden bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen.
NNNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.228, derde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen worden gedicht. Ook moet de waterkering, vanwege regenval en golven, worden beschermd tegen uitspoeling. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
OOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.228, vierde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II regionale en overige waterkering
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
PPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.231, derde lid, onder b – beoordelingsregel – meer geschikte locatie
Niet waterkerende objecten (NWO’s) in of nabij een waterkering zorgen in principe voor een afname van de sterkte en een toename van de kans van falen van de waterkering. Het waterschap wil daarom het liefst dat de activiteit niet in of nabij de waterkering wordt uitgevoerd vanwege de risico’s voor de waterveiligheid, maar ook omdat wegen en paden mogelijk een belemmering kunnen vormen bij eventuele dijkversterkingsopgaven. Om die reden beoordeelt het waterschap of er andere, meer geschikte locaties zijn om de activiteit uit te voeren, tenzij het wegen en paden zijn die door het waterschap gebruikt worden voor onderhoud en inspectie van de waterkering.
Artikel 3.231, derde lid, onder c – beoordelingsregel – waterkerend vermogen
Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Afhankelijk van aard, omvang en locatie, kan de activiteit er onder meer toe leiden dat de volgende faalmechanismen kunnen optreden:
afschuiving, zetting of een hoogtetekort ter plaatse van de kruin, bijvoorbeeld vanwege een te hoge verkeersbelasting. Hierdoor kan de waterkering instabiel worden (macrostabiliteit) of door water overspoelt worden (golfoverslag of overloop);
verweking van de waterkering als hemelwater niet goed kan worden afgevoerd (macrostabiliteit);
de bekleding van de waterkering (bijvoorbeeld de grasmat direct naast een verharding) kan worden beschadigd, waardoor erosie ontstaat;
tijdens de aanleg van de weg of het pad, de bekleding van de waterkering moeten worden verwijderd waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt;
een verminderde weerstand tegen kwel ontstaat (minder waterdichtheid), bijvoorbeeld als de fundering van de weg of het pad waterdoorlatend is. Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht. Effecten op de stabiliteit van waterkeringen worden beoordeeld voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase (inclusief verkeersbelasting en rekening houdend met eventuele verkeersdrempels en andere snelheid reducerende maatregelen). De beoordeling van de effecten op verminderde weerstand tegen kwel kan er toe leiden dat het waterschap een voorschrift opneemt waarin wordt gesteld dat langs een weg of pad op de kruin of op de buitenzijde van een niet met klei beklede waterkering, een kleikist wordt aangelegd. Een kleikist is een dikke kleilaag (minimaal 0,5 meter dik) die aan de hoogwaterzijde van het cunet van het pad of de weg wordt aangelegd om de waterkering waterdicht te maken. Bij het aanleggen van wegen en paden kan dit nodig zijn omdat voorkomen moet worden dat water door de fundering (zandbed) van de weg eenvoudig de binnenzijde van de waterkering kan bereiken waardoor kwel of verweking kan ontstaan.
Specifiek voor wegen en paden in beperkingengebied I wordt beoordeeld of de bekleding bestand is tegen golven. Dit geldt ook bij de overgang tussen de weg of het pad met de bekleding van de waterkering. Met betrekking tot kwel geldt dat bij (half)verharde wegen op waterkeringen de doorlatendheid van de kering toe kan nemen door het zakken van de relatief poreuze funderingsconstructie (veelal zand bij een open bestrating en puin bij een gesloten verharding).
Artikel 3.231, derde lid, onder d – beoordelingsregel – geen negatieve beoordeling toetsing veiligheid
Het waterschap moet borgen dat de waterveiligheid voor de korte en lange termijn gegarandeerd is en blijft. Waterkeringen moeten door het waterschap periodiek worden getoetst. Bij de beoordeling van aanvragen voor activiteiten in en nabij waterkeringen moet daarom rekening gehouden worden met de toetsingscriteria voor het toetsen van waterkeringen, waarvoor in principe geldt dat een negatieve beoordeling moet worden voorkomen. Voor regionale en overige waterkeringen worden daarvoor leidraden van het STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) gebruikt en voor de primaire keringen geldt een landelijk wettelijk beoordelingsinstrumentarium.
Artikel 3.231, derde lid, onder e – beoordelingsregel – weg of pad geschikt voor voertuigen van waterschap
In verband met beheer en onderhoud, waaronder inspectiewerkzaamheden, is het van belang dat wegen en paden geschikt zijn voor voertuigen van het waterschap. Bij het waterschap kan worden nagevraagd welke voertuigen ter plaatse worden gebruikt.
Artikel 3.231, derde lid, onder f – beoordelingsregel – beheersmaatregelen treffen ter voorkoming van overbelasting
Het waterschap toetst of de initiatiefnemer beheersmaatregelen treft ter voorkoming van overbelasting van de weg. Voorbeelden van beheersmaatregelen zijn het plaatsen van verkeersborden met de maximaal toelaatbare verkeersbelasting en het aanleggen van versmallingen.
Artikel 3.231, derde lid, onder g – beoordelingsregel – geen buitenproportionele meerkosten
De activiteit mag niet tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap leiden. Dit betekent in principe dat een activiteit niet leidt tot meerkosten voor het waterschap, maar dat enige meerkosten, die doorgaans niet substantieel van aard zijn, toegestaan kunnen worden. De beoordeling is maatwerk. Of er sprake is van buitenproportionele meerkosten hangt af van verschillende omstandigheden, zoals de omvang van het werk, de aard van het werk, de locatie van het werk en het op die locatie betreffende beheer en onderhoud dat plaatsvindt. Ontwerpkeuzes voor wegen en paden moeten zo gemaakt worden dat beheer en onderhoud van de waterkering voor nu en in de toekomst zo kostenefficiënt mogelijk kunnen plaatsvinden. Bepaalde ontwerpkeuzes kunnen namelijk leiden tot buitenproportionele meerkosten voor het waterschap.
Artikel 3.231, derde lid, onder h – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder ‘Artikel 3.228, derde lid -– algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkering’.
QQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.231, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid plaatsvindt in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een primaire waterkering of in beperkingengebied I of in beperkingengebied II van een regionale of overige waterkering
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
RRRRRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.235, eerste lid, onder a en b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verwijderen van het gehele werk en de funderingspalen
Werken moeten in zijn geheel verwijderd worden, dus inclusief de eventueel aanwezige funderingsconstructie. Funderingspalen moeten verwijderd worden tot 1,5 meter onder het maaiveld of het profiel van de waterkering omdat volledige verwijdering zou leiden tot te grote grondroeringen met mogelijke inwerkingtreding van diverse faalmechanismen als gevolg waarbij het functioneren van de waterkering wordt aangetast. Zo kan het trekken van funderingspalen leiden tot holle ruimtes die niet of moeilijk te herstellen zijn. Voor 1,5 meter is gekozen omdat op deze diepte geen hinder van de funderingsrestanten wordt verwacht en daarnaast de grondroering beperkt blijft.
TTTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.235, tweede lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – rapportage waterveiligheid
In de periode van 1 oktober tot 1 april is de kans op storm en verhoogde waterstanden het grootst. De activiteit kan in deze periode het functioneren van de waterkering en daarmee de waterveiligheid in gevaar brengen. Het waterschap wil dit risico doorlopend in de gaten houden en kan maatwerkvoorschriften opleggen. De rapportage bevat tenminste een bij de uitvoeringstermijn passende weersverwachting van een gerenommeerd weerinstituut zoals KNMI en de buitenwaterstandsverwachting van Rijkswaterstaat als de activiteit plaatsvindt in of nabij een primaire waterkering. Ook bevat de rapportage beheersmaatregelen. Bijvoorbeeld bij welke weersomstandigheden of waterstanden geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd en hoe en binnen welk tijdsbestek het werkterrein in stormbestendige of passende staat wordt gebracht. De rapportage dient schriftelijk aan het waterschap overgelegd te worden. Hiervoor volstaat een beknopt overzicht via het digitale berichtenverkeer (e-mail).
UUUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.235, derde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevatten waterkeringen soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen in de waterkering. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond van de waterkering. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met zand aan te vullen. In dat geval dient wel een deklaag van klei te worden toegepast. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie in de waterkering is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.235, derde lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – graszaadmengsel en weefseldoekDeDeze algemene uitvoeringsregelsspecifieke uitvoeringsregel bevattenbevat eisen met betrekking tot graszaad en weefseldoek. Afhankelijk van de situatie wordt in overleg met het waterschap bepaald welk product moet worden toegepast om, bij het ontbreken van een goede grasmat, de erosiebestendigheid te garanderen. De periode tussen 1 oktober en 1 april is gekozen omdat de grasmat dan niet voldoende tot ontwikkeling kan komen waardoor de waterkering onvoldoende erosiebestendig is.
VVVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.235, vijfde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkering
Onder de in deze uitvoeringsregel genoemde omstandigheden vereist het waterschap dat de activiteit direct wordt opgeschort. Dat kan betekenen dat de activiteit niet van start gaat maar ook dat de activiteit gestopt moet worden. In het tweede geval moet het werkterrein zo snel mogelijk in stormbestendige staat worden gebracht. Dit houdt onder meer in dat de waterkering wordt ontruimd zodat spullen niet kunnen wegspoelen en wegwaaien en ontgravingen aan de hoogwaterzijde van de waterkering worden gedicht. Ook moet de waterkering worden beschermd tegen regenval en golven. Dit kan bijvoorbeeld door het herstellen van de bekleding of door het plaatsen van big bags.
WWWWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.235, zesde lid – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II regionale en overige waterkering
Deze uitvoeringsregel verschilt van de hiervoor toegelichte uitvoeringsregel in die zin dat deze van toepassing is als het waterschap het opschorten van de activiteit aanzegt vanwege overvloedige regen of verhoogde waterstanden.
XXXXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.238, derde lid, onder b – beoordelingsregel – waterkerend vermogen
Het waterkerend vermogen van een waterkering kan lijden onder het verwijderen van werken. Het waterschap beoordeelt, mede aan de hand van door de initiatiefnemer ingediende gegevens, of het waterkerende vermogen van de waterkering, zowel tijdens als na het uitvoeren van de activiteit, niet in gevaar wordt gebracht. Afhankelijk van de locatie van werkzaamheden, de aard van de waterkering en de omvang van het werk kan de activiteit er plaatselijk onder meer toe leiden dat de volgende faalmechanismen optreden:
afschuiving optreedt waardoor de waterkering instabiel kan worden (macrostabiliteit);
de bekleding van de waterkering rondom het werk moet worden verwijderd waardoor de erosiebestendigheid tijdelijk verminderd wordt;
een verminderde weerstand tegen piping of kwel kan ontstaan wanneer funderingsconstructies (volledig) worden verwijderd.
Artikel 3.238, derde lid, onder dc – beoordelingsregel – in passende of stormbestendige staat brengen
Het waterschap bepaalt aan de hand van de door de initiatiefnemer ingediende gegevens of het werkterrein snel genoeg in passende of stormbestendige staat kan worden gebracht op het moment dat het nodig is. Hierbij worden de aard, omvang en locatie van de activiteit betrokken. Het in passende of stormbestendige staat brengen is hiervoor toegelicht onder ‘Artikel 3.235, vijfde lid -– algemenespecifieke uitvoeringsregel – opschorten activiteit in beperkingengebied I en II primaire waterkering’.
YYYYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf beoogt een doelmatige en duurzame benutting van het grondwater. De regels die zijn opgenomen, zijn gericht op enerzijds het inrichten van een put waarmee wordt bedoeld het aanleggen van een put in een grondwaterlichaam met een voorziening om het mogelijk te maken grondwater te onttrekken of te infiltreren. Die voorziening bestaat uit een pomp en leidingwerk. Anderzijds zijn de regels gericht op het toezien op de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater door eisen te stellen aan het onttrekken en infiltreren van grondwater. Initiatiefnemers beogen met deze activiteit onder meer: het drooghouden van bouwputten, het kunnen aanleggen van kabels, leidingen of riolering, het saneren van grondwaterverontreinigingen, het beregenen en bevloeien van landbouwpercelen en het onttrekken ten behoeve van veedrenking en menselijke consumptie.
Infiltratie vindt veelal plaats om overtollig water weg te pompen en om negatieve effecten van schommelingen in de grondwaterstand als gevolg van onttrekkingen te voorkomen. Deze vorm van infiltratie is een kunstmatige vorm. Natuurlijk infiltratie door middel van bijvoorbeeld WADI’s en infiltratieriolen vallen niet onder deze activiteit.
Conform de Richtlijn (EU) 2020/2184 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water van 16 december 2020 wordt met ‘menselijke consumptie’ het volgende bedoeld:
al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of andere huishoudelijke doeleinden, zowel in openbare als in particuliere gebouwen en terreinen, ongeacht de herkomst en of het water wordt geleverd via een distributienet, geleverd uit een tankschip, of in flessen of in verpakkingen wordt gedaan, met inbegrip van bronwater;
al het water dat in levensmiddelenbedrijven wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen.
Het onttrekken van grondwater dat soms gepaard gaat met infiltratie van grondwater heeft direct effect op de grondwaterstand. Een gewijzigde grondwaterstand kan de omgeving negatief beïnvloeden. Hoeveelheden en perioden van onttrekking en infiltratie zijn bepalend voor de vraag of alleen een specifieke zorgplicht en algemene regels van toepassing zijn, of dat er ook een meldingsplicht of vergunningplicht geldt. Voor vergunningplichtige activiteiten geldt dat het waterschap aanvullende voorschriften kan stellen op grond van artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Provincies zijn bevoegd gezag als het gaat om het onttrekken en infiltreren van grondwater waarbij ze instructieregels kunnen opstellen voor de waterschappen voor de kleinschaligere onttrekkingen en infiltraties. In het beheergebied van Noorderzijlvest heeft enkel de provincie Drenthe instructieregels opgesteld. De provincie Drenthe stelt ten minste een meldingsplicht vast voor alle onttrekkingen groter dan 10 m3 per uur of groter dan 5000 m3 per kwartaal die onder het bevoegd gezag vallen van het waterschap. Dergelijke onttrekkingen kunnen een verlaging van het grondwaterniveau veroorzaken. De registratie van deze onttrekkingen is van belang voor het waterschap, zowel voor het opzetten van beleid als voor vergunningverlening. De provincie heeft ook groot belang bij een betrouwbaar grondwaterregister waarin zowel de grote als de kleinere onttrekkingen in staan, voor provinciaal beleid, grondwaterheffingen en beoordeling en toetsing van aanvragen op basis van de Natuurbeschermingswet.
Onttrekkingen van minder dan 10 m3 per uur en onttrekkingen ten behoeve van brandblusvoorzieningen zijn vrijgesteld van de meldmeldings- en vergunningplicht. Immers de effecten van kleine onttrekkingen zijn verwaarloosbaar omdat het grondwater in voldoende mate aangevuld wordt door natuurlijke infiltratie van hemelwater. Wat betreft de brandblusvoorzieningen is het in praktijk niet uitvoerbaar om te meten en registreren vanwege het uitzonderlijke karakter van het gebruik van de voorziening. Dat wil zeggen, ingeval van calamiteiten. De zorgplichten, specifieke en algemene uitvoeringsregels zijn echter wel van toepassing.
De grens tussen de meldmeldings- en vergunningplicht is gesteld op 80 m3 per uur en onttrekkingen vanaf 10 m3 per uur waarbij de onttrekkingsactiviteit langer duurt dan een half jaar. Dus putten waaruit minder dan 183 dagen per jaar wordt onttrokken (zoals voor beregening, veedrenking of bevloeiing) en waaruit tussen de 10 en 80 m3 per uur of meer dan 5000 m3 per kwartaal onttrokken wordt, daarvoor is een melding vereist. Bij grotere onttrekkingen of onttrekkingen van langere duur is een vergunning nodig. Deze grenzen zijn gesteld op basis van een bestendige praktijk van het waterschap om goed toe te kunnen zien op doelmatige en duurzame benutting van het grondwater.
Bij onttrekkingen voor menselijke consumptie is de ondergrens voor de meldingsplicht lager dan voor andere soorten onttrekkingen of infiltraties. Het waterschap is enkel het bevoegd gezag voor grondwateronttrekkingen voor menselijke consumptie wanneer dit geen openbare drinkwatervoorziening is en als dit geen industriële onttrekkingen zijn van meer dan 150.000 m3 per jaar (zie artikel 16.3, van het Besluit activiteiten leefomgeving). Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij onttrekkingen uitgevoerd door campinghouders of houders van recreatieparken die drinkwater leveren aan derden.
ZZZZZZZZZZ
Na sectie 'Toelichting op artikel 3.241: Specifieke zorgplicht' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Artikel 3.242, onder c – specifieke uitvoeringsregel – meetplicht
Deze regel borgt dat ook voor onttrekkingen van onder de 10 m3/u, de hoeveelheid onttrokken grondwater per tijdseenheid bijgehouden wordt. Voor onttrekkingen onder de 10 m3/u hoeven de metingen niet doorgegeven te worden aan het waterschap. Het waterschap kan door het bijhouden van de grondwateronttrekkingen verplicht te stellen, indien nodig, controleren hoeveel grondwater onttrokken wordt zodat er niet ongecontroleerde hoeveelheden grondwater onttrokken worden.
AAAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.249, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregels – alternatieve lozingsroutes
Er zijn twee voorkeursroutes voor wasplaatshouders om zich te doen van hun afvalwater:
lozen op een vuilwaterriool: hiervoor stelt het waterschap geen regels.
lozen op de bodem; hiervoor stelt het waterschap geen regels. Ingeval deze alternatieven niet kunnen worden toegepast, mag de initiatiefnemer onder de voorwaarden die het waterschap in deze paragraaf stelt het afvalwater lozen op het oppervlaktewater.
Artikel 3.249, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregels – geen werktuigen en voertuigen die in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen
Op de wasplaats mogen geen werktuigen en voertuigen, zoals veldspuiten en mestverspreiders, worden gereinigd die (mogelijk) in aanraking zijn geweest met gewasbeschermingsmiddelen. Immers, het risico op verontreiniging van het oppervlaktewater neemt daarmee toe.
Artikel 3.249, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregels – emulgerende werking van was- en reinigingsmiddelen
Deze regel heeft als gevolg dat de initiatiefnemer bij het wassen geen emulgerende wasmiddelen mag gebruiken, tenzij ze biologisch afbreekbaar zijn. De emulgerende werking van bepaalde was- en reinigingsmiddelen zorgt er namelijk voor dat de olie uit de olieafscheider, waarin het afvalwater op een wasplaats wordt opgevangen, (mee)geloosd kan worden op het oppervlaktewaterlichaam. Hierdoor zal een achteruitgang van de waterkwaliteit optreden en kan dit leiden tot negatieve effecten voor de in het oppervlaktewaterlichaam aanwezige flora en fauna, waardoor de waarde van het ecologische watersysteem zal verminderen.
Artikel 3.249, onder f – algemenespecifieke uitvoeringsregels – afvalwater dat overige stoffen en/of preparaten bevat
Indien de initiatiefnemer kennis heeft of het vermoeden heeft dat het afvalwater ook andere stoffen en/of preparaten bevat die mogelijk waterbezwaarlijk zijn, dan volgt hij de volgende procedure:
hij schort de activiteit op of stelt de aanvang van de activiteit uit;
hij laat de stoffen en preparaten volgens de meeste recente Algemene Beoordelingssystematiek toetsen en overlegt de gegevens aan het waterschap;
afhankelijk van het type stoffen en/of preparaten gelden er algemene regels uit deze verordening, is het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing, dient de houder een aanvraag om een omgevingsvergunning in (vangnetvergunningplicht, op grond van artikel 3.7, van deze verordening) of volstaat een maatwerkvoorschrift in aanvulling of in afwijking van de in deze paragraaf opgenomen regels;
de stoffen en/of preparaten mogen pas worden (mee)geloosd nadat is gebleken dat er toestemming is voor het lozen van deze stoffen.
Artikel 3.249, onder g – algemenespecifieke uitvoeringsregels) – toegankelijke bemonsteringsvoorziening
Met deze uitvoeringsregel beoogt het waterschap dat de initiatiefnemer bij het lozingspunt een bemonsteringsvoorziening plaatst die te allen tijde in ieder geval voor het waterschap toegankelijk is. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen hekwerken geplaatst mogen worden, omdat het waterschap daarmee gehinderd zou worden in het bemonsteren van het afvalwater.
BBBBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat regels voor het lozen van koud en warm water uit een TEO-systeem. De regels hebben met name betrekking op het borgen van de ecologische waterkwaliteit. Voor de regels en onderstaande toelichting is gebruik gemaakt van het STOWA-rapport 2021-30: Kader voor vergunningverlening koudelozingen 1.0, Handreiking voor beoordeling van aanvragen voor TEO-systemen (https://www.stowa.nl/publicaties/kader-voor-vergunningverlening-koudelozingen-10-handreiking-voor-beoordeling-van).
Deze paragraaf bevat regels voor het lozen van koud en warm water uit een TEO-systeem. De regels hebben met name betrekking op het borgen van de ecologische waterkwaliteit. Voor de regels en onderstaande toelichting is gebruik gemaakt van het STOWA-rapport 2023-40: Handreiking voor beoordeling van ecologische effecten van TEO-systemen, versie 2 | STOWA.
De activiteit komt voornamelijk voor bij de winning van thermische energie uit het oppervlaktewater (TEO). Een TEO-systeem zorgt ervoor dat warmte wordt gewonnen uit oppervlaktewater, dat is onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam, maar naast warmte kan ten behoeve van de verkoeling van leefruimtes ook koelte gewonnen worden. Het residu wordt geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Dit is het door de warmteonttrekking overgebleven koudere water of de door koelteonttrekking overgebleven warmere water. De lozing van een koude- of warmtevracht kan leiden tot een thermische verontreiniging met mogelijk negatieve effecten op de waarde van het ecologisch watersysteem. Een koudelozing heeft immers een lokale verlaging van de watertemperatuur tot gevolg en een warmtelozing heeft een lokale verhoging van de watertemperatuur tot gevolgd. De temperatuurverlaging of temperatuurverhoging is het grootst op het lozingspunt. Met toenemende afstand tot het lozingspunt zal de invloed van de koude- of warmtelozing afnemen. Afhankelijk van het type oppervlaktewater, de mate van doorstroming, de temperatuur van de koude- of warmtelozing, de temperatuur van het ontvangende water en het lozingsdebiet kan de koude- of warmtelozing een negatief effect hebben op de waarde van het ecologisch watersysteem.
N.B. Voor de fysische chemie van het oppervlaktewater hebben koudwaterlozingen, mits het lozingswater niet is verontreinigd, positieve effecten. Door klimaatverandering stijgt de gemiddelde watertemperatuur. Een hoge watertemperatuur kan leiden tot een te hoge zuurgraad (pH) en een lage zuurstofconcentratie. Dit laatste is niet alleen slecht voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam, maar kan ook tot nalevering van fosfaat uit de waterbodem leiden en daarmee veel maatregelen om de fosforconcentratie in het water te verminderen teniet doen. Een koude lozing kan de opwarming van het water tegengaan en zal daarom normaal gesproken een positief effect hebben op de fysisch-chemische waterkwaliteit.
Aangezien er nog weinig bekend is over de effecten van koude- en warmtelozingen uit TEO-systemen op het oppervlaktewatersysteem, in het bijzonder ingeval van cumulatie van koudelozingenkoude- en warmtelozingen en overige lozingen die in de nabije omgeving mogelijk plaatsvinden, stelt het waterschap een vergunningplicht. Het waterschap beoordeelt op basis van een door de initiatiefnemer ingediend (ecologisch) onderzoeksrapport of een koude- of warmtelozing op de beoogde locatie kan worden toegestaan.
CCCCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.256, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – ondergrens verlaging temperatuur van het oppervlaktewater
Op basis van het door de initiatiefnemer uitgevoerde onderzoek wordt een ondergrens bepaald voor de temperatuur van het oppervlaktewaterlichaam om de activiteit te kunnen uitvoeren. Het waterschap beoordeelt of dit een acceptabele ondergrens is. De door het waterschap in de vergunning opgenomen ondergrens is leidend voor de uitvoering van de activiteit.
Artikel 3.256, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – bovengrens verhoging temperatuur van het oppervlaktewater
Op basis van het door de initiatiefnemer uitgevoerde onderzoek wordt een bovengrens bepaald voor de temperatuur van het oppervlaktewaterlichaam om de activiteit te kunnen uitvoeren. Het waterschap beoordeelt of dit een acceptabele bovengrens is. De door het waterschap in de vergunning opgenomen bovengrens is leidend voor de uitvoering van de activiteit.
Artikel 3.256, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – toegankelijke bemonsteringsvoorziening
Met deze uitvoeringsregel beoogt het waterschap dat de initiatiefnemer bij het lozingspunt een bemonsteringsvoorziening plaatst die te allen tijde in ieder geval voor het waterschap toegankelijk is. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen hekwerken geplaatst mogen worden, omdat het waterschap daarmee gehinderd zou worden in het bemonsteren van het afvalwater.
Artikel 3.256, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – afvalwater dat overige stoffen en/of preparaten bevat
Indien de initiatiefnemer kennis heeft of het vermoeden heeft dat het afvalwater ook andere stoffen en/of preparaten bevat die mogelijk waterbezwaarlijk zijn, dan volgt hij de volgende procedure:
hij schort de activiteit op of stelt de aanvang van de activiteit uit;
hij laat de stoffen en preparaten volgens de meeste recente Algemene Beoordelingssystematiek toetsen en overlegt de gegevens aan het waterschap;
afhankelijk van het type stoffen en/of preparaten gelden er algemene regels uit deze verordening, is het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing, dient de houder een aanvraag om een omgevingsvergunning in (vangnetvergunningplicht, op grond van artikel 3.7, van deze verordening) of volstaat een maatwerkvoorschrift in aanvulling of in afwijking van de in deze paragraaf opgenomen regels;
de stoffen en/of preparaten mogen pas worden (mee)geloosd nadat is gebleken dat er toestemming is voor het lozen van deze stoffen.
DDDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze paragraaf zijn het uitzetten en verplaatsen van vis in en naar oppervlaktewaterlichamen in beheer van het waterschap geregeld. Deze regels ontslaan de initiatiefnemer niet van de verplichting om voor de uitzet van vis schriftelijke toestemming te verkrijgen van de visrechthebbende in de zin van artikel 17 van de Visserijwet.
Onder vis verstaat het waterschap hetzelfde als de Visserijwet. Ook schaal- en schelpdieren en hun kuit, broed en zaad vallen hieronder. Onder het uitzetten van vis wordt verstaan: het uitzetten van één of meerdere vissoorten in een oppervlaktewaterlichaam. Visuitzet heeft als primair doel de minimale omvang van een soort te herstellen. Vis kan onder meer worden uitgezet als sprake is geweest van vissterfte of als blijkt dat een soort zich niet duurzaam in stand kan houden. Visuitzet is subsidiair mogelijk als daartoe een kennelijke behoefte bestaat vanuit de sport- of beroepsvisserij. Onder verplaatsing van vis wordt verstaan: het verplaatsen van één of meerdere soorten van het ene oppervlaktewaterlichaam naar het andere oppervlaktewaterlichaam. Verplaatsing van vis vindt enkel plaats vanuit het oogpunt van het welzijn van de vis en heeft als doel om acute of verwachte schade aan de waarde van het ecologische watersysteem te voorkomen. Verplaatsing van vis kan acuut noodzakelijk zijn ingeval van visflauwte of kan noodzakelijk zijn ingeval van beoogde ingrepen in het watersysteem om te borgen dat één of meerdere soorten daar geen hinder van ondervinden.
De in oppervlaktewaterlichamen aanwezige vissen zijn het natuurlijke resultaat van de waterkwaliteit en fysieke inrichting van het watersysteem. Het waterschap streeft, als visstandbeheerder, naar een watersysteem dat zo veel mogelijk op een natuurlijke manier functioneert met een bijbehorende, natuurlijke visstand. Een goede, gezonde en evenwichtige visstand zou zichzelf in stand moeten kunnen houden. Van initiatiefnemers wordt verwacht dat ze niet zomaar overgaan tot het uitzetten of verplaatsen van vis. Meldingen worden dan ook kritisch beoordeeld door het waterschap.
Uitzetting van vis is onder meer mogelijk in het geval van:
Vissterfte Vissterfte
Bij vissterfte wordt de uit te zetten vis zoveel mogelijk uitgezet in het oppervlaktewaterlichaam waar de gestorven vis is aangetroffen. Dit gebeurt pas als een eventueel aangetroffen oorzaak van de vissterfte is weggenomen. De hoeveelheid en samenstelling van de uit te zetten vis moeten zoveel mogelijk overeenkomen met het gestorven deel.
Een vissoort die zich niet duurzaam in stand kan houden Een vissoort die zich niet duurzaam in stand kan houden
De populatie van een vissoort past zich normaal gesproken voortdurend aan de fysieke omstandigheden van het watersysteem aan. Een populatie heeft daarbij een minimale omvang nodig om in stand te blijven. De minimale omvang van een vissoort kan met behulp van de literatuur en aan de hand van monitoringsgegevens worden vastgesteld. Soms blijkt uit onderzoek dat een vissoort zichzelf niet in stand kan houden. Er worden dan ecologische maatregelen op maat getroffen zoals het creëren van een passend leefgebied en het opheffen van vismigratiebarrières. Als deze maatregelen op zichzelf niet voldoende zijn, kan het uitzetten van vis een goede oplossing zijn.
Een inheemse vissoort die geherintroduceerd kan worden
Herintroductie is het uitzetten van dieren met als doel populaties van soorten die zijn verdwenen, te herstellen. Het uitzetten (introductie) van uitheemse soorten valt niet onder herintroducties. Er zijn verscheidene criteria waaraan een soort wil voldoen om voor herintroductie in aanmerking te komen. Hierbij zijn de richtlijnen die in 1998 zijn uitgegeven en in 2013 (2013-009) geactualiseerd door de International Union for Conservation of Nature (IUCN) een leidraad. In ieder geval moet de oorzaak van het verdwijnen bekend en in voldoende mate weggenomen zijn voordat een herintroductie zinvol kan zijn. Een belangrijke overweging is ook of er een kans is op spontane terugkeer van de soort. Als dat het geval is, zal meestal niet tot herintroductie besloten worden. De genetische samenstelling van de populatie moet zoveel mogelijk overeenkomen met de verdwenen populatie.
Kennelijke behoefte van de sport- en beroepsvisserij Kennelijke behoefte van de sport- en beroepsvisserij
Het uitzetten van vis in het belang van de sport- en beroepsvisserij is in uitzonderlijke gevallen mogelijk.
Verplaatsing van vis is onder meer mogelijk in het geval van wijzigingen in de inrichting van het watersysteem: als oppervlaktewaterlichamen bijvoorbeeld worden gedempt of omgelegd, kan het nodig zijn om vissen te verplaatsen. De regels in deze paragraaf gelden dan naast de regels in de paragrafen over het dempen of aanleggen van nieuwe oppervlaktewateren en vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen.
Voor deze activiteit geldt een meldingsplicht, voor zover het gaat om het uitzetten of verplaatsen van vis die niet lijdt aan visflauwte. Voor het uitvoeren van de activiteit gelden algemene uitvoeringsregels en specifieke uitvoeringsregels en specifieke zorgplichten. De specifieke zorgplichten beogen onder meer verslechtering en het afremmen van verbetering van de waterkwaliteit tegen te gaan.
EEEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.260, aanhef en onder a, b en c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verplaatsing van vis met visflauwte
Visflauwte ontstaat door een zuurstoftekort in het water, veroorzaakt door bijvoorbeeld mestlozingen, langdurige ijsbedekking en riooloverstorten. Als vissen in het beheergebied ogenschijnlijk lijden aan visflauwte, dan is er sprake van een calamiteit en geldt er geen meldingsplicht voor de verplaatsing naar een ander oppervlaktewaterlichaam. Vissen die de verplaatsing niet overleven, worden door de initiatiefnemer (de waterbeheerder, de visrechthebbende of degene die namens de visrechthebbende handelt of het visrecht huurt) verwijderd. Voor de initiatiefnemer gelden enkel de zorgplichten. Daarnaast moet hij het waterschap zo spoedig mogelijk op de hoogte brengen van de calamiteit en het waterschap zoveel als mogelijk informeren over: de locatie, het tijdstip van de verplaatsing, de betreffende soort(en), de hoeveelheid en samenstelling daarvan. Dit kan telefonisch. Het waterschap is 24/7 telefonisch te bereiken via 050-304 8911.
FFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.261, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – uitzet– of verplaatsingsplan
Het waterschap kijkt bij de beoordeling van het uitzet- of verplaatsingsplan, monitoringsplan en de gezondheidsverklaring naar de effecten op het behalen van de waterkwaliteitsdoelen die gesteld worden in de Kaderrichtlijn Water (KRW), algemene ecologische parameters en waterkwantiteitsbeleid. Een uitzet- of verplaatsingsplan is gebaseerd op een door of namens de initiatiefnemer uitgevoerd objectief en onafhankelijk onderzoek, waaruit blijkt dat de uitzet of verplaatsing geen negatieve gevolgen heeft voor met name de ecologische waarde van het watersysteem. Daarnaast bevat het uitzet- of verplaatsingsplan zoveel mogelijk informatie over de hoeveelheid, de herkomst van de uit te zetten of te verplaatsen vissoort(en) en de samenstelling van de vispopulatie. Het uitzet- of verplaatsingsplan dient voorafgaand aan de melding met het waterschap afgestemd te worden en door het waterschap goedgekeurd te worden. Het waterschap gaat in beginsel alleen akkoord met het uitzetten van inheemse of ingeburgerde vissoorten die voorkomen in het beheergebied van het waterschap (kolom 4). Inheemse vissoorten zijn vissoorten die van nature voorkomen (zie bijlage 4). Ingeburgerde vissoorten zijn soorten die zich al geruime tijd gevestigd hebben en niet schadelijk zijn voor de ecologische waarde van het watersysteem. Voor de uitzet van exoten en niet-ingeburgerde soorten kan het waterschap alleen akkoord geven op de uitzet wanneer er geen negatieve fysisch-chemische en ecologische gevolgen kunnen ontstaan. Voor het uitzetten van exoten moet daarnaast de provincie toestemming afgeven. De provincie is namelijk op grond van de Wet natuurbescherming verantwoordelijk voor het exotenbeheer. Bij uitzet ten behoeve van herintroductie van een verdwenen vissoort worden de IUCN (International Union for Conservation of Nature)-richtlijnen voor uitzet gehanteerd. Voor de uitzet van karper (Cyprinus carpio) vormen de landelijke richtlijnen voor karperuitzet een leidraad om het uitzetplan te beoordelen.
Artikel 3.261, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – monitoringsplan
Het monitoringsplan geeft aan op welke wijze de initiatiefnemer de uit te zetten of de te verplaatsen vis voor een bepaalde periode gaat monitoren, waarbij met name gekeken wordt naar de effecten op de ecologische toestand van het watersysteem. Het monitoringsplan dient ook voorafgaand aan de melding met het waterschap afgestemd te worden en door het waterschap te worden goedgekeurd.
Artikel 3.261, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – gezondheidsverklaring
Het waterschap vraagt om een gezondheidsverklaring van de uit te zetten vissen om te voorkomen dat ze als gevolg van de uitzet ziek worden en mogelijk andere vissen ziek maken. De gezondheidsverklaring is een verklaring van de initiatiefnemer waarin hij of zij verklaart dat de uit te zetten vis geen (besmettelijke) ziektes bij zich draagt.
Als de uitzet of verplaatsing van vis leidt tot negatieve effecten voor het watersysteem, kan het waterschap de initiatiefnemer opdragen het uitzet- of verplaatsingsplan bij te stellen of de uitzet of verplaatsing te stoppen. Kosten als gevolg van vissterfte als blijkt dat de vis bij uitzet reeds ongezond was, kunnen op de initiatiefnemer worden verhaald.
Artikel 3.261, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – duurzaam verkregen
De uit te zetten vis moet duurzaam verkregen zijn. Dit houdt in dat de vis afkomstig is van een duurzame viskwekerij overeenkomstig bedrijfsmiddelcode F2410 van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) of dat de soort is onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam waarbij geen afbreuk is gedaan aan de instandhouding van die soort in dat oppervlaktewaterlichaam.
Artikel 3.261, vierde lid, onder e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – informatieplicht bij herhaaldelijk uitzetten of verplaatsen
Deze regel voorziet in een informatieplicht voor de initiatiefnemer, die geheel los staat van de meldingsplicht. De informatieplicht houdt in dat, ingeval van herhaaldelijk uitzetten of verplaatsen van vis, elke feitelijke uitzetting of verplaatsing van vis, tenminste 48 uur van tevoren, moet worden afgestemd met het waterschap. Dit kan schriftelijk, per e-mail via info@noorderzijlvest.nl of telefonisch. Het waterschap is tijdens kantooruren telefonisch te bereiken via 050-304 8911. De initiatiefnemer voldoet aan de informatieplicht als hij de datum, het tijdstip en de locatie van de uitzetting of verplaatsing doorgeeft aan het waterschap. Wanneer de initiatiefnemer in afwijking van het uitzet- of verplaatsingsplan vis wil gaan uitzetten of verplaatsen, dient hij opnieuw goedkeuring te verkrijgen op het uitzet- of verplaatsplan en een melding te doen overeenkomstig de regels uit deze paragraaf.
GGGGGGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.265, eerste lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – tijdstip van uitvoering
De activiteit dient binnen 12 maanden, nadat de melding is ingediend of de vergunning is verleend, te worden uitgevoerd. Het is van belang dat de dag voor de uitvoering het droog is geweest en de dag van uitvoering tevens droog zal zijn. Dit in verband met de buffercapaciteit van het stelsel. De middag voorafgaand aan de activiteit vindt, met het oog op de weersverwachting, een go-no go moment plaats.
Artikel 3.265, eerste lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – buffercapaciteit
Dit is de tijd die nodig is waarbinnen het waterschap redelijkerwijs het onderhoud kan uitvoeren en calamiteiten kan oplossen.
IIIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.265, tweede lid en derde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – deugdelijke afsluiting
Hiervoor wordt verwezen naar de ‘Technische Voorwaarden voor het aanleggen en/of verleggen van persleidingen’ van het waterschap.
JJJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.265, tweede lid en derde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – deugdelijke afsluiting
Hiervoor wordt verwezen naar de ‘Technische Voorwaarden voor het aanleggen en/of verleggen van persleidingen’ van het waterschap.
Artikel 3.265, derde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – afpersen leiding
Deze algemenespecifieke uitvoeringsregel beoogt tijdig signaleren en herstellen van lekkage door montagefouten. Hiervoor kan het protocol testprocedure afpersing persleidingen gebruikt worden. Dit in verband met het toezicht dat het waterschap uitvoert op de werkzaamheden aan de persleiding.
Artikel 3.265, derde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – gronddekking
Leidingen dienen te allen tijde over voldoende gronddekking te beschikken. In dat geval is er een minimaal risico op schade aan de leiding door gebruik van de bovenliggende grond. Daarnaast beschermt een voldoende gronddekking de leiding tegen bevriezing.
KKKKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.266, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – overeenstemming over (de hoeveelheid en samenstelling van) het afvalwater
Dit is de afnameverplichting die voorafgaand aan de melding tot stand dient te komen en bij de melding overgelegd moet worden door de initiatiefnemer.
Artikel 3.266, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – aansluiting op rioolgemaal of rwzi heeft voorkeur boven persleiding
De initiatiefnemer dient eerst na te gaan of aansluiting op het dichtstbijzijnde rioolgemaal mogelijk is. Indien dit niet mogelijk is, zou het mogelijk zijn eventueel rechtstreeks op een rioolwaterzuiveringsinstallatie aan te sluiten (onder vrij verval). Alleen wanneer aangetoond kan worden dat het aansluiting op deze zuiveringtechnische werken redelijkerwijs onmogelijk zijn, zou een aansluiting op een persleiding toegestaan zijn. De reden voor deze voorkeur is dat het aansluiten op de persleiding hogere beheerkosten met zich kan brengen voor het waterschap en er grotere risico’s mee gemoeid zijn op ongewone voorvallen of calamiteiten.
Artikel 3.266, vierde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – hoeveelheid en samenstelling afvalwater voldoet aan de afspraken
De initiatiefnemer dient in de uitvoering zich te houden aan de afspraken die opgenomen zijn in de afnameverplichting.
LLLLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.272, vierde lid, onder a – algemenespecifieke uitvoeringsregel – lozingsvoorziening
Het waterschap schrijft voor dat de lozing, waarbij het afvalwater per as wordt aangevoerd, plaats moet vinden door middel van een pompvoorziening om de lozing op het zuiveringtechnisch werk mogelijk te maken.
Artikel 3.272, vierde lid, onder b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – dichtstbijzijnde rioolgemaal of rwzi
Aanvoer van afvalwater per as op een zuiveringtechnisch werk moet zo veel als mogelijk worden voorkomen. Een vaste verbinding/aansluiting vanuit het bedrijf waar het afvalwater vandaan komt op het openbaar riool(stelsel), heeft voor het waterschap de voorkeur. Ingeval aanvoer per as noodzakelijk blijkt te zijn, dan dient de lozing plaats te vinden op het dichtstbijzijnde zuiveringtechnisch werk waar lozingen per as toegestaan kunnen worden.
Artikel 3.272, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – verwijderen verstorende stoffen
Om te voorkomen dat lozing op het zuiveringtechnische werk niet mogelijk is door een teveel aan verstorende stoffen, zoals oliën en medicijnresten, wordt van de initiatiefnemer geëist dat hij maatregelen treft om zoveel mogelijk verstorende stoffen uit het te lozen afvalwater te verwijderen.
Artikel 3.272, vierde lid, onder d en e – algemenespecifieke uitvoeringsregel – aanzegging waterschap om activiteit op te schorten of te beperken
Het waterschap als beheerder van de zuiveringtechnische werken waarop geloosd wordt, moet te allen tijde in de gaten houden of de zuiveringsinstallatie niet wordt overbelast. Indien daarvan sprake kan zijn door onvoorzienbare calamiteiten, extreme neerslag of door groot onderhoud en verbouwingen op het zuiveringtechnische werk zelf, kan het waterschap de initiatiefnemer aanzeggen de lozing op te schorten of de toegestane hoeveelheid te lozen afvalwater te beperken.
MMMMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.276, vierde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – door ontgraving vrijgekomen grond terugplaatsen en verdichten
Bij het terugplaatsen van grond moeten de grondlagen worden verdicht om te voorkomen dat er holle ruimten ontstaan met uitspoeling of nazakkingen tot gevolg. De verdichting vindt laagsgewijs plaats tot minimaal dezelfde verdichtingsgraad als de omliggende (ongeroerde) grond. Zo wordt geborgd dat de verdichtingsgraad, als gevolg van de werkzaamheden, niet vermindert. De verdichtingsgraad kan worden gecontroleerd middels bijvoorbeeld een handsondering of een proctorproef. Het waterschap kan ter verificatie van de gerealiseerde verdichtingsgraad de initiatiefnemer verzoeken om de verdichtingsgraad aan te tonen, bijvoorbeeld nadat een substantiële ontgraving, ten behoeve van de activiteit, is aangevuld.
In de praktijk bevat de grond soms materiaal dat ongeschikt is om na ontgraving terug te plaatsen. Zo zijn stukken puin of ander bodemvreemd materiaal bijvoorbeeld niet geschikt om na ontgraving weer aan te brengen. In plaats daarvan dient dan grond te worden teruggeplaatst, die qua samenstelling vergelijkbaar is met de omliggende grond. Bij een groot tekort aan materiaal kan het worden toegestaan om ontgravingen desgewenst grotendeels met (schoon) zand aan te vullen. Materiaal dat bijvoorbeeld ten behoeve van een wegconstructie is aangebracht, mag na ontgraving worden teruggeplaatst als dat nodig is om de functie (van in dit geval een weg) te waarborgen.
Artikel 3.276, vierde lid, onder f – algemenespecifieke uitvoeringsregel – leidingen aanleggen door middel van een adequate techniek
De enige uitvoeringsregel die in elk beperkingengebied geldt, houdt in dat leidingen, inclusief mantelbuizen, met toepassing van een adequate techniek worden aangelegd. Van een adequate techniek is sprake als aan de NEN3650-serie of aan een tenminste gelijkwaardige methodiektechniek wordt voldaan. De verplichting geldt alleen waar de betreffende norm dit voorschrijft. De keuze voor een tenminste gelijkwaardige methodiektechniek moet echter uitgebreid onderbouwd worden door de initiatiefnemer.
NNNNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.276, vijfde lid, onder a en b – algemenespecifieke uitvoeringsregel – markering persleiding en zichtbaar maken bij machinale graaf– en heiwerkzaamheden
Voordat de werkzaamheden aanvangen, zal eerst moeten worden uitgezocht waar de persleiding ligt. Wanneer de feitelijke ligging is vastgesteld, dient de ligging gemarkeerd te worden met bijvoorbeeld piketpaaltjes. Indien de activiteit, afhankelijk van het beperkingengebied, binnen 5, 10 of 30 meter van de persleiding, wordt uitgevoerd met graaf- of heimaterieel, zal de persleiding ook zichtbaar gemaakt worden. Dit kan door eerst een proefsleuf te graven. Voor het lokaliseren en markeren van de persleiding kan het waterschap om ondersteuning gevraagd worden.
Artikel 3.276, vijfde lid, onder c – algemenespecifieke uitvoeringsregel – opslag van materiaal en materieel
Deze uitvoeringsregel voorkomt dat gedurende een lange periode er een grote gronddruk plaatsvindt op de grond waar de persleiding ligt. Dit kan immers leiden tot zetting en vervolgens schade aan de persleiding.
Artikel 3.276, vijfde lid, onder d – algemenespecifieke uitvoeringsregel – zettings- en sterkteberekening
De initiatiefnemer dient bij activiteiten die plaatsvinden boven of vlakbij de persleiding, waarbij een gesloten verharding wordt aangelegd, bijvoorbeeld een asfaltweg, of wanneer mechanisch voorwerpen in de grond worden in- en uitgedreven, een zettings- en/of sterkteberekening op te stellen en aan het waterschap te overleggen. Op basis van die berekening kan het waterschap nadere maatwerkvoorschriften opstellen.
Artikel 3.276, vijfde lid, onder m – algemenespecifieke uitvoeringsregel – aanleg oppervlaktewater
Ingeval de activiteit leidt tot mogelijke aantasting van het profiel van het oppervlaktewater dient als mitigerende maatregel een bodembeschermende voorziening (stortebed) te worden geplaatst. Voorbeelden van bodembeschermende voorzieningen zijn: een blokken- of bentonietmat en stortstenen (zoals basaltblokken). Hiermee wordt mogelijke schade aan de persleiding, doordat de bodem van het oppervlaktewater kan uitspoelen, voorkomen.
Artikel 3.276, vijfde lid, onder n – algemenespecifieke uitvoeringsregel – tijdelijke zware transporten
Ingeval van tijdelijke zware transporten over of vlakbij de persleiding zal als voorzorgsmaatregel een vrijdragende constructie geplaatst moeten worden. Dit kan in de vorm van een overkluizing. Rijplaten kunnen niet als alternatief gebruikt worden. Deze zijn niet voldoende toegerust om de gronddruk van zwaar materieel tegen te gaan.
OOOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.7 – Lozen van grondwater bij ontwatering
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die bijvoorbeeld na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren kunnen duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt. De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om het waterschap te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn is het raadzaam om contact op te nemen met het waterschap om na te gaan of er in een bepaald gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.
In dit artikel is een emissiegrenswaarde voor onopgeloste bestanddelenstoffen opgenomen. Het beperken van visuele verontreiniging valt onder de specifieke zorgplicht en is daarom niet uitgeschreven in dit artikel.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen specifieke eisen bevatte voor deze lozingen. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht, opgenomen in artikel 1.3 van deze bijlage 5.
PPPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.31 – Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem
Bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden, waarbij de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem in de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 2925d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit valt, is het gewenst dat het ontgraven of baggeren met een grotere zorgvuldigheid gebeurt dan wanneer de kwaliteit in een andere (minder schadelijke) kwaliteitsklasse valt. De kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’ komt overeen met een waterbodem die volgens het oude recht de interventiewaarden overschreed. In dat geval is het opstellen van een werkinstructie verplicht.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2024-15676.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.