Waterschapsblad van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard | Waterschapsblad 2023, 15319 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard | Waterschapsblad 2023, 15319 | ander besluit van algemene strekking |
Wijziging van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard naar aanleiding van de vaststelling van het Verzamelbesluit Omgevingswet 2022 en de vaststelling van de wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022
[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar:
De dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard;
Gelet op artikel 2.5 van de Omgevingswet en artikel 1.4, 2.2 en 3.1 van het Delegatiebesluit waterschapsverordening;
Overwegende dat de verenigde vergadering op 25 november 2020 de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft vastgesteld, gepubliceerd in het Waterschapsblad 2021, 13367;
Overwegende dat op 25 januari 2022 de Wijziginsverordening waterschapsverordening 2022 is vastgesteld, gepubliceerd in het Waterschapsblad 2023, 11902;
besluiten de volgende wijzigingen van de waterschapsverordening vast te stellen:
De Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 1.12 vervallen het tweede en derde lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.
Na artikel 1.12 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 1.12a (beoordelingsregel krw -oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam)
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:
wordt bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam; en
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat:
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;
de doelstellingen van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt;
Artikel 1.12b (Uitzonderingen beoordelingsregel krw -oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam)
Artikel 1.12a, tweede lid, onderdelen a tot en met c, zijn niet van toepassing:
voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van dat besluit; of
Artikel 3.6, derde lid, wordt als volgt gewijzigd: ’Dit artikel’ wordt vervangen door ‘Het tweede lid’.
Artikel 3.13, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 3.24 vervalt ‘te lozen’.
In artikel 3.28 vervallen aan het slot van de aanhef de dubbele punt alsmede onderdeel a en de aanduiding ‘b.’ voor onderdeel b.
In artikel 3.31, aanhef, wordt ‘artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit’ vervangen door ‘artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit’
In 3.34, eerste lid, onder b, wordt ‘artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit’ vervangen door ‘artikel 25d, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit’.
Artikel 3.40, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 4.2 wordt als volgt gewijzigd:
in het eerste lid wordt ‘een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van artikel 4.10 is vereist,’ vervangen door ‘het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 4.10 of voor het infiltreren van water als bedoeld in artikel 4.15’.
Artikel 6.42 wordt als volgt gewijzigd:
De titel van artikel 7.15 komt als te luiden:
‘Artikel 7.15 (omgevingsvergunningvrij: geval grondverzet)’
In artikel 9.6 wordt ‘de paragraaf’ vervangen door ‘deze paragraaf’.
In artikel 11.3, eerste lid, wordt ‘van de weg’ vervangen door ‘van een weg’.
In artikel 11.18 wordt ‘de paragraaf’ vervangen door ‘deze paragraaf’.
In artikel 11.27 wordt ‘de paragraaf’ vervangen door ‘deze paragraaf’.
Bijlage 1, onder B, bij artikel 1.1 van deze waterschapsverordening wordt als volgt gewijzigd:
NEN 6646: NEN 6646/C1:2015: Water – Fotometrische bepaling van het gehalte aan ammoniumstikstof en van de som van de gehalten aan ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens Kjeldahl, door mineralisatie met seleen, met behulp van een doorstroomanalysesysteem – Ontsluiting met zwavelzuur, seleen en kaliumsulfaat, versie 2015 + C1:2015;
Bijlage 2 van deze waterschapsverordening wordt vervangen door bijgevoegde bijlage 2.
Artikel 1.4, derde lid, komt als volgt te luiden: Bij de aanwijzing en geometrische begrenzing van het beperkingen gebied van een waterstaatswerk wordt het beperkingengebied van een windwatermolen buiten beschouwing gelaten.
In artikel 6.10, derde lid, wordt ‘de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging’ gewijzigd in ‘de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging a of de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging b’.
In artikel 6.47, tweede lid, wordt ‘de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging’ gewijzigd in ‘de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging a en in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging b.
In artikel 6.49, vierde lid, wordt ‘de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging’ gewijzigd in ‘de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging a en in de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging b’.
Rotterdam, 24 oktober 2023
Het college van dijkgraaf en hoogheemraden voornoemd,
secretaris,
voorzitter,
Met deze wijzigingsverordening wordt de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: waterschapsverordening) gewijzigd. De wijzigingen uit deze wijzigingsverordening komen voort uit de instructieregels uit artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en de artikelen 7.88 en 7.89 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (hierna: ZHOV) en uit wijzigingen in de bruidsschat waterschapsverordening. Wijzigingen in de bruidsschat waterschapsverordening zijn opgenomen in artikel V, onder C, van het Verzamelbesluit Omgevingswet 2022 (hierna: Verzamelbesluit). De overige wijzigen zien op tekstuele correcties.
In de artikelsgewijze toelichting hieronder is per onderdeel de toelichting opgenomen die daarbij gegeven is in het Verzamelbesluit of in de wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022 (hierna: wijziging ZHOV). Die toelichting is letterlijk overgenomen met uitzondering van de bepalingen waarnaar daarin wordt verwezen. Om met betrekking tot de waterschapsverordening de leesbaarheid van de toelichting hieronder te vergroten, zijn de bepalingen waarnaar wordt verwezen afgestemd op de artikelnummers uit deze waterschapsverordening.
Met het artikel 1.12 (oud) wordt voldaan aan de instructieregel die is opgenomen in artikel 6.2, leden 1 tot en met 4, van het Bkl. Met het Verzamelbesluit is aan artikel 6.2 Bkl een vijfde lid toegevoegd. Daarnaast zijn met de wijziging ZHOV in de ZHOV de artikelen 7.88 tot en met 7.90 opgenomen, die de instructieregels uit artikel 6.2 Bkl aanvullen met de instructieregels van de provincie Zuid-Holland. De wijziging van het Bkl en die van de ZHOV maken dat artikel 1.12 (oud) niet voldoet aan de instructieregels van het Rijk en de provincie.
Om de leesbaarheid van de beoordelingsregels te vergroten is voorgesteld artikel 1.12 (oud) opgesplitst in drie nieuwe artikelen: (1) artikel 1.12 (nieuw) waarin de algemene beoordelingsregel is opgenomen, (2) artikel 1.12a (nieuw) waarin de beoordelingsregels voor activiteiten met betrekking tot krw-oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen zijn opgenomen en (3) artikel 1.12b (nieuw) waarin de uitzonderingen op de beoordelingsregel uit artikel 1.12b (nieuw) zijn opgenomen.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en het tweede lid, onderdelen a tot en met d, zijn gebaseerd op de instructieregel van het Rijk uit artikel 6.2 van het Bkl. Het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdelen e en f, komen voort uit de artikelen 7.88, tweede lid, en 7.89 van de ZHOV, waarin de instructieregels van de provincie Zuid-Holland zijn opgenomen.
Op grond van artikel 7.89 ZHOV is voorgesteld in artikel 1.12a, eerste lid, onder b, een nieuwe regel op te nemen over het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
Daarnaast zijn op grond van artikel 7.88, tweede lid, onderdelen a en b, ZHOV in artikel 1.12a (nieuw), tweede lid, de onderdelen e (nieuw) en f (nieuw) voorgesteld. De onderdelen geven een nadere begrenzing van de mogelijkheden van het verlenen van een omgevingsvergunning in de gevallen dat het gaat om een activiteit met (mogelijk) gevolgen voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
De toelichting bij de artikelen 7.88 en 7.89 van de ZHOV zegt hierover:
Aanvullende beoordelingsregels en voorschriften wateractiviteit (artikel 7.88 en 7.89)
Vanwege het wegvallen van artikel 28 van de Wet bodembescherming is het belangrijk dat de beoordelingsregels voor wateractiviteit in een waterschapsverordening voldoende houvast bieden om een indirect effect van een grondwateronttrekking op een verontreinigingspluim mee te wegen in de vergunningverlening, juist voor die KRW-doelen die door een dergelijke beïnvloeding bedreigt kunnen worden. In Artikel 7.88 is daarom een instructieregel opgenomen zodat aanvullende beoordelingsregels worden opgenomen in de waterschapsverordening.
De beoordelingsregels beogen dat een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit alleen verleend wordt indien dit niet leidt tot achteruitgang in de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie. Voor het beoordelen of er sprake is van achteruitgang wordt verwezen naar het protocol ‘Monitoring en toetsing drinkwaterbronnen KRW’. In het beleidskader Grondwaterkwaliteit (Bijlage D van het Regionale Waterprogramma is hieromtrent nog een nadere duiding gegeven. In het Operationele Grondwaterbeleid (Bijlage C van het Regionaal waterprogramma) worden algemene kaders gegeven voor grondwateronttrekkingen. Deze kaders dienen te zijner tijd geëvalueerd te worden waarbij de invloed van onttrekkingen op verontreinigingspluimen aandacht zal krijgen. Bij een dergelijke evaluatie zullen belanghebbenden geconsulteerd worden.
Artikel 7.89 bevat een instructieregel om in de waterschapsverordening de plicht op te nemen om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning om een inbreng van verontreinigende stoffen naar het (omliggende) grondwater te voorkomen of beperken. Dit omvat tevens een directe inbreng van een reeds in het grondwater aanwezige verontreiniging naar het omliggende grondwater.
Of de inbreng tot een risico leidt is afhankelijk van het gebruik dat afhangt van het grondwater. Er zijn situaties waarbij de beïnvloeding van een verontreiniging leidt tot een ongewenste verspreiding. Er kan ook sprake zijn van een vermindering, verplaatsing of een verspreiding die de verontreiniging rondom een kwetsbaar gebied vermindert waardoor de beïnvloeding wenselijk is. De criteria zoals opgenomen in de Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 [van de ZHOV] kunnen voor de beoordeling van de risico’s houvast bieden.
De provincie kiest voor een doelvoorschrift waarbij het behalen van de KRW-doelen voorop staat en niet zozeer voor een verbod op het verplaatsen of verspreiden van een verontreinigingspluim zoals onder de Wet bodembescherming vaak het geval was. Dit sluit tevens aan bij de algemene beoordelingsregel wateractiviteiten zoals omschreven in de “bruidsschat”.
Het eerste lid van artikel 1.12b (nieuw) is gebaseerd op artikel 6.2, derde lid, Bkl.
De regel uit artikel 1.12a, tweede lid, onder b, (nieuw) is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1.12, derde lid, (oud) en is gebaseerd op artikel 6.2, vierde lid, Bkl. Op grond van het vijfde lid (nieuw) van artikel 6.2 Bkl kan onder omstandigheden worden afgeweken van de regel die is opgenomen in artikel 1.12a (nieuw), tweede lid, onderdeel d.
De toevoeging van het vijfde lid aan artikel 6.2 Bkl staat in artikel III, onder V, van het Verzamelbesluit Omgevingswet 2022 en de toelichting bij deze wijziging zegt hierover:
Aan de artikelen 6.2, 7.12 en 8.84 van het Bkl wordt een nieuw lid toegevoegd. De bedoeling daarvan is een omissie te herstellen. Anders dan bij de vaststelling van waterprogramma’s, is voor de vergunningverlening vergeten een uitzonderingsmogelijkheid op te nemen op het vereiste van geen achteruitgang van de watertoestand van waterlichamen dat volgt uit de milieudoelstellingen van de kaderrichtlijn water die zijn weergegeven in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, en dat is opgenomen in artikel 4.15 van het Bkl. Die mogelijkheid wordt in artikel 4, zevende lid, van de kaderrichtlijn water geboden, teneinde ontwikkelingen mogelijk te maken die worden genoemd in onderdeel c van die bepaling. Het gaat dan, geparafraseerd weergegeven, om ontwikkelingen die van hoger openbaar belang zijn of voor de gezondheid van de mens, de handhaving van de veiligheid van de mens of duurzame ontwikkeling van groter belang zijn dan het nut voor milieu en samenleving van de milieudoelstellingen die zijn opgesomd in artikel 4, eerste lid, van de kaderrichtlijn water. Dit staat ter beoordeling van de waterbeheerder. Het gaat dus om een mogelijkheid om onder voorwaarden een uitzondering te maken en niet om een recht op uitzondering als aan de voorwaarden is voldaan. Met name de onderdelen b en c van het nieuwe lid bevestigen dat de waterbeheerder per geval moet beoordelen of sprake is van een situatie die een uitzondering op het achteruitgangsverbod rechtvaardigt. Voor waterprogramma’s is de uitzonderingsmogelijkheid op het vereiste van geen achteruitgang van de waterkwaliteit reeds geboden in artikel 4.16, eerste en derde lid, van het Bkl. Het vereiste van geen achteruitgang werkt echter niet alleen door naar de waterprogramma’s, maar ook naar de vergunningverlening, door middel van het vijfde lid van artikel 8.84 van het Bkl voor door het Rijk gereguleerde activiteiten, en door middel van het vierde lid van de artikelen 6.2 en 7.12 van het Bkl, voor door het waterschap respectievelijk de provincie gereguleerde activiteiten. Ook in deze gevallen moet daarom de uitzonderingsmogelijkheid op het vereiste worden geboden teneinde te voorkomen dat voor ontwikkelingen waarmee belangen zijn gemoeid die zwaarder wegen dan de milieudoelstellingen van de richtlijn, geen vergunning kan worden verleend.
De toelichting bij het Verzamelbesluit zegt hierover:
In overeenstemming met de bepalingen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen, mag ook gebruik gemaakt worden van NEN-EN-ISO 5815-2. NEN-EN 1899-1 en NEN 6633 zijn inmiddels vervallen.
Daarnaast werd in onderdeel c verwezen naar NEN-ISO 15923 en in onderdeel e verwezen naar NEN-EN-ISO 15923-1. In beide gevallen moet dit NEN-ISO 15923-1 zijn. Dit zijn redactionele wijzigingen.
De toelichting bij het Verzamelbesluit zegt hierover:
In dit artikel, dat betrekking heeft op het lozen van afvalwater bij het opslaan van inerte goederen, is een redactionele wijziging aangebracht waarmee het artikel beter aansluit bij de andere artikelen van de Bruidsschat waarin voor afvalwater geen verplichte maar een facultatieve lozingsroute is voorgeschreven. Eenzelfde wijziging is aangebracht in artikel 22.159 van de Bruidsschat omgevingsplan, dat ook betrekking heeft op het lozen van afvalwater bij het opslaan van inerte goederen.
Deze redactionele wijziging nemen wij over zodat artikel 3.24 van de Waterschapsverordening in overeenstemming is met artikel 2.30 van de Bruidsschat waterschapsverordening.
De toelichting bij het Verzamelbesluit zegt hierover:
Het voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende Besluit lozen buiten inrichtingen gaat ervan uit dat afvalwater vanuit openbare rioolstelsels en ‘overheids-IBA’s’ alleen zonder voorafgaande individuele toestemming mag worden geloosd als die rioolstelsels en ‘overheids-IBA’s’ voorkomen op het in het gemeentelijk rioleringsplan of het gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen, en overeenkomstig dat plan of programma worden beheerd. De artikelen [3.28 en 3.29 van dit hoofdstuk] zijn bedoeld om die regeling voort te zetten. Dat geldt in ieder geval voor lozingen die op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet al plaatsvinden. Beoogd is echter dat het ook geldt voor lozingen die al in een vastgesteld plan of programma zijn voorzien, maar waarbij de voorzieningen op het moment van inwerkingtreding nog niet zijn gerealiseerd, en ook voor lozingen die plaatsvinden uit nieuwe voorzieningen uit een na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangepast plan of programma. Artikel [3.28, onder a(oud),] zou ertoe leiden dat uit openbare hemelwaterstelsels en ontwateringsstelsels alleen zou mogen worden geloosd als die lozingen al gestart zijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is niet beoogd, zoals ook blijkt uit de toelichting bij dat artikel. Daarom wordt onderdeel a (oud) geschrapt, waarmee het artikel ook in overeenstemming wordt gebracht met [artikel 3.29].
De toelichting bij het Verzamelbesluit zegt hierover:
De toelichting bij het Verzamelbesluit zegt hierover:
De toelichting bij artikel 7.90 ZHOV zegt hierover:
Aanvullende beoordelingsregels infiltreren van water (Artikel 7.90)
De instructieregel voor de waterschapsverordening in artikel 7.90 zorgt ervoor dat artikel 3.4 van de bruidsschatregel van de waterschapsverordening met beoordelingsregels voor wateronttrekkingsactiviteiten blijft voortbestaan. Net als in de bruidsschatregel is er geen onderscheid gemaakt tussen het in de bodem brengen van water afkomstig uit een oppervlaktewaterlichaam of overig water dat in de bodem gebracht wordt, zoals het grondwater. Hiermee zijn de toetsingswaarden voor het te infiltreren water in bijlage XIX waar artikel 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving naar verwijst, van toepassing op zowel oppervlaktewater als grondwater dat in de bodem gebracht wordt met het oog dit op een later moment te onttrekken.
De regels in artikel 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving betreffen een voortzetting van artikel 6.26, derde lid, van de Waterwet en de regels uit het Infiltratiebesluit bodembescherming (Stb. 1993, 233). Artikel 6.26, derde lid van de Waterwet stelde het volgende:
“Een vergunning voor het infiltreren van water wordt slechts verleend, indien er geen gevaar is voor verontreiniging van het grondwater. Bij de beoordeling van dat gevaar worden de krachtens artikel 12 van de Wet bodembescherming gestelde regels in acht genomen.”
Artikel 12 van de Wet bodembescherming bepaalde dat bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van het infiltreren van water, zoals was bedoeld in de Waterwet, regels gesteld moesten worden die aangaven:
wanneer er sprake was van gevaar voor verontreiniging van het grondwater;
welke voorschriften ter bescherming van het grondwater verbonden moesten worden aan een vergunning voor dat infiltreren van water.
Het Infiltratiebesluit bodembescherming bevatte deze regels, met dien verstande dat de regels enkel gericht waren op het infiltreren van water dat afkomstig is van een oppervlaktewaterlichaam, ondanks dat zowel artikel 6.26, derde lid, van de Waterwet als artikel 12 van de Wet bodembescherming spraken over infiltreren van water.
Dit heeft te maken met het feit dat het Infiltratiebesluit bodembescherming zijn oorsprong had in het stellen van regels aan infiltraties van oppervlaktewater ten behoeve van de drinkwatervoorziening.
Inmiddels wordt al lang niet meer enkel oppervlaktewater geïnfiltreerd in de bodem met als doel dit op een later moment te onttrekken. In het kader van het vergroten van de zoetwatervoorraden of bijvoorbeeld het tegengaan van bodemdaling wordt steeds vaker water dat niet afkomstig is van een oppervlaktewater, zoals hemelwater of grondwater, in de bodem gebracht. De beoordelingsregels zoals opgenomen in Artikel 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving richten zich echter nog steeds alleen tot het in de bodem brengen van water dat afkomstig is van een oppervlaktewaterlichaam. Met de instructieregel worden de regels van toepassing verklaard op al het water dat geïnfiltreerd wordt. Dit is wat artikel 3.4. van de bruidsschat waterschapsverordening ook al doet.
In het eerste lid van artikel 4.2 is daarnaast een omissie aangepast; het eerste lid is op grond van de bruidsschat (en de instructieregel uit artikel 7.89 ZHOV) ook van toepassing op het infiltreren van water als bedoeld in artikel 4.15 van de WSV.
Aanpassing van de formulering van de leden, geen inhoudelijke wijziging.
Herstel van inconsistente formulering van activiteiten, geen inhoudelijke wijziging.
Aanpassing van de formulering van de leden, geen inhoudelijke wijziging. Q.
De toelichting bij het Verzamelbesluit zegt hierover:
De begripsbepalingen NEN 6633 en NEN-EN 1899-1 zijn vervallen. NEN 6633 is per oktober 2018 ingetrokken en vervangen door NEN-ISO 15705:2003. NEN-EN 1899-1 is daarnaast inmiddels vervallen. Daarnaast zijn in de begripsomschrijvingen van NEN-EN-ISO 5815-1, NEN 6600-1 en NEN-EN-ISO 5667-3 nu de geactualiseerde versies opgenomen.
In overeenstemming met artikel [3.13] is nu ook de begripsbepaling NEN-EN-ISO 5815-2 ingevoegd. In een inspraakreactie van de Unie van Waterschappen is aangegeven dat in bijlage I [van de Bruidsschat waterschapsverordening] nog enkele begripsbepalingen ontbraken. Dit is gecorrigeerd.
Bijlage I [van de Bruidsschat waterschapsverordening] is op dit punt geactualiseerd.
Recentelijk zijn de leggers Watersystemen en Waterkeringen vastgesteld. Naar aanleiding hiervan zijn de werkingsgebieden aangepast.
De toevoeging ‘bedoeld in de achtste rij van bijlage 2’ is overbodig en verwarrend, omdat bij publicatie via het Digitaal Stelsel Omgevingswet de opsomming verdwijnt. De werkingsgebieden worden in alfabetische volgorde op naam opgesomd. Ook is de naam van het werkingsgebied (enkelvoud in plaats van meervoud) in overeenstemming gebracht met de naam op bijlage 2.
Gebleken is dat de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging te groot was om in DSO gepubliceerd te worden. Om met ingang van 1 januari 2024 wel de juiste kaart te kunnen tonen, is de oplossing gevonden in het opsplitsen van de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging in een a- en een b-deel. Daar waar gesproken werd over ‘de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging’ wordt nu gesproken over ‘de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging a en/of de de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam voor berging b’.
De inwerkingtreding van deze verordening is afhankelijk gesteld van de inwerkingtreding van de Wijzigingsverordening 2022.
Bijlage 2 bij artikel 1.4, eerste lid, van deze verordening (benoeming, aanwijzing geometrische begrenzing werkingsgebieden)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2023-15319.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.