Tweede wijziging Delegatiebesluit waterschap Vechtstromen

Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen;

 

gezien het advies d.d. 17 oktober 2023;

 

gelet op de artikelen 56, 77 en 83 van de Waterschapswet en de Omgevingswet;

 

BESLUIT

 

Het Delegatiebesluit waterschap Vechtstromen als volgt te wijzigen.

Artikel I  

  • A.

    Artikel 5 vervalt.

Artikel II  

  • A.

    Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

     

    Artikel 6 Omgevingswet

    • 1.

      Het vaststellen en wijzigen van de volgende delen van de Waterschapsverordening als bedoeld in artikel 2.5 van de Omgevingswet:

      • a.

        regels over vergunningplichtige activiteiten;

      • b.

        regels over vergunningvrije activiteiten;

      • c.

        regels over meldingsplichtige activiteiten; en

      • d.

        de beperkingengebieden als bedoeld in afdeling 1.3 van de Waterschapsverordening.

    • 2.

      Het vaststellen van de legger als bedoeld in artikel 78, lid 2, van de Waterschapswet en de legger als bedoeld in artikel 2.39, lid 1, van de Omgevingswet.

    • 3.

      Het informeren van rechthebbenden als bedoeld in artikel 10.4 van de Omgevingswet.

    • 4.

      Het opleggen van gedoogplichten als bedoeld in artikel 10.17 van de Omgevingswet

    • 5.

      Het uitoefen van de rechten van verhaal van kosten als bedoeld in artikel 13.3a en 13.3 b van de Omgevingswet.

    • 6.

      Het uitoefenen van de bevoegdheden bij gevaar voor waterstaatswerken op grond van afdeling 19.4 van de Omgevingswet:

      • a.

        het houden van oefeningen als bedoeld in artikel 19.14, lid 1, van de Omgevingswet;

      • b.

        het vaststellen van een calamiteitenplan als bedoeld in artikel 19.14, lid 1, van de Omgevingswet;

      • c.

        het treffen van maatregelen bij gevaar voor waterstaatswerken als bedoeld in artikel 19.15, lid 1, van de Omgevingswet.

    • 7.

      Het geven van de opvattingen over de gevolgen voor het beheer van watersystemen bij omgevingsplannen als bedoeld in artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel lll  

  • A.

    Dit besluit treedt tegelijk in werking met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.

  • B.

    Dit besluit kan worden aangehaald als: Tweede wijziging Delegatiebesluit waterschap Vechtstromen.

Aldus vastgesteld in de vergadering d.d. 29 november 2023.

Het algemeen bestuur,

dr. S.M.M. Kuks, watergraaf

drs. R.I. Andringa, secretaris

Toelichting Tweede wijziging Delegatiebesluit waterschap Vechtstromen

ALGEMENE TOELICHTING

 

Bevoegdheidsverdeling Waterschapswet: uitgangspunt algemeen bestuur

Uitgangspunt van de Waterschapswet bij de bevoegdheidsverdeling is dat het algemeen bestuur bevoegd is, tenzij de bevoegdheid bij wet of reglement 1 aan het dagelijks bestuur of de voorzitter wordt gegeven (het samenstel van de artikelen 56 en 77 Wsw).

 

Vanuit een oogpunt van doelmatig en doeltreffend bestuur, slagvaardigheid en snelheid en een heldere taakverdeling kunnen bevoegdheden van het algemeen bestuur worden gedelegeerd aan het dagelijks bestuur.

 

Delegatie

Onder delegatie wordt verstaan: het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent (artikel 10:13, Algemene wet bestuursrecht (Awb).

 

Delegatie is slechts mogelijk als daar bij wettelijk voorschrift in is voorzien (artikel 10:15 Awb).

 

Delegatie heeft in eerste instantie betrekking op het nemen van besluiten (een publiekrechtelijke rechtshandeling) in de zin van de Awb en niet op privaatrechtelijke of feitelijke handelingen. Hierbij moet bedacht worden dat formeel aan iedere privaatrechtelijke rechtshandeling een publiekrechtelijk (voorbereidings)besluit voorafgaat. In andere woorden: voordat de rechtspersoon waterschap Vechtstromen een overeenkomst kan sluiten, moet daartoe eerst door het bevoegde bestuursorgaan van het openbaar lichaam het waterschap Vechtstromen worden besloten. Gelet op de hoofdregel van artikel 56 en 77 Wsw is dat in principe het algemeen bestuur. Daarnaast kent artikel 10:21 Awb een schakelbepaling voor feitelijke handelingen, waarmee de bepalingen over delegatie van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

 

Bevoegdheidsverdeling Waterschapswet

Artikel 83 Wsw maakt delegatie van bevoegdheden van het algemeen bestuur aan het dagelijks bestuur in algemene zin mogelijk. Alleen als “de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet”, is delegatie niet mogelijk. Daarnaast worden een aantal bevoegdheden op voorhand van delegatie uitgesloten:

  • a.

    het vaststellen of wijzigen van de begroting;

  • b.

    het vaststellen van de rekening;

  • c.

    het vaststellen van regels over het financieel beleid en beheer en de controle daarop;

  • d.

    het heffen van belastingen of rechten;

  • e.

    het vaststellen van verordeningen;

  • f.

    het vaststellen van peilbesluiten;

  • g.

    het vaststellen van plannen op grond van andere wetten.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Algemeen

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de Waterwet grotendeels te vervallen. De artikelen 5 en 6 van het Delegatiebesluit moeten hierop worden aangepast.

 

De Omgevingswet en bijhorende regelgeving kent bevoegdheden toe. Een aantal bevoegdheden komt toe aan ‘het waterschapsbestuur’ of ‘de beheerder’. Gelet op de hoofdregel van artikel 56 en 77 Wsw komen deze bevoegdheden dan toe aan het algemeen bestuur.

Gelet op de aard van deze uitvoerende bevoegdheden ligt het echter voor de hand deze bevoegdheden te delegeren aan het dagelijks bestuur.

 

Artikel I

Projectplannen

In artikel 5 werd geregeld dat het dagelijks bestuur de projectplannen voor het aanleggen of wijziging van waterstaatswerken vaststelt.

 

Het instrument projectplan van de Waterwet wordt in de Omgevingswet vervangen door de instrumenten:

  • -

    Projectbesluit;

  • -

    Omgevingsvergunning voor een wateractiviteit (de zogenaamde ‘vergunning eigen dienst’).

In de Omgevingswet is bepaald dat het dagelijks bestuur een projectbesluit vaststelt (artikel 5.44, lid 1, Omgevingswet) en dat het dagelijks bestuur het bevoegde gezag is voor het verlenen van omgevingsvergunningen (o.a. artikel 4.2 Omgevingsbesluit).

 

Deze bevoegdheden hoeven dus niet meer gedelegeerd te worden.

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5 Aanleg of wijziging waterstaatswerken

Het vaststellen van projectplannen als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet.

Artikel 5 komt te vervallen

 

Artikel II

Waterakkoorden

Het instrument waterakkoorden is komen te vervallen in de Omgevingswet en kan dus niet meer gedelegeerd worden.

 

Waterschapsverordening

Het algemeen bestuur kan op grond van artikel 2.8 Ow “de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van de waterschapsverordening delegeren aan het dagelijks bestuur”.

 

In de (Memorie van Toelichting van de) Ow is verder bepaald dat er geen delegatiebepalingen in de Waterschapsverordening mogen staan.2 De delegatiebepalingen over het wijzigen van onderdelen van de Waterschapsverordening worden opgenomen in het algemene Delegatiebesluit van het waterschap.

 

De Waterschapsverordening bevat regels van het waterschap voor het beheer van het watersysteem. Voor onderdelen van de Waterschapsverordening is het mogelijk gewenst dat deze vaker of sneller worden gewijzigd door veranderingen in de fysieke leefomgeving. De bevoegdheid om voor een activiteit de regels over de vergunningplichtige, vergunningvrije en meldingsplichtige activiteiten te wijzigen is wordt gedelegeerd aan het dagelijks bestuur.

Dit houdt in dat het dagelijks bestuur bevoegd is om in deze regels wijzigingen aan te brengen, denk aan een specifieke zorgplicht, algemene regel, meldplicht, indieningsvereiste, vergunningplicht of beoordelingsregel. Daarnaast is het dagelijks bestuur bevoegd om de beperkingengebieden vast te stellen of te wijzigen.

 

De bevoegdheid om een (nieuwe) activiteit dan wel een verbod op te nemen in de verordening blijft bij het algemeen bestuur.

 

Legger

Op grond van artikel 78 Wsw stelt het algemeen bestuur de legger vast waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen. Op grond van artikel 2.39, lid 1, Omgevingswet stelt de beheerder een legger vast, waarin is omschreven waaraan die waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen.

 

Bevoegdheden verontreiniging van de bodem en oever van oppervlaktewaterlichamen

Deze bevoegdheden zijn opgenomen in afdeling 19.1 van de Omgevingswet. Hier is bepaald dat het dagelijks bestuur het bevoegd gezag is voor deze bevoegdheden (artikel 19.2 van de Omgevingswet in samenhang gelezen met artikel 18.2 van de Omgevingswet). Deze bevoegdheden hoeven dus niet meer gedelegeerd te worden.

 

Gedoogplichten

Toepassen gedoogplichten van rechtswege

Met het oog op het waterbeheer kan het nodig zijn dat eigenaren of andere rechthebbenden verplicht worden om bepaalde activiteiten te gedogen.

De Omgevingswet voorziet in twee soorten gedoogplichten:

  • 1.

    wettelijke gedoogplicht (van rechtswege); en

  • 2.

    de bij beschikking op te leggen gedoogplicht.

Als het waterschap gebruik wil maken van de wettelijke gedoogplichten, moet het eigenaren of andere rechthebbenden ten minste achtenveertig uur van tevoren schriftelijk informeren. De bevoegdheid is toegekend aan de beheerder.

 

Het opleggen van gedoogplichten

Op grond van artikel 10.17 Omgevingswet kan de beheerder een gedoogplicht opleggen met een gedoogbeschikking, waardoor eigenaren en andere rechthebbenden:

  • -

    verplicht zijn te gedogen dat onderzoek en daarmee verband houdende werkzaamheden worden verricht;

  • -

    verplicht zijn te gedogen dat waterstaatswerken worden aangelegd of gewijzigd.

Het bevoegd gezag voor het vaststellen van projectbesluiten of verlenen van omgevingsvergunning voor verrichten van een wateractiviteit om een waterstaatswerk aan te leggen of te wijzigen is het dagelijks bestuur. In het kader van slagvaardig kunnen handelen bij de aanleg of wijziging van waterstaatswerken, ligt het voor de hand deze bevoegdheden te delegeren aan het dagelijks bestuur.

 

De bevoegdheid om een onteigeningsbeschikking te nemen ligt bij het algemene bestuur en kan niet gedelegeerd worden.

 

Het uitoefen van de rechten van verhaal van kosten

Artikel 13.3a en 13.3b Omgevingswet bevatten een grondslag voor het verhalen van kosten:

  • a.

    als gevolg van verontreiniging, aantasting, verstoring of beschadiging van het watersysteem op de veroorzaker ervan;

  • b.

    bij beschadiging van waterstaatswerken en zuiveringtechnische werken eigenaar of gebruiker van een vaartuig.

Het betreft een uitvoerende bevoegdheid, die uit doelmatigheidsoverwegingen het best kan worden uitgeoefend op het niveau van het dagelijks bestuur.

 

Het verhaal van kosten was al een bestaande bevoegdheid op grond van artikel 75 van de Wet bodembescherming en artikel 7.22 van de Waterwet. Bij het vaststellen van het Delegatiebesluit waterschap Vechtstromen in 2014 is deze bevoegdheid niet gedelegeerd. Dat wordt nu alsnog gedaan.

 

Bevoegdheden bij gevaar voor waterstaatswerken

In de Waterstaatswet 1900 (oud) werd in paragraaf 17 expliciet geregeld dat het dagelijks bestuur het bevoegd gezag was voor het nemen van maatregelen bij gevaar voor waterstaatswerken. De Waterstaatswet 1900 is in zijn geheel opgegaan in de Wtw (Hoofdstuk 5, paragraaf 5) en vervolgens in de Ow (afdeling 19.4).

 

Het uitoefenen van de bevoegdheden bij gevaar voor waterstaatswerken is toegekend aan ‘de beheerder’. Gelet op de hoofdregel van artikel 56 en 77 Wsw komen deze bevoegdheden dan toe aan het algemeen bestuur. Dit is niet wenselijk en niet bedoeld, nu juist vooral ten tijde van een calamiteit slagvaardig bestuurlijk optreden gewenst is.

 

Het geven van de opvatting van de watersysteembeheerder (weging van het waterbelang)

In het door de gemeente vast te stellen omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Dit wordt onder de Omgevingswet de ‘weging van het waterbelang’ genoemd. En was voorheen de ‘watertoets’

 

De weging van het waterbelang is verankerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.37 Bkl is bepaald dat in het omgevingsplan: “rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.”

 

Het betreft een uitvoerende bevoegdheid, die uit doelmatigheidsoverwegingen het best kan worden uitgeoefend op het niveau van het dagelijks bestuur.

 

Verlenen of weigeren van en het adviseren over een vergunning en het afhandelen van meldingen

In de Omgevingswet is bepaald dat het dagelijks bestuur het bevoegd gezag is voor het verlenen of weigeren van en het adviseren over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen (artikel 4.8 en 4.10 van de Omgevingswet, 4.2, 4.9 en 4.24 van het Omgevingsbesluit, 2.4 en 17.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving).

 

Deze bevoegdheid hoeft dus niet meer gedelegeerd te worden.

 

Zwemwaterprofielen

In artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in samenhang gelezen met de begripsbepalingen is bevoegdheid toegekend aan het dagelijks bestuur

 

Deze bevoegdheid hoeft dus niet meer gedelegeerd te worden.

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6 Waterbeheer

  • 1.

    Het besluiten tot het vaststellen van waterakkoorden als bedoeld in artikel 3.7 van de Waterwet.

  • 2.

    Het besluiten tot het vaststellen van de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet en de legger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet.

  • 3.

    Het uitoefenen van de bevoegdheden met betrekking tot verontreiniging van de bodem en oever van oppervlaktewaterlichamen op grond van hoofdstuk 5, paragraaf 3, van de Waterwet.

  • 4.

    Het nemen van gedoogbeschikkingen op grond van de artikelen 5.21 en 5.24 van de Waterwet.

  • 5.

    Het uitoefenen van de bevoegdheden bij gevaar voor waterstaatswerken op grond van hoofdstuk 5,paragraaf 5, van de Waterwet.

  • 6.

    Het op grond van hoofdstuk 6 van de Waterwet verlenen of weigeren van en het adviseren over een vergunning en het afhandelen van meldingen.

  • 7.

    Het vaststellen van zwemwaterprofielen als bedoeld in de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.

Artikel 6 Omgevingswet

  • 1.

    Het vaststellen en wijzigen van de volgende delen van de Waterschapsverordening als bedoeld in artikel 2.5 van de Omgevingswet:

    • a.

      regels over vergunningplichtige activiteiten;

    • b.

      regels over vergunningvrije activiteiten;

    • c.

      regels over meldingsplichtige activiteiten; en

    • d.

      de beperkingengebieden als bedoeld in afdeling 1.3 van de Waterschapsverordening.

  • 2.

    Het vaststellen van de legger als bedoeld in artikel 78, lid 2, van de Waterschapswet en de legger als bedoeld in artikel 2.39, lid 1, van de Omgevingswet.

  • 3.

    Het informeren van rechthebbenden als bedoeld in artikel 10.4 van de Omgevingswet.

  • 4.

    Het opleggen van gedoogplichten als bedoeld in artikel 10.17 van de Omgevingswet.

  • 5.

    Het uitoefen van de rechten van verhaal van kosten als bedoeld in artikel 13.3a en 13.3 b van de Omgevingswet.

  • 6.

    Het uitoefenen van de bevoegdheden bij gevaar voor waterstaatswerken op grond van afdeling 19.4 van de Omgevingswet:

    • a.

      het houden van oefeningen als bedoeld in artikel 19.14, lid 1, van de Omgevingswet;

    • b.

      het vaststellen van een calamiteitenplan als bedoeld in artikel 19.14, lid 1, van de Omgevingswet;

    • c.

      het treffen van maatregelen bij gevaar voor waterstaatswerken als bedoeld in artikel 19.15, lid 1, van de Omgevingswet.

  • 7.

    Het geven van de opvattingen over de gevolgen voor het beheer van watersystemen bij omgevingsplannen als bedoeld in artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

 

Artikel III

In dit artikel wordt de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit geregeld.

En krijgt dit wijzigingsbesluit een citeertitel.

 

Naar boven