Vaststelling Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024

Het algemeen_bestuur van Waterschap De Dommel

gelezen de tekstinhoud van ”Waterschapsverordening De Dommel” d.d. 29 november 2023

Overwegende dat de aanleiding bestaat regels voor de fysieke leefomgeving binnen het beheergebied in een verordening vast te leggen;

Besluit;

Artikel I

"Waterschapsverordening De Dommel" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking per 01‑01‑2024

Aldus vastgesteld door Waterschap De Dommel, 29 november 2023

Ondertekening door Erik de Ridder, watergraaf waterschap De Dommel

 

Bijlage A Bijlage bij artikel I

Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Begripsbepalingen 

Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  • 1.

    Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn ook van toepassing op deze waterschapsverordening.

  • 2.

    Bijlage II bij deze verordening bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze verordening.

Afdeling 1.2 Aanwijzing en begrenzing van beperkingengebieden

Artikel 1.2 Begrenzing waterstaatswerken
Artikel 1.3 Waterstaatswerken die niet geometrisch begrensd zijn
  • 1.

    Voor waterstaatswerken die op grond van een projectplan of omgevingsvergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, wordt voor de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatswerk uitgegaan van de begrenzing, aangegeven in het projectbesluit of de omgevingsvergunning.

  • 2.

    Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de grenzen van het waterstaatswerk, de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte, opgenomen in bijlage III.

Afdeling 1.3 Normadresstaat

Artikel 1.4 Normadressaat
  • 1.

    Aan deze verordening wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en door de eigenaar van de gronden waarop de activiteit wordt verricht, tenzij anders bepaald. Zij dragen zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

  • 2.

    Wanneer gronden met een beperkt zakelijk recht zijn bezwaard of krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, wordt aan deze verordening ook voldaan door de beperkt zakelijk gerechtigde of de gebruiker.

Afdeling 1.4 Algemene beheerverplichtingen

Artikel 1.5 Specie en maaiselberging

Aangelanden kunnen door of namens het bestuur verplicht worden de specie of het maaisel als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid, van de wet op te ruimen of onder te werken.

Artikel 1.6 Bediening ondersteunende kunstwerken

   1.         De onderhoudsplichtigen van de in waterkeringen voorkomende coupures en sluizen dragen zorg dat deze op eerste aanzegging door of namens het bestuur terstond worden gesloten of geopend.

   2.         De eigenaren en/of andere onderhoudsplichtigen van stuwen, zijn verplicht op eerste aanzegging door of namens het bestuur het bepaalde stuwpeil in te stellen en in stand te houden.

   3.         De eigenaren en/of andere onderhoudsplichtigen van pompen en gemalen zijn verplicht op eerste aanzegging door of namens het bestuur deze buiten of in werking te stellen.

Afdeling 1.5 Specifieke zorgplicht

Artikel 1.7 Specifieke zorgplicht 
  • 1.

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het watersysteem is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Als de nadelige gevolgen zijn veroorzaakt door een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.

  • 3.

    Degene die een activiteit met nadelige gevolgen verricht, informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over die gevolgen en de maatregelen die diegene gaat treffen of heeft getroffen.

Artikel 1.8 Maatwerkvoorschriften over de specifieke zorgplicht

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over artikel 1.7.

Afdeling 1.6 Melding en informatieverplichting algemeen

Artikel 1.9 Algemene gegevens bij een melding of informatieverplichting
  • 1.

    Een melding of de verstrekking van gegevens en bescheiden wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a.

      de aanduiding van de activiteit;

    • b.

      de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

    • c.

      het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

    • d.

      de dagtekening.

  • 2.

    Op verzoek van het bestuur worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn.

  • 3.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Afdeling 1.7 Uitzondering beheeractiviteiten

Artikel 1.10 Uitzondering beheeractiviteiten
  • 1.

    De hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 van deze verordening zijn niet van toepassing op activiteiten die plaatsvinden door of in opdracht van het waterschap, voor beheer, onderhoud en herstel.

  • 2.

    Voor handelingen door of vanwege het waterschap, gericht op de taken die bij Reglement aan het waterschap zijn toebedeeld door Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant, is geen omgevingsvergunning op grond van deze verordening vereist, indien daarvoor een projectbesluit is vastgesteld.

Afdeling 1.8 Uitzondering bijzondere omstandigheden

Artikel 1.11 Aanwijzing bijzondere omstandigheden

Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet zijn:

  • a.

    waterschaarste en dreigende waterschaarste;

  • b.

    overvloed aan water en dreigende overvloed aan water;

  • c.

    aanmerkelijke verslechtering van de waterkwaliteit of de dreiging daarvan; en

  • d.

    het in ongerede raken van een waterstaatswerk of de dreiging daarvan.

Artikel 1.12 Algeheel verbod bij calamiteiten
  • 1.

    Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en zo nodig in afwijking van verleende omgevingsvergunningen of geldende peilbesluiten, verbieden:

    • a.

      water af te voeren naar of aan te voeren uit een oppervlaktewaterlichaam;

    • b.

      water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam; en

    • c.

      grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 2.

    Het bestuur kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet bepalen dat de scheepvaart op een oppervlaktewaterlichaam wordt beperkt of gestremd of dat de maximale vaarsnelheid wordt aangepast.

Afdeling 1.9 Algemene bepalingen omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten

Artikel 1.13 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteiten
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend  als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

    • c.

      de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen

  • 2.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw- oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;

    • b.

      de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit; en

    • c.

      een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.

  • 3.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw- oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt

  • 4.

    In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op:                                                                                                     

      • 1.

        nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken een krw-oppervlaktewaterlichaam;

      • 2.

        wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of

      • 3.

        het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw- oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling;

    • b.

      aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en

    • c.

      de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het   gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.

  • 5.

    Het verlenen van de omgevingsvergunning leidt er ook niet toe dat:

    • a.

      de doelstelling van het ombuigen van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en

    • b.

      de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt. 

  • 6.

    Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit wordt rekening gehouden met de nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen die gelden na het uitvoeren van een vergunningplichtige grondwateronttrekking voor een grondwatersanering, bedoeld in artikel 5.2eerste lid.

  • 7.

    Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.

Afdeling 1.10 Beperkingengebiedactiviteit bij waterstaatswerk

Artikel 1.14 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de activiteit, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het beperkingengebied;

  • b.

    een toelichtende tekening en de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van de activiteit met daarbij het ontwerp en de afmetingen van het werk of het tracé van de kabel of de leiding;

  • c.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;

  • d.

    als een waterstaatswerk wordt gekruist door een boring: een boorplan met de volgende informatie:1.    een beschrijving van de horizontaal gestuurde boring overeenkomstig de Handleiding wegenbouw, ontwerp onderbouw, richtlijn Boortechnieken, uitgegeven door Rijkswaterstaat;2.    een tekening met een aanduiding van de boorlijn;3.    een tekening van de dwarsdoorsnede in de langsrichting van de gekozen boorlijn; en4.    gegevens over de controleberekening of sterkteberekening van de buis op basis van een grondmechanisch onderzoek; en

  • e.

    als de activiteit op, in of bij een kade of waterkering plaatsvindt: een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.

Artikel 1.15 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit waterbodem 

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden, als de activiteit betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodemgeheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, in aanvulling op artikel 1.14 de volgende gegevensen bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal; en

  • b.

    b.    een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in kubieke meter.

Hoofdstuk 2 Activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen

Afdeling 2.1 Algemeen 

Artikel 2.1 Toepassingsbereik 
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Deze afdeling is ook van toepassing op het aanleggen van een oppervlaktewaterlichaam of ondersteunend kunstwerk.

  • 3.

    Deze afdeling is ook van toepassing op het lozen van water in of het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken oppervlaktewater wordt gebruikt;

  • b.

    de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van ieder onttrekkingspunt;

  • c.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meter water per uur per onttrekkingspunt;

  • d.

    de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste wordt onttrokken;

  • e.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan; en

  • f.

    een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de gevolgen te voorkomen of te beperken.

Afdeling 2.2 Steigers, vlonders, boothellingen en overhangende bouwwerken

Artikel 2.4 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.5 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een a-water als:

    • a.

      het a-water geen vaarweg is; 

    • b.

      het onderhoud aan het a-water uitsluitend vanaf het water gebeurt;

    • c.

      het a-water geen vastgestelde ecologische functie heeft; en

    • d.

      de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk vrijstaand is en niet rust op of steun vindt aan oeverwerken, schanskorven, beschoeiing of vergelijkbare objecten. 

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een b-water.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

    • a.

      de steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.6 Aanwijzing algemene regels 
  • 1.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.7 tot en met 2.10, als:

    • a.

      het a-water geen vaarweg is; 

    • b.

      het onderhoud aan het a-water uitsluitend vanaf het water gebeurt;

    • c.

      het a-water geen vastgestelde ecologische functie heeft; en

    • d.

      de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk vrijstaand is en niet rust op, of geen steun vindt aan, oeverwerken, schanskorven, beschoeiing of vergelijkbare objecten.

  • 2.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.7 en 2.8

  • 3.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.11, als:

    • a.

      de steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.7 Waterafvoer
  • 1.

    De steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk veroorzaakt geen belemmering van de waterafvoer.

  • 2.

    Binnen een straal van 0,5 meter rondom de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk worden afval en begroeiing die nadelige gevolgen heeft voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam verwijderd.

Artikel 2.8 Staat en herstel
  • 1.

    De steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk wordt direct verwijderd als deze niet meer gebruikt wordt of niet meer in goede staat van onderhoud verkeert.

  • 2.

    Na het verwijderen van de steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk worden het talud en de bodem van het oppervlaktewaterlichaam vloeiend afgewerkt en wordt de taludbegroeiing hersteld.

Artikel 2.9 Constructie en behoud doorvaart
  • 1.

    Ter ondersteuning van een steiger of vlonder boven het oppervlaktewaterlichaam worden alleen palen in het oppervlaktewaterlichaam aangebracht, waarbij ten hoogste één paal per strekkende meter wordt aangebracht. 

  • 2.

    Er blijft een minimale doorvaarbreedte van 3,50 m in het midden van het oppervlaktewaterlichaam beschikbaar.

Artikel 2.10 Onderhoud
  • 1.

    De steiger, de vlonder, de boothelling of het overhangende bouwwerk belemmert het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet.

  • 2.

    De steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk wordt op eigen kosten tijdelijk verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als dat nodig is voor groot onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.11 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte 

De steiger, vlonder, boothelling of het overhangend bouwwerk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.3 Bruggen

Artikel 2.12 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van bruggen in een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.13 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een brug in een a-water of b-water, als de brug alleen voor eigen gebruik functioneert.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een brug in een b-water, als de brug maximaal 15 meter breed is.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerstelid geldt niet voor het behouden van een brug in een a-water of b-water, als onderhoud plaatsvindt aan een brug en/of het wegdek op de brug en de brug niet in vorm of afmeting wijzigt.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een brug in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

    • a.

      de brug eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande brug is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.14 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het verwijderen van een brug in een a-water wordt voldaan aan artikel 2.15 en 2.18 of als een brug wordt verwijdert uit een of b-water wordt voldaan aan artikel 2.15, als de brug alleen voor eigen gebruik functioneert.

  • 2.

    Bij het aanleggen of behouden van een brug in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.16, als de brug maximaal 15 meter breed is.

  • 3.

    Bij het plegen van onderhoud aan een brug en/of het wegdek op de brug in een a-water ofb-water wordt voldaan aan artikel 2.15 als de vorm of afmeting van de brug niet wijzigt.

  • 4.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een brug in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.17, als:

    • a.

      de brug eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande brug is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.15 Bescherming oppervlaktewaterlichaam, oevers en taluds bij verwijdering 
  • 1.

    Het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt hersteld door een vloeiende aansluiting te maken op het bestaande talud, zowel beneden- als bovenstrooms.

  • 2.

    Nieuwe taluds worden ingezaaid met een graszaadmengsel of voorzien van graszoden. Bij zandgronden wordt voor het inzaaien een laag teelaarde aangebracht.

  • 3.

    Als er verzakkingen ontstaan, worden deze direct hersteld.

Artikel 2.16 Bescherming oppervlaktewaterlichaam en oevers bij aanleg of behoud
  • 1.

    De pijlers van de brug worden niet in het oppervlaktewaterlichaam geplaatst.

  • 2.

    De brughoofden tasten de stabiliteit van de oevers niet aan.

  • 3.

    De waterdoorvoer wordt niet belemmerd.

Artikel 2.17 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De brug wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Artikel 2.18 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Afdeling 2.4 Stuwen en andere peilregulerende werken

Artikel 2.19 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van peilregulerende werken in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.20 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een peilregulerend werk in een b-water, als het peilregulerende werk wordt aangelegd of behouden in overeenstemming met belanghebbenden.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een peilregulerend werk in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en beekdal als het peilregulerende werk wordt verwijderd in overeenstemming met belanghebbenden.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een peilregulerend werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

    • a.

      het peilregulerende werk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaand peilregulerend werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.21 Aanwijzing algemene regels
Artikel 2.22 Bescherming van het watersysteem

Bij een hoge belasting van het watersysteem wordt de aan- en afvoer van water gewaarborgd.

Artikel 2.23 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

Het peilregulerend werk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.5 Dam met duiker

Artikel 2.24 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van een dam met duiker in een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.25 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een dam met duiker in een a-water, als de dam met duiker alleen voor eigen gebruik functioneert.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, verlengen, behouden of verwijderen van een dam met duiker in een b-water, als:

    • a.

      de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd;

    • b.

      de buislengte maximaal 15 meter per perceelzijde bedraagt;

    • c.

      de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt;

    • d.

      de binnenonderkant van de duiker 0,05 meter of dieper onder de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en

    • e.

      de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, verlengen en behouden van een extra dam met duiker langs een perceelzijde in een b-water, als:

    • a.

      het perceel over een lengte van meer dan 100 meter grenst aan de watergang;

    • b.

      de dam met duiker 5 meter of meer van een bestaande dam met duiker, of van een ander (kunst)werk, wordt aangelegd;

    • c.

      de buislengte maximaal 15 meter bedraagt;

    • d.

      de inwendige diameter van de duiker 0,30 meter of meer bedraagt;

    • e.

      de binnenonderkant van de duiker 0,05 meter of dieper onder de waterbodem ligt, gemeten bij een goede onderhoudstoestand; en

    • f.

      de duiker wordt aangelegd zonder knikpunten of bochten.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

    • a.

      de dam met duiker eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande dam met duiker is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, plaatsen of behouden van objecten op een dam met duiker in een b-water als:

    • a.

      het object de constructie van de duiker niet negatief beïnvloed, en;

    • b.

      de afmetingen van de dam of duiker niet wijzigt.

Artikel 2.26 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het verwijderen van een dam met duiker in een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.27 en 2.28.

  • 2.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een dam met duiker in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.29, als:

    • a.

      de dam met duiker eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande dam met duiker is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.27 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 2.28 Bescherming oppervlaktewaterlichaam, oevers en taluds
  • 1.

    Het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt hersteld door een vloeiende aansluiting te maken op het bestaande talud, zowel beneden- als bovenstrooms.

  • 2.

    Nieuwe taluds worden ingezaaid met een graszaadmengsel of voorzien van graszoden. Bij zandgronden wordt voor het inzaaien een laag teelaarde aangebracht.

  • 3.

    Als er verzakkingen ontstaan, worden deze direct hersteld.

Artikel 2.29 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De dam met duiker wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.6 Lozen

Artikel 2.30 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.31 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak of afkoppeling van bestaand verhard oppervlak, als:

    • a.

      de waterparagraaf van het omgevingsplan na 1 januari 2019 de schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap; en

    • b.

      de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak, als:

    • a.

      het verhard oppervlak toeneemt met maximaal 500 m2; of

    • b.

      de toename van verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak, als:

    • a.

      de toename meer dan 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 bedraagt; en

    • b.

      er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x <gevoeligheidsfactor> x 0,06 (in m).

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door afkoppeling, als er maximaal 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.

Artikel 2.32 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan de artikelen 2.33 en 2.34, als er meer dan 50 m3 water per uur maar maximaal 100 m3 per uur wordt geloosd.

  • 2.

    Bij het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.34, als er maximaal 50 m3 water per uur wordt geloosd.

  • 3.

    Bij het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door toename van verhard oppervlak wordt voldaan aan artikel 2.35, als:

    • a.

      de toename meer dan 500 m2 maar maximaal 10.000 m2 bedraagt; en

    • b.

      er compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de volgende rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m).

Artikel 2.33 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 2.34 Capaciteit en overlast
  • 1.

    Er wordt niet meer water geloosd dan de waterloop kan verwerken.

  • 2.

    Er wordt geen overlast veroorzaakt bij het lozen van het water.

Artikel 2.35 De bergingsvoorziening
  • 1.

    De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand.

  • 2.

    Het water wordt uit de voorziening afgevoerd via een functionele bodempassage naar het grondwater of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater.

  • 3.

    De functionele afvoerconstructie heeft een diameter van 4 cm.

  • 4.

    Bij de voorziening wordt een overloopconstructie aangelegd om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

Artikel 2.36 Maatwerkvoorschriften 

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over het lozen van water, als er meer dan 50 m3 maar maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd, alsmede over de rekenregel en compensatie bij een toename van verhard oppervlak.

Afdeling 2.7 Oppervlaktewater onttrekken

Artikel 2.37 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.38 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vijfde lid, geldt niet voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam, als:

  • a.

    er maximaal 100 m3 water per uur wordt onttrokken;

  • b.

    er water over de eerstvolgende stuw benedenstrooms in een a-water blijft stromen.

Afdeling 2.8 Lozingsconstructies en onttrekkingswerken

Artikel 2.39 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van lozingsconstructies en onttrekkingswerken in een a-water, in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water, in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.40 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een a-water, in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water  of in een b-water.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

    • a.

      de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande lozingsconstructie of onttrekkingswerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.41 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.42 en 2.43.

  • 2.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.43.

  • 3.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een lozingsconstructie of onttrekkingswerk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.44, als:

    • a.

      de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande lozingsconstructie of onttrekkingswerk is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.42 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 2.43 Onderhoud en bescherming oppervlaktewaterlichaam
  • 1.

    Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd of onmogelijk gemaakt.

  • 2.

    Het (doorstroom)profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet aangetast.

  • 3.

    Als gebruik gemaakt wordt van een waterlozingspunt (buis) of drainagebuis in een oppervlaktewaterlichaam, is aan het eerste en tweede lid in ieder geval voldaan, als:

    • a.

      de uitmondingen van de (drainage)buizen zo worden aangelegd en gehouden, dat geen aantasting van het profiel van de watergang kan plaatsvinden;

    • b.

      het talud van de watergang vanaf de uitmonding van de (drainage)buizen beschermd wordt door het aanbrengen en onderhouden van uitloopgoten die minimaal 0,15 m ingezonken in het talud van de watergang worden aangebracht en gehouden;

    • c.

      (drainage)buizen worden afgeschuind overeenkomstig de taludhelling van de watergang; en

    • d.

      de onderhoudsstrook na het aanbrengen van het waterlozingspunt goed geëgaliseerd wordt en vrij wordt gemaakt van overige obstakels.

  • 4.

    Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op werken voor het onttrekken van oppervlaktewater.

  • 5.

    Indien nodig wordt de lozingsconstructies voorzien van een taludbescherming die:

    • a.

      minimaal vanaf de onderkant van de lozingsvoorziening tot aan de laagste waterstand in het oppervlaktewaterlichaam reikt;

    • b.

      bij een oppervlaktewaterlichaam met een bovenbreedte van 4 meter of kleiner aan beide zijden van het oppervlaktewaterlichaam aanwezig is; en

    • c.

      in horizontale richting 1 meter links en rechts van de lozingsvoorziening strekt.

  • 6.

    Binnen een straal van 0,5 meter rondom de lozingsconstructie of het onttrekkingswerk worden in het talud alle voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiing en afval verwijderd.

Artikel 2.44 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De lozingsconstructie of het onttrekkingswerk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.9 Kabels en leidingen

Artikel 2.45 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, behouden en verwijderen van kabels en leidingen in een a-water, in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water en in een b-water.

Artikel 2.46 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding parallel aan een a-water, als de kabel of leiding:

    • a.

      op 1 meter of meer uit de insteek wordt gelegd; en

    • b.

      op een diepte van minimaal 1 meter onder de grond in de beschermingszone wordt gelegd.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of behouden van een kabel of leiding haaks op een a-water, als de kabel of leiding op een diepte wordt gelegd van minimaal:

    • a.

      2 meter onder de bodem van een watergang waar beschoeiing aanwezig is;

    • b.

      2,5 meter onder de bodem van een vaarweg;

    • c.

      1 meter onder de bodem van een watergang in andere gevallen;

    • d.

      1 meter onder het talud, gemeten haaks op het taludvlak;

    • e.

      1 meter onder de grond in de beschermingszone; en

    • f.

      1 meter onder een ondersteunend kunstwerk.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een kabel of leiding in een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water, als:

    • a.

      de kabel of leiding bevestigd is aan of samenvalt met een bestaande brug of stuw over het oppervlaktewaterlichaam; of

    • b.

      de kabel of leiding wordt aangelegd bij een ander ondersteunend kunstwerk dan een bestaande brug of stuw, met een afstand van minimaal 0,30 meter tussen het kunstwerk en de kabel of leiding.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding in een b-water.

Artikel 2.47 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding parallel aan een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.48 en 2.49.

  • 2.

    Bij het aanleggen of behouden van een kabel of leiding haaks op een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.482.49 en 2.51.

  • 3.

    Bij het verwijderen van een kabel of leiding in een a-water of in de daarbij behorende profiel van vrije ruimte bij een waterkering wordt voldaan aan de artikelen 2.48 tot en met 2.50.

  • 4.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.48 en 2.49, als de kabel of leiding bevestigd is aan of samenvalt met een bestaande brug of stuw over het oppervlaktewaterlichaam.

  • 5.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding boven een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.482.49 en 2.52, als de kabel of leiding wordt aangelegd bij een ander ondersteunend kunstwerk dan een bestaande brug of stuw, met een afstand van minimaal 0,30 meter tussen het kunstwerk en de kabel of leiding.

  • 6.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van een kabel of leiding in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.48 en 2.50.

Artikel 2.48 Herstel na uitvoering werkzaamheden

Na het uitvoeren van de werkzaamheden worden de beschermingszone, het talud en de waterbodem zodanig hersteld dat:

  • a.

    de stabiliteit van het waterstaatswerk en de beschermingszone wordt gegarandeerd; en

  • b.

    het uit te voeren onderhoud niet wordt belemmerd.

Artikel 2.49 Draagkracht

De kabel of leiding onder een beschermingszone heeft voldoende draagkracht om machines voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam te dragen.

Artikel 2.50 Waterafvoer

Bij het verwijderen van een kabel of leiding wordt de waterafvoer ter plaatse te allen tijde gewaarborgd.

Artikel 2.51 Gestuurde persing of boring

Een kruising haaks op de watergang wordt uitgevoerd door middel van een gestuurde persing of boring.

Artikel 2.52 Overlengte

De kabel heeft een overlengte van 1 meter of meer, in de vorm van een lus.

Afdeling 2.10 Beschoeiing

Artikel 2.53 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van beschoeiing in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.54 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van beschoeiing in een b-water, als de bergings- en doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam gelijk blijven.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van beschoeiing in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

    • a.

      de beschoeiing eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het bestaande beschoeiing is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.55 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het verwijderen van beschoeiing in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.56, als de bergings- en doorstroomcapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam gelijk blijven.

  • 2.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van beschoeiing in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.57, als:

    • a.

      de beschoeiing eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het bestaande beschoeiing is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.56 De afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam

De afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam worden teruggebracht naar de afmetingen van het oorspronkelijke profiel.

Artikel 2.57 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte 

De beschoeiing wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.11 Anti-worteldoek

Artikel 2.58 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behouden en verwijderen van een anti-worteldoek in een b-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.59 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek in een b-water.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanleggen, wijzigen of behouden van een anti-worteldoek in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

    • a.

      de anti-worteldoek eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande anti-worteldoek is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.60 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanleggen, behouden of verwijderen van anti-worteldoek in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.61.

  • 2.

    Bij het aanleggen, wijzigen of behouden van een anti-worteldoek in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.62, als:

    • a.

      de anti-worteldoek eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande anti-worteldoek is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.61 Profiel van het oppervlaktewaterlichaam 

Het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet verkleind.

Artikel 2.62 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte 

De anti-worteldoek wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.12 Stoffen en voorwerpen

Artikel 2.63 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het neerleggen, laten staan en laten liggen van vaste substanties en het aanleggen, behouden en verwijderen van stoffen en voorwerpen in een b-water.

Artikel 2.64 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste substanties of het aanleggen, behouden of verwijderen van stoffen en voorwerpen in een b-water.

Artikel 2.65 Aanwijzing algemene regels

Bij het neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste substanties of het aanleggen, behouden of verwijderen van stoffen en voorwerpen in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.66.

Artikel 2.66 Aan- en afvoer van water en onderhoud
  • 1.

    De aan- en afvoer van water wordt niet belemmerd.

  • 2.

    Het onderhoud wordt niet belemmerd.

Afdeling 2.13 Dieren

Artikel 2.67 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het houden van dieren in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water.

Artikel 2.68 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het houden van dieren in de beschermingszone bij een a-water en in een b-water.

Artikel 2.69 Aanwijzing algemene regels

Bij het houden van dieren in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.70.

Artikel 2.70 Geen beschadiging watergang en talud
  • 1.

    Er wordt een voorziening getroffen die ervoor zorgt dat de dieren de watergang en het talud niet kunnen beschadigen.

  • 2.

    Deze voorziening belemmert het onderhoud niet.

Afdeling 2.14 Afrasteringen

Artikel 2.71 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen, wijzigen, hebben en verwijderen van afrasteringen in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.72 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het plaatsen, hebben of verwijderen van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het plaatsen, wijzigen of hebben van een afrastering in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als: 

    • a.

      de afrastering eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande afrastering is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.73 Aanwijzing algemene regels 
  • 1.

    Bij het plaatsen of hebben van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.74 en 2.75, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.

  • 2.

    Bij het verwijderen van een afrastering in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.76, als de afrastering evenwijdig aan of haaks op de insteek is geplaatst.

  • 3.

    Bij het plaatsen, wijzigen of hebben van een afrastering in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.77, als:

    • a.

      de afrastering eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaande afrastering is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.74 Constructie van de afrastering 
  • 1.

    De afrastering is niet hoger dan 1,20 meter, gemeten vanaf het maaiveld.

  • 2.

    De afrastering is niet breder dan 0,20 meter.

  • 3.

    De afrastering belemmert het zicht op de watergang niet.

  • 4.

    De afrastering heeft een eenvoudige constructie.

  • 5.

    De afrastering wordt in een deugdelijke staat van onderhoud gehouden.

Artikel 2.75 Onderhoud oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone 
  • 1.

    De afrastering belemmert het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet.

  • 2.

    Een afrastering die haaks op de watergang is geplaatst, kan zonder hulpmiddelen tijdelijk worden weggehaald.

  • 3.

    De eigenaar of gebruiker van de afrastering verwijdert, binnen een straal van 0,5 meter rondom het werk, alle begroeiing en afval die schadelijk is voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.76 Herstel na verwijdering

Na het verwijderen van de afrastering wordt de beschermingszone teruggebracht in de oorspronkelijke staat.

Artikel 2.77 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De afrastering wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.15 Werken en bomen voor openbare wegen

Artikel 2.78 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen, wijzigen en behouden van werken en bomen voor openbare wegen in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.79 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen of behouden van een werk voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, als:

    • a.

      de werken minimaal 0,5 meter uit de insteek zijn geplaatst; en

    • b.

      de afstand tussen de werken en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen of behouden van een boom voor een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water, als:

    • a.

      de afstand tussen de bomen en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt; en

    • b.

      de bomen functioneren  voor de aankleding van de openbare weg en minimaal 0,5 meter en maximaal 1,5 meter uit de insteek zijn geplaatst.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van een werk voor een openbare weg in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam als:

    • a.

      de werken eenvoudig ongedaan te maken zijn; of

    • b.

      het bestaande werken zijn die door de werkzaamheden niet veranderen in vorm of afmeting.

Artikel 2.80 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanbrengen van een werk bij een openbare weg in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.81 en 2.82, als:

    • a.

      de werken minimaal 0,5 meter uit de insteek wordt geplaatst; en

    • b.

      de afstand tussen de werken en andere obstakels minimaal 10 meter bedraagt.

  • 2.

    Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.83, als:

    • a.

      de werken eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het bestaande werken zijn die door de werkzaamheden niet veranderen in vorm of afmeting.

Artikel 2.81 Onderhoud
  • 1.

    De werken worden zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd.

  • 2.

    De verharding heeft voldoende draagkracht en stabiliteit voor het onderhoud.

Artikel 2.82 Schadelijke begroeiing en afval

De eigenaar of gebruiker van het werk verwijdert, binnen een straal van 0,5 meter rondom de werken, in het talud alle begroeiing en afval die schadelijk is voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.83 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte 

de werken worden op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.16 Borden

Artikel 2.84 Toepassingsbereik 

Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen, wijzigen, behouden en verwijderen van borden in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.85 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van een bord in de beschermingszone bij een a-water, als:

    • a.

      het bord bedoeld is voor een recreatieroute; of

    • b.

      het bord een zinkerbord is bij een kabel of leiding.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van een bord in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

    • a.

      het bord eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaand bord is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.86 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanbrengen van een bord in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan de artikelen 2.87 en 2.88, als:

    • a.

      het bord bedoeld is voor een recreatieroute; of

    • b.

      het bord een zinkerbord is bij een kabel of leiding.

  • 2.

    Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van een bord in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.89, als:

    • a.

      het bord eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het een bestaand bord is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.87 Plaatsing van het bord
  • 1.

    Het bord wordt, voor zover dat mogelijk is, aangebracht aan bestaand straatmeubilair of bestaande infrastructurele werken.

  • 2.

    Als het niet mogelijk is om het bord aan te brengen aan bestaand straatmeubilair of bestaande infrastructurele werken, wordt het bord zodanig aangebracht dat het onderhoud aan het a-water niet wordt belemmerd.

  • 3.

    Het eerste lid geldt niet voor verkeersborden voor de vaarweg.

Artikel 2.88 Schadelijke begroeiing en afval 

De eigenaar of gebruiker van het bord verwijdert, binnen een straal van 0,5 meter rondom het bord, alle begroeiing en afval die schadelijk is voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.89 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte 

Het bord wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.17 Gras en eenjarige gewassen

Artikel 2.90 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen, behouden en verwijderen van gras en eenjarige gewassen in een a-water en in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water.

Artikel 2.91 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van gras of eenjarige gewassen in een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone.

Artikel 2.92 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanbrengen, behouden of verwijderen van gras of eenjarige gewassen in een a-water of in de daarbij behorende beschermingszone wordt voldaan aan de artikelen 2.93 en 2.94.

Artikel 2.93 Bescherming talud

Bij grondbewerkingen dieper dan 0,15 meter wordt 1 meter vrijgehouden, gemeten vanaf de insteek, zodat het talud niet kan afschuiven.

Artikel 2.94 Onderhoud

Ploegvoren en andere diepe geulen worden gedicht, zodat het onderhoud ongehinderd kan plaatsvinden.

Afdeling 2.18 Natuurvriendelijke oevers

Artikel 2.95 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van natuurvriendelijke oevers in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en beekdal.

Artikel 2.96 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanleggen of wijzigen van een natuurvriendelijke oever in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en beekdal.

Artikel 2.97 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanleggen of wijzigen van een natuurvriendelijke oever in een b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en beekdal wordt voldaan aan artikel 2.98.

Artikel 2.98 Natte profiel van de watergang 

Het natte profiel van de watergang wordt niet verkleind.

Afdeling 2.19 Verharding

Artikel 2.99 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen, wijzigen, behouden en verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water en in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.100 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het aanbrengen, behouden of verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water, als:

    • a.

      de verharding gelijk met of onder het maaiveld wordt aangebracht; en

    • b.

      daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het aanbrengen, wijzigen of behouden van verharding in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

    • a.

      de verharding eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het bestaande verharding is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting

Artikel 2.101 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het aanbrengen of behouden van verharding in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.102, als:

    • a.

      deze gelijk met of onder het maaiveld wordt aangebracht; en

    • b.

      daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.

  • 2.

    Bij het verwijderen van verharding in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.103, als daardoor de maaiveldhoogte niet verandert.

  • 3.

    Bij het aanbrengen, wijzigen of behouden van verharding in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.104, als:

    • a.

      de verharding eenvoudig ongedaan te maken is; of

    • b.

      het bestaande verharding is die door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.102 Bescherming oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone
  • 1.

    De stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone blijft te allen tijde gewaarborgd.

  • 2.

    Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd door de verharding.

  • 3.

    Een strook van 0,5 meter wordt vrijgehouden, gemeten vanaf de insteek van de watergang.

  • 4.

    De verharding heeft voldoende draagkracht en stabiliteit voor het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.103 Herstel na verwijdering
  • 1.

    Na het verwijderen van de verharding wordt het maaiveld tot de oorspronkelijke hoogte aangevuld.

  • 2.

    Na het verwijderen van de verharding wordt de grond ingezaaid met een gras- of kruidenrijk zaadmengsel.

Artikel 2.104 Verwijdering in het profiel van vrije ruimte

De verharding wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.20 Verwijderen van werken en objecten

Artikel 2.105 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verwijderen van werken en objecten in de beschermingszone bij een a-water.

Artikel 2.106 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verwijderen van een werk of object in de beschermingszone bij een a-water, als het werk of object niet is geplaatst voor het beheer, onderhoud of functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.107 Aanwijzing algemene regels 

Bij het verwijderen van een werk of object in de beschermingszone bij een a-water wordt voldaan aan artikel 2.108, als het werk of object niet is geplaatst voor het beheer, onderhoud of functioneren van het oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.108 Bescherming oppervlaktewaterlichaam en beschermingszone 
  • 1.

    De stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone blijft te allen tijde gewaarborgd.

  • 2.

    Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd.

Afdeling 2.21 Oppervlaktewaterlichaam aanleggen, wijzigen of dempen

Artikel 2.109 Toepassingsbereik 

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, verbreden, verdiepen en dempen van oppervlaktewaterlichamen.

Artikel 2.110 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vierde lid, geldt niet voor het aanleggen, verbreden of verdiepen van een oppervlaktewaterlichaam, anders dan een a-water of b-water, buiten de beschermingszone bij een a-water en buiten een beschermd gebied, attentiegebied en beekdal, als daardoor geen directe verbinding ontstaat tussen verschillende peilvakken.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2vierde lid, geldt niet voor het aanleggen van een poel, als deze:

    • a.

      een oppervlakte heeft van maximaal 5.000 m2;

    • b.

      niet dieper is dan de gemiddeld laagste grondwaterstand;

    • c.

      maximaal 1,20 meter diep is;

    • d.

      aan de noordzijde een taludhelling heeft van minimaal 1:5; en

    • e.

      aan de andere zijden dan de noordzijde een taludhelling heeft van minimaal 1:3.

Afdeling 2.22 Kortdurende activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen

Artikel 2.111 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van kortdurende activiteiten in een a-water, in de daarbij behorende beschermingszone bij een a-water en in een b-water.

Artikel 2.112 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verrichten van een activiteit in een b-water, als:

    • a.

      de activiteit nodig is voor het verrichten van een activiteit die is toegestaan op grond van één van de andere paragrafen van dit hoofdstuk; en

    • b.

      de activiteit maximaal twee weken duurt.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 2.2eerste lid, geldt niet voor het verrichten van een activiteit in een a-water, in de daarbij behorende beschermingszone of in een b-water, als:

    • a.

      de activiteit maximaal een week duurt; en

    • b.

      bij de activiteit geen werk wordt geplaatst dat langer dan een week aanwezig is.

Artikel 2.113 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het verrichten van een activiteit in een b-water wordt voldaan aan artikel 2.116, als:

    • a.

      de activiteit maximaal twee weken duurt; en

    • b.

      de activiteit nodig is voor het verrichten van een activiteit die is toegestaan op grond van één van de andere paragrafen van dit hoofdstuk.

  • 2.

    Bij het verrichten van een activiteit in een a-water, in de daarbij behorende beschermingszone of in een b-water wordt voldaan aan de artikelen 2.114 tot en met 2.116, als:

    • a.

      de activiteit maximaal een week duurt; en

    • b.

      bij de activiteit geen werk wordt geplaatst dat langer dan een week aanwezig is.

Artikel 2.114 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden, als de activiteit langer duurt dan een uur.

Artikel 2.115 Herstel na uitvoering 

Na het uitvoeren van de activiteit worden het oppervlaktewaterlichaam en de beschermingszone teruggebracht in de staat zoals deze voor uitvoering van de activiteit was.

Artikel 2.116 Bescherming watersysteem
  • 1.

    De waterafvoer van de aangrenzende percelen blijft gewaarborgd.

  • 2.

    Alle materialen die vrijkomen bij het verrichten van de activiteit, worden verwijderd.

Artikel 2.117 Maatwerkvoorschriften 

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de uitvoering en de locatie van het werk, bedoeld in artikel 2.112tweede lid.

Afdeling 2.23 Overige activiteiten in het profiel van vrije ruimte

Artikel 2.118 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, voor zover de paragrafen 2.2 tot en met 2.21 daarop niet van toepassing zijn.

Artikel 2.119 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 2.2derde lid, geldt niet voor het plaatsen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam, als:

  • a.

    het werk eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden; of

  • b.

    het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.120 Aanwijzing algemene regels

Bij het plaatsen, wijzigen of behouden van een werk in het profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam wordt voldaan aan artikel 2.121, als:

  • a.

    het werk eenvoudig ongedaan gemaakt kan worden; of

  • b.

    het een bestaand werk is dat door de werkzaamheden niet verandert in vorm of afmeting.

Artikel 2.121 Verwijdering van het werk

Het werk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip.

Afdeling 2.24 Lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuivertechnisch werk 

Paragraaf 2.24.1 Algemeen
Artikel 2.122 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op lozingsactiviteiten op een beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam of eenzuiveringtechnisch werk, dat in beheer is bij het waterschap.

Artikel 2.123 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • b.

    het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen; en

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.

Artikel 2.124 Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 2.125 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.123, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • c.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • d.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • e.

      lozingen op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • f.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; en

    • g.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd.

Artikel 2.126 Maatwerkvoorschriften 
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 2.123 en 2.130 tot en met 2.184.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 2.130 tot en met 2.184.

Artikel 2.127 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 2.128 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadresstaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 2.127, wijzigt, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Artikel 2.129 Gegevens en bescheiden op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap 
  • 1.

    Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn, gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de ontwikkelingen over die kwaliteit.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 2.130 Informeren over een ongewoon voorval
  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen.

Artikel 2.131 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van:

    • a.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      wonen

Artikel 2.132 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het debiet in kubieke meters per uur van het te lozen afvalwater;

  • b.

    de regelmaat waarmee lozingen plaatsvinden;

  • c.

    een aanduiding of de lozing continu of niet-continu plaatsvindt;

  • d.

    een riooltekening;

  • e.

    de locaties van de lozingspunten;

  • f.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van het lozen en de verwachte duur ervan;

  • g.

    een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de lozingen te voorkomen of te beperken;

  • h.

    een onderbouwing van de noodzaak om te lozen;

  • i.

    de samenstelling van het afvalwater dat wordt geloosd;

  • j.

    de resultaten van de bepaling van de waterbezwaarlijkheid van de stoffen die worden geloosd, verricht volgens de Algemene BeoordelingsMethodiek, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • k.

    de resultaten van de immissietoets voor de te lozen stoffen, verricht volgens het Handboek Immissietoets, bedoeld in bijlage XVIII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • l.

    een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd.

Artikel 2.133 Beoordelingsregel omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk is artikel 8.88 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.134 Voorschriften omgevingsvergunning lozingsactiviteit

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk zijn de artikelen 8.92 en 8.93 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2.24.2 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering 
Artikel 2.135 Lozen van grondwater bij saneringen 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.1, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 2.1 Emissiegrenswaarden bij lozen in een aangewezen oppervlaktelichaam

    Stof 

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l 

    Naftaleen

    0,2 μg/l

    PAK´s

    1 μg/l

    BTEX

    50 μg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 μg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 μg/l

    Minerale olie

    500 μg/l

    Cadmium

    4 μg/l

    Kwik

    1 μg/l

    Koper

    11 μg/l

    Nikkel

    41 μg/l

    Lood

    53 μg/l

    Zink

    120 μg/l

    Chroom

    24 μg/l

    Onopgeloste stoffen 

    50 mg/l

     
  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.2, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 2.2 Emissiegrenswaarden 

    Stof

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 μg/l

    PAK´s

    1 μg/l

    Minerale olie

    50 μg/l

    Cadmium

    0,4 μg/l

    Kwik

    0,1 μg/l

    Koper

    1,1 μg/l

    Nikkel

    4,1 μg/l

    Lood

    5,3 μg/l

    Zink

    12 μg/l

    Chroom

    2,4 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    20 mg/l

    Benzeen

    2 μg/l

    Tolueen

    7 μg/l

    Ethylbenzeen

    4 μg/l

    Xyleen

    4 μg/l

    Tetrachlooretheen

    3 μg/l

    Trichlooretheen

    20 μg/l

    1,2-dichlooretheen

    20 μg/l

    1,1,1 trichloorethaan

    20 μg/l

    Vinylchloride

    8 μg/l

    Som van de vijf hierbovenstaande stoffen

    20 μg/l

    Monochloorbenzeen

    7 μg/l

    Dichloorbenzenen

    3 μg/l

    Trichloorbenzenen

    1μg/l

     
Artikel 2.136 Lozen van grondwater bij ontwatering 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat grondwater:

    • a.

      niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering; en

    • b.

      geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is.

  • 2.

    Voor het te lozen grondwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van grondwater bij wonen.

Artikel 2.137 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;f. voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2; en

    • f.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Artikel 2.138 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 6.11 en 6.12, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater bij ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Paragraaf 2.24.3 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Artikel 2.139 Lozen van afvloeiend hemelwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat hemelwater:

    • a.

      niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

    • b.

      geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • c.

      geen overig afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam geloosd als lozen op of in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 2.140 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de lozingsactiviteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van de lozingsactiviteit door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.24.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater 
Artikel 2.141 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater alleen op een oppervlaktewaterlichaam geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.142 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.3.

    Tabel 2.3 Emissiegrenswaarden bij lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biomedisch zuurstofgebruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen 

    30 mg/l

    60 mg/l

     
  • 3.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden bij het lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam de waarden, bedoeld in tabel 2.4. 

    Tabel 2.4 Emissiegrenswaarden bij lozen op een niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    20 mg/l

    40 mg/l 

    Chemisch zuurstofverbruik 

    100 mg/l

    200 mg/l

    Totaal stikstof

    30 mg/l

    60 mg/l

    Ammoniumstikstof

    2 mg/l

    4 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

    Fosfor totaal

    3 mg/l

    6 mg/l

     
  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat en voor vermenging met ander afvalwater door een septictank wordt geleid:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    Het eerste tot en met derde lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 2.143 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1 of NEN-EN 1899-1;

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705;

    • c.

      voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923;

    • d.

      voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

    • e.

      voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en

    • f.

      voor totaal fosfor: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.144 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.141, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater op een oppervlaktewaterlichaam:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen

Paragraaf 2.24.5 Lozen van koelwater 
Artikel 2.145 Koelwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

  • 3.

    De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 1000 kJ/s bij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

  • 4.

    De warmtevracht van het te lozen koelwater is niet meer dan 10 kJ/s bij het lozen op een niet- aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.146 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.145, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.24.6 Lozen bij reinigen, conserveren, bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken
Artikel 2.147 Bij reinigen en conserveren geen afvalwater lozen

Afvalwater afkomstig van het reinigen of conserveren van bouwwerken wordt niet geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, tenzij het gaat om:

  • a.

    afvalwater afkomstig van het afwassen met water; of

  • b.

    afvalwater afkomstig van het schoonspuiten met water onder een druk van ten hoogste 200 bar.

Artikel 2.148 Werkinstructie bij reinigen en conserveren 
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het reinigen of conserveren van bouwwerken:

    • a.

      is een werkinstructie opgesteld; en

    • b.

      wordt voor het deel van het bouwwerk dat boven de waterspiegel ligt een hulpconstructie voor de opvang van stoffen gebruikt die is afgestemd op de gebruikte techniek, de gebruikte stoffen en de stoffen die kunnen vrijkomen.

  • 2.

    In de werkinstructie is in ieder geval opgenomen:

    • a.

      welke technieken worden toegepast;

    • b.

      welke stoffen kunnen vrijkomen; en

    • c.

      welke stoffen worden gebruikt.

  • 3.

    Als een hulpconstructie wordt gebruikt, is in de werkinstructie ook opgenomen:

    • a.

      op welke manier de vloer, de zijwanden en de bovenzijde van de hulpconstructie zijn uitgevoerd;

    • b.

      wat de omvang van het bouwwerk dat wordt gereinigd of geconservee rd is en wat de omvang van de hulpconstructie is;

    • c.

      of de constructie een afzuiging met permanente onderdruk heeft;

    • d.

      op welke manier afvalwater wordt opgevangen, als natte technieken worden gebruikt; en

    • e.

      welke aanvullende maatregelen worden getroffen als wordt gewerkt bij een windsnelheid van meer dan 8 m/s.

Artikel 2.149 Werkinstructie bij bouwen en slopen 

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het bouwen, renoveren of slopen van bouwwerken is er een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:

  • a.

    op welke manier wordt gebouwd, gerenoveerd of gesloopt; en

  • b.

    welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat stoffen die worden gebruikt of die kunnen vrijkomen, in het oppervlaktewaterlichaam terechtkomen.

Artikel 2.150 Beperken stof in het oppervlaktewaterlichaam 

Met het oog op het voorkomen of beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie, is voor de emissie in de lucht de emissiegrenswaarde voor stof 10 mg/Nm,  gemeten in een eenmalige meting.

Artikel 2.151 Meet- en rekenbepalingen

Op het meten van stof bij het afzuigen van lucht vanuit een hulpconstructie is NEN-EN 13284-1 van toepassing.

Artikel 2.152 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen2.147 tot en met 2.149, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      voor het lozen afkomstig van reinigen of conserveren van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.148; of

    • b.

      voor het lozen afkomstig van het bouwen of slopen van een bouwwerk: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.149.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Paragraaf 2.24.7 Lozen bij opslaan en overslaan van inerte goederen
Artikel 2.153 Inerte goederen 

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; enn. vlakglas.

Artikel 2.154 Lozen bij opslaan van inerte goederen 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan te lozen afvalwater, dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.155 Lozen bij overslaan van inerte goederen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan bij het overslaan van inerte goederen in de buitenlucht worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

  • 3.

    Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:

    • a.

      de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of

    • b.

      het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op het overslaan van inerte goederen bij wonen.

Paragraaf 2.24.8 Lozen bij opslaan of overslaan van andere dan inerte goederen
Artikel 2.156 Lozen bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.1058, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater te lozen afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen, worden geloosd op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam, als de afstand tot een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten of geloosd meer dan 40 m is, gerekend vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.5, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 2.5 Emissiegrenswaarden 

    Stof

    Emissiegrenswaarde in μg/lof mg/l 

    Som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink

    1 mg/l

    Minerale olie

    20 mg/l

    Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

    50 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Som van stikstofverbindingen

    10 mg/l

    Som van fosforverbindingen

    2 mg/l

     

    200 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik
Artikel 2.157 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705;

    • c.

      voor olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • d.

      voor arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • e.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • f.

      voor nitrietstikstof en nitraatstikstof: NEN-EN-ISO 13395 of NEN-ISO 15923;

    • g.

      voor organisch stikstof: NEN-ISO 5663 of NEN 6646;

    • h.

      voor ammoniumstikstof: NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-EN-ISO 15923-1; en

    • i.

      voor de som van fosforverbindingen: NEN-EN-ISO 15681-1, NEN-EN-ISO 15681-2, NEN-EN-ISO 6878, NEN-EN-ISO 11885 of NEN-EN-ISO 17294-2.

Artikel 2.158 Lozen bij overslaan van niet-inerte goederen 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam bij:

    • a.

      het bedrijfsmatig overslaan van niet-inerte goederen;

    • b.

      het overslaan van zout voor het strooien op wegen;

    • c.

      het overslaan van niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en

    • d.

      het overslaan van niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

  • 2.

    Bij het overslaan van die goederen in de buitenlucht wordt zo veel mogelijk voorkomen dat goederen op een oppervlaktewaterlichaam geraken.

  • 3.

    Aan het tweede lid wordt bij het laden en lossen van schepen in ieder geval voldaan als:

    • a.

      de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 m; of

    • b.

      het schip waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

Artikel 2.159 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.156 en 2.158, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de stoffen die worden opgeslagen of overgeslagen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het overslaan van:

    • a.

      zout voor het strooien op wegen;

    • b.

      niet-inerte goederen die vrijkomen bij een werk; en

    • c.

      niet-inerte goederen die nodig zijn in een werk.

Paragraaf 2.24.9 Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater 
Artikel 2.160 Lozen van afvalwater vanuit gemeentelijke rioolstelsels

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar ontwateringsstelsel, een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als:

  • a.

    het lozen is gestart voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

  • b.

    dat stelsel of dat riool voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, van de Omgevingswet, en dat stelsel of dat riool volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 2.161 Lozen vanuit huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Paragraaf 2.24.10 Lozen bij ontgravingen, baggerwerkzaamheden en werkzaamheden door de waterbeheerder op een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 2.162 Lozen bij ontgravingen en baggerwerkzaamheden

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.163 Werkinstructie bij verontreinigde waterbodem

Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam is bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een waterbodem met de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, een werkinstructie opgesteld, waarin in ieder geval is opgenomen:

  • a.

    de toe te passen baggertechniek, en

  • b.

    de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.

Artikel 2.164 Lozen bij werkzaamheden door de waterbeheerder 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen stoffen die vrijkomen bij andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 2.162 op een oppervlaktewaterlichaam en worden verricht door of namens de waterbeheerder in het kader van het waterbeheer, worden geloosd op dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.165 Lozen van algen en bacteriën

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen kunnen algen en bacteriën uit een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd op een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde waterbeheerder, als die werkzaamheden plaatsvinden door of namens de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.166 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.162, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem;

    • b.

      als de waterbodem de kwaliteitsklasse ‘sterk verontreinigd’, bedoeld in artikel 29, derde lid, onder a, van het Besluit bodemkwaliteit, heeft: de werkinstructie, bedoeld in artikel 2.163; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing als de ontgraving of baggerwerkzaamheden plaatsvinden door de beheerder of ter uitvoering van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

Paragraaf 2.24.11 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
Artikel 2.167 Lozen van reinigingswater drinkwaterleidingen 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

  • 2.

    Aan het water dat voor het schoonmaken en in gebruik nemen wordt gebruikt, worden geen chemicaliën toegevoegd.

Paragraaf 2.24.12 Lozen bij calamiteitenoefeningen 
Artikel 2.168 Lozen bij calamiteitenoefeningen 

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, anders dan afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

Artikel 2.169 Gegevens en bescheiden 

Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.168, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    of er blusschuim bij de oefening wordt gebruikt; en

  • b.

    welke stoffen dat blusschuim bevat.

Paragraaf 2.24.13 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen 
Artikel 2.170 Lozen vanuit andere gebouwen dan een kas 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het telen of kweken van gewassen in een gebouw, anders dan een kas, ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.6, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 2.6 Emissiegrenswaarden 

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/l

    Onopgeloste stoffen 

    100 mg/l

    Biochemisch zuurstofverbruik

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    300 mg/l

     
  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.171 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd, als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop kan worden geloosd, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 100 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.172 Lozen bij sorteren van biologisch geteelde gewassen 
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan, met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater, te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteelde gewassen ook op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.7, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 2.7 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Biochemisch zuurstofverbruik

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    300 mg/l 

     
Artikel 2.173 Lozen bij omgekeerde osmose en ionenwisselaars 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het zuiveren van water door omgekeerde osmose of ionenwisselaars voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 2.8, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 2.8 Emissiegrenswaarden 

    Stof

    Emissiegrenswaarde in mg/l

    Chloride

    200 mg/l

    IJzer

    2 mg/l

     
  • 3.

    De artikelen 4.801 en 4.804 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing.

Artikel 2.174 Lozen bij ontijzeren grondwater 
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontijzeren van grondwater voor agrarische activiteiten, worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam als het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk waarop kan worden geloosd en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 m is.

  • 2.

    Voor het te lozen afvalwater is de emissiegrenswaarde voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, wordt de afstand bij voortzetting van het lozen dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

Artikel 2.175 Meet- en rekenbepalingen 
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • b.

      onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • c.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: ISO 5815-1/2 of NEN-EN 1899-1/2; en

    • d.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705.

Artikel 2.176 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in de artikelen 2.170 tot en met 2.174, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.24.14 Lozen bij maken van betonmortel en uitwassen van beton
Artikel 2.177 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute 

Als in het omgevingsplan voor afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel, het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd of het uitwassen van beton een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van de artikelen 4.140, eerste lid, en 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in die artikelen, geloosd op een oppervlaktewaterlichaam of via die andere route.

Paragraaf 2.24.15 Lozen bij niet-industriële voedselbereiding
Artikel 2.178 Afbakening met Besluit activiteiten leefomgeving 

Deze paragraaf is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van de voedingsmiddelenindustrie, bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving met uitzondering van het lozen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 2.179 Lozen bereiden van voedingsmiddelen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam, als het bereiden plaatsvindt met:

    • a.

      grootkeukenapparatuur;

    • b.

      één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • c.

      één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kilowatt.

  • 2.

    Het afvalwater wordt alleen gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater geloosd, en wordt alleen geloosd voor zover de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daar mee samenhangende activiteiten.

Artikel 2.180 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.179, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.24.16 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers 
Artikel 2.181 Lozen van spuiwater uit recreatieve visvijvers

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.182 Gegevens en bescheiden 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de lozingsactiviteit, bedoeld in artikel 2.181, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de lozingsactiviteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het dagelijks bestuur van het waterschap.

Paragraaf 2.24.17 Lozen vanaf vaartuigen of andere drijvende werktuigen bij spoelen of scheiden van zand of grind
Artikel 2.183 Lozen van spoelwater

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen de volgende afvalwaterstromen afkomstig van een vaartuig of ander drijvend werktuig, op een oppervlaktewaterlichaam worden geloosd:

  • a.

    afvalwater dat vrijkomt bij het spoelen van zeezand tijdens het transport daarvan met een vaartuig of werktuig; en

  • b.

    afvalwater dat vrijkomt bij het op dat vaartuig of werktuig scheiden van zand of grind.

Paragraaf 2.24.18 Asverstrooiing
Artikel 2.184 Asverstrooiing

Het op een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.

Paragraaf 2.24.19 Andere lozingen
Artikel 2.185 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het lozen, bedoeld in de paragrafen 2.24.2 tot en met 2.24.18

    • c.

       het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en

    • d.

      het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen.

Artikel 2.186 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Paragraaf 2.24.20 Aanvraagvereisten aanvraag omgevingsvergunning lozingsactiviteit 
Artikel 2.187 Vangnetvergunningplicht lozen op oppervlaktewater
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam te verrichten, als daarbij stoffen of warmte worden geloosd. 

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het lozen van stoffen of warmte op een oppervlaktewaterlichaam afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

    • b.

      het lozen, bedoeld in de afdelingen 2.24.3 tot en met 2.24.19;

    • c.

      het lozen van water dat afkomstig is uit dat oppervlaktewaterlichaam en waaraan geen stoffen zijn toegevoegd; en

    • d.

      het lozen van stoffen of warmte afkomstig van wonen.

Artikel 2.188 Vangnetvergunningplicht lozen op zuiveringtechnisch werk
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk te verrichten.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het lozen van stoffen, water of warmte op een zuiveringtechnisch werk afkomstig van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Hoofdstuk 3 Activiteiten bij waterkeringen

Afdeling 3.1 Algemeen 

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied met betrekking tot een waterkering.

Artikel 3.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een regionale waterkering, of beschermingszone A bij een waterkering:

    • a.

      handelingen te verrichten;

    • b.

      werken te behouden; of

    • c.

      vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een overige waterkering:

    • a.

      bouwwerken aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of te verwijderen;

    • b.

      beplanting in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen;

    • c.

      ontgravingen uit te voeren of ophogingen aan te brengen;

    • d.

      te boren of te sonderen; of

    • e.

      kabels of leidingen aan te leggen, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen;

    • f.

      permanente ontgravingen van de schil uit te voeren.

  • 3.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden in het profiel van vrije ruimte bij een waterkering.

Afdeling 3.2 Onderhoud aan openbare wegen

Artikel 3.3 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van onderhoud aan openbare wegen in een waterkering en in de daarbij behorende beschermingszone A bij een waterkering

Artikel 3.4 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerstetweede en derde lid, gelden niet voor het uitvoeren van onderhoud aan een openbare weg in een waterkering of in de daarbij behorende beschermingszone A bij een waterkering, als het onderhoud alleen bestaat uit:

  • a.

    het vervangen van de toplaag van de weg, waarbij de verharding niet wordt uitgebreid;

  • b.

    het plaatsen, onderhouden, verwijderen en vervangen van verkeersborden waarvoor geen fundering in het leggerprofiel van de waterkering nodig is; of

  • c.

    het roven of aanvullen van de berm.

Artikel 3.5 Aanwijzing algemene regels
  • 1.

    Bij het uitvoeren van onderhoud aan een openbare weg in een waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.6 en 3.7, als het onderhoud bestaat uit het vervangen van de toplaag van de weg, waarbij de verharding niet wordt uitgebreid.

  • 2.

    Bij het uitvoeren van onderhoud aan een openbare weg in een waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.6 tot en met 3.8, als het onderhoud bestaat uit:

    • a.

      het plaatsen, onderhouden, verwijderen en vervangen van verkeersborden waarvoor geen fundering in het leggerprofiel van de waterkering nodig is; of

    • b.

      het roven of aanvullen van de berm.

Artikel 3.6 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 3.7 Afdichten van paalgaten

Bij het verwijderen van bebording worden de paalgaten afgedicht met klei.

Artikel 3.8 Periode van uitvoering 

Het onderhoud wordt alleen uitgevoerd in de periode van 1 april tot 1 oktober.

Afdeling 3.3 Regulier onderhoud aan percelen

Artikel 3.9 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van regulier onderhoud aan percelen in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.10 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

De verboden, bedoeld in artikel 3.2, gelden niet voor het uitvoeren van regulier onderhoud aan een perceel in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.11 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitvoeren van regulier onderhoud aan een perceel in beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan artikel 3.12.

Artikel 3.12 Graafwerkzaamheden 
  • 1.

    Er wordt niet dieper gegraven dan 0,5 meter, gemeten vanaf het maaiveld.

  • 2.

    Na het uitvoeren van het onderhoud wordt het maaiveld teruggebracht in de oorspronkelijke staat.

Afdeling 3.4 Eenvoudig verplaatsbare bouwwerken

Artikel 3.13 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen, hebben, onderhouden en verwijderen van eenvoudig verplaatsbare bouwwerken in beschermingszone A bij een regionale waterkering.

Artikel 3.14 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerste en derde lid, geldt niet voor het plaatsen, hebben, onderhouden of verwijderen van een eenvoudig verplaatsbaar bouwwerk in beschermingszone A bij een regionale waterkering.

Artikel 3.15 Aanwijzing algemene regels 

Bij het plaatsen, hebben, onderhouden of verwijderen van een eenvoudig verplaatsbaar bouwwerk in beschermingszone A bij een regionale waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.16 tot en met 3.18.

Artikel 3.16 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 3.17 Plaatsing van het bouwwerk
  • 1.

    Het bouwwerk, inclusief de fundering, wordt niet dieper ingegraven dan 0,30 meter.

  • 2.

    Paalvormige bouwwerken met een diameter van maximaal 15 cm worden grondverdringend aangebracht tot een diepte van maximaal 1 meter.

  • 3.

    Het bouwwerk wordt niet binnen 1 meter van de teenlijn van de waterkering geplaatst.

Artikel 3.18 Verwijdering van het bouwwerk
  • 1.

    Bij het verwijderen van paalvormige bouwwerken met een diameter van maximaal 15 cm worden de paalgaten aangevuld met (zwel)klei.

  • 2.

    Na het verwijderen van het bouwwerk wordt de bodem teruggebracht in de oorspronkelijke staat.

  • 3.

    Het bouwwerk wordt op eigen kosten verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als het verwijderen nodig is voor het uitvoeren van noodzakelijke waterstaatkundige werkzaamheden.

Afdeling 3.5 Beweiden

Artikel 3.19 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het weiden van alle soorten dieren in de regionale waterkering en in de daarbij behorende beschermingszone A bij een regionale waterkering en op het weiden met schapen en geiten in de regionale waterkering.

Artikel 3.20 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 3.2eerste lid, geldt niet voor het weiden van alle soorten dieren in de beschermingszone A bij een regionale waterkering en op het weiden met schapen en geiten in de regionale waterkering.

Artikel 3.21 Aanwijzing algemene regels

Bij het weiden van alle soorten dieren in de  beschermingszone A bij een regionale waterkering en op het weiden met schapen en geiten in de regionale waterkering wordt voldaan aan artikel 3.22.

Artikel 3.22 Verwijdering van de dieren
  • 1.

    Het weiden met schapen of geiten op een waterkering mag alleen in de periode tussen 1 april en 1 oktober.

  • 2.

    De dieren, schapen of geiten worden verwijderd op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip, als de instandhouding van de grasmat in gevaar is of in gevaar dreigt te komen.

Afdeling 3.6 Afrasteringen

Artikel 3.23 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het plaatsen, hebben, onderhouden en verwijderen van afrasteringen in een regionale waterkering, of in de daarbij behorende beschermingszone A bij een regionale waterkering.

Artikel 3.24 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerstetweede en derde lid, gelden niet voor het plaatsen, hebben, onderhouden of verwijderen van een afrastering in een regionale waterkering of in de daarbij behorende beschermingszone A bij een regionale waterkering.

Artikel 3.25 Aanwijzing algemene regels 
Artikel 3.26 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 3.27 Constructie 
  • 1.

    De afrastering: 

    • a.

      bestaat uit rasterpalen met daartussen staaldraad of schapengaas;

    • b.

      is maximaal 1,20 meter hoog;

    • c.

      wordt tot maximaal 1 meter diep grondverdringend aangebracht;

    • d.

      wordt voldoende veekerend uitgevoerd;

    • e.

      is eenvoudig te verwijderen; en

    • f.

      is zodanig open dat water vrijwel ongehinderd kan passeren.

  • 2.

    Palen en draad of gaas worden zodanig aangebracht dat het onderhoud aan de waterkering niet wordt belemmerd.

Artikel 3.28 Onderhoud

De afrastering wordt in goede staat gehouden.

Artikel 3.29 Afdichten paalgaten 

Bij verwijdering van de afrastering worden de paalgaten afgedicht met klei.

Afdeling 3.7 Gebruik van percelen als tuin of bouwland

Artikel 3.30 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van percelen als tuin of bouwland in een  overige waterkering en in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.31 Aanwijzing vergunning vrije gevallen

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerste en tweede lid, gelden niet voor het gebruiken van een perceel als tuin of bouwland in een overige waterkering, of in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.32 Aanwijzing algemene regels
Artikel 3.33 Toegestane werkzaamheden 

Er worden alleen werkzaamheden uitgevoerd die bestaan uit:

  • a.

    spitten, ploegen, eggen of andere vergelijkbare oppervlakkige grondroeringen en bewerkingen;

  • b.

    bemesten;

  • c.

    het zaaien, poten, telen of oogsten van éénjarige gewassen;

  • d.

    het aanbrengen of hebben van gras;

  • e.

    het planten, hebben of verwijderen van struiken; of

  • f.

    het planten, hebben of verwijderen van bomen die van nature lager blijven dan 5,0 m, gemeten vanaf maaiveld.

Artikel 3.34 Onderhoud aan de waterkering 

De gewassen en beplantingen vormen geen belemmering voor het beheer en onderhoud van de waterkering.

Artikel 3.35 Het planten van nieuwe bomen of struiken

Nieuwe bomen en struiken worden verder dan 10 meter uit de buitenteen en verder dan 4 meter uit de binnenteen van de waterkering geplant.

Afdeling 3.8 Beplanting

Artikel 3.36 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het snoeien en verwijderen van beplanting in een waterkering en in de daarbij behorende beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.37 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerste en tweede lid, gelden niet voor het snoeien en verwijderen van beplanting in een waterkering of in de daarbij behorende beschermingszone A.

Artikel 3.38 Aanwijzing algemene regels 
Artikel 3.39 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 3.40 Snoeien
  • 1.

    De boom wordt zodanig gesnoeid, dat zich een takvrije stamlengte van 4 meter kan ontwikkelen.

  • 2.

    Snoeihout en bladval worden verwijderd en afgevoerd.

Artikel 3.41 Geen schade
Artikel 3.42 Uitfrezen
  • 1.

    De wortelresten worden uitgefreesd.

  • 2.

    Het uitgefreesde materiaal wordt uit de wortelgaten verwijderd.

  • 3.

    Het uitgefreesde materiaal wordt verwerkt buiten de waterkering en buiten beschermingszone A.

Artikel 3.43 Kleigrond inbrengen
  • 1.

    In wortelgaten op de waterkering wordt kleigrond ingebracht van dezelfde samenstelling als de dijkbekleding. Deze kleigrond wordt zorgvuldig laagsgewijs verdicht.

  • 2.

    In wortelgaten in beschermingszone A bij een waterkering wordt kleigrond ingebracht van dezelfde samenstelling als het maaiveld. Deze kleigrond wordt zorgvuldig laagsgewijs verdicht.

Artikel 3.44 Bedekken wortelgaten 

Wortelgaten in de waterkering worden voorzien van geschikte graszoden of worden vóór 1 september ingezaaid met het graszaad "Natuurdijk II" of met daaraan gelijkwaardig graszaad.

Artikel 3.45 Seizoen voor werkzaamheden 

Werkzaamheden op een primaire of regionale waterkering worden alleen uitgevoerd in de periode van 1 april tot 1 oktober, tenzij de werkzaamheden uitgevoerd worden op of bij een compartimenteringskering.

Afdeling 3.9 Erfverharding

Artikel 3.46 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanbrengen, onderhouden en verwijderen van erfverharding in een overige waterkering en in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.47 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerstetweede en derde lid, gelden niet voor het aanbrengen, onderhouden of verwijderen van erfverharding in een overige waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.48 Aanwijzing algemene regels

Bij het aanbrengen, onderhouden of verwijderen van erfverharding in een overige waterkering of in beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.49 en 3.50.

Artikel 3.49 Toegestane werkzaamheden

Er worden alleen werkzaamheden uitgevoerd die bestaan uit:

  • a.

    grondroeringen van maximaal 30 centimeter diep;

  • b.

    het aanbrengen van open verharding; of

  • c.

    het aanbrengen van een zandbed voor open verharding.

Artikel 3.50 Aanvullen bij verwijdering 
  • 1.

    Bij het verwijderen van erfverharding wordt de ontstane ruimte aangevuld tot aan het maaiveld.

  • 2.

    Er wordt aangevuld met materiaal dat vergelijkbaar is met het omliggende maaiveld.

Afdeling 3.10 Kabels en leidingen

Artikel 3.51 Toepassingsbereik

Deze paragraafis van toepassing op het leggen, hebben, onderhouden, vervangenen verwijderen van kabels en leidingen in een waterkering, in de beschermingszone A bij een waterkering en in het profiel vrije ruimte bij een waterkering. 

Artikel 3.52 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 
  • 1.

    De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerstetweedeen derde lid, gelden niet voor het leggen, hebben, onderhouden, vervangen of verwijderen van een kabel of leiding in een  regionale waterkeringbeschermingszone A bij een regionale waterkering als het gaat om een huisaansluiting op het kabel- en leidingnetwerk, waarbij een open ontgraving is toegepast.

  • 2.

    De verboden, bedoeld in artikel 3.2tweede en derde lid, gelden niet voor het leggen, hebben, onderhouden, vervangen of verwijderen van een kabel of leiding in een overige waterkering, als het een leiding is die niet valt onder het toepassingsgebied van NEN3650-1. 

Artikel 3.53 Aanwijzing algemene regels 

Bij het leggen, hebben, onderhouden, vervangen of verwijderen van een kabel of leiding wordt voldaan aan de artikelen 3.54 en 3.55, als voor die kabel of leiding geen omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 3.52.

Artikel 3.54 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 3.55 Bescherming omgeving kabel en leiding
  • 1.

    Werkzaamheden in het buitentalud regionale waterkeringen worden alleen uitgevoerd tussen 1 april en 1 oktober.

  • 2.

    Bij het verrichten van de activiteit worden waterkeringen en waterkerende constructies niet gekruist.

  • 3.

    Proefsleuven die noodzakelijk zijn om de ligging van bestaande kabels of leidingen vast te stellen, worden met de hand gegraven.

  • 4.

    Het ontwerp, de aanleg en het beheer van een leiding voldoen aan de laatst vastgestelde NEN 3650-serie.

  • 5.

    Een kabel of leiding in een waterkering of in een beschermingszone wordt alleen aangelegd door middel van een open ontgraving.

  • 6.

    Een kabel of leiding in een waterkering of in een beschermingszone wordt uit één stuk uitgevoerd en wordt trekvast verbonden.

  • 7.

    Kunststof leidingen worden uitgevoerd in HDPE (PE80 of PE100) SDR11.

  • 8.

    Er worden alleen leidingen toegepast met een diameter van maximaal 125 millimeter.

  • 9.

    Toe te passen HDPE-leidingen worden gekoppeld door middel van spiegellassen of elektrolasmoffen.

  • 10.

    Bij verruiming van de diameter van de kabel of leiding worden verlooplasmoffen toegepast.

  • 11.

    Een sleuf wordt niet dieper en breder uitgegraven dan noodzakelijk is en wordt in ieder geval niet breder dan 0,5 meter en niet dieper dan 1 meter uitgegraven.

  • 12.

    Ontgravingen worden laagsgewijs uitgevoerd, waarbij verschillende grondsoorten gescheiden worden. Deze grondsoorten worden bij het aanvullen weer gebruikt en verdicht, zodanig dat de opbouw, draagkracht en waterdichtheid nagenoeg hetzelfde zijn als voor de werkzaamheden.

  • 13.

    Zowel voor het einde van iedere werkdag als na het voltooien van de werkzaamheden wordt de sleuf afgedicht met de uitkomende grond.

  • 14.

    Bij primaire waterkeringen worden huisaansluitingen voor binnendijkse nieuwbouw aangelegd en binnengevoerd vanaf het achterland.

  • 15.

    Beschadigde gedeelten van de grasmast worden vóór 1 september ofwel ingezaaid met het graszaad "Natuurdijk II" of met daarmee vergelijkbaar graszaad, ofwel voorzien van geschikte graszoden.Beschadigde gedeelten van de grasmast worden vóór 1 september ofwel ingezaaid met het graszaad "Natuurdijk II" of met daarmee vergelijkbaar graszaad, ofwel voorzien van geschikte graszoden.

  • 16.

    Bij een hoge rivierwaterstand worden de werkzaamheden gestaakt op een bij maatwerkvoorschrift te bepalen tijdstip. Bij dat maatwerkvoorschrift kunnen beschermende maatregelen voor de waterkering worden opgelegd.

Artikel 3.56 Maatwerkvoorschriften 

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over artikel 3.55, waarbij, in afwijking van dat artikel, ruimere maatvoeringen of andere uitvoeringswijzen worden toegestaan, als die voorschriften geen belemmering vormen voor het beheer, het onderhoud of de instandhouding van de kering.

Afdeling 3.11 Interne verbouwing van panden

Artikel 3.57 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van interne verbouwingen in bestaande panden in een waterkering en in de daarbij behorende beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.58 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerste en tweede lid, gelden niet voor het uitvoeren van een interne verbouwing in een bestaand pand in een waterkering of in de daarbij behorende beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.59 Aanwijzing algemene regels 

Bij het uitvoeren van een interne verbouwing in een bestaand pand in een waterkering of in de daarbij behorende beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan artikel 3.60.

Artikel 3.60 Geen constructieve wijziging 

Er wordt geen constructieve wijziging uitgevoerd aan een kelder, fundering of vloerpeil.

Afdeling 3.12 Bodemonderzoek

Artikel 3.61 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van bodemonderzoek in beschermingszone A bij een waterkering.

Artikel 3.62 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 

De verboden, bedoeld in artikel 3.2eerste en tweede lid, gelden niet voor het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek in beschermingszone A bij een waterkering, als dat onderzoek alleen bestaat uit het uitvoeren van sonderingen of grondboringen.

Artikel 3.63 Aanwijzing algemene regels

Bij het uitvoeren van bodemonderzoek in beschermingszone A bij een waterkering wordt voldaan aan de artikelen 3.64 tot en met 3.66, als dat onderzoek alleen bestaat uit het uitvoeren van sonderingen of grondboringen.

Artikel 3.64 Meldingsplicht

Het is verboden de activiteit te verrichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 3.65 Herstel waterdichtheid

De boor- en sondeergaten worden zodanig met bentoniet gevuld dat de waterdichtheid van de doorbroken grondlagen wordt hersteld.

Artikel 3.66 Geen werkzaamheden bij verhoogde waterspanning

Er worden geen sonderingen en grondboringen uitgevoerd als er een verhoogde waterspanning in de bodem is.

Artikel 3.67 Maatwerkvoorschriften 

Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over het uitvoeren van sonderingen en grondboringen.

Hoofdstuk 4 Activiteiten in bergingsgebieden

Afdeling 4.1 Activiteiten in bergingsgebieden

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van een activiteit in een bergingsgebied.

Artikel 4.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een bergingsgebied:

  • a.

    het maaiveld te verhogen;

  • b.

    een waterkerende constructie aan te brengen, te wijzigen of te verwijderen; of

  • c.

    een bouwwerk aan te brengen of te wijzigen.

Hoofdstuk 5 Activiteiten met grondwater

Afdeling 5.1 Algemeen

Artikel 5.1 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water.

  • 2.

    Deze afdeling is ook van toepassing op het ontwateren van gronden met drainagemiddelen.

Artikel 5.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te ontwateren met drainagemiddelen.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor gemeenten bij het treffen van maatregelen op grond van artikel 2.16, eerste lid, onder a, aanhef en onder 1° en 2°, van de Omgevingswet.

Artikel 5.3 Informatieplicht beëindiging vergunningplichtige onttrekkingen en infiltraties 

De houder van een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water informeert het bevoegd gezag tijdig over het voornemen om de onttrekking of infiltratie definitief te beëindigen.

Artikel 5.4 Gegevens en bescheiden van vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteiten 
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, waarvoor op grond van deze waterschapsverordening geen omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit is vereist, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

    • b.

      het aantal in te richten putten;

    • c.

      de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

    • d.

      de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

    • e.

      de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

    • f.

      de capaciteit van de pomp in kubieke meter per uur per put;

    • g.

      de hoeveelheid water in kubieke meter water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

    • h.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en

    • i.

      als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

      • 1.

        de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

      • 2.

        de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

      • 3.

        een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

      • 4.

        de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

      • 5.

        een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem te voorkomen of te beperken.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen melding van de wateronttrekkingsactiviteit hoeft te worden gedaan.

Artikel 5.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteiten 

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, voor aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

  • b.

    het aantal in te richten putten;

  • c.

    de coördinaten volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting van iedere put;

  • d.

    de diepte in meters van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het Normaal Amsterdams Peil;

  • e.

    de lengte in meters van het effectieve filter in iedere put;

  • f.

    de capaciteit van de pomp in kubieke meters water per uur per put;

  • g.

    de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar, die ten hoogste wordt onttrokken;

  • h.

    de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan;

  • i.

    een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de onttrekking en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken; en

  • j.

    als het gaat om het in samenhang met het onttrekken van grondwater in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater:

    • 1.

      de hoeveelheid water in kubieke meters water per uur, etmaal, maand en jaar die ten hoogste in de bodem wordt gebracht;

    • 2.

      de diepte in meters waarop het water in de bodem wordt gebracht;

    • 3.

      een beschrijving van de samenhang van het brengen van water in de bodem met de onttrekking;

    • 4.

      de herkomst en samenstelling van het water dat in de bodem wordt gebracht; en

    • 5.

      een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van het brengen van water in de bodem en de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken.

Artikel 5.6 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit 
  • 1.

    Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.89, tweede en derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.7 Voorschriften omgevingsvergunning infiltratie van water 

Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, die op grond van deze waterschapsverordening is vereist, is artikel 8.94 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.8 Meetverplichting onttrekken van grondwater en infiltratie van water 
  • 1.

    Degene die grondwater onttrekt door een daarvoor bedoelde voorziening of water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.

  • 2.

    Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan het dagelijks bestuur van het waterschap in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit of, als geen omgevingsvergunning is vereist, bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.

  • 3.

    Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in tabel 3.1 opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.

    Tabel 3.1 Parameters en meetfrequentie

    Parameter

    Afkorting

    Frequentie 

    bacteriën van de coligroep

     

    vierwekelijks

    Kleur

     

    vierwekelijks

    zwevende stof

    SS

    vierwekelijks

    geleidingsvermogen voor elektriciteit

     

    vierwekelijks

    temperatuur

    T

    vierwekelijks

    zuurgraad

    pH

    vierwekelijks

    opgelost zuurstof

    O2

    vierwekelijks

    totaal organisch koolstof

    TOC

    vierwekelijks

    bicarbonaat

    HCO3

    vierwekelijks

    nitriet

    NO2

    vierwekelijks

    nitraat

    NO3

    vierwekelijks

    ammonium

    NH4

    vierwekelijks

    totaal fosfaat

    Totaal P

    vierwekelijks

    fluoride

    F

    driemaandelijks

    chloride

    CI

    vierwekelijks

    sulfaat

    SO4

    driemaandelijks

    natrium

    Na

    driemaandelijks

    ijzer

    Fe

    driemaandelijks

    mangaan

    Mn

    driemaandelijks

    chroom

    Cr

    driemaandelijks

    lood

    Pb

    driemaandelijks

    koper

    Cu

    driemaandelijks

    zink

    Zn

    driemaandelijks

    cadmium

    Ca

    driemaandelijks

    arseen

    As

    driemaandelijks

    cyanide

    CN

    driemaandelijks

    minerale olie 

     

    vierwekelijks

    adsorbeerbaar organisch halogeen

    AOX

    vierwekelijks

    vluchtig organisch gebonden chloor

    VOC

    vierwekelijks

    vluchtige aromaten

     

    vierwekelijks

    polycyclische aromaten

    PAK

    driemaandelijks

    fenolen

     

    driemaandelijks

     
  • 4.

    Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan het dagelijks bestuur van het waterschap de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en

    • b.

      de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

  • 5.

    De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 bij de Drinkwaterregeling.

  • 6.

    Het eerste tot en met vijfde lid gelden niet:

    • a.

      voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.34, eerste lid, onder b en c, en 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      voor zover in deze waterschapsverordening is bepaald dat geen metingen hoeven te worden verricht.

Afdeling 5.2 Drainage

Artikel 5.9 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het ontwateren van gronden met drainagemiddelen.

Artikel 5.10 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in artikel 5.2 tweede lid, geldt niet voor het ontwateren van gronden met drainagemiddelen buiten beschermd gebied, attentiegebied en beekdal.

Artikel 5.11 Aanwijzing algemene regels

Bij het ontwateren van gronden met drainagemiddelen buiten beschermd gebied, attentiegebied en beekdal wordt voldaan aan de artikelen 5.12 en 5.13.

Artikel 5.12 Onderhoud

Het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd of onmogelijk gemaakt.

Artikel 5.13 Bescherming oppervlaktewaterlichaam
  • 1.

    Het (doorstroom)profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet aangetast.

  • 2.

    Binnen een straal van 0,5 meter rondom het drainagemiddel worden in het talud alle voor het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam schadelijke begroeiing en afval verwijderd.

Afdeling 5.3 Beregenen van grasland

Artikel 5.14 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland.

Artikel 5.15 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 
Artikel 5.16 Aanwijzing algemene regels 
Artikel 5.17 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden grondwater te onttrekken voor het beregenen van grasland zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden, als:

    • a.

      er niet eerder een melding is gedaan voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland; of

    • b.

      er eerder een melding is gedaan voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen van grasland, maar de voorgenomen onttrekking afwijkt van de bij die melding verstrekte gegevens.

  • 2.

    De melding bevat:

    • a.

      de locatie van de put;

    • b.

      de maximale pompcapaciteit;

    • c.

      de diepte van de put; en

    • d.

      het bedrijfswaterplan.

  • 3.

    Onttrekkingen die voldoen aan artikel 5.16tweede of derde lid moeten worden gemeld overeenkomstig het door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier.

Artikel 5.18 Meldingsplicht booractiviteit

Het is verboden een put te boren of af te dichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 5.19 Informatieplicht boring en afdichting 

Binnen vier weken na afloop van de boring of afdichting wordt de beschrijving van het veldwerk, bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit, verstrekt aan het bestuur.

Artikel 5.20 Bescherming grondwater 
  • 1.

    Het onttrokken grondwater wordt alleen gebruikt voor het beregenen van grasland.

  • 2.

    De houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd voorafgaand aan de onttrekking.

  • 3.

    Bij het opstellen en uitvoeren van het bedrijfswaterplan wordt voldaan aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 5.21 Hoeveelheid van de onttrekking

Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik.

Artikel 5.22 Afdichten put

Een put die niet langer gebruikt wordt of niet meer geschikt is voor het gebruik waarvoor deze is aangelegd, wordt afgedicht.

Afdeling 5.4 Beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt

Artikel 5.23 Toepassingsbereik 

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt.

Artikel 5.24 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 
Artikel 5.25 Aanwijzing algemene regels 
Artikel 5.26 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden grondwater te onttrekken voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden, als:

    • a.

      er niet eerder een melding is gedaan voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw of vollegronds boomteelt; of

    • b.

      er eerder een melding is gedaan voor het onttrekken van grondwater voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw of vollegronds boomteelt, maar de voorgenomen onttrekking afwijkt van de bij die melding verstrekte gegevens.

  • 2.

    De melding bevat:

    • a.

      de locatie van de put(ten);

    • b.

      de maximale pompcapaciteit;

    • c.

      de diepte van de put; en

    • d.

      het bedrijfswaterplan.

  • 3.

    Onttrekkingen die voldoen aan artikel 5.25 tweede of derde lid moeten worden gemeld overeenkomstig het door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier.

Artikel 5.27 Meldingsplicht booractiviteit

Het is verboden een put te boren of af te dichten zonder dit tenminste vier weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 5.28 Informatieplicht boring en afdichting

Binnen vier weken na afloop van de boring of afdichting wordt de beschrijving van het veldwerk, bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit, verstrekt.

Artikel 5.29 Bescherming grondwater
  • 1.

    Het onttrokken grondwater wordt alleen gebruikt voor het beregenen voor akkerbouw, vollegronds tuinbouw, vollegronds boomteelt, glastuinbouw, container- en substraatteelt.

  • 2.

    De houder van de onttrekkingsinrichting beschikt over een bedrijfswaterplan en de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd voorafgaand aan de onttrekking.

  • 3.

    Bij het opstellen en uitvoeren van het bedrijfswaterplan wordt voldaan aan de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 5.30 Hoeveelheid van de onttrekking

Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik.

Artikel 5.31 Afdichten put

Een put die niet langer gebruikt wordt of niet meer geschikt is voor het gebruik waarvoor deze is aangelegd, wordt afgedicht.

Afdeling 5.5 Brandblusvoorzieningen

Artikel 5.32 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het onttrekken van grondwater voor brandblusvoorzieningen.

Artikel 5.33 Aanwijzing vergunningvrije gevallen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening, als:

    • a.

      de brandblusvoorziening noodzakelijk is op grond van de bepalingen over brandbestrijding van het Besluit bouwwerken leefomgeving en er geen redelijk alternatief is voor het gebruik van grondwater om aan die bepalingen te kunnen voldoen;

    • b.

      de brandblusvoorziening: 

      • 1.

        een geboorde put is die is voorzien van een aansluitstuk voor gebruik door de brandweer; of 

      • 2.

        onderdeel uitmaakt van een brandblusinstallatie, conform de daarvoor geldende (landelijke) normen en voorschriften;

    • c.

      er alleen grondwater wordt onttrokken voor de brandblusvoorziening of voor het vereiste onderhoud aan de put; en

    • d.

      de put niet dieper is dan: 

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening, als:

Artikel 5.34 Aanwijzing algemene regels 
  • 1.

    Bij het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening wordt voldaan de artikelen 5.37 en 5.38, als de onttrekking vergunningvrij is op grond van artikel 5.2.

  • 2.

    Bij het boren of afdichten van een put voor het onttrekken van grondwater voor een brandblusvoorziening wordt voldaan aan de artikelen 5.35 en 5.36, als hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is op de boring of afdichting.

Artikel 5.35 Meldingsplicht booractiviteit

Het is verboden een put te boren of af te dichten zonder dit tenminste twee weken voor het begin ervan te melden.

Artikel 5.36 Informatieplicht boring en afdichting

Binnen vier weken na afloop van de boring of afdichting wordt de beschrijving van het veldwerk, bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit, verstrekt.

Artikel 5.37 Hoeveelheid van de onttrekking

Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik.

Artikel 5.38 Afdichten put 

Een put die niet langer gebruikt wordt of niet meer geschikt is voor het gebruik waarvoor deze is aangelegd, wordt afgedicht.

Afdeling 5.6 Tijdelijke bronbemalingen

Artikel 5.39 Toepassingsbereik 

Deze afdeling is van toepassing op het tijdelijk onttrekken van grondwater voor bronbemaling.

Artikel 5.40 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling, als:

    • a.

      de te onttrekken hoeveelheid grondwater maximaal 70 m3 per uur is; en

    • b.

      de onttrekking niet langer dan vijf dagen op één locatie plaatsvindt.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling binnen een beschermd gebied, als:

    • a.

      de bronbemaling alleen gebruikt wordt voor het droog houden van een bouwput voor: 

      • 1.

        bouwkundige of civieltechnische werking; of

      • 2.

        bodemsanering;

    • b.

      de te onttrekken hoeveelheid grondwater maximaal 50.000 m3 per maand is;

    • c.

      de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden; en

    • d.

      het onttrokken grondwater volledig wordt teruggebracht in de bodem.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling , als:

    • a.

      de bronbemaling alleen gebruikt wordt voor het droog houden van een bouwput voor: 

      • 1.

        bouwkundige of civieltechnische werking; of

      • 2.

         bodemsanering; 

    • b.

      de te onttrekken hoeveelheid grondwater maximaal 50.000 m3 per maand is; en

    • c.

      de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2eerste lid, geldt niet voor het onttrekken van grondwater voor bronbemaling, als:

    • a.

      de onttrekkingsinrichting is gelegen buiten beschermd gebied;

    • b.

      de pompcapaciteit maximaal 10 m3 water per uur is; en

    • c.

      de put niet dieper is dan: 

Artikel 5.41 Aanwijzing algemene regels
Artikel 5.42 Bescherming grondwater 
  • 1.

    De verlaging van de grondwaterstand en de hoeveelheid water die onttrokken wordt, zijn niet groter dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van het werk.

  • 2.

    De onttrekking duurt niet langer dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van het werk.

Artikel 5.43 Hoeveelheid van de onttrekking 

Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik.

Artikel 5.44 Afdichten put 

Een put die niet langer gebruikt wordt of niet meer geschikt is voor het gebruik waarvoor deze is aangelegd, wordt afgedicht.

Afdeling 5.7 Grondwatersanering

Artikel 5.45 Toepassingsbereik 

Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van grondwatersaneringen.

Artikel 5.46 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van een grondwatersanering binnen een beschermd gebied, als:

    • a.

      de te onttrekken hoeveelheid grondwater maximaal 20.000 m3 per maand is;

    • b.

      de onttrekking niet langer duurt dan 30 maanden; en

    • c.

      het onttrokken grondwater volledig wordt teruggebracht in de bodem.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van een grondwatersanering buiten beschermd gebied, als:

    • a.

      de te onttrekken hoeveelheid grondwater maximaal 20.000 m3 per maand is; en

    • b.

      de onttrekking niet langer duurt dan 30 maanden.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.2tweede lid, geldt niet voor het uitvoeren van een grondwatersanering, als:

Artikel 5.47 Aanwijzing algemene regels 
  • 1.

    Bij het uitvoeren van een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 5.48 en 5.50, als de activiteit vergunningvrij is op grond van artikel 5.46tweede en derde lid.

  • 2.

    Bij het uitvoeren van een grondwatersanering wordt voldaan aan de artikelen 5.49 en 5.50, als:

Artikel 5.48 Bescherming grondwater 
  • 1.

    De verlaging van de grondwaterstand en de hoeveelheid water die onttrokken wordt, zijn niet groter dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van het werk.

  • 2.

    De onttrekking duurt niet langer dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van de grondwatersanering.

Artikel 5.49 Hoeveelheid van de onttrekking

Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik. 

Artikel 5.50 Afdichten put 

Een put die niet langer gebruikt wordt of niet meer geschikt is voor de grondwatersanering wordt afgedicht.

Afdeling 5.8 Veedrenkputten en overige grondwateronttrekkingen

Artikel 5.51 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op: 

  • a.

    het onttrekken van grondwater voor veedrenkputten; en

  • b.

    het onttrekken van grondwater, voor zover de vorige paragrafen 5.2 tot en met 5.7 daarop niet van toepassing zijn.

Artikel 5.52 Aanwijzing vergunningvrije gevallen 
Artikel 5.53 Aanwijzing algemene regels 

Bij het onttrekken van grondwater wordt voldaan aan de artikelen 5.54 en 5.55, als de activiteit vergunningvrij is op grond van artikel 5.52.

Artikel 5.54 Hoeveelheid van de onttrekking

Er wordt niet meer grondwater onttrokken dan noodzakelijk is voor het beoogde gebruik.

Artikel 5.55 Afdichten put 

Een put die niet langer gebruikt wordt of niet meer geschikt is voor het gebruik waarvoor deze is aangelegd, wordt afgedicht.

Artikel 5.56 Meldingsformulier

Onttrekkingen die voldoen aan artikel 5.52 tweede of derde lid moeten worden gemeld overeenkomstig het door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier.

Hoofdstuk 6 Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling 6.1 Overgangsbepalingen

Artikel 6.1 Overgangsrecht omgevingsvergunningen 
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening. Vanaf het moment van vervanging, wijziging of verwijdering van het object en/of de handeling, moet voldaan worden aan de geldende regels van de onderhavige waterschapsverordening.

  • 2.

    Voor al hetgeen vóór inwerkingtreding van deze waterschapsverordening zonder vergunning rechtmatig tot stand is gebracht en/of wordt uitgevoerd, wordt geacht een vergunning ingevolge deze  waterschapsverordening te zijn verleend. Vanaf het moment van vervanging, wijziging of verwijdering van   het object en/of de handeling, moet voldaan worden aan de geldende regels van de onderhavige waterschapsverordening.

  • 3.

    Als voor een activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening geen verbod op grond van deze verordening geldt om zonder omgevingsvergunning de activiteit te verrichten, gelden voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit als maatwerkvoorschrift. Dit geldt alleen voor zover het waterschap over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van deze verordening.

  • 4.

    Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend voor een activiteit waarvoor op grond van deze waterschapsverordening een verbod geldt om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten, blijft het oude recht van toepassing tot de omgevingsvergunning onherroepelijk wordt. Deze onherroepelijke omgevingsvergunning geldt als een omgevingsvergunning op grond van deze verordening.

Artikel 6.2 Overgangsrecht meldingen en maatwerkvoorschriften 
  • 1.

    Een melding of kennisgeving van een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is gedaan, geldt als een melding van die activiteit op grond van deze verordening, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is.

  • 2.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die voor inwerkingtreding van deze verordening is ingediend, geldt als een melding van die activiteit op grond van deze verordening, als op die activiteit na de inwerkingtreding van deze verordening een verbod om zonder melding de activiteit te verrichten van toepassing is.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van de waterschapsverordening zoals die luidde direct voor inwerkingtreding van deze verordening en die onherroepelijk is, geldt als een maatwerkvoorschrift op grond van deze verordening.

Artikel 6.3 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor die inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing:

  • a.

    tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

  • b.

    tot het tijdstip waarop de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom, tot het tijdstip waarop:

    • 1.

      de last volledig is uitgevoerd; 

    • 2.

      de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of 

    • 3.

      de last is opgeheven.

Afdeling 6.2 Overgangsbepalingen begrenzing waterstaatswerken vanwege omgevingsverordening

Artikel 6.4 Overgangsrecht begrenzing waterstaatswerken vanwege omgevingsverordening 
  • 1.

    In afwijking van de artikelen 1.3 wordt een oppervlaktewaterlichaam ten aanzien waarvan in de omgevingsverordening registratie als a-water is voorgeschreven, maar nog niet heeft plaatsgevonden, voor de toepassing van deze waterschapsverordening aangemerkt als a-water.

  • 2.

    In afwijking van de artikelen 1.3 wordt een oppervlaktewaterlichaam ten aanzien waarvan in de omgevingsverordening registratie als b-water is voorgeschreven, maar nog niet heeft plaatsgevonden, voor de toepassing van deze waterschapsverordening aangemerkt als b-water.

Afdeling 6.3 Slotbepalingen

Artikel 6.5 Intrekking Keur

De Keur Waterschap De Dommel 2015 wordt ingetrokken.

Artikel 6.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024.

Artikel 6.7 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking.

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

a-water

/join/id/regdata/ws0539/2023/8f9040cd7179404bb1d106feb8b36c5c/nld@2023‑10‑19;1

aangewezen oppervlaktewaterlichaam

/join/id/regdata/ws0539/2023/4a8e2383487c40428d7fac1fc728d47a/nld@2023‑10‑19;1

attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000

/join/id/regdata/ws0539/2023/3bbf2496e0c546eeb9a89b85553be4d2/nld@2023‑10‑19;1

b-water

/join/id/regdata/ws0539/2023/81cd82a2346448c0bdbf9bf1667b15b2/nld@2023‑10‑19;1

b-water buiten een beschermd gebied, attentiegebied en beekdal

/join/id/regdata/ws0539/2023/f92b3b608dad4555a60ab9af18687b1c/nld@2023‑10‑19;1

beperkingengebied met betrekking tot een oppervlaktewaterlichaam

/join/id/regdata/ws0539/2023/d4bee79cf92a4f4db53cc4ff3b7e3b7f/nld@2023‑10‑19;1

beperkingengebied met betrekking tot een waterkering

/join/id/regdata/ws0539/2023/6d964900d0944ecba3d213f84c2d975f/nld@2023‑10‑19;1

bergingsgebied

/join/id/regdata/ws0539/2023/a16da784d5d74c2188b3c051b3180ce7/nld@2023‑10‑19;1

beschermd gebied

/join/id/regdata/ws0539/2023/1e7a13dd462a43a394e969487b026cf0/nld@2023‑10‑19;1

beschermd gebied, attentiegebied en beekdal

/join/id/regdata/ws0539/2023/fc3d2b03fd2940319b3ec92b282834cc/nld@2023‑10‑19;1

beschermingszone A bij een regionale waterkering

/join/id/regdata/ws0539/2023/d139eff97fbb4ba09a37dfcdf7b4f696/nld@2023‑10‑19;1

beschermingszone A bij een waterkering

/join/id/regdata/ws0539/2023/8743071dbcb34a64adb3cc15f66dc03c/nld@2023‑10‑19;1

beschermingszone bij een a-water

/join/id/regdata/ws0539/2023/88da7f0a3e4942da904b2ef198e46fd7/nld@2023‑10‑19;1

buiten beschermd gebied, attentiegebied en beekdal

/join/id/regdata/ws0539/2023/c8cf7f425219445ebf230828fe03c2ca/nld@2023‑10‑19;1

buiten een beschermd gebied, attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000

/join/id/regdata/ws0539/2023/6d1f626e315b44de952a551bd4cf47a1/nld@2023‑10‑19;1

oppervlaktewaterlichaam binnen beschermd gebied, attentiegebied en beekdal

/join/id/regdata/ws0539/2023/00f4a6e80e5d417cb94fb004c31fbdb9/nld@2023‑10‑19;1

overige waterkering

/join/id/regdata/ws0539/2023/a073b458798d41328aa1d682ad878bc3/nld@2023‑10‑19;1

profiel van vrije ruimte bij een oppervlaktewaterlichaam

/join/id/regdata/ws0539/2023/9249bc9ddfb74311956448335edfc678/nld@2023‑10‑19;1

regionale waterkering

/join/id/regdata/ws0539/2023/cd87b46120054294bcac8976fe4c4a89/nld@2023‑10‑19;1

steiger, vlonder, boothelling of overhangend bouwwerk in een a-water

/join/id/regdata/ws0539/2023/7982db26ef5e49b8ad34cf86c8888440/nld@2023‑10‑19;1

waterkering

/join/id/regdata/ws0539/2023/7fb7f48df7d24d4aa4bd062313b89a9d/nld@2023‑10‑19;1

Bijlage II Begripsbepalingen

aangewezen oppervlaktewaterlichaam

oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage IV

afkoppelen van verhard oppervlak

onderbreken van de afvoer van op bestaand verhard oppervlak vallend hemelwater via een gemengde of verbeterd gescheiden riolering naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie

afrastering

(overwegend) verticale afrastering van niet-levend materiaal

afscheidende laag 

afdichtende of slecht waterdoorlatende bodemlaag

anti-worteldoek

kunststof doek dat wel water maar geen licht en wortelgroei doorlaat

bedrijfswaterplan

plan van waterconserverende of waterbesparende maatregelen dat wordt opgesteld en uitgevoerd door of namens de houder van een onttrekkingsinrichting of degene die grondwater onttrekt, conform een door het bestuur vastgesteld model

bergingsvoorziening

voorziening die moet worden aangelegd om te voorkomen dat de extra hoeveelheid hemelwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak versneld wordt afgevoerd naar het ontvangende watersysteem

beschoeiing

grondkerende constructie in de oeverlijn/talud om de oever/talud tegen afkalving te beschermen

bestuur

dagelijks bestuur van waterschap De Dommel

bodemsanering

beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de bodem; brandblusvoorziening: voorziening die permanent aanwezig is, maar slechts in noodsituaties benut wordt ten behoeve van voor bluswatervoorziening

bronbemaling

uit de bodem of bouwputten onttrekken van grondwater door middel van een pomp; brug: werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam

buitentalud

hellend vlak van een waterkering aan de waterkerende zijde

c-water

alle oppervlaktewaterlichamen die geen a-water of b-water zijn

gestuurde persing of boring

een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals een waterstaatswerk diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd

groen dak

dak dat bedekt is met vegetatie met een waterbergende functie

grondwatersanering

beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater

huisaansluiting

deel van een kabel of leiding dat een directe verbinding vormt tussen één specifiek pand (gebouw met een BAG-adres) en het distributienet van de netbeheerder

infiltreren van water

in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater

insteek

het als zodanig in de legger aangegeven snijpunt van de lijn van talud en maaiveld, dan wel de lijn van een oppervlaktewaterlichaam waar talud en maaiveld elkaar snijden

ISO 5815-1

ISO 5815-1:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2003

kabel

voorziening voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteitssignaal en telecommunicatievoorzieningen

leiding

mediumvoerende buisconstructie, die geen lozingswerk is en die niet in open verbinding staat met oppervlaktewater

maaisel

begroeiing met enige aanhangende (bagger)specie, die vrijkomt bij het uitvoeren van onderhoud

natuurvriendelijke oever 

oever die zo is aangelegd of wordt gewijzigd dat deze niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2009: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2009

NEN 6633

NEN 6633:2007: Water en (zuiverings)slib – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), versie 2007

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectro- metrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2006

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005

NEN-EN 1899-1

NEN-EN 1899-1:1998: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BODn) – Deel 1: Verdunnings- en entmethode met toevoeging van allylthioreum, versie 1998

NEN-EN 13284-1

NEN-EN 13284-1:2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, versie 2001

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2012: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2012

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concen- tratie, versie 2012

NEN-EN-ISO 13395

NEN-EN-ISO 13395:1997: Water – Bepaling van het stikstofgehalte in de vorm van nitriet en in de vorm van nitraat en de som van beide met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en spectrometrische detectie, versie 1997

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatogra- fische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwater- stoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003

NEN-EN-ISO 15682

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotome- trische of potentiometrische detectie, versie 2001

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004

NEN-ISO 15705

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013

niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam

ander oppervlaktewaterlichaam dan een oppervlaktewaterlichaam dat is aangewezen en begrensd in bijlage II

ondersteunend kunstwerk

werk dat van belang is voor de taakuitoefening van het waterschap, voor de waterkering of voor het functioneren van de waterhuishouding

onttrekken

onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een werk

openbare weg

weg in beheer van een overheid

overhangend bouwwerk

bouwwerk dat geheel of gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam of het talud is geplaatst

poel

relatief klein oppervlaktewaterlichaam met een natuurdoelstelling, in hoofdzaak een ecologische functie ten behoeve van amfibieën

pompcapaciteit

het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur

put

alle in de bodem aangebrachte buizen met boorgat en doorlatende filters;regulier onderhoud: periodiek uit te voeren werkzaamheden om de aan een perceel gegeven bestemming in stand te kunnen houden

roven

oppervlakkig, over een kleine diepte weghalen van de grond

sleufbemaling

bronbemaling ten behoeve van een smalle, meestal voortschrijdende bouwput

specie

bij onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen vrijkomende grond inclusief daarin voorkomende stoffen

steiger

constructie die over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel

talud

hellend oppervlak van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen

teen

de als zodanig in de legger aangegeven lijn van de onderrand van een waterkering, dan wel de lijn waar talud en maaiveld elkaar snijden

toename van verhard oppervlak

wijziging van onverhard naar verhard oppervlak

veedrenkput

inrichting voor het drenken van vee waarvan de pomp niet mechanisch wordt aangedreven

verhard oppervlak

al het oppervlak dat er voor zorgt dat water sneller tot afvoer komt

vlonder

constructie op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam;waterhuishoudkundige functie: functie die de provincie of het waterschap aan het waterstaatswerk heeft toegekend

werken

alle door menselijk toedoen ontstane of gemaakte constructies of inrichtingen, inclusief bouwwerken, en restanten daarvan

zinkerbord

bord dat markeert waar een leiding of kabel een watergang ondergronds doorkruist

eenjarige gewassen

een gewas/plant die zijn levenscyclus voltooit van kieming tot zaad binnen één jaar. De plant sterft na de zaadzetting af, zoals bij zomertarwe, of gaat aan het eind van het jaar dood.

Bijlage III Begrenzingen niet geometrisch begrensde waterstaatswerken 

1 Begrenzingen niet geometrisch begrensde waterstaatsweken 

Voor waterstaatswerken die niet geometrisch zijn begrensd en waarvoor de ligging niet volgt uit een projectbesluit of omgevingsvergunning, gelden de volgende grenzen:

  • a.

    oppervlaktewaterlichaam: de begrenzing van een oppervlaktewaterlichaam wordt gevormd door de insteek;

  • b.

    beschermingszone bij een oppervlaktewaterlichaam met een maatgevende aan- en/of afvoer van meer dan 30 liter per seconde (a-water): de beschermingszone is aan weerszijden van het oppervlaktewaterlichaam 5 meter, gemeten uit de insteek;

  • c.

    waterkering: de begrenzing van een waterkering wordt gevormd door de teen;

  • d.

    beschermingszone A bij een primaire waterkering: beschermingszone A bij een primaire waterkering is aan weerszijden van de waterkering 30 meter, gemeten vanuit de teen;beschermingszone B bij een primaire waterkering: beschermingszone B bij een primaire waterkering is aan weerszijden van de waterkering vanaf 30 meter tot 50 meter, gemeten vanuit de teen;

  • e.

    beschermingszone A bij een regionale waterkering: beschermingszone A bij een regionale waterkering is aan weerszijden van de waterkering 10 meter, gemeten vanuit de teen;

  • f.

    beschermingszone A bij een compartimenteringskering: de beschermingszone A bij een compartimenteringskering is aan weerszijden van de waterkering 5 meter, gemeten vanuit de teen;

  • g.

    profiel van vrije ruimte bij een primaire waterkering: het profiel van vrije ruimte ligt voor primaire waterkeringen 1 meter boven het in de legger opgenomen leggerprofiel van de waterkering en het maaiveld van beschermingszone A; en

  • h.

    profiel van vrije ruimte bij een regionale waterkering: het profiel van vrije ruimte ligt voor regionale waterkeringen 0,5 meter boven het in de legger opgenomen leggerprofiel van de waterkering en het maaiveld van beschermingszone A.

Bijlage IV Aangewezen oppervlaktewaterlichamen

1 Aangewezen oppervlaktewaterlichamen

Aangewezen oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in deze waterschapsverordening zijn:Afwateringskanaal DommelBeatrixkanaalDommelEindhovens kanaalEssche StroomGroote AaNieuwe LeijVoortse StroomWilhelminakanaal (Aa en Maas tot Brabantse Delta) 

Toelichting

Algemene toelichting

1 Toelichting per hoofdstuk van de verordening
1.1 Hoofdstuk 5

Verhouding tussen algemene regels en de omgevingsvergunning 

In de waterschapsverordening wordt er ook voor het grondwaterbeheer veel met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening.  

In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is. 

Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn. 

Algemene uitgangspunten grondwaterbeheer 

Gelet op de kaders en doelstellingen van de Omgevingswet heeft het grondwaterbeheer dat door de waterschappen wordt uitgevoerd vier pijlers: 

- Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden. 

- Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie. 

- Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem. 

- Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infiltreren, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden. 

  

Adequaat voorraadbeheer 

Er is in feite geen sprake van één grondwatervoorraad. Vanwege de gelaagde opbouw van de bodem is er onderscheid te maken naar meerdere voorraden die naar diepte te onderscheiden zijn. Daarnaast zijn er regionale verschillen, onder andere door de aanwezigheid van geologische breuklijnen in de ondergrond. De slecht doorlatende lagen die over het algemeen de verschillende grondwaterlagen van elkaar scheiden, zijn per gebied verschillend van diepteligging en dikte. Daarnaast zijn er ook gebieden waar er openingen aanwezig zijn, dus er uitwisseling is tussen verschillende watervoerende lagen. Het waterschap voert daarom een gebiedsgericht beleid waarbij de regels voor bijvoorbeeld de diepte van onttrekken per gebied anders zijn. 

Voor de benutting van de grondwatervoorraden blijft het uitgangspunt dat schoon grondwater een schaars goed is wat beschermd moet worden tegen uitputting. De betere voorraden, dat wil zeggen de diepere lagen blijven primair bestemd voor hoogwaardig gebruik, menselijke consumptie. Dit betekent dat het gebruik van grondwater voor andere doeleinden een sluitstuk van de watervoorziening is, conform de voorkeursvolgorde: 

1. zuinig watergebruik (o.a. door waterconservering); 

2. benutten gebiedseigen water; 

3. wateraanvoer; 

4. en dan pas grondwater. 

 

In het algemeen betekent dat, dat de diepere lagen voor hoogwaardig gebruik gereserveerd wordt, en dat andere gebruiksvormen door middel van de ondiepere lagen gefaciliteerd wordt. Hierbij speelt ook de overweging mee dat de diepere lagen ook beter te beschermen zijn tegen verontreiniging door de bovenliggende slecht doorlatende lagen te beschermen tegen doorboring. Daarnaast geldt in het algemeen dat het gebruik van grondwater sluitstuk is in de watervoorziening voor functies en dat als grondwater gebruikt wordt, dit zo zuinig mogelijk gebeurt. 

  

Bescherming van de kwaliteit van het grondwater wordt, net als voorheen, vormgegeven door het doorboren van de scheidende lagen in de bodem zo veel mogelijk tegen te gaan. De kwalitatief hoogwaardige diepere lagen blijven primair voor de drinkwatervoorziening bestemd. Een bijzonder onderdeel vormt het drinkwaterbeschermingsbeleid. Dit is primair de taak en verantwoordelijkheid van de provincie (omgevingsverordening), maar dat neemt niet weg dat het waterschap hiermee rekening dient te houden. Het waterschap doet dit door haar regelgeving aan te laten sluiten op de omgevingsverordening van de provincie. 

  

Samenhangend beheer van grond- en oppervlaktewaterlichamen 

Voor de watervoorziening voor gebruiksfuncties wordt in tweede en derde instantie een beroep gedaan op het oppervlaktewatersysteem doordat eerst gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen en vervolgens wateraanvoer, alvorens uit te wijken naar het gebruik van grondwater. Dit betekent dat er per definitie een relatie is tussen grondwater en het oppervlaktewatersysteem, wat ook weer gebiedspecifieke verschillen kent. Zo ligt in poldergebieden de nadruk veel sterker op wateraanvoer dan op de hoge zandgronden. 

  

Lokale nadelige effecten tegengaan 

Ondanks de regionale schaal van de hoofdlijnen van het beleid, zal er nog steeds aandacht moeten zijn voor de lokale effecten die een onttrekking kan hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat een onttrekking voor een gebruiksfunctie strijdig is met een naastgelegen functie. Dit kan zich in principe overal voor doen, maar komt op twee soorten gebieden nadrukkelijker naar voren: in en rond natuurgebieden (met name natte natuurparels) en in het stedelijk gebied. De vrijstellingen van de vergunningplicht in dit hoofdstuk worden gegeven op basis van een goede borging van de taken van het waterschap. De wijze van uitvoering van een grondwateronttrekking kan schade veroorzaken, ook aan bezit van derden. De waterschapsverordening is niet het middel om dit te regelen. Het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor voldoende aanknopingspunten. Wij raden initiatiefnemers aan om goed met de omgeving om te gaan en af te stemmen. 

  

Gebieden met beschermende regels 

Voor de gebieden met beschermende regels die in de waterschapsverordening zijn aangewezen geldt voor zowel het grondwater- als het oppervlaktewatersysteem een strikt beschermingsbeleid conform het provinciaal beleid. Dit betekent dat alle ingrepen in dergelijke gebieden in beginsel vergunningplichtig blijven, met daaraan gekoppeld een terughoudend en stringent vergunningenbeleid. Dit betekent dat in de paragrafen over specifieke activiteiten voor diverse handelingen de vrijstelling, en daarmee ook de algemene regels, alleen gelden buiten de gebieden met beschermende regels. Uitzonderingen zijn ingrepen die een dermate beperkt en tijdelijk effect hebben dat deze geen bedreiging vormen voor het beoogde doel van het standstill-beleid, niet op zichzelf en ook niet cumulatief. Dit geldt uiteraard wel zolang voldaan wordt aan de kaderstellende algemene regels die als waarborg zijn opgenomen voor de vrijgestelde activiteiten. Sommige van deze activiteiten waren al toegestaan, zoals brandblusvoorzieningen (voorheen noodvoorzieningen genoemd), en sommige activiteiten zijn nieuw, zoals sleufbemaling. 

  

Bevoegdheden ten aanzien van putten op grond van de Omgevingswet en Besluit bodemkwaliteit 

Vanuit het oogpunt van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater, stuurt het waterschap niet alleen op de hoeveelheden grondwater die onttrokken wordt (of de hoeveelheid water die geïnfiltreerd wordt), maar ook op de plaats en de diepte waarop dit gebeurt. Dit betekent dat het waterschap op grond van de Omgevingswet ook regels stelt aan putten die deel uitmaken van een onttrekkingsinrichting. Op putten is tevens hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Beide kaders hebben een andere achtergrond en andere aangrijpingspunten, maar liggen wel in elkaars verlengde. Aangezien krachtens hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit al landelijke regels gelden voor het boren, beheren en verwijderen van putten alsmede regels voor de bedrijven die deze werkzaamheden mogen uitvoeren, hoeft en kan het waterschap daar geen nadere regels over op te nemen. De regels die het waterschap krachtens de Omgevingswet stelt hebben dan ook louter tot doel te sturen op de diepte en locatie(s) waarop grondwater wordt onttrokken vanwege adequaat grondwatervoorraadbeheer en de bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Dat er een zeker raakvlak kan zijn tussen beide wettelijke kaders is daarbij noch onvermijdelijk noch onoverkomelijk. 

 

Gebiedsgericht grondwaterbeleid 

Het grondwater in Brabant kende voorheen geen gebiedspecifieke invulling, behalve dan de beschermde gebieden en attentiegebieden. Zodoende gold er bijvoorbeeld één norm voor de maximaal gewenste diepte van onttrekkingen voor de hele provincie (30 meter resp. maximaal 80 meter), ongeacht de regionale bodemopbouw en aanwezige watervoerende pakketten. Het grondwater werd feitelijk benaderd als één groot watervoerend pakket in 2 delen, die homogeen is over de hele provincie. In de praktijk is dit een veel te eenvoudige benadering, waardoor het grondwaterbeheer onvoldoende recht deed aan de beoogde hogere doelstellingen, met name die van adequaat voorraadbeheer en de bescherming van de diepere lagen tegen verontreiniging ten behoeve van menselijke consumptie (hoogwaardig gebruik). Daarnaast was er geen relatie met het oppervlaktewaterbeheer. In het huidige beleid is wel een regionale gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd, waarbij aangesloten is bij de geologische opbouw van de bodem, de aanwezige watervoerende lagen en het oppervlaktewaterbeheer. Daarbij is getracht de gebiedsindeling nog steeds zo eenvoudig mogelijk te houden met het oog op de toepassing van waterschapsverordening. De gebiedsindeling is tot stand gekomen door allereerst een onderscheid te maken tussen peilbeheerste gebieden (polders) en de overige, vrij afwaterende gebieden. In polders is immers wateraanvoer mogelijk (en dus minder noodzaak voor grondwatergebruik) en deze gebieden kennen veelal ook een andere bodemopbouw. Vervolgens zijn de twee meest relevante geologische breuklijnen als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze-Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond.  

Ten behoeve van de duidelijkheid van regelgeving, zijn de aldus ontstane grenzen vervolgens op perceelsniveau begrenst, aan de hand van herkenbare grenzen aan het maaiveld zoals wegen of kadastrale grenzen. Een ieder die een handeling voornemens is te gaan doen, moet immers eenvoudig kunnen vaststellen in welk gebied die handeling valt en dus welke regels van toepassing zijn. De genoemde grenzen zijn aangegeven op de kaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen, waarnaar ook in de tekst van de verordening verwezen wordt. 

Per gebied is aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Dit komt in de plaats van de vaste 30 meter en 80 meter die in het provinciaal beleid zijn opgenomen. Het doel is echter nog steeds hetzelfde. De grenzen 30 meter en 80 meter waren immers door de provincie gekozen als een makkelijk na te meten vertaling van de beoogde watervoerende pakketten. Het gevolg was echter wel dat door een gemiddelde aan te houden deze diepten niet aansloten bij wat er regionaal daadwerkelijk aanwezig was. Daarnaast is de doorlatendheid van watervoerende pakketten steeds verschillend. Voor sommige gebruiksfuncties, zoals brandblusvoorzieningen, is de ondiepe laag niet doorlatend genoeg om de wettelijk vereiste debieten bluswater te kunnen leveren. Voor brandblusvoorzieningen bijvoorbeeld betekende dat er dan vaak alsnog gemotiveerd afgeweken moest worden in de vergunning. Door echter uit te gaan in de regelgeving van de watervoerende pakketten in plaats van vaste diepten wordt nog steeds het beoogde doel nagestreefd volgens de oorspronkelijk achterliggende redenatie, maar sluit de regelgeving beter aan op het regionale grondwatersysteem. Bovendien gelden ondertussen landelijke regels voor het boren, beheren en verwijderen van putten en mogen alleen erkende bedrijven putten aanleggen, wat eveneens via landelijke regels geborgd is. Deze bedrijven zijn bekend met deze werkwijze. De noodzaak om via vaste, ook voor leken makkelijk na te meten diepten te reguleren en handhaven, is daarmee afgenomen. Bovendien gaan landelijke regels en richtlijnen ook steeds meer uit van watervoerende pakketten als referentie, in plaats van vaste diepten. Vaste waarden voor de te onttrekken diepte is alleen relevant op plaatsen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan, omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor, zodat daar voor de duidelijkheid wel een maximale diepte in meters is opgenomen. Daarbij is aangesloten bij het provinciale kaderstellende beleid.  

 Bij het toekennen van watervoerende pakketten is het voor sommige gebruiksfuncties in sommige deelgebieden nodig toch nog een nader onderscheid te maken, met name vanwege de doorlatendheid van de bodem zoals hierboven aangegeven. Het uitgangspunt blijft echter nog steeds dat er zo ondiep mogelijk onttrokken moet worden en diepere lagen voor de meer hoogwaardige functies te reserveren. Dit komt tot uiting door in sommige gevallen twee diepten aan te wijzen in een gebied. De meest ondiepe laag voor kleine onttrekkingen, graslandberegening en dergelijke, en een iets diepere laag voor de andere functies zoals brandblusvoorzieningen. De ondiepere laag heeft over het algemeen een lagere doorlatendheid die deze minder geschikt maakt voor onttrekkingen met een hoger debiet zoals een brandblusvoorziening. Deze lagere doorlatendheid is in het algemeen echter niet te zeer beperkend voor onttrekkingen met een laag debiet zoals kleine onttrekkingen en graslandberegening. Overigens is deze redenatie niet geheel nieuw, want ook in het vorige stelsel van keur en beleidsregels kwam dit onderscheid terug via een maximale diepte van 30 meter voor bijvoorbeeld kleine onttrekkingen en maximaal 80 meter voor bijvoorbeeld industrie. 

1.2 Bijlage IV

Aangewezen oppervlaktewaterlichamen zijn grotere oppervlaktewaterlichamen, die zijn benoemd in bijlage IV bij de waterschapsverordening. De algemene regels over lozingen op deze oppervlaktewaterlichamen vertegenwoordigen het niveau van beste beschikbare technieken. Datniveau is niet voldoende om de waterkwaliteit van kleinere oppervlaktewaterlichamen (de niet- aangewezen oppervlaktewaterlichamen) te beschermen. De regels voor lozingen op niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen gaan daarom een stap verder dan de beste beschikbare technieken.

Artikelsgewijze Toelichting

Artikel 1.1

In het eerste lid van dit artikelzijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteitleefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluitactiviteiten leefomgeving (Bal)van toepassing verklaard op deze waterschapsverordening. Dit bevordert de eenduidigheid van begrippen in het nieuwe stelsel. In aanvulling op de begrippenvan de wet en de AMvB’s, bevat bijlage I bij deze verordening de overige begripsbepalingen die nog nodig zijn voor de goede toepassing van deze verordening.

Artikel 1.2

Het begrip profiel van vrije ruimte (driedimensionaal) kan worden uitgebreid naar alle waterstaatswerken en naar toekomstige waterstaatswerken. Het vastleggen van een profiel van vrije ruimte in de waterschapsverordening moet goed worden onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van wetenschappelijke rapporten over te verwachten waterstandstijgingen, klimaatscenario’s, etc. Daarbij moet het waterschap het belang van een profiel van vrije ruimte met de daarin geldende beperkingen (vergunningplicht voor het plaatsen of behouden van werken) zorgvuldig afwegen tegen de belangen van derden. Ook moeten mogelijke andere instrumenten worden meegenomen in een dergelijke afweging. De door het waterschapsbestuur opgelegde beperkingen in het profiel van vrije ruimte hebben effecten op de mogelijkheden van ruimtelijke ontwikkelingen. In de praktijk zijn soms zogenaamde ‘meanderzones’ gehanteerd langs beken. Deze meanderzones vallen onder het begrip profiel van vrije ruimte.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat voor watersystemen onder andere regels over primaire waterkeringen. Deze regels werken direct door naar omgevingsplannen en bevatten bijvoorbeeld de verplichting voor de omgevingsplanwetgever het waterstaatswerk ‘primaire waterkering en de bijbehorende beschermingszone’ te beschermen in het omgevingsplan. Voor overige waterstaatswerken in het regionale watersysteem, waar waterschappen de beheerder van zijn, zijn geen regels opgenomen in het Bkl. Het is aan de waterschappen de bescherming en toekomstige aanpassing van deze waterstaatswerken goed te regelen. De vastlegging van een profiel van vrije ruimte is hierbij het aangewezen instrument, mits goed onderbouwd en voorzien van een zorgvuldige belangenafweging. 

Artikel 1.4

Dit artikel regelt dat iedereen die (mogelijk) gebruik kan maken van een waterstaatswerk of de gronden grenzend aan een waterstaatswerk, kan worden aangesproken op de verplichtingen uit de waterschapsverordening. Iedereen is hierbij hoofdelijk verantwoordelijk. 

Artikel 1.7

Artikel 1.7 bevat een specifieke zorgplicht ten aanzien van het watersysteem. Deze zorgplicht geldt voor een ieder, en een ieder kan op een schending van deze zorgplicht worden aangesproken. Als het handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht, kan het bestuur bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen inzetten. Een eventueel opgelegde last moet wel voldoende duidelijk worden omschreven, anders ontstaat er strijd met de rechtszekerheid, zie ook de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 augustus 2011, 201012817/1/M1. 

Artikel 1.8

Dit artikel regelt dat ten aanzien van de zorgplicht maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld.

Artikel 1.9

Dit artikel regelt de algemene gegevensverstrekking bij het doen van een melding of het voldoen aan een informatieverplichting.

Artikel 1.10

Het waterschap voert als beheerder van het watersysteem vele handelingen aan waterstaatswerken uit. De handelingen die het waterschap daar uitvoert, zijn in het belang van de aan het waterschap opgedragen taken en vallen onder beheer en onderhoud. Om deze taken doelmatig uit te kunnen voeren geldt voor deze handelingen geen vergunningplicht. In dit artikel zijn de handelingen opgenomen die vanuit beheer en onderhoud veel voorkomen en weinig tot geen effect hebben op de omgeving of voor belanghebbenden. Daarnaast bepaalt dit artikel dat voor handelingen door het waterschap geen vergunning nodig is, indien daarvoor een projectbesluit is vastgesteld.

Artikel 1.11

In dezeit artikelen worden regels gesteld als zich bijzondere omstandigheden voordoen.

Het bestuur kan dan bijvoorbeeld verbieden water af te voeren of water te onttrekken. Er wordt dan afgeweken van de normaal geldende regels, verleende vergunningen of geldende peilbesluiten. Die afwijking is tijdelijk en duurt zolang de bijzondere omstandigheden duren. Voor de afwijking is geen vergunning nodig is en gelden ook geen algemene regels. De Omgevingswet (afdeling 19.4) stelt regels omtrent het gevaar voor waterstaatswerken en beschermingszones. Deze artikelen geven de waterbeheerder ruime bevoegdheden. 

Artikel 1.12

In dit artikel worden regels gesteld als zich bijzondere omstandigheden voordoen. 

 Het bestuur kan dan bijvoorbeeld verbieden water af te voeren of water te onttrekken. Er wordt dan afgeweken van de normaal geldende regels, verleende vergunningen of geldende peilbesluiten. Die afwijking is tijdelijk en duurt zolang de bijzondere omstandigheden duren. Voor de afwijking is geen vergunning nodig is en gelden ook geen algemene regels. De Omgevingswet (afdeling 19.4) stelt regels omtrent het gevaar voor waterstaatswerken en beschermingszones. Deze artikelen geven de waterbeheerder ruime bevoegdheden. 

Artikel 1.13

Het eerste lid van dit artikel bevat de algemene gronden waarop een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt verleend. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit wordt alleen verleend als, kort gezegd, de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met de doelen van het waterbeheer. Als de aangevraagde activiteit niet met deze doelen verenigbaar is, dan wordt de aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning geweigerd. Deze beoordelingsregel sluit aan op de beoordelingsregel die het Rijk hanteert voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor wateractiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet (zie artikel 8.84, eerste lid, van het Bal).

Het tweede en derde lid van dit artikel bevatten de beoordelingsregels die volgens de instructieregel van artikel 6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de waterschapsverordening moeten worden opgenomen. Inhoudelijk zijn deze leden een voortzetting van de regel die voorheenin artikel 6.1a van het  Waterbesluit was opgenomen, maar dan beter toegesneden op de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.

In aanvulling op deze algemene beoordelingsregels, gelden specifieke beoordelingsregels voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk,   wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten die betrekking hebben op een waterstaatswerk.

Oorsprong leden 5 tot en met 7

De omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels waarmee de waterschappen rekening moeten houden bij het opstellen van de waterschapsverordening. Als gevolg hiervan zijn de leden vijf tot en met zeven toegevoegd aan artikel 1.13.

Lid 5

Met het vijfdelid wordt beoogd dat een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit niet in de weg staat aan het bereiken van de doelstelling van het ombuigen van significante en aanhoudende stijgende trends en tot het voorkomen van achteruitgang in de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie. Voor het beoordelen of er sprake is van achteruitgang wordt verwezen naar het protocol ‘Monitoring en toetsing drinkwaterbronnen KRW'.

Lid 6

Het zesdelid geeft aan dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning rekening moet worden gehouden met de nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen die na afloop van een grondwatersanering gelden. Bij de beoordeling van de aanvraag betrekt het bestuur de ontvangen informatie van de provincie. Gedeputeerde Staten is op grond van de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant immers verplicht tot het zenden van een afschrift van het evaluatieverslag van de grondwatersanering aan het waterschap. In dat verslag zijn de nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen beschreven.

Deze nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen kunnen gelden wanneer dit noodzakelijk is om de verspreiding van eventuele restverontreiniging te voorkomen of te beperken. De nazorgmaatregelen hebben tot doel om zorg te dragen dat het watersysteem in voldoende mate beschermd blijft bij gebruik van de gesaneerde locatie. Denk bijvoorbeeld aan het in stand houden van een bepaalde bodemkwaliteit of afdeklaag die zich onder de bron(zone) bevindt of het monitoren van de verontreinigingspluim om zodoende inzicht te krijgen of er zich een soort van stabiele eindsituatie voordoet. Het betreft voorschriften om te zorgen dat risico’s (langdurig) weggenomen blijven.

Lid 7

Het zevendelid bevat de plicht om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning om een inbreng van verontreinigende stoffen naar het (omliggende) grondwater te voorkomen of beperken. Dit omvat tevens een directe inbreng van een reeds in het grondwater aanwezige verontreiniging naar het omliggende grondwater.

Of de inbreng tot een risico leidt, is afhankelijk van het gebruik dat afhangt van het grondwater. Er zijn situaties waarbij de beïnvloeding van een verontreiniging leidt tot een ongewenste verspreiding. Er kan ook sprake zijn van een vermindering, verplaatsing of een verspreiding die de verontreiniging rondom een kwetsbaar gebied vermindert, waardoor de beïnvloeding wenselijk is.

Artikel 1.14

In dit artikel zijn de indieningsvereisten overgenomen die voorheen in het voormalige artikel 6.24 van de Waterregeling stonden. Gelet op het belang van waterkeringen heeft de waterbeheerder in het algemeenspecifiek beleid vastgesteld over activiteiten bij waterkeringen. Als een initiatiefnemer vermoedt dat voor zijn activiteit geen stabiliteitsberekening nodig is, kan hij daarover contact opnemen met de waterbeheerder.

Artikel 1.15

Als sprake is van werkzaamheden aan of in een waterstaatswerk waarbij een verontreinigde of een niet verontreinigde waterbodemgeheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, zoals bij baggerenvan een haven, moet inzichtworden gegeven in de hoeveelheid te verwijderen baggerspecie. Daarnaast moet de omvang van het te baggeren oppervlak worden vermeld.

Artikel 2.2

Eerste lid 

 In artikel 2.2 is in het eerste lid een ruime vergunningplicht opgenomen voor handelingen of het laten liggen of staan van werken, vaste substanties of voorwerpen bij oppervlaktewaterlichamen. Het gaat om handelingen die het gebruik van oppervlaktewaterlichamen en de daartoe behorende beschermingszones betreffen door daar werkzaamheden te verrichten, werken te maken of vaste substanties of voorwerpen te storten of te plaatsen. 

Bij het verrichten van werkzaamheden of het maken dan wel behouden van werken in, op, onder of over een oppervlaktewaterlichaam en/of een daartoe behorende beschermingszone moet worden gedacht aan activiteiten die de zogenaamde bak (waterbodem en taluds), en de ondersteunende kunstwerken raken. Het storten, plaatsen of neerleggen van vaste substanties of voorwerpen in, op, onder of over een oppervlaktewaterlichaam of een daartoe behorende beschermingszone of het daar vervolgens achterlaten van deze substanties of voorwerpen ziet met name op de bescherming van de ecologie en op een veilige afvoer van water door oppervlaktewaterlichamen, teneinde wateroverlast en overstroming te voorkomen.  

Onder de vergunningplicht vallen onder de zinsnede ‘handelingen te verrichten’ onder andere: aanleg-, boor-, bouw-, graaf-, demping-, herstel-, onderhoud-, plant- reparatie-, revisie-, sloop-, uitbreiding-, verbouw, herbouw-, wijzigings- en verwijderwerkzaamheden. De eerder vermelde handelingen betreffen handelingen die tot doel hebben verandering te brengen in de staat van waterstaatswerken. Verder ook werkzaamheden die dat niet tot doel hebben, maar waarvan onbedoeld effect is dat verandering wordt gebracht in de staat van die werken. Onder deze vergunningplicht valt bijvoorbeeld het dempen van een sloot. Ook valt het behouden en laten groeien van beplanting in de beschermingszone eronder. Tot slot vallen onder de vergunningplicht ook de handelingen van derden waarmee de waterstand op een ander peil wordt gebracht of gehouden dan het peil dat voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam door het waterschap is vastgesteld. 

Tweede lid 

Dit artikellid regelt dat een vergunningplicht geldt voor het verwijderen van een peilregulerend werk uit een oppervlaktewaterlichaam binnen beschermd gebied, attentiegebied en beekdal.

Derde lid 

 In het derde lid is bepaald dat in het profiel van vrije ruimte zonder vergunning geen werken mogen worden geplaatst, gewijzigd of behouden. Dit profiel is nodig om toekomstige aanpassingen van waterstaatswerken mogelijk te maken. Met de vastlegging van profielen van vrije ruimte moet het waterstaatsbelang zijn gediend, binnen het kader van de zorg voor het watersysteem en de doelstellingen van de Omgevingswet. Belangrijk is dat de profielen van vrije ruimte goed worden onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van wetenschappelijke rapporten over te verwachten waterstandstijgingen, klimaatscenario’s, etc. Daarbij moet het waterschapsbestuur het belang van een profiel van vrije ruimte en daarmee het niet kunnen bebouwen van die gronden, zorgvuldig afwegen tegen de belangen van derden. 

 Vijfde lid 

 In het vijfde lid is een vergunningplicht opgenomen voor het brengen van water in of het onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen. Hiermee wordt zowel het brengen en onttrekken zonder een werk bedoeld als het brengen en onttrekken met een werk. Met andere woorden: onder deze vergunningplicht valt het afvoeren van water naar en het aanvoeren van water uit oppervlaktewaterlichamen en het lozen op of onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. 

 Ook het afvoeren van hemelwater door toename of afkoppeling van verhard oppervlak valt onder dit lid. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Hetzelfde geldt voor situaties waar het hemelwater aanvankelijk niet op het oppervlaktewaterlichaam tot afvoer werd gebracht, en nu wel (afkoppelen). Dit komt doordat neerslag via het verharde oppervlak sneller wordt afgevoerd naar het oppervlaktewaterlichaam dan wanneer het oppervlak onverhard was gebleven. Er ontstaat dan een afvoergolf die problemen kan veroorzaken. Dit effect wordt versterkt, wanneer er meerdere van deze ingrepen plaatsvinden die leiden tot een toename van het verhard oppervlak dat afwatert op een oppervlaktewaterlichaam (cumulatief effect). Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. 

Artikel 2.3

Dit artikel is ontleend aan de Omgevingsregeling.

Artikel 2.5

Het aanleggen, verwijderen en behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk is vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit in of langs een b- water. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen daarom in veel gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.

Voorafgaand aan plaatsing van het werk is het aan te raden contact op te nemen met het waterschap. De  algemene regel geeft geen toestemming voor het aangemeerd hebben liggen van boten.

Derde lid

Deze vrijstelling is slechts van toepassing op steigers, vlonders en overhangende bouwwerken die eenvoudig ongedaan gemaakt kunnen worden in relatie tot beekherstel, het meanderende en/of natuurlijke karakter van de beek en/of de aanleg van een ecologische verbindingszone. Als een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt bijvoorbeeld het uit te voeren beekherstel niet ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt.

Artikel 2.11

Op het moment dat het waterschap beekherstel gaat uitvoeren, zal de eigenaar van de steiger, vlonder of het overhangende bouwwerk verplicht worden om deze op eigen kosten te verwijderen. Het plaatsen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk in het profiel van vrije ruimte is tijdelijk. Het onomkeerbare karakter is hiermee op eigen risico van de eigenaar.

Artikel 2.12

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, wijzigen, behoudenen verwijderen van bruggen in een  a-water, in een b-wateren in het profiel van vrije ruimtebij een oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 2.13

Het aanbrengen van bruggen over een b-water betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dat geval meestal voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Voor het aanleggen, verwijderen of behouden van bruggen in a-wateren blijft maatwerk noodzakelijk. Het aanbrengen van een brug in een dergelijk oppervlaktewaterlichaam is dan ook vergunningplichtig.

Derde lid

Deze vrijstelling is slechts van toepassing op bruggen die eenvoudig ongedaan gemaakt kunnen worden in relatie tot beekherstel, het meanderende en/of natuurlijke karakter van de beek en/of de aanleg van een ecologische verbindingszone.

Als een brug eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt bijvoorbeeld het uit te voeren beekherstel niet ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt.

Artikel 2.17

Op het moment dat het waterschap beekherstel gaat uitvoeren, zal de eigenaar van de brug verplicht worden om deze op eigen kosten te verwijderen. Het plaatsen van een brug in het profiel van vrije ruimte is tijdelijk. Het onomkeerbare karakter is hiermee op eigen risico van de eigenaar. 

Artikel 2.20

Het plaatsen en behouden van een peilregulerend werk betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudige en veel voorkomende activiteit in een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval vaak voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. 

Derde lid 

Deze vrijstelling is slechts van toepassing op peilregulerende werken die eenvoudig ongedaan gemaakt kunnen worden in relatie tot beekherstel, het meanderende en/of natuurlijke karakter van de beek en/of de aanleg van een ecologische verbindingszone. 

Als een peilregulerend werk eenvoudig te verwijderen of te verplaatsen is, wordt bijvoorbeeld het uit te voeren beekherstel niet ernstig gehinderd of onmogelijk gemaakt. 

Artikel 2.23

Op het moment dat het waterschap beekherstel gaat uitvoeren, zal de eigenaar van het peilregulerend werk verplicht worden om het peilregulerend werk op eigen kosten te verwijderen. Het plaatsen van een peilregulerend werk in het profiel van vrije ruimte is tijdelijk. Het onomkeerbare karakter is hiermee op eigen risico van de eigenaar. 

Artikel 2.25

Het aanleggen, behouden of verwijderen en het verlengen van een dam met duiker in b -wateren betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels.  

Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duiker. Om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen, worden er voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker, en het aantal dammen met duikers per perceel. 

Wanneer het oppervlaktewaterlichaam waarin een dam met duiker wordt geplaatst, verlengd (gedeeltelijk) of vervangen wordt, niet in eigendom is van de initiatiefnemer, dient meestal privaatrechtelijk toestemming te worden gekregen van de eigenaar van deze percelen. Wanneer een dam met duiker wordt aangelegd of verlengd ten behoeve van een ontsluiting naar de openbare weg dient toestemming te worden gekregen van de wegbeheerder. 

Het verwijderen van een duiker in een a-water ten behoeve van eigen perceelsontsluiting heeft slechts geringe gevolgen voor het watersysteem. Daarom zijn deze werkzaamheden in een algemene regel opgenomen. Een melding wordt