Waterschapsblad van Waterschap Vechtstromen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Waterschap Vechtstromen | Waterschapsblad 2023, 12013 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Waterschap Vechtstromen | Waterschapsblad 2023, 12013 | ander besluit van algemene strekking |
Bekendmaking projectplan waterwet ‘Watersysteem Nieuw Schoonebeek fase1’
In de vergadering van 12 september 2023 heeft het dagelijks bestuur het projectplan waterwet Watersysteem Nieuw Schoonebeek fase1 vastgesteld.
Wat staat er in het projectplan waterwet Watersysteem Nieuw Schoonebeek fase1?
Het Bargerveen is een uniek natuurgebied met een van de laatste stukjes levend hoogveen van Nederland. In opdracht van de provincie Drenthe werken verschillende partijen, waaronder het waterschap, samen in de bestuurscommissie Bargerveen om het Bargerveen te behouden en te versterken. Het hoogveengebied is een beschermd natuurgebied en maakt onderdeel uit van het Natura 2000-netwerk. Door jaren van gebruik is het watersysteem verstoord waardoor het Bargerveen teveel water verliest. Als er niets verandert verdroogt het veen. Om het hoogveengebied te behouden moeten maatregelen genomen worden die de waterhuishoudkundige omstandigheden verbeteren.
De door de provincie gemandateerde bestuurscommissie wil daarom rondom het veen buffers aanleggen, zo blijft het water in het veen op peil, waardoor het veen behouden blijft en gaat groeien. Een van de maatregelen hiervoor van de bestuurscommissie is het aanleggen van buffer zuid conform eerdere afspraak en gefinancierd door de provincie Drenthe.
Naast buffer zuid legt het waterschap een nieuw watersysteem aan om indien nodig water aan te voeren naar Buffer Zuid en ten behoeve van de landbouw ten zuiden van de buffer en indien nodig water af te voeren.
Dit jaar wordt met fase 1 van de aanleg begonnen door het verleggen van de Stheemanstraat door de bestuurscommissie en wordt parallel daaraan aan de zuidzijde door het waterschap een watergang gegraven met toegangsdammen voor de landbouwpercelen.
Het ontwerp projectplan ‘watersysteem Nieuw Schoonebeek fase 1’ betreft alleen deze watergang die het waterschap wil realiseren langs de nieuwe Stheemanstraat.
Dit is voor het waterschap ook de eerste fase van uitvoering van het Watersysteem Nieuw Schoonebeek en sluit aan op het besluit van het dagelijks bestuur van 25 april 2023 om dit watersysteem gefaseerd uit te voeren en aan te blijven sluiten op de gefaseerde uitvoering van Buffer Zuid
Documenten bekijken (ter inzage)
Het projectplan waterwet Watersysteem Nieuw Schoonebeek fase1 en de bijhorende documenten kunt u bekijken op de website van Vechtstromen via de volgende link: https://www.vechtstromen.nl/terinzage .
Alle stukken zijn ook in te zien, uitsluitend op afspraak, tijdens kantooruren bij waterschap Vechtstromen, Kooikersweg 1 te Almelo; maak een afspraak via telefoonnummer (088) 220 33 33.
U kunt deze documenten bekijken met ingang van 2 oktober 2023 tot en met 13 november 2023.
Bent u het niet eens met het projectplan? U kunt de rechtbank Overijssel (bestuursrechter) tot 14 november 2023 laten weten dat u het niet eens bent met het projectplan. Dit heet beroep in stellen. U kunt beroep instellen als het projectplan uw belangen raakt of tegen uw belangen ingaat. U bent dan een belanghebbende.
Als u de rechtbank wilt laten weten dat u het niet eens bent met het projectplan, dan moet u dat schriftelijk doen bij de rechtbank Overijssel, afdeling Bestuursrecht, Postbus 10067, 8000 GB Zwolle. U moet daarbij de volgende gegevens vermelden:
Op het projectplan is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat u de rechtbank direct moet laten weten waarom u het niet eens bent met projectplan. Het indienen van een voorlopige reactie (pro forma) en deze later aanvullen is niet mogelijk. U kunt uw reactie niet meer aanvullen na 13 november 2023.
U kunt ook digitaal uw reactie indienen bij de rechtbank via https://mijn.rechtspraak.nl/keuze. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD).
Voor meer informatie kunt u de website van de rechtbank bezoeken: https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Overijssel. U kunt ook met de rechtbank bellen. Dit kan via het telefoonnummer 088 361 55 55.
Voor het indienen van uw beroep moet u een bedrag aan de rechtbank betalen (griffierecht).
Als u bij de rechtbank beroep instelt stopt dit niet de uitvoering van het projectplan. Met een voorlopige voorziening vraagt u een voorlopige beslissing van de rechtbank als u de uitspraak van de rechtbank in de lopende procedure niet kunt afwachten vanwege een spoedeisend belang.
U kunt de voorlopige voorziening vragen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, Bestuursrecht, Postbus 10067, 8000 GB Zwolle. U moet daarbij de volgende gegevens vermelden:
Een voorlopige voorziening kunt u alleen vragen als u al beroep heeft ingesteld tegen het projectplan.
Voor het vragen van een voorlopige voorziening moet u ook een bedrag aan de rechtbank betalen (griffierecht).
Voor meer informatie over het projectplan waterwet Watersysteem Nieuw Schoonebeek fase1 kunt u ook bellen met het algemene telefoonnummer (088) 2203333.
Waterschap Vechtstromen (WVS) is opdrachtgever voor de realisatie van een aangepast waterhuishoudingsysteem voor het landbouwgebied ten zuiden van de toekomstige Buffer Zuid en ten noorden van het Schoonebeekerdiep met de naam watersysteem Nieuw Schoonebeek.
Als onderdeel van het gehele plan worden nieuwe watergangen gegraven en peilen aangepast in het gebied. Vooruitlopend op de realisatie van het gehele plan wil het waterschap gelijktijdig met de aanleg van de te verleggen Steemanstraat een nieuwe watergang realiseren. Deze watergang is onderdeel van het toekomstige waterhuishoudingssysteem. In onderstaande figuur staat de ligging van de watergang weergegeven. Zie Figuur 1 1
Het combineren van de realisatie van de nieuwe watergang samen met de te verleggen Stheemanstraat zou betekenen dat de werkzaamheden ter plaatse gereed zijn voor het volgende groeiseizoen en de uitvoering kan plaatsvinden in een periode met weinig overlast voor perceelgebruikers en flora en fauna.
In voorliggend projectplan wordt een beschrijving opgenomen van de aanleg van de watergang. Werkzaamheden die betrekking hebben op de aanleg van de buffer en de rest van de landbouwkundige inrichting van het plangebied zijn geen onderdeel van voorliggend projectplan.
Figuur 1 1 . Grens projectplan gebied en GGOR2021, in het blauw de te realiseren watergang.
1.2 GGOR 2008 en actualisatie peilen in 2021
De watergang maakt onderdeel uit van een maatregelpakket om het Gewenst Grond- en Oppervlaktewaterbeheer (GGOR) dat in 2008 is opgesteld te realiseren. De GGOR-peilen zijn in 2021 in afstemming met de agrarische grondeigenaren geactualiseerd ten opzichte van de peilen van 2008. Samenvattende conclusie uit deze gesprekken is dat, in de winterperiode, wordt vastgehouden aan de drooglegging van één meter in 90% van een peilvak. Om in de zomer beter om te kunnen gaan met droogte worden in een aantal peilvakken zomerpeilen voorgesteld met een drooglegging kleiner dan één meter. Eén van de maatregelen is ook de aanleg van een nieuwe watergang in combinatie met de te verleggen Stheemanstraat (zie figuur 1-1).
Voorliggend plan is een projectplan volgens de Waterwet. Op grond van artikel 5.4, eerste lid van de Waterwet geschiedt de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan.
Op grond van het tweede lid van artikel 5.4 dient het plan tenminste een beschrijving te bevatten van het betrokken werk en de wijze waarop het wordt uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk. In dit projectplan wordt de aanleg van een nieuwe watergang langs de te verleggen Stheemanstraat beschreven. Dit is de eerste fase van het beoogde watersysteem Nieuw-Schoonebeek.
Met het project worden het projectresultaat nagestreefd zoals hieronder aangegeven in Tabel 1 1
Paragraaf 2.1 is een beschrijving van de actuele situatie, de beoogde wijzigingen zijn beschreven onder paragraaf 2.2 en 2.3. Hoofdstuk 3 geeft informatie met betrekking tot de eigendomssituatie en Hoofdstuk 4 beschrijft de effecten van het plan. Hoofdstuk 5 gaat in op de wijze van uitvoering en hoofdstuk 6 geeft verdieping aan het beperken van eventuele nadelige gevolgen. Hoofdstuk 7 betreft de legger, beheer en onderhoud. Hierna volgen Deel II verantwoording en Deel III Rechtsbescherming met als einde Deel IV de bijlagen.
2 Waterhuishoudkundige maatregelen
2.1 Beschrijving actuele situatie
Het landbouwgebied ten zuiden van het Bargerveen wordt zowel voor veeteelt als voor akkerbouw (vooral aardappels) gebruikt. De aardappels worden voornamelijk het dichtst bij het Bargerveen geteeld. De agrariërs uit Nieuw Schoonebeek geven aan dat de wisselteelt van akkerbouw en grasland gunstig is voor de kwaliteit van de bodem en dus voor hun bedrijfsvoering. Veelal worden de percelen voor het telen van de aardappels op jaarbasis verpacht aan boeren van buiten het gebied. Binnen het landbouwgebied zijn behoorlijke hoogteverschillen zichtbaar, veroorzaakt door het wel, niet of gedeeltelijk afgraven van de veenlaag. Daarnaast loopt het maaiveld binnen het landbouwgebied Nieuw Schoonebeek af van noordoost naar zuidwest.
De agrariërs geven aan dat vooral in het voorjaar sprake is van natte omstandigheden op de percelen dicht bij het Bargerveen. Daardoor kunnen de agrariërs later in het seizoen met de machines het land op dan gewenst.
Bebouwing en infrastructuur zijn verspreid door het gebied aanwezig. De Stheemanstraat heeft een belangrijke functie voor de landbouwkundige ontsluiting van de akkerbouwpercelen ten zuiden van het Bargerveen.
Figuur 2 1 geeft het huidige landgebruik weer van de verschillende peilgebieden. De afbeelding laat zien dat het gebied ten aanzien van landbouwkundig gebruik grotendeels wordt gebruikt voor akkerland (hoofdzakelijk aardappelen maar ook mais en bieten). Voor een kleiner deel, veelal aan de randen en tegen de woonkernen aan, wordt het gebruikt voor grasland.
Figuur 2 1 Actueel land gebruik (LGN-viewer Alterra -WUR versie 2020)
De bodem in het plangebied (Figuur 2 2) bestaat hoofdzakelijk uit veen afgewisseld met moerige gronden en een sporadische podzol. Dit houdt in dat het van nature overwegend nattere en iets zure gronden betreft waarbij met name voor de landbouw een goede afwateringstructuur van belang is. Door de bodemopbouw kan inklinking als gevolg van verdroging in het gebied optreden.
In Figuur 2 3 is te zien dat het plangebied voor het GGOR in zuidwestelijke richting afhelt, waarbij het laagste punt op circa 14 m NAP ligt. Het noordoostelijk deel van het gebied heeft een maaiveldhoogte van circa 17 m NAP. Het hoogteverschil van het maaiveld in het plangebied bedraagt circa 3 m. Ter plaatse van de te realiseren watergang verloopt het maaiveld van circa 15 m NAP op tot circa 17 m NAP.
Figuur 2 3 Hoogtekaart (AHN3) met in het blauw de nieuwe watergang
2.1.4 Actuele grondwatersituatie
In Figuur 2 4, Figuur 2 5 en Figuur 2 6 zijn de huidige grondwaterstanden weergegeven. Dit betreft geen gemeten grondwaterstanden, maar berekende grondwaterstanden aan de hand van een grondwaterwatermodel. De betrouwbaarheid van het grondwatermodel is gecontroleerd met de feitelijke meetgegevens. In dit model is een lange periode doorgerekend, waaruit de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) en de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) is bepaald.
De huidige GHG (zie Figuur 2 4) varieert sterk. In het oostelijke deel van het gebied worden hoge grondwaterstanden tot aan maaiveld berekend tijdens zeer natte periodes. Dit geldt eveneens voor de locatie waar de watergang komt te liggen. Meer naar het westen ligt de GHG voor het grootste gedeelte tussen de 0,5 en 0,8 m-mv. Aan de zuidelijke rand, langs de Europaweg, ligt de GHG dieper onder maaiveld.
De huidige GLG (zie Figuur 2 5) wordt vooral beïnvloed door de drogere periodes. De GLG bevindt zich tussen de 0,8 m-mv en 1,2 m-mv, en ter plaatse van de hogere delen meer dan 2 meter beneden maaiveld. Ook in de GLG is een duidelijk verschil te zien tussen oost en west, met de diepere grondwaterstanden in het westen van het GGOR-gebied.
De huidige GVG (zie Figuur 2 6) geeft een vergelijkbaar beeld. De diepste grondwaterstanden bevinden zich in het westen van het gebied. De GVG bevindt zich in het oosten van het gebied tussen de 0,2 en 0,5 m-mv. In het westen ligt de GVG grofweg tussen de 0,5 en 1 m-mv.
Figuur 2 4 GHG huidige situatie
Figuur 2 5 GLG huidige situatie
2.2 Beschrijving van de waterstaatswerken
In bijlage 2 zijn de situatietekening en dwarsprofielen tekening voor de realisatie van de verlegde Stheemanstraat toegevoegd. Op deze situatietekening en dwarsprofielentekening is opgenomen welke werkzaamheden relevant zijn voor de aanleg van de watergang In deze paragraaf wordt een algemene beschrijving gegeven van alle uit te voeren werkzaamheden. Voor technische details wordt verwezen naar de situatietekening, en dwarsprofielentekening bijlage 2. De kaart Inrichtingsmaatregelen in bijlage 3 geeft weer wat de beoogde eindsituatie is van het nieuwe watersysteem Nieuw-Schoonebeek waar de te realiseren watergang onderdeel van uitmaakt.
De watergang krijgt een gemiddelde breedte van ca. 6 m (boveninsteek talud tot boveninsteek talud) met aan weerszijde een talud van 1:1,5. De bodem van de watergang loopt af van +14.30 m NAP oostzijde tot +12.83 m NAP westzijde. De watergang is in totaal 3,2 km lang. Het waterpeil in de watergang verandert niet ten opzichte van de huidige situatie.
In de nieuwe watergang worden duikers aangelegd. De duikers met bijbehorende materialisatie en diameters zijn weergegeven op de situatietekening bijlage 2a. Daarnaast worden een drietal duikers aangelegd om de onderlinge verbinding binnen de huidige peilvakken in stand te houden.
In de watergang worden 33 dammen met duikers aangelegd en twee dammen zonder duiker. Deze dammen zijn nodig voor de ontsluiting van de landbouwkundige percelen op de verlegde Stheemanstraat. De ligging van de dammen is weergegeven op de situatietekening bijlage 2a. De duikers dienen om de huidige peilgebieden te verbinden.
Onderstaande ontwerpuitgangspunten van Tabel 2 1 zijn gehanteerd om te komen tot het ontwerp.
Tabel 2 1 ontwerpuitgangspunten
3 Beschikbaarheid gronden/eigendomssituatie en bestemming
De gronden van de nieuwe waterloop zijn in eigendom van het waterschap. Hiervoor zijn gronden aangekocht en heeft herverkaveling plaatsgevonden.
Het gebied waar dit projectplan op van toepassing is, betreft het op 25 april 2023 vastgestelde bestemmingsplan ‘Buitengebied, Nieuw Schoonebeek, waterschap Vechtstromen’ van de gemeente Emmen. De watergang van voorliggend projectplan heeft de bestemming “Enkel bestemming Water”.
4.1.1 Waterstaatkundige functie
De functie van de voorgestelde aanpassing betreft het afvoeren van landelijk water. De aanleg van de watergang is onderdeel van het beoogde nieuwe watersysteem Nieuw Schoonebeek. De watergang komt in eigendom, beheer en onderhoud bij het waterschap.
4.1.2 Effect op grondwaterstanden
De nieuw aan te leggen watergang krijgt het huidige waterpeil. Doordat er geen peilwijziging plaatsvindt heeft de aanleg van de watergang geen effect op de grondwaterstanden in het gebied. Deze kleine afvlakking van de opbolling heeft geen invloed op de functie landbouw. Het effect is dat de grondwaterstand ter plekke meer aansluit op de huidige drooglegging.
4.1.3 Toetsing extreme situatie/ regionale wateroverlast
De huidige afvoersituatie verandert niet met de aanleg van de nieuwe watergang, een toetsing voor wateroverlast is daarom niet uitgevoerd.
4.2.1 Milieu hygiënische kwaliteit
Voor de verbetering van de waterhuishouding is voor het gehele plan Nieuw Schoonebeek een milieuhygiënisch onderzoek uitgevoerd (RHDHV, 2021). Uit het vooronderzoek blijkt dat een groot gedeelte van het plangebied onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging.
In het vooronderzoek is een aantal locaties/situaties geïdentificeerd die niet op voorhand als onverdacht kunnen worden aangemerkt. Voor deze locaties is in het verkennend onderzoek nagegaan in welke mate de bodemkwaliteit afwijkt. Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek wordt geconcludeerd dat de als verdacht aangemerkte deellocaties gedempte watergangen, voormalige paden, gedempte poelen, voormalige bebouwing/erf uit het vooronderzoek, kunnen worden afgeschaald naar onverdacht.
Uit het vooronderzoek blijkt dat voor de nieuwe watergang de bodem onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. Voor de onverdachte terreindelen is de bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Voor de nieuwe watergang betekent dit het volgende:
Voor aanleg van de nieuwe watergang langs de verlegde Stheemanstraat zal hoogstens plaatselijk rekening gehouden moeten worden met vrijkomende grond die mogelijk niet zonder beperkingen kan worden toegepast ter plaatse.
Uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen blijkt dat het plangebied voor een groot deel een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde (waarde - archeologie 4) heeft ter plaatse van de tracés waar watergangen worden gegraven en/of verbreed.
Door RAAP is in het voorjaar/zomer 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd. In het onderzoek zijn alleen de locaties meegenomen van de nieuwe waterlopen voor zover deze gelegen zijn binnen de, op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen aangegeven, gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde (waarde -archeologie 4) (Raap, 2021).
Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek volgt dat er voor grote delen van het onderzoeksgebied vanwege verstoring van de bodem of vanwege de lage en natte ligging van het (dek)zand sprake is van lage verwachting. Enkele zones blijven een middelhoge tot zeer hoge verwachting houden.
De op de kaart geel gemarkeerde gedeelten (zie Figuur 4 1) betreffen intacte podzolbodems. De drie groen gemarkeerde delen betreffen zones met beekafzettingen. (Raap, 2021). De groene zone B1 ligt in de nieuwe watergang. Hiervoor is archeologische begeleiding voorgeschreven.
Figuur 4 1. Advieskaart archeologische waarde (geel = aaneengesloten zone met intacte podzolbodem , groen = zone met beekafzettingen) (Raap, 2021)
Uit het onderzoek is gebleken dat voor de nieuwe watergang archeologische begeleiding is voorgeschreven in zone B1 ((zie figuur 4-25). Hierdoor zullen naar verwachting geen negatieve effecten optreden op archeologische waarden.
Voor het beoogde nieuwe watersysteem Nieuw Schoonebeek is onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) (Vooronderzoek 1862035-VO-02 kn Bargerveen, AVG, definitief versie juli 2016). De in 2021 gewijzigde wetgeving doet geen afbreuk aan de resultaten van het onderzoek uit 2016. Ontplofbare oorlogsresten worden tegenwoordig als Conventionele explosieven benoemd.
Er is op basis van de beoordeelde feiten geconcludeerd dat er een indicatie is voor de mogelijke aanwezigheid van OO in het onderzoeksgebied. Kijkend naar het gehele onderzoeksgebied kan worden vastgesteld dat de volgende gevechtshandelingen in of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden:
In het onderzoeksgebied kunnen mogelijk de volgende OO worden aangetroffen:
De voor Conventionele explosieven verdachte locaties zijn getoetst aan de kaart waarop de nieuw aan te leggen watergang is geprojecteerd. Op basis van de vergelijking kan geconcludeerd worden dat de nieuwe watergang niet samenvalt met de gemarkeerde invloedsgebieden.
Figuur 4 2: Begrenzing onderzoeksgebied (rood omlijnd) en analysegebied (zwart omlijnd) CE Gedeelte van de Bodembelastingskaart
De grondwerkzaamheden aan de nieuw aan te leggen watergang langs de Stheemanstraat kunnen zonder aanvullende maatregelen ten aanzien van OO worden uitgevoerd.
Voor het beoogde nieuwe watersysteem Nieuw Schoonebeek is een ecologisch vooronderzoek verricht (Natuurtoets nieuwe GGOR-peilen Landbouwgebied Nieuw Schoonebeek, Royal HaskoningDHV, april 2022). De natuurtoets geeft een algemene indruk van het onderzoeksgebied en de daar mogelijk voorkomende juridisch dan wel beleidsmatig beschermde natuurwaarden. Hierbij is gekeken naar de onderdelen soortenbescherming (flora & fauna) en gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden) uit de Wnb en naar het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hieronder zijn de uitkomsten van de natuurtoets toegespitst op de werkzaamheden voor de aanleg van de nieuwe watergang langs de verlegde Stheemanstraat.
Voor de aanleg van de nieuwe watergang langs de Stheemanstraat is enkel de werkzaamheid ‘het graven van nieuwe hoofdwatergangen’ van toepassing.
Op voorhand kunnen negatieve effecten voor vleermuizen worden uitgesloten, de fourageerroutes van vleermuizen komen niet overeen met het traject voor de nieuwe watergang. Negatieve effecten voor de grote modderkruiper en broedvogels zijn niet uitgesloten. In verband met de zorgplicht dienen er verschillende mitigerende maatregelen genomen te worden om (leefgebieden van) beschermde soorten te beschermen. Mitigerende maatregelen voor de grote modderkruiper en broedvogels kunnen genomen worden door te werken conform de gedragscode Unie van Waterschappen. Mitigerende maatregelen voor broedvogels kunnen daarnaast genomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.
Het aanleggen van de nieuwe watergang is onderdeel van de verlegging van de Stheemanstraat wat onderdeel is van de werkzaamheden in het kader van het Natura 2000 beheerplan Bargerveen en daarmee vrijgesteld van vergunning in het kader van gebiedsbescherming. Deze vrijstelling houdt tevens in dat de werkzaamheden voor de aanleg van de nieuwe watergang ook zijn vrijgesteld voor het uitvoeren van een AERIUS-berekening in het kader van Stikstofdepositie.
De werkzaamheden vinden niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) plaats. Het NNN-deel ten noorden van het plangebied bestaat uit het beheertype “N00.01 Nog om te vormen naar natuur” (de nog in te richten Buffer Zuid). Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend, en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn. Als gevolg hiervan zijn er momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden aanwezig. Negatieve effecten op het NNN zijn op voorhand uit te sluiten.
Op voorhand kunnen voor de werkzaamheden voor de aanleg van de nieuwe watergang langs de verlegde Stheemanstraat negatieve effecten worden uitgesloten voor vleermuizen.
Voor de grote modderkruiper en broedvogels zullen in verband met de zorgplicht verschillende mitigerende maatregelen genomen moeten worden conform de gedragscode Unie van waterschappen om (leefgebieden van) beschermde soorten te beschermen.
Het aanleggen van de nieuwe watergang is vrijgesteld van vergunning in het kader van gebiedsbescherming omdat dit onderdeel vormt van de werkzaamheden verlegde Stheemanstraat in het kader van het Natura 2000 beheerplan Bargerveen. Voor de aanleg hoeft daarmee tevens geen AERIUS- berekening opgesteld te worden in het kader van stikstofdepositie.
De werkzaamheden vinden niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) plaats. Het NNN bij de bufferzone kent momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden. Negatieve effecten op het NNN zijn op voorhand uit te sluiten.
Voor de realisatie van de watergang inclusief de daarin te realiseren dammen en duikers wordt een contractdocument opgesteld met bijbehorende tekeningen. Naast wat er aangelegd wordt zal hierin ook sturing worden gegeven aan de wijze waarop de uitvoering verloopt. Hierbij moet gedacht worden aan uitvoeringsperioden, planningen, aan- en afvoerroutes, werktijden, stopmomenten en andere activiteiten rondom het plangebied. De vrijkomende grond wordt ter plekke verwerkt of ter plekke geleverd voor kavelaanvaardingswerken van de Bestuurscommissie Bargerveen.
Wanneer de benodigde vergunningen zijn verleend, kan naar verwachting in begin oktober 2023 gestart worden met de uitvoering. Naar verwachting worden de werkzaamheden afgerond in april 2024.
Algemeen: Slechte weer- en terreinomstandigheden kunnen de uitvoeringsperiode verlengen.
Voordat met de uitvoering wordt gestart is nog nadere informatie nodig met betrekking tot detailplanning, werkvolgorde, fasering en dergelijke. De nadere uitwerking van deze details vindt in de uitwerkingsfase plaats op basis van dit projectplan en de verleende vergunningen.
6 Beschrijving te treffen voorzieningen voor beperken nadelige gevolgen
De realisatie van de betreffende werken omvat graafwerkzaamheden. De werkzaamheden leiden niet tot verkeershinder op openbare wegen, geluidsoverlast en trillingen. De aan- en/of afvoer van materieel en materiaal is minimaal.
Om nadelige gevolgen door de uitvoering van het werk tot een minimum te beperken worden de voorwaarden die gekoppeld worden vanuit ontheffingen, meldingen en vergunningen ter voorkoming van overlast of om de overlast tot een minimum te beperken opgenomen in het bestek en bij de uitvoering nageleefd. Hierbij gaat het onder andere om voorwaarden en werkprotocollen vanuit de omgevingsvergunning.
Jaarlijks worden ten behoeve van de legger door het waterschap de in dat jaar gerealiseerde werken ingemeten en opgetekend in revisietekeningen. Hiervoor neemt het waterschap een apart besluit: het leggerbesluit. Dat besluit wordt voorbereid door middel van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. De watergang opgenomen in dit projectplan zal in de legger worden opgenomen.
De in dit projectplan opgenomen watergang wordt aangelegd op grond van het waterschap Vechtstromen en wordt door het waterschap beheerd en onderhouden, inclusief de inliggende peilregulerende en overige kunstwerken (duikers). In het ontwerp wordt rekening gehouden met de essentiële beheeractiviteiten en het noodzakelijke onderhoud, zodat een goed en efficiënt beheer en onderhoud van de watergangen en de daarin te realiseren kunstwerken mogelijk is. Voorafgaand aan de oplevering van de maatregelen in dit projectplan stelt het waterschap een beheer- en onderhoudsdocument (BOD) op.
In dit hoofdstuk wordt het projectplan getoetst aan het relevante beleid. Telkens is kort weergegeven wat de relatie van dit projectplan is met het betreffende beleid of wet en waarom deze regelgeving een rechtvaardiging is van onderhavig projectplan. Wanneer het beleid of de wet een beperking vormt, is aangegeven op welke wijze het plan daarop is aangepast.
8.1 Verantwoording op basis van wet- en regelgeving
Als een waterschap een waterstaatswerk wil aanleggen of wijzigen, dient op grond artikel 5.4 Waterwet een projectplan te worden vastgesteld, met daarin een beschrijving van het werk, de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd en een beschrijving van de voorzieningen om nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk ongedaan te maken of te beperken. Het werk dient bij te dragen aan een doelstelling van de Waterwet waaronder:
Waterkwantiteit: voorkoming en waar nodig beperken van overstromingen en wateroverlast.
Met onderhavig plan wordt invulling gegeven aan bovenstaande doelstelling.
8.2 Verantwoording op basis van beleid
8.2.1 Nationaal bestuursakkoord water (NBW)
Vanuit het nationaal bestuursakkoord water is vastgelegd voor welke gebieden welke inundatiefrequentie is toegestaan. Voor grasland betekent dit dat de toegestane inundatiefrequentie kleiner is dan eens per 10 jaar, voor akkerbouw eens per 25 jaar en voor stedelijk gebied eens per 100 jaar.
8.2.2 Waterbeheerprogramma Waterschap Vechtstromen 2022-2027
Dit plan is gebaseerd op het waterbeheerprogramma 2022 – 2027. Het Waterbeheerplan heeft een integraal en strategisch karakter. De belangrijkste punten uit het beleid kunnen als volgt worden samengevat:
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) die ook onderdeel is van het nationale en provinciale waterbeleid, vormt voor de waterschappen een leidend beginsel. Dit betekent bijvoorbeeld dat het waterschap zich met concrete maatregelen gaat inzetten om te voldoen aan de KRW doelstellingen voor waterkwaliteit.
Om wateroverlast in de toekomst te voorkomen, wordt met het ontwerpen en aanpassen van watersystemen rekening gehouden met huidige klimaatscenario’s. Het realiseren van voldoende bergend vermogen in een watersysteem is daarbij een voorwaarde. Het einddoel daarbij is een robuust en klimaatbestendig watersysteem.
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en daarop ligt de focus bij nieuwe gebiedsontwikkelingen en verbetering van bestaande watersystemen in de stedelijke omgeving. Via het watertoets proces denkt het waterschap vroegtijdig mee over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling.
Op grond van artikel 3 van de Inspraak- en participatieverordening waterschap Vechtstromen wordt dit projectplan zes weken ter inzage gelegd. In die periode kunnen belanghebbenden een zienswijze over het ontwerp van het projectplan bij het dagelijks bestuur van het waterschap indienen. Na deze periode wordt het projectplan, met eventueel daarbij gevoegd de zienswijzen en de reactie van het waterschap daarop, vastgesteld.
Op dit projectplan is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat een belanghebbende in zijn beroepschrift tegen het besluit tot vaststelling van het projectplan moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Na afloop van de termijn van zes weken, kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Vermeld in het beroepschrift dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is.
Bijlage 4 Watersysteem Nieuw Schoonebeek M.e.r.-beoordeling
In 2008 heeft het waterschap Vechtstromen in het Gewenst Grond- en Oppervlaktewaterregime (GGOR) voor het Natura 2000-gebied Bargerveen en voor het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek en Emmen-Zuid verschillende mogelijkheden onderzocht en vastgelegd om de gewenste grond- en oppervlaktewatersituatie in en om het Bargerveen te realiseren. Dit alles heeft tot doel het natuurgebied Bargerveen meer overlevingskansen te geven en om de waterhuishouding in het landbouwgebied te verbeteren.
Na een zorgvuldige afweging is in het GGOR 2008 voor het gebied ten zuiden van het Bargerveen gekozen voor de aanleg van een bufferzone van 500 meter breed en ca. 4.500 meter lang (zie Figuur 1.1). Ten behoeve van de realisatie van deze bufferzone wordt een apart bestemmingsplan en MER in procedure gebracht (zie ook paragraaf 1.3 samenhang).
In samenhang met de bufferzone worden daarnaast een aantal waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek uitgevoerd. Dit gebied bevindt zich ten zuiden en westen van de bufferzone (zie bruine lijn Figuur 1.1 voor plangebied). Als uitgangspunt voor het streefpeil in het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek geldt een minimale drooglegging van 1 meter beneden maaiveld in 90% van een peilvak.
Figuur 1.1: De kaart laat de ligging van het plangebied voor de waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek zien (bruin omlijnd). Ook is de Bufferzone zichtbaar (rood gestippeld).
Om de gewenste waterhuishouding in het landbouwgebied te kunnen realiseren is in 2021 het GGOR geactualiseerd en zijn de volgende waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied voorzien:
Ten behoeve van de waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De uitvoering van de waterkundige aspecten worden op basis van de Waterwet geregeld middels een projectplan Waterwet.
Als onderdeel van het bestemmingsplan en projectplan Waterwet wordt deze m.e.r.-beoordeling opgesteld. Het Waterschap Vechtstromen is het bevoegd gezag voor het projectplan, de gemeente Emmen voor het bestemmingsplan.
1.2 Waarom een m.e.r .- beoordeling
Uit Hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en het Besluit m.e.r. volgt dat voor activiteiten die belangrijke nadelige effecten kunnen hebben voor het milieu een procedure in het kader van de milieueffectrapportage (m.e.r.) moet worden doorlopen. Zo kan het milieubelang volwaardig worden meegenomen in de besluitvorming.
In onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. staan de activiteiten vermeld die direct m.e.r.-plichtig zijn. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r.. Als een project onder onderdeel D valt dient een m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden om te onderzoeken of belangrijke nadele milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Op grond van artikel 2, lid 5 Besluit m.e.r. dient, voor activiteiten die wel zijn genoemd in onderdeel D, maar onder de drempelwaarden blijven, evenwel een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.‐beoordeling’ te worden gemaakt om te bezien of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. Dit toetsingskader staat schematisch weergegeven in Figuur 1.2.
Figuur 1.2: M.e.r .-procedure schematisch (Commissiemer.nl, 2021)
M.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten zijn activiteiten waarvoor de beslissing of wel of niet de m.e.r. procedure moet worden doorlopen, niet bij wet vastligt, maar door het bevoegd gezag moet worden genomen. Het bevoegd gezag moet bepalen of er sprake is van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’, die het doorlopen van de m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken. Het uitgangspunt is hierbij dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Hierbij moet getoetst worden aan de richtlijnen in bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectrapportage met de volgende drie criteria:
M.e.r .-plichtig vanuit Besluit- m.e.r .
Voor de ontwikkelingen rondom Nieuw-Schoonebeek is een wijziging van het bestemmingsplan nodig. De voorgenomen activiteit zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r., zie Tabel 1.1.
Tabel 1.1: Voorgenomen Activiteiten zijn de D-lijst van het Besluit m.e.r .
De ontwikkeling rondom Nieuwe Schoonbeek is m.e.r.-beoordelingsplichting op basis van de activiteiten D 3.2, D 13 en D 16.1.
De activiteit D 3.2 wordt niet onderverdeeld/ beperkt in gevallen (geen drempelwaarden in kolom 2). Hieruit volgt dat er een verplichte m.e.r.-beoordeling is ten behoeve van het bestemmingsplan en projectplan waterwet waarin deze activiteiten staan opgenomen.
In het projectplan waterwet staan de activiteiten D 13 benoemd voor een totaaloppervlak van 1.685 hectare. Dit overschrijdt de drempelwaarde van 100 ha uit kolom 2. Er volgt dus een verplichte m.e.r. beoordeling ten behoeve van het projectplan waterwet.
Bij D 16.1 gaat het om een activiteit van 18 à 20 hectare. Dit ligt onder de drempelwaarde van m.e.r. plichtige activiteiten op basis van C 16.1 kolom 2 (dat is 25 hectare). Wel wordt de drempelwaarde van D 16.1 overschreden (12,5 ha) waardoor er ten behoeve van het bestemmingsplan sprake is van een verplichte m.e.r. beoordeling.
Wanneer uit deze m.e.r.-beoordeling blijkt dat er risico bestaat op significant negatieve effecten, dan kan bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een m.e.r.-procedure.
M.e.r .-plicht vanuit wet natuurbescherming
In aanvulling op het voorgaande is er nog een zijspoor waardoor een ontwikkeling direct m.e.r.-plichtig kan zijn. Dit is het geval wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten en er een Passende Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden opgesteld. Uit de notitie stikstofdepositie blijkt dat en geen significant negatieve effecten optreden tijdens de permanente gebruikssituatie waardoor er geen sprake is van een m.e.r.-plicht in het kader van de Wet natuurbescherming.
1.3 Samenhang met andere projecten ter plaatse
Het Natura 2000-gebied Bargerveen is het grootste hoogveenrestant van Nederland. Om dit bijzondere hoogveen te behouden en te versterken zijn er maatregelen nodig. Het grondwater lekt weg naar de lagergelegen gronden, waardoor de grondwaterstanden te laag zijn en het veenmos niet meer kan groeien. En dus kan er geen nieuw veen worden gevormd. Voor de kwaliteit en ontwikkeling van het hoogveengebied, uitbreiding van actief hoogveen in de kern en het verbeteren van hoogveenvorming zijn de hydrologische omstandigheden bepalend en moet de grondwaterstand omhoog. De afgelopen jaren zijn veel instandhoudingsmaatregelen uitgevoerd, zoals het dempen van sloten en greppels en het aanleggen van kades. Het doel van deze maatregelen is om de waterhuishouding in het Bargerveen te verbeteren en om overgangszones vanuit het hoogveen naar het omliggende landschap te ontwikkelen.
Om de ontwikkeling van actief hoogveen mogelijk te maken, zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk, zowel binnen als buiten het Natura 2000 gebied. Eén van deze maatregelen is het creëren van bufferzones rondom het Bargerveen. Aangrenzend aan het plangebied Nieuw-Schoonebeek bevindt zich een 500 m brede bufferzone aan de zuidzijde van het Natura 2000-gebied tussen de Kerkenweg en de Duitse grens in de gemeente Emmen. De lengte van de bufferzone is circa 4500 m.
Figuur 1.3: De kaart laat de ligging van Buffer Zuid zien (rood omlijnd). In de overzichtskaart is het Natura 2000 gebied Bargerveen en de locatie van de bufferzone gegeven (de bufferzone is blauw gearceerd en het Natura 2000-gebied Bargerveen is in de overzichtskaart groen gemarkeerd). Het plangebied Nieuw-Schoonebeek is weergegeven met oranje omlijning.
Hoofdstuk 2 geeft een nadere beschrijving van de ligging van het plangebied en de kenmerken per milieuaspect. Hoofdstuk 3 beschrijft de voorgenomen activiteit waarin de kenmerken van het project zijn beschreven. In hoofdstuk 4 zijn de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit beschouwd. Tot slot is in hoofdstuk 5 een samenvatting gegeven en is de conclusie geformuleerd.
Dit hoofdstuk zal ingaan op de ligging van het plan, de gebiedskenmerken en de kenmerken van de huidige situatie van het plangebied.
Het plangebied, zoals deze is opgenomen in het bestemmingsplan en het projectplan watersysteem, is gelegen nabij Natura 2000-gebied Bargerveen. De kern Nieuw-Schoonebeek wordt omsloten door het plangebied, zoals te zien in Figuur 2.1.
Het gebied wordt aan de noordzijde begrensd door het Dommerskanaal en door de bufferzone (Buffer Zuid, zoals in voorgaand hoofdstuk beschreven). De zuidelijke en oostelijke grens is de landsgrens met Duitsland. In het midden van het plangebied ligt de kern Nieuw-Schoonebeek.
Figuur 2.1: Plangebied watersysteem Nieuw-Schoonebeek
2.2 Gebiedskenmerken per milieuaspect
Deze paragraaf beschrijft de verschillende gebiedskenmerken per milieuaspect in de huidige situatie. Er is hierbij ingegaan op landgebruik, bodemopbouw- en kwaliteit, de hoogteligging, grond- en oppervlaktewater, natuurwaarden, archeologie, aardkundige waarden, landschap en cultuurhistorie, en aanwezigheid van Conventionele explosieven.
Het landbouwgebied ten zuiden van het Bargerveen wordt zowel voor veeteelt als voor akkerbouw (vooral aardappels) gebruikt. De aardappels worden voornamelijk het dichtst bij het Bargerveen geteeld. De agrariërs uit Nieuw-Schoonebeek geven aan dat de wisselteelt van akkerbouw en grasland gunstig is voor de kwaliteit van de bodem en dus voor hun bedrijfsvoering. Veelal worden de percelen voor het telen van de aardappels op jaarbasis verpacht aan boeren van buiten het gebied.
De agrariërs geven aan dat vooral in het voorjaar sprake is van natte omstandigheden op de percelen dicht bij het Bargerveen. Daardoor kunnen de agrariërs later in het seizoen met de machines het land op dan gewenst.
Bebouwing en infrastructuur zijn verspreid door het gebied aanwezig. Lintbebouwing bevindt zich voornamelijk langs de Europaweg weg (zie Figuur 2.1). De Stheemanstraat heeft een belangrijke functie voor de landbouwkundige ontsluiting van de akkerbouwpercelen ten zuiden van het Bargerveen (RHDHV, 2022a).
2.2.2 Bodemopbouw en -kwaliteit
Binnen het plangebied liggen restveenpakketten in de bodem. Daarnaast bevindt zich leem en zand in de ondergrond, zie Figuur 2.2 (DINOloket, 2022). Figuur 2.3 geeft een beeld van het voorkomen van restveen in de ondergrond in het landbouwgebied. Lokaal is sprake van percelen waar zich nog restveen met een dikte van circa 1-1,5 m in de ondergrond bevindt. In de overige delen van het gebied is het afwezig of nog maximaal 0,5 m dik, waarbij wordt opgemerkt dat er sprake is van verstoorde lagen. Het veen wordt afgewisseld met moerige gronden en een sporadische podzol. Dit houdt in dat het van nature nattere en iets zure gronden zijn waarbij, met name voor de landbouw, een goede afwateringstructuur van belang is. Door de bodemopbouw kan inklinking als gevolg van verdroging in het gebied optreden (RHDHV, 2022a).
Figuur 2.2: Bodemopbouw op een boorlocatie in het plangebied ( DINOloket , 2022)
Figuur 2.3: Veendikte in het gebied (RHDHV, 2022a)
De gemeente Emmen heeft samen met de gemeentes Aa en Hunze, Borger-Odoorn, Coevorden, De Wolden, Hoogeveen, Meppel, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo en Westerveld en de provincie Drenthe een Nota bodembeheer op laten stellen, waar de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctiekaart een integraal onderdeel van vormen.
In de bodembeheernota wordt beschreven hoe grond en bagger kan worden hergebruikt. In de bodemfunctiekaart zijn gebieden met de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen en industrie aangewezen, waarbij het uitgangspunt is dat de klasse die wordt toegekend aan een gebied overeenkomt met de gevoeligste bodemfunctie binnen het betreffende gebied.
In de bodemfunctieklassenkaart valt het plangebied Schoonebeek vrijwel geheel onder ‘Landbouw/natuur’. Ter plaatse van de woonkernen Weiteveen en Nieuw-Schoonebeek en bij de lintbebouwing langs de Europaweg geldt de functieklasse ‘Wonen’. De bodemkwaliteitskaart bestaat uit twee kaarten: een ontgravingskaart en een toepassingskaart. In de ontgravingskaart zijn zowel de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) als de ondergrond (0,5-2,0 mmv) voor vrijwel het gehele plangebied ingedeeld in de bodemkwaliteitszone ‘Achtergrondwaarde’. Ook hier geldt dat de woonkernen Weiteveen en Nieuw-Schoonebeek en de lintbebouwing langs de Europaweg vallen in de bodemkwaliteitszone ‘Wonen’. Hetzelfde geldt voor de toepassingskaart: boven- en ondergrond van het plangebied vallen hoofdzakelijk in bodemkwaliteitszone ‘Achtergrondwaarde’ met uitzondering van de genoemde woonzones (‘Wonen’) (RHDHV, 2021).
Op historische kaarten is te zien dat door het gebied veel sloten hebben gelopen die in de loop der jaren zijn gedempt. Bij het dempen van watergangen werden in het verleden vaak alle beschikbare materialen gebruikt. Dit kon grond zijn, maar ook werd soms gebruik gemaakt van puin en bouw- en sloopafval. Bij een eventuele aanwezigheid van deze bouw- en sloopafval zijn dempingen van watergangen verdacht op asbest. Daarnaast bevinden zich in het plangebied verschillende dammen in watergangen. In de praktijk blijken deze soms met puin verstevigd te zijn. Ook dan valt asbest niet uit te sluiten (RHDHV, 2021). In Figuur 2.4 zijn deze verdachte locaties weergegeven.
Figuur 2.4: Te onderzoeken puntlocaties en tracés vanuit het bodemonderzoek (RHDHV, 2021)
In het plangebied bevindt zich een voormalige boor- of productielocatie (zie Figuur 2.4, dikke bruine en blauwe lijnen). Ondanks de inspanningen in de jaren ’90 om de productielocaties zo schoon mogelijk op te leveren kunnen verontreinigingen van de (water)bodem niet worden uitgesloten. Naast verdachte locaties door oliewinning bestaan er nog andere verdachte bodemlocaties door diverse activiteiten binnen het plangebied (zie Figuur 2.4, gestreepte bruin en blauwe lijnen) (RHDHV, 2021).
In Figuur 2.5 is te zien dat het plangebied in zuidwestelijke richting afhelt, waarbij het laagste punt op circa 14 m-NAP ligt. Het noordoostelijk deel van het gebied heeft een maaiveldhoogte van circa 17 m-NAP. Het hoogteverschil van het maaiveld in het plangebied bedraagt circa 3 m.
Figuur 2.5: Hoogtekaart (AHN3)
2.2.4 Grond- en oppervlaktewater
In het kader van het projectplan Watersysteem Nieuw-Schoonebeek zijn door middel van een grondwatermodelberekening de grondwaterstanden in kaart gebracht.
In Figuur 2.6 en Figuur 2.7 zijn de huidige grondwaterstanden weergegeven, berekend aan de hand van het grondwaterwatermodel. In dit model is een lange periode doorgerekend, waaruit de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) is bepaald.
De huidige GHG (Figuur 2.6) varieert sterk. In het oostelijke deel van het gebied worden hoge grondwaterstanden tot aan maaiveld berekend tijdens zeer natte periodes. Meer naar het westen ligt de GHG voor het grootste gedeelte tussen de 0,5 en 0,8 m-mv. Aan de zuidelijke rand, langs de Europaweg, ligt de GHG dieper onder maaiveld.
De huidige GLG (zie Figuur 2.7) wordt vooral beïnvloed door de drogere periodes. De GLG bevindt zicht tussen de 0,8 m-mv en ter plaatse van de hogere delen meer dan 2 meter beneden maaiveld. Ook in de GLG is een duidelijk verschil te zien tussen oost en west, met de diepere grondwaterstanden in het westen van het gebied (RHDHV, 2022a).
Figuur 2.6: GHG huidige situatie (RHDHV, 2022a)
Figuur 2.7: GLG huidige situatie (RHDHV, 2022a)
De peilen in het landbouwgebied bevinden zich tussen 13 en 17 meter + NAP. Het landbouwgebied watert in zuidelijk richting af naar het Schoonebeekerdiep. Het westelijke gedeelte van het landbouwgebied wordt in de huidig situatie in de zomer voorzien van aanvoerwater via het Dommerskanaal dat noordelijk van het plangebied is gelegen. Het landbouwgebied gelegen ten zuiden van de Boôvenen en de dr. ingenieur H.A. Stheemanstraat wordt momenteel niet voorzien van aanvoerwater in droge tijden (Gemeente Emmen, 2022).
De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Wet natuurbescherming (Wnb) heeft tot doel in de natuur voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen als een algemene zorgplicht. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Daarnaast vindt soortenbescherming plaats via verschillende beschermingsregimes. In het kader van de voornemens in Nieuw-Schoonebeek is een natuurtoets uitgevoerd, waarin de aanwezige soorten en gebieden in kaart gebracht zijn.
Via een natuurtoets is onderzoek gedaan naar het voorkomen van onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten (RHDHV, 2022b). In het onderzoek is onder andere gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en is er veldonderzoek verricht. Hieronder wordt per soortgroep een korte conclusie gegeven.
Binnen het plangebied zijn geen beschermde vaatplanten aanwezig, een overtreding van de Wnb t.a.v. vaatplanten is uitgesloten.
De NDFF wijst op het voorkomen van strikt beschermde zoogdieren in de omgeving van het plangebied, namelijk damhert, das, eekhoorn, waterspitsmuis. Een overtreding t.a.v. van de Wnb voor deze beschermde soorten is uitgesloten, omdat de dieren niet voorkomen binnen het plangebied dan wel het geen essentieel leefgebied betreft. Verder kunnen binnen en in de omgeving van het plangebied algemene beschermde soorten voorkomen zoals egel, haas, konijn, ree, kleine marterachtigen, verschillende muizensoorten en vos. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Provinciale Omgevingsverordening Drenthe’.
In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen in de nabije omgeving van het plangebied. Soorten als laatvlieger, rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis kunnen foeragerend voorkomen. Vleermuizen verblijven ‘s zomers overdag in een zomerverblijfplaats of kraam- of paarverblijfplaats, ’s winters zoeken ze een winterverblijfplaats op waar ze de hele dag verblijven. Tijdelijke negatieve effecten op vleermuizen die mogelijk binnen het plangebied foerageren zijn op voorhand niet uitgesloten. De natuurtoets beschrijft voorzorgsmaatregelen om tijdelijke negatieve effecten te voorkomen (RHDHV, 2022b).
De NDFF bevat waarnemingen van de heikikker en poelkikker buiten het plangebied, in het Bargerveen, maar beide soorten komen niet voor binnen het plangebied. Voor de algemeen voorkomende beschermde bastaard-, meer-, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Provinciale Omgevingsverordening Drenthe’.
De NDFF bevat waarnemingen van de adder, gladde slang en de levendbarende hagedis, buiten het plangebied, in het Bargerveen. Overige reptielen worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid uitgesloten. Uit veldonderzoek blijkt dat het plangebied alleen een geschikt leefgebied vorm voor adder.
De NDFF wijst op het voorkomen van de grote modderkruiper in de oostkant van het plangebied ter plaatse van de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat.
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Het struweel aan de randen van akkers is geschikt als broedlocatie voor verschillende (algemene) broedvogelsoorten o.a. zwartkop, spotvogel, winterkoning, merel, grasmus, geelgors, fitis en tjiftjaf. De oevers van de sloten zijn veelal onbegroeid en steil waardoor deze niet geschikt zijn als broedplaats voor soorten als de wilde eend. Op de akkers kunnen o.a. kieviten en scholeksters broeden.
Jaarrond beschermd nest en rustplaatsen
Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan geen potentiële jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Wel is er een overvliegende buizerd waargenomen. Dat deze soort een horst heeft mogelijk binnen of in de directe omgeving van het plangebied is niet uitgesloten. Deze is echter niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Ook is er een nestpaal voor een ooievaar waargenomen. Deze was nog niet in gebruik. Deze kan in het broedseizoen wel in gebruik genomen worden.
De NDFF bevat waarnemingen van de aardbeivlinder, gevlekte witsnuitlibel en de grote weerschijnvlinder buiten het plangebied, in het Bargerveen. Overige ongewervelden worden op basis van verspreidingsgegevens en habitatgeschiktheid uitgesloten.
Het plangebied grenst in het noordwestelijke deel aan het Natura 2000-gebied Bargerveen (zie Figuur 2.8). Voor het Natura 2000-gebied Bargerveen zijn zowel habitattypen, broedvogelsoorten en niet-broedvogelsoorten aangewezen vanuit de Europese habitat- en vogelrichtlijnen.
Het Bargerveen in het zuidoosten van Drenthe is een van de meest waardevolle hoogveengebieden van Nederland. Het is een restant van het ooit zeer uitgestrekte Bourtangerveen. In het gebied zijn zeldzame planten en dieren aanwezig. Het betreft grote populaties van adder, gladde slang en heikikker. Als een van de weinige veengebieden heeft het Bargerveen nog delen met vrijwel onaangetast hoogveen.
Het gebied kan worden opgedeeld in drie delen. In het noorden ligt het Meerstalblok welke voornamelijk bestaat uit vergraven en ontwaterd hoogveen met kleine onvergraven kernen levend hoogveen. Centraal ligt het Amsterdamsche Veld, welke tot op het restveen is afgegraven. In het zuiden ligt het Schoonebekerveld. Dit deel is een afwisselend gebied met deels vergraven hoogveen en bovenveengraslanden die zijn ontwaterd, maar bijna niet vergraven.
Sinds de jaren 70 zijn door Staatsbosbeheer maatregelen getroffen op het herstel van het veengebied. Om het water vast te houden zijn dammen aangelegd en lekken in de zandige ondergrond gedicht. Ook zijn er verschillende watergangen gedicht. Daarnaast zijn er bufferzones aangelegd en worden er nieuwe bufferzones gecreëerd. Desondanks alle maatregelen blijft het lastig om het gebied te herstellen gezien de bovenste lagen van het restveen vermoedelijk onherstelbaar zijn aangetast.
Figuur 2.8: Begrenzing Natura 2000-gebied Bargerveen. Groen: Vogelrichtlijngebied + Habitarichtlijngebied
In en rondom het plangebied bevinden zich locaties die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (zie Figuur 2.9). Binnen de NNN worden natuurfuncties behouden, hersteld of ontwikkeld. Andere ontwikkelingen zijn aanvaardbaar zolang deze verenigbaar zijn met, of ten dienste staan van, de natuurontwikkeling.
Figuur 2.9: Natuurnetwerk Nederland in en rondom het plangebied
2.2.6 Archeologie, aardkundige waarden, landschap en cultuurhistorie
Uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen blijkt dat het plangebied voor een groot deel een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde (waarde -archeologie 4). In Figuur 2.10 zijn de gebieden weergegeven (met arcering) die de waarde – archeologie 4 hebben. Voor het uitvoeren van werken (die geen bouwwerken zijn) of van werkzaamheden geldt een verbod voor bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2 en dieper dan 30 centimeter. Voor de aanleg van deze werken dient met een archeologisch onderzoek aangetoond te worden dat er geen archeologische waarden geschaad worden (Gemeente Emmen, 2022).
Figuur 2.10: Ontwerpbestemmingsplan Emmen, met gearceerd de gebieden met een waarde – archeologie 4 (Gemeente Emmen, 2022)
Door RAAP is in het voorjaar/zomer 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd. In het onderzoek zijn alleen de locaties meegenomen van de nieuwe waterlopen voor zover deze gelegen zijn binnen de, op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Emmen aangegeven, gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde (waarde -archeologie 4) (Raap, 2021).
Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek volgt dat er voor grote delen van het onderzoeksgebied vanwege verstoring van de bodem of vanwege de lage en natte ligging van het (dek)zand sprake is van lage verwachting. Enkele zones blijven een middelhoge tot zeer hoge verwachting houden.
De op de kaart geel gemarkeerde gedeelten (zie Figuur 2.11) betreffen intacte podzolbodems. Voor deze zone geldt een hoge archeologische verwachting, voor zowel het vondstenniveau als het sporenniveau. De groen gemarkeerde delen betreffen zones met beekafzettingen. Voor de zone in de directe nabijheid van de Wilms' Boo en de dekzandkop met een vindplaats is de verwachting zeer hoog (Raap, 2021).
Figuur 2.11: Advieskaart archeologische waarde (geel = aaneengesloten zone met intacte podzolbodem , groen = zone met beekafzettingen) (Raap, 2021)
Binnen de provincie Drenthe bestaat een beschermingsregime voor aardkundige waarden. Er bestaan vier niveaus van bescherming die richting geven aan de ontwikkelingen in een gebied.
In Figuur 2.12 zijn de aardkundige waarden in en rond het plangebied weergegeven. Het plangebied valt voor het grootste deel onder het generieke beschermingsniveau. Eén gebied binnen het plangebied valt onder het hoge beschermingsniveau. Het gebied maakt onderdeel uit van de Hondsrug en Keileemruggen. Het gebied in het oosten van het plangebied is onderdeel van het beekdal en heeft een middelhoog beschermingsniveau. Verandering van inrichting of beheer zijn in deze gebieden ongewenst, tenzij ze nodig zijn om de aardkundige waarde te behouden of te versterken of om aardkundige processen te herstellen. Ontwikkelingen kunnen alleen worden toegestaan als de kenmerken en gaafheid worden behouden. Ten noorden van Nieuw Schoonenbeek ligt het stergebied Meerstalblok/Bargerveen (Provincie Drenthe, 2018).
In het gebied met een hoog beschermingsniveau binnen het plangebied dient aandacht te zijn voor instandhouding van de macro gradiënt, bodemopbouw, reliëf en gradiëntsituaties. De aardkundige kenmerken zijn normerend voor wat mogelijk is. Waterbeheer, terrein- en landschapsbeheer moeten zodanig zijn dat de kenmerken in stand worden gehouden (Provincie Drenthe, 2018).
Figuur 2.12: Beschermingsniveau aardkundige waarden provincie Drenthe (Provincie Drenthe, 2018)
Het landschap ten zuiden van het Bargerveen, het plangebied, heeft in de afgelopen eeuwen een grote transformatie doorgemaakt; van hoogveenlandschap tot veenkoloniaal landschap, waarin landbouw de belangrijkste functie is. Het is een door mensen geschapen landschap en kenmerkt zich door een open karakter met een afwisseling van graslanden en bouwlanden. Als gevolg van de vervening is een slagenlandschap ontstaan met lange en smalle percelen met ertussen sloten, ontgonnen vanaf ontginningslijnen waarlangs lintbebouwing is ontstaan. In de laatste decennia heeft een schaalvergroting plaatsgevonden, wat ten koste is gegaan van de fijnmazigheid van het slagenlandschap. In het gebied is aan de oppervlakte reliëf ontstaan door verschillen in de hoogten van de vaste ondergrond (het zand of keileem) en de (gedeeltelijk) afgegraven veengronden. Ter hoogte van de dorpen heeft het landschap een iets meer gesloten karakter met her en der elzensingels, erfbeplanting en eikenrijen langs de historische kavelpaden (Gemeente Emmen, 2022).
De landschappelijk waardevolle elementen en structuren in het Veenkoloniaal/slagenlandschap zijn:
Cultuurhistorische waarden zijn tastbare elementen en structuren die een beeld geven van onze bewoningsgeschiedenis en het gebruik van het land door de mens. In Figuur 2.13 is de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Emmen weergegeven. Het gebruik en de bewoning van het landschap door de eeuwen heen is nog steeds goed herkenbaar in het ensemble van het stroomdal van het Schoonebeeker Diep tot aan het hoogveengebied met van zuid naar noord: lagergelegen graslanden, de ontginningsbasis (Europaweg) met noordelijk ervan de boerderijen en daarachter de hoger gelegen bouwlanden en de daar weer achterliggende woeste gronden en het hoogveengebied. Dit landschappelijke ensemble heeft een hoge cultuurhistorische waarde. De historische en ruimtelijke structuur en samenhang ervan dienen herkenbaar en behouden te worden. De smalle strokenverkaveling en de lintbebouwing langs de Europaweg zijn cultuurhistorisch waardevolle elementen (Gemeente Emmen, 2022). In het plangebied bevinden zich geen rijks- en gemeentelijke monumenten.
Figuur 2.13: Cultuurhistorische waardenkaart, gemeente Emmen (2016)
2.2.7 Aanwezigheid Conventionele explosieven
In Nederland zijn in de (Eerste en) Tweede Wereldoorlog (WOII) veel munitie en explosieven achtergebleven in de (water)bodem, die niet tot ontploffing zijn gekomen: ontplofbare oorlogsresten (OO). Op het moment dat in de nabijheid van deze ontplofbare oorlogsresten trillingen worden veroorzaakt of grondwerkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd, kunnen deze alsnog afgaan. Dit levert gevaar op voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, uitvoerders en andere personen in de omgeving van de werkzaamheden.
Bij vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten (OO) is geconcludeerd dat er een indicatie is voor de mogelijke aanwezigheid van OO in het onderzoeksgebied (AVG, 2016). Kijkend naar het gehele onderzoeksgebied kan worden vastgesteld dat de volgende gevechtshandelingen in of nabij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden:
In het onderzoeksgebied kunnen mogelijk de volgende OO worden aangetroffen:
Figuur 2.14: Ontplofbare oorlogsresten in en rond het plangebied (AVG, 2016)
3 Kenmerken van de activiteiten
In dit hoofdstuk is het voornemen specifiek toegelicht, om een beter beeld te geven van de voorgenomen activiteiten. Ten behoeve van de waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied Nieuw Schoonebeek wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. De waterkundige aspecten worden op basis van de Waterwet geregeld middels een projectplan Waterwet.
In het GGOR is vastgelegd dat het landbouwgebied, in de winterperiode, een drooglegging krijgt van 1 m in 90% van een peilvak. Dit uitgangspunt is gehanteerd bij het maken van een update van het GGOR. Na ruim 10 jaar was een update nodig om eventuele bodemdaling en de laatste inzichten, ook voor afgelopen droge jaren, te kunnen verwerken. Op initiatief van de LTO-afdeling Schoonebeek hebben begin februari 2021 twee online-bijeenkomsten met de agrarische grondeigenaren plaatsgevonden. Voor de wintersituatie wordt vastgehouden aan de drooglegging van 1 m in 90% van een peilvak. Om in de zomer beter om te kunnen gaan met droogte worden in een aantal peilvakken zomerpeilen voorgesteld met een drooglegging kleiner dan 1 m (0,8 m). Hier hebben de agrarische grondeigenaren mee ingestemd. De kaart met de geactualiseerde peilvakken, peilen en maatregelen is opgenomen in Figuur 3.1.
Figuur 3.1 Geactualiseerde peilvakken en streefpeilen GGOR (Bron: Waterschap Vechtstromen 2021).
Naast de actualisatie van het GGOR (peilwijzigingen) zijn er aanpassingen nodig aan het watersysteem om de gewenste waterhuishouding in het landbouwgebied te realiseren. Er dienen nieuwe waterlopen aangelegd te worden die zorgen voor een goede afwatering. Deze waterlopen worden ook benut voor de afvoer van overtollig regenwater uit de buffer naar het Schoonebeekerdiep. Daarnaast dienen er duikers, stuwen en een gemaal aangelegd te worden.
In Figuur 3.2 zijn de benodigde aanpassingen schematisch weergegeven. In Bijlage 1 is een leesbare versie van deze kaart opgenomen. Onderstaand worden de maatregelen nader toegelicht.
Figuur 3.2: Schematische kaart benodigde aanpassingen
Voor het functioneren van het nieuwe systeem worden er meerdere hoofdwatergangen aangelegd om de af- en aanvoer van water mogelijk te maken (zie Figuur 3.2 in blauw). Bij het ontwerpen van de watergangen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Onder de Boôvenen, de Dordseweg, de Bargerweg en de Griendtsveenstraat worden nieuwe duikers aangelegd. Onder de Europaweg waren (op één na) al duikers aangelegd. Deze duikers zijn van belang voor de afwatering van de nieuw aan te leggen watergangen. Daarnaast moeten enkele van deze bestaande duikers verlengd worden (zie Figuur 3.2).
Voor het functioneren van het watersysteem en het handhaven van de peilen worden door het plangebied heen verschillende stuwen aangelegd. Het betreft hier een viertal automatische stuwen, verscheidene handbediende stuwen en ook vaste overlaten (zie de driehoeken in Figuur 3.2).
Ten behoeve van de wateraanvoer is voorzien in de realisatie van een aanvoergemaal binnen het plangebied (zie de zeshoek in Figuur 3.2). Het gemaal pompt het water op vanuit het aanvoertracé langs de Boôvenen (vanaf het Dommerskanaal) in de Buffer zuid. Van hieruit kan het worden verdeeld over de Buffer zuid en het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek. Om het water ook weer te kunnen afvoeren wordt er tevens een uitstroomvoorziening richting het aanvoertracé en het Schoonebeekerdiep gerealiseerd.
In de watergangen worden peilscheidingsdammen gerealiseerd. Ten behoeve van de bereikbaarheid van de percelen, dienen meerdere dammen met duikers te worden aangelegd. Op basis van de veldinventarisatie zijn de locaties van deze dammen met duikers vastgesteld. Deze dammen en peilscheidingen liggen verspreidt door het plangebied. In Bijlage 1 zijn de dammen en duikers duidelijk weergegeven.
De kunstwerken worden verdiept in het landschap aangebracht waarbij de bovenzijde overeenkomt komt met het maaiveldniveau ter plaatse. Het omgevingsbeeld verandert daardoor niet. Alleen een bedieningskast is boven het maaiveld zichtbaar bij kunstwerken die automatisch werken.
In het projectplan zijn ontwerpuitgangspunten gehanteerd om tot het ontwerp te komen.
Wanneer de benodigde vergunningen zijn verleend en het bestemmingsplan is gewijzigd, kan naar verwachting in de tweede helft van 2022 gestart worden met de uitvoering. Naar verwachting zal de uitvoering circa één jaar duren. Slechte weer-en terreinomstandigheden kunnen over het algemeen de uitvoeringsperiode verlengen. De vrijkomende grond wordt ter plekke verwerkt.
Voordat met de uitvoering wordt gestart is nog nadere informatie nodig met betrekking tot detailplanning, werkvolgorde, fasering en dergelijke. De nadere uitwerking van deze details vindt in de uitwerkingsfase plaats op basis van het projectplan en de verleende vergunningen.
4 Kenmerken van potentiële effecten
Op basis van de activiteiten die als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden uitgevoerd en de kenmerken van het plangebied zijn de volgende milieuaspecten in het kader van de m.e.r.-beoordeling van belang:
Onderstaand wordt voor betreffende milieuaspecten de potentiële milieueffecten toegelicht. Ook wordt ingegaan op mogelijke cumulatieve effecten. De bronnen die gebruikt zijn om de potentiële effecten in kaart te brengen zijn allen opgenomen als Bijlage in het nieuwe bestemmingsplan.
Voor de verbetering van de waterhuishouding worden bestaande watergangen verbreed en nieuwe hoofdwatergangen en kunstwerken aangelegd. Ter plaatse van de tracés van de toekomstige watergangen en kunstwerken is milieuhygiënisch onderzoek uitgevoerd (RHDHV, 2021). Dit verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd op basis van een eerder verricht vooronderzoek. Uit het vooronderzoek blijkt dat een groot gedeelte van het plangebied onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. Voor de onverdachte terreindelen is de bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart van toepassing.
In het vooronderzoek is een aantal locaties/situaties geïdentificeerd die niet op voorhand als onverdacht kunnen worden aangemerkt. Voor deze locaties is in het verkennend onderzoek nagegaan in welke mate de bodemkwaliteit afwijkt.
Omdat de herkomst onbekend is van de grond die in het verleden gebruikt is voor het dempen van sloten en van het materiaal waarmee dammen verstevigd zijn, is aanwezigheid van verontreinigingen zoals metalen, PAK of asbest niet uitgesloten als bodemvreemde bijmengingen aanwezig zijn. Daarnaast liggen delen van graaftracés van nieuwe watergangen direct langs de contouren van een voormalige boor- of productielocatie of een andere als ‘verdacht’ aangemerkte locatie.
Hieronder zijn de resultaten van het onderzoek opgesomd:
Dammen: Bij 22 van de 53 onderzochte dammen zijn puinbijmengingen in de grond aangetroffen. Analytisch gaat het hoogstens om overschrijdingen van de achtergrondwaarde; er zijn geen overschrijdingen van interventiewaarden aangetoond. In een aantal gevallen leidt de concentratie aan minerale olie tot een indicatieve indeling in hergebruikscategorie ‘niet toepasbaar’. In één van de asbestverdachte dammen is enig asbest aangetoond. De concentratie is ruim lager dan de interventiewaarde.
Verdachte tracés waterbodem: er zijn vijftien locaties onderzocht. Incidenteel zijn afwijkingen waargenomen in de vorm van bodemvreemde bijmengingen in geringe mate. Bij zes van de 15 locaties zijn analytisch overschrijdingen van achtergrondwaarden aangetoond met uiteenlopende parameters. Interventiewaarden zijn niet overschreden.
Verdachte tracés droge bodem: er zijn zeven locaties onderzocht. Incidenteel zijn afwijkingen waargenomen in de vorm van bodemvreemde bijmengingen in geringe mate. Bij drie van de zeven onderzochte locaties is sprake van lichte overschrijdingen van de achtergrondwaarde. Interventiewaarden worden niet overschreden.
Dammetjes met duikers: er zijn tien dammetjes onderzocht. In twee van de dammetjes werd dermate veel puin aangetroffen dat een analyse op asbest is verricht. Analytisch is hierbij geen asbest aangetoond. Bij de overige dammetjes met duikers werden hoogstens overschrijdingen van de achtergrondwaarde aangetoond (PAK, olie, zink).
Boringen: op twee locaties zijn meerdere boringen gedaan. Bij boerderij Wilmsboo zijn bij één boring resten plastic/glas/asfalt in de bodem aangetroffen. Deze bodemlaag is analytisch boven de achtergrondwaarde is verontreinigd met PAK, olie, PCB en cadmium. Bij één van de boringen is veel puin in de grond aanwezig. Analytisch is geen sprake van asbest en er zijn ook geen andere verontreinigingen boven de achtergrondwaarde aanwezig.
Al met al zijn er in het verkennende bodemonderzoek geen bodemverontreinigingen aangetroffen die gesaneerd moeten worden. Wel zal plaatselijk rekening gehouden moeten worden met vrijkomende grond die mogelijk niet zonder beperkingen kan worden toegepast en met vrijkomend teerhoudend asfalt.
Door de hogere zomerpeilen ten opzichte van de huidige situatie en wateraanvoer is er in het grootste deel van het plangebied sprake van een verhoging van de zomergrondwaterstanden. In enkele delen van het gebied is er ook sprake van een verlaging van de GLG. Verdergaande veenoxidatie treedt op als de GLG zich in de huidige situatie in de veenlaag bevindt en na peilverlaging tot onder de veenlaag. Met behulp van berekend grondwaterstanden en de resultaten van door TNO uitgevoerde veenkarteringen zijn de grondwaterstanden ten opzichte van de diepteligging van de veenbasis in beeld gebracht.
Figuur 4.1 toont de GLG ten opzichte van de onderkant van de veenlaag in de huidige situatie. In het merendeel van het gebied bevindt de grondwaterstand zich onder de veenlagen. In Figuur 4.2 is te zien dat de situatie vrijwel gelijk blijft, met uitzondering van een peilvak in het noordoostelijk deel van het plangebied (rood omcirkeld). Hier is in de huidige situatie deels sprake van grondwaterstanden die zich in de veenlagen bevinden. Door de peilen volgens GGOR2008 en verder voorgestelde peilverlaging verlagen de grondwaterstanden tot onder de veenbasis. Dit kan lokaal mogelijk tot verdergaande veenoxidatie leiden. Ter plaatse van bebouwing is de GLG lager dan de veenbasis en wordt als gevolg van peilaanpassing geen extra veenoxidatie verwacht (RHDHV, 2022a). Er wordt dus geen bodemdaling verwacht bij bebouwing in en rond het plangebied als gevolg van het planvoornemen.
Figuur 4.1: Grondwaterstand (GLG) ten opzichte van veenbasis huidige situatie (RHDHV, 2022a)
Figuur 4.2: Grondwaterstand (GLG) ten opzichte van veenbasis bij GGOR 2021 peilen (RHDHV, 2022a)
Als gevolg van de voorgestelde GGOR 2021 peilen worden de winter grondwaterstanden ten opzichte van de huidige situatie verlaagd in het landbouwgebied. Doordat er sprake is van wateraanvoer en hogere zomerpeilen ten opzichte van de huidige situatie zakken de grondwaterstanden in de zomer minder diep weg in delen van het landbouwgebied. Dit is voordelig voor de landbouw, omdat boeren hierdoor in het voorjaar eerder het land op kunnen en in de zomer minder last hebben van verdroging. Door de peilverlaging in de natte winterperiode is er geen sprake van uitstraling van negatieve effecten naar de bebouwing van Nieuw-Schoonebeek.
De verschillen tussen de grondwaterstanden bij de peilen van GGOR2008 en GGOR2021 zijn direct te relateren aan de peilwijzigingen en treden vooral op binnen de grenzen van de nieuwe peilvakken. Er is geen sprake van uitstraling van negatieve effecten naar de bebouwing van Nieuw-Schoonebeek of het Bargerveen (RHDHV, 2022a).
Om het functioneren van het toekomstige watersysteem in extreme situaties te toetsen is een NBW-toetsing (Nationaal bestuursakkoord water) uitgevoerd (RHDHV, 2022a). Uit de toetsing van het watersysteem volgt dat de toekomstige inrichting voldoet aan de geldende normen (van het waterschap Vechtstromen) voor regionale wateroverlast. Binnen het plangebied wordt ruimschoots voldaan aan de overstromingsnormen. Voor het gehele plangebied geldt dat er geen overstroming is een bui met een herhalingstijd van 100 jaar (T100 situatie).
De verwachting is dat de wijzigingen in de waterhuishouding geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit. Het water rondom het projectgebied is al dermate eutroof (bevat veel minerale voedingsstoffen) dat inlaat van water vanuit het Dommerskanaal hier geen invloed op heeft (RHDHV, 2022a).
Bij het beoordelen van het effect van het planvoornemen op beschermde soorten in de Natuurtoets (RHDHV, 2022b) is uitgegaan van een aantal werkzaamheden: het graven van nieuwe hoofdwatergangen, het verbreden en verdiepen van watergangen tot hoofdwatergangen en het plaatsen van kunstwerken. Aan de hand van deze werkzaamheden is het effect op beschermde soorten bepaald. Hieronder zijn de beschermde soorten genoemd waarbij negatieve effecten door het planvoornemen op voorhand niet uitgesloten zijn. Voor de overige soorten geldt dat een overtreding op de Wnb op voorhand uitgesloten kan worden.
Er worden geen bomen gekapt of gebouwen gesloopt waardoor het vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen is uitgesloten. Ook worden geen lijnvormige elementen onderbroken die als vliegroute fungeren. Bosjes en struweel blijven beschikbaar als foerageergebied voor de verschillende vleermuissoorten. Indien er binnen het vleermuisactieve seizoen (grofweg van april tot november) in het donker wordt gewerkt, kan de inzet van verlichting leiden tot verstoring van foeragerende en/of doortrekkende vleermuizen.
Tijdens de werkzaamheden worden nieuwe watergangen gegraven en een aantal huidige sloten worden verdiept en verbreed. De sloten die verbreed/verdiept worden zijn mogelijk geschikt als leefgebied voor de grote modderkruiper. Door werkzaamheden aan de watergang in de oostkant van het plangebied ter plaatse van de Dr. Ingenieur H.A. Stheemanstraat kan een mogelijke voortplantings- of rustplaatsen worden beschadigd of vernield. Ook kunnen hierbij grote modderkruipers worden gedood. Het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van de grote modderkruiper is daarmee op voorhand niet uit te sluiten.
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Op basis van de Wnb zijn alle broedvogels beschermd onder het beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten. Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen verstorende effecten optreden op broedvogels. Wanneer de werkzaamheden (gedeeltelijk) worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels worden verstoord. Wanneer soorten het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren of jongen van vogels. Het verstoren en vernietigen van nesten en eieren of jongen is een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb.
Jaarrond beschermd nest en rustplaats
Er worden geen bomen gekapt en de nestpaal van de ooievaar blijft gehandhaafd. Bij de werkzaamheden gaat een eventueel nest niet verloren. Wanneer tijdens het broedseizoen binnen de verstoringsafstand van een broedende buizerd wordt gewerkt kunnen broedende buizerds worden verstoord. Wanneer soorten het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren of jongen van vogels. Het verstoren en vernietigen van nesten en eieren of jongen is een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wnb. Indien de broedpaal voor de ooievaar in gebruik is, kunnen tijdens het broedseizoen deze negatieve effecten niet worden uitgesloten.
In verband met de zorgplicht dienen onderstaande algemene maatregelen te worden getroffen:
Werklocaties circa 2 weken voorafgaand aan de uitvoering van de grondwerkzaamheden ongeschikt maken door de vegetatie te maaien met de maaibalk afgesteld op ongeveer 10 cm boven maaiveld en maaisel af te voeren. Na het verwijderen van de vegetatie, bij voorkeur binnen de minst kwetsbare periode (oktober), mogen minimaal 1-2 dagen geen werkzaamheden worden uitgevoerd.
Grote modderkruiper en algemeen voorkomende vissen
Voor de grote modderkruiper kunnen overtredingen op de Wet natuurbehescherming niet worden uitgesloten. In verband met de zorgplicht dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vissen:
Verder vinden werkzaamheden in de watergang alleen plaats als de luchttemperatuur boven het vriespunt ligt en er geen ijs aanwezig is in de watergang. De temperatuur mag echter ook niet te hoog zijn, deze moet beneden de 25º C zijn. Bij koude temperaturen zijn vissen inactief en bij hele warme temperaturen kan er al snel zuurstofgebrek ontstaan.
Figuur 4.3: De Grote Modderkruiper is afhankelijk van ondiep water met verlandingsvegetaties en een 10-30 cm dikke modderlaag en onderwatervegetatie. Het is oorspronkelijk een soort van laagdynamisch systeem in het rivierengebied. Essentieel is jaarrond beschikbaar zijn van water. Diepere plekken waar in drogere periodes alsook in de winter naar uitgeweken kan (zie bijgaande afbeelding). De soort is relatief honkvast en heeft een gering dispersievermogen van 1 tot 3 km (Kennisdocument BIJ12, 2021).
Binnen het plangebied kunnen verschillende broedvogelsoorten voorkomen. Bij de werkzaamheden dienen onderstaande maatregelen te worden getroffen ten aanzien van vogels:
Indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt, moet het werkterrein vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden voor broedvogels door vegetatie kort te maaien en kort te houden tot de werkzaamheden aanvangen. De ecoloog dient het werkterrein regelmatig te inspecteren. Indien nodig (als de ecoloog territoriale vogels waarneemt) worden de percelen geweidesleept tot aanvang van de werkzaamheden en als er een paar dagen niet gewerkt wordt.
Binnen Natura 2000-gebied Bargerveen bestaan 19 storingsfactoren. Storingsfactoren zijn bepaalde handelingen die de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied kunnen belemmeren. Op basis van de voorgenomen activiteit kunnen op voorhand 14 van de 19 storingsfactoren uitgesloten worden, omdat de afstand van het voornemen tot Bargerveen te groot is. De effecten van geluid, licht en optische verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen kunnen door het nemen van maatregelen worden uitgesloten.
Voor de verstoringsfactoren vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie is een Aerius berekening uitgevoerd (RHDHV, 2022c). Binnen het project wordt landbouwgrond omgezet in water. Deze landbouwgrond wordt niet meer regulier bemest waardoor de emissie van stikstof (ammoniak) in de permanente gebruiksfase zal afnemen. De maximale afname van de depositie bedraagt 1,55 mol N/ha/j. Significant negatieve effecten tijdens de permanente gebruikssituatie kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten.
In het Besluit natuurbescherming is een partiele vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie tijdens de bouw- en aanlegfase opgenomen. Voorgenomen werkzaamheden voor verbreden en graven van watergangen, realisatie van kunstwerken en de bouw van een nieuw gemaal kunnen, onder de huidige wetgeving, voor stikstofdepositie vergunningsvrij worden uitgevoerd. Om een volledig beeld van de effecten van het nieuwe bestemmingsplan op de stikstofdepositie binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden te verkrijgen zijn deze tijdelijke effecten wel berekend en beoordeeld.
Uit de stikstofdepositieberekening met AERIUS Calculator (versie 2021) volgt dat, op basis van de aangeleverde informatie over de uit te voeren werkzaamheden in het landbouwgebied rondom Nieuw-Schoonebeek, de emissies tijdens de aanlegfase, na vermindering met de ammoniakemissies van vervallen landbouwgronden, leiden tot een tijdelijke toename van de stikstofdepositie van 0,18 mol/ha/j. Dit is een kleine tijdelijke toename, welke geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen aangewezen voor Natura 2000-gebied Bargerveen.
Door gebruik te maken van een elektrisch alternatief voor de betonmixer, kunnen de emissies tijdens de bouw van het gemaal worden beperkt en wordt, na vermindering met de emissies van vervallen landbouwgronden, ook geen tijdelijke toename van de stikstofdepositie binnen nabijgelegen Natura 2000-gebeiden meer berekend.
De werkzaamheden vinden niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) plaats. Het NNN-deel ten noorden van het plangebied bestaat uit het beheertype “N00.01 Nog om te vormen naar natuur” (de nog in te richten Buffer Zuid). Dit beheertype omvat gronden die in het verleden een andere functie dan natuur hebben gekend, en nog niet tot andere beheertypen te rekenen zijn. Als gevolg hiervan zijn er momenteel nog geen wezenlijke kenmerken en waarden aanwezig. Negatieve effecten op het NNN zijn op voorhand uit te sluiten.
4.4 Archeologie, aardkundige waarden, landschap en cultuurhistorie
Door RAAP is in het voorjaar/zomer 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd (RAAP, 2021). Uit het onderzoek is gebleken dat er op vier locaties waar watergangen gegraven gaan worden, sprake is van (zeer) hoge archeologische verwachting. In drie van deze locaties is archeologische begeleiding voorgeschreven bij uitvoering. Bij één locatie is aanvullend karterend booronderzoek verricht (zie Figuur 2.11 en RAAP, 2022). In geen van de boringen zijn (bij het zeven van de top van het dekzand) archeologische indicatoren aangetroffen. De kans wordt zeer klein geacht dat zich een archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied bevindt. Daarom kan ervanuit gegaan worden dat in het onderzoeksgebied geen archeologische resten bedreigd worden.
In het plangebied ligt een gebied met een hoog beschermingsregime t.a.v. de aardkundige waarden. In dit gebied vinden, afgezien van de doorsnijding van één nieuwe watergang, geen ingrepen plaats in de bodem. De macro gradiënt, bodemopbouw, reliëf en gradiëntsituaties blijven hier behouden. De ingreep is lokaal van aard. Met het planvoornemen worden de aardkundige kenmerken van het gebied niet aangetast.
Het realiseren van de watergangen draagt bij aan het behouden en versterken van het landbouwgebied. De waterpeilen die nagestreefd worden ten gunste van de landbouw hebben als basis gediend voor de situering van de watergangen. Hierbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de landschappelijke indeling van het gebied, waarbij de linten in het landschap zijn behouden en waarbij de openheid in stand blijft. Er wordt zorg gedragen voor behoud van de cultuurhistorische- en landschappelijke waarden. Met het realiseren van de watergangen wordt invulling gegeven aan het gemeentelijk beleid. Daarnaast worden er geen beschermde rijks-of gemeentemonumenten aangetast. Hierdoor zullen geen negatieve effecten optreden op de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
De voor Conventionele explosieven verdachte locaties zijn getoetst aan de kaart waarop de nieuw aan te leggen watergangen zijn geprojecteerd. Op basis van de vergelijking kan geconcludeerd worden dat het plangebied samenvalt met het invloedsgebied van een bombardement (locatie B6 in afbeelding 4.4) en het invloedsgebied van een vliegtuigcrash (locatie B3 in afbeelding 4.4). Op deze locaties wordt nader onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is gepland uit te voeren nadat de gewassen van het maaiveld zijn gehaald. Het onderzoek zal in het najaar van 2022 gereed zijn.
Indien resten worden aangetoond dienen deze veiliggesteld te worden. Dit veiligstellen is mogelijk. Voor het overige deel van het plangebied geldt dat de kans op het aantreffen van conventionele explosieven bij grondwerkzaamheden net zo groot is als de gemiddelde kans op het aantreffen van conventionele explosieven op als ‘onverdacht’ aangemerkte locaties in de rest van Nederland (AVG, 2016).
Figuur 4.4: Begrenzing onderzoeksgebied (rood omlijnd) en analysegebied (zwart omlijnd) CE Gedeelte van de Bodembelastingskaart
4.6 Cumulatie met andere projecten
In 2008 heeft waterschap Vechtstromen in het GGOR (Gewenst Grondwater en Oppervlaktewater Regime) voor het Natura 2000-gebied Bargerveen en het landbouwgebied Nieuw Schoonebeek en Emmen Zuid de mogelijkheden onderzocht om de gewenste grond- en oppervlaktewater situatie in en om het Bargerveen te realiseren. In dit traject kwam Buffer Zuid (zie hoofdstuk 1.3), een bufferzone van 500 m over het traject tussen de Kerkenweg en de Duitse grens, als beste optie naar voren in combinatie met een aantal waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied Nieuw-Schoonebeek. Buffer Zuid en de waterhuishoudkundige maatregelen in het landbouwgebied hebben een nauwe samenhang met elkaar.
De Buffer Zuid en de maatregelen rondom het landbouwgebied (GGOR), waar deze m.e.r.-beoordeling op in gaat, kunnen niet zonder elkaar worden uitgevoerd. Op dit moment is de uitvoeringsplanning van beide projecten nog niet bekend. Het is dan ook niet uit te sluiten dat deze projecten geheel of gedeeltelijk overlappen in de tijd.
In de gemaakte berekeningen van stikstofdepositie voor zowel de Buffer Zuid als het GGOR is sprake van een kleine toename bij de aanleg (respectievelijk een tijdelijke maximale bijdrage van 0,55 mol N/ha/j en 0,18 mol N/ha/j). Dit staat echter niet in verhouding tot de afname van stikstofdepositie in de gebruiksfase (de maximale afname van de depositie voor het GGOR bedraagt enkel al 1,55 mol N/ha/j). Als gevolg van de beperkte tijdelijke toename van stikstofdepositie zal er geen significant negatieve effecten zijn op de aangewezen instandhoudingsdoelstellingen (habitattypen) van Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van de beide projecten. Terwijl in de permanente situatie juist een gunstigere situatie ontstaat voor de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van de realisatie van de projecten.
Overige cumulerende effecten worden niet verwacht.
In dit hoofdstuk is per aspect een samenvatting gegeven van de belangrijkste conclusies. Er is geconcludeerd of het planvoornemen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.
In de voorgaande hoofdstukken is een beschouwing gegeven van de kenmerken van het project, de omgeving van het project en de mogelijke gevolgen van het project op het milieu en de in de omgeving aanwezige waarden. Deze beschouwing geeft het bevoegde gezag, Waterschap Vechtstromen voor het projectplan en de gemeente Emmen voor het Bestemmingsplan, de nodige informatie waarmee zij een afweging kan maken of zij het opstellen van een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk acht.
In de beoordeling van de milieugevolgen is aangesloten bij Bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling. In hoofdstuk 2 en 3 zijn de kenmerken van het project (criterium 1) en de locatie en omgeving van het project (criterium 2) beschouwd. Daaruit volgt dat de voorgenomen activiteit beperkt is tot het plangebied en er geen invloeden zijn op de omgeving. In hoofdstuk 4 zijn de potentiële effecten beschreven (criterium 3).
Gebleken is dat de voorgenomen activiteit over het algemeen geen negatieve milieueffecten heeft. De gevolgen zijn allen lokaal en er zijn ter plaatse geen andere ontwikkelingen waarmee de effecten tot grote gevolgen zouden kunnen cumuleren. De conclusie is daarom dat, mits de voorgestelde maatregelen in acht worden genomen, er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
AVG (2016). Vooronderzoek 1862035-VO-02 kn Bergerveen, definitieve versie juli 2016.
DINOloket (2022). Geologisch booronderzoek, B23A0008. Toegankelijk via: https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens
Gemeente Emmen (2022). Bestemmingsplan Buitengebied Nieuw Schoonebeek Waterschap Vechtstromen (concept).
Kennisdocument BIJ12 (2021). Grote modderkruiper, Misgurnus fossilis. Toegankelijk via: https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/10/Kennisdocument-Grote-modderkruiper-Misgurnus-fossilis-Versie-2.0-oktober-2021.pdf
Provincie Drenthe (2018). Waardevol Drenthe, beleidsnotitie Aardkundige waarden.
RHDHV (2022c). Notitie/Memo Stikstofdepositie Nieuw-Schoonebeek.
Bronnen die opgenomen zijn als Bijlage in het ontwerp Bestemmingplan
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2023-12013.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.